Bijlage 1 - Integraal Financieel- en beleidskader 2024-2025 (31-05-2024)
Tekst van het document
3. Verhogen budget persoonlijke toelagen Structurele verhoging van het loongerelateerde budget persoonlijke toelagen door het % van de loonsom te verhogen van 0,4% naar 0,8%. 4. Verhogen W&S-budget Structurele verhoging van het loongerelateerde werving & selectiebudget door het % van de loonsom te verhogen van 0,2% naar 0,55%.
Wat mag het kosten? Omschrijving
Saldo
Saldo
Saldo
Saldo
2025
2026
2027
2028
1. Uitvoering arbeidsmarktvisie
-160
-170
-225
-225
2. Vervangingsinvestering fairphones en laptops 3. Verhogen budget persoonlijke toelagen
-25
-25
-25
-25
-54
-54
-54
-54
4. Verhogen W&S budget
-95
-95
-95
-95
29
Hoofdstuk 4 | Begrotingsrichtlijnen 2025 1.1 Inleiding Ter voorbereiding op de opstelling van de begroting 2025 worden bij de perspectiefnota 2025 de begrotingsrichtlijnen door de raad vastgesteld. Binnen de kaders van deze begrotingsrichtlijnen werkt het college de begroting 2025 uit.
1.2 Richtlijnen van de provincie Utrecht Op 3 april 2024 is door de provincie Utrecht de circulaire “begrotingsrichtlijnen en toetsingsaspecten 2025” aan de raad toegestuurd. Hierin staan de begrotingsrichtlijnen en toetsingsaspecten voor de begroting 2025 en de meerjarenraming 2026-2028. Uitgangspunt hierbij is het Gemeenschappelijk Financieel Toezichtkader (GTK 2020 Gemeenten). Daarnaast worden actuele onderwerpen toegelicht.
Gemeenschappelijk financieel Toezichtkader 2020 Gemeenten Enkele onderwerpen uit het toezichtkader worden hieronder kort toegelicht.
Repressief of preventief toezicht Repressief toezicht betekent dat de begroting direct kan worden uitgevoerd. Wanneer de begroting niet aan de wettelijke criteria voldoet kan preventief toezicht worden ingesteld. Preventief toezicht betekent dat de begroting en de daaropvolgende begrotingswijzigingen eerst moeten worden goedgekeurd door de provincie voordat deze kunnen worden uitgevoerd.
Begroting moet structureel en reëel in evenwicht zijn Structureel evenwicht = de structurele lasten worden gedekt door structurele baten. Reëel evenwicht = de geraamde bedragen moeten volledig, realistisch en haalbaar zijn. Indien de begroting meerjarig niet structureel sluitend is, dan moet in ieder geval het eerste jaar (2025) wel structureel sluitend zijn. Dit houdt in dat structurele lasten niet gedekt mogen worden door incidentele baten. Met ingang van 2024 is er in het Gemeenschappelijk Financieel Toezichtkader (GTK) een regeling opgenomen voor de inzet van een surplus binnen de algemene reserve ter dekking van structurele lasten. Dit is alleen mogelijk bij voldoende solvabiliteit en afdekking van risico’s. Het surplus van de algemene reserve is dat deel dat niet nodig is voor het afdekken van risico’s (weerstandscapaciteit). Van dit vrij besteedbare deel (surplus) kan een gemeente jaarlijks maximaal 10% inzetten voor het dekken van structurele lasten. Met de voorwaarde dat de solvabiliteit groter of gelijk aan 20% is en blijft. De inzet van het surplus algemene reserve (= vrije reserve) wordt door dit gebruik als structurele baat bestempeld. Het weerstandsvermogen moet naar het oordeel van de toezichthouder voldoende zijn. Dit betekent dat het moet zijn gebaseerd op een adequate risico-inventarisatie.
De structurele onttrekkingen aan de algemene reserve moeten worden opgenomen in het overzicht van structurele reservemutaties.
Algemene uitkering Voor de begroting 2025 en de meerjarenbegroting 2026-2028 moet voor de algemene uitkering uit het gemeentefonds uitgegaan worden van de meicirculaire 2024 en de daarin opgenomen uitkeringsfactoren (op basis van constante prijzen).
