CConstaterende datHouten
Koppel je AI →
Document · PDF

1.1 Toelichting

Gemeenteraad 28 mei 2024, gemeente HoutenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Wickenburghseweg 38/38a, 't Goy14.509 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

SBI-code

Milieucategorie

Wickenburghseweg 40/42/44 Wickenburghseweg 46 Wickenburghseweg 11/13

011, 012, 013

2

Richtafstand gemengd Afstand bestemmingsgrens tot gebied nieuwe woning plangebied 10 30

011, 012, 013 011, 012, 013

2 2

10 10

Figuur 9. Omliggende bedrijven

28

80 42

Wickenburghseweg 40/42/44 Direct aan het oosten van het plangebied grenst het agrarische perceel met huisnummers 40 en 42. Op het voorterrein, dat over de perceelnummers 147 en 516 beschikt, zijn de bedrijfswoningen van het agrarisch bedrijf aanwezig. Het agrarisch bedrijfscentrum bevindt zich op perceel 517. Op het westelijk deel van dit perceel is het kassencomplex van huisnummer 40 gevestigd. Ten oosten ligt de fruitteelt van huisnummer 46, waarmee de spuitzone op voldoende afstand van onderhavig plangebied ligt. Beide agrarische functies, glastuinbouw en fruitteelt, zijn van milieucategorie 2. In gemengd gebied leidt dit tot een richtafstand van 10 meter. Gemeten vanaf de perceelsgrens van perceel 517 is de afstand tot de nieuwe woning circa 30 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand. Fruitbedrijf Wickenburghseweg 11/13 Ten westen van het plangebied is een agrarisch perceel aanwezig welke in eigendom is van het fruitbedrijf gelegen aan de Wickenburghseweg 11/13. Dit agrarisch perceel is ingericht ten behoeve van fruitteelt en wordt geexploiteerd door de firma Van Maaswaal. In verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen dient er een afstand van 50 meter tussen de nieuw te bouwen woning en de uiterste bomenrij van naastgelegen erf te zijn. Aan deze afstand wordt voldaan. Echter wordt de tuin bij een woning ook gezien als een gevoelige functie.

Hierop is de verkaveling afgestemd. De afstand van de eerste bomenrij tot aan de tuin bij de beoogde nieuwe woning ligt op 50 meter afstand. Daarmee wordt voldaan aan de vuistregel van de Raad van State. Aan de westzijde van het plangebied is er een dubbele knotwilgensingel aanwezig en een smalle watergang aanwezig. Bestrijdingsmiddelen mogen, conform het Actviteitenbesluit, niet in het oppervlakte water belanden. Drift over de sloot heen is daarmee in theorie niet aanwezig. De aanwezigheid van een dubbele knotwilgensingel en de sloot zorgen ervoor dat de eventuele drift van gewasbeschermingsmiddelen wordt teruggedrongen. Daarnaast voorziet het inrichtingsplan in de aanplant van een groene haag tussen Wickenburghseweg 38 en de nieuw te bouwen woning op 38a. Daarmee wordt er een derde windsingel toegevoegd die bijdraagt aan een afname van drift. De bestaande bedrijfswoning, Wickenburghseweg 38 bevindt zich op circa 20 meter van de eerste bomenrij. Een bedrijfswoning van een derde kent in principe eenzelfde beschermingsniveau als een burgerwoning, zoveel blijkt ook uit de uitspraak van de Raad van State van 1 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1007). De planologische omzetting van de bedrijfswoning naar burgerwoning voorziet daarmee feitelijk niet in een andere milieukundige situatie. De afstand van 20 meter is, conform de vuistregel, in principe onvoldoende.

Echter het betreft hier een zogenaamde historisch gegroeide situatie. De Raad van State (ECLI:NL:RVS:2014:4036) heeft hierover geoordeeld dat de afstandseis van 50 meter niet geldt in bestaande situaties. Hierbij is met name van belang dat het belang, bij behoud van de bestaande situatie, in bepaalde situaties kunnen prevaleren aangezien niet vaststaat dat de nadelige gevolgen vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening zo groot zijn dat deze in redelijkheid niet langer aanvaardbaar kunnen worden geacht. De aanwezigheid van de bestaande boomgaard staat niet in de weg aan de beoogde omzetting van Wickenburhgseweg 38. Overleg fruitteler Met de exploitant van de naastgelegen boomgaard is overleg gevoerd. Niet alleen zijn de plannen kenbaar gemaakt ook zijn de resterende gronden aan de noordzijde van het perceel te koop aangeboden. Op hoofdlijnen is er overeenstemming over de overname van de resterende gronden. Deze gronden zullen toegevoegd worden aan het fruitareaal van dit bedrijf. Ook met de verkoop van de resterende percelen wordt de afstand van 50 meter gerespecteerd. Hiertoe is het stuk natuur 'verdiept' tot 50 meter. Geconcludeerd kan worden dat er aan de verplichte zoneringen voldaan wordt en er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

29

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, het transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen 'kwetsbaar' en 'beperkt kwetsbaar' en 'plaatsgebonden risico' en 'groepsrisico'. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.

Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van bevolking in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de bevolking die a) in dat gebied reeds aanwezig is, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten is en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van bevolking in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.

30

Planspecifiek De beoogde ontwikkeling voorziet in het toevoegen van een woning, waarmee het toevoegen van een kwetsbaar object betroffen wordt. Op de risicokaart kan voor het plangebied worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, transportroutes en/of belangrijke buisleidingen aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. De navolgende afbeelding toont een fragment van de risicokaart:

Figuur 10. Uitsnede risicokaart (globale ligging plangebied: zwarte cirkel, bron: risicokaart.nl)

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Op circa 285 meter afstand van het plangebied is het Amsterdam-Rijnkanaal gelegen. Het kanaal betreft een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Voorts ligt op circa 1,3 kilometer afstand een spoorweg, die tevens wordt gebruikt als transportroute voor gevaarlijke stoffen. Beide routes liggen dusdanig ver van het plangebied dat deze geen risico betreffen voor de mensen die verblijven in het plangebied. Inrichtingen Aan de Wickenburghseweg 98 ligt het bedrijf Euro-Cool, dat als hoofdactiviteit opslag in koelhuizen heeft. Deze inrichting ligt op ca. 330 meter van het plangebied. Het bedrijf beschikt echter niet over een plaatsgebonden risicocontour of invloedsgebied van het groepsrisico. Hiermee is geen verantwoording van het risico vereist. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van de externe veiligheid en dat het plan in dit kader uitvoerbaar is.

31

4.7 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.7.1 Generiek beleid Op rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21 e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd;

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

32

4.7.2 Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Waterbeheerplan Voor de planperiode 2016-2021 is het Waterbeheerplan (WBP) van De Stichtse Rijnlanden van toepassing. In dit plan geeft De Stichtse Rijnlanden aan wat haar ambities voor deze planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De vijf hoofdthema's zijn:

• • • • •

waterveiligheid; voldoende water; gezond water; gezuiverd afvalwater; genieten van water.

Wat betreft 'waterveiligheid' is het cruciaal dat de waterkeringen voldoen aan de veiligheidseisen en dat bij dijkverbeteringswerken wordt uitgegaan van een duurzaam en robuust ontwerp. Bij het veiligstellen van 'voldoende water' gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden, zodat het gebied geschikt is om te wonen, werken en recreëren. Daarbij wil De Stichtse Rijnlanden dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en hevigere buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. 'Gezond water' is voor De Stichtse Rijnlanden gezond als er een grote diversiteit aan planten en dieren in kan leven, als het veilig gebruikt kan worden voor recreatie of als grondstof voor drinkwater. Het water kan alleen zo schoon mogelijk gehouden worden als de (natuurvriendelijke) inrichtingen, het beheer en onderhoud van watersystemen worden aangepast. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het tegengaan van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het 'gezuiverd afvalwater' beheert De Stichtse Rijnlanden rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties.

Het laatste thema betreft genieten van water. Hoewel dit geen kerntaak voor het waterschap is, is het onderwerp zeer belangrijk omdat dit in relatie staat tot het watersysteem en het waterbeheer. Recreatie en in het bijzonder 'genieten van water' neemt in de Nederlandse samenleving een steeds belangrijkere plaats in. Het waterschap wil de bewoners en bezoekers van het gebied laten genieten van water in een gezonde en veilige omgeving. Zo kan het waterschap ook zijn werk zichtbaar maken voor de bewoners. Het vaarwegbeheer is een wettelijke taak van het waterschap, voor de overige recreatieve thema's neemt het waterschap een adviserende en faciliterende rol aan. Keur en uitvoeringsregels Per 21 oktober 2010 is de Keur in werking getreden, alsmede nieuwe beleidsregels. In de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009 staan verboden en geboden die betrekking hebben op oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen en grondwater. De verboden betreffen die handelingen en gedragingen die in principe onwenselijk zijn voor de constructie of de functie van oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen of grondwaterlichamen. De geboden geven de verplichtingen aan om deze waterstaatswerken in stand te houden. Een gebod kan bijvoorbeeld betrekking hebben op een onderhoudsverplichting.

Hiermee vermeldt de Keur expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Indien de toename aan verharding minder bedraagt dan 500 m², dan geldt alleen de algemene zorgplicht. Indien de toename meer bedraagt is in de regels opgenomen dat het oppervlak van het ter compensatie aan te leggen water minimaal 15 % moet bedragen van het oppervlak van de toename aan verharding.

33

Beleid hemel- en afvalwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen.

4.7.3 Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Planspecifiek Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden schrijft voor dat bij een toename van meer dan 1.000 m² aan verharding (landelijk gebied) een infiltratiesysteem dient te worden aangelegd met 45 mm per m² afgekoppeld verhard oppervlak en een vergunning nodig is voor de lozingsconstructies naar oppervlaktewater. Het gehele plangebied heeft een oppervlakte van circa 7.000 m². In de beoogde situatie zal circa 1.320 m² aan verharding op het perceel weggenomen worden. Met de realisatie van de nieuwe woning van 115 m² en bijbehorende erfverharding vindt dan ook geen toename aan verharding plaats. Daarbij komt dat met de voorgenomen ontwikkeling circa 130 m² water wordt toegevoegd. Daarmee wordt voorzien in voldoende bergingscapaciteit.

De afvoer van hemelwater wordt afgekoppeld. Het Hoogheemraadschap heeft verzocht het afkoppelde hemelwater af te laten vloeien naar de nieuw te graven sloot. Daarmee ontstaat er meer stroming wat de waterkwaliteit ten goede komt. Het afvalwater wordt van beide kavels apart aangeboden op het gemeentelijk riool en het hemelwater zal afgevoerd worden op het extra gegraven wateroppervlak. Er zal geen gebruik gemaakt worden van uitlogende bouwmaterialen. Geconcludeerd wordt dat het aspect 'water' geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.8 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:

• • •

bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.

Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de

34

instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming zijn in het kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en het Gelders Natuurnetwerk (GN) van belang. Het NNN en GN vormen een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN en GN dragen bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:

• • •

vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantensoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:

• •

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Ten opzichte van de oude Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplanten) toegevoegd. Planspecifiek Omdat er gebouwen gesloopt worden die mogelijk geschikt zijn voor flora en fauna is er een verkennend flora- en faunaonderzoek uitgevoerd (Blom Ecologie, BE/2019/344, d.d. 3 juni 2019, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). De belangrijkste conclusies zijn onderstaand weergegeven. Soortenbescherming De te slopen bebouwing heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. De werkzaamheden leiden niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, andere soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit).

Om negatieve effecten op mogelijk aanwezige beschermde amfibieën en reptielen te voorkomen dienen maatregelen getroffen te worden bij de realisatie van de watergang. Eerst dienen de toekomstige ontsluitingsdelen afgedamd te worden. Vervolgens zal de watergang volledig afgegraven worden, waarna de dammen weggehaald zullen worden. Hierdoor zullen de effecten beperkt worden ten aanzien van amfibieën en reptielen. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden naar

35

verwachting geen sprake. Door buro SRO is voor zowel de bouwfase als de gebruiksfase een berekening gemaakt voor stikstof. Uit de berekening blijkt dat er geen depositie optreedt in omliggende Natura 2000 gebieden. Conclusie Het saneren van de bebouwing ten behoeve van de realisatie van een woning en een ecologische zone is uitvoerbaar zoals is bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).

4.9 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: "Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister". Planspecifiek Uit het bestemmingsplan ''t Goy en omgeving' blijkt dat er in het noordelijk deel van het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde geldt, wat overeenkomt met de archeologische beleidskaart. Een uitsnede van de archeologische beleidskaart is op onderstaande afbeelding weergegeven.

Figuur 11. Uitsnede archeologische beleidskaart Houten (plangebied zwart omkaderd, bron: gemeente Houten)

Volgens het vigerend bestemmingsplan is het verboden om graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen uit te voeren in een dergelijk gebied wanneer de oppervlakte van de werkzaamheden 500 m² of meer beslaat. De ecologische zone behoeft geen grondbewerkingen die dieper reiken dan 0,5 m. Voor het aanleggen van de watergang ten noorden van de zone zijn echter wel graafwerkzaamheden dieper dan 0,5 m vereist. Het water wordt aangesloten op de bestaande watergang in het westen van het plangebied. De oppervlakte van het water waar graafwerkzaamheden voor vereist zijn is in het gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde niet groter dan 500 m². Dit betekent dat de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden zonder dat een archeologisch onderzoek uitgevoerd hoeft te worden.

36

Voor het zuidelijk deel van het plangebied geldt een gematigde archeologische verwachtingswaarde. Een omgevingsvergunning voor bouwwerken is niet vereist als bouwwerken een oppervlakte kleiner dan 5.000 m² hebben of wanneer het bouwwerk zonder graafwerkzaamheden dieper dan 1,0 m en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. Dit is voor de beoogde woning het geval. Er is daarmee geen archeologisch onderzoek vereist. Archeologische waarden vormen geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.10 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Eén van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Het plangebied is gelegen op circa 200 meter van het voormalig kasteel 'Ten Goye'. Rondom dit kasteel was een nederzetting genaamd 'Oude Goy' gevestigd. Kasteel Ten Goye lag in het huidige Goyse dorp en was één van de invloedrijkste kastelen van de late middeleeuwen in de regio. Het kasteel is in de tiende eeuw opgericht op een kunstmatige heuvel en bestond uit hout. Het kasteel is veranderd in een weiland met boomgaard. Het voormalige kasteelterrein ligt een stuk dieper dan de omgeving. Het wapen van de gemeente Houten is mede afgeleid van het wapen van de heren van Goye. De structuur van de nederzetting is voortgekomen uit de voormalige inrichting van het kasteelterrein. Het kenmerkende slingerende verloop van de Wickenburghseweg volgt de contour van de omwalling van het kasteel.

De omwalling is aan de oostzijde nog steeds goed ervaarbaar door de hogere ligging van de Wickenburghseweg ten opzichte van het kasteelterrein. De oorspronkelijke nederzetting bestond uit een bebouwingscluster ten oosten van het kasteel, ter hoogte van de kruising Wickenburghseweg/Groenedijkje. Een aantal bestaande gebouwen op deze locatie geven nog steeds een indruk van de lange geschiedenis van de nederzetting, waarbij de rijksmonumentale voormalige boerderij ''t Rechthuis van 't Goy' het meest tot de verbeelding spreekt. Door de situering en uitvoering van dit monument wordt tevens het karakteristieke hoogteverschil op de locatie goed zichtbaar. De beoogde ontwikkelingen doen geen afbreuk aan de teruggebrachte elementen van het archeologisch monument. Doordat het plangebied dichtbij het oorspronkelijk kasteel ligt, zijn er wel archeologische vondsten te verwachten. De beoogde bodemingrepen zijn echter niet van een dusdanige omvang dat archeologisch onderzoek vereist is, zoals reeds behandeld in paragraaf 4.9. Cultuurhistorische waarden vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

37

4.11 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het rekening houden met het effect van een beoogd project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.11.1 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. De gemeenteraad van Houten heeft op 11 februari 2014 de Nota Parkeernormen Houten vastgesteld.

Met de nota wordt de vraag naar en het aanbod van parkeerplaatsen (in de openbare ruimte) bij ontwikkelingen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd en worden parkeerproblemen voorkomen. De planlocatie behoort tot de categorie 'kleine kernen en buitengebied'. Planspecifiek Bij de realisatie van een woning in het buitengebied met een grootte van 100 tot 140 m² bvo is de parkeernorm 1,9. Dit aantal parkeerplaatsen voor de beoogde woning kan op eigen terrein worden gerealiseerd. Er is daarmee voldoende parkeergelegenheid aanwezig op het perceel. Gesteld wordt dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de Nota Parkeernormen van de gemeente Houten en het aspect 'parkeren' geen belemmering vormt voor het initiatief. 4.11.2 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie.

In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen van wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek De realisatie van een nieuwe woning brengt verkeersbewegingen met zich mee. Een vrijstaande woning in het buitengebied brengt conform de CROW maximaal 8,6 verkeersbewegingen per etmaal met zich mee. Dit is geen significante toename en kan naar verwachting opgevangen worden op de Wickenburghseweg. In de bouwfase zal er een tijdelijke toename zijn van zwaar verkeer. Passeren op de Wickenburghseweg is lastig gezien het smalle wegprofiel. De weg kent wel enkele 'vluchthavens'. In de bouwfase zal gekeken worden of bevoorrading gedaan kan worden met kleinere voertuigen dan wel of aan- en afvoer van bouwmaterialen op rustige tijden kan plaatsvinden.

38

Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen.

39

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruikgemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch-bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc. Voor de analoge verbeelding is gebruikgemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), en daarna met de 'Bestemmingsregels', 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

• • • • • • •

Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

40

5.4 Wijze van bestemmen Bij het opstellen van de regels is aangesloten op de methodiek van het vigerend bestemmingsplan ''t Goy en omgeving'. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Natuur De bestemming 'Natuur' is opgenomen om de ecologische zone en de ten noorden gelegen watergang te faciliteren. Het behoud, het herstel en de ontwikkeling van natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden staan in dit artikel centraal. Gebouwen zijn niet toegestaan en uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in de vorm van erfafscheidingen mogen worden gebouwd. Om de bovengenoemde waarden verder te beschermen, is bovendien een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk (geen bouwwerk zijnde) of van werkzaamheden voorgeschreven. Ingrepen die de genoemde waarde mogelijk aantasten zijn zodoende pas toegestaan nadat is gebleken dat deze waarden hiermee niet onevenredig worden geschaad. Tuin - Voortuin Bij de bestemmingsregeling ‘Tuin - voortuin’ wordt uitgegaan van het principe dat die gebieden uit ruimtelijke overwegingen onbebouwd moeten blijven. Als uitzondering hierop zijn wel erkers en serre's, alsmede kliko ombouwen toegestaan. Wonen - Vrijstaand De voor 'Wonen - Vrijstaand' aangewezen gronden zijn bedoeld voor de bestaande en beoogde vrijstaande woningen. Per bouwvlak is 1 woning toegestaan.

De bouwvlakken zijn ruim, omdat de bestaande woning mogelijk gesloopt en herbouwd wordt. Hiermee bestaat voor beide woningen de mogelijkheid ze gunstig te positioneren. De maximale inhoud van de woning inclusief aan- en uitbouwen bedraagt 660 m³. Bij de woning mogen tevens vrijstaande bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd, waarbij het oppervlak maximaal 50% van het oppervlak van het bouwperceel buiten het bouwvlak mag bedragen, tot ten hoogste 50 m². Met afwijking is het mogelijk de inhoud van een woning te vergroten tot 800 m³. Waarde - Archeologie 2 en 3 De gebieden met een (middel)hoge archeologische (verwachtings)waarde hebben een dubbelbestemming gekregen. Wanneer hier een ingreep in de bodem plaatsvindt met een in de regels bepaalde omvang en diepte, dan kan een omgevingsvergunning nodig zijn.

41

6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

• • •

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente zal ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst, zoals bedoeld in artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening, afsluiten.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekendgemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd.

De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie

42

Op 27 mei 2019 vond bij initiatiefnemers thuis een buurtparticipatie plaats. Voor deze avond waren de directe omwonenden mondeling en schriftelijk uitgenodigd. Op deze avond waren de navolgende personen aanwezig: Mariska en Frank de Nijs (initiatiefnemer) Matthijs en Jolanda van de Vathorst (initiatiefnemer) Jeroen van Nuland (buro SRO) Simone en Bart Agterberg (buren) Riet Agterberg (buren) Theo en Landa Agterberg (overburen) Jan Agterberg (overburen) Dirk van Maaswaal (naast fruitteler) Edwin Tuil (overburen) Hans en Annet Nederend (overburen) Fam. Hendriks (overburen) Op de avond zijn het schetsplan, de inrichting van de natuurzone en de procedure toegelicht. De reacties op het voorgenomen plan waren alleen maar positief. Met alle buren is besproken of bij de start van de formele procedure nog een avond noodzakelijk was. Hieraan was geen directe behoefte. Met geïnteresseerden lopen gesprekken over de verkoop van een deel van de boomgaard. De directe buren gingen onderzoeken of een eventuele aankoop van de kavel mogelijk is. Verder is afgesproken dat de initiatiefnemers bij de start van de procedure dit kenbaar maken aan de buren. Aanvullende informatie Omdat de procedure langer geduurd heeft dan op voorhand verwacht zijn de buren informeel op de hoogte gehouden omtrent de voortgang. Op verschillende momenten zijn de buren informeel bijgepraat.

Voortuitlopend op de formele procedure zijn alle buren, die in 2019 aanwezig waren bij het eerste overleg, ook schriftelijk geïnformeerd dat ook met de gemeente Houten overeenstemming is over het plan en dat de formele procedure in het najaar van 2022 van start gaat. 6.2.2 Vooroverleg In het kader van het vooroverleg is een reactie ontvangen van de Veiligheidsregio Utrecht (VRU). Het VRU stelt, na bestudering van het ontwerpbestemmingsplan en uit eigen onderzoek, vast dat alle relevante zaken ten aanzien van externe veiligheid zijn meegenomen in de ruimtelijke onderbouwing. In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen risicobronnen aanwezig waarvoor een verantwoordingsplicht geldt voor het groepsrisico. Het VRU vraagt aandacht voor de bluswatervoorziening. Aandacht wordt gevraagd aan het bepaalde in art. 6.30 van het Bouwbesluit 2012. De provincie Utrecht en het Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden hebben beide aangegeven in te kunnen stemmen met de plannen. 6.2.3 Verslag zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 28 december 2023 tot en met 7 februari 2024 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.

43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Houten&id=3d576a3f-c4d7-4211-b107-4992cf9a6177