1a. bestemmingsplan NL.IMRO.0321.0740VEERWAGENWEG-VSBP
Tekst van het document
bestemmingsplan
Veerwagenweg 100, Houten Gemeente Houten
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.0321.0740VEERWAGENWEG-VSBP
Datum:
2023-07-13
Contactpersoon Buro SRO:
dhr. J.J. van Nuland | dhr. R. van den Heuvel
Kenmerk Buro SRO:
SR210047
Opdrachtgever:
Dierenhotel de Hendrikshoeve
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging van het plangebied .................................................................................................................................. 6 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Bestaande situatie ............................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 11
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 13 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 13 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 15 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 18
4 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 22 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 22 4.2 Milieu ................................................................................................................................................................ 23 4.3 Water ................................................................................................................................................................ 31 4.4 Ecologie ............................................................................................................................................................. 34 4.5 Archeologie ....................................................................................................................................................... 35 4.6 Verkeer en parkeren ......................................................................................................................................... 36
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 38 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 38 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 38 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 38 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 39
6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 40 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 41 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 41 7.2 Verslag zienswijzen ........................................................................................................................................... 42
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Op het perceel aan de Veerwagenweg 100 in Houten is het dierenhotel De Hendrikshoeve gevestigd. Het betreft een familiebedrijf waarvan de bedrijfsactiviteiten zijn gericht op de dag en tijdelijke opvang van honden en katten. In 2013 is het dierenhotel uitgebreid naar een opvang van 200 honden en 100 katten. Initiatiefnemer is voornemens om ten behoeve van de verdere verbetering van de bedrijfsvoering, op het aangrenzende perceel van het dierenhotel, een tweede bedrijfswoning te realiseren. . Hieronder wordt ingegaan op de motivering voor de betreffende ontwikkeling. De omvang van de bedrijfsvoering, de opvang van het aantal dieren dat wordt opgevangen in het dierenhotel en de vereisten vanuit de branche organisatie leiden er toe dat er een noodzaak bestaat voor een tweede toezichthouder die op de bedrijfslocatie van het dierenhotel aanwezig en woonachtig is. Het dierenpension Hendrikshoeve valt onder het Besluit houders van dieren (2014) waarin is opgenomen dat toezichthouders in het bezit moeten zijn van een bewijs van vakbekwaamheid. Volgens het Besluit moet er continue voldoende vakbekwaam toezicht aanwezig te zijn bij het bedrijf zodat het welzijn van de dieren niet in het geding komt.
Gelet op de (inmiddels) forse omvang van het dierenhotel, is het noodzakelijk dat in elk geval twee gecertificeerde toezichthouders in het bezit zijn van een bewijs van vakbekwaamheid. Het is belangrijk dat deze twee gecertificeerde toezichthouders ter plaatse aanwezig zijn zodat bij een eventuele calamiteit adequaat gehandeld kan worden. Daarnaast zijn de dieren in de dag- en tijdelijke opvang niet met elkaar bekend waardoor meer en vaker toezicht noodzakelijker is dan in het geval van een bedrijf dat dieren voor een langere aaneengesloten periode opvangt. De aanwezigheid van pensiondieren brengt ook de noodzaak van nachtelijk toezicht met zich mee. Naast de noodzaak van een continue controle op de dieren is het ook noodzakelijk dat er toezicht is op het bedrijf als er dieren worden gebracht en opgehaald. Vanuit de maatschappij wordt namelijk een steeds flexibelere opstelling van huisdieropvang gevraagd. Huisvesting op de bedrijfslocatie komt de flexibiliteit en continuïteit van de bedrijfsvoering en het welzijn van de dieren die in het hotel verblijven ten goede. Op het perceel aan de Veerwagenweg 100 is op dit moment één bedrijfswoning aanwezig, waardoor er 's nachts slechts één toezichthouder aanwezig is. Gelet op voorgaande is het voornemen een tweede bedrijfswoning te realiseren zodat het mogelijk wordt het aantal toezichthouders in de nacht uit te breiden naar twee.
Daarnaast spelen voornoemde factoren een belangrijke rol voor dit voornemen. De beoogde tweede bedrijfswoning is voorzien ten zuidoosten van het perceel aan de Veerwagenweg 100. De betreffende gronden zijn op dit moment voorzien van een agrarische bestemming. De nieuw te realiseren bedrijfswoning wordt niet gebruikt als zelfstandige woning, maar als functionele bedrijfswoning behorende bij het dierenhotel. Het initiatief past niet binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan 'Sport- en Werklandschap Meerpaal', vastgesteld op 23 april 2013. Op dit moment is het plangebied voorzien van de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden' zijn geen bedrijfswoningen toegestaan waardoor het beoogde plan in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Om het beoogde plan juridisch-planologisch mogelijk te maken zal een partiële herziening van het bestemmingsplan, een zogenaamd postzegelbestemmingsplan, opgesteld moeten worden. Dit plan voorziet hierin. Het voorgenomen plan is reeds overlegd met de gemeente Houten, waarbij in principe positief is gereageerd op de voorliggende ontwikkeling op het perceel aan de Veerwagenweg in Houten.
5
1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied voor de tweede bedrijfswoning is gelegen op een agrarisch perceel ten zuidoosten van de Veerwagenweg 100. Het totale plangebied bevindt zich ten westen van de bebouwde kom van Houten en ten oosten van de kern Nieuwegein. Het plangebied is gelegen in Polder de Hoon nabij het punt waar het Amsterdam-Rijnkanaal en het Lekkanaal samenkomen. Het landschap wordt gekenmerkt door polders en diverse rivieren, kanalen en beken. Aan de noordoostzijde is het perceel van een hoveniersbedrijf RB tuinen (Diepe Hoon 1 en 3) gelegen. Aan de zuidwestzijde bevindt zich het Amsterdam-Rijnkanaal en aan de westzijde het huidige Dierenhotel de Hendrikshoeve. Het plangebied voor de tweede bedrijfswoning maakt kadastraal onderdeel uit van perceelnummer 2818, sectie H, met een oppervlakte van ca. 5.300 m². De volgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.
Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
6
1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het geldende bestemmingsplan 'Sport- en Werklandschap Meerpaal'. De gemeenteraad van de gemeente Houten heeft dit bestemmingsplan op 23 april 2013 vastgesteld. In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch met waarden' en de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan met het plangebied rood omkaderd.
Uitsnede geldende bestemmingsplan 'Herziening Sport- en Werklandschap Meerpaal', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor agrarische doeleinden. Het voorgenomen plan, de realisatie van een tweede bedrijfswoning ten behoeve van het naastgelegen dierenhotel, is niet mogelijk binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Daarnaast moet deze tweede bedrijfswoning ontsloten worden via de bestaande inrit die eveneens gelegen is in de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ en de dubbelbestemming 'Waterstaat - waterkering'. Omdat deze inrit in strijd is met het geldende bestemmingsplan wordt de bestaande inrit opgenomen in dit plan. Hiermee kan juridisch de ontsluiting van de bedrijfswoning binnen de agrarische bestemming worden ingepast. Het voorliggend bestemmingsplan voorziet in een nieuw en actueel planologisch-juridisch kader die de voorgenomen ontwikkeling planologisch mogelijk maakt.
1.4 Leeswijzer Elk bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 wordt een overzicht gegeven van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en omgevingsaspecten. Tot slot bevat de toelichting hoofdstukken over de opbouw, verantwoording en uitleg van de planregels (hoofdstuk 5) en de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan (hoofdstuk 6 en 7).
7
2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie Het plangebied voor de tweede bedrijfswoning met inrit is gelegen op het perceel naast de Veerwagenweg 100 in Houten. Aan de Veerwagenweg 100 is het dierenhotel De Hendrikshoeve gevestigd. De gronden ten noordoosten van de planlocatie worden/zijn herontwikkeld ten behoeve van een hoveniersbedrijf. Op een ruimere afstand van het plangebied is de burgerwoning aan de Heemsteedseweg 42 gelegen. Aan de zuidwestzijde grenst het plangebied aan het Amsterdam-Rijnkanaal en op een afstand van ca. 500 m is de A27 gelegen aan de westzijde van het plangebied. Verder is op een afstand van ca. 55 m bedrijventerrein de Meerpaal en het Rondeel gelegen. Noordoostelijk is een tankstation met lpg gelegen op afstand van ca. 140 m, met aangrenzend het markante Van der Valk Hotel Houten. De verdere omgeving bestaat met name uit grasland. Op een afstand van circa 400 meter en 450 meter zijn twee windmolens aanwezig. Dierenhotel De Hendrikshoeve In de huidige situatie heeft het dierenhotel een opvangcapaciteit van 200 honden en 100 katten, waarvan ongeveer de helft uit de dagopvang van honden en katten bestaat. De andere helft wordt voor een langere periode in het dierenhotel opgevangen. De dieren zijn ondergebracht in twee grote bedrijfsgebouwen met een groot buitenterrein voor uitloop.
Daarnaast bevindt zich een bestaande bedrijfswoning met bijbehorend bijgebouw op het terrein. Onderstaande afbeelding toont de huidige situatie van het dierenhotel De Hendrikshoeve. De planlocatie ligt vanaf de Veerwagenweg rechts van de bestaande woning. Op onderstaande afbeelding bevindt de locatie van de beoogde woning zich midden onderaan.
De huidige situatie van Dierenhotel de Hendrikshoeve (bron: Dierenhotel de Hendrikshoeve)
Op onderstaande afbeelding is nogmaals de locatie van de woning met de bijbehorende ontsluiting weergegeven.
8
Locatie tijdelijke speelweide (geen onderdeel van het plan) en woning (bron: Google Earth)
Noodzaak voor tweede bedrijfswoning De omvang van de bedrijfsvoering, de opvang van het aantal dieren dat wordt opgevangen in het dierenhotel en de vereisten vanuit de branche organisatie leiden er toe dat er een noodzaak bestaat voor een tweede toezichthouder die op de bedrijfslocatie van het dierenhotel aanwezig en woonachtig is. Het is van belang dat er op de locatie in elk geval twee toezichthouders aanwezig zijn, die in het bezit van een bewijs van vakbekwaamheid zijn. Daarnaast moeten gedurende de nachtelijke uren 2 gecertificeerde personen aanwezig zijn, die bij een eventuele calamiteit adequaat kunnen optreden en, indien nodig, dieren in veiligheid kunnen brengen. De dieren in de dag en tijdelijke opvang zijn niet met elkaar bekend waardoor meer en vaker toezicht noodzaak is dan in het geval van een bedrijf dat dieren voor een langere aaneengesloten periode opvangt.. Niet onbelangrijk is dat de aanwezigheid van een tweede toezichthouder die op locatie woont en werkt, de flexibiliteit en de een evenredige werkverdeling tussen de toezichthouders vergroot hetgeen weer een positieve weerslag heeft op de bedrijfsvoering van het hotel. Naast de noodzaak van een continue controle op de dieren is het ook noodzakelijk dat er toezicht is op het bedrijf als er dieren worden gebracht en opgehaald.
Vanuit de maatschappij wordt een steeds flexibelere opstelling van huisdieropvang gevraagd. De bezoektijden voor het brengen en halen bij de dagopvang, zijn hierdoor in de loop der jaren steeds verder verspreid over de dag komen te liggen. Huidige situatie plangebied Het plangebied voor de tweede bedrijfswoning bestaat uit de gronden ten zuidoosten van het dierenhotel De Hendrikshoeve, aangrenzend aan de Veerwagenweg. Op dit moment zijn de gronden hoofdzakelijk grasland. Onderstaande figuur toont een impressie van de huidige situatie binnen het plangebied vanaf de Veerwagenweg in noordelijke richting. Links op de foto is de bedrijfswoning met het dierenhotel te zien. Midden op het perceel vooraan zal de beoogde tweede bedrijfswoning gesitueerd worden. Aan de achterzijde van dit perceel wordt een bedrijfsgebouw gerealiseerd van een hoveniersbedrijf. Deze ontwikkeling staat los van en maakt geen onderdeel uit van de voorliggende ontwikkeling.
9
Aanzicht vanaf de Veerwagenweg (bron: Google Maps)
10
2.2 Toekomstige situatie Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van een tweede bedrijfswoning bij het dierenhotel De Hendrikshoeve. Tevens wordt de bestaande inrit planologisch gezien mogelijk gemaakt. Met de realisatie van een tweede bedrijfswoning wordt het mogelijk de continuïteit van de huidige bedrijfsactiviteiten en het welzijn van de dieren te kunnen waarborgen.. De beoogde tweede bedrijfswoning heeft een functionele binding met het dierenhotel De Hendrikshoeve waardoor er nadrukkelijk geen sprake is van een zelfstandige woning. Met het voorgenomen plan blijft de omvang van de bedrijfsactiviteiten gelijk aan de huidige van het dierenhotel. De woning wordt ten oosten van de bestaande bedrijfswoning gesitueerd. Hierbij wordt de woning in dezelfde rooilijn gesitueerd. Door de woning voor de bedrijfsbebouwing van het achterliggende hoveniersbedrijf te situeren ontstaat er een eenzelfde stedenbouwkundige opzet als op de huidige kavel van het dierenhotel. Aan de Veerwagenweg vormen beide woningen het 'aangezicht' met daarachter meer volumineuze bedrijfsbebouwing. Hiermee ontstaat een eenduidige opzet van bebouwing en bebouwingskorrel. Voor de inpassing van de woning is tevens een inrichtingsvoorstel opgesteld (zie hieronder). Deze is tevens als bijlage bij de plantoelichting opgenomen.
De navolgende figuur toont de toekomstige ligging van de beoogde tweede bedrijfswoning.
De toekomstige ligging van de beoogde tweede bedrijfswoning + inpasssing in het groen (bron: Van der Zee Architecten)
De beoogde tweede bedrijfswoning zal in dezelfde rooilijn van de bestaande bedrijfswoning aan de Veerwagenweg 100 worden gerealiseerd. Hierdoor ontstaat grenzend aan de Veerwagenweg een strook agrarisch grasland, gelijk aan de bestaande situatie. Qua bebouwing wordt aangesloten bij de uitgangspunten van het ter plaatse geldende bestemmingsplan voor wat betreft het oprichten van een (bedrijfs)woning. De beoogde bedrijfswoning heeft een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 en 8 m met een grondoppervlakte van ca. 115 m². De Elzenhaag wordt als landschapselement doorgezet vanuit het aangrenzende plan. Tevens wordt er nog een elzenhaag aan de oostzijde van het plangebied gerealiseerd. Hierdoor wordt het plangebied, en met name het deel achter de woning, aan alle zijden afgeschermd met een elzenhaag. Het inrichtingsplan is aanvullend als bijlage bij de regels opgenomen en middels een voorwaardelijke verplichting geborgd.
11
Verkeer en parkeren In de nieuwe situatie vindt parkeren op eigen terrein plaats. Hiermee wordt voldaan aan de benodigde parkeerbehoefte van 2 parkeerplaatsen t.b.v. de woning. Het perceel waarop de nieuwe bedrijfswoning is gesitueerd krijgt een inrit over de bestaande dam. Deze dam wordt in de huidige situatie gebruikt als inrit voor het voormalig agrarisch perceel. Deze dam is met 10 m voldoende breed voor bouwverkeer en de ontsluiting van het perceel. Wel dient onderhoud aan de dam plaats te vinden. De ontwikkeling brengt slechts de zeer beperkte verkeersbewegingen van één huishouden met zich mee, te weten 8,2 verkeersbewegingen per etmaal. Derhalve wordt gesteld dat de ontwikkeling vanuit verkeerskundig oogpunt geen belemmering met zich meebrengt.
12
3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek De schaalgrootte van de NOVI brengt met zich mee dat het NOVI geen specifieke uitspraken doet die concreet van invloed zijn op dit specifieke project. De ambitie die de NOVI uitspreekt voor duurzaamheid, energie en klimaatadaptatie is wel terug te vinden in dit project. In paragraaf 3.3.2 is dit verder terug te lezen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat NOVI niet in de weg staat aan de beoogde planontwikkeling. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan heeft de wetgever in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen.
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Het gaat om de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld.
13
Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen en is dus ook niet specifiek van toepassing op het plangebied. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het Barro niet in de weg staat aan de beoogde planontwikkeling. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van één tweede bedrijfswoning behorende bij het bestaande dierenhotel De Hendrikshoeve. Deze tweede bedrijfswoning is noodzakelijk voor de adequate bedrijfsvoering en om de continuïteit van het bedrijf ook in toekomst te kunnen blijven garanderen. De ontwikkeling vindt plaats binnen een bestaand stedelijk concentratiegebied en kan derhalve als een passende ontwikkeling binnen de ladder voor duurzame verstedelijking worden beschouwd. Er wordt aangesloten bij de bebouwingsregels uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan voor bedrijfswoningen.
Conclusie Gelet op de omvang van de beoogde ontwikkeling van slechts één bedrijfswoning gaat het om een kleinschalige stedelijke ontwikkeling die de ondergrens, zoals bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, niet overschrijdt. Geconcludeerd kan worden dat het initiatief voldoet aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’.
14
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Provincie Utrecht De Omgevingsvisie Provincie Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:
• • • • • • •
waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.
Slim combineren Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers. Concentreren Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zonne- en windenergie. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken waar de provincie voor staan kan zij niet alleen oplossen. Samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie, medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden. Planspecifiek Het plangebied ligt in het stedelijk concentratiegebied.
De provincie hanteert bij de locatiekeuze voor nieuwe verstedelijking de volgende basisprincipes:
• • •
zo veel mogelijk binnenstedelijk/binnendorps (binnen het stedelijk gebied) nabij knooppunten; daarnaast in overig stedelijk gebied; eventuele nieuwe (grootschalige) uitleg koppelen aan hoogwaardig openbaar vervoer en aan (bestaande of nieuwe) knooppunten van de belangrijkste infrastructurele corridors.
In aanvulling hierop biedt de provincie Utrecht onder voorwaarden ruimte aan kernen voor kleinschalige uitbreiding van het stedelijk gebied om de lokale vitaliteit of ruimtelijke kwaliteit te vergroten. De planlocatie ligt in het stedelijk gebied van Houten. De beoogde realisatie van een tweede bedrijfswoning sluit aan op de bestaande bedrijfsbestemming. De tweede bedrijfswoning is een noodzakelijke ontwikkeling ten behoeve van de adequate bedrijfsvoering, de vereisten vanuit de branche organisatie en de verdere voortzetting van het dierenhotel De Hendrikshoeve. Het is dan ook van belang dat de te
15
realiseren tweede bedrijfswoning gesitueerd is in de directe nabijheid van het dierenhotel. Het dierenhotel is bij uitstek op een locatie gevestigd waar deze tot z'n recht komt en waar voldoende buitenruimte is voor de dieren om te spelen. Dit is een functie die niet op elke locatie gevestigd kan worden. Verplaatsing van het dierenhotel is daarmee geen realistisch alternatief waarmee een uitbreiding van de bedrijfsbestemming binnen stedelijk gebied ruimtelijk te verantwoorden is. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voorgenomen ontwikkeling passend is binnen de Provinciale Omgevingsvisie. 3.2.2 Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de op 10 maart 2021 vastgestelde Interim Omgevingsverordening en Programma's: De Omgevingsverordening In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden.
De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Programma's Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s. De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie pakt, hangt af van de situatie.
De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen. Planspecifiek De planlocatie is gelegen binnen het stedelijk gebied. Dit blijkt uit de kaart 'Wonen, werken en recreëren 2', zie figuur 7., In deze figuur is duidelijk de situering van de planlocatie in relatie tot de functie die de provincie aan het gebied heeft gegeven te zien. De grens van de aanduiding 'stedelijk gebied' wordt ook wel de 'rode contour' genoemd. In artikel 9.15 'Instructieregel verstedelijking' staat dat een ruimtelijk plan in een dergelijk gebied bestemmingen en regels kan bevatten voor verstedelijking. Binnen gebieden met deze aanduiding is een verdere verstedelijking (bouwen van een woning) mogelijk. De onderhavige locatie voldoet niet aan de bovenstaande omschrijving, in omvang is het terrein kleiner. Onderstaande figuur toont de ligging van het plangebied binnen het bestaand stedelijk gebied.
16
Ligging plangebied binnen bestaand stedelijk gebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Conclusie Aangezien de ontwikkeling binnen de 'rode contour' van het 'stedelijk gebied' valt is een nadere toets niet noodzakelijk. Woningen en daarmee ook bedrijfswoningen zijn toegestaan binnen het stedelijk gebied. De provinciale verordening kent geen specifieke instructieregels die specifiek gericht zijn op de realisatie van bedrijfswoningen bij bedrijven in het stedelijk gebied. Het oprichten van een tweede bedrijfswoning op deze locatie lijkt, vanwege het ontbreken van een toelichting, niet in strijd te zijn met de uitgangspunten van de Provincie Utrecht. Geconcludeerd kan worden dat het voornemen daarmee passend is binnen de beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de interim verordening, mede vanwege de voorgenomen situering binnen de rode contour. Ook is van belang dat de te realiseren tweede bedrijfswoning geen nadelige gevolgen voor de in de directe omgeving gevestigde bedrijvigheid heeft.
17
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Toekomstvisie Proeftuin Houten 2025 De Toekomstvisie Proeftuin Houten 2025 is op 9 juni 2015 vastgesteld door de raad van de gemeente Houten. In deze visie wordt een koers voor Houten in 2025 vastgelegd. Houten is in 2025 duurzaam, innovatief en kleinschalig. Met oog voor elkaar, veel ruimte voor experiment en initiatief bij inwoners. Vijf principes staan centraal om houvast te geven en weg te wijzen naar de toekomst: 1.
2.
3.
4.
5.
We stellen de mens centraal: Met 50.000 inwoners heeft Houten een schaal bereikt waar mensen elkaar kennen en herkennen. Houten kiest daarom niet voor een nieuwe groeitaak. Er is nog wel plek voor nieuwe woningen, ook in de kleine kernen, maar de bouwlocaties zijn kleinschalig. We waarderen verschillen: De samenstelling van de bevolking is in 2025 een stuk gevarieerder, waarbij Houten een tolerante, inclusieve samenleving is waar plek is voor jongeren, ouderen, autochtonen en allochtonen, hoger en lager opgeleiden. We zijn zuinig op onze omgeving: In 2025 is Houten een circulaire stad. Een stad 'in balans' is goed voor het leefklimaat van bewoners, voor de gezondheid, voor de omringende natuur en voor de toekomstige generaties. Technische innovaties worden omarmd waardoor Houten in 2025 stiller, schoner en klimaatvriendelijker is. We bouwen voort op ons ruimtelijk DNA: Het ruimtelijk DNA van Houten is robuust en toekomstbestendig; de groenzones, het fietspadenstelsel, de rondweg van Houten, de centrumgebieden, de weidse buitengebieden en de cultuurhistorische schatten onder en boven de grond. Al deze elementen dragen bij aan een Houten waar het ontspannen wonen, werken en leven is. We zijn actief in de regio: Houten maakt onlosmakelijk onderdeel uit van het stedelijk gebied in en rond Utrecht.
Tegelijkertijd ligt Houten in de rust en ruimte van het Eiland van Schalkwijk, de Kromme Rijn en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Enerzijds is sprake van gezamenlijke opgaven rond economie, mobiliteit, wonen, zorg en duurzaamheid (stedelijke oriëntatie). Anderzijds is er een ruimtelijke oriëntatie op het Kromme Rijngebied en de Lekstroom waarbij vraagstukken over natuur- en waterbeheer, recreatie, plattelandsontwikkeling en cultuurhistorie centraal staan. Houten is in 2025 een plek waar mensen zich vrij voelen om te ondernemen en te pionieren in de omvang met veranderingen die op ons afkomen: Houten als Proeftuin van de regio.
Planspecifiek Met het voorgenomen plan wordt aansluiting gevonden bij de principes ‘we zijn zuinig op onze omgeving’ en 'we bouwen voort op ons ruimtelijk DNA'. Ter plaatse is reeds het dierenhotel De Hendrikshoeve gevestigd alsmede de bij het hotel behorende eerste bedrijfswoning. Om bovengenoemde redenen is de wens om op deze locatie nog een tweede bedrijfswoning te realiseren. Door het realiseren van een tweede bedrijfswoning bij het dierenhotel De Hendrikshoeve is en blijft de locatie voor de ondernemer een gewilde en voor de hand liggende vestigingsplaats nabij het dierenhotel. De tweede bedrijfswoning wordt landschappelijk ingepast met respect voor de omringende bebouwing, natuur en het leefklimaat. De bouwlocatie is kleinschalig, wat qua gedachtegoed aansluit bij het principe ‘we stellen de mens centraal’. Zoals uit toelichting hoofdstuk 4 geconcludeerd kan worden is de beoogde uitbreiding milieu-hygiënisch inpasbaar. Conclusie De Toekomstvisie Proeftuin Houten 2025 omvat geen belemmeringen voor de planontwikkeling.
18
3.3.2 Woonvisie Houten 2021 Op 14 december 2021 is de nieuwe Woonvisie voor de gemeente Houten door de gemeenteraad vastgesteld. Dit vormt een actuele visie waarin de woonbehoefte in de gemeente Houten in beeld is gebracht. Aan de hand van vier speerpunten is omschreven wat de gemeente wil doen om aan de woningbehoefte te voldoen, maar ook wat daarin de verwachtingen zijn van de andere partijen. De speerpunten zijn de volgende:
• • • •
Toevoegen van 4.750 woningen in de periode tot 2040; Actieve sturing op een wijziging in de woningvoorraad van Houten; Een thuis voor iedereen; Opgave duurzaamheid en wonen.
Hierna wordt nader op deze speerpunten ingegaan. Toevoegen van 4.750 woningen in de periode tot 2040 Voor ongeveer 1.000 woningen zijn al meer of minder concrete plannen. Voor de overige woningen zal de planvorming nog ter hand genomen worden. Actieve sturing op een wijziging in de woningvoorraad van Houten Door de germeente Houten wordt vooral ingezet op het toevoegen van diverse soorten woningen. Te denken valt bijvoorbeeld aan
• •
Appartementen voor kleine huishoudens (starters, herstarters) met lagere inkomens. Kwalitatief hoogwaardige appartementen om doorstroming te bereiken van huishoudens die gelijkvloers willen wonen
Een Thuis voor iedereen Wonen is een eerste levensbehoefte voor iedereen. Voor jongeren, gezinnen en ouderen, maar ook voor mensen met een zorgvraag, statushouders of zij die uitstromen uit de maatschappelijke omvang of beschermd wonen. Daarom wil de gemeente Houten extra woningen toevoegen voor de huisvesting van bijzondere doelgroepen met het doel om zelfstandig te kunnen wonen in de wijk. Deze woonvisie is een belangrijk hulpmiddel om de samenhang tussen de beleidsvelden wonen en wonen & zorg te versterken. Opgave duurzaamheid en Wonen De gemeente Houten wil voor 2040 Klimaatneutraal en circulair zijn. Zowel bestaande woningen als nieuwbouwwoningen kunnen aan deze ambities op de thema’s energie, aardgasvrij, klimaatadaptatie en de circulaire economie bijdragen. Om woningen duurzaam te realiseren is landelijke wet- en regelgeving gemaakt, bijvoorbeeld de BENG normen. Om de duurzaamheidsambities van de gemeente te realiseren gaat de gemeente in gesprek met initiatiefnemers en projectontwikkelaars. Per situatie wordt bekeken hoe de hoogst haalbare duurzaamheidsmaatregel gerealiseerd kunnen worden. Planspecifiek De beoogde bedrijfwoning zal duurzaam gerealiseerd worden en een lage energiebelasting hebben. De nieuwbouwwoning zal voldoen aan de nieuwe BENG-eisen. Ook zal de woning voldoen aan de duurzaamheidseisen die de gemeente aanvullend stelt.
