1a. bestemmingsplan NL.IMRO.0321.0740VEERWAGENWEG-VSBP
Tekst van het document
De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
• •
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek De tweede bedrijfswoning wordt gezien als een gevoelige bestemming. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat ter plaatse van gevoelige bestemmingen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De planlocatie bevindt zich in een gebied waar zich zowel woningen als (agrarische) bedrijven bevinden. Daarmee kan gesteld worden dat het plangebied in een gebied ligt met het omgevingstype 'gemengd gebied'. De richtafstanden worden hierdoor verlaagd met één afstandstap. De volgende bedrijven zijn gevestigd rond het plangebied. Adres
Ten noorden van bedrijfswoning De Staart 1, Houten
tweede
Bedrijf/activiteit
SBI-code
Milieucategorie
Hoveniersbedrijf
016
3.1
Richtafstand (gemengd Werkelijke gebied) afstand tot de woning 30 m 22 m
Benzineservicestation met LPG <1000m3/jr
473
3.1
50 m
300 m
Ten noorden van de locatie voor de tweede bedrijfswoning wordt een hoveniersbedrijf gerealiseerd/gevestigd. Het maatgevende aspect hierbij is geluid, waarvoor in een gemengd gebied de richtafstand van 30 meter geldt. Zoals in bovenstaande tabel is af te lezen wordt er niet voldaan aan de richtafstand van 30 meter tot het hoveniersbedrijf.
26
In het kader van de vestiging van hoveniersbedrijf RB Tuinen is een geluidsstudie uitgevoerd. De werkelijke geluidsproductie bevindt zich, blijkens dit onderzoek, verder weg op minstens 40 meter afstand. Daarmee kan gesteld worden dat er in de feitelijke situatie wel voldaan wordt aan de gestelde richtafstand. Deel van het plan voor dit hoveniersbedrijf wordt een L vormige geluidswal welke naar het oosten doorloopt langs de grens van de kavel waarop voorliggende ontwikkeling geprojecteerd is. Deze geluidswal zal een buffer vormen en de geluidsbelasting in het plangebied verminderen. Deze geluidswal is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in het plan van het hoveniersbedrijf. De geluidswal zelf is als functie-aanduiding in het bestemmingsplan, ten behoeve van de realisatie van het hoveniersbedrijf opgenomen. Vanwege deze geluidswal kan geconcludeerd worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het onderzoek zoals uitgevoerd ten behoeve van RB tuinen (het betreffende hoveniersbedrijf) is als bijlage opgenomen bij voorliggend plan en maakt hier onderdeel van uit ten behoeve van de onderbouwing voor het aspect ‘geluid’. (LBP sight, kenmerk: R087268aa.19HCR4Z.hvo, 3 september 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Ten oosten van het plangebied is het bedrijventerrein de Meerpaal gelegen. Hier zijn bedrijven toegestaan tot milieucategorie 3.2.
Dit bedrijventerrein ligt op een afstand van circa 170 meter van het plangebied. Daarmee kan voldaan worden aan de richtafstanden vanuit de VNG uitgave Bedrijven en milieuzonering. Ten noordoosten van de locatie voor de tweede bedrijfswoning bevindt zich een tankstation met LPG met minder dan 1000 m3 jaarlijkse doorzet. Het maatgevende aspect hierbij is gevaar, waarvoor in een gemengd gebied de richtafstand van 50 meter geldt. Zoals in bovenstaande tabel is af te lezen betreft de werkelijke afstand tot de op te richten bedrijfswoning 300 m zodat wordt voldaan aan de vereiste richtafstand van 50 meter tot het tankstation. Nabij de planlocatie bevinden zich tevens enkele windmolens. Het geluid van deze windmolens is beschouwd in toelichting paragraaf 4.2.2 en vormt geen belemmering voor het beoogde plan. Tevens dient het aspect slagschaduw beschouwd te worden. Schaduweffecten van een draaiende windturbine kunnen hinder veroorzaken bij mensen. De flikkerfrequentie, het contrast en de tijdsduur van blootstelling zijn van invloed op de mate van hinder die ondervonden kan worden. Verder speelt de blootstellingsduur een grote rol bij de beleving. In artikel 3.14 onder 4. van het Activiteitenbesluit wordt verwezen naar de bij de ministeriële regeling te stellen maatregelen.
In deze regeling is voorgeschreven dat een turbine is voorzien van een automatische stilstandsvoorziening die de windturbine afschakelt indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten voor zover de afstand tussen de turbine en de woning minder bedraagt dan twaalf maal de rotordiameter en gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten slagschaduw kan optreden. Bedrijfspanden en kantoren zijn formeel niet hindergevoelig en voor slagschaduw is dan ook geen norm gesteld voor de hinderduur. In de praktijk kan bij bedrijfspanden de slagschaduw wel als hinderlijk worden ervaren. De beoogde woning ligt op aanzienlijke afstand van de omliggende windmolens (minimaal 380 m) en er zijn op kortere afstand reeds woningen aanwezig. Voor deze woningen is reeds voorzien in een automatische stilstandsvoorziening. De beoogde nieuwbouw leidt niet tot nader te treffen maatregelen. Tevens ligt de planlocatie buiten de veiligheidszone winturbine 1 en 2 zoals opgenomen in het geldende bestemmingsplan. De nabijgelegen windmolens vormen daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Geconcludeerd wordt dat aan de gestelde streefwaarden op grond van de VNG-richtlijnen wordt voldaan en dat het aanvaardbaar is om een dergelijke bedrijfswoning in de beoogde ruimtelijke omgeving in te passen.
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. 4.2.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe
27
veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10 -6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5-contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.
Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een
28
buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld.
Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling voorziet in het toevoegen van een bedrijfswoning en betreft daarmee het toevoegen van een kwetsbaar object. Aan de hand van de risicokaart kan voor het plangebied worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, transportroutes en/of belangrijke buisleidingen aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het plangebied is gelegen in de nabijheid van de A27. De A27 is aangewezen als transportroute van (zeer) toxische stoffen. Hiervoor geldt een invloedsgebied van 880 m op basis de stofcategorie LF2. Het plangebied is gelegen op een afstand van ca. 540 m van de A27. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het plangebied binnen het invloedsgebied van de A27 is gelegen. Aan de zuidwestzijde van het plangebied is het Amsterdam-Rijnkanaal gelegen. Het AmsterdamRijnkanaal is een vaarroute waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.
Op grond van het Bevt dient rekening te worden gehouden met een plasbrandaandachtsgebied van 25 m aan weerszijden van het Amsterdam-Rijnkanaal en een invloedsgebied van 90 m. De beoogde woning wordt op een afstand van 55 m gerealiseerd, daarmee ligt deze buiten het plasbrandaandachtsgebied en binnen het invloedsgebied. Voor het spoor geldt een invloedsgebied: 4000 meter op basis van de stofcategorie D4. De planlocatie ligt op een afstand van circa 2.400 meter. De ontwikkeling ligt ten opzichte van het spoor en de rijksweg op een afstand van meer dan 200 meter. Voor het Amsterdam-Rijnkanaal kan ook worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico omdat het groepsrisico onder de 0,1 keer de oriëntatiewaarde ligt. Uit het advies van de Veiligheidsregio Utrecht (1 februari 2022) blijkt dat de bereikbaarheid en zelfredzaamheid voldoen. Men kan zichzelf, eventueel met hulp van anderen, in geval van een ramp in veiligheid brengen. Gezien de aard van de ontwikkeling en de situering van de woning wordt er vanuit gegaan dat de vluchtmogelijkheden en risicocommunicatie voldoende zijn. Bij een calamiteit op het water of de snelweg kan relatief eenvoudig van het gevaar af gevlucht worden, de beoogde woning heeft hiervoor voldoende uitgangen. Bij een toxische wolk is het advies om binnen te blijven en deuren en ramen te sluiten, dit is goed uitvoerbaar.
Aanwezigen dienen geïnformeerd te worden over eventuele risico’s en hoe te handelen bij een toxische wolk. Voor wat betreft de beschikbaarheid van bluswatervoorzieningen wordt geadviseerd binnen 40 meter een voorziening te realiseren met een capaciteit van 30 m3/u.
29
Buisleidingen Het plangebied bevindt zich niet in de buurt van buisleidingen. De risico’s als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Inrichtingen Aan de noordoostzijde van het plangebied ligt een tankstation. Hier vindt verkoop van LPG plaats met een maximale jaarlijkse doorzet van 500 -1.000 m³. De risicoafstand PR 10-6 ligt op 40 m vanaf het vulpunt. Voor het groepsrisico geldt een afstand tot de grens van het invloedsgebied van 150 meter. De afstand vanaf het vulpunt gerekend tot aan de grens van het plangebied bedraagt 170 m, waarmee het plangebied buiten het invloedsgebied van het vulpunt is gelegen. Onderstaande afbeelding maakt dit inzichtelijk.
Ligging plangebied tov LPG-tankstation en vulpunt, plangebied rood omkaderd (bron: bestemmingsplan 'Sport- en Werklandschap Meerpaal')
Binnen de PR-contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn. Het voorgenomen plan voorziet niet in de oprichting van kwetsbare objecten binnen deze contour. Op de afbeelding is in het rood de ligging van het plangebied weergegeven en de blauwe cirkel geeft de contour aan. Daarom leidt het plaatsgebonden risico van het LPG-tankstation niet tot een belemmering. De grootte van het groepsrisico wordt bepaald door de bebouwing binnen het aangegeven invloedsgebied. Het voorgenomen plan voorziet niet in de oprichting van objecten binnen het aangegeven invloedsgebied. Conclusie Geconcludeerd wordt dat de planlocatie is gelegen binnen de invloedsfeer van meerdere risicobronnen. Voor alle beschouwde risocobronnen geldt dat onder de orienterende waarde wordt gebleven. Gezien de afstanden en het beperkte programma, de toevoeging van slechts één woning en de daarmee zeer beperkte toename van het groepsrisico, kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Het beperkte programma leidt niet tot een berekenbare wijziging in de orienterende waarde.
30
4.3 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.3.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21ste eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21ste eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
31
4.3.2 Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Waterbeheerplan Voor de planperiode 2016-2021 is het Waterbeheerplan (WBP) van De Stichtse Rijnlanden van toepassing. In dit plan geeft De Stichtse Rijnlanden aan wat haar ambities voor deze planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De vier hoofdthema's zijn:
• • • • •
waterveiligheid; voldoende water; gezond water; gezuiverd afvalwater; genieten van water.
Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden, zodat het gebied geschikt is om te wonen, werken en recreëren. Daarbij wil De Stichtse Rijnlanden dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Keur en uitvoeringsregels Vanaf 1 mei 2019 is de nieuwe Keur van het Hoogheemraadschap van kracht. In de keur staat wat wel en niet mag op of aan de waterkeringen (dijken en kades) en watergangen. De regels maken het mogelijk dat het waterschap het onderhoud aan watergangen en waterkeringen goed kan uitvoeren. Vergunningplichtige activiteiten worden getoetst aan de beleidsregels. Voor andere activiteiten gelden de algemene regels. In de uitvoeringsregels is opgenomen dat bij een toename aan verharding in stedelijk gebied van minder dan 500 m² er alleen de algemene zorgplicht geldt. Indien de toename meer bedraagt is extra watercompensatie vereist. In landelijk gebied heeft het uitbreiden van verhard oppervlak minder gevolgen voor het watersysteem dan in stedelijk gebied. Voor landelijk gebied wordt er een ondergrens van 5.000 m² aangehouden. In de navolgende paragraaf wordt hierop verder ingegaan.
Beleid hemel- en afvalwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. In het plan wordt het hemelwater volledig afgekoppeld. Middels een infiltratie riool wordt het hemelwater afgevoerd naar het oppervlakte water. Het IT-riool heeft een bergend vermogen van 17.3 m3. 4.3.3 Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder.
De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen.
32
Planspecifiek In 2019 heeft de gemeenteraad van Houten het Water- en Rioleringsplan 2020 - 2023 vastgesteld. Hierin is de zorgplicht voor perceeleigenaren bij de verwerking van regenwater op eigen terrein uitgewerkt. Perceeleigenaren moeten het regenwater op eigen terrein opvangen in een ondergronds infiltratiesysteem met een inhoud van 15 mm per m² ten opzichte van het verhard afvoerend oppervlak. Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden schrijft voor dat buiten bebouwd gebied een toename van minder dan 5000 m² niet dient te worden gecompenseerd in de vorm van open water of infiltratie binnen het peilgebied waarin de toename aan verharding plaatsvindt. Er geldt dan alleen een zorgplicht. Volgens de legger van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden ligt het plangebied buiten bebouwd gebied. Het Hoogheemraadschap hanteert een strengere compensatieplicht dan de gemeente Houten. Het te compenseren oppervlaktewater dient 45% van de toename aan verhard oppervlak te zijn. Wanneer gecompenseerd wordt door middel van infiltratie geldt dat er 45 mm per vierkante meter verhard oppervlak geborgen dient te worden. Doordat er een toename van minder dan 5000 m² aan verharding plaats zal vinden is er geen compensatieplicht van belang vanuit het Hoogheemraadschap. Er is wel een zorgplicht die in acht genomen moet worden.
Dit betekent dat de initiatiefnemer om al datgene te doen of na te laten waardoor aan de zorgplicht wordt voldaan, welke in artikel 3.1 van de Keur is beschreven. In de voormalige situatie bestond het plangebied uit agrarisch grasland. Voor de beoogde tweede bedrijfswoning wordt er uitgegaan van een verhard oppervlak van maximaal 150 m², daarnaast moet er rekening mee gehouden worden dat de tuin deels verhard wordt. De aan te leggen parkeerplaatsen op eigen erf zullen waterpasserend zijn, deze worden meegerekend met de tuin. De geschatte verharding komt daarmee op ca. (150 m² + 300 m²) = 450 m². Onderstaande tabel toont de verhardingsbalans van de toekomstige situatie ten opzichte van de huidige situatie.
Bestaande situatie (m²) Agrarisch grasland
Toekomstige situatie (m²)
3200
-
Bebouwing
-
150
Tuin
-
300
Totaal oppervlak
3200
450 0
Waarvan verhard
Verschil verharding
450
450 m² toegenomen
Met de voorgenomen ontwikkeling neemt het verhard oppervlak in het plangebied ten opzichte van de voormalige situatie toe met ca. 450 m². De grenswaarde van 5000 m² van het Hoogheemraadschap wordt hiermee niet overschreden. Wel dient er conform de regeling van de gemeente Houten per m² verhard oppervlak 15 mm water opgevangen te worden met een ondergronds infiltratiesysteem en overstort op de nabijgelegen watergang. Voor de beoogde ontwikkeling komt dit neer op ca. 6,75 m³ (0,015 m * 450 m²). Dit zal worden meegenomen in de beoogde ontwikkeling. De riolering van de nieuwbouw zal aangesloten worden op het gemeentelijk riool. In het plan zal vuilwater en hemelwater gescheiden worden. Aan de Veerwagenweg is nog geen gemeentelijk gescheiden stelsel aanwezig waarmee het op de erfgrens gecombineerd wordt. Door in het plan wel te zorgen voor een gescheiden systeem is deze 'toekomstproof'. Om toekomstig wateroverlast te voorkomen wordt voor het bouwpeil 30 cm boven het straatpeil aangehouden.
33
Digitale watertoets Voor de ontwikkeling is ook de digitale watertoets doorlopen. Hieruit is naar voren gekomen dat de zogenaamde normale procedure doorlopen moet worden. De hiervoor benodigde aanvraag is ingediend bij het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. Waterkering In het zuidoostelijke gedeelte van het plangebied, dat een agrarisch met waarden bestemming heeft, valt een strook binnen de dubbelbestemming waterkering. Dit gebied zal gebruikt worden voor de aanleg van de nieuwe inrit die nodig is voor de tweede bedrijfswoning. De aanwezigheid van deze dubbelbestemming betekent planspecifiek dat er een vergunningsplicht is. Er is al een bestaande dam aanwezig waar een inrit ten dienste van het agrarisch grasland aanwezig is. Deze dam zal gebruik gaan doen als inrit en wordt hiervoor verhard. Alleen deze inrit heeft te maken met deze dubbelbestemming. De aanleg van de inrit is planologisch mogelijk gemaakt door ook ontsluitingswegen en paden ten behoeve van de aanliggende bestemming toe te staan. Er zal nog wel een omgevingsvergunning aangevraagd moeten worden bij het waterschap en de gemeente voor het verharden van de bestaande dam. Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.4 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Er is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna (Blom Ecologie, 3 april 2020, 1e revisie 15 april 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5) uitgevoerd. Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Stikstofdepositie De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de relatief beperkte aard van de ontwikkeling en de grote afstand (9,8 km) tot beschermde natuurgebieden is van externe werking als gevolg van licht of geluid op omliggende Natura 2000gebieden geen sprake. Een extern effect als gevolg van stikstof is niet waarschijnlijk maar mogelijk denkbaar. Op verzoek van het bevoegd gezag is wel een berekening uitgevoerd. Hierbij is gerekend met een toename van verkeer met 8 motorvoertuigen per etmaal als gevolg van de realisatie van een extra bedrijfswoning. Uit de berekening blijkt dat er geen berekenbaar effect optreed.
34
Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Navolgend een opsomming van de te treffen maatregelen. Te treffen maatregelen
• •
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
•
Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.
•
Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
•
De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
•
De rooiwerkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, met inachtneming van voornoemde punten, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling van een tweede bedrijfswoning op de kavel naast de Veerwagenweg 100 te Houten uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
4.5 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
35
Planspecifiek Het plangebied heeft in het bestemmingsplan 'Herziening Sport- en Werklandschap Meerpaal' geen specifieke aanduiding in verband met archeologie. Uit de archeologische waardenkaart is te herleiden dat voor de locatie een lage archeologische verwachtingswaarde geldt. Archeologische waarden zijn daarmee niet in het geding en een archeologisch onderzoek heeft geen ruimtelijke relevantie. Mocht echter gedurende de (graaf)werkzaamheden archeologische vondsten gevonden worden dan zal naar behoren gehandeld worden en zal een deskundige geraadpleegd worden. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.6 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.6.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van een tweede bedrijfswoning bij het op de Veerwagenweg 100 gesitueerde dierenhotel. In de toekomstige situatie zal de tweede bedrijfswoning gebruik maken van een reeds bestaande eigen inrit, welke aansluit op de Veerwagenweg.
De verkeersgeneratie is met behulp van de CROW publicatie toekomstbestendig parkeren in kaart gebracht. Daarbij is uitgegaan van de categorie koop, huis, vrijstaand in rest bebouwde kom en weinig stedelijk gebied. Het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de nieuwe woning komt neer op 8,2 verkeersbewegingen per etmaal. De toename van 8,2 verkeersbewegingen kan gezien worden als een minimale toename. Daarom wordt verwacht dat dit niet tot problemen zal leiden. Conclusie In de toekomstige situatie is het aantal verkeersbewegingen vrijwel gelijk aan de huidige situatie. De verwachting is dat de Veerwagenweg over genoeg capaciteit beschikt om deze beperkte toevoeging aan verkeersgeneratie op te vangen. 4.6.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
36
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. De gemeenteraad van Houten heeft in 2021 de nieuwe Nota Parkeernormen Houten vastgesteld. Met de nota wordt de vraag en het aanbod van parkeerplaatsen (in de openbare ruimte) bij ontwikkelingen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd en worden parkeerproblemen voorkomen. De planlocatie behoort tot de categorie 'kleine kernen en buitengebied'. Planspecifiek In de huidige situatie bestaat het plangebied uit agrarisch grasland. In de gebruiksregels in het geldende bestemmingsplan Sport- en Werklandschap Meerpaal is geregeld dat voor de bestaande bedrijfswoning van Dierenhotel de Hendrikshoeve parkeren op eigen terrein moet worden opgelost volgens de aangegeven parkeernorm.
Dit betekent voor deze woning, die met meer dan 140 m² bvo als grote woning aangemerkt wordt in de Nota Parkeernormen Houten, een kerngetal van 1,9 voor de verwachte parkeerbehoefte. De realisatie van twee parkeerplaatsen op eigen terrein voldoet daarmee aan de parkeernormen van de gemeente Houten. Conclusie In de toekomstige situatie bestaat de parkeerbehoefte naar verwachting uit 2 parkeerplaatsen ten behoeve van de tweede bedrijfswoning. Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van 2 parkeerplaatsen op eigen terrein. Hiermee worden er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd om te voorzien in de parkeerbehoefte.
37
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wro opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
• • • • • • •
Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
38
5.4 Wijze van bestemmen Bij het opstellen van de regels is aangesloten op de methodiek van het vigerend bestemmingsplan 'Herziening Sport- en Werklandschap Meerpaal'. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Agrarisch met waarden De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor agrarische doeleinden. Daaraan onderschikt zijn ook onder anderen ontsluitingswegen mogelijk. Binnen de bestemming Agrarisch met waarden is geen bebouwing toegestaan. Bedrijf De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor een tweede bedrijfswoning t.b.v. het naastgelegen dierenhotel. Daarmee is op de kavel alleen een bedrijfswoning toegestaan. Bebouwing of gebruik van de gronden van deze kavel ten behoeve van het naastgelegen dierenhotel is niet toegestaan. De woning staat ten dienste van het naastgelegen bedrijf. Dit betekent dat er een (werk)relatie moet zijn van de bewoner van de bedrijfswoning tot het naastgelegen bedrijf (dierenhotel). Waterstaat - Waterkering De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: instandhouding van waterkeringen en bijbehorende beschermingszones, waterberging, verkeer te water, waterhuishoudkundige en/of waterstaatkundige functie, waterlopen met een waterhuishoudkundige en/of waterstaatkundige functie.
39
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente zal ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afsluiten, waarin ook eventuele planschade geregeld wordt, als bedoeld in artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening.
40
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub c Wro overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking. Indien er beroep wordt ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met een uitspraak/vonnis van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie In het kader van de planontwikkeling is diverse keren overleg gevoerd met de eigenaar van de aanliggend kavel, hoveniersbedrijf RB-Tuinen. Deze overleggen gingen primair over de nieuwe bedrijfsvestiging van RB-Tuinen, nu in aanbouw en de bouw van een tweede bedrijfswoning aan de voorzijde van deze kavel (grenzend aan de Veerwagenweg), op dat moment nog in eigendom van de eigenaar van het hoveniersbedrijf. De instemming ten behoeve van de realisatie van de tweede bedrijfswoning op dit deel van de kavel heeft er toe geleid dat hiervoor tussen partijen een grondtransactie heeft plaatsgevonden. Voor het overleg met RB-Tuinen is door beide partijen de participatieroute 'Veel impact' gevolgd. Gezien de nauwe relatie tussen beide ontwikkelingen is in het ontwerp van RB-Tuinen nadrukkelijk rekening gehouden met de komst van de tweede bedrijfswoning voor op de kavel aan de zijde van de Veerwagenweg. Naast overleg met RB-Tuinen, zie hieronder, is ook overleg gevoerd met de bewoners van Heemsteedseweg 42/42a. Hiervoor is gezien de onderlinge afstand van ruim 230 meter de participatieroute 'weinig impact' gevolgd. De bewoners zijn bezocht en mondeling geïnformeerd over het beoogde bouwplan.
Tussentijds zijn voornoemde bewoners op de hoogte gehouden over de voortgang van de procedure/het plan. De bewoners hebben aangegeven geen problemen te hebben met de beoogde ontwikkeling. Hoveniersbedrijf RB-Tuinen Sinds april 2019 heeft er meermaals overleg plaatsgevonden tussen de eigenaren van het dierenhotel en de eigenaren van het hoveniersbedrijf, enkele gesprekken hebben plaatsgevonden in bijzijn van de gemeente. Dit in het kader van de realisatie van het hoveniersbedrijf en de eventuele verkoop van het voorste deel van de kavel ten behoeve van de tweede bedrijfswoning. Tijdens de gesprekken hebben de eigenaren van het dierenhotel o.a. aangegeven dat de realisatie van een hoveniersbedrijf mogelijk een negatieve invloed heeft op de dieren die in het dierenhotel verblijven. Hierbij is uitgesproken dat de eigenaren van het dierenhotel graag een tweede bedrijfswoning, aan de zuidwestzijde van het plangebied van het hoveniersbedrijf, willen realiseren. Ten aanzien van de mogelijke negatieve invloed van een hoveniersbedrijf op het dierenhotel is onderzocht wat de akoestische effecten zijn van de activiteiten van RB-Tuinen. Op basis van deze gesprekken en het uitgevoerde onderzoek is voorzien in een geluidwerende voorziening die als voorwaardelijke verplichting is opgenomen in de planontwikkeling ten behoeve van het hoveniersbedrijf.
Verder heeft de initiatiefnemer een akkoord over de grondprijs voor de realisatie van een
41
tweede bedrijfswoning met RB-Tuinen overeengekomen. De gemaakte afspraken omtrent de geluidwerende voorziening en de grondtransactie ten behoeve van de tweede bedrijfswoning zijn in een privaatrechtelijke overeenkomst tussen beide partijen vastgelegd. In de privaatrechtelijke overeenkomst tussen partijen zijn niet alleen afspraken gemaakt voor wat betreft de invloed van de bedrijfsvoering van beide bedrijven maar ook dat er een tweede bedrijfswoning gebouwd gaat worden op het voorste deel van het perceel. Dit voorste deel is van de eigenaar van het hoveniersbedrijf gekocht en onderling is besproken wat er op het voorste deel van het perceel gerealiseerd zal worden. Tijdens de gesprekken is dus meermaals gesproken over de realisatie van de tweede bedrijfswoning. Tevens is tussen partijen afgesproken dat zij niet zullen ageren tegen elkaars plannen als deze worden uitgevoerd conform de eerder met elkaar gedeelde informatie.
7.2 Verslag zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan zal voor een periode van zes weken ter inzage worden gelegd. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.
42
bestemmingsplan
Veerwagenweg 100, Houten Gemeente Houten
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.0321.0740VEERWAGENWEG-VSBP
Datum:
2023-07-13
Contactpersoon Buro SRO:
dhr. J.J. van Nuland | dhr. R. van den Heuvel
Kenmerk Buro SRO:
SR210047
Opdrachtgever:
Dierenhotel de Hendrikshoeve
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleidende regels ..................................................................................................................................... 5 Artikel 1 Begrippen ................................................................................................................................................... 5 Artikel 2 Wijze van meten ......................................................................................................................................... 8
2 Bestemmingsregels ................................................................................................................................. 9 Artikel 3 Agrarisch met waarden ............................................................................................................................... 9 Artikel 4 Bedrijf ....................................................................................................................................................... 11 Artikel 5 Waterstaat - Waterkering ......................................................................................................................... 13
3 Algemene regels .................................................................................................................................... 15 Artikel 6 Anti-dubbeltelregel ................................................................................................................................... 15 Artikel 7 Algemene bouwregels .............................................................................................................................. 15 Artikel 8 Algemene gebruiksregels .......................................................................................................................... 15 Artikel 9 Algemene afwijkingsregels ....................................................................................................................... 16 Artikel 10 Algemene wijzigingsregels ...................................................................................................................... 16
4 Overgangs- en slotregels ....................................................................................................................... 17 Artikel 11 Overgangsrecht....................................................................................................................................... 17 Artikel 12 Slotregel .................................................................................................................................................. 17
3
4
1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan het bestemmingsplan Veerwagenweg 100, Houten identificatienummer NL.IMRO.0321.0740VEERWAGENWEG-VSBP van de gemeente Houten;
met
1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.6 bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is; 1.7 beroep en bedrijf aan huis beroep of bedrijf dat in een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie verenigbaar is; hieronder wordt in ieder geval niet verstaan het voeren van een:
• • •
horecabedrijf, prostitutiebedrijf, en detailhandelsvestiging, m.u.v. een webwinkel, waarbij opslag, levering en betaling elders plaatsvindt;
1.8 bestaand a.
b.
bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan legaal bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een bouwvergunning, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van terinzagelegging is ingediend; bij gebruik: het gebruik dat op het moment van inwerkingtreding van het plan legaal bestaat;
1.9 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.10 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
5
1.11 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd of ander bouwwerk bouwwerk met een dak; 1.12 bodemingreep/bodemverstoring alle grondwerkzaamheden/activiteiten die een effect hebben op het voortbestaan van (archeologische) waarden of verwachtingen in de bodem; 1.13 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.14 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 1.15 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.16 bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel; 1.17 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde zijn toegelaten; 1.18 bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang die direct of indirect en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.19 cultuurhistorische waarden waarden van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden; 1.20 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten
verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.21 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.22 hoofdgebouw een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;
6
1.23 kap een constructie van één of meer dakvlakken met een helling van meer dan 30 graden en minder 65 graden; 1.24 overig bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct of indirect en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.25 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een (gesloten) dak, zonder eigen wanden; 1.26 peil
•
voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
•
in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein.
1.27 perceelgrens de grens van een bouwperceel; 1.28 prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.29 prostitutiebedrijf prostitutie in een daarvoor ingerichte ruimte en in dienstverband (seksclub, bordelen, privé-huizen), niet zijnde sekswinkels, seksbioscopen, sekstheaters en daarmee gelijk te stellen bedrijfstypen; 1.30 voorgevel de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt; 1.31 voorgevelrooilijn de lijn in het verlengde van de voorgevel; 1.32 woning een complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één zelfstandig huishouden, niet zijnde een woonschip, of -ark; 1.33 zelfstandige bewoning een woonruimte die een eigen toegang heeft en die door één huishouden kan worden bewoond zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen, zoals badruimte, toilet en keuken, buiten de woonruimte.
7
Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 Meetmethode 2.1.1 lengte, breedte en diepte van bouwwerken tussen de verst van elkaar gelegen punten van die werken, horizontaal gemeten; 2.1.2 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.1.3 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.1.4 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.1.5 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de (fictieve) buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van een gebouw of van een overig bouwwerk; 2.1.6 onderlinge afstanden afstanden tussen bouwwerken onderling en ook afstanden van bouwwerken tot erfafscheidingen worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn; 2.2 Uitzonderingen 2.2.1 Ondergeschikte bouwdelen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden