Bijlage 1 - Nota bodembeheer Houten 2023 inclusief bijlagen waaronder geactualiseerde bodemkwaliteitskaart en regionale PFAS-beleid met bijbehorende kaarten
Tekst van het document
Nota bodembeheer gemeente Houten Projectteam Auteur
: Gemeente Houten: Edwin Koolhof, Judith Brunink RUD Utrecht: Arjen Heins, Jeroen Kemper, Oscar Groenhof : Arjen Heins
Datum
:10 januari 2024
Versie
:definitief v2
1
Inhoudsopgave 0. 1.
2.
3.
4.
5.
6. 7.
Leidraad grondverzet Inleiding 1.1 Leeswijzer 1.2 Aanleiding 1.3 Doelstelling nota bodembeheer 1.4 Afweging gebiedsspecifiek beleid 1.5 Bodembeheergebied 1.6 Reikwijdte van de nota bodembeheer Uitgangspunten regionaal beleid 2.1 Karakterisering van het beheergebied Houten 2.2 Voordelen bodemkwaliteitskaart 2.3 Uniformiteit 2.4 Duurzaamheid Kader nota bodembeheer 3.1 Randvoorwaarden gebiedsspecifiek beleid 3.2 Bodemfunctieklassenkaart 3.3 Bodemkwaliteitskaart (BKK) Grondstromenbeleid 4.1 Aanleiding voor gebiedsspecifiek grondstromenbeleid 4.2 Grondstromenbeleid op basis van zone-indeling 4.3 Zone-overkoepelend gebiedsspecifiek beleid 4.3.1 Niet gezoneerde gebieden 4.3.2 Gevoelige gebruiksfuncties 4.3.3 Grondverzet dieper van 2 meter 4.3.4 Bodemvreemd materiaal 4.3.5 Wegbermen in het buitengebied langs gemeentelijke wegen 4.3.6 Wegbermen langs provinciale- en rijkswegen 4.3.7 Verspreiden van bagger en baggerdepots 4.3.8 OCB-verontreinigingen voormalige boomgaarden 4.3.9 Kabels en leidingen 4.3.10 Voorkomen plaagsoorten (flora) bij grondverzet Beleidsregels voor PFAS 5.1 Inleiding 5.2 Karakterisering en kwaliteitszone-indeling 5.3 Verwachte ontgravingskwaliteit 5.4 Gebiedsspecifiek beleid 5.5 Toekomstige bijstelling van de landelijke (toepassings-)normen Bijzondere omstandigheden 6.1 Toepassingen in grondwaterbeschermingsgebied Tull en ‘t Waal 6.2 Functies Wonen en Industrie in
het buitengebied Handvat grondverzet 7.1 Inleiding 7.2 Stappenschema grondverzet 7.3 Aandachtspunten 2
4 7 7 7 7 7 8 8 11 11 12 12 13 14 14 14 15 16 16 16 18 19 19 20 20 20 22 23 23 24 25 26 26 26 26 27 28 29 29 30 31 31 30 32
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5
Begrippenlijst Internetadressen Kaart met verdachte boomgaarden BKK-rapportage PFAS-beleid provincie Utrecht
3
0. Leidraad grondverzet De gemeente Houten heeft onder het Besluit bodemkwaliteit bodembeleid vastgesteld in de vorm van een nota bodembeheer (verder: nota) met bodemkwaliteitskaart (verder BKK). Dit hoofdstuk is een leidraad voor de gebruiker om aan de hand van vragen snel de weg te kunnen vinden naar de juiste hoofdstukken en paragrafen in deze nota. Hierin staan teksten, figuren of tabellen die nodig zijn voor de uitvoeringspraktijk met betrekking tot het ontgraven en/of toepassen van grond. Voor wie is het beleid bedoeld? Het beleid is met name opgesteld voor overheden en professionele marktpartijen (aannemers, grondreinigers, adviesbureaus) die in hun werk te maken hebben met hergebruik (toepassen) van grond en/of baggerspecie. Geldt het beleid alleen voor de gemeente Houten? Ja, maar de initiatiefnemers van grondverzet kunnen de nota met BKK ook gebruiken voor de toepassing van grond in gemeenten die de beleidsstukken van de gemeente Houten hebben geaccepteerd. Voor welke stoffen geldt het beleid? Het beleid geldt voor de stoffen uit het standaard stoffenpakket. Dit zijn de stoffen die doorgaans bij een verkennend bodemonderzoek of partijkeuring worden onderzocht. PFAS maakt hier geen onderdeel van uit. Voor de toepassingsvoorwaarden van PFAS-houdende grond verwijst de gemeente Houten naar de Beleidsnota PFAS van de provincie Utrecht.
Het eerdere PFAS-beleid van de gemeente Houten komt met het vaststellen van deze nota te vervallen. Wat zijn de achtergrondgehalten van de stoffen uit het standaardpakket en PFAS in de gemeente Houten? Per gebruiksfunctie (functieklasse) van de bodem in Houten zijn de gemiddelde gehalten bepaald. Daarbij is de zone-indeling uit tabel 0.1 gehanteerd. Tabel 0.1: Indeling in bodemkwaliteitszones Bodemkwaliteits- Omschrijving zone
Functieklasse
B1 (bovengrond)
Buitengebied Houten
Landbouw/natuur
B2 (bovengrond)
Bebouwing < 1979
Wonen
B3 (bovengrond)
Bebouwing > 1979
Wonen
B4 (bovengrond)
Bedrijven
Industrie
O1 (ondergrond)
Ondergrond hele onverdachte gebied
Landbouw/natuur
Fort bij ‘t Hemeltje Niet gezoneerd gebied
Uiterwaarden Lek Grondwal Rondweg
Niet gezoneerd
Rijksweg A27 Spoorlijn
4
De indeling van de gemeente Houten in zones is te zien op kaartbijlage 2 van de BKKrapportage. De vastgestelde gemiddelde bodemkwaliteit in de bovengrond van zone B2 is van de kwaliteitsklasse wonen. De vastgestelde gemiddelde bodemkwaliteit van de overige bovengrondzones (B1, B3 en B4) en van de ondergrond in de gehele gemeente Houten (zone O1) zijn van de kwaliteitsklasse landbouw/natuur. De grond in deze zones is gemiddeld gezien schoon. Het bovenstaande geldt uiteraard niet voor de bodem van terreindelen waar de bodemkwaliteit negatief is beïnvloed door lokale bronnen van bodemverontreiniging. Deze terreindelen zijn uitgesloten. Wat betekenen de vastgestelde achtergrondgehalten voor de toepassingsmogelijkheden van grond in de gemeente Houten? Voor het bepalen van de toepassingsmogelijkheden van grond geldt een dubbele toets. De criteria zijn: 1. de gebruiksfunctie van de bodem waar de grond wordt toegepast (functieklasse) 2. de kwaliteit van de toe te passen grond (bodemkwaliteitsklasse) Om te bepalen of een grondtoepassing is toegestaan moet aan de scherpste norm worden getoetst. Via gebiedsspecifiek beleid is in Houten echter een uitzondering gemaakt voor toepassingen in de bovengrond van industrieterreinen.
Op locaties binnen de bodemfunctieklasse Industrie mag namelijk grond met een maximale kwaliteitsklasse Industrie worden toegepast, ook al is de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem schoner. De toepassingsmogelijkheden van grond (en baggerspecie) in de gemeente Houten zijn samengevat in tabel 0.2: de grondstromenmatrix. Tabel 0.2: Grondstromenmatrix (generiek) Grond afkomstig uit zone 1)
Verwachte bodemkwaliteit
Bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) B1: buitengebied
AW2000
B2: bebouwing < 1979
Wonen
B3: bebouwing > 1979
AW2000
B4: bedrijven
AW2000
Niet gezoneerd
Onbekend
Toepassing in zone 1) B1
B2
Ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv) O1: gehele gebied
AW2000
Niet gezoneerd
Onbekend
toegestaan toegestaan m.u.v. gevoelige gebruiksfuncties niet toegestaan zonder keuring
zie tabel 0.1 voor de definitie van de zones
1)
5
B3
B4
Niet gezoneerd
O1
Niet gezoneerd
Onder gevoelige functies verstaan we in dit verband: 1. Moestuinen/volkstuinen (risicogevoelig vanwege de inname door gewasconsumptie); 2. Kinderspeelplaatsen (risicogevoelig vanwege hand-mond gedrag van kinderen) Toegestane grondstromen volgens de grondstromenmatrix mogen plaatsvinden zonder keuring/onderzoek van de toe te passen grond en de bodem waar de grond wordt toegepast. Meldplichtige toepassingen moeten gemeld worden bij het www.meldpuntbodemkwaliteit.nl Zie hiervoor het stappenschema grondverzet in paragraaf 7.2. Na 1 januari 2024 moet gemeld worden via het omgevingsloket van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Is het gehalte PFAS in de grond een criterium bij de toepassing van grond? Ja. De gemeten gehalten in een partijkeuring of ander bodemonderzoek moeten worden getoetst aan de normen uit de Beleidsnota PFAS van de provincie Utrecht. Deze zijn bepaald aan de hand van het normenstelsel uit het Tijdelijk handelingskader PFAS of Lokaal Maximale Waarden (LMW’s). Onder voorwaarden mag ook de bodemkwaliteitskaart PFAS worden gebruikt als bewijsmiddel voor de bodemkwaliteit. Hoofdstuk 5 gaat hier nader op in. Welke andere gebiedsspecifieke regels zijn opgenomen in de nota? In § 4.3 van de nota zijn voor de onderstaande situaties gebiedsspecifiek regels opgenomen die van toepassing zijn voor alle zones van de bodemkwaliteitskaart. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
Onderwerp Grondverzet in de niet-gezoneerde gebieden Toepassing van grond op gevoelige gebruiksfuncties Grondverzet dieper dan 2 m-mv Eisen voor bodemvreemd materiaal in toe te passen grond Grondverzet op wegbermen langs gemeentelijke wegen Grondverzet op wegbermen langs provinciale en rijkswegen Verspreiden van bagger en baggerdepots OCB beleid Grondverzet bij werkzaamheden aan kabels- en leidingen Voorkomen verspreiden plaagsoorten
Waarom gebiedsspecifiek? Verdacht terrein Maatwerk in normstelling Verruiming toepassingsmogelijkheden Maatwerk in normstelling Verruiming toepassingsmogelijkheden Verruiming toepassingsmogelijkheden Verruiming toepassingsmogelijkheden Verruiming toepassingsmogelijkheden Maatwerk in normstelling Verdacht terrein
Welke stappen zijn noodzakelijk in de voorbereiding op de toepassing van grond? Grondverzet binnen de grens van het beheergebied start bij de ontgraving van een partij grond. Op basis van de kwaliteitsgegevens kan worden bepaald waar deze vrijkomende grond toegepast kan worden binnen het beheergebied van de BKK. In het traject van ontgraven en definitief toepassen doorloopt de initiatienemer van het grondverzet de volgende stappen: 1. Vooronderzoek, conform NEN 5725, waaruit blijkt of de ontgravingslocatie en ontvangende bodem al dan niet verdacht is voor bodemverontreiniging; 2. Toets waaruit blijkt wat de (verwachte) kwaliteit is van de ontgraven grond; 3. Toets waaruit blijkt wat de toepassingseis is van de ontvangende bodem en of er gebiedsspecifiek beleid van toepassing is; 4. Toets waaruit blijkt of sprake is van bijzondere omstandigheden; 5. Meldplichtige toepassingen melden via www.meldpuntbodemkwaliteit.nl en na inwerkingtreding van de Omgevingswet via het Omgevingsloket van het Digitaal Stelsel Omgevingswet. In § 7.2 zijn de stappen nader beschreven. 6
1. Inleiding 1.1 Leeswijzer De kern van de nota bestaat uit het grondstromenbeleid (hoofdstuk 4) en de bodemkwaliteitskaart (bijlage 1 met kaartbijlagen). In de paragrafen 1.5 en 1.6 staat beschreven voor welk gebied dit beleid geldt (bodembeheergebied). De hoofdstukken 2 en 3 geven de regionale afwegingen weer voor het opstellen van beleid rondom grondverzet en het wettelijk kader van deze nota. Dit geeft goed inzicht in de wettelijke en beleidsmatige achtergronden van de nota en de samenhang met de bodemkwaliteitskaart. In hoofdstuk 5 zijn de beleidsregels voor de stofgroep PFAS beschreven. Hoofdstuk 6 staat stil bij bijzondere situaties van het grondverzet. De benodigde stappen voorafgaand aan het toepassen van grond worden in hoofdstuk 7 beschreven. 1.2 Aanleiding De voorgaande Nota bodembeheer dateert uit 2011 en had betrekking op het grondgebied van de gemeenten IJsselstein, Houten, Nieuwegein en Lopik. In 2014 en 2017 is de Nota middels twee addenda gewijzigd. Met de tweede wijziging van 2017 is de bodemkwaliteitskaart van het bebouwde gebied van de gemeente Houten geactualiseerd. Directe actuele aanleiding voor het opstellen van een nieuwe Nota bodembeheer is het feit dat de nota, de bodemfunctieklassenkaart en de bodemkwaliteitskaart volgens het Bbk (wettelijk) moeten worden geëvalueerd en geactualiseerd.
Belangrijk onderdeel van de actualisatie betreft het kunnen zoneren van het buitengebied van de gemeente Houten met de inmiddels verzamelde onderzoeksgegevens. Tijdens het opstellen van de voorgaande bodemkwaliteitskaart waren hiervoor onvoldoende analysegegevens beschikbaar. In de nieuwe nota kan daarnaast rekening worden gehouden met nieuwe beleidsontwikkelingen en verschuivingen in functie en bestemming van het grondgebied. Tot slot wordt met het beleid uit deze Nota bodembeheer zo beleidsneutraal mogelijk aangesloten op het beleidskader uit de naderende Omgevingswet. 1.3 Doelstelling Nota bodembeheer Sinds 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) van kracht. Dit besluit stelt regels aan het toepassen en tijdelijk opslaan van grond en baggerspecie. Dit wordt ook wel het generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit genoemd. In het generieke beleid zijn gemeenten verplicht hun grondgebied in te delen naar het gebruik op een zogenaamde bodemfunctieklassenkaart. Deze kaart is immers nodig om als toepasser van grond of bagger in het generieke kader te bepalen aan welke bodemfunctieklasse de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie moet worden getoetst. In de Nota bodembeheer wordt het gemeentelijke grondverzetsbeleid toegelicht.
1.4 Afweging gebiedsspecifiek bodembeleid De gemeente Houten heeft ervoor gekozen om voor een aantal toepassingen gebiedsspecifieke beleidsregels vast te stellen, omdat de regels uit het generieke kader niet voor alle toepassingen optimaal aansluiten bij de lokale bodemsituatie en de gemeentelijke ambities. Het opstellen van gebiedsspecifiek bodembeleid, vastgelegd in een nota en onderbouwd door een BKK, vindt plaats volgens het stappenplan uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten (Ministeries van VROM en V&W, september 2007). 7
Het beleid is beschreven in de voorliggende nota. De BKK geeft inzicht in respectievelijk de te verwachten kwaliteit van te ontgraven en weer toe te passen grond en de kwaliteit van de ontvangende bodem binnen de gemeentegrens van Houten. Wanneer aan de (gebiedsspecifieke) toepassingseis voldaan wordt is de toepassing toegestaan. Onder de Omgevingswet, die naar verwachting op 1 januari 2024 inwerking zal treden, worden delen van het in hoofdstuk 4 beschreven gebiedsspecifieke beleid via overgangsrecht automatisch onderdeel van het tijdelijk deel van het gemeentelijk omgevingsplan. Waar mogelijk wordt er in deze nota geanticipeerd op de bodemregelgeving onder de Omgevingswet. Over de totstandkoming van de BKK is een rapport opgesteld, met als titel: Bodemkwaliteitskaart gemeente Houten (zie bijlage 1 en kaartbijlagen 2 t/m 4). Na vaststelling van het gebiedsspecifieke beleid door de gemeenteraad van Houten mag, onder de voorwaarden uit de nota, de BKK als bewijsmiddel voor de milieukwaliteit van grond worden gebruikt bij het grondverzet. In deze nota worden de voorwaarden beschreven waaraan voldaan moet worden bij hergebruik of toepassing van grond en baggerspecie op de landbodem. De term grond komt vaak voor in de nota. Sinds invoering van het Bbk valt ook baggerspecie onder het begrip grond.
De nota is bestemd voor professionele partijen zoals overheden, bedrijven en adviesbureaus die bij de uitvoering van werkzaamheden grond en/of baggerspecie willen (laten) hergebruiken of toepassen. 1.5 Bodembeheergebied Het bodembeheergebied (verder beheergebied) is het gebied waarvoor de gemeente Houten het gebiedsspecifieke beleid vaststelt. Het grondverzet kan indien mogelijk en gewenst verder worden vergemakkelijkt als de gemeente bodemkwaliteitskaarten en het bodembeleid accepteert van omliggende gemeenten. Dit kan voordelen opleveren als grond uit de ene gemeente daardoor zonder keuring kan worden hergebruikt in een andere gemeente binnen het beheergebied. De gemeente Houten heeft ervoor gekozen om het beheergebied niet uit te breiden, maar te beperken tot het eigen grondgebied. Sinds het van kracht worden van de oude nota bodembeheer (2011) is nauwelijks gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zonder onderzoek grondverzet te plegen tussen gemeenten. De gemeente accepteert derhalve uitsluitend de bodemkwaliteitskaart van het eigen grondgebied. 1.6 Reikwijdte van de nota bodembeheer De gemeente Houten heeft gekozen voor gebiedsspecifiek beleid. De belangrijkste redenen hiervoor is de wens om het grondverzet (nóg) eenvoudiger, goedkoper en duurzamer te maken.
Door gebiedsspecifieke bodemkwaliteitsnormen vast te stellen wordt er een balans gecreëerd tussen het behoud van de huidige bodemkwaliteit en het verruimen van de mogelijkheden voor grondverzet binnen de gemeente. Door meer mogelijkheden te creëren om gebiedseigen grond her te gebruiken waar dit milieuhygiënisch verantwoord is, worden niet alleen kosten bespaard, maar wordt het grondverzet ook duurzaam. In hoofdstuk 4 zijn de beleidsregels van het gebiedsspecifieke beleid beschreven. 8
In het Bbk zijn veel onderwerpen geregeld die landelijk gelden en waar gemeenten geen vrijheid hebben voor het stellen van nadere regels. Het betreft bijvoorbeeld: - kwaliteitscriteria voor bodemwerkzaamheden (Kwalibo of erkenning bodemkwaliteit); - toepassen van bouwstoffen; - toepassen van grond en baggerspecie in grootschalige bodemtoepassingen; - direct nat verspreiden van baggerspecie op aangrenzende percelen; - de meldingsprocedure voor het toepassen/tijdelijk opslaan van grond (en bagger). Omdat de wetgeving voor bovengenoemde onderwerpen landelijk uniform is, is hiervoor in deze nota waar nodig verwezen naar het Bbk, de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit en de Handreiking Besluit bodemkwaliteit. De nota is dus nadrukkelijk geen samenvatting van het Bbk. Onderwerpen die vaak tot discussie leiden of zeer essentieel zijn, worden toegelicht in voorliggende nota. In geval er sprake is van tegenstrijdigheden, geldt dat de wetgeving voor de genoemde onderdelen leidend is boven deze nota. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet staan de regels voor het toepassen van bouwstoffen, het toepassen en tijdelijk opslaan van grond en baggerspecie en het verspreiden van baggerspecie niet meer in het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit. De regels voor de nieuwe milieubelastende activiteiten zijn dan opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Stoffenpakket en bodemlaag De BKK is vastgesteld voor de stoffen uit het standaard stoffenpakket voor de landbodem: - Zware metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink; - Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK); - Polychloorbifenylen (PCB); - Minerale olie. Voor de stofgroep PFAS heeft de gemeente Houten in 2020 een eigen Beleidsnotitie PFAS vastgesteld. Met de actualisatie van de Nota bodembeheer is ervoor gekozen aan te sluiten bij het gebiedsspecifieke PFAS-beleid van de provincie Utrecht. Dit is voor de gehele provincie vastgelegd in de “Beleidsnota PFAS provincie Utrecht” (7 april 2021) met bijbehorende PFASkaarten. De gemeente Houten kiest ervoor om dit PFAS beleid vast te stellen. Verder is de BKK vastgesteld voor de bodemlaag 0,0 – 2,0 m-mv waarbij een onderverdeling is gemaakt in bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) en ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv). Aansprakelijkheid en geldigheidsduur Na vaststelling van de BKK en nota bodembeheer van de gemeente Houten en de Beleidsnota PFAS met bijbehorende BKK, wordt de BKK een wettig bewijsmiddel voor grond afkomstig van onverdachte terreinen. Dit geldt zowel voor de locatie van herkomst als voor de toepassingslocatie. De eigenaar van het perceel waar de grond wordt toegepast blijft echter verantwoordelijk voor de kwaliteit van de bodem op zijn perceel.
De gemeente, als bevoegd gezag, en toezichthoudende instanties kunnen niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele schade die voortvloeit uit een onjuiste toepassing van grond of baggerspecie. In de Regeling bodemkwaliteit 2022 wordt de maximale geldigheidsduur van 5 jaar voor bodemkwaliteitskaarten losgelaten. Aan de BKK wordt derhalve geen geldigheidstermijn 9
verbonden. De gemeente Houten is verantwoordelijk voor de kwaliteit en actualiteit van de kaart. Onder de Omgevingswet zullen nieuwe beleidskeuzes moeten worden vastgelegd door regels op te nemen in het omgevingsplan.
10
2. Uitgangspunten regionaal beleid 2.1 Karakterisering van het beheergebied Houten Aan de basis van de gemeentelijke BKK ligt de identificatie van onderscheidende gebiedskenmerken. Binnen een deelgebied wordt verondersteld dat de bodemkwaliteit homogeen is (van vergelijkbare kwaliteit). Op basis van de bodemopbouw, de gebruikshistorie, de ontwikkeling van wijken of gebieden, de geomorfologie en het huidig gebruik is een deelgebiedenkaart gedefinieerd. Huidige inrichting Binnen de gemeente Houten is ervoor gekozen om het jaartal van de bebouwing als onderscheidend gebiedskenmerk te hanteren. In de oude stadskern van Houten (rondom Het Plein) en in de kleinere woonkernen Schalkwijk, ’t Goy en Tull en ’t Waal bestaat de bebouwing van voor 1979. De snelle groei en bebouwing die de stad Houten daarna heeft doorgemaakt binnen de Grondwal Rondweg (en net daarbuiten) stamt van na 1979. Er zijn drie bedrijventerreinen gekenmerkt op de BKK Houten. Bedrijventerrein ‘De Schaft’ bevindt zich binnen de Grondwal Rondweg, net ten zuiden van het oude stadscentrum. Bedrijventerrein De Meerpaal ligt ontsloten tussen de rondweg, het Amsterdam-Rijnkanaal en de Rijksweg A27. De Doornkade is een bedrijventerrein ten noorden van Houten, net naast de A27. Deze drie terreinen zijn voor de BKK samengevoegd tot één deelgebied genaamd ‘Bedrijven’.
Het buitengebied is voornamelijk in gebruik voor landbouwdoeleinden (hoofdzakelijk grasland). Verspreid in het buitengebied staan woningen en boerderijen. Langs doorgaande wegen komt plaatselijk lintbebouwing voor. In het buitengebied van de gemeente Houten bevinden zich (voormalige boomgaarden) die verdacht kunnen zijn op het voorkomen van organo-chloorbestrijdingsmiddelen (verder: OCB’s) die extra aandacht vereisen. In paragraaf 4.3.8 wordt hier verder op in gegaan. De niet-gezoneerde gebieden omvatten de Grondwal Rondweg, de spoorlijn die de stad Houten noord-zuid doorkruist, de Rijksweg A27 in het noordwesten van de gemeente, de uiterwaarden van de Lek en het voormalig militair fort ‘bij ’t Hemeltje’. Voor al deze locaties is ofwel bodemverontreiniging door puntbronnen aannemelijk ofwel grondverzet onwenselijk. Het buitengebied is voornamelijk in gebruik voor landbouwdoeleinden (hoofdzakelijk grasland). Verspreid in het buitengebied staan woningen en boerderijen. Langs doorgaande wegen komt plaatselijk lintbebouwing voor. In het buitengebied van de gemeente Houten bevinden zich voormalige boomgaarden die verdacht zijn op het voorkomen van organochloorbestrijdingsmiddelen die extra aandacht vereisen. Historie Archeologische vondsten laten zien dat de locatie waar Houten nu gevestigd is al bewoond is sinds circa 2000 v.C..
De directe omgeving van Houten kreeg een impuls ten tijde van het Romeinse rijk met de stichting van de nabije nederzetting Fectio. Het oudste gebouw van het moderne Houten is waarschijnlijk de kerk van Houten (hedendaagse Pleinkerk), gesticht aan het einde van de 7de eeuw n.C. door rondtrekkende monniken. Ontginningen in de daaropvolgende eeuwen leidden tot de plaatsen Schalkwijk en Wulven. 11
Houten is tot vlak na de tweede wereldoorlog een brinkdorp gebleven. Na de oorlog kwam de ontwikkeling van Houten in een stroomversnelling met de aanleg van verscheidene snelwegen, het Amsterdam-Rijnkanaal en was het tevens gemakkelijker te bereiken via de spoorwegen. Bodemopbouw en geomorfologie In het kader van zowel de bodemopbouw, geomorfologie en het landschap wordt de gemeente Houten gedomineerd door rivierafzettingen. De westzijde van gemeente Houten voornamelijk uit laaggelegen komgronden naast de rivier de Lek, in de omgeving van de dorpen Tull en ’t Waal en Schalkwijk. De bodemopbouw bestaat voor het grootste gedeelte uit komkleisediment afgezet door de rivier. De hooggelegen gebieden in de gemeente waar de nederzettingen Houten en ’t Goy zich bevinden zijn stroomruggebieden. 2.2 Voordelen bodemkwaliteitskaart Binnen de gemeente Houten zijn diverse gebiedsopgaven voor woningbouw. Hierbij zal grondverzet (ontgraven, toepassen en hergebruik van grond) plaatsvinden waarvoor milieuhygiënische bewijsmiddelen nodig zijn van de bodemkwaliteit. Dit geldt ook voor andere activiteiten waarbij grondwerk plaatsvindt zoals regulier beheer/onderhoud aan wegbermen, rioleringen en groenvoorzieningen en de aanleg van kabel- en leidingtracés. Bij dit grondverzet wil de gemeente Houten verantwoord en kostenefficiënt omgaan met grond.
Bijvoorbeeld door vrijkomende grond bij het ene project weer nuttig toe te passen in een ander project binnen het beheergebied. Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt dat er volgens de generieke normen en regels van het Bbk binnen de gemeentegrens gebieden zijn waar de toepassingseisen onnodig streng zijn gelet op de bodemfunctie. Dit kan belemmerend zijn voor het grondverzet en kan leiden tot onnodige aanvoer en aankoop van grond en onnodige afvoer- en verwerkingskosten. Door goed gemotiveerd gebiedsspecifiek beleid op te stellen voor het grondverzet kan de gemeente grond vanuit de ene zone weer nuttig hergebruiken in de andere zone. Op deze wijze hoeft de gemeente geen extra grond aan te kopen (of tegen kosten af te voeren) en is hergebruik van grond vanuit het beheergebied mogelijk. Het opstellen van een BKK kan tevens voor een kostenreductie zorgen doordat bij grondverzet minder administratieve handelingen en onderzoek nodig zijn. Zo kan bij grondverzet ter plaatse van onverdachte terreindelen vaak volstaan worden met een historisch vooronderzoek. Zonder een BKK is het noodzakelijk om zowel ter plaatse van de ontgravingslocatie als de toepassingslocatie een bodemonderzoek uit te voeren om vast te kunnen stellen of de kwaliteit en de functie met elkaar matchen.
2.3 Uniformiteit Uniformiteit in kaart en beleid vergroot de kwaliteit van de uitvoering en bevordert het naleefgedrag. Daar waar mogelijk is aangesloten bij het beleid van de naastgelegen regio’s. Initiatiefnemers en uitvoerders in de keten van grondverzet, die veelal regionaal werken, krijgen daardoor niet te maken met onnodige verschillen tussen gemeenten. Juist dergelijke verschillen zorgen voor een verhoogde kans op fouten en overtredingen bij grondverzet.
12
2.4 Duurzaamheid De gemeente Houten heeft duurzaamheid hoog in het vaandel staan. Met duurzaam bodembeheer wordt bedoeld: de bodem zodanig benutten, gebruiken en beschermen dat deze ook voor toekomstige generaties zonder onaanvaardbare risico’s te gebruiken is voor diverse doeleinden. Maar duurzaam bodembeheer kan ook faciliteren in de verduurzaming van andere thema’s of onderwerpen. Verruiming van de hergebruiksmogelijkheden van gebiedseigen grond in de regio zorgt voor minder gebruik van primaire grondstoffen, zoals schoon zand. Bovendien zijn er minder transportbewegingen nodig, wat leidt tot minder uitstoot van uitlaatgassen en fijnstof. Omdat duurzaamheid ook betekent dat de bodem geschikt moet blijven voor toekomstige generaties, is het uitgangspunt van het nieuwe beleid (gebiedsspecifieke beleidskader) dat er door grondverzet geen (nieuwe) milieu- en gezondheidsrisico’s mogen ontstaan bij huidig en toekomstig bodemgebruik.
13
3. Kader nota bodembeheer 3.1 Randvoorwaarden gebiedsspecifiek beleid De gemeente Houten heeft gekozen om gebiedsspecifiek beleid vast te stellen. Gebiedsspecifiek beleid maakt het voor gemeenten mogelijk om eigen beleidskeuzes te maken op het gebied van grondverzet. Het Bbk stelt eisen aan het opstellen van gebiedsspecifiek beleid. De gemeente moet beschikken over een bodemfunctieklassenkaart en een actuele BKK. Daarnaast is de gemeente verplicht om haar beleidskeuzes vast te leggen in een nota bodembeheer. Het Bbk geeft een aantal voorwaarden voor het vaststellen van gebiedsspecifiek beleid: - bij grondverzet is er sprake van stand-still (geen achteruitgang van de chemische bodemkwaliteit) op gebiedsniveau, het beheergebied; - een gemeenteraad kan voor een bepaald gebied of stof een Lokale Maximale Waarde (LMW) vaststellen. Een LMW is een waarde die de generieke Maximale Waarden (MW) uit de Regeling bodemkwaliteit vervangt. Het risiconiveau van de gekozen LMW’s wordt berekend met behulp van de risicotoolbox; - bij grondverzet mag niet een nieuw geval van ernstige bodemverontreiniging ontstaan. De bodemkwaliteit van een zone mag het saneringscriterium van de Wet bodembescherming niet overschrijden; - het voorgenomen beleid wordt afgestemd met overige lokale bodembeheerders in de regio, waaronder het bevoegd gezag Wet bodembescherming (Wbb), i.c. de provincie Utrecht.
Opmerking hierbij is dat na de inwerkingtreding Omgevingswet (vanaf 2024) de Wbb-taken over gaan naar de gemeenten. Het Bbk bevat ook procedurele voorwaarden voor het vaststellen van gebiedsspecifiek beleid: - een ieder wordt in de gelegenheid gesteld om zijn of haar zienswijze over de nota bodembeheer te geven tijdens de terinzagelegging; - de Raad van de betrokken gemeente stelt de nota bodembeheer en de BKK vast. Tenslotte stelt het Bbk dat bij een nota bodembeheer de volgende bijlagen zijn bijgevoegd: - de BKK en bodemfunctieklassenkaart (zie bijlage 4); - verwijzing naar een kaart of website met verdachte locaties die bij ontgraving niet onder de reikwijdte van deze nota vallen als het gaat om grondverzet ter plaatse van deze locaties. 3.2 Bodemfunctieklassenkaart Op de Bodemfunctieklassenkaart worden de functies van de bodem weergegeven in relatie tot het bovengronds bodemgebruik. Het gaat daarbij niet om de functie op perceelsniveau (zoals bij bestemmingsplannen), maar om de hoofdfunctie van een gebied. Eventuele toekomstige wijzigingen van functies in gebieden op de bodemfunctieklassenkaart moeten via een besluit van het college van Burgemeester en Wethouders worden aangepast. Het Bbk onderscheidt zeven bodemfuncties die zijn samengevoegd tot drie bodemfunctieklassen (zie tabel 3.1).
De Bodemfunctieklassenkaart van de gemeente Houten is opgenomen in kaartbijlage 1 van de BKK-rapportage (bijlage 4). De bodemfunctieklasse bepaalt bij saneringen in het kader van de Wet bodembescherming (en straks de Omgevingswet en het Bal) tevens de terugsaneerwaarde bij saneringen door ontgraving. 14
Tabel 3.1: Bodemfunctieklassen volgens het Bbk Bodemfunctie
Bodemfunctieklasse
Moestuin en volkstuinen Natuur
Landbouw/Natuur
Landbouw Wonen met tuin Plaatsen waar kinderen spelen
Wonen
Groen met natuurwaarden Ander groen, bebouwing, infrastructuur en Industrie industrie Opmerking: In het Bbk zijn de bodemfunctieklassen gekoppeld aan bodemkwaliteitsklassen met dezelfde naam. De kwaliteitsklassen staan voor een bodemkwaliteit die verwacht mag worden bij het bodemgebruik. In de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur is dat onbelaste, schone grond. De kwaliteitsklasse Industrie staat voor, door het industrieel gebruik, belaste grond maar altijd onder het niveau van de interventiewaarde (= grenswaarde voor ernstige bodemverontreiniging/potentieel humaan- of milieurisico). De kwaliteitsklasse Wonen zit tussen de twee andere klassen in.
Op de bodemfunctieklassenkaart in kaartbijlage 1 van de BKK-rapportage worden de volgende gebieden/klassen weergegeven: - gebieden die in de bodemfunctieklasse Wonen vallen; - gebieden die in de bodemfunctieklasse Industrie vallen; - gebieden die niet in de bovenstaande bodemfunctieklassen zijn ingedeeld vallen automatisch in de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur (met uitzondering van de uitgesloten gebieden). Daar gelden de strengste eisen voor het toepassen van grond. Hier mag alleen schone grond worden toegepast, tenzij in de nota bodembeheer is gemotiveerd waarom hiervan mag worden afgeweken. 3.3 Bodemkwaliteitskaart (BKK) De BKK is een kaart die de te verwachten gebiedseigen bodemkwaliteit van onverdachte gebieden weergeeft. De kwaliteit is niet op perceelsniveau maar op zoneniveau bepaald. Voor de bodemkwaliteit van een zone is veelal een combinatie van factoren bepalend. Dit betreft onder andere de grondslag en het historische bodemgebruik, dat vaak gerelateerd is aan de bebouwingsgeschiedenis. Zo heeft een bedrijventerrein of een historische woonkern doorgaans een slechtere kwaliteit dan een nieuwbouwwijk. Voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart zijn deze factoren, onderscheidende gebiedskenmerken, in samenhang met de bodemkwaliteitsgegevens verwerkt tot een definitieve bodemzoneringskaart.
Vervolgens is per zone, van deze bodemzoneringskaart, de gebiedseigen kwaliteit bepaald voor zowel de boven- als ondergrond. Deze kwaliteit is afgeleid met behulp van statistiek op de beschikbare gegevens uit al uitgevoerde bodemonderzoeken en uit bodemonderzoek dat speciaal voor het opstellen van de BKK is uitgevoerd. Het resultaat is een ontgravingskaart (zie nadere toelichting hieronder). Een BKK bestaat uit kaarten met de volgende drie thema’s: - Een bodemzoneringskaart; - Een ontgravingskaart; - Een toepassingskaart. Een nadere beschrijving van de kaarten is opgenomen in de rapportage van de BKK (zie bijlage 1).
15
4. Grondstromenbeleid 4.1 Aanleiding voor gebiedsspecifiek grondstromenbeleid Gebiedsspecifiek beleid kan om uiteenlopende redenen wenselijk zijn. Belangrijk hierbij is dat een goede balans wordt gezocht tussen het optimaliseren van het grondverzet, het beschermen van de kwetsbare functies en het voorkomen van risico’s. Daarnaast wordt het bodembeheer, zowel voor gebiedsontwikkelingen als voor het onderhoud en beheer van de openbare ruimte, goedkoper en duurzamer. Op basis van de BKK zijn enkele gebiedsspecifieke keuzes gemaakt door de gemeente. Dit gaat enerzijds om keuzes die voor één of enkele zones gelden (zie par. 4.2) en anderzijds om keuzes die overkoepelend van toepassing zijn voor alle zones (zie par. 4.3). 4.2 Grondstromenbeleid op basis van zone-indeling Toepassing van grond binnen het generieke kader In het generieke kader wordt de toepassingseis, die aangeeft welke kwaliteit grond mag worden toegepast, bepaald op basis van de bodemkwaliteit van de toe te passen grond en bodemzoneringskaart. Hierbij is de strengste eis leidend. De generieke toepassingseis vertaald naar de zones die in de gemeente Houten worden onderscheiden en de niet gezoneerde gebieden, zou de onderstaande tabel opleveren. Tabel 4.1: Totaaloverzicht bodemfunctieklassen, ontgravings- en toepassingsklassen conform het generieke kader Bodemkwaliteitszone
Indeling in bodemkwaliteit volgens: Ontgravingskaart Toepassingskaart Bodemfunctieklassekaart (Bodemkwaliteitsklasse) (Toepassingseis)
bovengrond (0,0-0,5 m-mv) B1: buitengebied
Landbouw/natuur
Klasse AW2000
Klasse AW2000
B2: bebouwing < 1979
Wonen
Wonen
Wonen
B3: bebouwing > 1979
Wonen
Klasse AW2000
Klasse AW2000
B4: bedrijven
Industrie
Klasse AW2000
Klasse AW2000
niet gezoneerd
Landbouw/natuur
Niet gezoneerd
Klasse AW2000
ondergrond (0,5-2,0 m-mv) O1: gehele gebied
Landbouw/natuur
Klasse AW2000
Klasse AW2000
niet gezoneerd
Landbouw/natuur
Niet gezoneerd
Klasse AW2000
Uit bovenstaand overzicht blijkt dat – met uitzondering van bovengrondzone B2 - alleen grond met kwaliteitsklasse AW2000 zou mogen worden toegepast. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen de termen ‘Achtergrondwaarden’ en ‘AW2000’ als aanduiding voor de bodemfunctieklasse en bodemkwaliteitsklasse die beschouwd worden als ‘schone grond’. Deze functie- én kwaliteitsklasse worden vanaf 1 januari 2024 aangeduid als klasse ‘Landbouw/natuur’.
16
Toepassing van grond binnen het gebiedsspecifieke kader De gemeente Houten heeft er echter voor gekozen om onder voorwaarden toe te staan dat de gebieden met de bodemfunctieklasse industrie, ondanks de ontgravingsklasse AW2000, opgehoogd mogen worden met grond uit maximaal de kwaliteitsklasse Industrie. De gebiedsspecifieke toepassingsvoorwaarden voor grond gelden alleen voor grond die binnen het beheergebied is ontgraven. Door onder voorwaarden toe te staan dat een schoon industrieterrein wordt opgehoogd met grond uit (maximaal) kwaliteitsklasse Industrie, verruimt de gemeente Houten de mogelijkheden voor het grondverzet. Het gevolg van deze handelwijze is dat op sommige plaatsen binnen het beheergebied de bodemkwaliteit iets verslechtert terwijl op de plaats van herkomst verbetering optreedt. Zo wordt invulling gegeven aan het principe van stand-still op beheergebiedniveau. Door aan te sluiten bij de landelijke generieke waarden voor de bodemgebruiksfunctie industrie is per definitie onderbouwd dat de beleidsmatig gekozen verruimde toepassingsmogelijkheden niet tot onaanvaardbare risico’s leiden en de bodem duurzaam geschikt blijft voor het gebruik. De generieke maximale waarden van de functie industrie zijn immers gebaseerd op de afwezigheid van onaanvaardbare risico’s bij deze functie. Daarmee is voldaan aan deze eis.
De gebiedsspecifieke toepassingseis vertaald naar de zones die in de gemeente Houten worden onderscheiden en de niet gezoneerde gebieden, levert de onderstaande tabel op. Tabel 4.2: Totaaloverzicht bodemfunctieklassen, ontgravingsklassen en toepassingsklassen conform het gebiedsspecifieke kader Bodemkwaliteitszone
Indeling in bodemkwaliteit volgens: Ontgravingskaart Toepassingskaart Bodemfunctieklassekaart (Bodemkwaliteitsklasse) (Toepassingseis) bovengrond (0,0-0,5 m-mv) B1: buitengebied
Landbouw/natuur
Klasse AW2000
Klasse AW2000
B2: bebouwing < 1979
Wonen
Wonen
Wonen
B3: bebouwing > 1979
Wonen
Klasse AW2000
Klasse AW2000
B4: bedrijven
Industrie
Klasse AW2000
Klasse Industrie
niet gezoneerd
Landbouw/natuur
Niet gezoneerd
Klasse AW2000
ondergrond (0,5-2,0 m-mv)
1
O1: gehele gebied
Landbouw/natuur
Klasse AW2000
Klasse AW2000
niet gezoneerd
Landbouw/natuur
Niet gezoneerd
Klasse AW2000
) mogelijk onder gebiedsspecifieke voorwaarde
Tabel 4.2 en kaartbijlage 4 geven de toepassingsmogelijkheden in dit gebiedsspecifieke kader weer. Tabel 4.3 laat in de vorm van een grondstromenmatrix zien welke verplaatsingen van grond tussen de bodemkwaliteitszones zijn toegestaan.
17
Tabel 4.3: Grondstromenmatrix Toepassing in zone 1)
Grond afkomstig uit Verwachte zone 1) bodemkwaliteit Bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) B1: buitengebied
AW2000
B2: bebouwing < 1979
Wonen
B3: bebouwing > 1979
AW2000
B4: bedrijven
AW2000
Niet gezoneerd
Onbekend
B1
B2
B3
B4
Niet gezoneerd
O1
Niet gezoneerd
Ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv) O1: gehele gebied
AW2000
Niet gezoneerd
Onbekend
toegestaan toegestaan m.u.v. gevoelige gebruiksfuncties niet toegestaan zonder keuring
Toepassing van grond met een slechtere kwaliteitsklasse op industrieterreinen is alleen toegestaan als: -
de toepassing plaatsvindt met grond die binnen de gemeentegrens is vrijgekomen; de toepassing plaatsvindt op niet-gevoelige gebruiksfuncties binnen het industrieterrein; dus niet er plaatse van bedrijfswoningen, speelplaatsen en tuinen (zie par. 4.3, ad. 2); de kans op functiewijziging naar een gevoeliger bodemgebruik in de toekomst klein is; de toepassing integraal en aaneengesloten plaatsvindt; de toepassing functioneel is. Dat wil zeggen niet van grotere omvang dan voor het doel van de toepassing nodig is.
De RUD Utrecht toetst per voorgenomen toepassing of aan deze voorwaarden wordt voldaan. 4.3 Zone-overkoepelend gebiedsspecifiek beleid In deze paragraaf worden de onderstaande keuzes van gebiedsspecifiek beleid toegelicht die van toepassing zijn voor alle zones van de bodemkwaliteitskaart. 1. Niet gezoneerde gebieden; 2. Gevoelige gebruiksfuncties; 3. Grondverzet dieper dan 2 m-mv; 4. Bodemvreemd materiaal; 5. Wegbermen in het buitengebied langs gemeentelijke wegen; 6. Wegbermen langs provinciale en rijkswegen; 7. Verspreiden van bagger en baggerdepots; 8. OCB-verontreinigingen voormalige boomgaarden 9. Kabels- en leidingen; 10. Voorkomen verspreiden plaagsoorten (flora) bij grondverzet;
18
4.3.1 Niet gezoneerde gebieden In de gemeente Houten bevinden zich locaties die zijn aangemerkt als ‘niet gezoneerde gebieden’. Deze locaties omvatten de Grondwal Rondweg, de spoorlijn die de stad Houten noord-zuid doorkruist, de Rijksweg A27 in het noordwesten van de gemeente, de uiterwaarden van de Lek en het voormalig militair fort ‘bij ’t Hemeltje’. Van deze terreindelen is bekend dat op meerdere plaatsen de milieukwaliteit van de bodem negatief is beïnvloed door activiteiten in het verleden. Vanwege de aanwezigheid van puntbronnen en de heterogeniteit is het niet mogelijk om een gemiddelde ontgravingskwaliteit te bepalen en zijn deze gebieden uitgesloten in de ontgravingskaart (zie bijlage 4). Deze gebieden fungeren voornamelijk als natuurgebied of toekomstige woonlocatie. Op de toepassingskaart in bijlage 4 is aangegeven welke kwaliteit er mag worden toegepast. 4.3.2 Gevoelige gebruiksfuncties Binnen de gemeente liggen terreindelen met gevoelige gebruiksfuncties. Onder gevoelige functies wordt in dit verband verstaan: 1. Moestuinen/volkstuinen (risicogevoelig vanwege de inname door gewasconsumptie); 2. Kinderspeelplaatsen (risicogevoelig vanwege hand-mond gedrag van kinderen) Ad.1 Volgens het generieke beleidskader mag in volks- en moestuinen alleen schone grond (AW2000) worden toegepast. Deze bodemfuncties vallen namelijk onder de bodemfunctieklasse landbouw/natuur.
De gemeente Houten kiest ervoor om voor volks- en moestuinen het generieke beleid te volgen (alleen toepassen van schone grond). Ad. 2 Voor kinderspeelplaatsen is hand-mondgedrag van kinderen de blootstellingsroute die het meest van belang is voor het berekenen van de potentiële humane risico’s. Met name blootstelling aan lood in de bodem kan schadelijk zijn voor kinderen tot 6 jaar. Om de werkelijke humane risico’s in te kunnen schatten zou eigenlijk onderscheid gemaakt moeten worden in het soort speelplaats of -tuin. Op speelplaatsen waar voornamelijk peuters en kleuters (kinderen tot 6 jaar) spelen en waar direct contact met de grond mogelijk is, heeft schone grond als toepassingseis de voorkeur. Als het gaat om speelplaatsen waar voornamelijk kinderen spelen die ouder zijn dan 6 jaar en waar kinderen niet direct in contact komen met de grond (bijvoorbeeld een trapveldje) draagt het hand-mondgedrag een stuk minder bij aan blootstelling aan bodemlood en zou zonder risico klasse Wonen-grond toegepast kunnen worden. In de praktijk is het lastig om bij elke toepassing van grond op plaatsen waar kinderen kunnen spelen bovengenoemd onderscheid in soort speelplaats te maken en het verschil uit te leggen aan de omwonenden. Daarom geldt voor alle hierboven genoemde gevoelige functies dezelfde toepassingseis: schone grond (AW-2000). In tabel 4.4 is dit schematisch weergegeven.
Tabel 4.4: Toepassingseis voor het toepassen van grond op speelplaatsen (gebiedsspecifiek) Zone-overkoepelend thema
Bodemfunctieklasse
Bodemkwaliteitsklasse
Gebiedsspecifieke toepassingseis
Speelplaatsen
Wonen
AW2000
AW2000
19
4.3.3 Grondverzet dieper dan 2 m-mv De bodemkwaliteitskaart is vastgesteld voor de bovengrond (0,0 - 0,5 m-mv) en de ondergrond (0,5 - 2,0 m-mv). Voor grond afkomstig van een diepte groter dan 2 m-mv is de kwaliteit niet bekend en is de BKK formeel niet van toepassing. Uit de praktijk blijkt dat grond die dieper vrijkomt dan 2 meter ongeveer dezelfde kwaliteit heeft als de bodemlaag van 0,5 tot 2,0 m-mv. Daarom gelden in de gemeente Houten voor het grondverzet in de bodemlaag dieper dan 2,0 m-mv dezelfde regels als voor grond uit de bodemlaag 0,5 - 2,0 m-mv. 4.3.4 Bodemvreemd materiaal In de bodem komen verschillende bijmengingen voor. Dit kunnen natuurlijke materialen zijn zoals stenen of schelpen, maar bijmengingen zijn vaak ook niet natuurlijk zoals puin, plastic en glas. In het verleden zijn beleidsmatig verschillende maximale percentages gehanteerd van de toegestane hoeveelheid bodemvreemd materiaal bij het toepassen van grond. Een gemeente heeft de mogelijkheid om het percentage bodemvreemd materiaal vast te stellen tot een maximum van 20 % (gewichtsprocent). De gemeente Houten kiest ervoor om in grond die toegepast wordt in het buitengebied en op gevoelige locaties (zie tabel 4.4) een hoeveelheid bodemvreemd materiaal toe te staan die niet meer is dan 5 gewichtsprocenten.
Ook in andere situaties kan een hoeveelheid van 20 % bodemvreemd materiaal onwenselijk zijn, gelet op de gebruiksfunctie. In bestekken kunnen desgewenst scherpere eisen worden gesteld worden aan bijmenging met bodemvreemd materiaal. Aan de samenstelling wordt (in het gebiedsspecifieke beleid) als voorwaarde gesteld dat kunststoffen (plastic, PVC, piepschuim ed.) evenals visueel waarneembaar asbesthoudend materiaal, geen onderdeel mogen uitmaken van het bodemvreemde materiaal. In de tabel 4.5 is het gebiedsspecifieke beleid voor dit thema schematisch weergegeven. Tabel 4.5: Maximale bijmenging aan bodemvreemd materiaal (steen en hout in gewichtspercentage) Bodemfunctieklasse
Maximaal percentage bijmenging*) 5%
Landbouw/natuur Wonen (gevoelig gebruik, zoals wonen met tuin, moestuin en speelplaats) 5% Wonen (geen gevoelig gebruik)
20%
Industrie
20%
*) geen kunststoffen en visueel waarneembaar asbesthoudend materiaal
4.3.5 Wegbermen in het buitengebied langs gemeentelijke wegen De kwaliteit van vrijkomende bermgrond kent veel variatie en wordt veelal gekenmerkt door verhoogde gehalten polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), lood, zink en andere zware metalen en minerale olie. Deze verontreiniging is veroorzaakt door: - depositie uitlaatgassen (PAK, lood); - afstromend regenwater (minerale olie, PAK en zware metalen); - wegfunderingsmateriaal (PAK en zware metalen); - toepassing van teerhoudend asfalt (PAK); - uitloging vangrails (zink). 20
Het gebiedsspecifieke beleid houdt in dat de grond uit een wegberm, zonder partijkeuring of bodemonderzoek, mag worden hergebruikt in een andere, vergelijkbare wegberm die in beheer is van de gemeente. Als men de grond elders wil toepassen dan in een wegberm die in eigen beheer is, dan is een partijkeuring noodzakelijk. Op wegbermen met gevoelige functies mag alleen schone grond worden toegepast. Voor grond die van buiten de wegberm wordt toegepast, geldt de toepassingseis Klasse Wonen. Wegbermen langs onverharde wegen vormen een uitzondering hierop. Deze zijn niet verontreinigd door de naastgelegen weg. Er wordt vanuit gegaan dat de kwaliteit van grond in de wegbermen langs onverharde wegen gelijk is aan de gebiedskwaliteit. Dit betekent dat voor grondverzet de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel geldt en de toepassingseis gelijk is aan de toepassingseis van de zone waarin de wegberm gelegen is. Grond uit verdachte wegbermen moet altijd onderzocht worden. Een wegberm is verdacht als uit historische informatie blijkt dat sprake is of kan zijn van sterk verontreinigde grond (bijvoorbeeld wegen nabij/door verdachte (voormalige) boomgaarden), of als zintuiglijke waarnemingen hiertoe aanleiding geven.
De reden hiervoor is dat het niet wenselijk is dat grondwerkers in aanraking komen met mogelijk sterk verontreinigde grond (> interventiewaarde) zonder dat de juiste veiligheidsmaatregelen getroffen zijn. Bovendien valt sterk verontreinigde grond buiten het kader van de nota bodembeheer. Het is niet werkbaar om op een kaart aan te duiden welke wegbermen wel en niet verontreinigd zijn. Er zijn namelijk (te) veel representatieve waarnemingen van grond uit gemeentelijke wegbermen noodzakelijk om wegbermen te kunnen zoneren (dat wil zeggen: in te delen op bodemkwaliteit). In tabel 4.6 is het gebiedsspecifieke beleid voor gemeentelijke wegbermen schematisch weergegeven. Tabel 4.6: Overzicht gebiedsspecifiek beleid gemeentelijke wegbermen Wegbermen langs:
Vrij grondverzet voor Toepassingseis voor Bewijsmiddel als grond grond binnen de wegberm grond afkomstig van buiten de wegberm wordt buiten de wegberm toegepast
Gemeentelijke onverharde wegen
Tussen bermen waar de ontgravingskwaliteit voldoet aan de toepassingseis
De toepassingseis van de Bodemkwaliteitskaart zone
Gemeentelijke verharde Tussen bermen binnen de wegen (onverdacht) gemeente
Klasse Wonen
Partijkeuring
Gemeentelijke verharde De vrijkomende grond moet Klasse Wonen wegen (verdacht) altijd onderzocht worden, conform NEN5740 (VED-HE-L) of partijkeuring
Partijkeuring
De volgende definitie van wegbermen wordt gehanteerd: de strook van maximaal 10 meter aan beide zijden van de weg (asfaltrand), tenzij de berm langs de weg eerder wordt doorsneden door een sloot dan wel de grens van het desbetreffende perceel. Dit is visueel weergegeven in afbeelding 4.1. Het kan ook voorkomen dat er een middenberm aanwezig is. Ook voor de middenberm, groen tussen de twee wegconstructies, geldt hetzelfde beleid. 21
1: Begrenzing wegbermen
Bron: brief van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart, kenmerk RWS/DVS-2009/2932, 19 november 2009.
4.3.6 Wegbermen langs provinciale- en rijkswegen De bodemkwaliteit van de wegbermen langs provinciale en rijkswegen (binnen de gemeentegrens gaat het dan om de A12, de A27 en de N409, N410 en N421) is negatief beïnvloed door dezelfde oorzaken als bij gemeentelijke wegen. Voor het toepassen van de grond in wegbermen van deze wegen geldt de lokale maximale waarde Klasse Industrie. In tabel 4.7 is een samenvatting weergegeven van grondverzet in wegbermen. Tabel 4.7: Overzicht gebiedsspecifiek beleid provinciale- en rijkswegbermen Wegbermen langs:
Vrij grondverzet
Toepassingseis voor Bewijsmiddel als grond grond afkomstig van buiten de wegberm buiten de wegberm wordt toegepast
Provinciale (onverdacht)
wegen Tussen bermen van provinciale Klasse Industrie wegen binnen beheergebied
Partijkeuring
Rijkswegen (onverdacht)
Tussen bermen van rijkswegen Klasse Industrie binnen beheergebied
Partijkeuring
Indien verdacht
De vrijkomende grond moet altijd onderzocht worden, conform NEN5740 (VED-HE-L) of partijkeuring
Partijkeuring
22
Klasse Industrie
4.3.7 Verspreiden van bagger en baggerdepots Watergangen moeten regelmatig worden gebaggerd om uiteenlopende redenen. Vaak wordt de bagger direct naast de watergang verspreid, maar daar is niet altijd ruimte voor, bijvoorbeeld in bebouwde gebieden. Het is echter wenselijk om zoveel mogelijk gebiedseigen bagger te kunnen verspreiden of toe te kunnen passen binnen de gemeente of het beheergebied van aangesloten gemeenten/regio’s. Binnen het generieke kader van het Besluit mag baggerspecie worden verspreid op aangrenzende percelen en tijdelijk worden opgeslagen in weilanddepots (voor ontwatering en rijping) op het aan de watergang grenzende perceel. Voorwaarde hieraan is dat de kwaliteit van de baggerspecie voldoet aan de verspreidingsnorm of dat de baggerspecie aantoonbaar afkomstig is van een onverdachte watergang. In de toelichting op het Bbk wordt het begrip ‘aangrenzende perceel’ slechts summier toegelicht en er wordt geen maximale afstand genoemd. In lijn met de wens tot decentralisatie is het Bbk bewust minder sturend en kaderstellend. Nadere invulling ligt bij gemeenten en waterschappen, die kunnen vaststellen hoe de baggeractiviteiten het beste passen binnen het beheer van het gebied. De gemeente Houten beoogt geen nadere invulling of verruiming van het begrip aangrenzend perceel.
Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt het begrip ‘aangrenzend perceel’ van rijkswege ingevuld als ‘percelen tot een afstand van maximaal 10 kilometer van de plaats van herkomst’. In deze nota kan hier niet op worden geanticipeerd. Voor het opbrengen van hoeveelheden of laagdikte bij het verspreiden van baggerspecie is geen maat opgenomen in het Besluit. De aërobe afbraak van organische verontreinigingen wordt ernstig bemoeilijkt bij baggerspecielagen dikker dan 30 cm. De gemeente Houten hanteert een maximale dikte van de baggerlaag na rijping van 30 cm. 4.3.8 OCB-verontreinigingen voormalige boomgaarden Ter plaatse van voormalige boomgaarden kan de bodemkwaliteit afwijken als gevolg van de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen, waaronder DDT, DDD en DDE. Vooral in boomgaarden van de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw werden veel bestrijdingsmiddelen gebruikt. Huidige of voormalige boomgaarden die ook in de periode tussen 1945 en 1975 in gebruik waren als boomgaard, moeten worden aangewezen als verdachte locaties. In bebouwde gebieden worden bestrijdingsmiddelen vrijwel niet meer teruggevonden als gevolg van uitgevoerd grondverzet. De bestaande boomgaarden in het landelijk gebied zijn echter heterogeen verontreinigd, waarbij volgens eerder onderzoek op sommige locaties de interventiewaarde wordt overschreden.
In bijlage 3 is een overzicht opgenomen van de geïnventariseerde boomgaarden die als verdacht worden beschouwd. Als een locatie verdacht is moet een bodemonderzoek worden uitgevoerd. Dit om vast te stellen of er sprake is van een lokaal geval van bodemverontreiniging. Als de hypothese dat de locatie verdacht is voor verontreiniging met bestrijdingsmiddelen wordt verworpen, en de
23
bodem dus niet verontreinigd is, dan mag grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart plaatsvinden. Het onderzoek is noodzakelijk bij grondverzet van en naar locaties die vallen binnen of binnen een straal van 25 meter van de boomgaardpercelen vermeld op kaartbijlage 3. Omdat bestrijdingsmiddelen zich vaak in de toplaag van (voormalige) boomgaarden ophopen, wordt deze laag (0 – 0,3 m-mv) aangemerkt als verdacht. Deze laag zal dan ook altijd eerst onderzocht moeten worden op bestrijdingsmiddelen (OCB’s) om de mate van verontreiniging vast te stellen. 4.3.9 Kabels en leidingen Veel grondwerkzaamheden bij de aanleg of vervanging van kabels en leidingen en riolering vallen onder het begrip tijdelijke uitname (par. 5.4). In het Besluit bodemkwaliteit is gesteld dat het tijdelijk uitnemen en het daarna weer terugplaatsen van grond, onder voorwaarden is toegestaan, mits deze niet is bewerkt. Vanwege een (potentieel) verschil in samenstelling en milieukwaliteit tussen boven- en ondergrond mogen te onderscheiden bodemlagen in het generieke beleidskader bij het toepassen van grond, niet zonder meer worden gemengd. Met andere woorden: ontgraven bovengrond moet als bovengrond worden toegepast, hetzelfde geldt voor de ondergrond. Dit principe is niet in alle situaties werkbaar. Vooral bij werkzaamheden aan kabels en leidingen.
Dit zijn kleinschalige grondwerken waarbij weinig ruimte is om ontgraven grond op te slaan. Grond die vrijkomt bij het graven van een sleuf wordt op een rug naast de sleuf gelegd. Vaak is bij eerdere werkzaamheden aan de kabels en leidingen de grond al geroerd en heeft herstel van het bodemprofiel geen meerwaarde. Binnen het gebiedsspecifieke beleidskader is het daarom toegestaan om, bij tijdelijke uitname van grond bij reparatie- of vervangwerkzaamheden aan kabels en leidingen, boven- en ondergrond niet gescheiden te ontgraven en terug te plaatsen. Dit betekent dat in ontgravingstraject de boven- en ondergrond geroerd teruggeplaatst mag worden, mits de ontgravingsdiepte functioneel is. Bij hergebruik van grond uit kabel- en leidingsleuven op andere locaties wordt de kwaliteitsklasse van deze grond gelijkgesteld aan de ontgravingsklasse van de bovengrond uit de betreffende zone. Deze werkwijze resulteert erin dat de bodem ter plaatse van leidingtracés (verder) geroerd raakt, met als gevolg het mengen van verschillende kwaliteitsklassen.
Deze vermenging wordt geaccepteerd omdat: - na de werkzaamheden de bovengrond veelal weer zal worden afgedekt met bestrating of alternatief, waardoor er geen direct contact met de grond mogelijk is; - de grond ter plaatse van de leidingtracés in het verleden vaak al geroerd is bij de aanleg en/of de ontgravingssleuf bij aanleg vaak aangevuld is met schone grond. Bij hergebruik van grond uit kabels-, leidingen- en rioolsleuven op andere locaties wordt de kwaliteitsklasse van de vrijkomende grond gelijkgesteld aan de ontgravingsklasse van de bovengrond van de desbetreffende zone. De acceptant van de grond kan altijd om een partijkeuring vragen om de kwaliteit van de grond aan te tonen. 24
4.3.10 Voorkomen verspreiden plaagsoorten (flora) bij grondverzet Bij het toepassen van grond speelt naast de chemische kwaliteit van de grond sinds enige tijd ook de verspreiding van zogenaamde plaagsoorten (flora) een steeds belangrijke rol. Een voorbeeld hiervan is de Japanse duizendknoop of de reuzenberenklauw. Deze uitheemse planten brengt door de groei van haar wortels schade toe in het stedelijk gebied (aan infrastructuur, oevers, waterkeringen en funderingen), maar verdrukt ook onze inheemse flora. De reuzenberenklauw vormt ook een risico voor de volksgezondheid; aanraking van het waterachtige plantensap kan leiden tot brandwonden en in de ogen tot blindheid. Om deze redenen willen de gemeente de verspreiding van deze plaagsoorten, bijvoorbeeld door grondverzet en het toepassen van grond, voorkomen. De gemeente stelt dat bij graafwerkzaamheden, het (tijdelijk) opslaan van grond en toepassen van grond aandacht moet worden besteed aan het (eventueel) voorkomen van plaagsoorten (flora). Dit kan bijvoorbeeld door tijdens de terreininspectie voorafgaand aan het grondverzet hier aandacht aan te besteden. Er is een landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen opgesteld. Hierin is onder andere ingegaan op het herkennen van de duizendknoop, het voorkomen van verspreiding en het omgaan met de duizendknoop in diverse situaties.
Ook bestaat er voor (graaf)werkzaamheden een beslisboom die is opgenomen op de website ‘Bestrijding duizendknoop’: https://bestrijdingduizendknoop.nl/. Als een plaagsoort (flora) ter plaatse van graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond aanwezig is, kunnen mogelijk aanvullende maatregelen worden genomen. Hiervoor moet contact op worden genomen met de gemeente. Als een plaagsoort (flora) in de toe te passen grond aanwezig is, of mogelijk aanwezig kan zijn, is het niet toegestaan de grond te hergebruiken/toe te passen. De grond moet op een gepaste wijze, waardoor geen verwaaiing van de grond kan plaatsvinden, worden getransporteerd naar een erkende verwerker van invasieve exoten. Een lijst van dit soort verwerkers is opgenomen op de website van Branche Vereniging Organische Reststoffen: https://bvor.nl/invasieveexoten/.
25
5. Beleidsregels voor PFAS 5.1 Inleiding Op 8 juli 2019 is een Tijdelijk handelingskader in werking getreden voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie. Dit Tijdelijk handelingskader is op 13 december 2021 voor het laatst geactualiseerd. Er zijn voorlopige landelijke achtergrondwaarden voor PFAS-gehalten gedefinieerd, evenals toepassingseisen in verschillende toepassingssituaties. De provincie Utrecht heeft voor het gebied binnen de provinciegrens gebiedsspecifiek beleid voor PFAS-houdende bodem op laten stellen. Gemeenten die daarvoor kiezen kunnen dit PFASbeleid vaststellen voor hun grondgebied. De gemeente Houten stelt de Beleidsnota PFAS gelijktijdig met deze nota bodembeheer vast voor het eigen grondgebied. Het beleid is beschreven in de “Beleidsnota PFAS provincie Utrecht, 7 april 2021”. Hieronder is samengevat wat dit PFAS-beleid inhoudt voor de gemeente Houten. Opgemerkt dient te worden dat het hieronder beschreven beleid alléén geldt voor PFAS en niet voor de reguliere stoffen uit het standaard stoffenpakket. 5.2 Karakterisering en kwaliteitszone-indeling In tegenstelling tot de meeste andere bodemverontreinigende stoffen is de verspreiding van PFAS hoofdzakelijk bepaald door depositie vanuit puntbronnen en in beperkte mate door het gebruik van de bodem.
Onderzoeksresultaten laten zien dat er geen significante verschillen zijn tussen achtergrondgehalten PFAS in landelijk gebied en stedelijk gebied. De afstand tot puntbronnen bepaalt de mate waarin de bodem belast is met PFAS. Uit de Bodemkwaliteitskaart PFAS van de provincie Utrecht (6 april 2021) volgt dat de bodem in de gemeente Houten in zeer lichte mate diffuus belast is met PFAS in gehalten die gemiddeld onder de grenswaarde liggen van de functieklasse Landbouw/Natuur uit het Tijdelijk handelingskader PFAS (THK). Vanwege de homogene verspreiding van PFAS is binnen de gemeentegrens geen zoneverdeling aangebracht. 5.3 Verwachte ontgravingskwaliteit De ontgravingskaarten in de BKK PFAS geven de te verwachten kwaliteit aan van respectievelijk te ontgraven boven- en ondergrond. Deze kaart mag onder voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast. Voorafgaand aan het grondverzet moet altijd informatie worden achterhaald waaruit blijkt dat de locatie niet is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Paragraaf 7.2 van deze nota gaat hier nader op in. De ontgravingskwaliteit is gebaseerd op de gemiddelde gehalten van de PFAS-verbindingen PFOS, PFOA en PFAS overig.
Uit de BKK PFAS volgt dat de bodemlagen 0,0 – 0,5 m-mv en 0,5 – 2,0 m-mv gehalten PFAS bevat die gemiddeld onder de grenswaarden voor Klasse Landbouw/Natuur liggen. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat in de diepere bodemlagen hogere gehalten voorkomen. Uit praktische overweging is daarom in deze nota voor gekozen 26
dat de ontgravingskwaliteit die is vastgesteld voor de bodemlaag tot 2,0 m-mv ook geldt voor de laag dieper dan 2,0 m-mv. 5.4 Gebiedsspecifiek beleid Indien geen gehalten PFAS bekend zijn van grond, die binnen vrijkomt binnen de zone van de BKK PFAS waarvan de gemeente Houten deel uitmaakt, is deze grond ten aanzien van PFAS vrij toepasbaar. In de beleidsnota PFAS zijn scherpere normen vastgesteld voor grondwaterbeschermingsgebieden. Binnen deze gebieden mag de bodemkwaliteit ten aanzien van PFAS niet verslechteren. Omdat het niet waarschijnlijk is dat het gehalte PFAS buiten het grondwaterbeschermingsgebied in de gemeente Houten anders is dan daarbinnen, vormt het gehalte PFAS in deze situatie geen criterium bij de toepassing van grond. Zijn wel onderzoeksresultaten bekend van PFAS dan moeten deze worden getoetst aan de normen uit het de beleidsnota PFAS. Deze zijn bepaald aan de hand van het normenstelsel uit het Tijdelijk handelingskader PFAS of Lokaal Maximale Waarden (LMW’s). De toepassingseisen die gelden in het geval onderzoeksresultaten bekend zijn staan in onderstaande tabellen samengevat. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de Beleidsnota PFAS. Tabel 5.1: Toetsingswaarden PFAS bovengrond functie Landbouw/natuur(gecorrigeerde gehalten in µg/kg) Grond afkomstig van: bovengrond Binnen de zone