CConstaterende datHouten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - bestemmingsplan Houtens Hart NL.IMRO.0321.0630KORTESCHAFT-VSBP

Gemeenteraad 14 februari 2023, gemeente HoutenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan “Houtens Hart” aan de Korte Schaft 21a-j en 23a-j17.092 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De realisatie van 14 bedrijfswoningen kan gezien de beperkte omvang aangemerkt worden als een NIBMproject. Het aantal verkeersbewegingen dat door de woningen veroorzaakt zal worden zal 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarbij komt dat de gebruikers van de woningen de eigenaren van de bedrijfspanden zijn er daarmee al in het pand aanwezig zijn voor werkzaamheden. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Desalniettemin is in het kader van een goede ruimtelijke ordening met behulp van Atlas Leefomgeving (o.a. ministerie Î&M en RIVM) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2017 geven de volgende waarden: 20,46 μg/m³ NO2, 18,67 µg/m³ PM10 en 11,46 µg/m³ PM2,5. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden en wordt voldaan aan de door de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) en GGD bepaalde advieswaarden.

Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

23

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.

In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.

Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

24

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.

Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Met behulp van de risicokaart is gekeken of in de directe omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.

Fragment risicokaart met globale aanduiding plangebied (zwarte cirkel, bron: Risicokaart.nl)

Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen in de directe nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Wel is er een risicovolle transportroute aanwezig, namelijk de spoorlijn traject Breukelen -

25

Betuweroute Meteren. Deze transportroute kent geen plaatsgebonden risico en ook geen plasbrandaandachtsgebied. Tevens valt de planlocatie buiten het GR-plafond 10-7. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van het spoortraject. Ingevolgde artikel 7 en 8 van het Bevt is daarom een verantwoording van het groepsrisico vereist. Er is ter plaatse reeds onderzoek gedaan naar het groepsrisico voor het traject Utrecht - 's-Hertogenbosch (Windmill, P17.088.01-01, 21 maart 2017, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Dit onderzoek had betrekking op de realisatie van 25 woningen aan de Hoge Schaft, ca. 60 m ten noorden van Korte Schaft 21. Een deel van deze woningen ligt op slechts 15 meter van het spoor. Windmill concludeerde dat zowel vóór als ná planrealisatie sprake is van een groepsrisico dat ligt tussen 0,1 keer de oriëntatiewaarde en de oriëntatiewaarde. Daarmee wordt de oriëntatiewaarde niet overschreden. Als gevolg van de realisatie van 25 woningen wijzigt de personendichtheid binnen het invloedsgebied van het spoor. Aangetoond is dat deze wijziging geen toename van de hoogte van het groepsrisico veroorzaakt. Naar alle waarschijnlijkheid neemt ook door onderhavig plan het groepsrisico niet toe. Dit volgt uit een aantal factoren:

• • • •

Het plan ligt op een grotere afstand (78 m) van het spoor dan het plan aan de Hoge Schaft (15 m). Dit plan maakt minder woningen mogelijk (16 ten opzichte van 25). Alleen 's nachts neemt het risico toe; overdag zijn de eigenaren reeds aanwezig. De meeste eigenaren zullen niet iedere nacht aanwezig zijn.

Gezien het voorgaande heeft het plan geen toename van de hoogte van het groepsrisico tot gevolg. Echter dient niet alleen inzichtelijk te worden gemaakt of het initiatief gevolgen heeft voor de hoogte van het groepsrisico, maar er dient ook beschouwd te worden of het binnen het invloedsgebied van de transportroute ligt ingeval van een ongeval met toxische vloeistoffen. In het geval van de spoorlijn Breukelen - Betuweroute Meteren bedraagt het invloedsgebied meer dan 4 km, waardoor een beperkte verantwoording van het groepsrisico vereist is. Deze verantwoording is gedaan door de Veiligheidsregio Utrecht (kenmerk: 2022-004119). Navolgend is de verantwoording weergegeven. Relevante scenario’s Op het spoor kan een ongeval plaatsvinden waarbij brandbare gassen een explosie kunnen veroorzaken. De effecten van een explosie kunnen tot op een afstand van 460 meter dodelijk zijn. Ook vindt er over het spoor vervoer van zeer toxische vloeistoffen plaats die een toxische wolk kunnen veroorzaken. De effecten van een toxische wolk kunnen tot een afstand van meer dan 4000 meter dodelijk zijn. Bereikbaarheid Het is van belang dat de hulpdiensten tijdens een ramp of zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden. Een goede bereikbaarheid van het plangebied is hierbij van essentieel belang. Het plangebied is tweezijdig bereikbaar voor hulpdiensten.

Daarnaast dient de brandweer snel te kunnen beschikken over voldoende bluswater om een incident adequaat te kunnen bestrijden. Het plan voldoet aan art. 6.30 van het Bouwbesluit 2012. Dit artikel eist dat op maximaal 40 m van het bouwwerk bluswater onttrokken kan worden met een capaciteit van ten minste 30 m³/h. Zelfredzaamheid Aangezien het om bedrijfswoningen gaat wordt de zelfredzaamheid van de toekomstige bewoners voldoende geacht om zichzelf, eventueel met hulp van gezinsleden, in geval van een ramp in veiligheid te kunnen brengen. Bij een toxische wolk is het advies om binnen te blijven en de bedrijfswoningen te voorzien van afsluitbare ventilatie. Het is daarom belangrijk om de toekomstige bewoners te informeren over eventuele risico’s en hoe te handelen bij een toxische wolk. De mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een explosie zijn beperkt omdat de ontwikkeltijd gering is en de mensen in het plangebied binnenhuis onvoldoende veilig zijn. Voor een explosie is het advies om de bedrijfswoningen te voorzien van voldoende vluchtmogelijkheden om van de risicobronnen af te kunnen

26

vluchten. Verder is het belangrijk dat de toekomstige bewoners geïnformeerd moeten worden hoe ze moeten handelen bij een explosie. Conclusie Gezien het voornoemde dient er geconcludeerd te worden dat het aspect externe veiligheid de uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan niet in de weg staat.

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:

• • •

bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.

Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:

• • •

vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:

• •

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Ten opzichte van de oude Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd.

27

Planspecifiek Het voorgenomen plan brengt geen ruimtelijke ingrepen met zich mee. Er zijn geen wettelijke beschermde soorten of gebieden in het geding. Flora- en fauna onderzoek is niet noodzakelijk.

4.8 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Doordat het beoogde plan slechts een planologische wijziging inhoudt is archeologisch onderzoek niet vereist. Archeologie vormt geen belemmeringen voor voorliggend plan.

4.9 Water Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.

28

Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Planspecifiek Bij onderhavig plan wordt er geen verharding toegevoegd of water weggenomen. Watercompensatie is niet vereist. Desalniettemin is de Digitale Watertoets ingevuld (d.d. 22 juni 2022) om eventuele waterbelangen te identificeren. Hieruit volgde dat er bij voorliggend plan geen waterbelangen zijn en het plan in het kader van de watertoets uitvoerbaar is.

4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoog nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan weg rijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Voorliggend plan maakt bedrijfswoningen mogelijk. Woningen leveren verkeersgeneratie op. Dit dient inzichtelijk gemaakt te worden. Appartementen (sterk stedelijk/rest bebouwde kom) leveren een verkeersgeneratie van 5,6 verkeersbewegingen per etmaal op.

Dit leidt voor onderhavig plan tot een toename van 14 * 5,6 = 78,4 verkeersbewegingen per etmaal. In de praktijk zal dit echter lager uitvallen. De hoeveelheid verkeersbewegingen van de bedrijven neemt namelijk af, doordat ze niet meer tussen woning en werk behoeven te pendelen. Het realiseren van bedrijfswoningen leidt niet tot een significante toename van verkeer. 4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.

29

Nota Parkeernormen Houten De gemeente Houten heeft de Nota Parkeernormen Houten vastgesteld (14 december 2021) om de parkeervraag en het parkeeraanbod zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen. Deze ontwikkeling is al gestart voor vastsstelling van de nieuwe nota parkeernormen en daarom is een overgangsregeling van toepassing waarbij het oude parkeerbeleid (11 februari 2014) nog van toepassing is. Planspecifiek In de Nota Parkeernormen Houten is aangegeven dat het plangebied behoort tot de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'sterk stedelijk', zoals die gehanteerd worden in CROW-publicatie 381. Uitgaande van 14 middelgrote koopappartementen met een parkeernorm van 1,7 per woning zijn er in totaal (14*1,7)= 24 parkeerplaatsen benodigd. Als gevolg van de ontwikkeling komt circa 1.400 m2 aan bedrijfsruimte (arbeidsintensief/bezoekers extensief) te vervallen. Daarmee is er een afname van de huidige parkeerbehoefte van 28 parkeerplaatsen (1.400 m2 / 100 m2 * 2,0 pp). Het aantal parkeerplaatsen dat kan komen te vervallen is groter dan het aantal extra benodigde parkeerplaatsen. Voor deze ontwikkeling hoeven geen extra parkeerplaatsen aangelegd te worden. De gemeente Houten heeft in de Nota Parkeernormen Houten (2014) ook normen opgenomen voor het parkeren van fietsen.

Voor zowel bedrijven als woningen geldt dat er fietsenstallingen voor bezoekers moeten worden gerealiseerd (CROW, publ 381). In deze nieuwe ontwikkeling moeten fietsparkeervoorzieningen voor bezoekers van de woningen worden gerealiseerd (0,5-1 per woning en 0,5 per 100 m2 bedrijfsruimte). Verder is in het (Rijks)bouwbesluit een bepaling over bergruimte bij woningen opgenomen. In de bedrijfsruimtes is ruimte beschikbaar om het bergen van fietsen op te vangen.

30

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

• • • • • • •

Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

31

5.4 Wijze van bestemmen In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo, het Bor en recente ruimtelijke plannen van de gemeente Houten. Voor de inhoudelijke systematiek is aangesloten bij het bestemmingsplan 'Koppeling-De Schaft'. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Artikel 2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de plankaart geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In het tweede hoofdstuk komen de bestemmingen aan de orde.

De bestemmingsregels zijn zoveel als mogelijk overgenomen uit het bestemmingsplan 'Koppeling-De Schaft', aangevuld met regelingen binnen de gemeente Houten. Hierbij zijn de regels waar nodig aangepast of aangevuld, om maatwerk te kunnen leveren voor de onderhavige ontwikkeling. In het voorliggende bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor: Artikel 3 Bedrijventerrein Deze bestemming, die reeds voor het plangebied gold in het bestemmingsplan 'Koppeling-De Schaft', maakt het mogelijk diverse bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 1 en 2 uit te voeren. Daarnaast staat de bestemming kantoren, productiegebonden detailhandel en bezorgdiensten toe. In onderhavig bestemmingsplan staat deze bestemming tevens bedrijfsbewoningen toe op de eerste verdieping van de bedrijfspanden, mits ze akoestisch voldoende afgescheiden zijn van de werkzaamheden in naastgelegen panden, waarbij in totaal maximaal 14 bedrijfswoningen aanwezig mogen zijn in het plangebied. Het gebruik van deze verdieping ten behoeve van een bedrijfswoning is toegestaan onder de voorwaarde dat deze akoestisch voldoende afgescheiden zijn van het bijbehorende bedrijf, in- of uitlaten, ventilatoren of anderszins openingen in de noordelijke gevel geen hinder veroorzaken voor de omwonenden en de gevels ter plaatse van de twee aanduidingen voorzien worden van ondoorzichtige beglazing.

Dit is als zodanig vastgelegd om aan de wensen van de omwonenden, die zijn gebleken tijdens het participatieproces, tegemoet te komen. Voorts is er een afwijkingsmogelijkheid opgenomen waarmee het bevoegd gezag een dakterras op de bedrijfspanden kan vergunnen. Voorts zijn er geen mogelijkheden opgenomen bijbehorende bouwwerken te realiseren, omdat deze niet passend zijn in het plangebied. Hoofdstuk 3: Algemene regels Artikel 4 Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

32

Artikel 5 Algemene gebruiksregels Hierin is een bepaling opgenomen dat prostitutiebedrijven als strijdig gebruik worden gezien. Artikel 6 Algemene afwijkingsregels Deze bepaling heeft betrekking op geringe afwijkingen van maten en bouwgrenzen. Artikel 7 Algemene wijzigingsregels In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 8 Overgangsrecht Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Artikel 9 Slotregel Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

33

6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

• • •

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek De gemeente zal met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afsluiten. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. De overige kosten worden door middel van leges op de initiatiefnemer verhaald. Het ruimtelijke plan is hierdoor financieel uitvoerbaar.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd.

De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

34

Participatie Alle eigenaren hebben een document ondertekend waaruit blijkt dat zij op de hoogte zijn van de plannen en akkoord zijn met de herziening van het bestemmingsplan. De ongetekende versie van deze informatiebrief is toegevoegd aan de bijlagen bij toelichting bijlage 4. Tijdens de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan zijn er drie zienswijzen ontvangen, die met de initiatiefnemer zijn afgestemd en hebben geresulteerd in aanpassing van het plan. De zienswijzen met bijbehorende beantwoording zijn opgenomen in een zienswijzennota, die is bijgevoegd als bijlagen bij toelichting bijlage 5. Afgezien van de beantwoording van de zienswijzen is de initiatiefnemer alsnog met de betreffende belanghebbenden in overleg getreden, zodat er overeenstemming kon worden bereikt over de te treffen maatregelen. Van dit proces is een verslag gemaakt, waarin de aanpassingen aan het bestemmingsplan zijn beschreven (zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Ondanks dat de belanghebbenden hebben ingestemd met de aanpassingen hebben ze ervoor gekozen hun zienswijzen in stand te laten, zodat duidelijk zichtbaar blijft dat dit proces zich heeft afgespeeld. De zienswijzen, de daaropvolgende participatie en daaruit voortkomende aanpassingen leiden ertoe dat het plan gewijzigd wordt vastgesteld.

6.2.2 Vooroverleg In het kader van het wettelijk vooroverleg is het ontwerpbestemmingsplan aan de relevante vooroverlegpartners toegezonden. Door de VRU en waterschap De Stichtse Rijnlanden is inhoudelijk gereageerd op het bestemmingsplan. Hieruit zijn aanpassingen aan de paragrafen toelichting paragraaf 4.6 en toelichting paragraaf 4.9 voortgekomen.

6.2.3 Verslag zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan Houtens Hart heeft van 26 augustus 2021 gedurende zes weken voor eenieder ter inzage gelegen. In deze periode zijn drie zienswijzen ontvangen, die zijn samengevat en beantwoord in bijlagen bij toelichting bijlage 5. Zoals reeds beschreven in toelichting paragraaf 6.2.1 is de initiatiefnemer naar aanleiding van deze zienswijzen in gesprek gegaan met de betreffende belanghebbenden. Ondanks dat reclamanten hebben ingestemd met de aanpassingen hebben ze ervoor gekozen hun zienswijzen in stand te laten, zodat duidelijk zichtbaar blijft dat dit proces zich heeft afgespeeld. De zienswijzen, de daaropvolgende participatie en daaruit voortkomende aanpassingen leiden ertoe dat het plan gewijzigd wordt vastgesteld.

35

bestemmingsplan

Houtens Hart Gemeente Houten

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.0321.0630KORTESCHAFT-VSBP

Datum:

2022-12-05

Contactpersoon Buro SRO:

dhr. J.J. van Nuland | dhr. T.J. Oostrom

Kenmerk Buro SRO:

SR190085

Opdrachtgever:

Sullivan's Meubelmakerij

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleidende regels ..................................................................................................................................... 5 Artikel 1 Begrippen .................................................................................................................................................. 5 Artikel 2 Wijze van meten ......................................................................................................................................10

2 Bestemmingsregels ............................................................................................................................... 11 Artikel 3 Bedrijventerrein .......................................................................................................................................11

3 Algemene regels .................................................................................................................................... 14 Artikel 4 Anti-dubbeltelregel ..................................................................................................................................14 Artikel 5 Algemene gebruiksregels ........................................................................................................................14 Artikel 6 Algemene afwijkingsregels .....................................................................................................................14 Artikel 7 Algemene wijzigingsregels ......................................................................................................................14

4 Overgangs- en slotregels ....................................................................................................................... 16 Artikel 8 Overgangsrecht .......................................................................................................................................16 Artikel 9 Slotregel ...................................................................................................................................................16

3

4

1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan het bestemmingsplan Houtens Hart met identificatienummer NL.IMRO.0321.0630KORTESCHAFT-VSBP van de gemeente Houten;

1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

1.6 bebouwingspercentage een percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel (danwel bouwvlak of bestemmingsvlak) dat is of mag worden bebouwd;

1.7 bedrijfsgebouw een gebouw, dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten;

1.8 bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die hoort bij en functioneel gebonden is aan een bedrijf, instelling of voorziening in dat gebouw of op dat terrein waarmee er geen sprake is van een door derden bewoonde woning;

1.9 beroeps- cq. bedrijfsvloeroppervlakte de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke;

5

1.10 bestaand a.

b.

bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan legaal bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van terinzagelegging is ingediend; bij gebruik: het gebruik dat op het moment van inwerkingtreding van het plan legaal bestaat;

1.11 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak;

1.12 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.13 bezorgdienst horeca-activiteit die gericht is op het bedrijfsmatig bereiden van dranken en/of etenswaren, niet voor gebruik ter plaatse, die door middel van een persoon bij de eindgebruiker worden bezorgd;

1.14 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

1.15 bouwgrens de grens van een bouwvlak;

1.16 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en gedeeltelijke ondergrondse bouwdelen, maar met uitsluiting van geheel ondergrondse bouwdelen en zolders;

1.17 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.18 bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel;

1.19 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde zijn toegelaten;

1.20 bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;

6

1.21 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.22 dienstverlening het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder zijn begrepen kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio's en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van milieuvergunningplichtige bedrijven en instellingen en een seksinrichting;

1.23 eerste bouwlaag de bouwlaag op de begane grond;

1.24 erf- of terreinafscheiding een bouwwerk waarmee de grens tussen twee erven of terreinen wordt aangegeven;

1.25 erfbebouwing bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.26 gebouw bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.27 gevellijn de als zodanig aangegeven lijn, waar de voorgevel van een hoofdgebouw op moet zijn georiënteerd;

1.28 hinder hinder, zoals bedoeld in artikel 7:22 van het Bouwbesluit, zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, die de normen van het Activiteitenbesluit milieubeheer te boven gaan, door het onthouden van licht of lucht, of door het ontnemen van (bouwkundige-)steun, die onevenredig nadelig is voor derden;

1.29 hoofdgebouw een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

1.30 horeca-activiteiten het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse verstrekt en/of het bedrijfsmatig verstrekken van logies, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, maar met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie;

7

1.31 kantoor een voorziening gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen;

1.32 kantooractiviteiten de uitoefening van administratieve, boekhoudkundige, financiële, technische, organisatorische- en/of zakelijke dienstverlening, niet zijnde detailhandel, al dan niet met een publieksgerichte baliefunctie;

1.33 maaiveld

•

voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

•

in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein.

1.34 ondoorzichtige beglazing beglazing waarbij daglichttoetreding mogelijk is maar waarbij het niet mogelijk is van binnen naar buiten te kijken;

1.35 opslag het in bewaring houden van goederen;

1.36 overig bouwwerk Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;

1.37 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een (gesloten) dak, zonder eigen wanden;

1.38 pand de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is;

1.39 peil a.

niveau van het maaiveld;

b.

voor zover blijkt uit de betreffende bestemmingsregeling;

of

1.40 perceelgrens de grens van een bouwperceel;

8

1.41 productiegebonden detailhandel detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie;

1.42 prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

1.43 prostitutiebedrijf prostitutie in een daarvoor ingerichte ruimte en in dienstverband (seksclub, bordelen, privé-huizen), niet zijnde sekswinkels, seksbioscopen, sekstheaters en daarmee gelijk te stellen bedrijfstypen;

1.44 woning een complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één zelfstandig huishouden, niet zijnde een woonschip, of -ark;

9

Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 Meetmethode 2.1.1 lengte, breedte en diepte van bouwwerken tussen de verst van elkaar gelegen punten van die werken, horizontaal gemeten;

2.1.2 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.1.3 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.1.4 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.1.5 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de (fictieve) buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van een gebouw of van een overig bouwwerk;

2.1.6 onderlinge afstanden afstanden tussen bouwwerken onderling en ook afstanden van bouwwerken tot erfafscheidingen worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn;

2.2 Uitzonderingen 2.2.1 Ondergeschikte bouwdelen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.

10

2 Bestemmingsregels Artikel 3 Bedrijventerrein 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.

b. c. d. e. f. g. h. i.

bedrijfsactiviteiten voor zover deze behoren tot de categorieën 1 en 2 van de van deze voorschriften deel uitmakende "Staat van bedrijfsactiviteiten" met uitzondering van inrichtingen als bedoeld in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer; kantooractiviteiten, ten dienste van de onder a genoemde activiteiten; bedrijfswoningen op de tweede bouwlaag waarbij het maximaal aantal woningen per bedrijf niet meer mag bedragen dan 1 en het totaal aantal bedrijfswoningen maximaal 14 bedraagt; productiegebonden detailhandel; horeca-activiteiten in de vorm van bezorgdiensten; verkeer en verblijf; water; groenvoorzieningen; nutsvoorzieningen.

3.2 Bouwregels 3.2.1 Algemeen Ten behoeve van de in artikel 3 lid 1 genoemde doeleinden mogen de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouw zijnde en werken, geen bouwwerk zijnde worden gerealiseerd, met inachtneming van: a. b.

de in artikel 3 lid 2.2 en artikel 3 lid 2.3 genoemde regels; de aangegeven bouw- en maatvoeringsaanduidingen.

3.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. b. c. d. e.

een gebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; het bebouwingspercentage mag per bouwperceel niet meer bedragen dan die door de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' is aangegeven; de minimale respectievelijk maximale hoogte van gebouwen mag niet minder bedragen dan die door de aanduiding 'minimale-maximale bouwhoogte' is aangegeven; de afstand tussen gebouwen bedraagt minimaal 3 meter, tenzij gebouwen aaneen worden gebouwd; de oppervlakte van kantooractiviteiten mag niet meer bedragen dan 50% van de totale bedrijfsvloeroppervlakte.

3.2.3 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de hoogte van: a. b. c.

licht- en vlaggenmasten ten hoogste 6 meter mag bedragen; erf- en terreinafscheidingen ten hoogste 2 meter mag bedragen; overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten hoogste 2 meter mag bedragen.

11

3.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, op grond van het bepaalde in artikel 3.6, lid 1, sub d van de Wet ruimtelijke ordening, nadere eisen te stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van de afstand van de bebouwing tot de perceelsgrens, indien: a.

ten behoeve van de stedenbouwkundige inpassing van de gebouwen, gebouwdelen en reclameuitingen, de nadere eisen vanuit het oogpunt van brandveiligheid en bereikbaarheid noodzakelijk zijn.

3.4 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan ter plaatse van de aanduiding 'terras' via een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 2 ten behoeve van het realiseren van een dakterras, waarbij de hoogte van terrashekjes en (dak)terrasafscheidingen niet meer mag bedragen dan 1,50 m vanaf de dakvloer. 3.5 Specifieke gebruiksregels 3.5.1 Verboden gebruik Tot een verboden gebruik als bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening wordt in ieder geval gerekend: a.

het gebruik van gronden ten behoeve van opslag buiten gebouwen.

3.5.2 Voorwaardelijke verplichting gebruik bedrijfswoning Het gebruik van de tweede bouwlaag van een gebouw ten behoeve van een bedrijfswoning, zoals bedoeld in artikel 3 lid 1 sub c, is alleen toegestaan onder de voorwaarde dat: a.

b.

c.

d.

deze bouwlaag voldoende akoestisch is afgescheiden van de bedrijfsvoering van aangrenzende panden waarvan de bedrijfswoning geen onderdeel uitmaakt en voldoet aan de grenswaarden voor aanpandige gevoelige gebouwen zoals bepaald in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; de gevelopeningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein voorwaardelijke verplichting 1' voorzien worden van vaststaande en ondoorzichtige beglazing en zodanig in stand worden gehouden; in- of uitlaten, ventilatoren of anderszins openingen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - voorwaardelijke verplichting 1' geen hinder, zoals bedoeld in artikel 1.27, veroorzaken; de gevelopeningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein voorwaardelijke verplichting 2' voorzien worden van vaststaande en ondoorzichtige beglazing en zodanig in stand worden gehouden.

3.6 Afwijken van de gebruiksregels 3.6.1 Afwijken Staat van bedrijfsactiviteiten Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 1 sub a voor de uitoefening van bedrijfsactiviteiten die niet voorkomen in de tot het plan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten, mits: a.

b.

die niet voorkomen in de tot het plan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten, voor zover die bedrijfsactiviteiten naar aard en omvang maximaal gelijk te stellen zijn aan de in de Staat van bedrijfsactiviteiten genoemde bedrijfsactiviteiten, danwel behoren tot de naasthogere subcategorie uit de tot het plan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten, voor zover die bedrijfsactiviteiten naar aard en omvang maximaal gelijk te stellen zijn aan de toegelaten bedrijfsactiviteiten en deze overigens voldoen aan het bepaalde in dit artikel;

Voorgaande ontheffingen kunnen slechts verleend worden mits er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

12

c. d. e. f. g.

het straat- en bebouwingsbeeld; de verkeersveiligheid; de sociale veiligheid; de milieusituatie; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

3.7 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen, op grond van het bepaalde in artikel 3.6, lid 1, sub a van de Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen ten behoeve van: a. b.

het onderbrengen van bedrijfsactiviteiten in een andere categorie, indien op grond van technologische ontwikkelingen de in de "Staat van bedrijfsactiviteiten" vermelde categorie niet meer de juiste is; het toevoegen van bedrijfsactiviteiten aan een bepaalde categorie van de "Staat van bedrijfsactiviteiten", mits deze activiteit naar haar aard en invloed op de omgeving kan worden gelijkgesteld met de in de betreffende categorie opgenomen bedrijfsactiviteiten.

13

3 Algemene regels Artikel 4 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 5 Algemene gebruiksregels a. b.

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik ten behoeve van een prostitutiebedrijf; Voor zover het ingevolge de regels mogelijk is om bouwwerken buiten en aangrenzend aan de betreffende bestemming te bouwen, is het op die gronden tevens toegestaan deze bouwwerken ten behoeve van die betreffende bestemming te gebruiken.

Artikel 6 Algemene afwijkingsregels Burgemeester en wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de bestemmingsregels: a.

b. c.

d.

ten aanzien van maximale en minimale hoogte-, breedte, oppervlakte- en inhoudsmaten voor bebouwing mits: 1. de afwijking van enige maat ten hoogste 10% bedraagt; 2. de bestemmingsgrens, dan wel het bebouwingsvlak aan de wegzijde niet wordt overschreden. ten aanzien van de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken, en hierbij toestaan dat de bouwhoogte van de bijbehorende bouwwerken, wordt vergroot tot maximaal 9,9 meter; ten aanzien van de hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van bijbehorende bouwwerken, ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot maximaal 40 meter, onder de volgende voorwaarden: 1. losse masten met hekwerken, gebouwtjes e.d. zijn alleen toegestaan: ▪ binnen de bebouwde kom op bedrijventerreinen; 2. installaties op of aan een gebouw zijn alleen toegestaan: ▪ op gebouwen vanaf 6 bouwlagen; bij voorkeur op een plat dak en zo ver mogelijk van een dakrand, met dien verstande dat bijzondere en waardevolle gebouwen in beginsel geheel dienen te worden ontzien, zonodig in overleg met de monumentencommissie; ▪ tegen gevels aan; wanneer de invloed van die installaties geen afbreuk doen aan de aanwezige kwaliteiten; ten behoeve van het toestaan van nutsgebouwen met een maximale hoogte, oppervlakte en inhoud van respectievelijk 5 m, 25 m² en 75 m³;

Artikel 7 Algemene wijzigingsregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van: a.

overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de

14

b.

c.

werkelijke toestand van het terrein. De overschrijding mag echter niet meer bedragen dan 3 meter en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot; overschrijding van bestemmingsgrenzen en toestaan dat het beloop van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of intensiteit daartoe aanleiding geeft. De overschrijding mag echter niet meer bedragen dan 3 meter en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot; het aanpassen van opgenomen regels in de voorafgaande artikelen, waarbij verwezen wordt naar regels in wettelijke regelingen, indien deze wettelijke regelingen na het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpplan worden gewijzigd.

15

4 Overgangs- en slotregels Artikel 8 Overgangsrecht 8.1 Overgangsrecht voor bouwwerken a.

b.

c.

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuw of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen 2 jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in lid a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid a onder 1 van dit artikel met maximaal 10%. Het bepaalde in lid a van dit artikel is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

8.2 Overgangsrecht voor gebruik a. b.

c.

d.

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met het plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. Indien het gebruik, bedoeld in lid a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. Het bepaalde in lid a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Houten&id=c1e225ff-98c2-471a-bc80-1755d7aafef6