Daarmee wordt voldaan aan de opgave duurzaamheid, klimaatneutraal en wonen. De bedrijfswoning, zoals deze wordt gerealiseerd, wordt opgericht ten behoeve van de bedrijfsvoering van het dierenhotel. Daarmee wordt er wel een extra woning gerealiseerd maar is het niet mogelijk met deze woning bij te dragen aan de overige doelstellingen vanuit de Woonvisie. Wel komt er met de ontwikkeling doorstroming op gang doordat er een andere woning beschikbaar komt. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling passend is met de uitgangspunten van de woonvisie Houten 2021.
19
3.3.3 Klimaatadaptatieplan Houten 2022-2027 Op 24 december 2021 heeft de gemeenteraad het nieuwe Klimaatadaptatieplan Houten 2022-2027 vastgesteld. Door klimaatverandering krijgt men steeds vaker te maken met meer en heviger buien, langere periodes van droogte en hogere temperaturen. Het is belangrijk dat men zich aanpast aan het veranderende klimaat. Anders heeft dat gevolgen voor het welzijn van mens en dier en kan dit leiden tot (grote) overlast en kosten. Daarom is er door de gemeente een klimaatadaptatieplan gemaakt. Bij het opstellen van het plan zijn belanghebbenden uitgebreid betrokken. Zo is via een publiekspeiling in beeld gebracht hoe inwoners van de gemeente Houten denken over de gevolgen van klimaatverandering en hoe we daarmee moeten omgaan. 263 inwoners hebben hun mening over klimaatadaptatie gedeeld. In het Klimaatadaptatieplan worden de klimaatopgaven wateroverlast, hitte, droogte en overstroming onderscheiden. Vervolgens worden de doelen, strategie en het uitvoeringsplan uiteengezet. Er worden vijf speerpunten opgesteld: 1. 2. 3. 4. 5.
Nieuwbouw- en herstructurering klimaatadaptief De stad als spons Leefbaarheid bij hitte Gevolgbeperking klimaateffecten vitale en kwetsbare functies Klimaatbewustzijn en handelingsperspectief bewoners en bedrijven
Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten bij de ambitie van de gemeente Houten om in 2040 energieneutraal te zijn. Dit is mogelijk middels het treffen van duurzame maatregelen zoals goed isoleren, het toepassen van zonnepanelen en waar mogelijk waterdoorlatende bestrating toe te passen om wateroverlast zo veel mogelijk te voorkomen. Daarnaast heeft het de voorkeur zoveel als mogelijk gebruik te maken van duurzame bouwmaterialen. Waar mogelijk wordt hieraan invulling gegeven. Voor alle nieuwbouw geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Daar waar de gemeente strengere eisen stelt zal ook daar rekening mee gehouden worden. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voorgenomen plan passend is met het Klimaatadaptatieplan Houten 2022-2027. 3.3.4 Visie groen en biodiversiteit Houten De gemeente Houten heeft voor de onderwerpen groen en biodiversiteit een visie opgesteld. Deze is op 27 oktober 2020 vastgesteld door de Gemeenteraad van Houten. In deze visie wordt beschreven hoe de gemeente om wil gaan met biodiversiteit en groen. Biodiversiteit zegt iets over hoeveel verschillende planten en dieren er in een bepaald gebied zijn. De verschillende soorten planten en dieren houden de natuur in evenwicht. Door biodiversiteit kunnen we bijvoorbeeld groenten en fruit verbouwen.
Daarnaast zorgt het voor schoon water, een vruchtbare grond en een stabiel klimaat. Om de biodiversiteit verder te vergroten, wil de gemeente een volgende stap zetten. In de visie worden eerst de knelpunten uiteengezet waardoor er een afname van biodiversiteit plaats vindt. Vervolgens worden daarvoor oplossingen aangedragen. Planspecifiek Met onderhavige ontwikkeling wordt nieuw groen gerealiseerd en wordt bijgedragen aan de biodiversiteit op de locatie. Het groen-/inpassingsplan toont aan hoe de ontwikkeling wordt ingepast in de omgeving. In de huidige situatie is hier namelijk slechts een grasland aanwezig. De ontwikkeling zal aansluiten bij de visie en de direct omgeving.
20
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling in lijn is met de visie groen en biodiversiteit Houten
21
4 Uitvoerbaarheid De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wro aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In het gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
•
De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
22
Het voorgenomen plan betreft de bestemmingswijziging van een agrarische bestemming naar een bedrijfsbestemming ten behoeve van de realisatie van één tweede bedrijfswoning. Het aantal te realiseren woningen is derhalve zeer beperkt, minder dan 2000, waardoor er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend ruimtelijk plan valt onder mogelijkheid d. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een grote invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten vanwege de zeer beperkte omgeving van het plan. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten.
De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Conclusie Voor het voorliggende bestemmingsplan, dat de realisatie van één bedrijfswoning mogelijk moet maken, is het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing, derhalve wordt er geconcludeerd dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.
4.2 Milieu 4.2.1 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Door Inventerra is in de periode april-mei 2021 een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 verricht op de locatie aan de Veerwagenweg naast nr. 100 te Houten, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1. De onderzoekslocatie, met een oppervlakte van ca. 3500 m² is in gebruik als agrarisch grasland. De aanleiding van het bodemonderzoek is de geplande wijziging van de bestemming welke een strenger bodemgebruik tot gevolg heeft.
Doel van het verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de huidige bodemkwaliteit en of deze bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor het huidige of toekomstige gebruik. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem, namelijk onverdacht voor bodemverontreiniging.
23
Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd:
•
In de bovengrond (0 – 0,5 m-mv) op de locatie zijn geen verontreinigingen (MM1) respectievelijk een lichte verontreiniging met PAK (MM2) aangetoond.
• •
In de ondergrond (1,0 – 1,5 m-mv) zijn lichte verontreinigingen met nikkel en molybdeen vastgesteld. In het grondwater uit peilbuis 113 is een matig verhoogde concentratie barium gemeten en zijn lichte verontreinigingen aangetoond met kobalt en nikkel.
Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek dient de hypothese ‘onverdacht voor verontreiniging’ (strikt genomen) verworpen te worden, vanwege de aangetoonde licht verhoogde gehalten in de grond en het grondwater. De lichte verontreinigingen met nikkel in de ondergrond en de matig verhoogde concentratie barium in het grondwater worden toegeschreven aan natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden. Voor de lichte verontreinigingen met PAK in de bovengrond, molybdeen in de ondergrond en kobalt en nikkel in het grondwater is geen oorzaak bekend. Deze verhoogde concentraties zijn echter zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen naar de mening van het onderzoeksbureau niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming. Conclusie Derhalve kan gesteld worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor het voorgenomen plan. 4.2.2 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
•
andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Volgens de Wet Geluidhinder is bij wegen (met uitzondering van woonerven en 30 km/uur gebieden) met één of twee rijstroken een onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk als deze binnen een afstand van 250 meter van een geluidgevoelig object gelegen zijn. De Veerwagenweg betreft een weg waar 60 km/uur gereden mag worden. Voor een weg met drie of vier rijstroken is een onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk als deze binnen een afstand van 400 meter gelegen zijn. Op een afstand van ca. 225 meter is de vierbaansweg De Staart gelegen. Voor een weg met vijf of meer rijstroken is een onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk als deze binnen een afstand van 600 meter gelegen zijn. Op een afstand van ca. 540 meter van de locatie is de snelweg A27 gelegen. Voor deze drie wegen is een akoestisch onderzoek dus noodzakelijk. Dit onderzoek is uitgevoerd door Adviesburo Van der Boom (opdrachtnummer 21-154, 15 juli 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2).
Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van de ligging van de nieuwe woning nabij de A27 de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden wordt. De geluidsbelasting bedraagt 53 dB. De maximale ontheffingswaarde wordt daarmee niet overschreden. Overdrachtsmaatregelen zijn redelijkerwijs niet te treffen. Daarmee wordt
24
geadviseerd ontheffing hogere waarden te verlenen voor de nieuwe woning. Voor de geluidsbelaste gevel geldt wel dat aanvullende maatregelen nodig zijn om te kunnen voldoen aan het wettelijk binnenniveau van 33 dB. Nabij de locatie van de tweede woning zijn twee windturbines gelegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is hier ook onderzoek voor verplicht (LBP sight, kenmerk: V052619am.21G8F6D.md, 25 maart 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Door LBP sight is onderzocht of de beoogde woning een belemmering vormt voor de aanwezige windmolens en bepaald is of ter plaatse van de nieuw op te richten woning voldaan wordt aan de normen die gesteld worden aan het windpark. Geconcludeerd wordt door LBP sight dat de geluidsbelasting bij de nieuwe woning lager is dan de geluidsbelasting bij bestaande woningen. De nieuwe woning vormt daarmee geen beperking voor het windpark. Uit het onderzoek blijkt ook dat voldaan wordt aan de geldende normen. Geconcludeerd kan worden dat het windpark niet in de weg staat aan een goed woon- en leefklimaat voor de te ontwikkelen tweede bedrijfswoning. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. 4.2.3 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit.
Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 μg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek De ontwikkeling van een tweede bedrijfswoning, gezien de beperkte omvang, kan aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft ‘niet in betekenende mate’ invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Wel is, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2017 van fijnstof (PM 10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 18 μg/m³ PM10, 10 μg/m³ PM2,5 en 23 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
25
Conclusie Derhalve kan gesteld worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het voorgenomen plan. 4.2.4 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof.