CConstaterende datHouten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1-a Ruimtelijke_Onderbouwing_Kindcentrum_De_Velduil v3.pdf

Gemeenteraad 7 oktober 2021, gemeente HoutenBij agendapunt: Nieuwbouw Kindcentrum De Velduil (OBS) en sporthal Eggeveld26.220 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Kindcentrum De Velduil

Kindcentrum De Velduil status: definitief

Kindcentrum De Velduil

Inhoudsopgave

Ruimtelijke onderbouwing

4

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

5 5 5 6 6

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie

7 7 8

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid

11 11 14 15

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Bedrijven en milieuzonering 4.2 Geluid 4.3 Externe veiligheid 4.4 Luchtkwaliteit 4.5 Bodem 4.6 Ecologie 4.7 Verkeer en parkeren 4.8 Water 4.9 Archeologie en cultuurhistorie 4.10 Duurzaamheid 4.11 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

17 17 17 17 19 23 24 25 26 28 29 30

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

32 32 32

Bijlagen

32

Bijlage 1

Ontwerptekening school

33

Bijlage 2

Watertoets

36

Bijlage 3

Vooronderzoek bodem

41

Bijlage 4

Verkennend bodemonderzoek

57

Bijlage 5

Verkeer- en parkeeronderzoek

98

Bijlage 6

Beknopte natuurtoets

108

Bijlage 7

Geohydrologisch onderzoek

117

3

Kindcentrum De Velduil

Ruimtelijke onderbouwing

4

Kindcentrum De Velduil

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Stichting Openbaar Onderwijs Houten, de initiatiefnemer van dit project, is voornemens ter plaatse van de basisschool De Velduil op de locatie Eggeveld een nieuw kindcentrum op te richten. Het bestaande gebouw voldoet niet meer aan de huidige wensen en eisen. Bovendien is de bestaande capaciteit van het gebouw niet meer voldoende voor de bestaande vraag. Het bestaande gebouw wordt hiertoe gesloopt en het perceel wordt heringericht. Het nieuwe gebouw wordt op nagenoeg dezelfde plaats als het bestaande gebouw opgericht. De vorm en de positionering zullen wel verschillen van de bestaande bebouwing. Op het perceel staat ook een gymzaal. Deze wordt ook gesloopt en herbouwd op een andere locatie op het perceel. Op basis van de geldende beheersverordening 'Houten Noord en Zuid' is de nieuwbouw van het voorgenomen gebouw niet mogelijk. Enkel gebruik van bestaande bebouwing is toegestaan. Om deze reden wordt een omgevingsvergunning aangevraagd, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van de beheersverordening. Ter onderbouwing van deze omgevingsvergunningaanvraag is deze ruimtelijke onderbouwing opgesteld.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de noordzijde van de kern Houten in de wijk 'De Geer'. Het plangebied ligt aan het Eggeveld. Het plangebied is gelegen in een woonwijk. Het plangebied is dan ook omringd door burgerwoningen. Op circa 150 meter ten noorden van het plangebied is nog een basisschool gelegen. Aan de zuidzijde van het plangebied is een park met een klein bosje gelegen. Op onderstaande afbeeldingen zijn de ligging en de begrenzing van het plangebied weergegeven.

Afbeelding 1: Ligging plangebied De Velduil in Houten

5

Kindcentrum De Velduil

Afbeelding 2: Plangebied De Velduil

1.3

Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt op het moment de beheersverordening 'Houten Noord en Zuid', vastgesteld door de raad op 20 juni 2013. Ter plaatse van het plangebied zijn geen enkel- of dubbelbestemmingen opgenomen. Ter plaatse van het plangebied geldt een besluitsubvlak 'Maatschappelijk'. De bebouwing ter plaatse mag hier gebruikt worden voor maatschappelijke voorzieningen en sportvoorzieningen.

1.4

Leeswijzer

In het volgende hoofdstuk wordt de huidige en toekomstige situatie van het plangebied omschreven. Vervolgens komt in Hoofdstuk 3 het ruimtelijk beleid van het Rijk, de provincie Utrecht en gemeente Houten aan de orde. De resultaten van diverse onderzoeken komen in Hoofdstuk 4 aan bod. Ten slotte gaat Hoofdstuk 5 kort in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

6

Kindcentrum De Velduil

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Bestaande situatie

Op het moment is ter plaatse van het plangebied de bestaande basisschool De Velduil aanwezig. Het plangebied is voor een aanzienlijk deel bebouwd met het schoolgebouw. Het overige deel van het perceel is ingericht als schoolplein met tevens aan de zuidzijde van het schoolgebouw een buurtmoestuin, welke door mensen uit de buurt gebruikt en onderhouden wordt. Aan de randen van het perceel zijn parkeerplaatsen gelegen. Het bestaande schoolgebouw is over het algemeen één bouwlaag hoog met op verschillende plaatsen een kap op deze bouwlaag. Ter plaatse van de gymzaal aan de noordzijde van het plangebied is het gebouw twee bouwlagen hoog. Het gebouw past daarmee goed in de omgeving qua bouwhoogte. De omliggende woningen zijn ongeveer even hoog als het schoolgebouw. Op onderstaande afbeeldingen zijn enkele beelden van de omgeving weergegeven.

