Bijlage 1 - Integraal Huisvestingsplan Onderwijs 2024 - 2043
Tekst van het document
Integraal Huisvestingsplan 2024 2043 (Definitief) Gemeente Houten
Opdrachtgever Gemeente Houten
Datum 3 mei 2024
Referentie 1727401-0060.1.0
Auteur(s) Luuk Binder - HEVO B.V. Michel Drenth - HEVO B.V.
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
Statenlaan 8
5223 LA 's-Hertogenbosch
T 073 - 6 409 409
info@hevo.nl
KvK Brabant 16029774
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
Burg. Roelenweg 40
8021 EW Zwolle
T 038 - 4 258 101
ISO 9001-gecertificeerd
BTW 0011.60.461.B01
Inhoudsopgave 1. 1.1. 1.2. 1.3. 1.4. 1.5.
Inleiding Landelijke Context Uitdagingen voor Houten Doelstelling Aanpak Leeswijzer
3 3 4 4 5 5
2. 2.1. 2.2. 2.3.
Onderwijslandschap gemeente Houten Primair onderwijs Voortgezet onderwijs (Voortgezet) speciaal onderwijs/speciaal basisonderwijs
6 6 6 6
3. 3.1. 3.2. 3.3. 3.4. 3.5. 3.6.
Visie en beleidsambities Visie op onderwijs in 2043 Bouwsteen 1: Beleid & Regie Bouwsteen 2: Vraag & Aanbod Bouwsteen 3: Kwaliteit & Duurzaamheid Bouwsteen 4: Samenwerking Bouwsteen 5: Medegebruik / Verhuurbeleid bij IKC’s
7 7 8 9 10 12 13
4. 4.1. 4.2. 4.3.
Methodiek Capaciteitsanalyse Quickscans CO2-analyse
16 16 16 17
5. 5.1. 5.2. 5.3. 5.3.1 5.3.2 5.3.3 5.3.4
Analyse en opgaven Leerlingenprognose Quickscanscores Bewegingsonderwijs Bewegingsonderwijs in het primair onderwijs (PO) Bewegingsonderwijs in het voortgezet onderwijs (VO) Bewegingsonderwijs in het (V)SO en SBO Totale behoefte voorzieningen voor bewegingsonderwijs
18 18 18 20 20 20 20 21
Referentie: 1727401-0060.1.0.
5.3.5 5.4. 5.4.1 5.4.2 5.4.3 5.4.4 5.4.5
Beschikbare capaciteit bewegingsonderwijs Houten Scholenlandschap Noordoost Zuidoost Zuidwest Noordwest Kernen
21 23 24 26 28 30 32
6. 6.1. 6.2. 6.3. 6.4. 6.5. 6.6.
Financiële vertaling en CO2-reductie Gewenste kwaliteit Total Cost of Ownership Uitgangspunten financiële vertaling onderwijs Overzicht investeringskosten schoolgebouwen De interpretatie van investeringskosten uit dit IHP CO2-reductie
34 34 35 38 38 40 40
7. 7.1. 7.2. 7.3. 7.4.
Vervolg IHP Opstellen uitvoeringsprogramma en businesscases Actielijst vervolg IHP Risicoparagraaf Richting geven aan duurzaamheid en binnenklimaat
41 41 41 41 42
Bijlage I: Wettelijke en beleidskaders
43
Bijlage II: Energieprestaties
45
Bijlage III: Kwaliteitsadvies Frisse Scholen
45
Pagina 2 van 46
1. Inleiding De gemeente Houten heeft samen met de schoolbesturen voorliggend Integraal Huisvestingsplan (IHP) opgesteld voor de onderwijshuisvesting van het primair onderwijs (PO), Voorgezet Onderwijs (VO) en Voortgezet Speciaal Onderwijs (VSO) en het Speciaal Basis Onderwijs (SBO). In dit plan worden de kaders bepaald waarbinnen de gemeente Houten de schoolbesturen samenwerken aan goede, toekomstbestendige onderwijshuisvesting. Goede onderwijshuisvesting is immers een randvoorwaarde voor goed onderwijs. De noodzaak tot samenwerking komt primair voort uit de gedeelde verantwoordelijkheid voor onderwijshuisvesting: de gemeente heeft een zorgplicht voor onderwijshuisvesting voor onder andere nieuwbouw en uitbreiding en schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor onderhoud en exploitatie. In dit IHP worden beide verantwoordelijkheden op elkaar afgestemd.
1.1. Landelijke Context Op landelijk niveau krijgt onderwijshuisvesting meer en meer aandacht. In het rapport van de Rijksbouwmeester uit 20091 werd reeds geconstateerd dat de gebouwenvoorraad in het funderend onderwijs sterk verouderd is, vaak een slecht binnenklimaat heeft en niet duurzaam is. In 2011 concludeerde ook het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat het binnenmilieu in de scholen vaak onder de maat is: uit verschillende onderzoeken kwam naar voren dat de CO2-concentraties in Nederlandse scholen vaak te hoog zijn. In 2016 concludeerde de Algemene Rekenkamer2 daarnaast dat het tempo waarin schoolgebouwen worden vervangen te laag is: schoolgebouwen staan gemiddeld 69 jaar voordat ze vervangen worden. In het onderzoek van de Algemene Rekenkamer is ook de tevredenheid van leraren over hun schoolgebouwen onderzocht. Leraren bleken ontevreden te zijn over een aantal aspecten van de huisvesting: zij vonden vooral de temperatuur en de luchtkwaliteit onvoldoende. Ook gaf een meerderheid van de ondervraagde leraren aan dat het schoolgebouw geverfd, opgeknapt of gerepareerd moet worden.
Ook in het onderzoek uit 2020 door McKinsey3 naar de algemene staat van het onderwijs in Nederland wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan de onderwijshuisvesting; gemeenten geven ondanks hogere eisen en gestegen bouwkosten nog een vergelijkbaar bedrag uit aan onderwijshuisvesting als in 2009. Tegelijkertijd stellen de sectorale routekaarten voor het klimaatakkoord hoge eisen aan de duurzaamheid en het tempo van de uitvoering van de vervangingsopgave4: de uitgaven moeten verdubbelen van circa € 21 miljard bij ongewijzigd beleid naar circa € 42 miljard. Daarnaast heeft binnenklimaat de laatste jaren ook veel aandacht gegenereerd. De coronapandemie heeft duidelijk gemaakt dat luchtkwaliteit en een goed binnenmilieu belangrijke onderdelen zijn van goede huisvesting. De noodzaak tot ‘Frisse Scholen’ en voldoende ventileren heeft dan ook topprioriteit binnen de schoolgebouwen. Mede door de coronapandemie is ook het onderwerp van gezonde gebouwen in een stroomversnelling terechtgekomen. Zo is de realisatie van gezonde scholen met een groen plein eromheen van steeds groter belang om bewegend leren te stimuleren. Recentelijk heeft er op landelijk niveau ook nog een Interdepartementaal Beleidsonderzoek5 plaatsgevonden waarin, los van de opgave, er ook forse kritiek is geuit op het functioneren van het stelsel.
Die kritiek bestond uit de volgende punten: er zijn geen eenduidige eisen voor onderwijshuisvesting, er is een gebrek aan koppeling tussen bouwkosten en budgetten, er is onvoldoende expertise bij schoolbesturen en gemeenten en het ontbreekt aan een gesloten beleidscyclus door met name een gebrek aan toezicht, monitoring en evaluatie.
Een verstevigd fundament voor iedereen, McKinsey (2020) Sectorale routekaart voor verduurzaming van schoolgebouwen in het primair en voortgezet onderwijs, PO-raad, VO-raad en VN 5 IBO Onderwijshuisvesting funderend onderwijs, Een vak apart - Een toekomstbestendig onderwijshuisvestingsstelsel (2021) 3 4
1 Rapport ‘Gezond en goed. Scholenbouw in topconditie’, Rijksbouwmeester, Den Haag, 2009 2
Schoolgebouwen primair en voortgezet onderwijs: de praktijk gecheckt, Algemene Rekenkamer (2016)
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Pagina 3 van 46
1.2. Uitdagingen voor Houten
1.3. Doelstelling
Deze uitdagingen op het gebied van onderwijshuisvesting gelden deels ook voor Houten. Alhoewel uit de bouwjaren is af te lezen dat Houten ten opzichte van het landelijke beeld een relatief jong gebouwenbestand heeft, zijn er een aantal locaties die ouder zijn dan 40 jaar, of de komende 10 jaar die leeftijd bereiken. Daarnaast is een deel van de bestaande schoolgebouwen nog niet volledig duurzaam (bijna energieneutraal of energieneutraal) of nog niet ‘fris’ (optimaal binnenklimaat).
Het IHP bepaalt op basis van visie, gerichte analyse, opgave-ontwikkeling en financiële vertaling de kaders waarbinnen de gemeente Houten, samen met de schoolbesturen, investeert in de onderwijshuisvesting.
Verder wensen de gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties nog verder invulling te geven aan de samenwerking tussen kinderopvang en basisscholen in hetzelfde gebouw. Alleen met door samenwerking tussen gemeente en schoolbesturen kunnen deze uitdagingen in de komende jaren worden aangegaan en kunnen met de beschikbare middelen de beste keuzes worden gemaakt. Daarbij staan bij het opstellen van dit IHP steeds de Houtense kinderen centraal; zij hebben recht op goed onderwijs in goede schoolgebouwen!
Figuur 1: Vernieuwingsopgave onderwijshuisvesting landelijk versus Houten.
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Een strategisch IHP stelt gemeente en schoolbesturen in staat om op korte en lange termijn toekomstbestendige keuzes te maken en een proactief (investerings)beleid te voeren. Het IHP geeft voor de eerste vijf jaar (2024-2028) concreet aan wat de opgave is en geeft een doorkijk voor de langere termijn van 20 jaar (2024-2043). In aanvulling op de werkwijze (uitsluitend) op basis van de verordening, voegt het IHP een proactief onderwijshuisvestingsbeleid toe. In formele zin laat de gemeente hiermee zien op welke wijze zij haar zorgplicht, op grond van de taak die zij heeft in het voorzien van huisvesting voor het funderend onderwijs, wenst in te vullen (zie bijlage I voor extra informatie over de beleidskaders op het gebied van onderwijshuisvesting). Het IHP: • Stelt de gemeente en schoolbesturen in staat om op korte en lange termijn strategische keuzes te maken en proactief beleid te voeren. • Biedt een meerjarenperspectief waarop het eigen (investerings)beleid van de schoolbesturen kan worden afgestemd. • Vormt het beleidskader voor het onderwijshuisvestingsbeleid voor de periode 20242043. Het IHP wordt elke 5 jaar herijkt, zodat het beleidskader blijft aansluiten bij de vragen en behoeften van dat moment. De eerste termijn van het IHP omvat een periode van 5 jaar. Dit IHP is opgesteld onder de wet- en regelgeving zoals deze geldt op het moment van het opstellen daarvan.
Echter, wet- en regelgeving is onderhavig aan voortschrijdend inzicht; zo ook de wetgeving met betrekking tot het huisvestingsstelsel voor het funderend onderwijs in Nederland. Bij (substantiële) wijzigingen van bijvoorbeeld het genoemde stelsel, de Algemene Uitkeringen van het gemeentefonds, de wijze van bepalen van normbedragen, wijzigingen ten aanzien van Bouwbesluit, energieakkoorden of enig andere substantiële ontwikkeling, kan het nodig zijn om dit IHP (op onderdelen) aan te passen aan de dan geldende realiteit en mogelijkheden.
Pagina 4 van 46
1.4. Aanpak Het IHP is samen met gemeente en schoolbesturen ontwikkeld. Daarbij zijn gezamenlijk de volgende stappen doorlopen: • Stap 1: om te komen tot een gezamenlijke visie zijn in diverse bijeenkomsten met de schoolbesturen en gemeente ambities gedefinieerd en wensen geïnventariseerd. • Stap 2: het gebouwenbestand van de onderwijshuisvesting in de gemeente Houten is door middel van quickscans in beeld gebracht. Er zijn een capaciteitsanalyse en een kwaliteitsanalyse uitgevoerd. Deze zijn met de partijen gedeeld en vastgesteld. • Stap 3: op basis van de quickscans en aanvullende afwegingscriteria gebaseerd op de visie zijn opgaven geformuleerd. • Stap 4: op basis van de opgaven is een financiële vertaling gemaakt. Vervolgens zijn de fasering én de financiering van de realisatie van de visie en de opgave bepaald. • Stap 5: de vier deelproducten zijn samengebracht tot een Integraal Huisvestingsplan 2024-2043.
1.5. Leeswijzer Na dit eerste inleidende hoofdstuk beschrijft hoofdstuk 2 het onderwijslandschap van de gemeente Houten. Hoofdstuk 3 gaat in op de visie en beleidsambities. Hoofdstuk 4 introduceert de gehanteerde methoden voor de analyse en opgave-ontwikkeling die in hoofdstuk 5 worden gepresenteerd. Hoofdstuk 6 voorziet de opgaven uit hoofdstuk 5 van financiële uitgangspunten en een financiële vertaling. In hoofdstuk 7 zijn een aantal processtappen en uitgangspunten vermeld waar rekening mee dient te worden gehouden bij de uitvoering van het IHP.
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Pagina 5 van 46
2.2. Voortgezet onderwijs
2. Onderwijslandschap gemeente Houten Dit hoofdstuk biedt inzicht in het onderwijsaanbod in de gemeente Houten. Het gaat hier om het PO, VO, (V)SO en SBO. Het aanbod van de verschillende soorten onderwijs wordt in dit hoofdstuk ingedeeld als volgt: • Primair onderwijs. • Voortgezet onderwijs. • Speciaal onderwijs.
Het VO in de gemeente Houten wordt aangeboden door één schoolbestuur: De HIJN Scholengroep. De HIJN Scholengroep biedt onderwijs aan 2.036 leerlingen (Pronexus 2022), verdeeld over 2 schoollocaties. Schoolbestuur
Sector
Denominatie
HIJN Scholengroep
VO
-
Aantal scholen
Aantal leerlingen
%
2
2036
100%
2036
100%
Tabel 2: Overzicht onderwijslandschap Houten VO.
2.1. Primair onderwijs De scholen in de gemeente Houten in het primair onderwijs verschillen onderling van denominatie, omvang en onderwijsconcept. Het PO in de gemeente wordt verzorgd door een zestal schoolbesturen. Deze bieden basisonderwijs volgens bijvoorbeeld het leerstofjaarklassensysteem, daltononderwijs, unit-onderwijs of montessorionderwijs. De schoolbesturen bieden onderwijs aan 4.964 leerlingen (Pronexus 2022), verdeeld over 21* schoollocaties. Naast Houten biedt het PO ook onderwijs aan in de kernen ’t Goy, Tull en ’t Waal en Schalkwijk. Schoolbestuur
Sector
Denominatie
Aantal scholen
Aantal leerlingen
%
Fectio
PO
Rooms Kath.
8
1730
35%
Educatis
PO
Ref.
1
230
5%
Stichting Openbaar Onderwijs Houten
PO
Openbaar
5
1580
32%
Fluenta
PO
Prot. Chr.
5
1057
21%
LEV-WN
PO
Geref.
1
92
2%
Stichting Montessori Onderwijs Houten
PO
Montessori
1
275
6%
21*
4964
100%
2.3. (Voortgezet) speciaal onderwijs/speciaal basisonderwijs Het (V)SO en SBO in de gemeente Houten wordt aangeboden door schoolbestuur: Stichting Gewoon Speciaal Onderwijs. Dit schoolbestuur biedt onderwijs aan 375 leerlingen van binnen en buiten de gemeente (Pronexus 2022. Het gaat om zowel basisschoolleerlingen (4-12 jaar) als om leerlingen met een leeftijd voor het voortgezet onderwijs (12-20 jaar). Schoolbestuur
Sector
Denominatie
Stichting Gewoon Speciaal Onderwijs
SBO/VSO
Speciaal
Aantal scholen
Aantal leerlingen
%
2
375
100%
375
100%
Tabel 3: Overzicht onderwijslandschap Houten (V)SO, SBO.
Tabel 1: Overzicht onderwijslandschap Houten PO. Het aantal scholen is incl. dislocaties. *De Velduil (Stichting Openbaar Onderwijs Houten) wordt na oplevering van de nieuwe locatie afgestoten. Het totaal aantal scholen voor dit schoolbestuur komt daarmee op 4.
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Pagina 6 van 46
3. Visie en beleidsambities De gemeente, de schoolbesturen en kinderopvangorganisaties streven gezamenlijk naar toekomstbestendig onderwijs. Het doel is om kinderen in de gemeente de best mogelijke kansen te bieden in hun ontwikkeling en voor te bereiden op hun toekomst. Daarbij is het van belang dat het onderwijsaanbod toegankelijk, divers en goed gespreid is en aansluit op de vraag van de maatschappij. Dit hoofdstuk behandelt de visie op onderwijs en onderwijshuisvesting en de beleidsambities van dit IHP. Na de visie worden de beleidsambities van de gemeente en de schoolbesturen benoemd.
3.1. Visie op onderwijs in 2043 Met de gemeente en de schoolbesturen is een visie op het onderwijs in 2043 geformuleerd. Dit is de einddatum van dit IHP en biedt een stip op de horizon waar naar toe wordt gewerkt. “Samen Bouwen aan een Toekomst vol Kansen” In de gemeente Houten, streven we naar een onderwijssysteem dat in 2043 niet alleen de cognitieve ontwikkeling van kinderen bevordert, maar ook volop aandacht schenkt aan hun motorische, sociaal-emotionele, en creatieve ontwikkeling. Wij geloven dat dit cruciaal is om onze jeugd voor te bereiden op een complexe en steeds veranderende wereld. Naast academische vaardigheden is er ook ruimte voor sport, kunst, en andere maatschappelijke thema’s. Er zijn diverse programma’s en samenwerkingen tussen onderwijs, kinderopvang, sportverenigingen, culturele instellingen die op elkaar zijn afgestemd en elkaar versterken. Hier liggen ook kansen voor het verminderen van het lerarentekort. In 2043 zal ons onderwijssysteem nog steeds divers zijn, waarin verschillende onderwijsvormen beschikbaar zijn om aan de unieke behoeften van ieder kind te voldoen. Dit onderwijsaanbod wordt door alle partners die betrokken zijn bij de ontwikkeling van kinderen op elkaar afgestemd. De ontwikkeling van kinderen wordt bovendien zo vroeg mogelijk gestimuleerd; de integratie van kinderopvang en onderwijs is vanzelfsprekend.
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Ons vergezicht voor 2043 omvat een onderwijslandschap met diverse keuzemogelijkheden en naadloze doorgaande leerlijnen van 0 tot 18 jaar. Om dit te bereiken, zullen kinderopvang, primair- en voortgezet onderwijs nog nauwer gaan samenwerken. Overgangen worden minder hard. Kinderen krijgen ook op late leeftijd nog volop kansen om zichzelf op een hoger niveau te gaan ontwikkelen. We streven hiervoor mogelijk zelfs naar een geïntegreerde Campus voor Voortgezet Onderwijs, waar alle onderwijsniveaus worden aangeboden onder één dak. In 2043 is het Speciaal Onderwijs zo veel mogelijk geïntegreerd in ons reguliere onderwijs. We geloven dat elk kind recht heeft op onderwijs dat is afgestemd op zijn of haar behoeften. In plaats van het kind naar de zorg te brengen, willen we de zorg naar het kind brengen. Dit betekent dat we in ons inclusieve systeem ondersteuning bieden aan kinderen met speciale behoeften, zodat ze zich zo veel mogelijk kunnen ontwikkelen in een reguliere omgeving. Dit bevordert begrip, tolerantie, en wederzijds respect onder alle leerlingen. Een dergelijke opgave is complex. Er dient gekeken te worden naar het benodigde aanbod aan speciaal onderwijs, de bijbehorende ruimtebehoefte en specifiek naar wat er wordt geregeld voor de leerlingen die niet de maatschappij in kunnen.
Dit is niet alleen een opgave voor het onderwijs en de gemeente, dit vergt ook samenwerking met andere partners om de arbeidstoeleiding zo goed mogelijk te faciliteren. Dit vraagt om nauwe afstemming met zorgpartners in de gemeente. De onderwijshuisvesting sluit in 2043 aan op deze ambities. Scholen zijn het middelpunt in de wijk en bieden een thuis aan de gemeenschap. Als belangrijke leefomgeving voor kinderen, leraren en alle andere gebruikers zijn het energieneutrale, gezonde en circulaire gebouwen. Ze inspireren toekomstige generaties en bestaande bewoners op het gebied van duurzaamheid. In 2043 staan het onderwijssysteem én de onderwijsgebouwen in Houten voor ontwikkeling, diversiteit, samenwerking, inclusiviteit en duurzaamheid. We geven ieder kind de kans om zijn of haar volledige potentieel te bereiken. Zo bouwen we aan een toekomst vol mogelijkheden voor kinderen en onze gemeente. De visie op onderwijshuisvesting van de gemeente en de schoolbesturen stelt ook eisen aan de onderwijshuisvesting. Veranderingen in onderwijsvisies, -concepten en samenwerking maakt dat er steeds meer flexibiliteit wordt gevraagd van onderwijs-
Pagina 7 van 46
gebouwen. Bovendien leidt de maatschappelijke noodzaak om te verduurzamen tot hogere prestatie-eisen. Daarbij gaat duurzaamheid voor de gemeente en de schoolbesturen zeker niet alleen over energie en CO2-besparing, maar ook over een integrale visie op duurzaamheid waarbij gezondheid en functionaliteit een rol spelen. Tegelijkertijd ligt er een behoorlijke financiële en organisatorische uitdaging bij de realisatie van de plannen uit het IHP. Het traject om te komen van initiatieffase tot realisatie van onderwijshuisvesting is kostbaar en complex en vraagt veel van de gemeente en de schoolbesturen. Samenwerking is het sleutelwoord. De gemeente en de schoolbesturen hebben deze algemene visie verder geconcretiseerd in vijf thema’s die zijn verankerd in bouwstenen voor beleid: 1. Beleid & Regie. 2. Vraag & Aanbod 3. Kwaliteit & Duurzaamheid. 4. Samenwerking. 5. Medegebruik & Verhuur.
deze regie plaats. De vigerende wet en regelgeving wordt verder toegelicht in hoofdstuk 2: Juridische Kaders. 2.
Het IHP is in lijn met het voorstel van PO-raad, VO-raad en VNG om IHP’s in de wetgeving te verankeren. In de geest van de nieuwe wet wordt het IHP vastgesteld als korte- en langetermijnplan waar gemeente en schoolbesturen zich aan committeren. Schoolbesturen en gemeente spreken af enkel af te wijken van de afspraken in het IHP als daar een zwaarwegende motivatie onder ligt.
3.
Vaststelling en looptijd van het IHP. Het IHP komt tot stand in een apart project met de schoolbesturen en kinderopvangorganisaties. Het OOGO, het College van Burgemeesters en Wethouders en de Raad stellen het IHP vast voor de eerste vijf jaar met een doorkijk tot aan 2043. Het IHP wordt na vier jaar herijkt. Het actualiseren van het IHP duurt immers ca. een jaar.
4.
Het IHP is het investeringskader voor de onderwijshuisvesting en geeft voor de komende 20 jaar een indicatie van benodigde investeringen. Tevens wordt de prioritering van de projecten opgenomen. De Raad stelt de prioritering en planning vast. Er wordt rekening gehouden in de gemeentelijke begroting met het financieren van de projecten in de eerste 5 jaar (het uitvoeringsprogramma, zie punt 7). Hiermee staat de programmering voor termijn 1 vast. Elk jaar wordt de gemeentebegroting aangevuld met één jaar (tot een maximum van 5 jaar). Op deze wijze wordt ook termijn 2 stapsgewijs toegevoegd aan de begroting. In de basis wordt niet afgeweken van de overeengekomen prioritering en planning. Alleen in overleg met de schoolbesturen kan een wijziging van de plannen doorgevoerd worden na de eerste termijn, bijvoorbeeld bij de actualisatie van het IHP.
5.
Het IHP vervangt voor de eerste vijf jaar de aanvraagprocedure voor nieuwbouw en overige voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen (artikel 2.a lid 1 t/m lid 8 van de verordening). Aanvragen voortkomend uit het IHP worden impliciet geacht een aanvraag te zijn op grond van de verordening. Dit wordt ook op deze wijze in de verordening vastgelegd. Uitzonderingen zijn de nieuwbouw voor een nieuw te stichten school, kosten voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair (artikel 2.a lid 1, lid 6 en lid 7 van de verordening).
Het zijn beleidsuitgangspunten op verschillende thema’s. De visie vormt samen met de bouwstenen een belangrijke basis voor het IHP. Het IHP is erop gericht om, binnen de randvoorwaarden van de gemeente (financieel, ruimtelijk en organisatorisch) en schoolbesturen (onderwijsinhoudelijk, financieel, organisatorisch), deze uitgangspunten zoveel als mogelijk te realiseren. De bouwstenen geven richting aan het IHP en daarmee kan er worden gestuurd op een toekomstbestendig onderwijslandschap.
3.2. Bouwsteen 1: Beleid & Regie Deze bouwsteen geeft aan hoe gemeente en schoolbesturen met elkaar samenwerken op het gebied van onderwijshuisvesting. Het zegt iets over het beleid dat zij willen vastleggen in het Integraal Huisvestingsplan en hoe ze hier uitvoering aan willen geven. Alle onderstaande onderdelen hebben te maken met de status van het IHP. 1.
De gemeente en de schoolbesturen voeren samen de regie op schoolgebouwen. Gemeenten zijn onder andere verantwoordelijk voor nieuwbouw en uitbreidingen. De schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor het onderhoud en de exploitatie van schoolgebouwen. De schoolbesturen voeren de regie op het onderwijsaanbod en de diversiteit daarvan. In het OOGO vindt de afstemming van
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Pagina 8 van 46
6.
7.
8.
9.
Voor spoedaanvragen of andere zaken die buiten het IHP vallen door onvoorziene omstandigheden (zoals constructiefouten of onvoorziene tijdelijke huisvesting) blijft de aanvraagprocedure van kracht. Op dergelijke onvoorziene omstandigheden na, is de afspraak dat er geen gebruik wordt gemaakt van de route via de verordening. Gemeenten en schoolbesturen zullen in overleg bepalen of een situatie een spoedaanvraag vereist. Na vaststelling van het IHP wordt een uitvoeringsprogramma opgesteld voor een termijn van vijf jaar. In het uitvoeringsprogramma worden afspraken gemaakt over de samenwerking op programma- en projectniveau. Binnen deze afspraken worden ook de organisatorische aspecten van een dergelijk opgave besproken. Belangrijk is dat er concrete afspraken gemaakt worden t.b.v. het in gesprek blijven met elkaar om zodoende te leren van elkaars processen en onderzoeken. In het uitvoeringsprogramma worden volgens jaarprogramma’s projecten nader geconcretiseerd. Per project verleent de Raad definitief het krediet. Zodra het project actueel wordt zal het project getoetst worden aan de gehanteerde randvoorwaarden uit het IHP. Een dergelijke toets wordt vaak gedaan middels een haalbaarheidsstudie, ook wel businesscase genoemd. Vervolgens worden de randvoorwaarden uit het IHP indien nodig geactualiseerd en wordt het definitieve krediet bij de raad aangevraagd.
Er kan een budgettaire afwijking zitten tussen het aangevraagde krediet en de budgetten zoals benoemd in financiële hoofdstuk van het IHP. Het is immers mogelijk dat er nog aanvullende tussentijdse (onvoorziene) kosten gesignaleerd worden door de diverse onderzoeken. Deze kredietaanvraag is niet afhankelijk van bijvoorbeeld de 1 februari deadline uit de verordening of de financiële cyclus van de gemeente zoals de voorjaarsnota. Per project wordt de maatschappelijke functie van de school en gymzalen onderzocht: voordat gestart wordt met de haalbaarheidsstudie (businesscase) wordt breed onderzocht welke (maatschappelijke) voorzieningen in het gebouw gerealiseerd kunnen worden, of met welke partijen samengewerkt kan worden en wat dit betekent voor de bruto vloeroppervlakte van het gebouw. Denk hierbij aan alle partijen die zijn genoemd bij bouwsteen 4 (samenwerking).
Referentie: 1727401-0060.1.0.
10. Een vastgestelde leerlingenprognose vormt het uitgangspunt voor het IHP. Een prognose geeft het vermoedelijk verloop aan van het leerlingenaantal, in het IHP is op basis van ervaring en verwachting van schoolbesturen ruimte voor nuance. Dit is met name van toepassing op het (V)SO en SBO.
3.3. Bouwsteen 2: Vraag & Aanbod Deze bouwsteen geeft aan welk aanbod de gemeente en schoolbesturen nastreven. Het gewenste aanbod van onderwijs is bepalend voor de huisvestingsoplossingen. Binnen de gemeente Houten is een goed onderwijsaanbod; er is een spreiding van onderwijsconcepten, denominaties en onderwijsniveaus over de gemeente, waarbij voorop staat dat Houten een aantrekkelijke gemeente voor iedereen wil zijn. De wens is dit te behouden en te versterken. Primair onderwijs: 1. De opheffingsnorm en de stichtingsnorm hebben een signaalfunctie: de opheffingsnorm en de stichtingsnorm van de gemeente Houten (respectievelijk 138 en 230 leerlingen) hebben een signaalfunctie ten aanzien van de toekomstbestendigheid van het onderwijs op die plek. 2.
Het onderwijsaanbod wordt ook geanalyseerd in relatie tot leefbaarheid: Daarbij kan de gewenste omvang van scholen in de kernen afwijken van de gewenste omvang van de scholen in Houten. Vooralsnog is het uitgangspunt om scholen in kleine kernen te behouden omdat deze van belang zijn voor de leefbaarheid.
3.
Het schaalniveau voor de scenario ontwikkeling past bij de omvang: voor de analyse en scenario-ontwikkeling voor het PO is dit het dorpsniveau in de kernen, en is het wijkniveau in Houten.
4.
Kinderopvangorganisaties zorgen samen met de schoolbesturen voor een kinderopvangaanbod passend bij de vraag. De omvang van de vraag naar kinderopvang heeft te maken met de sociaal demografische eigenschappen van een dorp of wijk.
Pagina 9 van 46
Voortgezet onderwijs: 1. De opheffingsnorm en de stichtingsnorm hebben een signaalfunctie: de nationale opheffingsnormen per onderwijsniveau hebben een signaalfunctie ten aanzien van de toekomstbestendigheid van het onderwijs op die plek. 2.
b.
Het schaalniveau voor de scenario ontwikkeling is regionaal: het schaalniveau voor de analyse en scenario-ontwikkeling voor het VO is het regionaal niveau. Bij wijziging van het onderwijsaanbod zal het VO moeten aansluiten op regionaal niveau.
Gezamenlijk: 1. De schoolbesturen streven naar een omvang van een school die past bij de vraag. Hiermee wordt bedoeld dat er geen ‘ideale’ schoolgrootte bestaat voor een school in de gemeente Houten. Het gaat niet zozeer om de omvang, maar om kwaliteit. Schoolbesturen maken daarbij zelf de afweging of de kwaliteit bij een bepaalde omvang gegarandeerd kan worden. Voor het PO is aangegeven dat de omvang ook afhankelijk is van het voedingsgebied (hoeveel kinderen wonen er in een wijk of kern). Aangezien het VO vaak een regiofunctie heeft, bepalen de vraag en de praktische organisatie van het onderwijs de ideale schoolgrootte. Voor het (V)SO/SBO is benoemd dat waar mogelijk gestreefd wordt naar inclusief en passend onderwijs. Daarnaast wordt de spreiding in het speciaal onderwijs met name bepaald door de regionale vraag en aanbod.
c.
d.
2.
Per situatie wordt een afweging gemaakt (bijvoorbeeld in een haalbaarheidsonderzoek) of nieuwbouw of renovatie de beste oplossing is. Daarbij worden de volgende aspecten meegenomen: a. Het streven is om een kwaliteit te realiseren die vergelijkbaar is met nieuwbouwkwaliteit. b. Er worden alleen gebouwen gerenoveerd die ook na de renovatie goed bezet zijn. c. Er wordt bij renovatie rekening gehouden met de onderwijskundige functionaliteit van de gebouwen. d. Er wordt bij renovatie rekening gehouden met de culturele en maatschappelijke waarde. e. De kosten en mogelijkheden voor tijdelijke huisvesting worden meegenomen in de afweging voor nieuwbouw of renovatie (renovatie op huidige locatie, nieuwbouw op huidige locatie en nieuwbouw elders).
3.
Een brede definitie van kwaliteit en duurzaamheid. De gemeente en schoolbesturen zien het realiseren van kwalitatief goede en duurzame huisvesting als een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Een kwalitatief goed en duurzaam gebouw heeft een positief effect op het onderwijs én op het leefklimaat voor de toekomstige generaties.
3.4. Bouwsteen 3: Kwaliteit & Duurzaamheid Deze bouwsteen duidt de kwaliteit waar de gemeente Houten en de schoolbesturen naar streven. Het definitieve kwaliteitsniveau en de verdeling van de kosten worden nader geconcretiseerd. 1.
Renovatie en vernieuwbouw als extra voorzieningen. Het IHP is in lijn met het voorstel van PO-raad, VO-raad en VNG om renovatie op te nemen als voorziening door de gemeente. a. In de huidige situatie zijn gemeenten alleen verantwoordelijk voor vervangende nieuwbouw wanneer een gebouw aan het einde van zijn levensduur is (onder andere artikel 2 verordening).
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Door renovatie en vernieuwbouw op te nemen als voorziening ontstaat de mogelijkheid om bij een gebouw dat aan het einde van zijn levensduur is ook renovatie of vernieuwbouw toe te passen. Bij Nieuwbouw wordt uitgegaan van totale vervanging van het bestaande gebouw op een nader te bepalen plaats. De levensduur van het nieuwe pand dient 50 jaar te zijn. Vernieuwbouw is een levensduur verlengende ingreep voor 40 jaar. Hierbij wordt het bestaande gebouw vernieuwd a.d.h.v. de uitgangspunten cf. nieuwbouw. Een verlenging van de levensduur betekent niet enkel de verlenging van de bouwkundige/kwalitatieve levensduur. Het betreft ook de functionele levensduur. Renovatie is een integrale levensduur verlengende ingreep in het gebouw, waarmee de levensduur van het gebouw met ten minste 25 jaar wordt verlengd.
Pagina 10 van 46
Gemeente en schoolbesturen willen duurzaamheid dan ook breder definiëren dan alleen energiebesparing en CO2-reductie: duurzaamheid gaat ook over goed onderwijs, een gezond leer- en leefklimaat, een gezonde financiële exploitatie, circulariteit en toekomstbestendigheid. a. Ten behoeve van goed onderwijs gaat het om onderwijskundige functionaliteit. Nieuwe en gerenoveerde schoolgebouwen dienen onderwijsconcepten goed te faciliteren. Het gebouw dient aan te sluiten bij het onderwijsconcept van de school. Wanneer kindpartners (zoals kinderopvang, jeugdzorg en dergelijke) ook in het gebouw gehuisvest worden, dienen deze goed gefaciliteerd te worden. b. Voor gezondheid wordt rekening gehouden met de Frisse Scholen-thema’s (naast energie): lucht, temperatuur, licht en geluid om een prettig en gezond klimaat voor kinderen en medewerkers te realiseren. Voor de Frisse Scholen thema’s wordt gekozen voor een slimme mix van eisen per subonderdeel, waarbij lucht en temperatuur minimaal klasse B scoren. Zie bijlage 1. c. De energieprestatie van schoolgebouwen sluit aan op de doelstellingen die zijn geformuleerd in het landelijke klimaatakkoord en de sectorale routekaart: 50% CO2 reductie in 2030, en 95% CO2 reductie in 2050. Middels het IHP willen de gemeente en de schoolbesturen invulling geven aan de verduurzamingsopgave voor het onderwijs.
De ambitie is om in het geval van nieuwbouw energieneutrale (ENG) schoolgebouwen te realiseren. Daarbij wordt er een hogere ambitie uitgesproken dan het Bouwbesluit per 1 januari 2021. Voor bestaande bouw wordt per project geïnventariseerd wat de huidige status qua duurzaamheid en/of binnen klimaat is. Middels een haalbaarheidsstudie wordt verkend of het betreffende gebouw in aanmerking komt voor (versnelde) verduurzaming. Indien gebouwen nog relatief nieuw zijn kan er verkend worden of deze gebouwen voor de afschrijftermijn al verduurzaamd kunnen worden (middels een vooruitgeschoven renovatie). d. Voor circulariteit wordt ernaar gestreefd bewust om te gaan met de toegepaste materialen en waar mogelijk gebruik te maken van natuurlijke, ecologisch vriendelijke en/of herbruikbare materialen. In het geval van nieuwbouw wordt gelet op de basisprincipes van circulariteit, zoals de toekomstige losmaakbaarheid van de gebouwelementen. Hierbij dient goed te worden gekeken naar de invloed van circulair materiaalgebruik op de investerings- en exploitatiekosten.
Referentie: 1727401-0060.1.0.
e.
f.
g.
4.
Circulariteit kan ook gaan over de wijze waarop de school omgaat met het gebruik van materialen na ingebruikname, bijvoorbeeld op het gebied van afvalreductie. Voor toekomstbestendigheid wordt ingezet op maximale flexibiliteit Gebouwen kunnen op deze manier meebewegen met groei en krimp van scholen en kunnen toekomstige onderwijsconcepten faciliteren. Het gaat zowel om interne flexibiliteit, als om transformatiemogelijkheden van het vastgoed. De (bouw/installatie)technische kwaliteit van de schoolgebouwen is uitstekend en onderhoudsvriendelijk. Dit zorgt ervoor dat gebouwen lang mee gaan. De buitenruimte wordt duurzaam, bio divers en klimaat adaptief ingericht, denk aan groen-blauwe schoolpleinen. Dit zijn schoolpleinen waar veel groen is geïntegreerd en waar extra aandacht wordt besteed aan (regen)water-infiltratie. Scholen bevinden zich bij voorkeur in een groene omgeving, dus nabij publiek groen en de schoolpleinen kunnen ook door de wijk worden gebruikt. Ten aanzien van inclusiviteit en toegankelijkheid: schoolgebouwen in Houten kenmerken zich als een inclusieve en toegankelijke omgeving. Dit gaat in eerste instantie over het includeren van mensen met een beperking in de samenleving door ontmoeting. Dit heeft ook een weerslag op de huisvesting, bijvoorbeeld dat gebouwen ruim van opzet zijn en beschikken over een lift. Ook kinderen met een beperking kunnen worden ontvangen.
Een toegankelijke omgeving is een omgeving waar kinderen en volwassenen zich zelfstandig door het gebouw kunnen bewegen, zonder hulp van derden. Toegankelijkheid betekent ook dat het gebouw geschikt is voor diverse gebruikersgroepen, hierbij hoort een streven naar meer samenwerking tussen primair onderwijs en speciaal onderwijs of tussen het onderwijs en zorg- of wijkvoorzieningen (zie thema 4. Samenwerking). Voor de kwaliteit van de schoolgebouwen leidt dit tot de aanwezigheid van multifunctionele ruimten die door diverse gebruikers voor verschillende doeleinden kunnen worden ingezet. Indien dit leidt tot meer benodigde vierkante meters, is de bereidheid er vanuit de gemeente om dit te faciliteren en indien noodzakelijk buiten de normatieve kaders van de verordening te treden.
Multifunctioneel gebruik: de gebouwen dienen tevens optimaal gebruikt te worden. Multifunctioneel gebruik leidt tot een hogere bezetting en daarmee een duurzaam gebruik van de gebouwen.
Pagina 11 van 46
Dit vraagt wel om aandacht over afspraken ten aanzien van beheersvorm, eigendomsverhouding, samenwerkingsafspraken, exploitatie en financiële geldstromen. Dergelijke afspraken dienen te volgen uit de inhoudelijke afspraken die aan de samenwerking ten grondslag liggen. Met name het faciliteren van functies voor IKC’s is een belangrijk onderdeel van de gebouwkwaliteit. 5.
6.
Een goede schoollocatie. In het algemeen geldt dat een groene, veilige omgeving met goede infrastructuur belangrijk is. Ook kan gekeken worden naar situering nabij voorzieningen waarbij het onderwijs aansluiting kan vinden, zoals sport- of wijkfuncties of de reeds gevestigde kinderopvang of BSO. a. Voor het primair onderwijs geldt aanvullend dat de school zich in de wijk bevindt waar kinderen leeftijdsgenoten ontmoeten. Kinderen kunnen veilig te voet of met de fiets naar school. Aanvullend is er ruimte voor een functionele Park & Ride voorziening. b. Voor het voorgezet onderwijs zijn toegankelijke fietspaden en een goede OV verbinding belangrijk. De schoollocatie moet goed bereikbaar zijn voor het voedingsgebied. VO scholen zijn bij voorkeur ook in de nabijheid van bedrijven, instellingen (zorg, cultuur, sport) en MBO (partners) gesitueerd. c. De doelgroep van de school is bepalend voor de geldende locatie-eisen. Per project zal ingezoomd worden op de doelgroep, om te bepalen aan welke eisen de locatie voor deze doelgroep moet voldoen. d. Om te bepalen wat een goede locatie van een schoolgebouw is, wordt ook gekeken naar huidige samenwerkingen en de impact die een potentiële verplaatsing van een school zou hebben. Ruimte voor cultuur, sport en bewegen is ook onderdeel van de kwaliteit van onderwijshuisvesting.
Het uitgangspunt is het multifunctioneel inzetten van gymzalen voor o.a. (sport) verenigingen, onderwijs en cultuur. De gymzalen maken integraal onderdeel uit van het IHP. De behoefte aan klokuren sport en bewegen worden getoetst aan de beschikbaarheid en kwaliteit van de aanwezige gymvoorzieningen. 6
7.
3.5. Bouwsteen 4: Samenwerking Deze bouwsteen gaat in op samenwerking. Samenwerking betekent dat scholen gebouwen delen, met elkaar of met partners (bijvoorbeeld kinderopvang, jeugdzorg, buurtvoorzieningen). Samenwerking kan zowel inhoudelijk als gebouwelijk worden vormgegeven. Inhoudelijke samenwerking biedt voordelen op het gebied van kennisuitwisseling. Gebouwelijke samenwerking kan de inhoudelijke samenwerking faciliteren omdat men elkaar ook daadwerkelijk tegenkomt en biedt exploitatievoordelen (door bijvoorbeeld het delen van ruimten). Het onderwijs staat daarbij centraal en daarmee is een gebouwelijke samenwerking geen verplichting, maar een verkenning. Primair onderwijs 1. Samenwerking tussen Speciaal Onderwijs en Basisonderwijs onderling: Schoolbesturen en gemeente onderschrijven de meerwaarde van clustering: samen in één gebouw. Dit biedt flexibiliteit en toekomstbestendigheid: groei en krimp van scholen kan deels onderling worden opgelost. Voorwaarden bij clustering zijn: a. Clustering bij voorkeur met twee scholen. Eventueel kan er op basis van een specifiek (te ontwikkelen) samenwerkingsconcept gekozen worden voor het clusteren van meer scholen. b. Er worden vooraf heldere afspraken gemaakt over beheer, eigendom, ruimten en samenwerking. c. In de planvorming wordt rekening gehouden met de verkeersveiligheid van de leerlingen. 2.
6
Investeren in kwaliteit. Schoolbesturen financieren mogelijk (en binnen de wettelijke mogelijkheden) op basis van Total Cost of Ownership (TCO) een deel van de stichtingskosten van een nieuwbouw- of renovatieopgave. Deze investering komt de duurzaamheid van het gebouw op het gebied van onderhoud en exploitatie ten goede. Voorwaarde is dat het gebouw voldoet aan de kwaliteitseisen zoals geformuleerd binnen dit IHP. In het IHP is met elkaar verkend welke methode geschikt is om uiteindelijk per project deze berekeningen te maken (zie par. 6.2.)
Samenwerking tussen primair onderwijs en kinderopvangorganisaties. Schoolbesturen en kinderopvang zetten in op het behouden, versterken en waar nodig uitbreiden van samenwerking tussen het PO en kinderopvang, peuteropvang
Nog toe te voegen; kwaliteitskader gymzalen van de gemeente Houten.
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Pagina 12 van 46
en buitenschoolse opvang. De samenwerking richt zich op de afstemming van de pedagogiek en didactiek van beide partijen. Gezamenlijke huisvesting van scholen en kindpartners is het uitgangspunt, er kunnen echter situaties zijn waarin de samenwerking een pre is maar geen voorwaarde. Per project dient er gekeken te worden of het wenselijk is om kindpartners te huisvesten in hetzelfde gebouw als de school. a. Gemeente en schoolbesturen bouwen bij voorkeur conform de (I)KC gedachte. De samenwerking tussen primair onderwijs en kinderopvang kan hier een doorlopende leerlijn waarmaken. Kinderen tussen de 0 en 12 jaar oud doorlopen hun ontwikkeling in één gebouw of in een netwerk van voorzieningen. Bij het vormen van een (I)KC wordt op voorhand goed nagedacht over samenwerkingsvormen en partners. Het meest voorkomend is om per school met één opvangorganisatie in een schoolgebouw samen te werken. Dat maakt het makkelijker om een succesvolle doorlopende leerlijn te realiseren. b. Op het moment dat projecten voor (I)KC’s van start gaan is het raadzaam om bij de planvorming rekening te houden met prognoses van de kinderopvangorganisaties en te anticiperen op de mogelijkheid dat kinderopvang in de toekomst een grotere capaciteit behoeven. 3.
Samenwerking met overige partners. Er wordt door gemeente en schoolbesturen per concreet project gezocht naar samenwerking tussen het onderwijs en overige partners. Er wordt daarbij tegemoet gekomen aan de sociaal-maatschappelijke rol van een school voor de wijk. Voorbeelden van mogelijke samenwerkingspartners zijn: a. Consultatiebureau; b. Fysiotherapeut; c. Logopedie; d. Bibliotheek; e. Sportverenigingen; f. Maatschappelijke ambitie: de school kan ook een plek zijn waar mensen met een beperking werken.; g. Cultuur- & Natuureducatie of Techniekonderwijs, het verrijken van het onderwijs en de (buitenschoolse) opvang;
Gezamenlijk
Referentie: 1727401-0060.1.0.
1.
Visie op samenwerking tussen Primair Onderwijs en Voortgezet Onderwijs: Schoolbesturen streven naar het versterken van de samenwerking tussen het PO en VO, gericht op burgerschapsonderwijs. Deze versterking kan gerealiseerd worden door het realiseren van een doorgaande leerlijn voor leerlingen. Het is daarnaast mogelijk dat ruimtes in VO gebouwen worden gebruikt door het PO en andersom (bijvoorbeeld bij techniek onderwijs).
2.
Samenwerking tussen (speciaal basis-/voorgezet) onderwijs en (jeugd)zorg. Gemeente en schoolbesturen zijn het erover eens dat er winst behaald kan worden als jeugdhulpinstellingen zich bij scholen vestigen. Door deze instellingen fysieke ruimte te bieden in schoolgebouwen, zijn zij voor kinderen en ouders laagdrempelig bereikbaar. Dit zou in de gebouwen kunnen betekenen dat één spreekruimte / kantoorruimte beschikbaar wordt gesteld voor deze instellingen. Deze (toekomst)wensen hoeven niet automatisch een (groot) ruimtelijk gevolg te hebben. De afweging of deze ruimten additioneel/ multifunctioneel worden toegevoegd aan de gebouwen vindt plaats per project, op basis van noodzaak.
3.6. Bouwsteen 5: Medegebruik / Verhuurbeleid bij IKC’s In de visie en in de bouwsteen samenwerking is het belang van integratie tussen onderwijs en kinderopvang in IKC’s omschreven. Wanneer onderwijs en kinderopvang zich samen huisvesten krijgen IKC’s te maken met huisvestingsvraagstukken ten aanzien van capaciteit, eigendom, tariefstelling en financiering. Deze vraagstukken worden in dit hoofdstuk behandeld en voorzien van uitgangspunten. Eerst wordt kort ingegaan op het wettelijk kader. Wettelijk Kader De gemeente heeft een zorgplicht om te voorzien in huisvesting voor het onderwijs maar niet voor kinderopvang. Kinderopvangorganisaties worden wettelijk gezien als commerciële organisaties die de gemeente niet mag bevoordelen ten opzichte van andere commerciële organisatie. De gemeente heeft zich als economisch eigenaar in relatie tot medegebruik en verhuur te houden aan de Wet Markt en Overheid. De Wet Markt en Overheid is een hoofdstuk (4b) binnen de Mededingingswet en bevat 4 gedragsregels. Deze gedragsregels omschrijven onder andere dat overheden alle kosten die zij maken voor een dienst moeten doorberekenen in de prijs. Dit geldt dus ook bij verhuur van ruimten aan kinderopvangorganisaties.
Pagina 13 van 46
a. Deze bouwsteen, zal zich in lijn met het IHP, richten op nieuwe situaties die ontstaan bij nieuwbouw, vernieuwbouw of renovatie van schoolgebouwen. De verhuur aan kinderopvangorganisaties in bestaande situaties valt buiten de scope van dit IHP. 1.
Capaciteit: de wijze waarop om wordt gegaan met huurbescherming voor kinderopvangorganisaties en het onderscheid tussen medegebruik en verhuur. a.
2.
Nieuwe situaties Bij exclusief gebruik door KOV en/of BSO kan extra capaciteit worden gerealiseerd wat valt onder een huurcontract met een kostendekkend tarief. Er wordt uitgegaan van langjarige huurcontracten van minimaal 10 jaar. Hierdoor ontstaat huurbescherming voor de kinderopvangorganisatie gedurende de looptijd van het contract. Dit houdt in dat ruimten van de kinderopvang door de gemeente niet gevorderd kunnen worden. De gemeente, de schoolbesturen en de kinderopvangorganisaties hebben gezamenlijk de intentie om de huur voor langere tijd te laten voortbestaan. Indien er toch een capaciteitsvraagstuk ontstaat voor het onderwijs gaan partijen, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid, gezamenlijk in gesprek en op zoek naar een passende oplossing. Bij volgtijdelijk gebruik door BSO uit te gaan van medegebruik in plaats van verhuur. De gemeente wordt jaarlijks geïnformeerd over het volgtijdelijk gebruik. Ook kunnen de gemeente, de schoolbesturen en de kinderopvang in gesprek gaan over de mogelijkheid om een beroep te kunnen doen op ruimten voor BSO welke in eigendom zijn van kinderopvang en waar overdag ruimte is voor onderwijs indien er een capaciteitsvraagstuk ontstaat. Daarnaast onderschrijven gemeente, schoolbesturen en de kinderopvangorganisaties het belang van de BSO in het kader van een aanbod voor de gehele dag.
De BSO maakt vaak gebruik van gemeenschappelijke ruimten, die bij groei van het onderwijs gevorderd of ingezet kunnen worden. Dit houdt in dat de BSO functie niet langer kan worden ingevuld. Gemeenten, schoolbesturen en kinderopvang streven daarom naar oplossingen voor capaciteitsgebrek waarbij de BSO functie niet hoeft te wijken.
Eigendom: de wijze waarop de eigendomssituatie wordt bepaald.
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Nieuwe situaties: bij exclusief gebruik door KOV en/of BSO er lokaal maatwerk wordt geleverd of wordt heroverwogen ten aanzien van de gewenste eigendomsverhouding voor het gedeelte van de kinderopvang: gemeente eigenaar, schoolbestuur/schoolbesturen eigenaar of een vereniging van eigenaren met daarbij inachtneming van de voor- en nadelen bij elke situatie. Opmerking: Op 26 november 2021 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in de zaak Didam. Dit arrest heeft betrekking op een casus in de gemeente Montferland omtrent (onderhandse) verkoop van onroerend goed. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de gemeente, als ze een onroerende zaak wil verkopen, aan potentiële gegadigden de mogelijkheid moet bieden om mee te dingen. Dat moet vanuit objectieve, toetsbare en redelijke criteria plaatsvinden. Dit heeft ook gevolgen voor IKC’s. Indien de gemeente het juridisch eigendom van de ruimten voor kinderopvang behoudt (en dus niet overdraagt aan het schoolbestuur zoals in de reguliere situatie) is een aanbesteding mogelijk noodzakelijk. Dit kan onwenselijk zijn omdat schoolbesturen reeds samenwerkingen hebben met bestaande kinderopvangorganisaties waarbij de pedagogiek en didactiek op elkaar is afgestemd.
3.
Tariefstelling: de wijze waarop het tarief wordt bepaald. a. Nieuwe situaties: bij exclusief gebruik door KOV en/of BSO een tarief wordt bepaald op basis van de kostprijs dekkende methode7. b.
Uitzondering nieuwe situatie: Voor nieuwe situaties waarbij er geen IKC tot stand kan komen bij een bepaling van een tarief op basis van de kostprijs dekkende methode (door bijvoorbeeld een te beperkte omvang van het aantal kinderen wat kinderopvang afneemt) kunnen gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties onderzoeken of er bij exclusief gebruik door KOV er een correctie kan plaatsvinden op de kostprijs dekkende methode naar rato van de bezetting van de ruimte, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
Gelet op huidige bouwprijzen en rentestanden kunnen kostprijsdekkende huurtarieven hoog uitvallen voor kinderopvangorganisaties. Dit heeft invloed op de haalbaarheid van het IKC. Dit wordt nu gezien als een incident, maar indien dit een structureel probleem blijft treden gemeenten, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties in overleg. 7
Pagina 14 van 46
a. b.
4.
Er wordt middels onderzoek aangetoond dat er onvoldoende aanbod is aan kinderopvang. Er wordt middels een businesscase aangetoond dat KOV ook niet rendabel te maken is door de combinatie van KOV en/of BSO, andere partners en/of middelen.
Financiering: de wijze waarop de ruimten worden gefinancierd. a. Nieuwe situaties: voorfinanciering door de gemeente alsmede financiering door kinderopvangorganisaties zijn beide mogelijk. Gezien de onderstaande voorwaarden ligt voorfinanciering door de gemeente voor de hand. In het geval dat de gemeente financiert wordt gesproken over voorfinanciering, omdat het doel is dat de kapitaallasten volledig door huuropbrengsten worden terugverdiend. De volgende voorwaarden zijn van toepassing: • Het gaat om exclusief gebruik van ruimten door een aanbieder van kinderopvang. • De kapitaallast wordt binnen een redelijke termijn terugverdiend uit de huurinkomsten. • Het beoogde gebruik is beargumenteerd aan de hand van een behoefteonderzoek. b.
In het geval dat de kinderopvang financiert zijn de volgende voorwaarden toepassing: • De organisatie voor kinderopvang maakt met de bouwheer afspraken over de betrokkenheid van de ondernemer bij het ontwerp en de realisatie van de kinderopvangruimten. Deze afspraken worden contractueel vastgelegd. • De organisatie voor kinderopvang participeert risicodragend in het totale proces van ontwerp en realisatie (aanbestedingsrisico, meer/minderwerk e.d.). • De organisatie voor kinderopvang krijgt geen eigendom of ander zakelijk recht in/op het schoolgebouw of het onderliggende terrein.
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Pagina 15 van 46
4. Methodiek Dit hoofdstuk behandelt de gehanteerde methoden voor de analyse en opgavenontwikkeling.
gebouwenbestand is daarom naast de bouwkundige staat ook gekeken naar onderwijskundige functionaliteit, binnenmilieu, veiligheid, exploitatie en uitstraling van de schoolgebouwen. Dit zijn thema’s voor strategisch vastgoedbeleid.
4.1. Capaciteitsanalyse Voor alle gebouwen is de beschikbare capaciteit voor het onderwijs geanalyseerd. De capaciteitsanalyse maakt een ruimtetekort of -overschot per gebouw inzichtelijk. De ruimtebehoefte van het onderwijs wordt bepaald door de leerlingentelling en de prognose te vertalen naar ruimtebehoefte (op basis van de criteria in de verordening). Deze ruimtebehoefte wordt vergeleken met het aantal vierkante meters dat beschikbaar is: de brutovloeroppervlakte (bvo). Opmerking: dit is een genormeerde ruimtebehoefteberekening. In de praktijk zijn er efficiënte en minder efficiënte gebouwen. Wanneer een school bijvoorbeeld veel gangen heeft, of een grote aula, kan er een genormeerd ruimteoverschot zijn, terwijl dit niet zo wordt ervaren. Er is relatief immers minder effectieve onderwijsruimte. Ook wordt in de praktijk gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot medegebruik of verhuur van ruimten. In het IHP is vanwege het beleidsrijke karakter ruimte voor nuance op de resultaten uit deze ruimtebehoefteberekeningen. Naast het inzichtelijk maken van eventuele ruimtetekorten is de capaciteitsanalyse van belang omdat een eventueel ruimteoverschot de schoolbesturen geld kost voor exploitatie en onderhoud. Schoolbesturen ontvangen een vergoeding voor materiële instandhouding op basis van het aantal leerlingen en niet op basis van het aantal m² in een school.
Bovendien vormen ruimteoverschotten een risico voor de gemeente. Wanneer een gebouw geheel leeg komt te staan, zal de eigenaar (het schoolbestuur) dit terug willen geven aan de gemeente. Daarnaast dient de gemeente (op basis van de verordening) te voorzien in oplossingen voor ruimtetekorten, waarmee kan worden verwezen naar leegstand.
4.2. Quickscans Op basis van de verordening is alleen de bouwkundige staat een formeel toetsingscriterium. Voor het IHP is het echter niet alleen de vraag of een pand een goed gebouw is, maar of een pand een goed schoolgebouw is. In de beoordeling van het
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Figuur 2: Elementen van quickscan-beoordelingsmethodiek.
Op basis van de door HEVO ontwikkelde ‘quickscan’ zijn alle gebouwen op deze criteria beoordeeld en voorzien van een gewogen score, die inzicht geeft in de vervangingstermijn. De score is tot stand gekomen aan de hand van bureaustudie van opgevraagde gebouwgegevens, een locatiebezoek en dialoog met schooldirecteur, schoolbesturen en gemeente. De totaalscore geeft op uniforme wijze richting aan de mate van urgentie tot een levensduurverlengende ingreep in relatie tot de gebouwkwaliteit: • Bij < 57 punten: binnen 0-5 jaar (rood). • Bij 57 - 63 punten: binnen 5-10 jaar (oranje). • Bij 63 - 69 punten: binnen 10-20 jaar (lichtgroen). • Bij 69 > punten: over meer dan 20 jaar (donkergroen). De quickscan leidt tot een advies voor de vervangingstermijn, ofwel het ‘natuurlijke vervangingsmoment’ van een schoolgebouw. Daarbij worden de verantwoordelijkheden van de gemeente en de schoolbesturen afgestemd. Het natuurlijke vervangingsmoment voor schoolgebouwen is cruciaal omdat het van belang is dat bij ingrepen ((ver)nieuwbouw of renovatie) alle thema’s integraal aangepakt kunnen worden. Immers,
Pagina 16 van 46
bijvoorbeeld een energieneutraal gebouw dat onderwijskundig niet geschikt is, is een ongeschikt schoolgebouw. De quickscanscores zijn input voor de opgavenontwikkeling. Bij het besluit tot vervanging middels (ver)nieuwbouw/renovatie is bij de opgavenontwikkeling ook gekeken naar de afwegingscriteria. Partijen kunnen ook besluiten om op elementniveau (bijvoorbeeld binnenmilieu) los van het natuurlijke vervangingsmoment te investeren.
4.3. CO2-analyse Deze analyse brengt de CO2-reductie van het IHP in beeld. De tool is erop gericht om te toetsen of de klimaatdoelstellingen (50% reductie CO2 in 2030 en 95% reductie in 2050) worden behaald en om bij te sturen indien nodig. HEVO heeft de kennis die zij heeft opgedaan bij de ondersteuning bij het opstellen van de landelijke routekaarten PO, VO en MBO/HBO hiervoor ingezet.
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Pagina 17 van 46
5. Analyse en opgaven In dit hoofdstuk worden de huisvestingsopgaven per kwadrant/kern en per school benoemd. Eerst wordt een toelichting gegeven op de leerlingenprognose en de quickscanscores.
5.1. Leerlingenprognose In de grafieken in deze paragraaf zijn de leerlingenprognoses van de gemeente Houten te zien voor respectievelijk het PO, VO en SO (inclusief VSO en SBO). De grafieken geven een beeld van hoe de leerlingenaantallen zich in de komende jaren naar verwachting gaan ontwikkelen. De prognoses komen voort uit de opdracht die de gemeente Houten aan Pronexus heeft gegeven. Bij het lezen van de grafieken moet opgelet worden dat de verticale schaal per grafiek verschilt. In het PO is vanaf 2035 tot 2044 een toename in het aantal leerlingen van circa 5% zichtbaar. In het VO nemen de leerlingenaantallen de komende jaren tot 2035 af met circa 10%. In het SO wordt een lichte stijging in het aantal leerlingen verwacht. Dit is in lijn met wat de schoolbesturen in het SO aangeven. Echter is het een bekend gegeven dat aantallen SO-leerlingen moeilijk te voorspellen zijn.
Figuur 2: Ontwikkeling van geprognosticeerde leerlingenaantallen PO, VO, SBO en VSO.
Referentie: 1727401-0060.1.0.
5.2. Quickscanscores Het overzicht in figuur 4 toont de resultaten van de QuickScans. De bandbreedte van de scores is 4-8. Recent gerealiseerde nieuwbouwscholen of scholen die jonger zijn dan 20 jaar zijn beoordeeld middels een QuickScan-Light (bureaustudie). Immers, deze scholen hebben geen vervangingsopgave in de looptijd van dit IHP. Toelichting scores • Uitstraling scoort overwegend voldoende, enkele schoolgebouwen scoren matig. Schoolgebouwen uit de bouwperiode 1960-1980 hebben overwegend een matige uitstraling. • Bouwkundige staat scoort overwegend onvoldoende bij de oudere gebouwen, maar voldoende bij de nieuwe gebouwen. Vrijwel alle scholen in de termijnen 05 jaar en 5-10 jaar zijn ouder dan, of naderen de 40 jaar. Op het 40e levensjaar ontstaat een natuurlijk investeringsmoment bij een schoolgebouw omdat de grote bouwkundige elementen dan aan vervanging toe zijn. Hier raakt de verantwoordelijkheid van de schoolbesturen (onderhoud, exploitatie) de zorgplicht van de gemeente (nieuwbouw/renovatie). • Veiligheid scoort overwegend voldoende, en iedere school heeft een geldige gebruiksvergunning. Bij enkele scholen zijn aandachtspunten geconstateerd die vaak goed te verhelpen zijn. • Binnenmilieu scoort overwegend voldoende. Bij enkele scholen zijn er onvoldoendes of matige scores. Er wordt getoetst aan het Bouwbesluit van 2015 (Frisse Scholen klasse B).
Een deel van schoolgebouwen voldoen (nog) niet aan deze norm en hebben alleen nog natuurlijke ventilatie of mechanische ventilatie van een lager niveau. • Exploitatie scoort overwegend onvoldoende omdat wordt getoetst aan de gewenste klimaateis in 2050 (energieneutraliteit), logischerwijs zijn veel scholen nog niet energieneutraal. Tegelijkertijd is er een groot deel van de scholen waarbij de scores positief zijn. • Onderwijskundige functionaliteit scoort overwegend voldoende. Een deel van de gebouwen scoort onvoldoende of matig. Reden hiervoor is dat oudere schoolgebouwen vaak niet aansluiten bij eigentijds onderwijs. Oudere schoolgebouwen zijn ingericht voor frontale, klassikale lesvormen en zijn weinig flexibel. In de huidige tijd is meer behoefte aan ruimte om te kunnen differentiëren in lesvormen (in aula’s of op leerpleinen) en zijn toezichtmogelijkheden nodig.
Pagina 18 van 46
Schoolnaam
Bouwjaar
BVO
Uitstralling
Bouwkundige staat
Veiligheid
Binnenmilieu
Exploitatie
Ondrwijskundige staat
QuickScan-Score
De Boogerd ('t Goy)
1929
460
5,5
4,0
5,5
5,5
4,0
4,0
54
St. Michiel (Schalkwijk)
1936
1265
5,5
4,0
5,5
5,5
5,0
5,0
59
De Bijenkorf
1986
1318
6,0
4,0
6,0
5,0
5,5
5,0
60
Het Mozaïek (Tullen 't Waal)
1966
502
5,0
4,0
6,0
5,0
5,5
5,5
61
t Schoolhuys
1986
1189
5,5
4,0
6,0
5,5
5,0
5,5
61
College de Heemlanden
1991
8442
6,0
4,0
6,0
6,0
5,0
5,5
63
De Triangel
1991
733
5,5
4,5
5,5
5,0
5,0
6,0
63
Het Mozaïek
1984
1426
6,0
4,0
5,5
5,5
5,0
6,0
63
Wereldwijs
1988
1405
5,5
4,0
6,0
5,5
5,0
6,0
63
De Zevensprong
1989
1405
6,0
4,5
6,0
6,0
5,5
6,0
67
Ridderspoor
1999
1704
6,0
5,0
5,5
5,5
5,5
6,0
67
De Zonnewijzer
2003
2103
6,0
5,5
6,0
6,0
6,0
5,5
69
De Wissel
2006
2300
6,0
7,0
6,0
6,0
4,0
6,0
71
De Plantage
2003
2030
6,0
6,0
6,0
6,0
6,0
6,0
72
De Stek
2003
1990
6,0
6,0
6,0
6,0
7,0
5,5
73
De Fontein
1999
2018
7,0
5,5
6,0
6,0
7,0
6,0
74
Berg en Bosch
2010
3429
6,0
7,0
6,0
6,0
4,0
7,0
74
VMBO Houtens
2011
5445
7,0
7,0
6,0
6,0
5,0
6,0
74
De Vlinder
2003
2060
6,0
6,0
6,0
6,0
8,0
5,5
75
Johannes Bogermanschool
2013
1460
7,0
6,5
6,0
7,0
7,0
6,0
79
Aventurijn (MFA Limes)
2013
3579
7,0
7,0
7,0
7,0
7,0
7,0
84
Montessorischool
2022
1980
8,0
8,0
7,0
7,0
8,0
8,0
93
Van Harte School
2024
2435
8,0
8,0
8,0
8,0
8,0
8,0
96
De Velduil (Eggeveld)
2025
2109
8,0
8,0
8,0
8,0
8,0
8,0
96
Figuur 4: QuickScan-scores gemeente Houten.
Referentie: 1727401-0060.1.0.
Pagina 19 van 46
5.3. Bewegingsonderwijs
5.3.2 Bewegingsonderwijs in het voortgezet onderwijs (VO)
Bewegingsonderwijs is een belangrijk onderdeel van het onderwijs aan kinderen. Ook binnen de gemeente Houten wordt actief ingezet op bewegend leren en het faciliteren van bewegingsonderwijs. Ten behoeve van het IHP is een capaciteitsanalyse voor het bewegingsonderwijs uitgevoerd.
Bij een school voor VO wordt de capaciteitsbehoefte tevens bepaald aan de hand van het aantal leerlingen. Als basis voor de berekeningen van de capaciteitsbehoefte wordt van verschillende kengetallen voor de verschillende onderwijssoorten in het VO uitgegaan. In de basis geldt dat het vmbo 2,5 uur bewegingsonderwijs moet krijgen, havo 2,2 uur en vwo 2,0 uur. T.b.v. de berekening is uitgegaan van de hoogste bezetting; 2,5 klokuur per leerling in het voortgezet onderwijs. Gymzalen mogen in het VO voor 40 klokuren (= 40 lesuren) per week ingeroosterd worden. Op basis van de leerlingenprognose uit 2022, opgesteld door Pronexus, volgt de onderstaande totale behoefte aan gymcapaciteit: