Bijlage 1 - Integraal Huisvestingsplan Onderwijs 2024 - 2043
Tekst van het document
5.3.1
Bewegingsonderwijs in het primair onderwijs (PO)
Voor kleuters vindt dit plaats in de speelzaal en voor de groepen 3 tot en met 8 (voor leerlingen vanaf 6 jaar) in een gymzaal. Op dit moment heeft de gemeente nog de zorgplicht om 1,5 klokuur à 60 minuten oftewel 2 lesuren à 45 minuten aan bewegingsonderwijs per week in het primair onderwijs in de vorm van een gymzaal te faciliteren. Op basis van deze 1,5 klokuur ontvangt de gemeente bekostiging via het rijk. Er wordt al langere tijd gevraagd het aantal uren bewegingsonderwijs te verhogen naar 3 lesuren à 45 minuten oftewel 2,25 klokuren à 60 minuten per week conform de benoemde ambities in de bouwstenennotitie. Volgens de verordening kan een gymzaal voor het PO voor 26 klokuren à 60 minuten per week ingeroosterd worden. Op basis van de leerlingenprognose van 2022, opgesteld door Pronexus, volgt de onderstaande totale behoefte. Hierbij is ervan uitgegaan dat de scholen over een geschikt speellokaal beschikken.
PO Totaal verwachte behoefte in klokuren in 2039 Totaal verwacht aantal zalen in 2039 (op basis van 26 klokuren per week)
Volgens verordening (1,5 klokuren per groep per week)
Volgens ambitie (2,25 klokuren per groep per week)
230
345
9
13
VO Totaal verwachte behoefte in klokuren in 2039 Totaal verwacht aantal zalen in 2039 (op basis van 40 klokuren per week)
Volgens prognose 173 4
Tabel 5: Overzicht capaciteitsbehoefte bewegingsonderwijs VO
5.3.3 Bewegingsonderwijs in het (V)SO en SBO Voor leerlingen vanaf 6 jaar en ouder wordt volgens de verordening rekening gehouden met 2,25 klokuren per week per groep in het speciaal onderwijs en in het voortgezet speciaal onderwijs. Op basis van de leerlingenprognose uit 2022, opgesteld door Pronexus, volgt de onderstaande totale behoefte: SO/VSO/SBO Totaal verwachte behoefte in klokuren in 2039 Totaal verwacht aantal zalen in 2039 (op basis van 26 klokuren per week)
Volgens prognose 27 1
Tabel 6: Overzicht capaciteitsbehoefte bewegingsonderwijs (V)SO en SBO
Tabel 4: Overzicht capaciteitsbehoefte bewegingsonderwijs PO
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Pagina 20 van 46
5.3.4 Totale behoefte voorzieningen voor bewegingsonderwijs Op basis van de voorgaande paragrafen kan geconcludeerd worden dat in 2039 een totale behoefte aan gymzalen voor bewegingsonderwijs bestaat uit ca. 18 gymzalen (uitgaande van gedeeld gebruik door zowel special, primair en voortgezet onderwijs).
Onderwijs Primair onderwijs Speciaal onderwijs Voortgezet onderwijs Totaal verwacht aantal gymzalen
Aantal klokuren (2,25 uur per groep per week)
345 173 27 545
Aantal gymzalen 13 4 1 18
Tabel 7: Totaaloverzicht capaciteitsbehoefte bewegingsonderwijs
5.3.5 Beschikbare capaciteit bewegingsonderwijs Houten In tabel 8 zijn de beschikbare locaties voor bewegingsonderwijs met de daarbij behorende beschikbare capaciteit opgegeven. Op basis van de zalen die nu beschikbaar zijn voor bewegingsonderwijs en de verwachte behoefte, wordt geconcludeerd dat er voldoende capaciteit aanwezig is voor bewegingsonderwijs, ook voor de aanvullende ambitie.
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Accommodaties De Bijenkorf De Slinger Van Harte School De Wetering Trimaran De Plantage De Velduil De Kruisboog The Dome De Molenwiek Ridderspoor De Vlinder Limes Totaal
Zaaldelen 1 3 1 3 1 1 1 3 3 3 1 1 1 23
Tabel 8: Overzicht huidige sportaccommodaties.
Pagina 21 van 46
Figuur 5: Locaties bewegingsonderwijs gemeente Houten.
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Pagina 22 van 46
5.4. Scholenlandschap De diverse scenario’s worden onderbouwd aan de hand van de quickscanscores, de capaciteitsanalyse en overige afwegingscriteria. De scenario’s en prioritering zijn tot stand gekomen in samenspraak met de schoolbesturen. Er wordt nog geen afweging gemaakt ten aanzien van (ver)nieuwbouw, renovatie of opheffing (c.q. samenvoeging). Dit vereist bij de uitvoering van het IHP per locatie een gedegen afweging middels haalbaarheidsonderzoeken. De huidige situatie binnen gemeente Houten is weergegeven op diverse scholenlandschappen (per kwadrant). Hieronder volgt een toelichting over hoe de kaarten en labels gelezen moeten worden: • De labels in de kaarten geven een toelichting op het betreffende schoolgebouw. • De kleur van de stip op de kaart correspondeert met het schoolbestuur. • Onder de schoolnaam staat de quickscanscore weergegeven met de kleur van de vervangingstermijn. • Het label geeft de leerlingenprognose voor 2023 t/m 2030 weer. • Het label geeft de bijbehorende ruimtebehoefte, bestaande m² bvo en ruimtetekorten/-overschotten weer. Overschotten worden hierbij in het groen weergegeven en tekorten in het rood.
Figuur 6: Voorbeeld label voor kaarten in paragraaf 5.4.
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Pagina 23 van 46
5.4.1 Noordoost De volgende scenario’s zijn besproken:
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Pagina 24 van 46
•
’t Schoolhuys / Het Mozaïek: Voor de scholen ’t Schoolhuys en het Mozaïek wordt onderzocht of clustering haalbaar en wenselijk is. Indien blijkt dat clustering van alle scholen niet wenselijk is zal er solitaire (ver)nieuwbouw/renovatie als uitgangspunt genomen worden. De scholen komen in aanmerking voor vernieuwing in de termijn van 5 – 10 jaar. o Scenario 1: Clustering scholen op nader te bepalen locatie. o Scenario 2: Solitaire renovatie / (ver)nieuwbouw.
•
De Triangel: De Triangel heeft de voorkeur uitgesproken om als solidair project vernieuwd te worden. Indien er echter grote voordelen te behalen zijn middels clustering met één van bovenstaande scholen (’t Schoolhuys of het Mozaïek) staat het schoolbestuur er voor open om dit te verkennen. Uitgangspunt is solitaire vernieuwing in de termijn van 5 – 10 jaar.
•
De Velduil: De Velduil wordt op dit moment vernieuwd. Een verdere aanpassing is niet aan de orde binnen de looptijd van dit IHP.
•
Berg en Bosch: Het speciaal onderwijs blijft groeien en de ruimte binnen de Berg en Boschschool is krap. De school gaat in de toekomst te maken krijgen met een tekort aan ruimte. Gezien de leeftijd en de school is een vernieuwing niet aan de orde. Op korte termijn (termijn 0 – 5 jaar) dient onderzocht te worden of er elders ruimte beschikbaar is (wellicht bij VMBO Houtens) of dat er een uitbreiding gerealiseerd kan worden.
•
VMBO Houtens: VMBO Houtens is een relatief nieuwe school. Een aanpassing is niet aan de orde binnen de looptijd van dit IHP.
