CConstaterende datHouten
Koppel je AI →
Document · PDF

1 bestemmingsplan Waalseweg 37 NL.IMRO.0321.0810Waalseweg37-VABP

Gemeenteraad 13 februari 2024, gemeente HoutenBij agendapunt: ongewijzigde vaststelling bestemmingsplan Waalseweg 3720.936 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

40 meter. Dit wordt als geen belemmering gezien. Direct naast het plangebied staat aan de Waalseweg 35 een woning. Met de beoogde ontwikkeling wordt de afstand van de woning tot de bedrijfsbestemming kleiner. In de huidige situatie bedraagt dit 48 meter. Met het verplaatsen van de bedrijfsbestemming zal de afstand tot de woonbestemming ca. 35 meter bedragen, waarmee er ruim zal worden voldaan aan de richtafstand. De beoogde ontwikkeling heeft verder geen invloed op andere nabijgelegen woningen of gevoelige bestemmingen. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het aspect milieuzonering geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.

28

Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld.

Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest.

Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.

29

Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat woningen kwetsbare objecten zijn. Met de beoogde ontwikkeling wordt een schuur gerealiseerd. Dit betreft geen kwetsbaar object. De uitbreiding van de bebouwing leidt ook niet tot extra gevaarzetting. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het voorliggende initiatief.

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de bedrijfsbestemming naar het oosten verplaatst om de uitbreiding van de schuur mogelijk te maken. Momenteel is de locatie van beoogde nieuwbouwlocatie volledig verhard. Soortenbescherming De planlocatie van de uitbreiding is momenteel volledig verhard en heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Gezien de relatief grote afstand van ca. 7 km tot het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid' kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft. Een AERIUSberekening, voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Daarnaast is onlangs een redeneerlijn vastgesteld waarbij significante effecten op voorhand worden uitgesloten bij een uitstoot van minder dan 0,05 N/ha/jaar in de aanlegfase.

30

Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming en van de gemeentelijke bomenverordening. Daarnaast geldt de Algemene zorgplicht, op grond waarvan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden voorzichtig moet worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna:

•

Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

•

Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

• •

De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).

4.8 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen de bepalingen over omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving van de Erfgoedwet overgaan naar de Omgevingswet. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling wordt de schuur richting het oosten uitgebreidt. Voor dit deel van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Een archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 50 cm -Mv.

Aangezien de oppervlaktenorm bij het voorgenomen plan niet wordt overschreden is verder archeologisch onderzoek niet nodig. Eventuele toekomstige activiteiten zullen getoetst moeten worden aan het archeologiebeleid. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

31

4.9 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Binnen het plangebied heeft de langhuisboerderij een monumentale status. Daarnaast is het plangebied gelegen in de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Met de beoogde ontwikkeling vindt enkel een verplaatsing van de bedrijfsbestemming plaats. De langhuisboerderij wordt niet aangetast. De gewijzigde situering van de nieuwbouw en verplaatsing van de bedrijfsbestemming leidt tot een ruimtelijke verbetering en borgt het zicht op het monument beter dan in de huidige planologische situatie. Nieuwe Hollandse Waterlinie In het kader van de Nieuwe Hollandse Waterlinie vallen de kernkwaliteiten uiteen in drie aspecten, te weten watermanagement, strategisch landschap en militaire werken. Het plangebied maakt onderdeel uit van een zogenaamde unidatiekom en ligt binnen de 'kringen' van het Werk aan de Waalse Wetering.

Daarmee zijn de kernkwaliteiten zoals deze gelden voor het strategisch landschap en militaire werken van toepassing. Voorgaande brengt met zich mee dat nieuwe toevoegingen zoveel mogelijk geclusterd worden en dat de effecten voor het landschap en de openheid beperkt blijven. Met de voorgestelde nieuwe situering van de nieuwbouw worden bestaande zichtlijnen gerespecteerd. Door de bebouwing niet verder naar het oosten te schuiven dan de reeds aanwezige zuidelijke schuur. blijven zichtlijnen in stand. Door de bebouwing verder achter op het perceel te plaatsen, in vergelijking tot de bestaande bouwmogelijkheid op het voorerf, wordt in planologisch opzicht de openheid verder versterkt wat ten gunste komt aan het strategisch landschap. De nieuwe bebouwing wordt, anders dan voorgesteld in het nu geldende bestemmingsplan, niet direct in aansluiting op de Waalseweg gesitueerd. Dit versterkt het gevoel van openheid en maakt een betere landschappelijke inpassing mogelijk. De voorgestelde nokrichting sluit aan op het slagenlandschap en versterkt het slagenlandschap. Ook dit leidt tot een beter landschappelijk beeld. Het realiseren van de beoogde uitbreiding, op een andere plek dan dat het bestemmingsplan toelaat, kan in het kader van de Nieuwe Hollandse Waterlinie als positief aangemerkt worden.

32

4.10 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). De Europese Kaderrichtlijn Water (2003) De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater.

Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; emissies worden verbeterd; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater. Vierde Nota Waterhuishouding (Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 1998) De Vierde Nota Waterhuishouding geeft het kader voor het waterbeheer voor Nederland, nu en in de toekomst. De hoofddoelstelling is "een veilig en goed bewoonbaar land en het in stand houden / versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen, waarmee een duurzaam gebruik blijft gegarandeerd". Om de veerkracht van de watersystemen te vergroten dient de waterconservering en buffering te worden bevorderd en de afwenteling van (water-) problemen op naastgelegen gebieden te worden beperkt. Waterbeleid in de 21e eeuw (2000) De hoge waterstanden in de rivieren in 1995 en 1996 en de klimaatscenario's waarin naast de zeespiegelstijging ook meer en heviger buien worden voorspeld hebben geleid tot vernieuwde aandacht voor water. Nederland is met zijn lage ligging en hoge verstedelijkingsgraad kwetsbaar voor wateroverlast en de veiligheid is in de toekomst in het geding.

Maar ook door de drogere zomers is er het risico van watertekorten en verdroging. De commissie "Waterbeheer 21e eeuw" heeft in opdracht van de regering duidelijk gemaakt dat we anders moeten omgaan met water en ruimte. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast moet ten minste behouden blijven. De aanwezige ruimte mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) Het thema "water als ordenend principe" loopt als een rode draad door het gehele plan. Dit houdt in dat, voordat er beslissingen worden genomen op ruimtelijk gebied, er wordt bekeken welke gevolgen die hebben voor watersystemen. Dit waterplan valt onder het regime van de nieuwe waterwet (22 dec. 2009). Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden Per 1 mei 2019 is de nieuwe Keur in werking getreden, alsmede nieuwe beleidsregels. In de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018 staan verboden en geboden die betrekking hebben op oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen en grondwater. De verboden betreffen die handelingen en gedragingen die in principe onwenselijk zijn voor de constructie of de functie van oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen of grondwaterlichamen.

De geboden geven de verplichtingen aan om deze waterstaatswerken in stand te houden. Een gebod kan bijvoorbeeld betrekking hebben op een onderhoudsverplichting. Hiermee vermeldt de Keur expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt.

33

Planspecifiek Het plangebied is gelegen in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden. Het hoogheemraadshap is verantwoordelijk voor de waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A- watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het hoogheemraadschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. Watercompensatie In de huidige situatie is het plangebied vrijwel geheel verhard. Met de uitbreiding van de schuur zal geen sprake zijn van een toename in verharding. Het hoogheemraadschap gaat er vanuit dat het bij een toename van verhard oppervlak kleiner dan 500 m² (en daarvan is hier sprake) niet nodig is om watercompenserende maatregelen te treffen. Waterafvoer In dit plan dient ook rekening te worden gehouden met het gemeentelijke water en rioleringsplan 20202023 als beleidskader. Planspecifiek heeft dat tot gevolg dat bij panden die nieuw worden geplaatst of verbouwd er een ondergrondse infiltratie unit moet worden gerealiseerd met een inhoud van 15 mm ten opzicht van het nieuw verhard oppervlak.

Deze 15 mm kan via een groen dak worden vastgehouden of via een krattensysteem of IT leiding en extra materiaal met holle ruimte (granulaat 4/32) in de bodem worden geïnfiltreerd. De overloop van dit systeem kan dan worden aangesloten op oppervlaktewater. Voor het bouwdeel met plat dak wordt een sedum dak toegepast. Strikt genomen is er geen sprake van een toename van verharding, dit omdat de beoogde nieuwbouw gerealiseerd wordt op een locatie die nu al verhard wordt. Met het toepassen van het sedum dak, met een oppervlakte van 97 m 2, wordt de extra bebouwing, welke niet leidt tot extra verharding, ruimschoots gecompenseerd. Riolering Door Huub van der Zee architekten is een opzet gemaakt van het rioleringsplan (bijlage bij de plantoelichting). Het plan voorziet in een scheiding van hemelwater en vuilwater. Het vuilwater riool wordt aangesloten op de bestaande pompput. Bij de bouw wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen. Als gevolg van de nieuwbouw is er geen significante toename van de afvoer van vuilwater. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan.

4.11 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het onderzoeken en beschrijven van het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling ziet toe op het verplaatsten van de bedrijfsbestemming en het uitbreiden van de schuur. De uitbreiding is van des kleinschalige schaal dat de toename van de verkeersgeneratie minimaal zal zijn. De Waalseweg kan deze minimale toename van verkeersgeneratie opvangen. De parkeerbehoefte zal gelijk blijven met de huidige situatie. Derhalve wordt het aspect verkeer en parkeren niet als belemmering gezien.

34

4.12 Duurzaamheid en Klimaatadaptatie Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 20 % reductie van de CO2-uitstoot in 2020 ten opzichte van 1990. In 2023 dient verder de bijdrage van duurzame energie 16 % van het totale energieverbruik te zijn. De gebouwde omgeving is goed voor 30 % van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling ziet toe op het realiseren van een nieuwe schuur naast de bestaande bebouwing van het perceel gelegen aan de Waalseweg 37. Deze schuur komt deels ter plaatse van de bestaande schuur en deels richting het oosten te liggen, waar momenteel al een buitenopslag aanwezig is.

Het betreft slechts een kleinschaligheid ontwikkeling en dus zijn de opties op het gebied van duurzaamheid en klimaatadaptie slechts beperkt. Desalniettenmin zijn de aspecten hieronder toegelicht. Door het verplaatsen van het bouwvlak kan de schuur op een gewenste locatie worden gerealiseerd. Op deze manier kan de tuin met geitenweide behouden blijven, maar kan ook het zicht op de tuin en monumentale boerderij vanaf de Waalseweg behouden blijven. Momenteel is de locatie waar de nieuwe schuur dient te komen al volledig verhard. Met de ontwikkeling gaat er dus geen kostbaar groen verloren. Onderstaande afbeelding toont de beoogde uitbreiding van de schuur. Te zien is dat het gebied al volledig is verhard met betonplaten. Als gevolg van de beoogde uitbreiding van bebouwing komt een groot deel van de buitenopslag te vervallen.

35

Afname verharding (bron: Huub van der Zee).

Hitte Overlast van hitte is ter plaats van het plangebied niet te verwachten. Het plangebied bevindt zich een ruim opgezet en groen perceel. De bestaande bomen binnen het plangebied worden behouden. Droogte Om droogte tegen te gaan is het belangrijk om water zo veel mogelijk te laten infiltreren. Daarnaast wordt hemelwater langer vastgehouden op locatie door de toepassing van een 'groen dak'. Vanwege de ligging en de vergroening in het plangebied wordt verwacht dat droogte geen grote risico's oplevert voor het plangebied. Bodemdaling De betreffende woning staat al sinds 1970 in het plangebied. Bodemdaling is dan ook niet te verwachten.

36

5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub c Wro overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie In het kader van participatie is meermaals overleg gevoerd met de buurt. Door de initiatiefnemer is een verslag opgesteld. Dit verslag is als bijlage aan het bestemmingsplan toegevoegd. 5.2.1 Vooroverleg In deze paragraaf of in een bijlage zullen te zijner tijd de reacties in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro worden samengevat en van een gemeentelijke reactie worden voorzien.