Opschuivend sluitend financieel meerjarenperspectief Er mag geen sprake zijn van opschuivend sluitend financieel meerjarenperspectief. Hiermee wordt bedoeld dat het niet is toegestaan om ieder jaar opnieuw een (meerjaren-) begroting aan te bieden waarbij uitsluitend de laatste jaarschijf in evenwicht is.
Actuele onderwerpen Klimaat en energiebeleid Gemeenten spelen een belangrijke rol in de uitvoering van de klimaat- en energieplannen. Het kabinet ondersteunt gemeenten hierbij met geld voor de jaren 2023 tot en met 2025. Gemeenten moeten er 30
vanuit kunnen gaan dat ze dit geld elk jaar krijgen, anders kunnen ze geen langdurige verplichtingen aangaan. Rijk, provincies en gemeenten overleggen nog om ook te zorgen voor zekerheid na 2025. De provincie staat toe dat wij het bedrag dat we voor het jaar 2023 hebben ontvangen, vanaf 2025 jaarlijks in de begroting opnemen. Waarbij we dit bedrag dan zowel aan de opbrengsten- als de kostenkant moeten opnemen.
Jeugdzorg Indien het Rijk in de meicirculaire 2024 niet met een nieuwe oplossing komt voor de jeugdgelden, zal de provincie de landelijke richtlijn voor het opnemen van jeugdgelden actualiseren. Voor het opstellen van de meerjarenraming 2026-2028 worden wij hierover tijdig geïnformeerd.
Eigen bijdrage Wmo-voorzieningen Het kabinet is van plan om voor één onderdeel van de Wmo 2015, namelijk de huishoudelijke hulp, een passende eigen bijdrage invoeren. In het coalitieakkoord van het demissionair kabinet staat dat dit geldt vanaf 1 januari 2025. De ingangsdatum is verschoven naar 1 januari 2026. Inwoners betalen dan voor alle Wmo-voorzieningen een eigen bijdrage, waarvoor nu het abonnementstarief geldt. De hoogte van die bijdrage is afhankelijk van hun inkomen. Het Rijk verwacht dat de invoering van de inkomensafhankelijke eigen bijdrage de druk bij gemeenten verlaagt op het gebruik van Wmo-voorzieningen. En dat de Wmo 2015 daardoor langer betaalbaar blijft. De geraamde opbrengsten dienen wij voldoende te onderbouwen.
1.3 Advies VNG De VNG heeft op 1 maart 2024 een eerste advies uitgebracht over de meerjarenbegroting 2025-2028. In het kort is het advies: • Bereid ombuigingen voor waartoe in uw gemeente besloten zal worden indien de korting van € 3 miljard vanaf 2026 niet wordt teruggedraaid of verzacht. Breng deze zo goed mogelijk in kaart, maar zet ze nog niet in gang. • Presenteer deze gevolgen financieel én inhoudelijk zo scherp mogelijk. • Betrek daarbij het advies van de Taskforce Taken en Middelen, die aangeven vooral te focussen op taken in medebewind. We realiseren ons dat dit voor elke gemeente een eigen afweging vraagt, die tot andere keuzes kan leiden. • Beschrijf in ieder geval de 5 meest significante ombuigingsmaatregelen, hun consequenties en het taakveld dat daarmee geraakt wordt. • De verwachting is dat in de meicirculaire 2024 meer duidelijkheid komt, de VNG komt daarop een aanvullend advies. Wij betrekken het VNG advies bij het opstellen van onze meerjarenbegroting.
1.4 Uitgangspunten opstellen begroting 2025 en meerjarenbegroting 2026-2028 Het financiële kader voor het opstellen van de begroting 2025 is de “Perspectiefnota 2025-2028”. Raadsbesluiten tot en met 11 juli 2024 met financiële effecten, worden verwerkt in de begroting 2025.
1.4.1 Sluitende begroting 2025 Voor de begroting 2025 is de verwachting dat deze sluitend zal zijn. Voorbehoud is wel het effect van kabinetsplannen. Het kabinet is actief met de Voorjaarsnota van het Rijk en het toekennen van gelden aan (nieuw) beleid. Uit diverse informele signalen blijkt wel enige beweging richting het gemeentefonds: meest waarschijnlijk is een incidenteel negatief effect op 2025. Om dit incidentele negatieve effect van 2025 op te vangen, zullen we gebruik maken van de mogelijkheid om middelen uit de Algemene reserve in te zetten. Eventueel aangevuld met (technische) bezuinigingen die we voor de begroting 2024 geïnventariseerd en nog niet ingezet hebben. Via de “Ronde van Houten” worden de mogelijkheden voor de meerjarenbegroting 2026-2028 onderzocht.
1.4.2 Prijsontwikkeling 3,3% Het indexeringspercentage dat meerjarig wordt toegepast op de prijsgevoelige budgetten (inclusief subsidiebudgetten) is de prijs bruto binnenlands product voor 2025 volgens het Centraal Economische Plan (CEP) van het Centraal Planbureau (CPB), februari 2024 (CEP 2024). Voor 2025 is dit 2,3%. Een aanvullende correctie vindt plaats als de actuele CPB raming voor het lopende jaar 2024 meer dan 0,5% afwijkt van de prijsmutatie waarop de lopende begroting 2024 is gebaseerd. De afwijking is 1,0% 31
(begrote indexatie voor 2024 3,0%, nu 4,0%) zodat een bijstelling over 2023 plaatsvindt. Hiermee bedraagt het toe te passen prijsindexcijfer voor 2024 3,3%. Tabel: Ontwikkeling Inflatie
2024 2025 TOTAAL
Opgenomen in Begroting 2024 3,0% -
CEP maart’24
Verschil
4,0% 2,3%
1,0% 2,3% 3,3%
1.4.3 Loonontwikkeling 3% De Cao voor gemeenteambtenaren geldt tot 1 april 2025. Met betrekking tot de loonontwikkeling na 1 januari 2024 wordt een eigen raming van 3% gehanteerd. Voor de jaren 2026 en verder wordt uitgegaan van de prijs overheidsconsumptie, beloning werknemers 2025 volgens het Centraal Economische Plan (CEP) van het Centraal Planbureau (CPB), februari 2024 (CEP 2024). Dit is 4,4%. De begrote salarislasten zijn gebaseerd op het maximum van de functieschaal, verminderd met € 100.000 (ombuiging bij collegeprogramma 2023-2026). De sociale lasten worden begroot op basis van de gegevens die per 31 mei 2024 beschikbaar zijn. Het ABP stelt elk jaar rond 1 december de hoogte van de verschillende premies (pensioenpremies en sociale lasten) voor het volgend jaar definitief vast. Bij het opstellen van de begrotingsrichtlijnen 2025 zijn de premies dus nog niet bekend en worden gehandhaafd op het niveau van 2024. Indien het ABP medio dit jaar een voorlopige inschatting afgeeft van de verschillende premies over 2025, wordt het effect hiervan verwerkt in de begroting 2025.
1.4.4 Specifieke aanpassing budgetten Het algemene uitgangspunt is dat het verhogen van budgetten niet is toegestaan. Er is een klein aantal uitzonderingen waarbij een specifieke aanpassing toegepast wordt. Bij onderstaande budgetten wordt een specifieke aanpassing gedaan:
Budgetten (baten en lasten) afhankelijk van kerngegevens Voor een aantal budgetten geldt dat er een directe relatie is tussen de hoogte van het budget en de kerngegevens. Dit wordt autonome groei genoemd. In dat geval moet er een duidelijke onderbouwing van de voorgestelde budgetaanpassing worden aangeleverd. Deze onderbouwing moet gebaseerd zijn op de formule: P (prijs) x Q (hoeveelheid), waarbij de P voor de begroting 2025 alleen mag stijgen op basis van het indexeringspercentage (3,3%) en Q moet aansluiten op de kerngegevens (zie onder). De inwonersaantallen hebben bijvoorbeeld invloed op de legesopbrengsten van burgerzaken, kosten van verkiezingen, de bijdragen aan onder andere de VNG en kosten van verzekeringen. De ontwikkeling van de leeftijdsopbouw van de Houtense inwoners heeft invloed op de kosten van jeugd en wmo.
Budgetten (lasten) gerelateerd aan specifieke contracten op gebied van jeugdhulp en Wmo Op een aantal budgetten met betrekking tot jeugdhulp en Wmo is een afwijkend indexeringspercentage van toepassing. Het gaat hierbij om budgetten waar een specifiek contract aan ten grondslag ligt. Voor deze budgetten wordt uitgegaan van de opgenomen indexeringsafspraken in het desbetreffende contract. Omdat de peildata na het opstellen van de (primitieve) begroting 2025 liggen, zullen deze budgetten in de loop van 2024 en 2025 verhoogd worden. Op basis van de indexen tijdens het opstellen van de begroting worden middelen voor latere indexering gereserveerd op een stelpost. Onderwerp Maatwerk ZIN Wmo Huishoudelijke Hulp Wmo Hulpmiddelen Wmo Individuele voorzieningen Jeugd PGB's SAVE Essentiële functies Jeugd Leerlingenvervoer Regiotaxi 1.
Grondslag indexering Overheidsbijdrage in de arbeidskosten-ontwikkeling (OVA-index) 1 OVA-index Consumenten Prijs Index (CPI)) 2 OVA-index OVA-index OVA-index 80% OVA en 20% PPC 3 NEA-index (Panteia) NEA-index (Panteia)
OVA: https://www.nza.nl/documenten/vragen-en-antwoorden/wat-is-het-prijsindexcijfer-voor-personele-kosten
32
2. 3.
CPI: https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83131ned/table?fromstatweb Er wordt aangesloten bij de indexeringssystematiek van het LTA.
Verhuur accommodaties (baten) De tarieven van de sport- en welzijnsaccommodaties worden jaarlijks per 1 augustus geïndexeerd. Dit betekent dat de tarieven van sport- en welzijnsaccommodaties met ingang van 1 augustus 2025 met 3,3% worden geïndexeerd.
Begroting derden op basis van een gemeenschappelijke regeling (lasten) Een aantal budgetten is gerelateerd aan de begrotingen van derden op basis van een gemeenschappelijke regeling. Bij het opstellen van de begroting 2025 worden de meest actuele gegevens van de gemeenschappelijke regeling als uitgangspunt gehanteerd.
Te verstrekken subsidies (lasten) De te verstrekken subsidies worden met 3,3% geïndexeerd. Uitzondering hierop zijn te verstrekken subsidies waar een substantiële ‘looncomponent’ onderdeel van is. In die gevallen wordt de indexering van te verstrekken subsidies opgesplitst in: - 3,3% over het prijsgevoelige gedeelte - 3% over de looncomponent
Te ontvangen subsidies (baten) Voor te ontvangen subsidies en rijksbijdragen wordt uitgegaan van de (voorlopige) beschikking voor het betreffende begrotingsjaar (indien deze al aanwezig is). Als de beschikking voor het begrotingsjaar (nog) niet is afgegeven, wordt vooralsnog uitgegaan van de meest recente inzichten waarbij lasten en baten verhoogd worden met het indexeringspercentage van 3,3%.
Personeel gerelateerde kosten (lasten) Een aantal budgetten is gerelateerd aan de loonsom en bedraagt concernbreed 7,2% van de loonsom. Dit percentage is als volgt verdeeld over de diverse loongerelateerde budgetten:
Persoonlijke toelagen Forensenvergoeding Jubilea Gratificaties Opslagpercentage genormeerd schaalbedrag
PPN25 0,80% 1,40% 0,15% 0,30% 2,65%
Loopbaanoriëntatie
1,00%
Opleidingskosten Werving en selectie Arbo en vitaliteit Dienstreizen Overige personeelskosten Totaal % overige formatie-gerelateerde budgetten
1,80% 0,55% 0,60% 0,20% 0,40% 3,55%
Omdat deze budgetten gerelateerd zijn aan de loonsom worden ze verhoogd met de loonontwikkeling van 3%.
Verzekeringen (lasten) Voor lopende verzekeringen geldt de grondslag voor de premieberekening. Bij verzekeringen waarbij de premie wordt berekend op basis van het aantal inwoners, wordt rekening gehouden met de vastgestelde inwoneraantallen uit de kerngegevens. De prijs per inwoner mag stijgen met een indexering van 3,3%. Bij verzekeringen waarvan de premie wordt berekend aan de hand van een percentage van de verzekerde waarde wordt de verzekerde waarde geïndexeerd met 3,3%. 33
i. De investeringen die zijn opgenomen in het integraal huisvestingsplan onderwijs Op de investeringen uit het integraal huisvestingsplan onderwijs is een afwijkend percentage van toepassing. Voor deze investeringen wordt uitgegaan van de bouwkosten data (DBD-index). Omdat de peildatum na het opstellen van de (primitieve) begroting 2025 ligt, zullen deze investeringsbudgetten in de loop van 2024 en 2025 verhoogd worden.
Onvoorzien én onuitstelbaar én onontkoombaar In een beperkt aantal gevallen kan sprake zijn van onvermijdbare budgetaanpassingen. Dit zijn aanpassingen die onvoorzien én onuitstelbaar én onontkoombaar (3xO) zijn.
Kerngegevens Voor het opstellen van de begroting 2025 en de meerjarenbegroting 2026-2028 is een aantal gegevens van belang. Het gaat hierbij om de kerngegevens die van invloed zijn op de berekening van de groeigerelateerde budgetten, dus die Q (hoeveelheid) afhankelijk zijn, en een aantal andere specifieke posten zoals de algemene uitkering. In onderstaande tabel is een aantal van toepassing zijnde kerngegevens per 1 januari van het betreffende jaar opgenomen. Begrotingsrichtlijnen 2025 Gegeven Totaal aantal woningen
2025 21.583
2026 22.061
2027 22.299
2028 22.970
Prognose woningbouwproductie
149
140
146
142
Gemiddelde woningbezetting
2,37
2,34
2,33
2,30
Aantal inwoners, totaal
51.220
51.622
52.051
52.729
Aantal inwoners 0 t/m 17 jaar
10.827
10.712
10.608
10.571
Aantal inwoners, 18 t/m 64 jaar
30.395
30.432
30.548
30.824
Aantal inwoners 65 jaar en ouder
9.998
10.478
10.895
11.334
Aantal éénpersoonshuishoudens
6.328
6.468
6.618
6.796
Aantal meerpersoonshuishoudens
15.195
15.358
15.524
15.749
Toelichting op bovenstaande tabel: 1. Uitgangspunt voor het aantal woningen en inwoners is de stand per 1 januari 2023 volgens de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Houten. 2. De woonvisie 2021-2030 (vastgesteld december 2021) geeft richting aan het gewenste woningbouwprogramma van 4.750 woningen in de periode tot 2040. Voor ongeveer 1.000 woningen zijn al meer of minder concrete plannen. 3. Bron voor de gemiddelde woningbezetting is de bevolkingsprognose gemeente Houten van Pronexus (mei 2023). 4. Het verschil tussen het aantal woningen en de som van de één- en meerpersoonshuishoudens betreft vooral de incidentele leegstand van woningen.
1.4.5 Algemene uitkering De algemene uitkering in de begroting 2025 wordt gebaseerd op de meicirculaire 2024. Voor de berekening van de algemene uitkering wordt het systeem van constante prijzen gehanteerd (het jaar 2025 is lopend en de jaren 2026-2028 zijn constant). In de meicirculaire worden de prognoses voor de maatstaven binnen de algemene uitkering geactualiseerd. Voor de berekening van de stelpost voor de ruimte onder het plafond van het BTW-compensatiefonds wordt het gemiddelde van de afrekeningen van de laatste jaren gehanteerd, conform de richtlijn van de Provincie/BZK. Voor de berekening van de stelpost nog te ontvangen rijksmiddelen voor jeugdzorg wordt uitgegaan van de richtlijn van de Provincie/BZK.
1.4.6 Gemeentelijke belastingen en heffingen Uitgangspunt voor de onroerendzaakbelasting (ozb) en de toeristenbelasting is een trendmatige aanpassing (3,3%) van de begrote opbrengst. Bij de berekening van het tarief voor de ozb wordt deze verhoging als gevolg van de inflatie gecorrigeerd voor de waardeontwikkeling van de woningen en de niet-woningen. De tarieven van de overige belastingen en heffingen worden op basis van kostendekkendheid vastgesteld. Hierbij geldt als uitgangspunt dat deze kostendekkend in de begroting worden verwerkt. 34
1.4.7 Subsidieplafond Dit plafond wordt vastgesteld en opgenomen in de begroting 2025.
1.4.8 Ontwikkeling reservepositie
35