Afbeelding 3: Schoolgebouw gezien vanaf westzijde (achterzijde). Bron: Google Maps.

7

Kindcentrum De Velduil

Afbeelding 4: Schoolgebouw gezien vanaf noordzijde. Bron: Google maps.

Afbeelding 5: Schoolgebouw en plein gezien vanaf oostzijde. Bron: Google maps.

2.2

Toekomstige situatie

De initiatiefnemer is voornemens om het bestaande schoolgebouw te slopen en hiervoor in de plaats een nieuw gebouw op te richten wat voldoet aan de huidige wensen en eisen van de gebruikers. Op het perceel staat ook een sportzaal. Deze wordt ook gesloopt en herbouwd op een andere locatie op het perceel. Tevens wordt de gelegenheid gebruikt om het plein te herinrichten. In de toekomstige situatie wordt een compact kindcentrum opgericht op het perceel. Het gebouw wordt twee bouwlagen hoog. Het gebouw wordt niet geheel volgens de perceelsgrenzen op het kavel georiënteerd, maar juist onder een hoek zodat een optimale bezonningshoek wordt gecreëerd. De gymzaal op het perceel wordt nog optimaal gebruikt, zowel overdag door het onderwijs als in de avond door (sport)verenigingen. Met de keuze voor nieuwbouw van de school kan de gymzaal niet op de huidige plek en vorm worden behouden. De gymzaal wordt in de nieuwe situatie apart gezet van het hoofdgebouw en komt

8

Kindcentrum De Velduil

op een andere locatie op het plein te staan. Op onderstaande afbeelding zijn de plattegrond van de nieuwe situatie weergegeven en een impressie van het nieuwe gebouw. De plattegrond van het gebouw is tevens opgenomen in Bijlage 1.

Afbeelding 6: Nieuwe indeling perceel De Velduil

9

Kindcentrum De Velduil

Afbeelding 7: Impressie nieuw gebouw De Velduil

Het initiatief voorziet in de realisatie van een groene buitenruimte rond de school, en dient als een verlengstuk van het park. De verbinding tussen de achterliggende wijk en het park wordt door de inrichting van het schoolplein versterkt. Op het plein staan verschillende duurzame speeltoestellen van hout en een doorlopende lijn met verlichtingselementen. Rond de school loopt een pad dat door de kinderen als renbaan gebruikt kan worden. Tegelijkertijd dient het pad om de verschillende gebieden en entrees van de school te verbinden. Een deel van het schoolplein wordt in groen uitgevoerd, en een deel van het plein wordt in verharding uitgevoerd. De verharding wordt gerealiseerd dor betontegels in verschillende kleuren. Circa 27% van het schoolplein wordt verhard. Het overige deel wordt onverhard. De buurtmoestuin blijft behouden. De locatie van de moestuin blijft ongewijzigd. Wel wordt de moestuin iets kleiner: deze krijgt een oppervlak van 250 m2 . Er komt een hekwerk met haag rondom de moestuin met twee entrees. Één richting het park, de ander richting de school. De opslag van de moestuin zit in één van de torentjes van de school.

10

Kindcentrum De Velduil

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI, 2020), geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en ontwikkelingen van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI wordt ingegaan op urgente opgaven die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Deze opgaven omvatten onder andere klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Het uitgangspunt in de aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Nationale belangen en vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Er zijn 21 nationale belangen beschreven waarop de nationale overheid zich in de NOVI richt. Nationale belangen zijn de inhoudelijke belangen bij de fysieke leefomgeving waarbij het Rijk een rol voor zichzelf ziet en waarvoor het kabinet in politieke zin aanspreekbaar is. De behartiging van de nationale belangen en de realisatie van de daaruit voortvloeiende beleidsdoelen en opgaven gebeurt niet alleen door het Rijk. Er zijn vier prioriteiten waar het Rijk op wil sturen en richting geven: Prioriteit 1: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Prioriteit 2: Duurzaam economisch groeipotentieel. Prioriteit 3: Sterke en gezonde steden en regio's. Prioriteit 4: Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Uitvoering De NOVI gaat vergezeld van een Uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda vindt u onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen.

De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd.

11

Kindcentrum De Velduil

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel de AMvB Ruimte genoemd, is op 22 augustus 2011 vastgesteld en in oktober 2012 aangevuld. Het Barro heeft als doel om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen. De AMvB is het inhoudelijke beleidskader van het rijk waaraan ruimtelijke besluiten op provinciaal en gemeentelijk niveau moeten voldoen. Dat betekent dat de AMvB regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. De algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Inhoudelijk gaat het om nationale belangen die samenhangen met het beschermen van ruimtelijke functies, zoals natuur in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), of met het vrijwaren van functies. Het besluit bevat alleen die nationale ruimtelijke belangen, die via het stellen van regels aan de inhoud of toelichting van bestemmingsplannen (of daarmee vergelijkbare besluiten) beschermd kunnen worden. 3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze verplichte toetsing is verder vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De Ladder houdt in dat overheden nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten motiveren met oog voor de onderliggende vraag in de regio, de beschikbare ruimte binnen het bestaande stedelijke gebied en een multimodale ontsluiting. Per 1 juli 2017 is een wijziging van de Ladder voor duurzame verstedelijking in werking getreden. De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing als er sprake is van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i Bro: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Als een ruimtelijk besluit, zoals een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning met een goede ruimtelijke onderbouwing, voorziet in nieuwe planologische bouwmogelijkheden, dan kwalificeren deze bouwmogelijkheden in beginsel als een "stedelijke ontwikkeling" als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 aanhef en onder i Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het moet wel gaan om bouwmogelijkheden van enige omvang.

Zeer kleinschalige bebouwingsmogelijkheden of functiewijzigingen "sec" die niet voorzien in een toename van het ruimtebeslag kwalificeren niet als een stedelijke ontwikkeling. Deze ruimtelijke onderbouwing betreft de ontwikkeling van een nieuw kindcentrum en een gymzaal. Het plan dient ter vervanging van een bestaand schoolgebouw ter plaatse. Maatschappelijke functies, waaronder scholen, zijn als een stedelijke functie aangemerkt. Om deze reden dient een toetsing aan de 'Ladder voor Duurzame Verstedelijking' plaats te vinden. 1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? In de eerste plaats dient onderzocht te worden of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Met betrekking tot scholen of andere maatschappelijke functies is vastgesteld dat er in de eerste instantie sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Een verdere toetsing aan de ladder is noodzakelijk. 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? In de tweede plaats moet onderzocht worden of de stedelijke ontwikkeling nieuw is. Op basis van jurisprudentie is vastgelegd dat een stedelijke ontwikkeling met betrekking tot onder andere maatschappelijke functies als nieuw is aan te merken wanneer er sprake is van een toename in het ruimtebeslag. Voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd binnen het huidige perceel van de school. Er worden geen functies van omliggende gronden gewijzigd ten behoeve van de school.

Het bruto vloeroppervlak van het

12

Kindcentrum De Velduil

nieuwe schoolgebouw verandert wel ten opzichte van de huidige situatie. De footprint van de school blijft nagenoeg gelijk. Al met al is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een verdere toetsing aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking is niet noodzakelijk. Wel dient de behoefte aan het initiatief aangetoond te worden. Behoefte aan de ontwikkeling Op 1 augustus 2019 zijn de openbare basisscholen Klavertje Vier en De Brug gefuseerd. Het schoolbestuur heeft de locatie van Klavertje Vier aangewezen als de locatie voor de nieuwe fusieschool, De Velduil. Dit schoolgebouw met gymzaal uit 1983 vertoont zowel op bouwkundig, onderwijskundig als installatietechnisch gebied tekenen van veroudering. De aan de school vast gebouwde gymnastiekzaal voldoet eveneens technisch en functioneel niet meer aan de eisen zoals die op dit moment gelden volgens de regels van de KVLO (Koninklijke Vereniging voor Lichamelijke Opvoeding). De gymzaal wordt nog optimaal gebruikt, zowel overdag door het onderwijs als in de avond door (sport)verenigingen. In het ruimteaanbod van de binnensportaccommodaties is deze gymzaal onmisbaar. Met de keuze voor nieuwbouw van de school kan de gymzaal niet op de huidige plek en vorm worden behouden. In 2023 mag het schoolgebouw als afgeschreven worden beschouwd.

Voor de Velduil is onderzoek gedaan naar zowel renovatie en uitbreiding van het huidige gebouw als naar een volledige nieuwbouw. Daartoe heeft aanbesteding van een architect plaatsgevonden. De conclusie is dat renovatie met uitbreiding van het gebouw maar een marginaal lagere investering (- € 80.000) vergt dan nieuwbouw. Vooral ten aanzien van het behalen van duurzaamheidseisen vergt een renovatie extra middelen. De nieuwbouw van zowel het schoolgebouw als de gymnastiekzaal levert de school zowel functioneel als ruimtelijk de meest optimale onderwijshuisvesting op. Het nieuwe gebouw gaat, onderbouwd door de laatste leerlingenprognose, ruimte bieden aan 340 leerlingen. Tevens wordt de huisvesting van Kind en Co opgenomen in het schoolgebouw voor de peuteropvang. Op onderstaande afbeelding zijn de prognoses opgenomen. De prognoses voor het voorgenomen initiatief zijn groen gemarkeerd.

Tabel 1: leerlingprognoses Houten. Voorliggend initiatief groen gemarkeerd.

13

Kindcentrum De Velduil

3.1.4

Conclusie

Het initiatief is getoetst aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Een uitgebreide toetsing aan de ladder is niet noodzakelijk. De ladder vormt geen verdere belemmering voor het initiatief. De behoefte aan het initiatief is aangetoond. Het initiatief is voor het overige niet strijdig met het nationale beleid.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie provincie Utrecht

Op 10 maart 2021 is de Omgevingsvisie provincie Utrecht vastgesteld. In deze Omgevingsvisie legt de provincie haar integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vast. Dat is inclusief sociale aspecten die fysiek neerslaan, zoals toegankelijkheid en inclusiviteit. De Omgevingsvisie is een samenvoeging van onder andere de ruimtelijke structuurvisie, mobiliteitsvisie, natuurvisie en het bodem-, water- en milieuplan. De provincie wil dat de provincie Utrecht het groene, gezonde en slimme middelpunt van Nederland blijft, ook in 2050. Daarbij staat zij voor een flinke uitdaging: het aantal inwoners, woningen, banen en verplaatsingen groeit fors. Het grondgebied is te klein om al deze ruimtevragers los van elkaar een plek te bieden. De grootste opgave is daarmee de vraag hoe wij de verschillende functies ruimtelijk met elkaar kunnen combineren. Ook zal het nodig zijn om prioriteiten te stellen en keuzes te maken. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van de gezonde en veilige leefomgeving.

In 2050 is er een inclusieve en circulaire provincie Utrecht: waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft. Deze zeven thema’s vragen om een brede blik. Ze staan niet op zichzelf, maar kennen samenhang en relaties in boven- en ondergrond. Deze worden bezien vanuit het algemene belang, de integrale aanpak en de lange termijn. De zeven thema’s zorgen gezamenlijk voor integrale, toekomstgerichte oplossingen voor de opgaven waarmee de Utrechtse kwaliteiten per saldo worden behouden of versterkt. Dit bereiken we door nieuwe ontwikkelingen te combineren en te concentreren,zorgvuldig om te gaan met de schaarse ruimte en kwaliteiten en door ontwerp en innovatie te stimuleren. Al deze thema’s zijn in verband te brengen met het streven naar een duurzame, circulaire en in alle opzichten gezonde en vitale provincie. Dit betekent dat herbruikbaarheid van grondstoffen en producten ontstaat en dat waardevernietiging en verlies aan biodiversiteit wordt voorkomen.

Kortom: met de ambities in deze Omgevingsvisie dragen wij bij aan het verbeteren van de brede welvaart waarbij wij onder brede welvaart zowel de kwaliteit van leven in het hier en nu verstaan, als die van latere generaties of die van mensen elders in de wereld. Planspecifiek Voorliggend initiatief draagt bij aan de ambities van de provincie Utrecht. Ter plaatse wordt gezorgd voor een klimaatbestendige en duurzaam ingericht kindcentrum. Het initiatief draagt bij aan de doelen van de provinciale omgevingsvisie en is voor het overige niet strijdig.

14

Kindcentrum De Velduil

3.2.2

Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht

Op 10 maart 2021 is, samen met de provinciale omgevingsvisie, de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht vastgesteld. De omgevingsverordening legt de beleidsthema's zoals uitgewerkt in de provinciale omgevingsvisie vast in concrete regelgeving. Voor dit initiatief zijn de volgende artikelen uit de verordening van toepassing: Artikel 2.10 Instructieregel overstroombaar gebied: het plangebied is aangemerkt als overstroombaar gebied Een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als 'overstroombaar gebied' bevat bestemmingen en regels die rekening houden met overstromingsrisico's. Binnendijks is dit van toepassing op kwetsbare en vitale objecten en woonwijken en bedrijven. Buitendijks is dit ook van toepassing op individuele woningen en bedrijven. Het plangebied is binnendijks gelegen en heeft betrekking op de realisatie van een nieuw kindcentrum. Een nadere uitwerking van overstromingsrisico's voor dit plangebied is daarmee niet noodzakelijk. Artikel 9.15: Het plangebied is aangemerkt als stedelijk gebied. In dit gebied kunnen bestemmingsplannen worden opgesteld die regels bevatten voor verstedelijking. Van verstedelijking is sprake als een ruimtelijk besluit ten opzichte van het vigerende planologische regime nieuwe mogelijkheden biedt voor vestiging of uitbreiding van stedelijke functies.

Het realiseren van een nieuw kindcentrum ter vervanging van een basisschool kan volgens de Interim Omgevingsverordening worden aangemerkt als een stedelijke functie. Daarmee is er sprake van een verdere verstedelijking van het stedelijke gebied.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Toekomstvisie Proeftuin Houten 2025

De Toekomstvisie Proeftuin Houten 2025 is op 9 juni 2015 vastgesteld door de raad van de gemeente Houten. In deze visie wordt een koers voor Houten tot aan 2025 vastgelegd. Houten is in 2025 duurzaam, innovatief en kleinschalig. Met oog voor elkaar, veel ruimte voor experiment en initiatief bij inwoners. Vijf principes staan centraal om houvast te geven en weg te wijzen naar de toekomst: 1.

We stellen de mens centraal

Met 50.000 inwoners heeft Houten een schaal bereikt waar mensen elkaar kennen en herkennen. Houten kiest daarom niet voor een nieuwe groeitaak. Er is nog wel plek voor nieuwe woningen, ook in de kleine kernen, maar de bouwlocaties zijn kleinschalig. 2.

We waarderen verschillen

De samenstelling van de bevolking is in 2025 een stuk gevarieerder, waarbij Houten een tolerante, inclusieve samenleving is waar plek is voor jongeren, ouderen, autochtonen en allochtonen, hoger en lager opgeleiden. 3.

We zijn zuinig op onze omgeving

In 2025 is Houten een circulaire stad. Een stad 'in balans' is goed voor het leefklimaat van bewoners, voor de gezondheid, voor de omringende natuur en voor de toekomstige generaties. Technische innovaties worden omarmd waardoor Houten in 2025 stiller, schoner en klimaatvriendelijker is. 4.

We bouwen voort op ons ruimtelijk DNA

Het ruimtelijk DNA van Houten is robuust en toekomstbestendig; de groenzones, het fietspadenstelsel, de rondweg van Houten, de centrumgebieden, de weidse buitengebieden en de cultuurhistorische schatten onder en boven de grond. Al deze elementen dragen bij aan een Houten waar het ontspannen wonen, werken en leven is.

15

Kindcentrum De Velduil

5.

We zijn actief in de regio

Houten maakt onlosmakelijk onderdeel uit van het stedelijk gebied in en rond Utrecht. Tegelijkertijd ligt Houten in de rust en ruimte van het Eiland van Schalkwijk, de Kromme Rijn en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Enerzijds is sprake van gezamenlijke opgaven rond economie, mobiliteit, wonen, zorg en duurzaamheid (stedelijke oriëntatie). Anderzijds is er een ruimtelijke oriëntatie op het Kromme Rijngebied en de Lekstroom waarbij vraagstukken over natuur- en waterbeheer, recreatie, plattelandsontwikkeling en cultuurhistorie centraal staan. Houten is in 2025 een plek waar mensen zich vrij voelen om te ondernemen en te pionieren in de omvang met veranderingen die op ons afkomen: Houten als Proeftuin van de regio. De gemeente werkt momenteel aan een 'ruimtelijke koers'. Verwacht wordt dat dit geen gevolgen heeft voor het plangebied. Planspecifiek en conclusie De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een nieuw kindcentrum. De planlocatie valt binnen stedelijk gebied en voorziet niet in een functiewijziging van bestaande gronden. Door het initiatief in te passen in de huidige structuren en beter aan te sluiten bij de schaal van omliggende percelen wordt eenheid gecreëerd met de directe omgeving.

Tevens voorziet de ontwikkeling in een kindcentrum wat voldoet aan de laatste eisen en wensen, en voorziet daarmee in een locatie waar aandacht en zorg besteed wordt aan de Houtense jeugd. De beoogde ontwikkeling is daarmee met name een uitwerking van de principes 'we stellen de mens centraal', 'we zijn zuinig op onze omgeving' en 'we bouwen voort op ons ruimtelijk DNA'. Geconcludeerd dient te worden dat het initiatief een positieve bijdrage levert aan de principes uit de toekomstvisie. 3.3.2

Programma Duurzaam Houten 2016-2018

Het meenemen van duurzaamheid in projecten wordt door steeds meer partijen en gemeenten belangrijk gevonden. Zo vormt ook duurzaamheid een belangrijk uitgangspunt voor de gemeente Houten. Op 5 juli 2016 heeft de gemeenteraad met grote meerderheid het nieuwe Programma Duurzaam Houten 2016-2018 goedgekeurd. Het Programma Duurzaam Houten bouwt voort op de doelen en aanpak uit het milieubeleidsplan 2010 - 2015 en de toekomstvisie Proeftuin Houten 2025. In het programma Duurzaam Houten staan de doelen voor en inspanningen tot 2018. Het programma is verdeeld over 4 thema's: Energie, Groen & klimaatproof, Kringlopen en Duurzame mobiliteit. Wat betreft doelstellingen op het gebied van Energie wordt de focus gelegd op het bevorderen van duurzame energieproductie en op het besparen van energie (energieverbruik). Bijna energieneutrale gebouwen (BENG) Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen. BENG vloeit voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese richtlijn EPBD. De voorgenomen BENG-eisen gelden alleen voor nieuwbouw. Planspecifiek en conclusie De gemeente Houten streeft naar duurzame ontwikkelingen.

Meer concreet is het doel voor een duurzaam Houten in 2040: klimaat- en energieneutraal, stil en schoon, met volop groen en water, natuurlijk materiaalgebruik en (lokaal) gesloten kringlopen. Het nieuwe gebouw zal, gezien de huidige wetgeving, gasloos zijn en voldoen aan de BENG-eisen. Het voornemen is om het gebouw energieneutraal op te richten. De beoogde ontwikkeling sluit daarmee aan bij het Programma Duurzaam Houten 2016-2018.

16

Kindcentrum De Velduil

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader In het kader van de Wet milieubeheer dient in nieuwe situaties rekening te worden gehouden met (wenselijke) afstanden tussen bepaalde milieubelastende functies en milieugevoelige functies. In de uitgave Bedrijven en Milieuzonering (2009) is een richtafstandenlijst opgenomen. In de lijst is voor allerlei soorten "milieubelastende activiteiten" aangegeven welke richtafstanden vanwege geur, stof, geluid en gevaar bij voorkeur aangehouden moeten worden ten opzichte van "milieugevoelige activiteiten". De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Plangebied Een school betreft een functie met milieuzonering. Op basis van de VNG uitgave dient in de eerste instantie een afstand van 30 meter tot gevoelige functies aangehouden te worden. In de nabijheid van het plangebied zijn woningen gelegen. Woningen zijn aangemerkt als gevoelige functies in het kader van bedrijven en milieuzonering. Op een plaats liggen deze woningen dichter dan 30 meter bij de school. Dit is in de huidige situatie reeds het geval. In de nieuwe situatie blijft de functie van het terrein gelijk, namelijk een school en een gymzaal. Wel zullen de positionering van het schoolgebouw en het plein veranderen. Het schoolplein komt daarbij dichter bij de woningen aan Eggeveld. Hiervoor is een nader onderzoek uitgevoerd.

Conclusie Een school kan geluidgevoelige objecten in de omgeving belasten, zoals woningen. Bepalend voor die belasting is het geluid van kinderen op het schoolplein. Er is echter reeds een school op de locatie aanwezig. Vanwege verplaatsing van het schoolplein is een nader onderzoek uitgevoerd.

4.2

Geluid

Toetsingskader In het kader van de Wet geluidhinder is bij de vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek vereist naar de geluidsbelasting op geluidgevoelige bestemmingen vanwege industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai. Dit geldt alleen voor (geplande) geluidgevoelige bestemmingen die binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein liggen. Een school is een geluidgevoelige bestemming. Situatie plangebied Op de locatie is reeds een schoolgebouw mogelijk. Het is dan ook geen nieuwe geluidgevoelige bestemming. Het plangebied is echter niet gelegen in de nabijheid van geluidgenererende functies zoals wegen met een maximum snelheid van 50 km/ uur of hoger. Ook ligt het plangebied niet in de geluidzone van een spoorweg. Nader onderzoek naar geluidsbelasting op het nieuwe schoolgebouw is niet noodzakelijk. Conclusie Er is geen akoestisch onderzoek noodzakelijk.

4.3

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden

17

Kindcentrum De Velduil

gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar.

Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar.

Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Besluit externe veiligheid buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. In dat besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen rekening gehouden met deze risicobenadering. Onderzoek

18

Kindcentrum De Velduil

Risicovolle inrichtingen Het plangebied en de omgeving is geïnventariseerd op de aanwezigheid van de mogelijke risicobronnen. In de nabijheid van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Vervoer gevaarlijke stoffen Over de spoorlijn Utrecht-Geldermalsen vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De risicocontour van deze spoorlijn reikt echter niet tot in het plangebied. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied is een aantal buisleidingen aanwezig. De risicocontouren van deze buisleiding reiken echter niet tot in het plangebied. Risicokaart Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de risicokaart ter plaatse van het plangebied weergegeven.

Afbeelding 8: Uitsnede risicokaart plangebied blauw omlijnd

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen verdere belemmering voor het voorgenomen initiatief.

4.4

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen

19

Kindcentrum De Velduil

'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaans zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.

Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken.

Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.

20

Kindcentrum De Velduil

Planspecifiek De realisatie van het kindcentrum kan gezien de beperkte omvang aangemerkt worden als een NIBM-project. Het aantal extra verkeersbewegingen dat de zorgvoorziening met zich mee brengt zal 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, mede gelet op het feit dat ter plaatse reeds een school aanwezig is. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Wel is ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Op de volgende afbeeldingen zijn de globale concentraties over 2017 van fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) weergegeven. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. De advieswaarden van de GGD en WHO (20 µg/m³ PM10 en 10 µg/m³ PM2,5) worden deels gehaald; er wordt immers voldaan aan de advieswaarde voor PM10 maar niet voor PM2,5.

Omdat het gaat om een zeer kleine overschrijding is de verwachting dat door verbetering van de autotechniek en een vermindering van de uitstoot van bedrijven er in de toekomst voldaan wordt aan deze waarden. Voor de toetsing of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat zijn de wettelijke normen de toetsingskaders. Uitgaande van deze toetsingskaders is er sprake van een goed woon- en leefklimaat en daarmee van een goede ruimtelijke ordening.

Afbeelding 9: Uitsnede Atlas Leefomgeving fijnstof, globale ligging plangebied zwart omkaderd (PM10)

21

Kindcentrum De Velduil

Afbeelding 10: Uitsnede Atlas Leefomgeving stikstofdioxide, globale ligging plangebied zwart omkaderd (NO2)

Ook is de NIBM-tool ingevuld voor de school. Op basis van kentallen zal de school zorgen voor circa 430 verkeersbewegingen per etmaal (zie ook paragraaf 4.7 en Bijlage 5). Op basis van de NIBM-tool kan eveneens worden geconcludeerd dat de bijdrage van het verkeer 'niet in betekenende mate' is. Er is geen nader onderzoek nodig.

Tabel 2: Nibm-tool

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is voor de uitvoering van dit plan omdat wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden.

22

Kindcentrum De Velduil

4.5

Bodem

Kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft (Wbb): Niet saneren Indien de verontreiniging voor het beoogde doel niet hoeft te worden gesaneerd kan het ruimtelijke plan voor wat betreft deze verontreiniging zonder meer doorgang vinden. Saneren Indien de verontreiniging moet worden gesaneerd dient een saneringsplan te worden opgesteld en ingediend bij de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht (RUD). In sommige gevallen kan worden volstaan met het indienen van een BUS-melding (Besluit Uniforme Saneringen). Na goedkeuring door het bevoegd gezag kan de sanering doorgang vinden. Na afloop dient de sanering te worden geëvalueerd en ook dit verslag dient ter goedkeuring te worden voorgelegd. Tijdens de saneringsprocedure kan de ruimtelijke procedure worden voortgezet.

Echter, een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen kan pas inwerking treden nadat is vastgesteld dat er geen sprake is van een ernstige en spoedeisende sanering (art. 6.2. c. Wabo). Een onderzoeks- en saneringstraject heeft soms grote financiële consequenties voor de beoogde plannen. Enerzijds omdat de kosten van sanering hoog kunnen zijn, anderzijds omdat deze trajecten van grote invloed kunnen zijn op de planning. In het kader van de Grondexploitatiewet dienen deze kosten tijdig in kaart te worden gebracht. Het is daarom aan te bevelen reeds in een vroeg stadium van planvorming (historisch-) bodemonderzoek voor het hele plangebied uit te voeren. Deze bodemonderzoeken zijn ook noodzakelijk bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen. Onderzoek Ter plaatse van het initiatief is reeds een school toegestaan. De school zal echter wel op een andere locatie op het terrein geplaatst worden. Om deze reden is een vooronderzoek bodem uitgevoerd. Dit onderzoek is te vinden in Bijlage 3. Uit het onderzoek blijkt dat er sprake is van voormalige en/of huidige bodembelasting op de locatie, waardoor het vermoeden van bodemverontreiniging aanwezig is. Om deze reden is verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de bodemkwaliteit ter plaatse (Bijlage 4).

Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat er op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen puin(resten) of andere asbestverdachte materialen zijn aangetroffen. Vanwege het ontbreken van verhardingsmateriaal (puin) is vervolgens afgezien van het uitvoeren van het onderdeel verkennend onderzoek asbest in bodem. In de bovengrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. In de ondergrond zijn eveneens geen verontreinigingen geconstateerd. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Regionaal komen er vaker verhoogde gehaltes aan barium in het grondwater voor. Er bestaan dan ook géén redenen voor een nader onderzoek en zijn er verder vanuit milieuhygiënisch oogpunt géén belemmeringen voor de voorgenomen nieuwbouw. Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Een onderzoek asbest in bodem/ puin is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Er zijn vanuit milieuhygiënisch oogpunt géén belemmeringen voor de voorgenomen nieuwbouw. Het aspect bodem vormt geen verdere belemmering voor het initiatief.

23

Kindcentrum De Velduil

4.6

Ecologie

Toetsingskader Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura-2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming in de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor

24

Kindcentrum De Velduil

verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Onderzoek Flora en fauna In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is ter plaatse van het huidige schoolgebouw een beknopte natuurtoets uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 6. Uit de natuurtoets komt naar voren dat nader onderzoek nodig is naar nest- en verblijfplaatsen van gierzwaluw en vleermuizen (waaronder laatvlieger). Dit onderzoek wordt uitgevoerd. Op basis van het nader onderzoek kan worden bepaald of een ontheffing van de Wnb moet worden aangevraagd.

Gebiedsbescherming In het kader van gebiedsbescherming dient beoordeeld te worden of het plan negatieve effecten heeft op omliggende Natura-2000 gebieden. In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen Natura-2000 gebieden gelegen. De dichtstbijzijnde gebieden zijn op ten minste 12 kilometer afstand gelegen. Gelet op de grote afstand tot Natura-2000 gebieden is het niet aannemelijk dat het initiatief enige nadelige invloed zal hebben op de omliggende Natura-2000 gebieden. Nader onderzoek in het kader van gebiedsbescherming kan achterwege blijven. Conclusie Uit de natuurtoets komt naar voren dat nader onderzoek nodig is naar nest- en verblijfplaatsen van gierzwaluw en vleermuizen (waaronder laatvlieger). Dit onderzoek wordt uitgevoerd. Op basis van het nader onderzoek kan worden bepaald of een ontheffing van de Wnb moet worden aangevraagd.

4.7

Verkeer en parkeren

Autoverkeer In het kader van een onderbouwing met betrekking tot verkeer en parkeren is een aparte notitie opgesteld waarin de behoefte aan parkeerplaatsen is uitgewerkt. In de nieuwe situatie worden 47 parkeerplaatsen gerealiseerd/ bestemd voor de school. Op basis van kentallen zal de school zorgen voor circa 430 verkeersbewegingen per etmaal. Het volledige onderzoek is uitgewerkt in Bijlage 5. Fietsverkeer Voor de school is uitgegaan dat een groot deel van de leerlingen met de fiets komt. In dit kader worden er voldoende stallingsplaatsen voor fietsen gerealiseerd. Totaal worden er 263 fietsstalplaatsen gerealiseerd. Deze zijn onder te verdelen in 221 plaatsen voor leerlingen, 21 voor medewerkers en 21 voor de sportzaal. Dit is conform de parkeernormen van de gemeente Houten. Conclusie Er worden voldoende parkeerplaatsen voor auto's en fietsen op en om het terrein van de school gerealiseerd. De parkeerplaatsen zijn in overeenstemming met het uitgevoerd onderzoek en de

25

Kindcentrum De Velduil

gemeentelijke parkeernormen. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen verdere belemmering voor het initiatief.

4.8

Water

4.8.1

Generiek beleid

Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd; schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 4.8.2

Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden

Waterbeheerplan Voor de planperiode 2016-2021 is het Waterbeheerplan (WBP) van De Stichtse Rijnlanden van toepassing. In dit plan geeft De Stichtse Rijnlanden aan wat haar ambities voor deze planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De vijf hoofdthema's zijn: waterveiligheid; voldoende water; gezond water; gezuiverd afvalwater; genieten van water.

26

Kindcentrum De Velduil

Wat betreft 'waterveiligheid' is het cruciaal dat de waterkeringen voldoen aan de veiligheidseisen en dat bij dijkverbeteringswerken wordt uitgegaan van een duurzaam en robuust ontwerp. Bij het veiligstellen van 'voldoende water' gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden, zodat het gebied geschikt is om te wonen, werken en recreëren. Daarbij wil De Stichtse Rijnlanden dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en hevigere buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. 'Gezond water' is voor De Stichtse Rijnlanden gezond als er een grote diversiteit aan planten en dieren in kan leven, als het veilig gebruikt kan worden voor recreatie of als grondstof voor drinkwater. Het water kan alleen zo schoon mogelijk gehouden worden als de (natuurvriendelijke) inrichtingen, het beheer en onderhoud van watersystemen worden aangepast. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het tegengaan van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het 'gezuiverd afvalwater' beheert De Stichtse Rijnlanden rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties.

Het laatste thema betreft genieten van water. Hoewel dit geen kerntaak voor het waterschap is, is het onderwerp zeer belangrijk omdat dit in relatie staat tot het watersysteem en het waterbeheer. Recreatie en in het bijzonder 'genieten van water' neemt in de Nederlandse samenleving een steeds belangrijkere plaats in. Het waterschap wil de bewoners en bezoekers van het gebied laten genieten van water in een gezonde en veilige omgeving. Zo kan het waterschap ook zijn werk zichtbaar maken voor de bewoners. Het vaarwegbeheer is een wettelijke taak van het waterschap, voor de overige recreatieve thema's neemt het waterschap een adviserende en faciliterende rol aan. Keur en uitvoeringsregels Per 21 oktober 2010 is de Keur in werking getreden, alsmede nieuwe beleidsregels. In de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009 staan verboden en geboden die betrekking hebben op oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen en grondwater. De verboden betreffen die handelingen en gedragingen die in principe onwenselijk zijn voor de constructie of de functie van oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen of grondwaterlichamen. De geboden geven de verplichtingen aan om deze waterstaatswerken in stand te houden. Een gebod kan bijvoorbeeld betrekking hebben op een onderhoudsverplichting.

Hiermee vermeldt de Keur expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Indien de toename aan verharding minder bedraagt dan 500 m², dan geldt alleen de algemene zorgplicht. Indien de toename meer bedraagt is in de regels opgenomen dat het oppervlak van het ter compensatie aan te leggen water minimaal 15 % moet bedragen van het oppervlak van de toename aan verharding. Beleid hemel- en afvalwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. Watertoets Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht.

Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten.

27

Kindcentrum De Velduil

Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. De resultaten van de Digitale Watertoets zijn opgenomen in Bijlage 2 waarbij in deze paragraaf de aandachtspunten worden behandeld. Op basis van de watertoets geeft het waterschap aan dat er een beperkt waterbelang is bij het planvoornemen. Compensatie In het kader van de verhardingstoename op het perceel wordt compensatie gerealiseerd op het schoolplein. De watercompensatie wordt gerealiseerd door middel van twee wadi's: één van 25 m2 en een van 55 m2 . De wadi's krijgen een diepte van 50 cm. Totaal hebben de wadi's een bergingscapaciteit van 67,5 m3 . Geohydrologisch onderzoek Er is orienterend geohydrologisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 7). Doel van het onderzoek was het verkrijgen van inzicht in zowel de bodemopbouw als de (actuele) grondwaterstand, het bepalen of de bodem geschikt is voor de infiltratie van hemelwater, alsmede het verkrijgen van k-waarden. De haalbaarheid van hemelwaterinfiltratie is onder andere afhankelijk van de doorlatendheid van de bodem, de aanwezigheid van stoorlagen (klei en leem).

De doorlatendheid van de bodem van de toplaag van zand wordt over het algemeen geclassificeerd als goed doorlatend, waarbij k-waarden van 1,7 en 4,6 m/dag zijn aangetoond. De doorlatendheid van de onderliggende kleilagen wordt als slecht getypeerd. Vanwege de geringe dikte van het aanwezige zandpakket zullen de infiltratiemogelijkheden dan ook beperkt zijn. Door de aanwezigheid van storende lagen in de ondergrond is de faalkans als gevolg van een onjuiste dimensionering van een hemelwater(infiltratie)systeem daarnaast significant. Daarnaast kan als gevolg van een horizontale afstroming elders (water)overlast of problemen ontstaan. Bij het ontwerp en de keuze voor het type (infiltratie)voorziening dient voldoende rekening gehouden te worden met de slecht doorlatende lagen. Geadviseerd wordt een afkoppelplan op te stellen, waarbij rekening wordt gehouden met de Gemiddelde Hoogste grondwaterstand (GHG), het afstromend verhard oppervlak en het beleid van het bevoegd gezag. Hiermee wordt voorkomen dat een niet naar behoren werkend systeem wordt gerealiseerd. Conclusie Op basis van de watertoets geeft het waterschap aan dat er een beperkt waterbelang is bij het planvoornemen. Bij het ontwerp en de keuze voor het type (infiltratie)voorziening dient voldoende rekening gehouden te worden met de slecht doorlatende lagen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Houten&id=94c3e13b-ce11-400d-982b-e149e61d8fb0