37

5.2.2 Zienswijzen Het bestemmingsplan heeft voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.

38

bestemmingsplan

Waalseweg 37 Gemeente Houten

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.0321.0810Waalseweg37-VABP

Datum:

2023-12-06

Contactpersoon Buro SRO:

F. Polderman | J.J. Van Nuland

Kenmerk Buro SRO:

SR210370

Opdrachtgever:

S.N.A. van Rinsum

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleidende regels ..................................................................................................................................... 5 Artikel 1 Begrippen ................................................................................................................................................... 5 Artikel 2 Wijze van meten ....................................................................................................................................... 10

2 Bestemmingsregels ............................................................................................................................... 12 Artikel 3 Agrarisch ................................................................................................................................................... 12 Artikel 4 Bedrijf ....................................................................................................................................................... 15 Artikel 5 Waarde - Archeologie 1 ............................................................................................................................ 17 Artikel 6 Waarde - Archeologie 3 ............................................................................................................................ 20 Artikel 7 Waarde - Cultuurhistorie .......................................................................................................................... 23 Artikel 8 Waarde - Landschap 1 .............................................................................................................................. 25

3 Algemene regels .................................................................................................................................... 27 Artikel 9 Anti-dubbeltelregel ................................................................................................................................... 27 Artikel 10 Algemene bouwregels ............................................................................................................................ 27 Artikel 11 Algemene gebruiksregels ........................................................................................................................ 29 Artikel 12 Algemene aanduidingsregels .................................................................................................................. 30 Artikel 13 Algemene afwijkingsregels ..................................................................................................................... 31 Artikel 14 Algemene wijzigingsregels ...................................................................................................................... 31 Artikel 15 Overige regels ......................................................................................................................................... 32

4 Overgangs- en slotregels ....................................................................................................................... 33 Artikel 16 Overgangsrecht....................................................................................................................................... 33 Artikel 17 Slotregel .................................................................................................................................................. 33

3

4

1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan: Het bestemmingsplan Waalseweg VABP van de Gemeente Houten.

37 met

identificatienummer

NL.IMRO.0321.0810Waalseweg37-

1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waar gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 archeologische begeleiding: proces waarbij de uitvoering van niet-archeologische werkzaamheden door een archeoloog wordt begeleid en waarbij in het Programma van Eisen (PvE) de onderzoeksvra(a)g(en) en de te behalen onderzoeksdoelstellingen worden verwoord; 1.6 archeologisch onderzoek: onderzoek dat wordt verricht door een dienst, bedrijf of instelling dat werkt conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA); 1.7 archeologische verwachting: het vermoeden over het voorkomen van (de aard, omvang en kwaliteit van) archeologische waarden in het onderzoeksgebied; 1.8 archeologische waarde: oudheidkundige waarde, vooral in de vorm van archeologische relicten in hun oorspronkelijke context; zowel grote complexen/structuren zoals nederzettingsterreinen, als afzonderlijke vondsten kunnen met deze term worden aangeduid; 1.9 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.10 bedrijf: een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen,

vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten; 1.11 bedrijfsgebouw: een gebouw, dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten;

5

1.12 bedrijfswoning: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is; 1.13 beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlak: de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.14 bestaand: a.

b.

bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het tijdstip van vaststelling van het bestemmingsplan legaal bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van vaststelling is ingediend; bij gebruik: het gebruik dat op het moment van inwerkingtreding van het plan legaal bestaat.

1.15 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.16 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.17 Bevi-inrichting: een inrichting zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen; 1.18 bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak; 1.19 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.20 bouwgrens: de grens van een bouwvlak; 1.21 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en gedeeltelijke ondergrondse bouwdelen, maar met uitsluiting van geheel ondergrondse bouwdelen en zolders; 1.22 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.23 bouwperceelgrens: de grens van een bouwperceel;

6

1.24 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn toegelaten; 1.25 bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.26 cultuurhistorische waarden: waarden van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden; 1.27 erfbebouwing: bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.28 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.29 geluidsgevoelige objecten: woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder; 1.30 gevoelige functie: gronden en/of gebouwen waar mensen langdurig verblijven en daarmee een groter risico lopen op blootstelling aan (drift van) gewasbeschermingsmiddelen door toepassing daarvan in een naastgelegen fruitboomgaard. Hieronder worden in ieder geval begrepen: a. b. c.

(recreatie) woningen met bijbehorende tuin(en); bedrijsgebouwen waar men langdurig verblijft, zoals detailhandel en kantoren; de volgende gebouwen met bijbehorende terreinen: scholen, kinderdagverblijven, zorginstellingen, recreatieverblijven en andere in aard daarmee gelijk te stellen functies.

1.31 hoofdgebouw: een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is of zijn; 1.32 Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA): hierin staan de minimale vereisten waaraan een organisatie moet voldoen bij het uitvoeren van werkzaamheden in het kader van de archeologische monumentenzorg, zowel onderzoekstechnisch als wat betreft het personeel; 1.33 maaiveld: a. b.

voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein.

7

1.34 ondergeschikte detailhandel: niet-zelfstandige detailhandel, die wordt of is gerealiseerd binnen een andere hoofdfunctie, waarbij de detailhandelsfunctie qua oppervlak en ruimtelijke uitstraling ondergeschikt is aan die andere functie. 1.35 opgraven/opgraving: het opgraven van een vindplaats door een partij, die beschikt over een opgravingsvergunning ex artikel 39 van de Monumentenwet 1988, met als doel de informatie te verzamelen en vast te leggen die nodig is voor het beantwoorden van de in het Programma van Eisen (PvE) verwoorde onderzoeksvra(a)g(en) en het behalen van de onderzoeksdoelstellingen. 1.36 opslag: het in bewaring houden van goederen; 1.37 overig bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.38 overkapping: een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een (gesloten) dak, zonder eigen wanden; 1.39 pand: de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is; 1.40 peil: a.

niveau van het maaiveld;

b.

voor zover blijkt uit de betreffende bestemmingsregeling.

of

1.41 perceelgrens: de grens van een bouwperceel; 1.42 productiegebonden detailhandel: detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie; 1.43 programma van eisen: het Programma van Eisen (PvE) is een door een bevoegde overheid opgesteld of bekrachtigd document dat de probleem- en doelstelling van de te verrichten werkzaamheden geeft en de daaruit af te leiden eisen formuleert met betrekking tot het uit te voeren werk; 1.44 Staat van Bedrijfsactiviteiten: de Staat van Bedrijfsactiviteiten welke als bijlage deel uit maakt van de regels van dit bestemmingsplan; 1.45 voorkeursgrenswaarde: de maximale waarde voor de geluidsbelasting, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder c.q. het Besluit geluidhinder;

8

1.46 voorzieningen van algemeen nut: voorzieningen ten behoeve van de op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer; 1.47 waterpeil: de hoogte (het niveau) van de waterspiegel gemeten naar NAP op het moment van aanvraag van de vergunning, afwijking of bestemmingswijziging. Dit kan betrekking hebben op zowel oppervlaktewater als grondwater. 1.48 wettelijk beschermd archeologisch monument: terrein dat op basis van de Erfgoedwet is aangewezen als beschermd archeologisch monument en als zodanig is ingeschreven bij het Kadaster; 1.49 woning: een complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één zelfstandig huishouden, niet zijnde een woonschip of -ark; 1.50 woongebouw: een gebouw, dat meerdere naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden; 1.51 zelfstandig wonen: het bewonen van een zelfstandige woonruimte; 1.52 zelfstandige woonruimte: woonruimte met een eigen toegang, die door een huishouden kan worden bewoond zonder dat het huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte.

9

Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze planregels wordt als volgt gemeten: 2.1 Meetmethode De kortste afstand van enig punt van een gebouw tot de (zijdelingse) perceelsscheiding van het bouwperceel, met daarin geen onderscheid tussen bodem of water; 2.1.1 lengte, breedte en diepte van bouwwerken: tussen de verst van elkaar gelegen punten van die werken, horizontaal gemeten; 2.1.2 goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.1.3 inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.1.4 bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen, met dien verstande dat indien het bouwwerk een woonschip betreft het volgende geldt:

•

vanaf het waterpeil tot aan het hoogste punt van het bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals masten, stuurhutten, lichtkoepels, schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.1.5 oppervlakte van een bouwwerk: tussen de (fictieve) buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van een gebouw of van een overig bouwwerk; 2.1.6 onderlinge afstanden: afstanden tussen bouwwerken onderling en ook afstanden van bouwwerken tot erfscheidingen worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn. 2.2 Uitzonderingen De kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de gebouwen zowel haaks als evenwijdig gepositioneerd;

10

2.2.1 Ondergeschikte bouwdelen: Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt. 2.3 De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouwen zijnde Bij bouwwerk op vlak maaiveld:

•

tussen bovenkant van het bouwwerk (bij beweegbare delen te meten in de uiterste stand) en het peil.

Bij bouwwerken op talud of dijk:

•

bovenkant van het bouwwerk (bij beweegbare delen te meten in de uiterste stand) en het gemiddelde maaiveldpeil van het aansluitend afgewerkt terrein.

2.4 Lengte, breedte en diepte van een bouwwerk Tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en/of hart van scheidsmuren, gemeten 1,0 m boven peil;

11

2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.

b. c. d. e.

het uitoefenen van grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteiten zoals genoemd in lid 1.6 onder a en b, met dien verstande dat de uitoefening van een agrarisch bedrijf zoals bedoeld in lid 1.6 onder b niet is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'fruitteelt'; fruitteelt; het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, bestaande uit de openheid van het gebied en het verkavelingspatroon; bescherming van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van omliggende gevoelige functies, voor zover gelegen binnen een afstand van 50 meter van een nieuw aan te planten fruitboomgaard; extensieve dagrecreatie en kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen;

met daaraan ondergeschikt: f. g.

h.

mestverwerking ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering; de in tabel 3.1 genoemde nevenfuncties met de daarbij behorende maximaal in gebruik te nemen oppervlaktes voor bebouwing en gronden; bij een combinatie van nevenfuncties mag ten hoogste 300 m² aan bebouwing en 4.000 m2 aan gronden worden gebruikt, tenzij in tabel 3.1 is bepaald dat alle bij het bedrijf behorende gronden in gebruik genomen mogen worden; bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals kuilvoerplaten, sleufsilo's, teeltondersteunende voorzieningen, mestvoorzieningen, paardenbakken, groen, nutsvoorzieningen, in- en uitritten, ontsluitingswegen, kavelpaden en voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, bruggen, dammen, duikers, gemalen, waterberging en overige voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; tevens natuurvriendelijke oevers, helofytenfilters, vispaaiplaatsen en voorzieningen ten behoeve van de verbetering van de waterkwaliteit.

Tabel 3.1 Rechtstreeks toegestane nevenfuncties

nevenfunctie

max. m² aan bestaande bebouwing in gebruik

max m² aan gronden in gebruik

verkoop aan huis van streekeigen agrarische producten

100

100

inpandige opslag en stalling van agrarische producten (meer dan reguliere opslag ten behoeve van eigen bedrijfsvoering)

300

-

veearts/hoefsmederij/KI-station

100

100

ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten (kaasmakerij, imkerij, rieten vlechtwerk, klompenmakerij)

100

100

inpandige statische volumineuze opslag en stalling van niet-agrarische producten/werktuigen/ voertuigen in bestaande gebouwen behorende tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, geen detailhandel

300

-

rondleidingen op het agrarische bedrijf

-

alle bij het bedrijf behorende gronden

100

100

kano-, boot of fietsenverhuur kleinschalige kinderopvang in de bedrijfswoning

-

12

-

3.2 Bouwregels Op deze gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van het volgende: 3.2.1 Erfbebouwing a. Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. b. c.

bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en ten dienste van de bestemming worden gebouwd; buiten het bouwvlak is 1 schuilstal per bedrijf mogelijk met een maximale oppervlakte van 20 m2 en een maximale bouwhoogte van 3 m; in afwijking van het bepaalde onder a is buiten het bouwvlak maximaal één gebouw per fruitteeltbedrijf mogelijk ten dienste van het plaatsen van installaties voor de levensduur en veiligheid, zoals een aggregaat, een druppelaar, etc. met een maximale oppervlakte van 30 m2 en een maximale bouwhoogte van 3 m.

3.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om nadere eisen te stellen met betrekking tot de situering en/of afmetingen van bebouwing, indien dit noodzakelijk is in verband met: a. b. c. d. e.

een goede stedenbouwkundige en/of landschappelijke inpassing; een goede verkeerskundige inpassing; een goede inpassing van de cultuurhistorische waarden; een goede hydrologische inpassing; een goede brandveiligheid en rampenbestrijding.

3.4 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. b.

c.

d.

e.

mestopslag buiten het bouwvlak is niet toegestaan; faciliteiten ten behoeve van paarden, zoals paardenbakken, tredmolens, uitloopvoorzieningen en mestplaten zijn niet toegestaan buiten het bouwvlak, tenzij met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paardenbak' anders is aangegeven; ten behoeve van de in tabel 3.1 genoemde nevenfuncties gelden de volgende gebruiksregels: 1. het oprichten van lichtmasten, lichtbakken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van reclameborden en/of neonreclame is niet toegestaan; 2. opslag van stoffen en producten die gevaar of milieuoverlast kunnen opleveren, is in geen geval toegestaan; 3. buitenopslag buiten het bouwvlak is niet toegestaan met uitzondering van tijdelijke opslag; 4. er mag geen detailhandel ontstaan met een verkoopvloeroppervlak van meer dan 100 m²; 5. de nevenfunctie is niet toegestaan indien de nevenfunctie leidt tot een nieuwe geurgevoelig object. tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: 1. prostitutiebedrijven; 2. (permanente) buitenopslag van goederen en materialen voor de voorgevelrooilijn; 3. wonen, behoudens bedrijfswoningen en plattelandswoningen; 4. commerciële zaalverhuur; 5.

zelfstandige horeca; Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: het gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de uitbreiding of wijziging van de bestaande veestapel waarbij een toename plaatsvindt van de bestaande ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf.

13

3.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.5.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Agrarisch zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. b.

het nieuw aanplanten van een fruitboomgaard voor zover deze gelegen binnen 50 m van een gevoelige functie; het herplanten van een fruitboomgaard voor zover dit niet binnen 1 jaar na het rooien heeft plaatsgevonden en niet herplant wordt op exact dezelfde locatie.

3.5.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod Het verbod van artikel 3 lid 5.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. b. c. d.

noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij de bouwregels in acht zijn genomen; normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; voor zover er sprake is van een bestaande fruitboomgaard, tenzij er sprake is van de herplant conform artikel 3 lid 5.1 sub b .

3.5.3 Toelaatbaarheid De genoemde omgevingsvergunning in artikel 3 lid 5.1 kan slechts worden verleend indien: a.

ten aanzien van de aanplant van fruitboomgaarden, zoals bedoeld in lid 3.5.1 a en b een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omliggende gevoelige functies kan worden gegarandeerd. Van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is sprake indien de aanvrager voor omgevingsvergunning middels locatiespecifiek onderzoek kan aantonen dat voor de omliggende gevoelige functies binnen 50 m van de aan te leggen fruitboomgaard voorzien wordt in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

14

Artikel 4 Bedrijf 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.

de uitoefening van een bedrijf uit ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;

met de daarbij behorende: b.

c. d. e. f. g.

kantoren die ondergeschikt zijn aan en ten dienste staan van de bestemming, met dien verstande dat maximaal 50% van het totale bedrijfsvloeroppervlak tot een maximum van 1500 m² hiervoor gebruikt mag worden; tuinen, erven en terreinen; nutsvoorzieningen; verkeers- en verblijfsvoorzieningen, waaronder parkeren; groenvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

4.2 Bouwregels 4.2.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. b. c.

d. e. f. g.

hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en ten dienste van de bestemming worden gebouwd; per bouwvlak mogen hoofdgebouwen ten behoeve van 1 bedrijf worden gebouwd; het maximale gezamenlijk oppervlak aan hoofdgebouwen bedraagt het bestaand bruto vloeroppervlak vermeerderd met ten hoogste 20%, tenzij door middel van de maatvoeringsaanduiding 'maximum bebouwd oppervlak' anders is aangegeven, in dat geval geldt het oppervlak zoals aangegeven met de maatvoeringsaanduiding als maximum; voor hoofdgebouwen geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 11 m; de afstand van hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt ten minste 5 m; voor de voorgevelrooilijn mag niet worden gebouwd; de voorgevel van hoofdgebouwen moet worden gesitueerd in de voorgevelrooilijn.

4.2.2 Erfbebouwing Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. b.

c.

bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en ten dienste van de bestemming worden gebouwd; de bouwhoogte van erf- en terreinafscheiding bedraagt maximaal 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn en buiten het bouwvlak maximaal 1 m bedraagt; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 m.

15

4.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om nadere eisen te stellen met betrekking tot de situering en/of afmetingen van bebouwing, indien dit noodzakelijk is in verband met: a. b. c. d. e.

een goede stedenbouwkundige en/of landschappelijke inpassing; een goede verkeerskundige inpassing; een goede inpassing van de cultuurhistorische waarden; een goede hydrologische inpassing; een goede brandveiligheid en rampenbestrijding.

4.4 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. b. c. d. e. f.

nieuwe Bevi-inrichtingen zijn niet toegestaan; opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk is niet toegestaan; nieuwe Wgh-inrichtingen zijn niet toegestaan; opslag van goederen met een totale stapelhoogte van meer dan 4 m is op onbebouwde gronden niet toegestaan; parkeergelegenheid dient op eigen terrein gerealiseerd te worden; tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: 1. prostitutiebedrijven; 2. (permanente) buitenopslag van goederen en materialen voor de voorgevelrooilijn; 3. wonen, behoudens bedrijfswoningen; 4. commerciële zaalverhuur; 5. zelfstandige horeca; 6. detailhandel.

16

Artikel 5 Waarde - Archeologie 1 5.1 Bestemmingsomschrijving a. b.

De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden; Binnen de op de verbeelding aangeduide gebieden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – archeologisch monument' zijn de hierna opgenomen regels niet van toepassing.

5.2 Bouwregels a.

b.

c.

d.

De aanvrager van een omgevingsvergunning voor bouwen op gronden die zijn aangewezen als 'Waarde – Archeologie 1' legt een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie over, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Burgemeester en wethouders verlenen de omgevingsvergunning indien deze past binnen de bouwregels van de onderliggende bestemming en naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in het eerste lid blijkt dat: 1. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; 2. schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften. De situatie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften aan een omgevingsvergunning verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden (insitu-behoud), of; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan 100 m2; 3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 0,5 m en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst, of 4. een gedeelte van een perceel dat gelegen is binnen een kabels- en leidingenstroken.

17

5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.3.1 Werken en werkzaamheden In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige archeologische waarden en behoudens het bepaalde in artikel 5 lid 2 is het verboden op of in de in lid artikel 5 lid 1 bedoelde grond zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag, over een oppervlakte van 100 m2 of meer, de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te (laten) voeren: a. b. c. d. e.

f. g.

het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,5 m onder peil, waaronder begrepen het aanleggen van drainage; het aanbrengen van diepwortelende beplantingen; het egaliseren van gronden; het ophogen van het maaiveld met meer dan 0,75 m; het wijzigen van de waterhuishouding of de grondwaterstand en/of het vergroten van de toe- of aanvoer van water door bijvoorbeeld het afdammen, stuwen, bemalen of onderbemalen, het draineren van gronden, het graven, dempen of anderszins vergroten en veranderen van waterlopen, sloten en greppels; het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem dieper dan 0,5 m onder peil; het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen waarbij grondroering plaatsvindt dieper dan 0,5 m onder peil.

5.3.2 Uitzonderingen Van het vereiste van omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5 lid 3.1 zijn uitgezonderd: a. b. c.

werken en werkzaamheden in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen; werken en werkzaamheden waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van onherroepelijk worden van het bestemmingsplan; werken en werkzaamheden welke toezien op de vervanging, vernieuwing of verandering van kabels en leidingen binnen bestaande leidingtracés.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Houten&id=00bd83e9-d9ec-4d0c-a92b-ef2366636dc8