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Pagina 25 van 46
5.4.2 Zuidoost
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Pagina 26 van 46
De volgende scenario’s zijn besproken: •
Ridderspoor: Er is een ruimteoverschot bij De Ridderspoor, een deel van het ruimteoverschot kan eventueel ingezet worden voor kinderopvang. Op basis van de QuickScan-score komt De Ridderspoor in aanmerking voor nieuwbouw of renovatie in de termijn 10 – 15 jaar.
•
De Vlinder: Er is een ruimteoverschot bij De Vlinder, een deel van het ruimteoverschot kan eventueel ingezet worden voor kinderopvang. De Vlinder is een relatief nieuwe school. Een aanpassing is niet aan de orde binnen de looptijd van dit IHP.
•
De Fontein: Er is een ruimteoverschot bij De Fontein, een deel van het ruimteoverschot kan eventueel ingezet worden voor kinderopvang. De Fontein is een relatief nieuwe school. Een aanpassing is niet aan de orde binnen de looptijd van dit IHP.
•
Aventurijn (MFA Limes): Er is een aanzienlijk ruimteoverschot als gevolg van het vertrek van de Montessorischool, er dient onderzocht te worden hoe deze ruimte het beste ingezet kan worden. Deze ruimte wordt momenteel deels gebruikt door het taalatelier (2 leslokalen en spreekruimte). De aanstaande woningbouw in de wijk Hofstad 4b zal in de toekomst leiden tot de aanwas van meer leerlingen. Aventurijn is een nieuw gebouw. Een aanpassing is niet aan de orde binnen de looptijd van dit IHP.
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Pagina 27 van 46
5.4.3 Zuidwest
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Pagina 28 van 46
De volgende scenario’s zijn besproken:
•
Montessorischool: De Montessorischool is een nieuwe school. Een aanpassing is niet aan de orde binnen de looptijd van dit IHP.
•
Johannes Bogermanschool: De Johannes Bogermanschool is een relatief nieuwe school. Een aanpassing is niet aan de orde binnen de looptijd van dit IHP.
•
De Zonnewijzer: Er is een toenemend ruimteoverschot bij De Zonnewijzer, een deel van het ruimteoverschot kan in de toekomst eventueel ingezet worden voor kinderopvang. Op basis van de QuickScan-score komt De Zonnewijzer in aanmerking voor nieuwbouw of renovatie in de termijn 10 – 15 jaar.
•
De Stek: De Stek is een relatief nieuwe school. Een aanpassing is niet aan de orde binnen de looptijd van dit IHP.
•
De Plantage: Er is een afnemend ruimtetekort bij De Plantage. Op dit moment wordt dit ruimtetekort opgelost door het gebruik van nabijgelegen schoolwoningen. In de toekomst zal dit gebruik in steeds mindere mate noodzakelijk zijn. Gezien de leeftijd van de school is een aanpassing niet aan de orde binnen de looptijd van dit IHP.
•
De Wissel: De Wissel is een relatief nieuwe school. Een aanpassing is niet aan de orde binnen de looptijd van dit IHP.
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Pagina 29 van 46
5.4.4 Noordwest
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Pagina 30 van 46
De volgende scenario’s zijn besproken: •
De Zevensprong / De Bijenkorf: Op korte termijn (0 – 5 jaar) wordt een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden om De Zevensprong en De Bijenkorf te clusteren (hierbij wordt ook een duurzamere oplossing, met het oog op het toekomstperspectief, voor de ruimtebehoefte van de Techniekfabriek verkend). Het onderzoek dient duidelijkheid te geven in welke locatie het meest schikt voor deze clustering en welke aanvullende faciliteiten (kinderopvang, overige maatschappelijke faciliteiten) meegenomen dienen te worden in deze ontwikkeling. De huidige gymzaal dient integraal meegenomen te worden binnen deze ontwikkeling. Deze ontwikkeling wordt, gezien het huidige ruimtetekort bij De Bijenkorf, als urgent gezien en daardoor eerder dan de QuickScan-scores aangeven opgepakt.
•
Wereldwijs: Gezien de beoogde ontwikkelingen betreffende De Zevensprong en De Bijenkorf biedt het kansen om de op een integrale manier te kijken naar de scholen in dit gebied. Na eventuele clustering van De Zevensprong en De Bijenkorf dient onderzocht te worden hoe de Wereldwijs en de Techniekfabriek zich positioneren binnen de betreffende wijken. Om aansluiting te houden met de overige scholen in dit gebied is het streven om de Wereldwijs in de termijn van 5 – 10 jaar te vernieuwen middels (ver)nieuwbouw of renovatie. Dit is een afwijking op de geconstateerde QuickScan-score.
•
College de Heemlanden: Op basis van de QuickScan-score komt College de Heemlanden in aanmerking voor nieuwbouw of renovatie in de termijn 5 – 10 jaar. Er dient een onderzoek uitgevoerd te worden naar een eventuele campusvorming met VMBO Houtens. Indien een dergelijk plan niet haalbaar is wordt gekeken naar solitaire (ver)nieuwbouw of renovatie.
•
Van Harte School: De Van Harte School wordt op dit moment vernieuwd. Een verdere aanpassing is niet aan de orde binnen de looptijd van dit IHP.
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Pagina 31 van 46
5.4.5 Kernen
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Pagina 32 van 46
De volgende scenario’s zijn besproken: • Het Mozaïek (Tull en ’t Waal) / St. Michiel (Schalkwijk) en De Boogerd (’t Goy): De scholen in de kernen hebben, naast de onderwijsfunctie, ook een belangrijke functie voor de leefbaarheid van de kern. Om de leefbaarheid in de kernen te behouden is het streven om de scholen in de kernen op korte termijn (0 – 5 jaar) te vernieuwen. Er dien per locatie onderzocht te worden of (ver)nieuwbouw dan wel renovatie de meest haalbare (zowel ruimtelijk als financieel) optie is. Binnen deze onderzoeken dient ook gekeken te worden naar het aanbieden van eventuele aanvullende faciliteiten binnen de gebouwen.
een gedeeld dak). De gemeente dient in overleg met de schoolbesturen en de overige VVE-partners een beleid te formuleren waardoor de schoolbesturen zelfstandig kunnen verduurzamen. Het gaat binnen de gemeente Houten om de volgende scholen: • De Plantage; • De Stek; • De Fontein; • De Zonnewijzer. Resume Totaaloverzicht
Verduurzaming Meerdere scholen in Houten ervaren tekortkomingen op het gebied van de kwaliteit van het binnenmilieu of scoren slecht op de exploitatie. Voor sommige gebouwen kan deze vraag integraal meegenomen worden omdat deze gebouwen hoog op de prioriteitenlijst staan en dus al op korte termijn uitgevoerd zullen worden. Andere gebouwen staan op basis van de overige urgentiecriteria later gepland. Voor alle gebouwen die op binnenmilieu en/of exploitatie in de QuickScans een 5 of lager scoren en die over meer dan 10 jaar in aanmerking komen voor (ver)nieuwbouw, wordt ervan uitgegaan dat in navolging van het IHP een specifiek onderzoek naar de kwaliteit van het binnenmilieu wordt uitgevoerd om te bepalen wat passende maatregelen om op korte termijn het binnenmilieu en de exploitatie te verbeteren. De onderzoeken zijn de verantwoordelijkheid van de gemeente en dienen z.s.m. uitgevoerd te worden. Voor deze onderzoeken is geen kostenreservering opgenomen in het financiële hoofdstuk. Dit betreft de volgende scholen: • Berg en Bosch • De Wissel • VMBO Houtens (na een controle op het energieverbruik) In aanvulling op de duurzaamheidsonderzoeken voor de hiervoor genoemde scholen dient er ook een beleid gevormd te worden ten aanzien van het verduurzamen van scholen die onderdeel zijn van een VVE (deze scholen zijn gehuisvest in de “plint” van een appartementencomplex).
Deze scholen hebben in de praktijk te maken met beperkingen i.r.t. het plaatsen van duurzaamheidsmaatregelen (denk bijvoorbeeld aan het plaatsen van PV-panelen op
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Project
2024 - 2043 Gebouwmaatregel
Termijn 1
2024 - 2028
De Boogerd ('t Goy) Het Mozaïek (Tullen 't Waal) St. Michiel (Schalkwijk) De Bijenkorf De Zevensprong
Nieuwbouw Nieuwbouw Nieuwbouw Nieuwbouw Nieuwbouw
Termijn 2
2029 - 2033
t Schoolhuys De Triangel Het Mozaïek Wereldwijs College de Heemlanden
Nieuwbouw Nieuwbouw Nieuwbouw Nieuwbouw Nieuwbouw
Termijn 3
2034 - 2038
De Zonnewijzer Ridderspoor
Nieuwbouw Nieuwbouw
Termijn 4
2039 - 2043
De Plantage De Stek De Vlinder De Fontein
Nieuwbouw Nieuwbouw Nieuwbouw Nieuwbouw
Aantal lln.
Omvang [m2 bvo]
Oplevering
50 38 192 259 127
452 191 1166 1503 839
2027 2027 2027 2028 2028
190 92 292 255 1.206
1156 663 1669 1483 8119
2030 2030 2030 2033 2033
306 229
1739 1352
2037 2038
394 266 283 264
2182 1538 1623 1528
2040 2041 2043 2043
Tabel 9: Overzicht programmering periode 2024 – 2043. Dit overzicht is excl. lopende projecten en verduurzamingsmaatregelen.
Pagina 33 van 46
6. Financiële vertaling en CO2-reductie De in hoofdstuk 5 gepresenteerde scenario’s voor het VO, PO, (V)SO en SBO worden in dit hoofdstuk voorzien van een financieel kader. Er wordt eerst ingegaan op de financiële vertaling voor onderwijshuisvesting (20 jaar) en vervolgens worden randvoorwaarden benoemd. Ook wordt ingegaan op de CO2-reductie.
•
flexibiliteit, met name gericht op het faciliteren van onderwijsconcepten waarbij ook buiten het klaslokaal les wordt gegeven. Exploitatiegericht bouwen: toepassen van onderhoudsarme vloer- en wandafwerking en aluminium kozijnen om hoge exploitatiekosten te voorkomen
6.1. Gewenste kwaliteit Met behulp van de kostenconfiguratoren van HEVO (door PO-raad en VO-raad erkende instrumenten ter bepaling van de investeringskosten) zijn de geldende investeringsniveaus per vierkante meter bepaald. Daarbij is aangesloten bij de visie. De gewenste kwaliteit is in dit IHP bepaald op (zie bijlage II voor een uitgebreidere toelichting op energieprestaties en kwaliteitsniveau): • Bouwbesluit 2021. • Energieneutraal voor nieuwbouw (gebouw gebonden), minimum bijna energieneutraal (BENG) voor renovatie/vernieuwbouw. • Frisse Scholen: optimale prijs-kwaliteitverhouding voor onderdelen zoals ventilatiecapaciteit, lichtinval, akoestiek en temperatuur. Dit betreft in wezen de impact op gezondheid door het gebouw (zie Tabel 9). • Esthetische onderwijskundige kwaliteit: (iets) meer gevelopeningen, een betere Frisse Scholen ventilatie-klasse in gangzones of op leerpleinen als open onderwijslandschap zodat deze ook voor onderwijs gebruikt kunnen worden en (beperkt) betere afwerkingsniveaus. • Duurzaam en circulair bouwen: extra isolatie en triple glas. Het betreft keuzes waardoor het gebouw een stapje verder gaat dan ENG. Deze keuzes worden nu gemaakt omdat dit gedurende de levensduur van het gebouw lastig is om aan te passen. De basisambitie voor circulair bouwen is meegenomen in de bepaling van het investeringsbedrag.
Hierdoor kan bijvoorbeeld de toepassing van groen beton gewaarborgd worden. • Hoge mate van flexibiliteit en toekomstbestendigheid wordt in de kostenconfigurator vertaald naar ‘toekomstbestendig bouwen’: flexibiliteit door niet-dragende wanden zodat er bijvoorbeeld functiewijziging plaats kan vinden (tussentijds of bij einde gebruik door school). Ook is er extra transparantie, zijn er meer binnenwandopeningen en zijn er verplaatsbare paneelwanden voor interne
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Tabel 9: Kwaliteitskader Frisse Scholen. Bron: HEVO Kwaliteitsadvies 2024.
Pagina 34 van 46
Deze uitgangspunten gaan verder dan het wettelijk verplichte kwaliteitsniveau. De argumentatie daarvoor is als volgt: • BENG is onvoldoende om (voor onderwijshuisvesting) de klimaatdoelstelling van 95% CO2-reductie te halen in 2050. De gebouwen van nu zullen naar alle waarschijnlijkheid voor 2050 ENG moeten zijn. Om investeringen in de toekomst te voorkomen is de keuze gemaakt om direct ENG te realiseren. • In aansluiting op de visie en ambities van de gemeente en schoolbesturen is het HEVO kwaliteitsadvies Frisse Scholen toegevoegd. Gezonde huisvesting van leerlingen en docenten is een randvoorwaarde voor een goed schoolgebouw. Het concept van Frisse Scholen omvat de onderwerpen energie, lucht, tempartuur, licht en geluid. Met name het belang van een goede luchtkwaliteit en mogelijkheden voor voldoende ventilatie zijn gedurende de coronapandemie duidelijk geworden. Ook de andere aspecten zoals tempartuur, licht en geluid zijn belangrijk voor een gezond binnenklimaat en daarmee voor een prettige en gezonde omgeving waar leerlingen en docenten veel uren op een (school)dag doorbrengen. • Onderdelen van de omschreven kwaliteitsambities komen eveneens ten goede aan de geformuleerde visie en de integrale definitie van duurzaamheid: gezonde, circulaire, exploitabele en toekomstbestendige schoolgebouwen.
Schoolgebouwen waarin verschillende onderwijsvisies een plek kunnen krijgen, die aanpasbaar zijn naar de toekomst en waar een comfortabele ontwikkelomgeving verzekerd is. Om niet alleen aan de wettelijke verplichting te voldoen maar om ook voor toekomstbestendige, langdurig bruikbare onderwijsgebouwen te zorgen is de realisatie van deze kwaliteitsuitgangspunten belangrijk en toekomstgericht. Naast deze kwaliteitsuitgangspunten voor het gebouw is door de schoolbesturen en de gemeente Houten ook de duidelijke ambitie uitgesproken om groene en blauwe buitenruimten te realiseren (zie bouwsteen 3, duurzaamheid). Deze ambitie is nog niet financieel vertaald aangezien de kosten hiervoor sterk afhankelijk zijn van de gekozen uitwerking en de omvang van de buitenruimten. Er wordt aanbevolen de uitgangspunten hiervoor in gezamenlijkheid met schoolbesturen en gemeente af te stemmen.
Referentie: 1727401-0060.1.0.
6.2. Total Cost of Ownership De gemeente en de schoolbesturen hebben de intentie uitgesproken om gezamenlijk de gewenste kwaliteit te realiseren. Daarbij streven de schoolbesturen ernaar om binnen hun financiële mogelijkheden een bijdrage aan de projecten te leveren volgens de principes van Total Cost of Ownership (TCO). Hierbij maken schoolbesturen gebruik van de vergoeding voor materiële instandhouding (mi-vergoeding) die zij ontvangen van het rijk. De gewenste kwaliteit wordt bijvoorbeeld gefinancierd vanuit een verwacht exploitatievoordeel (op energiekosten) gedurende een deel van de levensduur van het gebouw en een besparing op onderhoud aan het bestaande gebouw voorafgaand aan een nieuwbouwopgave (besparing op investeringen in de lopende meerjarenonderhoudsplanning). De schoolbesturen geven aan dat zij aan de voorkant voorzichtig willen zijn in het toezeggen van bijdragen aan Total Cost of Ownership. Daarvoor zijn de volgende argumenten benoemd: • De aanzienlijke tekorten op de vergoeding voor materiële instandhouding. • De onzekerheid over het overheidsbeleid ten aanzien van de vergoeding voor materiële instandhouding. • De positieve effecten van één nieuw gebouw zijn benodigd voor de negatieve exploitatie van de gehele portefeuille. • De hoogte van de onderhoudskosten voor ENG-gebouwen is nog onvoldoende gebenchmarkt.
• De beperkte eigen financiële middelen en liquiditeit. Indien er afspraken worden gemaakt ten aanzien van beheersvorm, eigendomsverhouding, samenwerkingsafspraken, exploitatie en financiële geldstromen, dient het effect van deze afspraken op Total Cost of Ownership te worden onderzocht. Bijvoorbeeld in het geval dat het schoolbestuur een deel van zijn materiële instandhoudingsvergoeding afdraagt aan de gemeente indien de gemeente eigenaar is. Tijdens het opstellen van het IHP hebben gemeente en schoolbesturen een afspraak gemaakt over verdeling van de kosten. Onderstaande tabellen geven per sector (PO, VO en (V)SO) weer welke investeringskosten tot de basiskwaliteit horen en daarmee voor rekening van gemeente komen (excl. bijkomende kosten). Daarvoor heeft de gemeente de basiskwaliteit voor onderwijshuisvesting gedefinieerd en gewaarborgd. Het betreffen die onderdelen die essentieel zijn voor een goed schoolgebouw en daarom
Pagina 35 van 46
niet afhankelijk dienen te zijn van een bijdrage van een schoolbestuur. De schoolbesturen kunnen er voor kiezen bij te dragen aan aanvullende kwaliteit. De gemeente en schoolbesturen willen gezamenlijk nader in de haalbaarheidsonderzoeken (businesscases) onderzoeken hoe de stap van BENG naar ENG gefinancierd kan worden: energieneutraliteit. In recente projecten in de gemeente Houten is dit onderdelen door het schoolbestuur gefinancierd. Recente ontwikkelingen maken dat dit niet langer vanzelfsprekend is door o.a. netcongestie, onzekerheid omtrent de salderingsregeling en terughoudendheid van de schoolbesturen door hogere onderhoudskosten bij ENG installaties. Nieuwbouw De bepaling van de kwaliteitsambitie leidt tot indicatieve investeringsbedragen per m² brutovloeroppervlakte (bvo). Met behulp van de kostenconfiguratoren van HEVO zijn de geldende investeringsniveaus per vierkante meter bepaald. Deze investeringsniveaus sluiten aan bij de in paragraaf 6.1. omschreven kwaliteit. De investeringsniveaus zijn weergegeven in tabel 11, 12 en 13. Er ontstaan schaalvoordelen bij het bouwen van een school met een grotere omvang (dit pleit voor clusteren van voorzieningen). Voor nieuwbouwprojecten wordt uitgegaan van een afschrijvingstermijn van 50 jaar in lijn met de financiële verordening van gemeente Houten.
Kostenconfigurator HEVO PO 1-1-2024 Aantal leerlingen Uitganspunt bouwlagen Norm bvo
Primair Onderwijs 200 300 1 2 1206 1709
100 1 703
Onderdeel Bouwbesluit + BENG Marsh eisen Herindeelbaar gebouw Ambitieniveau Esthetische Kwaliteit Werkplekken in verkeersruimten Frisse Scholen kwaliteitsadvies HEVO Duurzaam bouwen (circulair) Kosten basiskwaliteit
€ € € € € € € €
3.112 32 123 145 47 292 42 3.793
€ € € € € € € €
€ €
Basiskwaliteit Kosten per vierkante meter 2.960 € 2.686 32 € 32 123 € 123 135 € 141 45 € 46 279 € 258 38 € 27 3.612 € 3.313
€ € € € € € € €
2.645 32 123 137 45 253 26 3.261
138 € 138 €
Energieneutraliteit Kosten per vierkante meter 136 € 136 €
115 € 115 €
113 113
Aanvullende kwaliteit Kosten per vierkante meter 108 € 27 € 67 € 202 €
114 27 47 188
€ € € €
111 27 37 175
3.616 € 181 € 3.797 €
3.549 177 3.726
Onderdeel Aanvullende kosten ENG Kosten energieneutraliteit
400 2 2212
Onderdeel Exploitatiegericht bouwen Vergroten zichtlijnen Verplaatsbare panelenwanden Kosten aanvullende kwaliteit (optie)
€ € € €
115 27 115 257
€ € € €
Totale kosten (excl. Regiotoeslag) Regiotoeslag Totale kosten (incl. Regiotoeslag)
€ € €
4.188 € 209 € 4.397 €
3.950 € 198 € 4.148 €
Tabel 11: Kostenkengetal nieuwbouw voor PO.
Opmerking regiotoeslag: In de praktijk ziet men dat bouwkosten per regio (kunnen) verschillen. De kostenconfigurator gaat in de basis uit van projecten gerealiseerd in regio ’s-Hertogenbosch. Er wordt 5% regiotoeslag gerekend voor projecten die in duurdere regio’s vallen, zoals Houten.
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Pagina 36 van 46
Kostenconfigurator HEVO VO 1-1-2024 Onderdeel
Kostenconfigurator HEVO (V)SO 1-1-2024 Cat A. / Cat. B Aantal leerlingen Uitganspunt bouwlagen Norm bvo
(Voortgezet) Speciaal Onderwijs SO - B VSO - A 200 300 1 2 1750 2810
SO - A 100 1 1250
Onderdeel Bouwbesluit + BENG Marsh eisen Herindeelbaar gebouw Ambitieniveau Esthetische Kwaliteit Werkplekken in verkeersruimten Frisse Scholen kwaliteitsadvies HEVO Duurzaam bouwen (circulair) Kosten basiskwaliteit
€ € € € € € € €
3.140 33 123 146 47 296 38 3.823
€ € € € € € € €
Onderdeel Aanvullende kosten ENG Kosten energieneutraliteit
€ €
Basiskwaliteit Kosten per vierkante meter 3.091 € 2.858 33 € 33 123 € 123 142 € 144 46 € 46 278 € 250 36 € 25 3.749 € 3.479
136 € 136 €
Energieneutraliteit Kosten per vierkante meter 136 € 136 € Aanvullende kwaliteit Kosten per vierkante meter 113 € 27 € 46 € 186 €
Onderdeel Exploitatiegericht bouwen Vergroten zichtlijnen Verplaatsbare panelenwanden Kosten aanvullende kwaliteit (optie)
€ € € €
116 27 65 208
€ € € €
Totale kosten (excl. Regiotoeslag) Regiotoeslag Totale kosten (incl. Regiotoeslag)
€ € €
4.167 € 208 € 4.375 €
4.071 € 204 € 4.275 €
VSO - B 400 2 3470
Voortgezet onderwijs Uitgangspunt bouwlagen Norm bvo
vmbo 2 5000
Onderdeel
€ € € € € € € €
2.814 33 123 142 46 249 24 3.431
Bouwbesluit + BENG Marsh eisen Herindeelbaar gebouw Ambitieniveau Esthetische Kwaliteit Werkplekken in verkeersruimten Frisse Scholen kwaliteitsadvies HEVO Duurzaam bouwen (circulair) Kosten basiskwaliteit
117 € 117 €
116 116
Aanvullende kosten ENG Kosten energieneutraliteit
vmbo/havo /vwo 3 13000
€ € € € € € € €
2.282 32 121 122 43 219 19 2.838
€ €
Energieneutraliteit Kosten per vierkante meter 105 € 98 € 105 € 98 €
99 99
Aanvullende kwaliteit Kosten per vierkante meter 113 € 114 € 26 € 26 € 16 € 10 € 155 € 150 €
111 26 6 143
Onderdeel
€ € € €
115 27 23 165
Exploitatiegericht bouwen Vergroten zichtlijnen Verplaatsbare panelenwanden Kosten aanvullende kwaliteit (optie)
€ € € €
3.768 € 188 € 3.956 €
3.712 186 3.898
Totale kosten (excl. Regiotoeslag) Regiotoeslag Totale kosten (incl. Regiotoeslag)
€ € €
116 27 29 172
havo/vwo 3 8000 Basiskwaliteit Kosten per vierkante meter 2.489 € 2.313 € 32 € 32 € 121 € 121 € 126 € 125 € 44 € 44 € 237 € 225 € 23 € 20 € 3.072 € 2.880 €
Onderdeel
Tabel 12: kostenkengetal nieuwbouw voor SO/VSO/SBO. 1: Cat. A = SH/ESM, VISG, LZ, ZMOK, ZMLK en PI. | Cat. B=DO, LG en MG.
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Voortgezet Onderwijs
3.332 € 167 € 3.499 €
3.128 € 156 € 3.284 €
3.080 154 3.234
Tabel 13: kostenkengetal nieuwbouw voor VO
Pagina 37 van 46
6.3. Uitgangspunten financiële vertaling onderwijs
4.
De overzichten op de volgende pagina’s tonen de investeringskosten. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: 1.
2.
3.
De kostenconfigurator uit 2024 is gehanteerd en is inclusief btw, prijspeil 1 januari 2024. Periodieke indexatie op basis van BDB-index als basis voor de financiële vertaling van dit IHP is noodzakelijk. Het prijsniveau is gebaseerd op de regio Houten. Risico’s ten aanzien van de bouwkosten zijn ook te vinden in de algemene prijsontwikkeling van bouwprojecten in Nederland en de regio Houten. De kostenconfigurator gaat uit van normale marktomstandigheden voor wat betreft beschikbaarheid van materialen en inschrijvingen van aannemers bij projecten. In de investeringskosten zijn ook diverse honoraria en vaste aanvullende kosten opgenomen. Daarbij is rekening gehouden met de volgende kosten: honoraria (voor ontwerpteamleden (architect, installatieadviseur, constructeur, bouwfysicus en projectmanager), niet voor interne projectleider gemeente), aansluitkosten, heffingen, verzekeringen, beperkte risicoverrekening en onvoorzien. De aanvullende kosten zijn gebaseerd op een eenvoudig gebouw met een compacte gebouwvorm en een daarbij passende voorbereidings- en uitvoeringsplanning. Bijkomende kosten die locatiegebonden zijn, of anderszins niet vallen onder de bouwkosten en bijkomende kosten voor de realisatie van een schoolgebouw, zijn niet opgenomen in de financiële vertaling. Per opgave komen er nog diverse kosten bij, dit kan sterk verschillen.
De kosten waarmee rekening moet worden gehouden zijn onder andere kosten voor tijdelijke huisvesting, grondkosten, locatiegebonden kosten, kosten voor bouwrijp maken, sloopkosten en asbestsanering, interne kosten voor gemeente/schoolbestuur bijvoorbeeld voor adviezen of projectbegeleiding, kosten voor organisatorische ondersteuning, voorfinanciering kinderopvang, inrichtingskosten (losse inrichting) en verhuiskosten. Ook financieringskosten zoals rentekosten, startkosten of faseringskosten zijn niet opgenomen. Deze kosten kunnen hoog oplopen, zeker als tijdelijke huisvesting benodigd is. Gemiddeld gezien betreft het op een totale opgave van een gemeente (dus over alle schoolgebouwen berekend) 20% van de investeringskosten uit het IHP. Het kan echter zijn dat voor het ene schoolgebouw slechts 10% nodig is en het volgende schoolgebouw 50% aan extra kosten met zich meebrengt. Dit is met name afhankelijk van de noodzaak tot tijdelijke huisvesting. Deze zijn in dit IHP geschat op 20%. Per opgave worden deze na het IHP nader gespecificeerd en onderbouwd in de businesscase.
Referentie: 1727401-0060.1.0.
5. 6.
7.
8.
Er is voor de ruimtebehoefte bij de doorrekening van de investeringskosten uitgegaan van het geprognosticeerde leerlingenaantal in 2039 (over 15 jaar) uit de prognose van Pronexus van 2022; de prognoses worden jaarlijks geactualiseerd. In de businesscases, voorafgaand aan het afgeven van een voorbereidingskrediet, wordt het leerlingenaantal nogmaals herijkt. Binnen de financiële vertaling zijn de verwachte indicatieve investeringskosten per periode van 5 jaar opgenomen (0-5 jaar, 5-10 jaar, 10-15 jaar en 15 – 20 jaar). Vooralsnog is voor de investeringskosten voor iedere vervangings- en uitbreidingsopgave uitgegaan van nieuwbouw. In de businesscases zal de afweging tussen (ver)nieuwbouw en renovatie plaatsvinden en worden de daadwerkelijke kosten in beeld gebracht. Uit spreidingsoverwegingen zijn in termijn vier de scholen opgenomen gedurende de looptijd van dit IHP de leeftijdsgrens van 40 jaar bereiken en waarvoor geen duurzaamheidsscan is voorzien. Het streven is om projecten te realiseren in de termijn waarin de projecten zijn genoemd. Indien er op projectniveau vertraging ontstaat in een of meerdere projecten, blijft het mogelijk om andere projecten parallel op te pakken.
6.4. Overzicht investeringskosten schoolgebouwen In het navolgende overzicht worden indicatieve investeringskosten inclusief btw prijspeil 1 januari 2024 (excl. kosten voor onderzoek naar verduurzamingsmaatregelen) per termijn weergegeven.
Termijn 1 Termijn 2 Termijn 3 Termijn 4
2024 - 2028 2029 - 2033 2034 - 2038 2039 - 2043
Kosten basiskwaliteit (gemeente)
Kosten energieneutraal Kosten aanvullende bouwen kwaliteit (schoolbesturen)
€ € € € €
€ € € € €
16.410.308 44.163.338 11.216.140 25.461.334 97.251.120
569.692 1.440.157 383.860 888.666 3.282.375
€ € € € €
892.000 1.722.000 612.000 1.386.000 4.612.000
Bijkomende kosten
€ € € € €
3.574.400 9.465.000 2.442.400 5.547.200 21.029.000
Tabel 14: Overzicht indicatieve investeringskosten per fase.
Op de volgende pagina’s is het totaaloverzicht van de doorrekening voor termijnen 1 t/m 4 opgenomen.
Pagina 38 van 46
Totaaloverzicht Project
2024 - 2043 Gebouwmaatregel
Termijn 1
2024 - 2028
De Boogerd ('t Goy) Het Mozaïek (Tullen 't Waal) St. Michiel (Schalkwijk) De Bijenkorf De Zevensprong
Nieuwbouw Nieuwbouw Nieuwbouw Nieuwbouw Nieuwbouw
Termijn 2
2029 - 2033
t Schoolhuys De Triangel Het Mozaïek Wereldwijs College de Heemlanden
Nieuwbouw Nieuwbouw Nieuwbouw Nieuwbouw Nieuwbouw
Termijn 3
2034 - 2038
De Zonnewijzer Ridderspoor
Nieuwbouw Nieuwbouw
Termijn 4
2039 - 2043
De Plantage De Stek De Vlinder De Fontein
Nieuwbouw Nieuwbouw Nieuwbouw Nieuwbouw
Aantal lln.
Omvang [m2 bvo]
Oplevering
Kosten basiskwaliteit (gemeente)
Kosten energieneutraal Kosten aanvullende bouwen kwaliteit (schoolbesturen)
50 38 192 259 127
452 191 1166 1503 839
2027 2027 2027 2028 2028
€ € € € € €
1.824.000 772.000 4.709.000 5.718.000 3.388.000 16.411.000
€ € € € € €
62.000 26.000 161.000 204.000 116.000 569.000
€ € € € € €
99.000 42.000 256.000 311.000 184.000 892.000
€ € € € € €
397.000 168.000 1.025.000 1.247.000 738.000 3.575.000
190 92 292 255 1.206
1156 663 1669 1483 8119
2030 2030 2030 2033 2033
€ € € € € €
4.828.000 2.768.000 6.576.000 5.843.000 24.148.000 44.163.000
€ € € € € €
159.000 91.000 192.000 202.000 796.000 1.440.000
€ € € € € €
95.000 55.000 154.000 105.000 1.313.000 1.722.000
€ € € € € €
1.016.000 583.000 1.384.000 1.230.000 5.251.000 9.464.000
306 229
1739 1352
2037 2038
€ € €
6.073.000 5.143.000 11.216.000
€ € €
200.000 184.000 384.000
€ € €
331.000 281.000 612.000
€ € €
1.321.000 1.122.000 2.443.000
394 266 283 264
2182 1538 1623 1528
2040 2041 2043 2043
€ € € € €
7.619.000 5.852.000 6.177.000 5.813.000 25.461.000
€ € € € €
251.000 209.000 221.000 208.000 889.000
€ € € € €
414.000 319.000 336.000 317.000 1.386.000
€ € € € €
1.657.000 1.276.000 1.347.000 1.268.000 5.548.000
Totaal
€
97.251.000
€
3.282.000
€
4.612.000
€
21.030.000
Bijkomende kosten
Tabel 15: Overzicht investeringskosten per fase en per scenario.
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Pagina 39 van 46
6.5. De interpretatie van investeringskosten uit dit IHP
6.6. CO2-reductie
In het IHP en het daaropvolgende onderwijshuisvestingsbeleid zijn de kwaliteitsuitgangspunten taakstellend. Deze zijn in samenspraak tussen gemeente en schoolbesturen vastgesteld. De gemeente maakt zich hard voor deze kwaliteitsuitgangspunten, die zijn omschreven in de visie op onderwijshuisvesting (paragraaf 3.1 van dit IHP). Het IHP geeft vervolgens een doorkijk naar wat dit betekent voor de investeringskosten. Deze investeringskosten zijn gepresenteerd in de vorm van kengetallen en zijn indicatief. Het doel van het investeringskostenoverzicht in paragraaf 6.3 is om de gemeente en de schoolbesturen inzicht te geven in de financiële omvang van de opgave en hen te helpen bij de voorbereiding van deze opgave.
Op basis van het voorkeursscenario van het IHP Houten blijkt onderstaande reductie van CO2-emissies realiseerbaar. In 2030 is de streefwaarde 49% reductie in CO2-uitstoot ten opzichte van de uitstoot van 1990. In Houten wordt deze doelstelling op basis van het voorkeursscenario niet gehaald (verwachte behaalde reductie: 47% ten opzichte van 55%). De doelstelling om in 2050 een reductie van 95% te bereiken zal op basis van de beoogde maatregelen ook niet haalbaar zijn (bereikte reductie 92% ten opzichte van 95%).
Na afronding van het IHP worden voor de individuele projecten, op het moment dat deze actueel worden, haalbaarheidsonderzoeken uitgevoerd. In deze haalbaarheidsonderzoeken worden de investeringskosten opnieuw berekend, nu op basis van projectspecifieke kengetallen. In deze fase wordt immers duidelijk voor hoeveel leerlingen en hoeveel vierkante meters daadwerkelijk gebouwd wordt, op welke locatie, in hoeveel bouwlagen etc. Na het haalbaarheidsonderzoek zijn naast de kwaliteitsuitgangspunten uit het IHP ook de berekende investeringskosten taakstellend. Op basis hiervan wordt het krediet aangevraagd bij de gemeenteraad.
Bovenstaande conclusies dienen echter genuanceerd te worden. Gezien de klimaatdoelstelling uitgaan van referentiejaar 1990 en de gehanteerde gegevens uit 2022 komen zijn er diverse ontwikkelingen in de periode tussen 1990 en 2022 niet meegenomen in deze analyse. Gemeente Houten heeft in deze periode ca. 13 scholen ontwikkeld en vernieuwd. De verwachting is dat deze ontwikkelingen een positieve impact gehad hebben op de CO2-uitstoot gemeten in 1990 en daardoor dus ook een positieve impact hebben op de berekende totale CO2-reductie tot 2030 en 2050.
Vervolgens kan het project daadwerkelijk starten met de definitiefase en daarna de ontwerpfase. Het kan voorkomen dat op basis van investeringskostenramingen en/of aanbestedingen gedurende de realisatie van de opgave het taakstellend budget ontoereikend blijkt te zijn. In dit geval is het mogelijk om het benodigd budget te herijken en terug te gaan naar de gemeenteraad. Dit kan alleen wanneer duidelijk onderbouwd kan worden dat het taakstellend budget uit de haalbaarheidsstudie ontoereikend is om de taakstellende kwaliteitsuitgangspunten te realiseren.
Figuur 7: Verwachte CO2-reductie.
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Pagina 40 van 46
7. Vervolg IHP Bij de uitvoering van het IHP dient rekening gehouden te worden met een aantal processtappen en uitgangspunten.
7.1. Opstellen uitvoeringsprogramma en businesscases Na vaststelling van het IHP starten gemeente en schoolbesturen met het opstellen van een uitvoeringsprogramma. Dit programma bestaat uit drie hoofdonderdelen: 1. Afspraken programmaniveau: het inrichten van een organisatie en het maken van procesafspraken voor de realisatie van het uitvoeringsprogramma (1e termijn). Hierin worden onder andere de eisen aan de haalbaarheidsstudies vastgelegd, de methode van evaluatie en monitoring van projecten en de borging van kwaliteit en planning. Ook worden hierin afspraken gemaakt over de (financiële) uitgangspunten voor een haalbaarheidsstudie en het afgeven van kredieten door de gemeente. Ook kan er een uniforme wijze waarop gemeente en schoolbesturen samenwerken in de realisatie van projecten ontwikkeld worden. Daarbij worden gezamenlijke keuzes gemaakt over de mate van regie en autonomie van beide partijen, van initiatief- tot realisatiefase. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om het inbouwen van toets- en instemmingsmomenten voor de gemeente op het moment dat het schoolbestuur bouwheer is. 2.
Afspraken projectniveau: er wordt een programmering gemaakt voor de volgordelijkheid van projecten. Denk aan beschikbare locaties, tijdelijke huisvesting en het bundelen van projecten op onderdelen zoals businesscases, Programma’s van Eisen, techniek en/of aanbestedingen. Dit is een verdere uitwerking van paragraaf 6.4, overzicht investeringskosten schoolgebouwen.
Wanneer het uitvoeringsprogramma is vastgesteld kan worden gestart met de initiatieffase van projecten door haalbaarheidsonderzoeken uit te voeren. In de haalbaarheidsonderzoeken worden projecten geconcretiseerd en geactualiseerd. Dit is de fase voordat een project wordt opgestart. De haalbaarheidsonderzoeken hebben als doel om: • Definitieve leerlingenaantallen per project te bepalen. • Een definitieve keuze te maken tussen (ver)nieuwbouw of renovatie.
Referentie: 1727401-0060.1.0.
•
• •
• • •
Een businesscase inzichtelijk te krijgen met daarin de bekende investeringskosten en geïnventariseerde risico’s inclusief een raming van locatiegebonden en projectspecifieke kosten. De financiering van energieneutraliteit te concretiseren. Participatie en inspraak te organiseren voor doelgroepen als kinderopvang, maatschappelijke partners, leerlingen, docenten, ouders, bedrijven en omwonenden. Aandacht te besteden aan gebiedsontwikkeling en vergroening van de buitenruimten. De verantwoordelijkheid voor het bouwheerschap te bepalen. Een goed uitgangspunt te bieden om een Programma van Eisen op te starten.
Concreet dienen de volgende stappen te worden ondernomen naar aanleiding van het IHP: • Opstellen van het uitvoeringsprogramma als benoemd in deze paragraaf, binnen de gemeente ook bekend als huisvestingsprogramma. • Bespreken van stand van zaken rondom realisatie van het IHP in het OGOO. • Opstarten initiatieffase projecten voorfase en periode 0-5 jaar. • Opstarten definitiefase en Programma’s van Eisen. • Opstarten ontwerpfase. • Aanbesteding en realisatie. • Exploitatie- of gebruiksfase.
7.2. Actielijst vervolg IHP Op basis van het IHP dienen een aantal aspecten verder uitgewerkt en afgestemd te worden. Dat betreft: • Verduurzaming / Binnenmilieu: uitgangspunten onderzoek.
7.3. Risicoparagraaf Dit IHP is opgesteld onder de wet- en regelgeving zoals deze geldt op het moment van opstellen daarvan. Echter, wet- en regelgeving is onderhavig aan voortschrijdend inzicht; zo ook de wetgeving met betrekking tot het huisvestingsstelsel voor het funderend onderwijs in Nederland. Bij (substantiële) wijzigingen van bijvoorbeeld het genoemde stelsel, de Algemene Uitkeringen van het gemeentefonds, de wijze van bepalen van normbedragen, wijzigingen ten aanzien van Bouwbesluit, bouwkosten,
Pagina 41 van 46
energieakkoorden of enig andere substantiële ontwikkeling, kan het nodig zijn om dit IHP (op onderdelen) aan te passen aan de dan geldende realiteit en mogelijkheden.
7.4. Richting geven aan duurzaamheid en binnenklimaat Door vaststelling van het IHP krijgen schoolbesturen zicht op de vervangingstermijnen van hun gebouwen. Dit stelt schoolbesturen in staat om vanuit hun verantwoordelijkheid voor onderhoud en exploitatie te investeren in duurzaamheid en het binnenklimaat. Daarbij kan met name worden ingezet op duurzaamheidsmaatregelen waarbij de terugverdientijden de vervangingstermijn niet overschrijden. Zo gaan investeringen in duurzaamheid niet ten koste van middelen voor onderwijs. Ook kunnen schoolbesturen het binnenklimaat verbeteren. De tussentijdse verduurzaming en verbetering van schoolgebouwen is daarmee een verantwoordelijkheid van de schoolbesturen, dit kan worden verwerkt in de meerjarenonderhoudsplanning van de gebouwen. Voor onderzoek en aanpassing van het binnenmilieu heeft de gemeente formeel geen zorgplicht. Gemeente kiest ervoor een reservering op te nemen voor het uitvoeren van nadere onderzoeken ten behoeve van het binnenmilieu in een aantal gebouwen.
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Pagina 42 van 46
Bijlage I: Wettelijke en beleidskaders Dit hoofdstuk gaat in op de beleidskaders die gelden voor het IHP: de wettelijke taak van gemeente en schoolbesturen op het gebied van onderwijshuisvesting en relevante ontwikkelingen. Zorgplicht Gemeenten hebben op het gebied van onderwijshuisvesting de zogeheten zorgplicht. De onderwijswetgeving stelt dat een gemeente dient te voorzien in voldoende en adequate huisvesting voor het primair onderwijs (PO), (voortgezet) speciaal onderwijs ((V)SO) en voortgezet onderwijs (VO). De voorzieningen in de huisvesting waarvoor de gemeente verantwoordelijk is zijn vastgelegd in de wetgeving. Daarbij gaat het onder andere om (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding en herstel van constructiefouten. Het onderhoud (binnen- en buitenkant) en de exploitatie van schoolgebouwen is de verantwoordelijkheid van de schoolbesturen. Renovatie is (vooralsnog) niet wettelijk geregeld. Hetzelfde geldt voor vernieuwbouw. Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs De uitvoering van de zorgplicht wordt geregeld via een juridisch instrument, de verordening. Op grond van de Gemeentewet (artikel 149), de Wet op het primair onderwijs (artikel 102), de Wet op de expertisecentra (artikel 100) en de Wet op het voortgezet onderwijs (artikel 76) is de gemeenteraad verplicht bij verordening een regeling vast te stellen.
De verordening bevat de basis van het onderwijshuisvestingsbeleid en regelt uitgangspunten voor onder andere de voorzieningen die schoolbesturen jaarlijks kunnen aanvragen bij een gemeente, criteria voor het toetsen van deze aanvragen en procedurele afspraken. Eigendom Schoolbesturen hebben het (juridisch) eigendom van een schoolgebouw met de daarbij behorende ondergrond. Dit houdt in dat een schoolbestuur als eigenaar van een schoolgebouw en ondergrond juridisch aansprakelijk is. Wanneer een schoolbestuur geen gebruik meer maakt van het gebouw valt het gebouw om niet terug in het juridisch eigendom van de gemeente. De reden hiervoor is dat de gemeente het gebouw en de ondergrond heeft bekostigd. De gemeente heeft dus het economisch claimrecht. Schoolbesturen kunnen vanwege hun positie een gedeelte van het gebouw in
Referentie: 1727401-0060.1.0.
medegebruik (voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden) geven aan instellingen die uit de openbare kas worden bekostigd met een ideëel doel. Verhuren is mogelijk als de gemeente daar, met inachtneming van de verordening, voorafgaand toestemming voor geeft. Kinderopvang Op 1 januari 2018 is de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk in werking getreden. Daarbij zijn kinderopvang en peuterspeelzalen geharmoniseerd, waardoor men tegenwoordig spreekt van peuteropvang. Voor de peuteropvang is daarbij een landelijk kwaliteitskader ingevoerd dat grotendeels gelijk is aan de kinderopvang. De GGD is aangesteld als toezichthouder op de kwaliteit voor zowel de kinderopvang als peuterspeelzalen. Daarnaast is er met de invoering van de Wet OKE voor gemeenten een verplichting gekomen om voldoende aanbod vroeg- en voorschoolse educatie (VVE) te realiseren, waarbij de financiële drempels voor ouders van doelgroepkinderen zo laag mogelijk moeten zijn. Huidig stelsel De huidige rolverdeling (waarbij gemeenten verantwoordelijk zijn voor nieuwbouw en schoolbesturen verantwoordelijk zijn voor onderhoud, aanpassing en exploitatie) vertoont tekortkomingen. Het stelsel biedt beide partijen theoretisch de mogelijkheid om de eigen uitgaven te beperken.
Gemeenten kunnen eigen uitgaven beperken door relatief goedkope gebouwen neer te zetten, met als gevolg hoge onderhouds- en exploitatiekosten. Schoolbesturen kunnen de eigen uitgaven beperken door weinig te investeren in onderhoud en eerder nieuwbouw aan te vragen bij de gemeente. Daarbij komt dat een aantal zaken, zoals bekostiging als gevolg van aangescherpte eisen in het Bouwbesluit en maatschappelijk wenselijke voorzieningen waaronder op het gebied van duurzaamheid, en de voorziening renovatie/vernieuwbouw niet geregeld zijn. Wetsvoorstel stelselwijziging Op 15 december 2016 hebben de PO-raad, de VO-raad en de VNG een gezamenlijk voorstel gestuurd aan toenmalig staatssecretaris Sander Dekker om de tekortkomingen in het huidige stelsel voor onderwijshuisvesting op te lossen. Het uitgangspunt van dit voorstel is dat gemeenten en schoolbesturen een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor de (kwaliteit van de) huisvesting van scholen. Op 9 mei 2018 is het verder uitgewerkte voorstel gepubliceerd door PO-raad, VO-raad en VNG. Inmiddels is het
Pagina 43 van 46
voorstel ook formeel door de VNG goedgekeurd. Het voorstel is in 2018 formeel aan de minister aangeboden. Het voorstel pleit voor aanpassing van het stelsel om een aantal van de geconstateerde tekortkomingen op te heffen. Daarbij worden de nadelen van de scheiding van de financiële middelen zoveel mogelijk opgeheven. Gemeenten en schoolbesturen komen in een meer gelijkwaardige positie ten opzichte van elkaar. Belangrijke elementen uit het voorstel zijn: • De in de wet beschreven jaarcyclus voor aanvragen onderwijshuisvesting wordt vervangen door een langere periode, waarin gemeenten na overleg met betrokken schoolbesturen het huisvestingsbeleid en het investeringsprogramma voor een periode van 4 jaar vastleggen in een meerjarenprogramma (IHP), met een doorkijk tot ten minste het 16e jaar. • De mogelijkheid om renovatie als volwaardig alternatief voor vervangende nieuwbouw in te kunnen zetten. Renovatie moet worden opgenomen als voorziening in de wet. Renovatie dient daarbij te leiden tot een startsituatie (of startconditie) die in functioneel en kwalitatief opzicht gelijkwaardig is aan nieuwbouw en gericht is op levensduurverlenging van ten minste 25 jaar. • Het investeringsverbod voor het PO en (V)SO wordt zodanig aangepast dat het overeenkomt met de betreffende bepalingen uit de Wet op het voortgezet onderwijs.
PO- en (V)SO-besturen krijgen daarmee de mogelijkheid om in huisvesting te investeren. • De concretisering van het Huisvestingsvoorstel van de sectorraden en de VNG gaat uit van het handhaven van de huidige financieringsstromen. Aanvullend kan de versoepeling van het investeringsverbod leiden tot een gezamenlijke financiering die de kwaliteit van onderwijshuisvesting kan vergroten dan wel het moment van investeren kan vervroegen.
doorrekening richt zich enerzijds op de effectiviteit van mogelijke scenario’s op de totale reductie van gebouwgebonden CO2-productie en anderzijds op de kosteneffectiviteit van de verschillende maatregelen die op de gebouwenvoorraad kunnen worden toegepast. Op het gebied van de te behalen doelstellingen is de opdracht aan de sectoren om: • Te komen tot een gebouwgebonden CO2-reductie van 49% in 2030 ten opzichte van de situatie in 1990. • Te komen tot een gebouwgebonden CO2-reductie van 95% in 2050 ten opzichte van de situatie in 1990. Naast de doelstellingen op het gebied van CO2-reductie, hebben de beide sectorraden daaraan toegevoegd dat een duurzaam schoolgebouw een schoolgebouw is dat optimaal ten dienste staat van het onderwijs dat erin aangeboden wordt. Een goed binnenklimaat resulteert in een hoger leerrendement en minder ziekteverzuim. Een schoolgebouw is daarmee niet alleen duurzaam voor wat betreft de CO2-uitstoot of het energieverbruik; het is een gebouw dat aansluit bij de onderwijskundige visie van de school, past bij het aantal leerlingen en toekomstbestendig is bij veranderingen. De doelstellingen zijn als volgt: Doelstelling CO2-reductie 2030 CO2-productie 2030 CO2-reductie 2050 CO2-productie 2050
Referentiejaar 1990 49,0% 51,0% 95,0% 5,0%
Vooruitlopend op de kaders van de vigerende wetgeving streeft de gemeente Houten ernaar mee te gaan met deze ontwikkeling. Ontwikkeling klimaatakkoord In het klimaatakkoord is vastgelegd dat de PO-raad en de VO-raad sectorale routekaarten, behorende bij de klimaatopgave, dienen door te rekenen naar een CO2arme gebouwenvoorraad. HEVO heeft deze doorrekening uitgevoerd. Deze
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Pagina 44 van 46
Bijlage II: Energieprestaties
Bijlage III: Kwaliteitsadvies Frisse Scholen
Onderstaand de verschillende definities van energieprestaties van gebouwen: BENG (bijna energieneutraal gebouw) Bij een BENG-gebouw worden gebouwgebonden energieverbruik en energieopwekking met elkaar vergeleken. Een BENG-gebouw kent een hoger energieverbruik in verhouding tot de energieopwekking. Door de toepassing van de norm NTA8800 wordt getoetst of het gebouw voldoet aan wetgeving voor BENG, die vanaf 1 januari 2021 wettelijk verplicht is. ENG (energieneutraal gebouw) Het gebouw heeft een EPC volgens NEN 7120 van nul. Alleen het gebouwgebonden energieverbruik op jaarbasis telt mee en is nul8. NOM (Nul op de Meter) Om een NOM-gebouw te realiseren moet er naast de energie die benodigd is voor de gebouwgebonden installaties ook gekeken worden naar het algemeen energieverbruik door de gebruikers. Bij een NOM-gebouw zijn het totale energieverbruik en energieopwekking in balans. Door verschillen in de kosten voor inkoop van energie en vergoeding voor teruglevering aan het net kent een NOM-gebouw alsnog kosten voor energie. Klimaatneutraal Klimaatneutraal wil zeggen dat bepaalde activiteiten (al dan niet binnen een bepaald gebied of op een bepaalde plek) geen positief of negatief effect hebben op het klimaat.
Het begrip ‘klimaatneutraal’ wordt vooral gebruikt om aan te geven dat bepaalde activiteiten geen negatief effect hebben op het klimaat, waarmee men wil zeggen: geen emissie van CO2 en andere broeikasgassen9.
8
https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wetten-en-regels/algemenebegrippen 9 https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wetten-en-regels/algemenebegrippen
Colofon Referentie: 1727401-0060.1.0.
Uitgave: Datum:
HEVO B.V. 3 mei 2024
Pagina 45 van 46
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Pagina 46 van 46