1 bestemmingsplan Waalseweg 37 NL.IMRO.0321.0810Waalseweg37-VABP
Tekst van het document
bestemmingsplan
Waalseweg 37 Gemeente Houten
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.0321.0810Waalseweg37-VABP
Datum:
2023-12-06
Contactpersoon Buro SRO:
F. Polderman | J.J. Van Nuland
Kenmerk Buro SRO:
SR210370
Opdrachtgever:
S.N.A. van Rinsum
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging van het plangebied .................................................................................................................................. 6 1.3 Geldend planologisch regime .............................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Het initiatief ............................................................................................................................................. 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 13 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 13 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 15 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 19 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 20
4 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 24 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 24 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 25 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 25 4.4 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 26 4.5 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 27 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 28 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................
30 4.8 Archeologie ....................................................................................................................................................... 31 4.9 Cultuurhistorie .................................................................................................................................................. 32 4.10 Water .............................................................................................................................................................. 33 4.11 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 34 4.12 Duurzaamheid en Klimaatadaptatie ................................................................................................................ 35
5 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 37 5.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 37 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 37
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding De beoogde ontwikkeling ziet toe op het uitbreiden van de bestaande bedrijvigheid aan de Waalseweg. Hiervoor wordt de bebouwing t.b.v. bedrijvigheid en opslag uitgebreid binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan. Initiatiefnemer heeft op eigen perceel aan de Waalseweg 37 in Tull en 't Waal meerdere schuren staan die worden gebruikt voor bedrijvigheid en opslag, waaronder buitenopslag van caravans. Het is niet gewenst om de gewenste uitbreiding te realiseren naast de monumentale langhuisboerderij aan de Waalseweg. Dit zou teveel afbreuk doen aan het gemeentelijk monument en ingrijpen op het woongenot. Derhalve is het planvoornemen het bouwvlak van de bedrijfsbestemming te verplaatsen van het noorden van het perceel naar het oosten waarmee geen afbreuk wordt gedaan aan het zicht op en de ligging van het gemeentelijk monument. De beoogde bouwlocatie voor de uitbreiding past niet binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan ‘Eiland van Schalkwijk', vastgesteld op 30 augustus 2017. In het bestemmingsplan heeft het plangebied deels een bedrijfsbestemming en deels een agrarische bestemming. Verplaatsing van het bouwvlak is binnen het vigerende bestemmingsplan niet toegestaan. Om de uitbreiding op een andere locatie op de kavel mogelijk te maken is een partiële herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.
Voorliggende plan voorziet hier in.
5
1.2 Ligging van het plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Waalseweg 37 in de plaats Tull en 't Waal, welke onderdeel is van de gemeente Houten. Het betreft de kadastrale percelen gemeente Houten, sectie I, nummers 814 en deels 815, met een totaal oppervlakte van 6.400 m². De navolgende afbeelding toont de globale ligging en begrenzing van het plangebied.
Globale ligging plangebied (plangebied rood omkaderd, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
6
1.3 Geldend planologisch regime Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Eiland van Schalkwijk', vastgesteld op 30 augustus 2017 door de gemeenteraad van de gemeente Houten. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan.
Uitsnede bestemmingsplan Eiland van Schalkwijk; plangebied is rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
In het geldende bestemmingsplan hebben de gronden in het plangebied de bestemming 'Bedrijf' en 'Agrarisch'. De bestemming 'Bedrijf' is voorzien van een bouwvlak, bouwen buiten het bouwvlak is niet toegestaan. De gronden van het plangebied hebben ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde Archeologie 3'. Deze gronden zijn mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezig archeologische waarden. De gronden hebben daarnaast ook de 'Waarde - Cultuurhistorie'. Deze gronden zijn mede bestemd voor het behouden en versterken van de openheid van de voormalige inundatiegebieden en van de samenhang tussen de elementen van de Hollandse Waterlinie. Conclusie Het voorgenomen plan om de grenzen van het bouwvlak en bestemming 'Bedrijf' te verplaatsen is strijdig met het geldende bestemmingsplan. Ook zijn er geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheden die toereikend zijn voor het voorgenomen plan. Medewerking is mogelijk middels een partiële herziening van het bestemmingsplan.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante rijks-, provinciale, en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tot slot bevat hoofdstuk 5 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.
7
2 Het initiatief 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen aan de Waalseweg in het dorp Tull en 't Waal, een klein dorp in de gemeente Houten. Het dorp Tull en 't Waal heeft circa 680 inwoners en is gelegen op de Vuijlkoopstroomrug van de Lek. Het plangebied is gelegen aan de grens van het dorp en heeft daarmee een landelijk karakter. Aan de Waalseweg bevinden zicht een mix van woningen, fruitbedrijven en andere boeren bedrijvigheid. Vanwege de vruchtbare riviergrond wordt er veel fruit in de omgeving geteeld. Het plangebied bestaat uit een voormalig boerenbedrijf. Vanaf de Waalsweg is er zicht op een fraaie tuin, geitenweide en de monumentale langhuisboerderij. Achter op het erf staan meerdere schuren die worden gebruikt voor bedrijfsmatige activiteiten en opslag. Door muren en hagen is de achtergelegen bedrijvigheid goed verborgen. De onderstaande afbeeldingen tonen een impressie van de huidige situatie.
Impressie huidige situatie van het plangebied (bron: Google.streetview, 2015)
8
2.2 Toekomstige situatie Initiatiefnemer heeft de wens om het bouwvlak van de bestemming 'Bedrijf' te verplaatsen. Met de verplaatsing van het bouwvlak kan de bedrijfsuitbreiding ten oosten van bestaande schuur worden uitgebreid in plaats van dat dit gebeurt aan de Waalseweg. De verplaatsing van de bouwmogelijkheden leidt niet tot meer bouwmogelijkheden. Het te bebouwen oppervlak wordt 1 op 1 verplaatst zonder verdere uitbreiding. In de huidige situatie heeft het gebied dat is gelegen naast de monumentale langhuisboerderij een bedrijfsbestemming. Initiatiefnemer gebruikt de schuren voor bedrijvigheid en opslag. Daarnaast is er buitenopslag van caravans. De wens is om binnen de huidige planologische mogelijkheden uit te breiden. Deze uitbreiding blijf binnen de toegstane 20%. Om dit mogelijk te maken dient een nieuwe schuur, of een uitbreiding van een schuur te worden gerealiseerd. Momenteel is er volgens het vigerende bestemmingsplan alleen aan de Waalseweg nog ruimte voor deze uitbreiding. Dit is echter ruimtelijk en landschappelijk niet gewenst, want dit zal ten kosten gaan van de tuin en geitenweide, maar ook van het zicht op de monumentale langhuisboerderij. Derhalve wenst de initiatiefnemer het bouwvlak te verplaatsen zonder verdere uitbreiding van de reeds nu aanwezige bouwmogelijkheden.
Het bouwvlak krijgt zo een ruimtelijk en landschappelijk betere ligging en de hoeveelheid buitenopslag neemt af. Daarmee is er sprake van een ruimtelijke verbetering. Ten behoeve van de nieuwbouw worden twee bestaande schuren met asbest daken gesloopt waarna een grotere loods teruggebouwd wordt. Voorlangs de nieuwe loods wordt de bestaande leibomensingel verder doorgetrokken waarmee de nieuwe schuur aan het zicht onttrokken wordt. Onderstaande afbeelding toont de verplaatsing van het bouwvlak in vergelijking met de huidige situatie.
Beoogde ontwikkeling verplaatsing van het bouwvlak (bron: Huub van der Zee Architecten)
Door het verplaatsen van het bouwvlak kan de schuur op een gewenste locatie worden gerealiseerd. Op deze manier kan de tuin met geitenweide behouden blijven, maar kan ook het zicht op de tuin en monumentale boerderij vanaf de Waalseweg behouden blijven. Momenteel is de locatie waar de nieuwe schuur dient te komen al volledig verhard. Met de ontwikkeling gaat er dus geen kostbaar groen verloren. Onderstaande afbeelding toont de beoogde uitbreiding van de schuur. Te zien is dat het gebied al volledig is verhard met betonplaten. Als gevolg van de beoogde uitbreiding van bebouwing komt een groot deel van de buitenopslag te vervallen.
9
Beoogde uitbreiding schuur
Onderstaande afbeelding toont een situatietekening van de beoogde ontwikkeling
Situatietekening beoogde ontwikkeling plangebied
10
Landschappelijke inpassing Verzocht is de beoogde ontwikkeling landschappelijk in te passen. Gezien de ligging binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie is ervoor gekozen de inpassing te beperken tot een enkele singel. Daarmee wordt de openheid maximaal behouden en kan de functie van het voorterrein als weide behouden blijven. De onderstaande afbeelding laat de beoogde inpassing zien. De navolgende afbeelding laat een fotobewerking van de nieuwe situatie zien.
Beoogde inpassing
Huidig aangezicht vanaf de Waalseweg
11
Foto bewerking nieuwe situatie
12
3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek De aard en kleinschaligheid van de voorgenomen ontwikkeling maakt dat er, los van de ladder voor duurzame verstedelijking, geen raakvlak is met het rijksbeleid. In toelichting paragraaf 3.1.3 wordt op de ladder voor duurzame verstedelijking ingegaan. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016, 1 januari 2017 en 1 december 2020 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling heeft raakvlak met het Barro. Het plangebied raakt aan één van de 14 in het Barro geformuleerde rijksbelangen, namelijk titel 2.13 'Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde'. Het plangebied ligt immers in het gebied dat in kaart 7 van het Barro door het Rijk indicatief is aangemerkt als de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Toetsing aan deze uitwerking vindt plaats in toelichting paragraaf 3.2.2. De overige belangen van het Barro zijn verder niet specifiek van toepassing, waarmee het geen belemmering vormt voor voorliggende planontwikkeling.
13
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i, van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen, afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Het voorgenomen plan, dat bestaat uit de realisatie van het verplaatsen van een bouwvlak en de uitbreiding van een schuur, wordt daarom niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ladder van duurzame verstedelijking is derhalve niet noodzakelijk.
14
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Provincie Utrecht De Omgevingsvisie Provincie Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:
• • • • • • •
waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.
Slim combineren Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers. Concentreren Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zonne- en windenergie. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken waar de provincie voor staat kan zij niet alleen oplossen. Samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie, medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden.
Planspecifiek De ambitie van de provincie is onder andere het streven naar een goede balans tussen leefbaarheid en economische ontwikkeling. Om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te behouden en te versterken is een goed beheer van de bestaande kwaliteiten en het toevoegen van nieuwe kwaliteiten van belang. Er moet worden voldaan aan de wettelijke basiskwaliteit voor een gezonde en veilige leefomgeving. Voor de leefomgevingskwaliteit is het essentieel de waarden en karakteristieken van het landschap en de cultuurhistorie te benoemen, te behouden, waar nodig adequaat te herstellen en waar mogelijk te versterken en te ontwikkelen. Met de beoogde ontwikkeling vindt er een verplaatsing van het bouwvlak plaats, met een kleine uitbreiding van de schuur. Met de ontwikkeling vinder verder geen aanpassingen plaats die invloed zullen hebben op het uiterlijk van het gebied. Het karakter en aanzien vanaf de Waalseweg zal daarmee onaangetast blijven.
15
Landschap Rivierenland In de Omgevingsvisie zijn verschillende landschappen onderscheiden. Het plangebied maakt deel uit van het 'Landschap Rivierengebied. Het Rivierengebied is een landschap met een langgerekte opbouw. Het landschap kent vijf duidelijk verschillende deelgebieden, met elk een eigen centrale ruggengraat. Het plangebied is gelegen in het deelgebied Schalkwijk. Voor het Landschap Utrechtse Rivierengebied wil de provincie de volgende kernkwaliteiten behouden: 1. 2. 3. 4.
schaalcontrast van zeer open naar besloten; samenhangend stelsel van rivier - uiterwaard - oeverwal - kom; samenhangend stelsel van hoge stuwwal - flank - kwelzone - oeverwal - rivier; de Kromme Rijn als vesting en vestiging.
Gezien de beperkte omvang van de ontwikkeling zullen de kernkwaliteiten verder niet worden aangetast. klimaatadaptatie De provincie wil de fysieke leefomgeving klimaatbestendig en waterrobuust maken. Het is belangrijk dat bij ontwikkelingen rekening gehouden wordt met een robuust bodem- en watersysteem, een klimaatbestendige en waterveilige leefomgeving en een perspectief voor bodemdalingsgebieden. Onderdeel van een klimaatbestendige leefomgeving is klimaatadaptief bouwen. Om dit te stimuleren heeft de provincie Utrecht het initiatief genomen om met zoveel mogelijk gemeenten, bouwers, ontwikkelaars en waterschappen afspraken te maken over het 'klimaatrobuust' maken van gebouwen. Deze afspraken zijn vastgelegd in de nota 'Afspraken klimaatadaptief bouwen Utrecht'. In de nota is klimaatadaptief bouwen onderverdeeld in de volgende thema's: hitte, droogte, wateroverlast, gevolgbeperking van overstromingen, biodiversiteit & natuurinclusiviteit en bodemdaling. Hitte In het landelijk gebied is het thema hittestress minder van belang dan in het stedelijk gebied. Het plangebied is gelegen in het buitengebied. Rondom het plangebied is veel groen aanwezig. Het plangebied zelf is daarnaast momenteel al vrijwel geheel verhard waardoor er met de beoogde ontwikkeling geen sprake zal zijn van een toename in verharding. Op de beoogde schuur wordt een sedumdak gelegd.
Planten absorberen zonlicht. Zonlicht wordt voor 50% geabsorbeerd en 30% gereflecteerd. Het bestaande groen wordt met de beoogde ontwikkeling behouden. Door het behoud van het bestaande groen en het toevoegen van een sedumdak zorgt de beoogde ontwikkeling voor een koeler en aangenamer klimaat. Droogte Droogte leidt tot een verhoogde watervraag en toenemende watertekorten, wat een langdurig effect op grond- en oppervlaktewaterstanden heeft. Langdurige droogte kan leiden tot bijvoorbeeld schade aan funderingen, verdroging van groen, een slechte oppervlaktewaterkwaliteit, versnelde bodemdaling en hittestress. Om droogte te voorkomen kunnen onder andere eisen gesteld worden aan het openbaar groen, oppervlaktewater en de gewenste grondwaterstand. Vanwege de ligging van het plangebied wordt verwacht dat droogte geen grote risico's oplevert voor het plangebied. Door water binnen en rondom het plangebied vast te houden wordt droogte tegengegaan. Door het plangebied verder groen in te richten kan een bijdrage worden geleverd aan het vasthouden van water. Bodemdaling het plangebied is niet in een bodemdalinggevoelig gebied gelegen. Derhalve is bodemdaling ter plaatse van de beoogde schuur dan ook niet te verwachten. Overstromingen De kans op overstromingen is per locatie anders. Overstromingen vanuit rivieren, meren of zeeën kunnen voor grote overlast zorgen.
Het is dan ook van belang dat de overstromingskans zo klein mogelijk is. Het plangebied is gelegen nabij de Lekdijk. Met behulp van de klimaateffectatlas is gekeken naar de plaatsgebonden overstromingskans van het plangebied. Uit de kaart blijkt dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een zeer kleine kans op overstromingen tussen de 1/3.000 tot 1/30.000 per jaar. Gezien de kleine kans van overstroming is het thema overstromingen verder niet van belang.
16
Wateroverlast door overvloedige neerslag Voor de beoogde ontwikkeling is de klimaateffectatlas geraadpleegd. Uit de klimaatatlas blijkt dat er ter plaatse van het plangebied hoogstwaarschijnlijk geen sprake zal zijn wateroverlast, mocht er een extreme bui plaatsvinden. Daarnaast is het plangebied in de huidige situatie volledig verhard, terwijl met de beoogde ontwikkeling een sedumdak aangelegd zal worden. Een sedum absorbeert regenwater door waterbuffering in de planten, substraat en drainage. Het vertraagt de afvoer naar het riool, zuivert het regenwater en zorgt voor verdamping door de planten. Zo blijft het grondwaterpeil stabiel, wordt de piekbelasting op het riool verminderd en daaruit voortvloeiende overstromingen gereduceerd. Conclusie Het voorgenomen initiatief is in lijn met de ambities en kwaliteiten die zijn omschreven in de Omgevingsvisie. 3.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de op 10 maart 2021 vastgestelde Interim Omgevingsverordening en Programma's: De Omgevingsverordening In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw.
Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Programma's Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s. De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is.
Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie pakt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere keer zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen. Planspecifiek Overstroombaar gebied Op kaart 3 'Watersysteem kaart 2' staat aangeven dat het plangebied in overstroombaar gebied ligt. Daarbij wordt in artikel 2.10 gesteld dat er rekening gehouden moet worden met overstromingsrisico's. Binnendijks is dit van toepassing op kwetsbare en vitale objecten en woonwijken en bedrijventerreinen. Buitendijks geldt dit ook voor individuele woningen en bedrijven. Het plangebied ligt binnendijks waardoor dit artikel voor onderhavig plan niet van toepassing is.
17
(Voorlopige lijst) UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies Het plangebied bevindt zich in de Nieuwe Hollandse Waterlinie, één van de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. In artikel 7.2 van de omgevingsverordening wordt hierop ingegaan. Plannen gelegen in de Hollandse waterlinies dienen acht te nemen van de instandhouding en versterking hiervan. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties in het (Voorlopige Lijst) UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies neemt de uitzonderlijke universele waarde van de Hollandse Waterlinies in acht en bevat bestemmingen en bevat geen bestemmingen en regels die activiteiten toestaan die die waarde aantasten. Deze kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zijn: a. b. c.
het unieke, in samenhang met het landschap ontworpen negentiende en twintigste-eeuwse hydrologische en militairverdedigingssysteem: de grote openheid; en het groene en overwegend rustige karakter.
Het unieke landschap bevat de volgende aspecten: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
inundatiegebieden; een zone met verdedigingswerken als forten, batterijen, lunetten betonnen mitrailleurkazematten en groepsschuilplaatsen in hun samenhang met de omgeving; voormalige schootsvelden (visueel open) en verboden kringen (merendeels onbebouwd gebied) rondom de forten; waterwerken als waterlichamen, sluizen, inlaten, duikers, en dijken functionerend in samenhang met verdedigingswerken en inundatiegebieden; overige elementen als beschutte wegen, (resten van) loopgraven en tankgrachten; de landschappelijke inpassing en camouflage van de voormalige militaire objecten; en de historische vestingstructuur van de vestingsteden, waaronder Nieuwersluis, gelegen in de Provincie Utrecht.
In de 'Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen - Waterlinies' van de provincie Utrecht wordt dieper op de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie ingegaan. De beoogde ontwikkeling ziet toe op het verplaatsen van een bouwvlak en de uitbreiding van een schuur. Met de verplaatsing van het bouwvlak kan de bedrijfsuitbreiding ten oosten van bestaande schuur worden uitgebreid in plaats van dat dit gebeurt aan de Waalseweg. In de directe omgeving van het plangebied is de Nieuw Hollandse Waterlinie niet zichtbaar. Het plangebied bevindt zich op een voormalig boerenperceel. Ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich het Waalse Bos, welke het zicht op de nabijgelegen 'Werk aan de Waalse Wetering' ontneemt. Tussen de Waalseweg en het plangebied bevindt zich momenteel al een hoge haag. Gezien de kleinschaligheid van de beoogde ontwikkeling op het voormalige boerenperceel zal het unieke landschap, het samenhangend stelsel van de forten, dijken, kanalen en inundatiekommen, niet aangetast worden. Omdat de openheid ter plaastse van het plangebied al beperkt is en omdat het slechts een kleinschalige ontwikkeling betreft zal de beoogde ontwikkeling geen invloed hebben op de openheid van het landschap of op het groene en overwegend rustige karakter.
Daarmee kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling, gezien de kleinschaligheid en de beperkte invloed hiervan op het landschap, de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie niet aantasten. Bijzonder provinciaal landschap Het onderhavige perceel maakt deel uit van het Bijzonder Provinciaal Landschap Rivierenland. In een plan dient te worden ingegaan op de kernkwaliteiten van het landschap. In toelichting paragraaf 3.2.1 zijn de kernkwaliteiten opgenomen. Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling zullen de kernkwaliteiten van het plangebied niet aangetast worden. Conclusie Verder zijn er geen relevante aanvullende eisen ten aanzien van het voorgenomen plan vanuit de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht waarmee gesteld kan worden dat het plan in overeenstemming is met het provinciale ruimtelijke beleid.
18
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Landschapsontwikkelingsplan Kromme Rijngebied In het uitvoeringsprogramma Kromme Rijn vormt het opstellen van een LOP voor het Kromme Rijngebied een van de projecten. De gemeenten Bunnik, De Bilt, Houten, Utrechtse Heuvelrug, Wijk bij Duurstede en Zeist hebben besloten samen een landschapsontwikkelingsplan (LOP) op te stellen. Samen met het beeldkwaliteitplan is het LOP in september 2010 door de gemeenteraad vastgesteld. Doelstelling Het belangrijkste doel van het landschapsontwikkelingsplan is het behouden, versterken en ontwikkelen van de landschappelijke kwaliteiten en samenhang in het plangebied. Daarbij staan de streekeigen identiteit, verscheidenheid en beleving van het landschap voorop. Het buitengebied dient daarbij vitaal, aantrekkelijk en economisch gezond te zijn. Specifieke doelstellingen voor het LOP zijn de volgende: 1. 2. 3. 4. 5.
Versterken van de identiteit en de herkenbaarheid van de verschillende landschappen in het gebied en de samenhang hierbij vergroten; Waarborgen van het cultureel erfgoed dat aanwezig is in het buitengebied; Versterken van de (be)leefbaarheid en het gebruik van het buitengebied; Stimuleren van de betrokkenheid van de burger bij de ontwikkelingen en kwaliteiten van het buitengebied; Ontwikkelen van een helder landschappelijk beleidskader voor de opgaven en functies van het buitengebied.
Deelgebied Uiterwaarden Nederrijn en Lek Op grond van de ontstaansgeschiedenis en de occupatie is het gebied in te delen in een aantal deelgebieden. Voor het plangebied van bestemmingsplan is deelgebied Uiterwaarden Nederrijn en Lek van belang. De ruimtelijke kwaliteiten van dit gebied zijn: a. b. c. d. e.
bovenregionale structuur met veel dynamiek en ruimte; dijk als herkenbare doorgaande lijn in het landschap; er vindt een omvorming plaats van agrarisch gebruik naar dynamische natuurrivier; ten zuiden van Amerongen waardevolle hooilanden en meidoornstruwelen; aan oostzijde waardevolle en europees beschermdevogelgebieden.
In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling heeft slechts een beperkte invloed op het landschap. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten bij de ruimtelijke karakteristiek van de (voormalige) boerenerven en wordt het karakteristiek ontginnings- en bebouwingslint aan de Waalseweg van Tull en 't waal behouden.
19
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Eiland van Schalkwijk Gemeente Houten De structuurvisie Eiland van Schalkwijk Gemeente Houten is vastgesteld op 22 december 2011. De visie geeft planologische duidelijkheid en biedt een antwoord op ontwikkelingen die plaatsvinden in de landbouw, oprukkende verstedelijking, veranderende maatschappelijke omstandigheden en actuele grondposities. De structuurvisie is gericht op de duurzame ontwikkeling van het eiland met en door alle betrokken partijen. Met deze structuurvisie legt de gemeente de koers op hoofdlijnen vast voor ontwikkeling van het Eiland van Schalkwijk. In de structuurvisie worden de volgende hoofdlijnen genoemd:
• • • • •
landbouw en recreatie de belangrijkste dragers zijn voor de economische ontwikkeling. de leefbaarheid in de kernen (vitaliteit) verder zal worden versterkt. de essentiële (landschappelijke en ecologische) kwaliteiten worden behouden en versterkt (open en groen) ruimte wordt geboden aan water, waarbij een goed functionerend watersysteem bijdraagt aan economische en ecologische ontwikkeling; duurzame ontwikkeling het uitgangspunt is;
Daarnaast wordt met de structuurvisie een ontwikkelingsvisie aangereikt dat:
• • • •
de ruimtelijke kaders aangeeft voor die initiatieven; private en publieke partijen uitdaagt met initiatieven en nieuwe samenwerkingsverbanden te komen; als eerste toetsingskader dient bij het beoordelen van initiatieven; een kader biedt voor later op te stellen bestemmingsplannen.
De ambitie is dus om naast het benoemen en vastleggen van de ruimtelijke kwaliteit, een ontwikkelingsproces op gang te brengen. Geen blauwdruk van een plan, maar een zoektocht naar passende initiatieven die duurzaam en economisch haalbaar zijn, waarbij de overheid faciliteert en toetst. Initiatieven zijn niet alleen invullingen binnen een bestaande structuur, maar dragen bij aan het in stand houden en versterken van die structuur. Planspecifiek De structuurvisie benoemt de ontwikkelingskansen waarmee ondernemers en bewoners aan de slag kunnen. Particuliere initiatieven, welke in zekere zin bijdragen aan de duurzame ontwikkeling van het gebied, zijn zeer welkom. In de visie worden per deelgebied aangegeven wat de gewenste functie en ontwikkelingsrichting in het gebied is. De beoogde ontwikkeling maakt onderdeel uit van het deelgebied 'Linten Tull en 't Waal en Schalkwijk'. Leefbaarheid is een belangrijk gegeven en wordt opgevat als een goede mix van functies wonen, agrarische bedrijfsvoering met minimale milieuhinder, kleinschalige bedrijvigheid en ondersteunende voorzieningen. In de structuurvise wordt aangegeven dat er de mogelijkheid bestaat voor meer bedrijvigheid in de kernen, mits dit past bij de agrarische kern en past binnen de bestaande infrastructuur. Met de beoogde ontwikkeling wordt de bebouwing ten behoeve van bedrijvigheid uitgebreid.
Dit betreft een kleinschalige ontwikkeling welke passend is binnen Tull en 't Waal. Er zullen geen grootschalige werkzaamheden plaatsvinden. Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling in lijn is met de structuurvisie Eiland van Schalkwijk.
20
3.4.2 Toekomstvisie Proeftuin Houten 2025 De Toekomstvisie Proeftuin Houten 2025 is op 9 juni 2015 vastgesteld door de raad van de gemeente Houten. In deze visie wordt een koers voor Houten in 2025 vastgelegd. Houten is in 2025 duurzaam, innovatief en kleinschalig. Met oog voor elkaar, veel ruimte voor experiment en initiatief bij inwoners. Vijf principes staan centraal om houvast te geven en weg te wijzen naar de toekomst: 1.
2.
3.
4.
5.
We stellen de mens centraal Met 50.000 inwoners heeft Houten een schaal bereikt waar mensen elkaar kennen en herkennen. Houten kiest daarom niet voor een nieuwe groeitaak. Er is nog wel plek voor nieuwe woningen, ook in de kleine kernen, maar de bouwlocaties zijn kleinschalig. We waarderen verschillen De samenstelling van de bevolking is in 2025 een stuk gevarieerder, waarbij Houten een tolerante, inclusieve samenleving is waar plek is voor jongeren, ouderen, autochtonen en allochtonen, hoger en lager opgeleiden. We zijn zuinig op onze omgeving In 2025 is Houten een circulaire stad. Een stad 'in balans' is goed voor het leefklimaat van bewoners, voor de gezondheid, voor de omringende natuur en voor de toekomstige generaties. Technische innovaties worden omarmd waardoor Houten in 2025 stiller, schoner en klimaatvriendelijker is. We bouwen voort op ons ruimtelijk DNA Het ruimtelijk DNA van Houten is robuust en toekomstbestendig; de groenzones, het fietspadenstelsel, de rondweg van Houten, de centrumgebieden, de weidse buitengebieden en de cultuurhistorische schatten onder en boven de grond. Al deze elementen dragen bij aan een Houten waar het ontspannen wonen, werken en leven is. We zijn actief in de regio Houten maakt onlosmakelijk onderdeel uit van het stedelijk gebied in en rond Utrecht.
Tegelijkertijd ligt Houten in de rust en ruimte van het Eiland van Schalkwijk, de Kromme Rijn en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Enerzijds is sprake van gezamenlijke opgaven rond economie, mobiliteit, wonen, zorg en duurzaamheid (stedelijke oriëntatie). Anderzijds is er een ruimtelijke oriëntatie op het Kromme Rijngebied en de Lekstroom waarbij vraagstukken over natuur- en waterbeheer, recreatie, plattelandsontwikkeling en cultuurhistorie centraal staan. Houten is in 2025 een plek waar mensen zich vrij voelen om te ondernemen en te pionieren in de omvang met veranderingen die op ons afkomen: Houten als Proeftuin van de regio.
Planspecifiek Onderhavig initiatief betreft de uitbreiding van bedrijfsbebouwing. Dit kan gezien worden als een zeer kleinschalige bouwlocatie. Door het initiatief in te passen in de huidige structuren wordt voortgebouwd op de bestaande kenmerken. De ontwikkeling zal aansluiten op het stedenbouwkundige en ruimtelijke concept van Houten. Hiermee vindt aansluiting plaats met het principe 'we bouwen voort op ons ruimtelijk DNA'. Geconcludeerd kan worden dat het initiatief een positieve bijdrage levert aan de principes uit de toekomstvisie.
21
3.4.3 Visie groen en biodiversiteit Houten Op 27 oktober 2020 heeft de gemeenteraad van de gemeente Houten de 'Visie groen en biodiversiteit Houten' vastgesteld. De gemeente Houten wil zich maximaal inzetten voor het vergroten en verbeteren van de biodiversiteit en wil daarbij ook de sociale functie die groen vervult versterken. In de visie is aangegeven welke doelen de gemeente nastreeft voor groen en biodiversiteit en op welke thema's de gemeente wil inzetten in de periode 2020-2040 om dit te bereiken. Door maatregelen te treffen om meer, beter en verbonden groen te realiseren, zullen doelsoorten beter gaan floreren, zorgt dat voor een grotere biodiversiteit. Deze maatregelen zijn opgedeeld in de volgende onderdelen:
• • •
Meer groen (en natuur) Beter groen Verbonden groen
Om deze visie verder te concretiseren zijn door de gemeente verschillende thema's voorgesteld waaraan kan worden gedacht bij het versterken van de biodiversiteit. Het gaat om de volgende thema's: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Groenbeheer Water(beheer) Ecologische verbindingen Kleine landschapselementen Soortenbeheer Voorlichting/educatie Natuurinclusieve landbouw Tijdelijke natuur
Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft een kleinschalig uitbreiding van de bedrijfsbebouwing. In de huidige situatie worden de gronden van het plangebied al gebruikt door het bedrijf en is deze volledig verhard. Hoewel het slechts een kleinschalige ontwikkeling betreft kan de beoogde ontwikkeling een verbetering van de groen en biodiversiteiten betekenen. Het groen binnen het plangebied zal behouden blijven. Op het dak van de beoogde bedrijfsgebouw wordt sedum aangelegd. Dit absorbeert niet alleen regenwater, maar verhoogt ook de biodiversiteit. De Sedums, kruiden, grassen of waardplanten die in een groendak verwerkt zitten bevorderen de leefomgeving van vogels, vlinders en insecten. De grote haag tussen het plangebied en de Waalseweg blijft behouden. Hier kunnen vogels zoals mussen in schuilen. De dichte takken en de scherpe stekels beschermen uitstekend tegen een andere roofdieren. Er kan geconcludeerd worden dat er geen sprake zal zijn van een afname van groen in het plangebied en dat door toevoeging van een sedumdak een bijdrage geleverd kan worden aan de biodiversiteit. 3.4.4 Klimaatplan gemeente Houten Op 5 juli 2016 heeft de gemeenteraad met grote meerderheid het nieuwe Programma Duurzaam Houten 2016-2018 goedgekeurd. Dit programma is gedateerd geraakt en wordt vervangen door een nieuw Klimaatplan.
Het Klimaatplan valt uiteen in drie onderdelen Te weten het Energieplan, klimaatadaptatieplan en het Actieplan Circulaire economie. Op 11 februari 2020 heeft de gemeenteraad van Houten het Energieplan 2020-2025 vastgesteld. Dit plan gaat in op de kansen en behoeftes van de Houtense samenleving. De focus ligt op het ontwikkelen van voldoende draagvlak voor de grote veranderingen die nog op ons af gaan komen. Door het organiseren van een goede samenwerking met de (vrijwilligers) organisaties in Houten, die energieactiviteiten uitvoeren, kan een versnelling tot stand gebracht worden. Met de vaststelling van dit Energieplan is het eerste deel van het Klimaatplan gereed. Het energieplan spreekt de ambitie uit Houten in 2040 energieneutraal te krijgen. Ingezet wordt op meer zonnedaken en zonnepanelen. Daarnaast worden extra zonnevelden voorzien in een extra windpark.
22
Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten bij de ambitie van de gemeente Houten om in 2040 energieneutraal te zijn. Dit is mogelijk middels het treffen van duurzame maatregelen. Voor alle nieuwbouw geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG).
23
4 Uitvoerbaarheid 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
•
de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject, in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, ingevuld wordt door de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
24
Met het voorliggende plan wordt er een bouwvlak verplaatst en wordt de uitbreiding van de schuur mogelijk gemaakt. De uitbreiding van de schuur kan als kleinschalig worden gezien. Er worden slechts enkele meters aan de schuur bijgebouwd. Door de bouwmogelijkheden in het bestemmingsplan te verplaatsen is er geen sprake van een toename in de bebouwingsmogelijkheden. Er kan dan ook gesteld worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling vindt er een verplaatsing van een bouwvlak plaats en de uitbreiding van de schuur. Derhalve is met de beoogde ontwikkeling geen sprake van een wijziging naar een strenger gebruik van de bodem. Op grond van deze overweging wordt het niet nodig geacht om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan.
4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• • •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen); andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
25
Planspecifiek Een bedrijf is geen gevoelige bestemming in het kader van de Wet geluidhinder. Er hoeft dan ook geen akoestisch onderzoek voor de ontwikkeling plaats te vinden. Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.4 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening.
Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
• • •
scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
26
Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling zal beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. De werkzaamheden van onderhavig plan betreft enkel de uitbreiding van de schuur. In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 met twee ontsluitingswegen) bij voorbaat aangemerkt als niet in betekende mate. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse.
Derhalve kan gesteld worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het voorgenomen plan.
4.5 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
• •
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
27
Planspecifiek De beoogde ontwikkeling voorziet in de verplaatsing van bouwvlak en uitbreiding van bedrijfsbebouwing. De ontwikkeling zelf betreft geen gevoelige bestemming, wel kan de ontwikkeling eventueel hinder veroorzaken bij omliggende bebouwing. In het vigerende bestemmingsplan hebben de gronden een bedrijfsbestemming. Voor deze gronden geldt in het bestemmingsplan een milieucategorie 2. In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' wordt aangeven dat lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agraische en andere bedrijvigheid als gemengd gebied kan worden beschouwd. Het plangebied is direct gelegen aan het lint van de Waalseweg in Tull en 't Waal en kan dus worden gezien als 'gemengd gebied'. In een dergelijk gebied mogen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd om nog te spreken van een goed woon- en leefklimaat. Voor een milieucategorie van 2 geldt in een 'gemengd gebied' een richtafstand van 10 meter. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een deel van de bedrijfsbestemming van het plangebied verplaatst naar het oosten. Omdat er om het plangebied meerdere woningen liggen is het nodig uit te zoeken of deze verplaatsing deze woningen mogelijk belemmert. Ten noorden van het plangebied, aan de Waalseweg 32, staat één woning. Momenteel bedraagt de afstand tot aan de woonbestemming 25 meter. Met de beoogde ontwikkeling wordt deze afstand ca.