1.1 Toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan
Wickenburghseweg 38 & 38a 't Goy Gemeente Houten
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.0321.0790WICKENBWEG38-VSBP
Datum:
2024-03-06
Contactpersoon Buro SRO:
dhr. J. van Nuland | dhr. T. Oostrom
Kenmerk Buro SRO:
SR180193
Opdrachtgever:
Fam. Langerak
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging van het plangebied .................................................................................................................................. 6 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 8 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 8
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 9 2.1 Bestaande situatie ............................................................................................................................................... 9 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 11
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 14 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 14 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 16 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 20 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 21
4 Omgevingsaspecten .............................................................................................................................. 23 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 23 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 24 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 26 4.4 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 27 4.5 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 28 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 30 4.7 Water ................................................................................................................................................................
32 4.8 Ecologie ............................................................................................................................................................. 34 4.9 Archeologie ....................................................................................................................................................... 36 4.10 Cultuurhistorie ................................................................................................................................................ 37 4.11 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 38
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 40 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 40 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 40 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 40 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 41
6 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 42 6.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 42 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 42
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens het perceel aan de Wickenburghseweg 38 in 't Goy te herontwikkelen. Hierbij zullen de bestaande agrarische opstallen gesloopt worden ten behoeve van de realisatie van een nieuwe woning. Hierbij beroept initiatiefnemer zich op de provinciale 'ruimte voor ruimte'-regeling uit de omgevingsverordening. Via deze regeling is het mogelijk om een woning te bouwen wanneer er minstens 750 m² aan bedrijfsbebouwing gesloopt wordt. Om de daarbij vereiste landschappelijke inpassing en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit te bewerkstelligen is er onder andere voor gekozen een ecologische zone aan te leggen en zichtlijnen te herstellen. Voorts is de wens van initiatiefnemers de bestaande bedrijfswoning om te zetten naar burgerwoning. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ''t Goy en omgeving' (vastgesteld op 21 juni 2017), waarin de gronden de bestemming 'Agrarisch' met de functieaanduiding 'fruitteelt' hebben. Binnen een agrarisch bouwvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan, waarmee de beoogde ontwikkeling in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Om de planontwikkeling mogelijk te maken is een bestemmingswijziging noodzakelijk. Dit is mogelijk middels een zogenaamd postzegelbestemmingsplan. Voor deze planontwikkeling is een principeaanvraag gedaan bij de gemeente Houten.
Het college van B&W is akkoord gegaan met dit verzoek. Voorliggend bestemmingsplan is een voortzetting van deze aanvraag.
5
1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied, aan de Wickenburghseweg 38 in 't Goy, bevindt zich in het stroomruggebied ten zuidoosten van Houten. De locatie valt onder de kadastrale gemeente Houten, sectie L, perceelnummers 244 en 145 en heeft een oppervlakte van ca. 7.000 m². De Wickenburghseweg is een vertakking van de Beusichemseweg, de hoofdstraat van 't Goy. Aan deze weg is tevens Landgoed Wickenburgh, een rijksmonument, gesitueerd. De volgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.
Figuur 1. Globale ligging plangebied (witte cirkel, bron: Google Earth)
6
Figuur 2. Globale begrenzing plangebied (rode omkadering, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
7
1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het bestemmingsplan ''t Goy en omgeving'. De gemeenteraad van de gemeente Houten heeft dit bestemmingsplan op 21 juni 2017 vastgesteld. De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan ''t Goy en omgeving'.
Figuur 3. Fragment verbeelding geldend bestemmingsplan 't Goy en omgeving (rode omkadering, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De planlocatie heeft in het geldende bestemmingsplan ‘'t Goy en omgeving' de bestemming 'Agrarisch'. De dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’, die beide gelden in het gebied, stellen beperkingen aan bodemroeringen om archeologische waarden te beschermen. Daarnaast zijn in het plangebied de functieaanduidingen 'fruitteelt', die een agrarisch fruitteeltbedrijf mogelijk maakt, en 'specifieke vorm van agrarisch - deelgebied paarden 2', waarmee een paardenbak wordt toegestaan, aanwezig. Binnen de bestemming 'Agrarisch' zijn geen burgerwoningen toegestaan. De beoogde nieuwbouw van een woning en het omzetten van de agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning passen daardoor niet binnen het vigerende bestemmingsplan ''t Goy en omgeving'. De beoogde ontwikkeling wordt middels voorliggend postzegelbestemmingsplan mogelijk gemaakt.
1.4 Leeswijzer Elk bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 wordt een overzicht gegeven van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en omgevingsaspecten. Tot slot bevat de toelichting hoofdstukken over de opbouw, verantwoording en uitleg van de planregels (hoofdstuk 5) en de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan (hoofdstuk 6).
8
2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie Op het terrein staan verschillende opstallen. In het zuiden van het plangebied, aan de Wickenburghseweg, is de bedrijfswoning gesitueerd. Direct achter de woning zijn agrarische opstallen in de vorm van een loods en schuur aanwezig. Op het oostelijk gedeelte van het plangebied is nog een tuinhuis geplaatst. Op het terrein is verder nog een terrein van ca. 3.700 m² met fruitbomen te vinden. In onderstaande tabel wordt een overzicht van de aanwezige verharding gegeven: Verharding Bedrijfswoning Loods Garage Verhardingen bij loods Tuinhuisje Oprit en terrasverhardingen Totaal
Oppervlakte 115 m² 820 m² 32 m² 500 m² 50 m² 675 m² 2.190 m²
Figuur 4. Aanwezige verharding
De navolgende afbeeldingen geven een impressie van de bestaande situatie.
Figuur 5. Inrit plangebied vanaf de Wickenburghseweg, bedrijfswoning en stal zichtbaar (bron: Google Streetview)
9
Figuur 6. Stallen en bedrijfswoning vanaf de zijkant van het plangebied gezien (bron: Google Streetview)
10
2.2 Toekomstige situatie Initiatiefnemer heeft het voornemen de stallen en de schuur te saneren, en daar een woning voor terug te brengen. Op de onderstaande afbeelding zijn de beoogde ingrepen weergegeven.
Figuur 7. Beoogde ingrepen (bron: Buro SRO)
Er wordt dus in totaal 820 m² aan bijgebouwen gesaneerd. In combinatie met de verwijdering van 500 m² verharding wordt er in totaal 1.320 m² aan verharding weggenomen, waarvoor een woning van 115 m², een ecologische zone van ca. 3.500 m² en een watergang van ca. 130 m² in de plaats komen. Met voornoemde plannen is sprake van een toename van de ruimtelijke kwaliteit; er komt natuur terug voor verharding.
11
Figuur 8. Beoogde ontwikkelingen (bron: Buro SRO)
Het perceel kent een ruime opzet met voldoende ruimte voor water, groen en parkeren. Doordat de twee percelen van elkaar afgescheiden worden middels een (onderhoudsvrije) erfafscheiding, dienen de beide woningen een eigen aansluiting op de Wickenburghseweg te krijgen. Het is niet wenselijk om de bestaande inrit voor de ontsluiting van beide percelen te gebruiken, omdat de bewoners van de bestaande woning dan last ondervinden van verkeer van de beoogde woning. Daarnaast is het aan de Wickenburghseweg heersende beeld dat elke woning een eigen aansluiting op de weg heeft. Verder heeft het maken van een tweede inrit geen negatieve invloed op de verkeerssituatie van de Wickenburghseweg. Als gevolg van het beoogde gebruik t.b.v. twee woningen zal de verkeersgeneratie op 14 verkeersbewegingen per etmaal bedragen. De beperkte toename is goed af te wentelen op de Wickenburghseweg. Het is immers een afgelegen weg, althans geen onderdeel van de hoofdwegenstructuur, met een lage verkeersintensiteit. Er is ter plaatse sprake van een veilige situatie. De nieuwe uitrit wordt op een recht en overzichtelijk deel van de Wickenburghseweg aangelegd.
12
Daarnaast gaat de aansluiting niet ten koste van groene waarden. De ontsluitingsbrug van de nieuwe woning krijgt een duidelijk ondergeschikte uitstraling door deze als lichte constructie uit te voeren. De ontsluiting wordt niet ingevuld middels een duiker of een vergelijkbare voorziening. Naast een omgevingsvergunning voor het bouwen is ook toestemming nodig van het Hoogheemraadschap. De nieuwe woning wordt haaks op de Wickenburghseweg georiënteerd. De rooilijn van de woning verspringt ten opzichte van de bestaande woning en de woning met huisnummer 40. De haakse oriëntatie maakt het mogelijk de woning dichter bij de bestaande woning te plaatsen en zorgt ervoor dat de percelen als boerenerf, bestaande uit een boerderij en een schuur, ervaren kunnen worden. Centraal in het geheel staat de ecologische zone, die door de herstelde zichtlijnen al vanaf de Wickenburghseweg te zien is. De woonpercelen aan de Wickenburghseweg grenzen met de achterzijde aan de ecologische zone. De oost-west georiënteerde waterloop ten noorden van de ecologische zone wordt aangesloten op de bestaande watergang en wordt circa 3 m breed. Aan de overzijde van de ecologische zone is een fruitboomgaard gelegen, die overgedragen wordt aan de buurman die direct ten westen van het perceel zijn boomgaard heeft. In bijlagen bij toelichting bijlage 1 wordt een nadere uitwerking van de ecologische zone gegeven.
Verder wordt er aan de oostzijde van het perceel een houtwal met streekeigen beplanting gerealiseerd, om een afscheiding tussen beide naastgelegen percelen te creëren. De houtwal bestaat uit een menging van els, struikwilg en sleedoorn. Deze beplanting is fraai om te zien en geeft een afwisselend beeld met veel seizoensbeleving met bloesem, bessen en een fraai wintersilhouet. Aan de westzijde van het plangebied wordt de bestaande knotwilgensingel gehandhaafd. Deze wordt nog aangevuld met bijvriendelijke beplanting.
13
3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Voorliggend plan is kleinschalig van aard, waardoor het geen nationale impact heeft. Wel wordt rekening gehouden met de ambitie die de Rijksoverheid heeft met betrekking tot efficiënt ruimtegebruik en een goede fysieke leefomgeving, door een woning toe te voegen in een bestaand lint.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat, met het oog op een goede ruimtelijke ordening, noodzakelijk maken kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016 en 1 januari 2017 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen en is dus ook niet specifiek van toepassing op het plangebied.
14
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (o.a. ECLI:NL:RVS:2017:1724) blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Onderhavige ontwikkeling betreft de toevoeging van één woning en is daarmee niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.
15
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht De Omgevingsvisie Provincie Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:
• • • • • • •
waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.
Slim combineren Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers. Concentreren Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het opwekken van zon- en windenergie en het verbouwen van voedsel. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken kan de provincie niet alleen oplossen. Samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie en medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden.
Planspecifiek Voorliggend plan raakt aan de pijler van de Omgevingsvisie die betrekking heeft op het landelijk gebied. De provincie wil de kwaliteit en dynamiek van het landelijk gebied behouden en koestert daarom de functies die bijdragen aan behoud van de openheid, kwaliteit en/of beleefbaarheid van het platteland, zoals landbouw en natuur. Slechts in bijzondere situaties en onder voorwaarden zijn ontwikkelingen van niet aan het landelijk gebied gebonden functies aanvaardbaar. Die situaties hebben veelal betrekking op de herbestemming van bestaande bebouwde erven en op de toevoeging van nieuwe kwaliteit. Onderhavig plan maakt een stedelijke functie in het landelijk gebied mogelijk, namelijk wonen. De provincie geeft aan dat zulke ontwikkelingen voorkomen moeten worden. Een dergelijke ontwikkeling is echter wel aanvaardbaar als achteruitgang voor vrijkomende agrarische bebouwing verhinderd kan worden en er nieuwe kwaliteit toegevoegd wordt. Hiervan is in onderhavig plan sprake: de agrarische bebouwing wordt gesloopt ten behoeve van een ecologische zone en een woning. Hiermee voldoet het plan aan de provinciale ruimte-voor-ruimte regeling.
16
Bij het toevoegen van woningen in het buitengebied hanteert de provincie Utrecht tevens het 'één erf principe'. Dit betekent dat het plangebied optisch zoveel mogelijk op een gezamenlijk erf moet lijken. Om hieraan tegemoet te komen wordt de bestaande inrit versmald, de nieuwe inrit uitgevoerd als lichte constructie en worden de woningen op niet al te grote afstand van elkaar geplaatst. Om verder inzichtelijk te maken of voorliggend plan voldoet aan het beleid van de provincie Utrecht is het plan getoetst aan de kaartlagen van de kaart behorende bij de omgevingsvisie. De relevante kaartlagen worden hieronder behandeld. Landschap Uit de kaart 'Landschap' blijkt dat het plangebied valt binnen het landschap 'Rivierengebied'. Voor dit landschap wil de provincie de volgende kernkwaliteiten behouden:
• • • •
schaalcontrast van zeer open naar besloten; samenhangend stelsel van rivier - uiterwaard - oeverwal - kom; samenhangend stelsel van hoge stuwwal - flank - kwelzone - oeverwal - rivier; de Kromme Rijn als vesting en vestiging.
Deze kernkwaliteiten hebben in de verschillende deelgebieden van het Rivierengebied verschillende accenten. Uit de kwaliteitsgids blijkt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het deelgebied 'Kromme Rijn'. De ruimtelijke essenties van dit deelgebied zijn uitgewerkt in verschillende thema’s: ruggengraat, mozaïek van fruitboomgaarden en akkers, dorpen, boerenerven. Onderhavig plan doet geen afbreuk aan het grootste deel van voornoemde thema's. Wel neemt het een boerenerf weg waar een woning voor in de plaats komt. Echter door het terugbrengen van landschappelijke waarden doet het een bijdrage aan de openheid van het gebied. Daarnaast neemt met het aanleggen van de ecologische zone de biodiversiteit en landschappelijke kwaliteit toe, zoals reeds omschreven is in paragraaf 2.2. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de PRS. 3.2.2 Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de op 10 maart 2021 vastgestelde Interim Omgevingsverordening en Programma's: De Omgevingsverordening In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw.
Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Programma's Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s. De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is.
Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie inneemt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de
17
andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen. Planspecifiek Van verstedelijking is sprake als een ruimtelijk besluit ten opzichte van het vigerende planologische regime nieuwe mogelijkheden biedt voor vestiging of uitbreiding van stedelijke functies. Onderhavig plan maakt een nieuwe stedelijke functie mogelijk omdat het een extra stedelijke functie (wonen) beoogt te realiseren. Vanuit de verordening zijn voor voorliggend plan de volgende bepalingen relevant:
• •
Instructieregel landschap Verstedelijkingsverbod landelijk gebied
Instructieregel landschap In artikel 7.9 is bepaald dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in landschap, in dit geval het Rivierengebied, regels en bestemmingen ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten bevat. In subparagraaf 3.2.1 is reeds beschreven welke kernkwaliteiten het Rivierengebied heeft. Met de beoogde landschappelijke inpassing zijn de kernkwaliteiten van het landschap voldoende geborgd. Verstedelijkingsverbod landelijk gebied Het plangebied bevindt zich in landelijk gebied, waarbinnen ingevolge artikel 9.2 verstedelijking niet is toegestaan. Met voorliggend plan wordt een stedelijke functie (wonen) toegevoegd aan het landelijk gebied. Er dient daarom een beroep te worden gedaan op een van de in de omgevingsverordening genoemde uitzonderingen. In artikel 9.11 is bepaald dat er één of meerdere nieuwe woningen worden toegestaan op een perceel met een agrarische bestemming waar het agrarisch gebruik is beëindigd. Bij onderhavig plan is er sprake van beëindiging van een agrarisch bedrijf. Om een woning te mogen realiseren moet er verder voldaan worden aan enkele voorwaarden: a. b.
c.
d.
het bouwperceel is niet optimaal gesitueerd en uitgerust voor de grondgebonden landbouw of, in geval van een glastuinbouwbedrijf, het bouwperceel ligt niet in een concentratiegebied glastuinbouw, en alle bedrijfsbebouwing op de betrokken bouwpercelen wordt gesloopt, tenzij het gaat om een historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing of bedrijfswoning. De historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing krijgt een passende functie die bijdraagt aan dat behoud. Wanneer 750 m² tot 2.500 m² aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van één nieuwe woning toegestaan. Wanneer 2.500 m² tot 4.000 m² aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van twee woningen toegestaan. Wanneer er 4.000 m² of meer aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van drie woningen toegestaan. Voor kassen geldt dat er 5.000 m² aan bedrijfsbebouwing wordt gesloopt voor één woning.
Afwijking van de vereiste sloopoppervlakten, het aantal te bouwen woningen en van de verplichting om het totaal aan bedrijfsbebouwing te slopen, is mogelijk mits dit leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit; de nieuwe woning of woningen worden gesitueerd binnen de voormalige bouwpercelen, in samenhang met de te handhaven boerderij of bedrijfswoning, de betrokken bouwpercelen worden evenredig verkleind en de woningen worden landschappelijk goed ingepast, tenzij situering van de nieuwe woning op een andere locatie in het landelijk gebied leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit, en de omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.
Het perceel is niet groot genoeg om jaarlijks een stabiele opbrengst van fruit te genereren. Dit brengt onzekerheid met zich mee. Uitbreiding van het perceel of aankoop van omliggende gronden is niet mogelijk, aangezien het perceel volledig omsloten is door andere agrarische bedrijven. Daarom is het wenselijk om het zuidelijke deel van het perceel als woonperceel in te richten. Om dit te kunnen doen moet ook voldaan worden aan lid b. Bij onderhavig plan worden de 'sloopmeters' van 750 m² gehaald, waarmee voldaan wordt aan lid b.
18
De nieuwe woning komt binnen het voormalige bouwperceel te liggen. Ook worden de kavels gelijkvormig. Daarnaast wordt de woning iets verspringend ten opzichte van de huidige bedrijfswoning en de woning van het buurperceel met huisnummer 40 georiënteerd, zodat er een geleidelijke overgang in verspringing tussen de woningen ontstaat. Hiermee zijn de woningen goed op elkaar afgestemd en is er sprake van een goede landschappelijke inpassing. Omliggende bedrijven worden niet verder gehinderd in hun bedrijfsvoering. Dit wordt uitgebreider behandeld en gemotiveerd in paragraaf 4.5. Conclusie De thema's van de Interim Omgevingsverordening vormen geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan en tevens is het plan in lijn met de 'ruimte voor ruimte' regeling van de provincie.
19
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Kromme Rijngebied De Omgevingsvisie Kromme Rijngebied ‘Vanuit kwaliteit verder werken (natuurlijk)’ is vastgesteld door de gemeenteraad van Houten op 21 maart 2017 en is opgesteld door een samenwerkingsverband van de gemeenten Bunnik, Houten en Wijk bij Duurstede. Deze omgevingsvisie is opgesteld voor het buitengebied van de drie gemeenten en is juridisch gezien vastgesteld als structuurvisie onder de Wro. Het strategische beleid voor het fysieke domein is gevat in de omgevingsvisie, zodat de burger, ondernemers en ontwikkelaar weten waar ze aan toe zijn en zij de positie van hun initiatief goed kunnen inschatten. Landbouwgebied van de oeverwallen Het landbouwgebied van de oeverwallen is een groot deelgebied waar de Kromme Rijn het landschap gemaakt heeft. De rivier heeft op verschillende plekken in het gebied gestroomd. Daarvan zijn rivierrestanten, bochtige wegen en licht glooiende oeverwallen de kenmerken. De fruitteelt is karakteristiek voor het gebied, maar geen kwetsbare waarde. Hoogstamboomgaarden zijn daarop een uitzondering. Waar nu nog oude hoogstamboomgaarden zijn, worden ze als waardevol beschouwd. Planspecifiek In de omgevingsvisie geven de samenwerkende gemeenten aan dat innovatieve ideeën extra ruimte in de regelgeving krijgen.
In het buitengebied is er meer ruimte voor de realisatie van sommige innovatieve ideeën dan in de stad. Daarnaast nodigt men uit innovatief om te gaan met andere ontwikkelingen, zoals (het benutten van) vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen. Het voorliggende initiatief betreft een idee dat goed past in het buitengebied. De ruimte voor maatwerk die de omgevingsvisie biedt maakt het mogelijk het voormalig agrarisch perceel om te zetten naar woonperceel dat beschikt over natuurontwikkeling in de vorm van een ecologische zone. Landbouwgebied van de oeverwallen Het plangebied is gelegen in het 'landbouwgebied van de oeverwallen', een agrarisch gebied met veel dynamiek. Het doel van het betreffende initiatief is om ruimtelijke kwaliteit toe te voegen. Dit wordt gedaan door in te haken op het afwisselend karakter van het gebied door beplanting, geulen en bosjes aan te leggen. Daarmee wordt aangesloten bij de ambitie om het ‘landbouwgebied van de oeverwallen’ dynamisch te ontwikkelen met een breed pallet aan functies, waarbij ontwikkeling en vernieuwing is gewenst en er aandacht is voor het effect op het landschapsbeeld. De landschappelijke inpassing is ingericht volgens de handvatten die de ‘Gereedschapskist landschappelijke inpassing‘ biedt voor het landschapstype ‘oeverwallen en kommen’.
De volgende voorbeelden van erfbeplanting en -inrichting kunnen hierbij toegepast worden: houtsingels, geriefhoutbosjes, solitaire bomen, hoogstamfruit, eenvoudig voorerf met een haag, grotere verharding achter het groen, behouden van het slotenpatroon, het omgeven van bebouwing door groen, opslag uit het oog. Voorliggend plan maakt gebruik van een gedeelte van deze 'gereedschapskist'; er wordt een houtwal gerealiseerd, er worden solitaire bomen geplaatst en de bebouwing gaat zich in het groen bevinden. Vrijkomende agrarische bebouwing Het hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing moet bijdragen aan de vitaliteit van het landelijk gebied. Het uitgangspunt begint bij het standpunt dat in principe alles mag binnen het bestaande volume, waarbij het volume een andere vorm mag krijgen dan de huidige gebouwen. In het voorliggende plan wordt ca. 850 m² aan agrarische bebouwing gesloopt en neemt het volume af. De gemeenten in het Kromme Rijngebied richten zich steeds meer op het toevoegen van ruimtelijke en functionele kwaliteit. De beoogde ontwikkeling voorziet daarin. De manier waarop de landschappelijke inpassing aan de voorzijde van het perceel is ingericht resulteert in het toevoegen van ruimtelijke kwaliteit. Verder komt het bij het voorliggende initiatief tot uitdrukking in de uitwerking van de
20
landschappelijke inpassing van de verschillende elementen die toegevoegd worden, bestaande uit de ecologische zone, het plaatsen van een houtwal met streekeigen beplanting en het creëren van een nieuwe zichtlijn.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Woonvisie Houten 2021-2030 Op 14 december 2021 is de nieuwe Woonvisie, 'Naar een ruimer woningaanbod', door de gemeenteraad van Houten vastgesteld. De ambitie van de gemeente Houten is de woningvoorraad in Houten te laten doorgroeien. De nieuw toe te voegen woning moeten vooral beschikbaar komen voor startende bewoners, ouderen en specifieke doelgroepen. Hiermee wil de gemeente de doorstroming voor startende gezinnen ondersteunen. Met een passend aanbod van woningen wordt er gezorgd voor meer balans in de woningvoorraad, meer diversiteit en meer keuzevrijheid. Tot 2040 wordt een woningbehoefte voorzien van 4.750 woningen. Hierbij wordt ingezet op vooral de toevoeging van diverse soorten gelijkvloerse woningen voor kleine huishoudens. Daarnaast is de wens ook hoogwaardige appartementen toe te voegen waarmee de doorstroming gestimuleerd wordt. Uit het woningbehoefte onderzoek blijkt ook dat er voldoende rijwoningen zijn boven € 350.000 maar onvoldoende tweekappers en vrijstaande woningen. De Woonvisie zit primair op de kern Houten. Voor de 'kleine kernen' wordt de woningbehoefte nog nader in beeld gebracht. De autonome woningbehoefte voor de kleine kernen die daaruit voortvloeit is daarmee aanvullend op de behoefte van 4.750 woningen uit de Woonvisie.
Planspecifiek Onderhavig plan ziet op de toevoeging van één woning in het kader van de 'ruimte voor ruimte' regeling. Dat er behoefte is aan een woning, in de vorm van een bouwkavel, blijkt inmiddels uit de verschillende gegadigde die zich voor de kavel al (informeel) gemeld hebben. In de 'Agenda voor de toekomst' van Bewonersorganisatie Mooi 't Goy is voor het behodu van voorzieningen en de leefbaarheid aangegeven dat nieuwbouw in 't Goy zeer wenselijk is. Dit plan draagt hieraan bij. 3.4.2 Klimaatplan gemeente Houten Op 5 juli 2016 heeft de gemeenteraad met grote meerderheid het nieuwe Programma Duurzaam Houten 2016-2018 goedgekeurd. Dit programma is gedateerd geraakt en wordt vervangen door een nieuw Klimaatplan. Het Klimaatplan valt uiteen in drie onderdelen te weten het Energieplan, klimaatadaptatieplan en het Actieplan Circulaire economie. Op 11 februari 2020 heeft de gemeenteraad van Houten het Energieplan 2020-2025 vastgesteld. Dit plan gaat in op de kansen en behoeftes van de Houtense samenleving. De focus ligt op het ontwikkelen van voldoende draagvlak voor de grote veranderingen die nog op ons af gaan komen. Door het organiseren van een goede samenwerking met de (vrijwilligers) organisaties in Houten, die energieactiviteiten uitvoeren, kan een versnelling tot stand gebracht worden.
Met de vaststelling van dit Energieplan is het eerste deel van het Klimaatplan gereed. Het energieplan spreekt de ambitie uit Houten in 2040 energieneutraal te krijgen. Ingezet wordt op meer zonnedaken en zonnepanelen. Daarnaast worden extra zonnevelden voorzien en een extra windpark. Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten bij de ambitie van de gemeente Houten om in 2040 energieneutraal te zijn. Dit is mogelijk middels het treffen van duurzame maatregelen, waarbij gedacht wordt aan het goed isoleren en het toepassen van zonnepanelen. Daarnaast wordt de woning conform rijksbeleid gasloos. Tevens wordt er verharding weggenomen en wordt groen (3.350 m2) toegevoegd (klimaatadaptatieplan). Bij de sloop van de bestaande bebouwing herbruikbare bouwmaterialen gescheiden van niet herbruikbare bouwmaterialen.
21
Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). De kavel voor nieuwbouw wordt verkocht. Welke overige ambities verder worden ingevuld is afhankelijk van de nieuwe eigenaar van de betreffende kavel. 3.4.3 Visie groen en biodiversiteit Houten Op 27 oktober 2020 heeft de gemeenteraad van de gemeente Houten de 'Visie groen en biodiversiteit Houten' vastgesteld. De gemeente Houten wil zich maximaal inzetten voor het vergroten en verbeteren van de biodiversiteit en wil daarbij ook de sociale functie die groen vervult versterken. In de visie is aangegeven welke doelen de gemeente nastreeft voor groen en biodiversiteit en op welke thema's de gemeente wil inzetten in de periode 2020-2040 om dit te bereiken. Door maatregelen te treffen om meer, beter en verbonden groen te realiseren, zullen doelsoorten beter gaan floreren, zorgt dat voor een grotere biodiversiteit. Deze maatregelen zijn opgedeeld in de volgende onderdelen:
• • •
Meer groen (en natuur) Beter groen Verbonden groen
Om deze visie verder te concretiseren zijn door de gemeente verschillende thema's voorgesteld waaraan kan worden gedacht bij het versterken van de biodiversiteit. Het gaat om de volgende thema's: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Groenbeheer Water(beheer) Ecologische verbindingen Kleine landschapselementen Soortenbeheer Voorlichting/educatie Natuurinclusieve landbouw Tijdelijke natuur
Planspecifiek Zoals beschreven in paragraaf 2.2 en bijlagen bij toelichting bijlage 1 is de aanleg van een ecologische zone onderdeel van het plan. Deze zone levert een positieve bijdrage aan de biodiversiteit door veel diversiteit aan beplantingstypen te gebruiken. Dit is aantrekkelijk voor insecten, vogels en kleine zoogdieren. Met name insecten profiteren van de diverse bloeitijden. Er kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de ambities van de 'Visie groen en biodiversiteit Houten'.
22
4 Omgevingsaspecten De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk-relevante aspecten (geluid, bodem, verkeer, etc.).
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
Het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig. Het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht. Het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd. De activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit word(t)(en) niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In het gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
•
de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling heeft immers betrekking op 2 woningen. Er kan daarmee
23
worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
Bij besluiten ten aanzien waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt is artikel 7.19 van de Wet milieubeheer van toepassing. Met name lid 3, waarin wordt verwezen naar de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn, is hierbij relevant. Deze selectiecriteria zijn: 1. 2. 3.
kenmerken van het project; plaats van het project; kenmerken van de potentiële effecten.
De kenmerken van het project worden in hoofdstuk 2 beschreven. Aangezien de beoogde woning is voorzien op het bestaande agrarische bouwperceel en buiten de milieuzonering van omliggende bedrijven ligt, zijn de potentiële effecten van het plan op de omgeving beperkt. De effecten hebben met name te maken met verkeer en geluidhinder die daardoor veroorzaakt worden. Deze effecten nemen af ten opzichte van de oorspronkelijke situatie waarin een agrarisch bedrijf aanwezig was. Van cumulatie met andere projecten is geen sprake. Het gaat om een opzichzelfstaande ontwikkeling. In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in hoofdstuk 4. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit m.e.r. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit te nemen omtrent dit bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen in de relevante milieuaspecten.
Het bevoegd gezag kan op basis van deze ruimtelijke onderbouwing een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.-beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep zijn alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan. Op basis van de voorliggende ruimtelijke onderbouwing, die gezien kan worden als aanmeldingsnotitie, kan geconcludeerd worden dat een m.e.r.-beoordeling niet vereist is. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de
24
bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning en er wordt een burgerwoning toegevoegd. Daarmee is sprake van een bestemmingswijziging naar een strenger bodemgebruik. Derhalve is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Grondslag B.V., 31079, d.d. 25 juli 2019, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). De belangrijkste onderzoeksresultaten worden hieronder beschouwd. In de grond op het achterterrein zijn licht verhoogde gehaltes aan diverse zware metalen (kwik, kobalt en nikkel), minerale olie PAK, PCB en OCB aangetoond. In het grondwater is enkel een licht verhoogd gehalte aan barium gemeten. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft in voldoende mate de milieuhygiënische situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie (met uitzondering van de betonverharding) weer. In de grond direct onder de aanwezige verhardingen (beton en asfalt) en in de puinfundatie onder het asfalt is asbest aangetoond. De toetswaarden voor nader onderzoek (voor grond) en de hergebruiksnorm (voor puin) worden echter niet overschreden. In de grond van het onverharde overige deel van de onderzoekslocatie is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetoond. Er is daarmee geen aanleiding tot het uitvoeren van nader asbestonderzoek.
In de bovengrond direct onder de oprit (betonverharding) is een sterk verhoogd gehalte aan PAK aangetoond. Tevens zijn matig verhoogde gehaltes aan kobalt en koper en licht verhoogde gehaltes aan kwik, lood, minerale olie en OCB vastgesteld. De ondergrond met enkel een zwakke bijmenging aan beton bevat licht verhoogde gehaltes aan barium, kobalt en molybdeen. Doordat vernieuwing van de verharding onderdeel is van de planontwikkeling is nader onderzoek naar de vervuiling in de bovengrond onder de oprit noodzakelijk. Om de ernst van de verontreiniging aan te tonen is ter plaatse van de verontreiniging een nader onderzoek uitgevoerd (Grondslag B.V., 31079, d.d. 2 september 2019, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Uit dit onderzoek is gebleken dat direct onder de betonverharding op het zuidwestelijke deel van het terrein een puinfundatie bestaande uit metselpuin, baksteen, gebonden cement en/of slakken aanwezig is. Een dergelijke puinfundering is volgens de Wet bodembescherming geen bodem maar een bouwstof. Geconcludeerd kan worden dat het onderzochte sterk puinhoudende, sterk verontreinigde monster uit het verkennend onderzoek eveneens onderdeel is van de puinfundering.
Aangezien sprake is van een puinfunderinglaag (met plaatselijk een zandige bijmenging) en niet van bodem, is er op de locatie onder de betonverharding op het zuidwestelijk deel van het terrein geen sprake van een (ernstige) bodemverontreiniging. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
25
4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
•
andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh):
1. 2. 3. 4. 5.
verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; medische centra; poliklinieken; medische kleuterdagverblijven.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld, zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Wegverkeer De Wickenburghseweg heeft ter plaatse een snelheidsregime van 60 km/u. Om een indicatie te krijgen van het heersende geluidsniveau is de Atlas leefomgeving geraadpleegd. Hieruit blijkt dat ter plaatse de geluidsbelasting als gevolg van wegverkeer laag is. Voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde. De onderstaande afbeelding maakt dit inzichtelijk.
Heersend geluidsniveau (bron: Atlas leefomgeving) Op verzoek van de gemeente Houten is aanvullend een akoestisch onderzoek (Adviesburo Van der Boom, 17 november 2022) uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat de geluidbelasting door wegverkeer op de Wickenburghseweg ten hoogste 42 dB bedraagt op de zuidgevel, na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt op de woning niet overschreden. Er zijn geen hogere waarden nodig voor de geluidbelasting door wegverkeer.
26
Spoorweglawaai Op ruim 1,35 kilometer ten westen van het plangebied is een spoorweg gelegen. Het plangebied bevindt zich buiten de onderzoekszone van deze spoorweg. De verwachting is, gezien de afstand, dat de beoogde woning geen belemmering ondervindt van spoorweglawaai. Verder zijn in en nabij het plangebied reeds woningen aanwezig waardoor kan worden aangenomen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect 'spoor- en wegverkeerslawaai' vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.
4.4 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 μg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft enkel het toevoegen van één burgerwoning. Het project is aan te merken als een project van 'niet in betekenende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Desalniettemin is met behulp van de Atlas Leefomgeving (o.a. ministerie I&M en RIVM) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit wat betreft stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) ter plaatse van de planlocatie in het jaar 2017 met circa 15,86 µg/m³ en 17,88 µg/m³ ruimschoots aan de norm van 40 μg/m³ voldoet. Wat betreft de concentratie fijnstof (PM 2,5) wordt met een waarde van maximaal 10,95 μg/m³ ook ruimschoots aan de betreffende norm van 25 μg/m³ voldaan. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
27
4.5 Bedrijven en milieuzonering Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komt te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven alsook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Spuitzones Bij de teelt van gewassen moet rekening worden gehouden met 'spuitzones'. Vanwege het ontbreken van wetgeving is een in de praktijk (als gevolg van jurisprudentie) gegroeide vuistregel ontstaan die aangeeft dat een afstand van 50 m tussen agrarische gronden met open teelten en een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functie in acht moet worden genomen. Er is echter reden tot redelijke afwijking van de richtafstand. Zoals blijkt uit de uitspraak (ECLI:NL:RVS:2016:1179) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan afscherming van het woonerf door middel van een heg eventuele resten van de gewasbeschermingsmiddelen tegenhouden. Planspecifiek Het plangebied is gelegen aan de rand van de kern van 't Goy. In de omgeving van het plangebied zijn woningen en (agrarische) bedrijven aanwezig. In de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' is aangegeven dat lintbebouwing in het buitengebied met een agrarisch karakter aan te merken is als gemengd gebied. Het plangebied wordt derhalve aangemerkt als 'gemengd gebied', waardoor de richtafstanden met één stap kunnen worden verlaagd. De navolgende tabel toont een overzicht van de bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied. Adres, bedrijf