RIB.24.060 Besluit GS
Tekst van het document
Stuknummer: 24.0003510
Raad 20-08-2024 RIB.24.060
raadsinformatiebrief van
: Burgemeester en wethouders
portefeuillehouder
: E. Beurskens
aan
: De leden van de gemeenteraad
datum
: 25/06/2024
status
: Actieve informatie
openbaar
: JA
Onderwerp Besluit GS aangaande landbouw scenario voor gebiedsontwikkeling Gedeelde Peel inclusief leerpunten.
Aanleiding Naar aanleiding van het proces in de GGA Gedeelde Peel en de tussentijdse uitkomsten van dat proces is ambtelijk in de provincie een GS nota opgesteld. Deze nota gaat over het Landbouwscenario Gebiedsontwikkeling Gedeelde Peel inclusief leerpunten als bouwstenen voor “regie op de ruimte”, perspectief voor de landbouw en de uitwerking van het beleidskader Perspectief voor het landelijk gebied. De nota is conform besloten door GS en heeft mogelijk gevolgen voor onze inwoners en ondernemers in dat gebied.
Beantwoording In de GGA Gedeelde Peel wordt onder andere samen met ABM, provincie, waterschap en Staatsbosbeheer in overleg met de ondernemers gezocht naar toekomstperspectief en een scenario voor het gebied. ABM, als vertegenwoordigers van alle agrariërs in het gebied, heeft op verzoek van de provincie een analyse met aanbevelingen laten opstellen over de landbouwkundige wensen en mogelijkheden naar de toekomst (bijlage 1). Op basis van deze analyse met aanbevelingen heeft de provincie een aantal conclusies en leerpunten getrokken welke zijn verwoord in de GS nota (bijlage 2). In de GS nota is onder andere het volgende aangegeven: “Verder is onze conclusie dat wij niet kunnen, noch mogen verwachten dat boeren zelf een keuze maken over het soort landbouwbedrijven dat hun overheid per deelgebied van onze provincie omwille van de best mogelijke combinatie van doelrealisatie al dan niet zou moeten ondersteunen in het bewerkstelligen van de transitie van het landelijk gebied. Tegelijkertijd vragen zij van hun overheid wel om duidelijkheid. Een alles omvattende duidelijkheid kunnen wij nu zeker nog niet geven, wel een duidelijkheid over de hoofdkoers die wij -alles overziend- voor de bufferzones rond de Peelvenen moeten varen én welke landbouwsector daarbinnen ons inziens het beste past.
Bezoekadres: Wilhelminaplein 6, Horst
Postbus 6005 / 5960 AA Horst
T 077 – 477 97 77
F 077 – 477 97 50
Pag. 2 van 2
Dat betekent dat wij voorstellen om de keuze te maken dat wij als overheid ons actief op de grondmarkt gaan bewegen om de extensiveringsslag van melkveebedrijven in de bufferzones rond de Peelvenen te ondersteunen. Dat betekent niet dat wij nu stellen dat akkerbouw en volle grondtuinbouw in de bufferzone niet meer mogelijk zijn. We ondersteunen het voortgaande gesprek van de boeren in de Gedeelde Peel om onder meer de verkenning naar mogelijkheden voor waterefficiëntere teeltmethoden met elkaar verder te verdiepen.” Met dit besluit geeft GS aan dat zij de extensiveringsslag van de melkveebedrijven willen ondersteunen en hiervoor de nodige financiële middelen en beleid daarop willen inzetten. Dit zal de hoofdkoers zijn. Dat betekent niet dat andere takken van agrarische bedrijvigheid niet mogelijk zijn, maar deze wel aan de doelstellingen van het LPLG (welke een andere naam zal krijgen i.v.m. het nieuwe kabinet) moeten voldoen. De provincie heeft daarom ABM gevraagd om de vervolgvragen, over andere het perspectief van de andere takken dan de melkveebedrijven, nader te onderzoeken. Het moge duidelijk zijn dat de keuze van de provincie gevoelig ligt bij de ondernemers. Om deze reden is het bestuur van ABM op 24 juni jl over de inhoud van het besluit bijgepraat door de gedeputeerde in een overleg.
Tijdens dit overleg zijn zorgen, vragen en mogelijkheden tot nader onderzoek met elkaar gedeeld. Aangezien de provincie voornemens is om op vrijdag 28 juni het besluit openbaar te maken, ontvangt u deze RIB nog voordat het college het stuk van de provincie opiniërend heeft kunnen bespreken. Dat zal 2 juli gebeuren waarbij een eventuele reactie of standpunt wordt geformuleerd.
Bijlagen Bijlage 1 Rapportage toekomst agrarische ondernemers bufferzone d.d. 27 februari 2024 Bijlage 2 GS nota Landbouwscenario Gebiedsontwikkeling Gedeelde Peel inclusief leerpunten als bouwstenen voor “regie op de ruimte”, perspectief voor de landbouw en de uitwerking van het beleidskader Perspectief voor het landelijk gebied.
2
o VAN DEN
NGH ADVIES
Bestuur ABM (Agra risch Belangengroep Ma riapeel)
Aan
Provincie Limburg (de heer Thijs Arts) Gemeente Horst aan de Maas Gemeente Venray Staatsbosbeheer Waterschap Limburg Jeroen van den lngh (VandenlnghAdvies)
Van
Onderwerp: (Eind)rapportage toekomst Agrarische ondernemers bufferzone Mariapeel Datum
27 februari2A24
Deze rapportage verwoordt het onderzoek en zijn conclusies van het onderzoek naar de mogelijkheden en randvoorwaarden van de agrarisch sector in de bufferzone van de Mariapeel, Dit onderzoek is geînitieerd door het bestuur van Agrarisch Belangengroep Mariapeel (ABM) en gefinancierd door de Provincie Limburg. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in dec 2023 tot en met lebruari2024 Belangrijkste conclusie is dat er in de bufferzone van de Mariapeel een kansrijke positie ligt voor de zowel de agrarische ondernemers als de gestelde natuurdoelstellingen. Met deze conclusie is nog niet in detail
de concretisering van deze kansrijke positie uitgewerkt. Het advies is om aan dit onderzoek nog een vervolg te geven. Op welke wijze tot deze conclusie gekomen is, wordt in onderstaande 5 hoofdstukken uiteengezet:
1)
U itgangspos¡tie
2) 3) 4)
Doelstellingen Werkwijze
s)
Conclusies Aanbevelingen
1. Uitgansssituatie Het gebied dat als uitgangspunt wordt genomen betreft de bufferzone aan de oostzijde van de Mariapeel. Deze wordt gemarkeerd door aan de westzijde de Brabants-Limburgse grens, de Noordzijde Paardekopweg, aan de Oostzijde de Midden Peelweg (N277) en aan de zuidzijde de 467.
. 5721ARAsten , 06-53293806 ¡ jeroen@vdinghadvies.nl KvK:73443288 r IBAN: NL78 RABo 0336 2367 35 r BTW-nr: N1143226642801 Dijkstraat 42
o
5ÊNINGH ADVIES De straten clie in de bufferzone van de Mariapeel liggen, zijn
Paardekopweg (Gemeente Venray) (31 inschrijvingen KvK, waarvan LL agrarisch)
Moostdijk (Gemeente Venray); (58 inschrijvingen KvK, waarvan 4 agrarisch) Timmermannsweg vanaf nr L00 (Gemeente Venray); (12 inschrijvingen KvK, waarvan 7 agrarisch)
Puttenweg (Gemeente Venray); (61 inschrijvingen KvK, waarvan 12 agrarisch) Dorperpeelweg (Gemeente Horst aan de Maas) (L6 inschrijvingen KvK, waarvan 4 agrarisch) Grauwveenweg (Gemeente Horst aan de Maas) geen inschrijvingen Vossenheuvel (Gemeente Horst aan de Maas); (42 inschrijvingen KvK, waarvan 2 agrarisch)
Zwarte Plakweg (Gemeente Horst aan de Maas); {57 inschrijvingen KvK, waarvan 10 agrarisch) Drie Kooienweg (Gemeente Horst aan de Maas); (18 inschrijvingen KvK, waarvan ll agrarisch) Patersstraat (Gemeente Horst aan de Maas); (L4 inschrijvingen KvK, waarvan 2 agrarisch) Helenaveenseweg (Gemeente Horst aan de Maas); (22 inschrijvingen KvK, waarvan 4 agrarisch) Kerkkuilenweg (Gemeente Horst aan de Maas); geen inschrijvingen
Wertemerweg (Gemeente Horst aan de Maas); (8 inschrijvingen KvK, waarvan L agrarisch) Slenkenweg (Gemeente Horst aan de Maas); (8 inschrijvingen KvK, waarvan 3 agrarisch) Griendtveenseweg en Middenpeelweg
Samengevat ca. 350 bedrijfsmatige inschrijvingen bij de KvK, waarvan er 70 agrarisch zijn. Dit geeft slechts een indicatie van de actualite¡t, omdat hier ook dubbele inschrijvingen van verschillende
bedrijven op L adres (kunnen) staan en mogelijk ook inschrijvingen waarvan de bedrijfsactiviteiten inmiddels gestaakt zijn. ln totaal omvat het gebied ongeveer 2200 ha landbouwgrond.
Het gebied kan in zijn geografische context geplaatst worden in onderstaande kaart:
Dijkstraat 42 . 5721 AR Asten r 06-53239806 r jeroen@vdinghadvies.nl KvK:73443288 , IBAN: NL78 RAB0 0338 236735 r BTW-nr: N1143226642801
ü VAN
utN
NGH ADVIES
,rq-l];..
í
I
I
I
t i l
. .), -.Í:.
I:'
.
' ,.: ì
,-...'
rr { ..:
l .a
t
'.|./'.
:" ¿ ¿'" qÌ
Oijkstraat 42 . 5)2l ARAsten I 06-53233885 , jeroen@vdinghadvies.nl KvK:73443288 r IBAN: NL78 RAB0 0336 2387 35 r BTW-nr: NLl4322E642B0l
,.1
o
gÊNINGH ADVIES
2. Doelstellinqen De doelstell¡ngen vanuit de agrarische ondernemers is om met een gezond bedrijfseconomisch
perspectief de toekomst in te kunnen gaan voor een zodanige periode dat er ook financieel verantwoord investeringen gedaan kunnen worden. Het is tevens een doel om de randvoorwaarden te formuleren om dat mogelijk te maken. Vanuit de Rijksoverheid en de Provincie Limburg is eveneens een aantal cloelstellingen verwoord. Deze zijn opgenomen in het LPLG, Limburgs Programma Landelijk Gebied, "Wie sjoen òs Limburg is", opgemaakt ap 27 juni 2023.
De meest urgente doelen en opgaven hiervan zijn: L. Het voorkomen van verslechtering van de natuur in N2000-gebieden (per direct)
2. Het realiseren van cle Ontwikkelopgave Natuur (20271, 3. De kwaliteits- en kwantiteitsdoelen voor grond- en oppervlaktewater QA27). Dit zijn de doelen en opgaven die al op korte termijn gerealiseerd moeten worden. Uiteraard is ook een snelle en forse daling van de stikstofdepositie op N2000-gebieden nodig, op de eerste plaats uit oogpunt van natl¡urherstel maar evenzeer belangrijk om op termijn weer vergunningverlening mogelijk te maken
voor (agrarische) bedrijven, infra-structuur, woningbouw, energievoorziening en andere maatscha ppelijke ontwikkelingen.
Deze doelstellingen zijn weer vertaald naar L0 Landelijke doelstellingen waar de Provincie Limbr-rrg 4
doelstellingen aan heeft toegevoegd.
Natuur:
t. Stikstofreductie 2. Areaaluitbreiding 3. lnstandhoudingsdoelen natuurkwaliteit 4. Hydrologische doelen 5, Groenblauwedooradering Water
. 5721ARAsten , 08-53299806 r jeroen@vdinghadvies.nl r KvK:73443288 IBAN: NL78 RAB0 0336 238735 o BTW-nr: N1143226642801 Dijkstraat 4?,
o VAN DTN
NGH ADVIES
6. Schoon oppervlakte- en grondwater 7. Goede toestand grondwaterlichamen 8. Goede zoetwaterbeschikbaarheid Klimaat
9. Reductie van uitstoot broeikasgassen L0. Koolstofvastlegg¡ng Limburgse doelen
11. Perspectief sectoren L2. Houdbare vergunningverlening L3. Leefbaarheid 14. Landschappelijke kwaliteit
3. Werkwiize Het onderzoek heeft, naast het bestuderen van de relevante stukken, voornamelijk bestaan uit het voeren van gesprekken met agrarisch ondernemers. De kern van de gesprekken heeft bestaan uit de 20 door ABM aangedragen agrarische ondernemers die eerder aangegeven hebben door te willen gaan op hun huidige locatie. Daarnaast zijn er 2 groepsbijeenkomsten geweest met rundveehouders en akkerbouwers, waar totaal 70 ondernemers aan deelgenomen hebben) in de bufferzone. De naar aanleiding hiervan opgestelde verslagen zijn tevens gebruikt bij het onderzoek. Deze 20 ondernemers (zie bijlage) hebben ca 890 ha van de 2200 ha in eigendom en ca 1500 ha totaal in gebruik {inclusief pacht). Daarrnee is bijna 7A/ovan het totale belang aan grond "gedekt" in de
gesprekken,
Daarnaast zijn gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van de gemeenten Horst aan de Maas en Venray. Samen met de bedrijvencontactpersoon van de Gemeente Horst aan de Maas zijn er 5 gesprekken gevoerd. Van aldeze 20 gesprekken zijn gespreksverslagen (L à 2 A4tjes)gemaakt, die
geaccordeerd zijn door de deelnemers. Ze hebben tevens akkoord gegeven voor het delen van deze informatie met het bestuur ABM, de Provincie Limburg, de 2 genoemde gemeenten (Horst a/d Maas en Venray), het Waterschap Limburg en Staatsbosbeheer. Deze verslagen zijn géén onderdeel van dze rapportage rnaar kunnen uiteraard op verzoek beschikbaar gesteld worden. En last but not the least zijn in de onderzoeksperiode de vergaderingen van het Extern Kernteam GGA
Gedeelde Peel bijgewoond.
. 572,1ARAsten , 06-53299806 r jeroen@vdinghadvies.nl KvK 73449288 r IBAN: NL78 RABB 0336 2367 35 I BTW-nr: N1143226642801 Dijkstraat 42
o VAN DTN
NEH ADV E5
Een apart groot en bijzonder project binnen het gebied van de bufferzone, betreft het geplande
waterbuffer/zonnepark aan de Dorperpeelweg. De in¡t¡atiefnemers en 2 agrarische ondernemers zijn geïnterviewd. Dit gebied omvat ongeveer 250 ha. Van dit gesprek is een uitgebreid verslag gemaakt. Hier ligt volgens de initiatiefnemers de mogelijkheid
om voor de gehele bufferzone aan de Mariapeel de (grond/oppervlakte) water problematiek op te lossen.
ln de gesprekken met de agrarische ondernemers is gevraagd wat zij denken nodig te hebben om als
ondernemer gezond de toekomst in te kunnen gaan. De gesprekken zijn met name langs de lijnen van degenoemde doelstellingen zoals deze in het LPLG
rapport zijn verwoord. Concreet langs de doelstellingen van het LPLG. De meest van de L4 doelstell¡ngen zijn hieraan te relateren. Het:
t. Grond (doelen: 2,3 en 5) 2. Water (grond- en oppervlakte water) zowel kwalitatief als kwantitatief (doelen: 4,6,7 en 81. 3. Stikstof (doelen 1. en L2) 4. Bestrijdingsmiddelen (11en L2) 5. Energie (3,5, L3 en 14) De doelstellingen 9 en 10 (CO2) zijn vanwege de complexiteit en het ontbreken van accurate data deze
niet expliciet meegenomen.
4. Conclusies De conclusies zijn gebaseerd op de uitspraken van de 20 agrarische ondernemers en de
groepsbijeenkomsten.
Deze zijn puntsgew¡js opgesomd
Ad 1. Grond
t. De sronden van de bufferzone (totaal dus 2200 ha) worden als zeer geschikt (vruchtbaar) voor de landbouw beschouwd. Eén van de belangrijkste redenen waarom vooral akkerbouw, tuinbouw en veeteelt zich hier gevest¡gd heeft en waarom de meeste agrarische ondernemers hier willen blijven. Naast de kwaliteit van de grond is de grootte en de vorm (lang en rechthoekig) ideaal voor het landbouwmatig bewerken van de gronden. 2. De ondernemers kunnen echter alleen bedrijfsmatig actief blijven, indien er een boterham te verdienen is. Er moet m.a.w. een goed financieel rendement behaald kunnen worden.
Dijkstraat 42 . STZ\ ARAsten r 06-53299806 r jeroen@vdinghadvies.nl KvK:73443288 r IBAN: NL78 RABO 0336236735 r BTW-nr: N1143226642801
o VAN NEN
INGH ADVIES
3. Bij de rundveehouderij bestaat de wens (grotendeels) om te extensiveren. Daarvoor dienen deze ondernemers over meer grond te kunnen beschikken. Ruim 330 ha. Daarmee zouden
4.
de rundveehouders nagenoeg geheel zelfuoorzienend kunnen worden. Belangrijk aandachtspunt vormt voor hen de aanschafprijs of de pacht van de nog te verwerven gronden. De tuinbouwers hebben een wisselende visie op de toekomst tav de gewenst grond pos¡tie. Eén grotere tuinder wil nu nog zijn grondpositie niet uitbreiden vanwege onzekere regelgeving. Sterker nog om dezelfde reden pacht deze ondernemer grotendeels de gronden, wat hem meer flexibiliteit geeft. De grotere tuinders (3 in aantal, hebben contracten met grote supermarktketens (Lidl, Jumbo en AH) die zowel kwantitatief als kwalitatief expliciete voorwaarden kennen. De andere 2 grotere tuinders zouden het gebruik/eigendom in de bufferzone van de sronden met ca 250 ha willen uitbreiden.
Ad 2 Water
5. Belangrijkste randvoorwaarde voor de agrarische ondernemers is de beschikbaarheid van kwalitatief goed en kwantitatief voldoende grond- en oppervlaktewater in de periode maart-oktober. Zònder de mogelijkheid von beregenen is er géén landbouw mogeliik. 6. Door meerdere agrarische ondernemers worden vraagtekens geplaatst bij de relatie die er telkens gelegd worden tussen de grondwaterstand en het beregenen van de gewassen. Een visie die meerdere keren genoemd wordt, is het droogleggen van de bruinkoolmijnen net over de grens in Duitsland. Mogelijke dat de Hydrologische Systeemanalyse (volgens planning zal deze in 2026 opgeleverd kunnen worden) daarmee duidelijkheid over geven. 7. Ook wordt door diverse agrarische ondernemers het zogenaamd "lekken van de Peel" genoemd. Er zou (grond)water uit de Peelwegstromen die door lekken in kades en/of grondlagen worden veroorzaakt. Deze hoeveelheden zouden een veelvoud zijn van de hoeveelheid die gemoeid is met de beregening van de gewassen. Mogelijk dat ook hier de HSA antwoorden gaat geven.
8. ln de winterperiode november-februari dienen er voldoende drainagemogelijkheden te zijn om te voorkomen dat grondwaterstand boven de ca. -60 à -70 cm komt. De -70 cm is door een grotere tuinder genoemd en uit de bijeenkomst met akkerbouwers gekomen. Andere ondernemers zitten meer in de richting van een maximale grondwaterstand van -50 à -60 cm.
9. Voor het beregenen met grondwater van de graslanden (t.b.v. de grazers) en de akkerbouw worden vaak haspels gebruikt. Voor het beregenen in de vollegrondstuinbouw en akkerbouw worden ook efficiëntere methodes, zoals boomsproeiers en druppelirrigatie. Met de laatste technieken kan er op en duurzamere wijze gebruik gemaakt worden van het schaarse grondwater in de droge (zomer)periodes. 10. Technisch l¡jkt het grote zonnepanelen/waterbuffer project aan de Dorperpeelweg veelbelovend. Technisch lijkt het volgens de initiatieefnemers mogelijk om de voor de gehele bufferzone de grondwatervoorziening kwantitatief als kwalitatief te kunnen oplossen. Of dit ook economisch haalbaar is, wordt momenteel uitgezocht. Cruciaal is de vraag of er voldoende water beschikbaar is in droge zomers voor de diverse doelen.
ûijkstraat 42 o 57214R Asten t U6-532998UË r jeroen@vdinghadvies'nl KvK:73443288 r IBAN: NL78 RABO 0336 236735 , BTW-nr: N1143226642801
o VAN
ütN
INGH ADVIES
Ad 3 Stikstof
11. Ten aanzien van de stikstofdepositie lijkt de bufferzone Mariapeel redelijk tot goed op schema te zitten. Deze conclusie kan (voorzichtig) getrokken worden op basis van het aantal gestopte agrarische bedrijven in de bufferzone. Het wordt als een gemis ervaren dat er geen objectieve methode is en of gebruikt wordt die het verloop en de werkelijke stikstofdepositie op bedrijfsniveau meet. Nu is de agrarische ondernemer afhankelijk van een modelmatige benadering van de stikstofdepositie per bedrijf. En relatief grote kalkoenenmesterij die nu modelmatig een piekbelaster is, geeft aan dat h¡j de stikstofdepos¡tie gunstig kan beïnvloeden door de stro, waar de kalkoenen op liggen, met een optimale regelmaat (vaker) te verversen. Maar hij wordt bedrijfsmatig daar niet of nauwelijks voor "beloond". L2. Het behalen van de stikstofdoelen biedt ook de noodzakelijke mogelijkheid om de gronden te blijven bemesten met dierlijke mest. Zowel voor de graslanden als de akker- en tu inbouwgronden. L3. B¡j nagenoeg alle rundveehouders bestaat de wens om hun grondposities zodanig uit te breiden dat ze kunnen extensiveren en om meer zelfvoorzienend te worden bij het uitrijden van de mest.
Ad 4 Gewasbescherminesmiddelen
L4. Ten aanzien van de gewasbeschermingsmiddelen is er grote overeenstemming bij ondernemers, Zo weinig als mogelijk, maar zoveel als nodig. Bestrijdingsmiddelen zijn immers duur en vragen ook kostbare arbeidsuren om ze aan te brengen. lnmiddels zijn er met name voor de tuin- en akkerbouwers efficiënte manieren ontwikkeld om met machines (gerobotiseerd) zeer gericht het goede bestrijdingsmiddel te doceren op de meest effectieve plaatsen, de zogenaamde spot-sprayes. Met robot en Al-technieken. Hiermee kan tot 95% aan bestrijdingsmiddelen bespaard worden. Een degelijke machine kost qua investering echter meer dan €100.000. Deze ontwikkeling staat niet stil, waardoor er in de (nabije) toekomst waarschijnlijk nog minder gewasbeschermingsmiddelen gebruikt hoeven te
worden. 15. Ook de zaadveredelaars zitten niet stil. Nederland heeft een toonaangevende positie ¡n de wereld. Circa 40% van de wereldhandel is afkomstig uit Nederland en is jaarlijks goed voor 2 miljard euro omzet. De doelstelling van het veredelen is, om de gewassen sterker ( resistent tegen ziektes) en beter bestand tegen (droge/natte) weersomstandigheden en smaakvoller te maken. Ook deze ontwikkeling zal het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen naar alle waarschijnlijk doen verminderen. Ad 5 Enersie
16. De opwekking van energie vindt bij de meeste ondernemers met behulp van zonnepanelen plaats. Een aantal heeft zonnepanelen enkel voor de eigen energiebehoefte en een aantal
Dijkstraat 42 e 5721 AR Asten I 06-53299806 r jeroen@vdinghadvies.nl KvK:73443288 r IBAN: NL78 RAB0 0336 2367 35 ¡ BTW-nr: NLI43ZZ664ZB0I
o VAN DEN
INGH ADVIES
levert ook energie terug op net. Het zonnepark/waterbuffer aan de Dorperpeelweg dit nog in onderzoek is, omvat om en nabij 250 ha aan zonnepanelen 17. ln de bufferzone zijn er ook nog andere plannen om zonnepanelen te gaan inzetten voor opwekking van energie in het kader van stapeling van doelen. L8. Met name de rundveehouders zijn geïnteresseerd om een mestvergister gezamenlijk te gaan gebruiken. Gezamenlijk om dat een break-evenpunt pas bij 400 stuks rundvee ligt. Hiermee kan energie opgewekt worden en kan de mest verwerkt van de runderen verwerkt worden. Eén grotere rundveehouder is nog niet overtuigd dat dit gaat werken. Met name vanwege de onduidelijkheid/kosten van de reststof na vergisten. 19. Ook windenergie is in de verschillende gesprekken aan de orde geweest. Het is echter niet toegestaan (ivm nabijgelegen vliegveld van Defensie) met de noodzakelijke hoogte windmolens te plaatsen. Met ander woorden de business-case voor wind energie is op dit moment nog n¡et rond te rekenen.
5. Aanbevelingen 1.
2
3
4.
5.
6.
Het initiatief om vanuit de basis (bottom-up) door en met de agrarische bedrijven de toekomst duurzaam in te gaan zou gecontinueerd moeten worden. De mot¡vatie b¡j de agrarische ondernemers om hier een constructieve bijdrage in te leveren is groot. Dit ondanks dat er ook kritisch gekeken wordt naar de rol die de overheid de afgelopen jaren vervult heeft bij het faciliteren van de agrarische sector. Het verdient bijzondere aandacht om het project zonnepanelen/waterbuffer aan de Dorperpeelweg serieus te beoordelen. Het biedt waarschijnlijk de unieke mogelijkheid om de watervoorziening in de bufferzone van de Mariapeel volledig binnen de natuurdoelen en volledig in de waterbehoefte van de agrarische bedrijven te voorzien. Het herschikken van de gronden zou middels een grondbank geëffectueerd kunnen worden. Met name de verwerving van grasland voor de rundveehouders zal alleen met financiële steun kunnen. De Provincie en/of de gemeenten zouden meer regie op het gebruik van de gronden in de bufferzone dienen te nemen. Dat zou kunnen door eigendom te verwerven en gereguleerd te verpachten en/of bij verkoop n¡et enkel het aan de hoogstbiedende te gunnen. lndien de doelstelling is om meergrazers in de bufferzone te krijgen dienen de rundveehouders een voorkeursposit¡e te genieten.
Zolang het project zonnepanelen/waterbuffer aan de Dorperpeelweg niet is gerealiseerd of anderszins het aanbod van water niet gegarandeerd is, zal er tot die tijd ook mogelijk dienen te blijven om te beregenen met grond-/oppervlaktewater. Dat bestaat uit (bron: verslag tafelgesprekken rundveehouders op 16-08-2023 en akkerbouwers op 25-LO-20231: a) begint met het goed regelen van de vergunningen b) het efficiënt (ver)plaatsen van beregeningsputten c) goede communicatie over watertoevoer en afvoer d) stuwen elektrisch bedienen e) sub-irrigatie toepassen, bij teveel water pompen in de al aangelegde bekkens Het valt te overwegen om de plannen energie-opwekking met de zonnepanelen in de bufferzone te combineren, zeker wanneer de "stapeling" van de zonnepanelenprojecten samen meer kans op succesvolle realisatie biedt.
. 5721 AR Asten t 06-53299806 r jeroen@vdinghadvies.nl KvK:73443288 r IBAN: NL78 RABO 0336 2367 35 r BTW-nr: N1143226642801 Dijkstraat 42
o VAN DEN
INGH ADVIES
7. Qua stikstof en CO2 wordt aanbevolen om de uitstoot op bedrijfsniveau te meten in plaats van modelmatig. Sowieso is het advies om alle L4 doelen, zoals deze in het LPLG zijn verwoord zo concreet (zo mogelijk kwantitatief)te maken. 8. ln de natuur van de bufferzone (bron: verslag tafelgesprekken rundveehouders op L6-082023 en akkerbouwers op 25-L0-2023) a) het creëren van een ecologische verbindingszone op "dode hoeken" of in de toekomst moeilijk te beweiden- of bewerkbare stukken grond b) de ganzenproblematiek onderzoeken en waar nodig tegenmaatregelen nemen c) de grenzen van de bufferzone opnieuw beoordelen. Tijn deze niet te ruim gesteld door "logische" (wegen en provincie) grenzen? d) benut koppelkansen door bv overtollige warmte te leveren aan de nabijgelegen vrouwengeva ngenis ( Evertsoord).
9. Een belangrijk veelgehoord advies is om vanuit de overheid de agrarische ondernemers duidelijkheid en perspectief te bieden. Zodanige duidelijkheid dat er investeringen gedaan kunnen worden om hun bedrijfsvoering de komende decennia gezond(er) te houden/ te krijgen. Er zijn veel zorgen over mogelijke achteruitgang in inkomen en vermogen. L0. Het vraagstuk in de bufferzone is complex en vraagt een zorgvuldige stap voor stap aanpak. De voorliggende notitie zal hierbij helpen, maar het is zeker nog geen eindstation, Voor de verdere concretisering zal nog het nodige geïnvesteerd moeten worden.
. STZ| ARAsten r U6-532SS806 t jeroen@vdinghadvies.nl r KvK:73443288 IBAN: NL78 RABO 0336 236735 r BTW-nr: N1143226642801 Dijkstraat 42
Nota voor Gedeputeerde Staten Vertr ouwelij kheidD oc umentsoortM edewer kerRichting
Ruimte Stuknummer
Documentnummer DOC-00654707
Onderwerp
Landbouwscenario Gebiedsontwikkeling Gedeelde Peel inclusief leerpunten als bouwstenen voor “regie op de ruimte”, perspectief voor de landbouw en de uitwerking van het beleidskader Perspectief voor het landelijk gebied 11 juni 2024
Datum
0. Samenvatting Onder regie van de gemeente Horst aan de Maas kijken gemeente, Staatsbosbeheer (SBB), de Agrarische Belangengroep Mariapeel (ABM), Waterschap Limburg en provincie vanaf eind 2021 naar de mogelijkheden voor een passende gebiedsontwikkeling voor het gebied “Gedeelde Peel”. De opgaven liggen op het gebied van natuur, water, landbouw, energie en leefbaarheid. Richtinggevend voor onze provinciale inbreng in deze gebiedsontwikkeling zijn de twee mededelingen portefeuillehouder van 27 oktober 2021 (Uitwerking Provinciale Omgevingsvisie: koers voor Peelvenen en ontginningsgebieden daar direct om heen) en 4 april 2023 (perspectief voor de landbouw in Limburg), de hoofdkoers voor dit gebied uit het Ontwerpend Onderzoek Ontginningsgebieden (die naadloos aansluit bij onze mededeling van 27-10-2021) en de 14 doelen van het concept Limburgs Programma Landelijk Gebied van 27 juni 2023. De beide mededelingen zijn voor uw informatie als bijlage bijgevoegd. De Gedeelde Peel is door onze partners in het traject richting ons eerste concept LPLG aangedragen als koploperproject, met als doel om aan te geven dat hier doelbereik mogelijk is met een gebiedsgerichte aanpak én in de hoop financiering te verkrijgen voor zowel het organiseren van het gebiedsproces als het uitvoeren van concrete maatregelen.
De gemeente Horst aan de Maas heeft voor de gebiedsontwikkeling Gedeelde Peel een tweetal “vingeroefeningen” gedaan. Daarbij heeft ze geprobeerd om de hoofdkoers uit het Ontwerpend Onderzoek Ontginningsgebieden te concretiseren in een tweetal scenario’s als bouwsteen voor haar GOVI1: één waarbij vrije tijdseconomie leidend is en één waarbij natuurontwikkeling leidend is. Aan ABM is medio 2023 door gemeente en provincie gevraagd om daar vanuit de boeren in het gebied een derde scenario (“gewenst scenario van de landbouwkundige ontwikkeling”) als bouwsteen naast te zetten. ABM heeft daartoe een adviseur (Van den Ingh) als procesbegeleider in de arm genomen die met de boeren in het gebied groepsgesprekken en individuele gesprekken heeft gevoerd. Wij hebben zijn rapportage ontvangen. De rapportage (vooralsnog vertrouwelijk in verband met de opgenomen persoonsgegevens) levert veel inzichten, leerpunten en vervolgvragen op. We hebben op basis van de rapportage 8 leerpunten geformuleerd als bouwsteen voor de uitwerking van het beleidskader Perspectief voor het landelijk gebied. Ons advies is om deze leerpunten (inclusief de [ruimtelijk] structurerende keuzes die daarin opgesloten zitten) als bouwsteen te gebruiken voor deze uitwerking.
Verder is onze conclusie dat wij niet kunnen, noch mogen verwachten dat boeren zelf een keuze maken over het soort landbouwbedrijven dat hun overheid per deelgebied van onze provincie omwille van de 1
De scenario’s hebben nog geen [bestuurlijke] status, maar hebben het karakter van werkdocumenten
best mogelijke combinatie van doelrealisatie al dan niet zou moeten ondersteunen in het bewerkstelligen van de transitie van het landelijk gebied. Tegelijkertijd vragen zij van hun overheid wel om duidelijkheid. Een alles omvattende duidelijkheid kunnen wij nu zeker nog niet geven, wel een duidelijkheid over de hoofdkoers die wij -alles overziendvoor de bufferzones rond de Peelvenen moeten varen én welke landbouwsector daarbinnen ons inziens het beste past. Dat betekent dat wij voorstellen om de keuze te maken dat wij als overheid ons actief op de grondmarkt gaan bewegen om de extensiveringsslag van melkveebedrijven in de bufferzones rond de Peelvenen te ondersteunen. Dat betekent niet dat wij nu stellen dat akkerbouw en volle grondtuinbouw in de bufferzone niet meer mogelijk zijn. We ondersteunen het voortgaande gesprek van de boeren in de Gedeelde Peel om onder meer de verkenning naar mogelijkheden voor waterefficiëntere teeltmethoden met elkaar verder te verdiepen. Zonder daar nu verder op in te gaan, maar voor uw beeld wel van belang, merken wij op dat uit de ontwerpende onderzoeken voor onze hele provincie gebiedsgericht verschillende hoofdkoersen -ook voor het landelijk gebied- naar voren komen2.
De betekenis daarvan voor onze regie op de ruimteclaims van landbouw, energie, natuur, landschap, mobiliteit, woningbouw etcetera zullen in de komende periode op weg naar de te actualiseren POVI regelmatig aan de orde komen. Met de keuze om de doorontwikkeling van te extensiveren melkveehouderijen actief via grondverwerving en gronduitgifte te ondersteunen verdiept uw college de eerder in 2021 door u vastgestelde hoofdkoers voor de Peelvenen en de bufferzones daar direct om heen. De keuze die nu voorligt is gebaseerd op een rapportage die door de boeren zelf is opgesteld. Tegelijkertijd vertaalt u abstractere hoofdlijnen uit een ontwerpend onderzoek en algemeen geformuleerde doelstellingen uit een concept LPLG herleidbaar naar een tastbare aanpak in een begrensd gebied. Uw college geeft daarmee ook richting aan de scenario-ontwikkeling van de Gedeelde Peel en u geeft een eerste duidelijkheid aan de boeren in de bufferzones rond de Peelvenen. We moeten ons realiseren dat bij de keuze voor een hoofdkoers en de rol die we daar als provinciale overheid bij willen vervullen nog meerdere vragen open staan. De vraag of en zo ja hoeveel geld we van het rijk krijgen om deze rol te kunnen invullen, de vraag of en zo ja, welke juridische aandachtspunten bij deze keuze spelen en de vraag welke aanpassingen van o.a. het pachtbeleid nodig zullen zijn.
Deze vragen maken onderdeel uit van ons huiswerk. De vervolgvragen die ABM voor zichzelf heeft geformuleerd én de vragen die wij graag door de boeren beantwoord zien maken onderdeel uit van de vervolgopdracht die we via ABM aan Van den Ingh meegeven. ABM en haar leden wachten op uw besluit naar aanleiding van de eerste rapportage van Van den Ingh. Deze nota bevat om die reden tevens het voorstel om uw keuze te delen. Primair met de boeren in de Gedeelde Peel, Provinciale Staten en de gemeente Horst aan de Maas. Vervolgens ook met de PLC en de gemeenten Venray, Peel en Maas en Nederweert. 1.
Beoogd resultaat (output/outcome) • Kennis nemen van de vooralsnog vertrouwelijke rapportage van Van den Ingh.
2 Zo wordt het tussengebied van Noord- en Midden-Limburg tussen het Peelgebied aan de westkant en de Maasvallei aan de
oostzijde gekenschetst als een hoog-dynamisch gebied met ruimte voor allerlei [innovatieve] landbouwkundige ontwikkelingen
DOC-00654707
2
•
• •
• • •
Op basis van de rapportage de keuze maken dat wij als overheid ons rond de Peelvenen actief op de grondmarkt gaan bewegen om de extensiveringsslag van melkveebedrijven te ondersteunen. Te ontvangen rijksgeld inzetten voor die aankoop en de noodzakelijke gedeeltelijke afwaardering van extensiever gebruikte landbouwgrond. Het voortgaande gesprek van de boeren in de Gedeelde Peel ondersteunen om vraagstukken rond onder meer mestverwerking, de mogelijkheden van een coöperatie ten behoeve van grondruil en de verdere verkenning naar mogelijkheden voor waterefficiëntere teeltmethoden verder uit te diepen. De overige leerpunten die uit de rapportage benutten als bouwsteen voor de uitwerking van het beleidskader Perspectief voor het landelijk gebied. Vervolgvragen via het Programmateam LPLG beleggen in de organisatie. Bij de communicatie de terugmelding van dit besluit door ABM leidend te laten zijn en Provinciale Staten en de gemeente Horst aan de Maas de dag er na te informeren.
2.
Toelichting A. Context Onder regie van de gemeente Horst aan de Maas kijken gemeente, Staatsbosbeheer (SBB), de Agrarische Belangengroep Mariapeel (ABM), Waterschap Limburg en provincie vanaf eind 2021 naar de mogelijkheden voor een passende gebiedsontwikkeling voor het gebied “Gedeelde Peel”. Recent is ook de gemeente Venray aangehaakt voor haar grondgebied vanaf de gemeentegrens met Horst aan de Maas tot ongeveer de Duitse begraafplaats in Ysselsteyn. De Gedeelde Peel wordt nu globaal begrensd door de A67, de N277 (Middenpeelweg), de provinciegrens met Brabant en de Paardenkopweg onder Ysselsteyn. Het gebied is op het kaartje rose ingekleurd.
DOC-00654707
3
De Gedeelde Peel is de noord-oostelijke kwadrant van de Gebiedsgerichte Aanpak Vitale Peel, waar we samen met Brabant aan de gebiedsopgaven (water, landbouw, natuur, energie, leefbaarheid) werken voor de Peelvenen (Groote Peel, Deurnesche Peel, Mariapeel) en het gebied daar direct om heen. Directe aanleiding voor de Gedeelde Peel is de opdracht van de gemeenteraad van Horst aan de Maas om (in lijn met de RES NML) de mogelijkheden van grootschalige energie-opwek langs de Mariapeel te onderzoeken in combinatie met de ontwikkelingen van vrije tijdseconomie (Toverland), Grandorse en de vraagstukken van natuur en landbouw. In de loop van 2022 zijn NPLG en LPLG (omwille van de “belofte” van financieringsmogelijkheden) steeds meer de context geworden waarbinnen het geheel aan ontwikkelingen in de Gedeelde Peel wordt bezien. Zo hebben voorziene [vernatting] en gewenste [goede landbouwgrond houden voor landbouw] ontwikkelingen rond natuurherstel, waterbeheer en landbouw richting gegeven aan de locatie waar nu de mogelijkheden voor energie-opwek worden verkend. (Dorperpeel: voorziene vernatting -> op zich geschikte locatie voor invulling RES-doelstelling -> energie als alternatief voor landbouw?, mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik?).
De Gedeelde Peel is door onze partners in het traject richting ons eerste concept LPLG aangedragen als koploperproject, met als doel om aan te geven dat hier doelbereik mogelijk is met een gebiedsgerichte aanpak én in de hoop financiering te verkrijgen voor zowel het organiseren van het gebiedsproces als het uitvoeren van concrete maatregelen.
DOC-00654707
4
Voor de ontwikkeling van het gebied zal -naast de aanpak van de stikstofreductie- het waterbeheer cruciaal gaan zijn. Brabant, Limburg en de twee waterschappen (Aa en Maas en Limburg) werken samen om het watersysteem in en rond de Peelvenen beter en grensontkennend in kaart te brengen. Dat doen we in de Hydrologische Systeem Analyse (HSA) Peelvenen. Gemeenten, ZLTO, ABM, SBB, Werkgroep Behoud de Peel en LLTB zijn lid van de praktijkwerkgroep van de HSA Peelvenen. Dat is van belang omdat voor alle betrokkenen straks die HSA herleidbaar moet zijn. Én omdat veldwaarnemingen van grondgebruikers en kenners van het gebied ook goed in de HSA moeten worden verwerkt. B. Aanleiding voor het onderzoek naar het door de boeren gewenste landbouwscenario Het Ontwerpend Onderzoek voor Noord-Limburg West (“Ontginningsgebieden”) is in januari 2023 al door het PortefeuillehoudersOverleg Landelijk Gebied & Ruimte Noord-Limburg aangeboden aan de gemeenten (Venray, Horst aan de Maas, Peel&Maas) en aan Provinciale Staten en uw college. Het Ontwerpend Onderzoek dient conform vraag van de gemeenten aan de provincie en conform de opdracht van de Staten aan uw college om nadere richting en sturing te geven aan de keuzes die zullen moeten worden gemaakt gelet op alle ruimteclaims bij het geheel aan maatschappelijke opgaven (“regie op ruimteclaims”).
Daarmee is het een bouwsteen voor de actualisatie van de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) en de Gemeentelijke Omgevingsvisies (GOVI’s). Voor de hele strook langs de grens met Brabant komt het geïntegreerd scenario van het Ontwerpend Onderzoek Ontginningsgebieden uit bij een [kort gezegd] watergestuurde ontwikkeling. Die koers zit ook in het Ontwerpend Onderzoek Midden-Limburg3. Dat ligt overigens (niet verrassend) in lijn met de analyse die uw college in oktober 2021 met de Staten heeft gedeeld (zie bijlage) over de hoofdkoers die alles overziend- voor de Peelvenen en het gebied er direct om heen moet worden gevaren. Ook het Ontwikkelperspectief NOVEX de Peel (ook een Ontwerpend Onderzoek, maar met een ander schaalniveau, wel met zelfde functie van inspiratiedocument/bouwsteen voor POVI’s en GOVI’s 4) komt voor dit deel van de hele Peelregio tot eenzelfde ontwikkelscenario. De gemeente Horst aan de Maas heeft ambtelijk voor de gebiedsontwikkeling Gedeelde Peel een tweetal “vingeroefeningen” gedaan. Daarbij heeft ze geprobeerd om de hoofdkoers uit het Ontwerpend Onderzoek Ontginningsgebieden te concretiseren in een tweetal scenario’s als bouwsteen voor haar GOVI5: één waarbij vrije tijdseconomie leidend is en één waarbij natuurontwikkeling leidend is.
Aan ABM is medio 2023 door gemeente en provincie gevraagd om daar vanuit de boeren in het gebied een derde scenario (“gewenst scenario van de landbouwkundige ontwikkeling”) als bouwsteen naast te zetten. C. Aard van de opdracht Doel van de opdracht was om de boeren onderling over hun eigen toekomst in de Gedeelde Peel te laten praten. We (gemeente en provincie) hebben ABM de ruimte gegeven om voor het begeleiden van dat proces iemand te kiezen waar zij het vertrouwen in hebben. We hebben hen gevraagd zelf de centrale vraag te formuleren waar zij met elkaar over zouden willen spreken. Dat werd: “Wat heb jij nodig voor de toekomst van jouw bedrijf binnen de geldende kaders?”. Dat vonden wij een prima vraagstelling, omdat het uit gaat van het individuele bedrijf en tegelijkertijd omdat in “de geldende kaders” ook het provinciale besluit van oktober 2021 zit.
3 Dat OO zal binnenkort door het BO Ruimte Midden-Limburg
aan de 7 Midden-Limburgse gemeenten en aan PS en GS worden aangeboden 4 Tweede functie kan zijn de functie van “onderlegger” voor een regionale Investeringsagenda (RIA), maar het antwoord op de vraag of die er gaat komen staat lopende de uitwerking van het hoofdlijnenakkoord van het kabinet nog open 5 De aard van de scenario’s is bovendien zo dat zij een uitstekende (o.i voorbeeldstellende] tussenstap kunnen zijn tussen GOVI en omgevingsplan
DOC-00654707
5
Als procesbegeleider heeft ABM Jeroen van den Ingh gekozen. Wij (provincie) hebben de vrij open geformuleerde opdracht uitgezet en de offerte binnen de randvoorwaarden van Inkoop beoordeeld. De offerte sloot op een raming van maximaal 20.000€. Van den Ingh heeft voor deze eerste fase iets minder tijd nodig gehad. D. Aanpak Conform de gedachte van ABM en conform offerte heeft Van den Ingh groepsgesprekken georganiseerd en individuele gesprekken met boeren gevoerd. Dat dit kan en tot de opbrengst van dit rapport heeft geleid zegt veel over de mate van georganiseerdheid van de boeren rond de Mariapeel, het [onderlinge] vertrouwen dat hier vanuit langjarige samenwerking is ontstaan én de wil/gevoelde noodzaak om -samennaar de toekomst te kijken. Van belang is ook dat de gemeente Horst aan de Maas via haar bedrijfscontactfunctionaris heel veel gesprekken met de boeren in het gebied heeft gevoerd. De gemeente heeft de lijn met ABM zeer kort gehouden en heeft daarmee (overall gezien succesvol) verder gebouwd aan wederzijds vertrouwen. De keuze om de boeren zelf hun procesbegeleider te laten kiezen is ons inziens een juiste. Vertrouwen komt immers te voet en gaat te paard. Van den Inghs opbouw van zijn rapportage aan de hand van de inhoudelijke thema’s van het LPLG is niet opgedragen, wel een goede, herleidbare keuze. E.
Duiding van de opbrengst van deze opdracht We hebben de rapportage op 23 april 2024 en 28 mei 2024 ambtelijk besproken met de gemeente Horst aan de Maas en de vertegenwoordigers van ABM. Daarbij is niet alleen gesproken over de leerpunten die wij uit de rapportage halen (zie verder in deze paragraaf), maar zijn door ABM en gemeente ook al aandachtspunten benoemd en suggesties gedaan voor de vervolgopdracht om het landbouwscenario verder vorm te geven. De vraag aan de provincie om duidelijkheid te geven over de [landbouwkundige] hoofdkoers voor het gebied zat in onze duiding al opgesloten. Wij hebben de rapportage van Van den Ingh verbonden met de koers uit de beide mededelingen portefeuillehouder (27-10-2021 en 4-4-2023) en gesteld dat alles overziend de overheidsinzet in het gebied direct rond de Peelvenen gericht moet zijn op te extensiveren melkveehouderijen.
Andere suggesties van ABM/gemeente voor het vervolg zijn: - Los als eerste het probleem van mestverwerking op; ga met hen die daartoe binnen het gebied willen samenwerken verder in gesprek; - Na uitbreiding in hectares van de melkveehouderijen die door willen boeren, resteert in het gebied zo’n 1400 ha; werk de gedachte van een coöperatie “Vitale Peel” verder uit, zodat straks (als de HSA is afgerond) de mogelijkheden voor akker- en tuinbouw middels uitruil van gronden (gras dichter naar de Peel en akker- en tuinbouw verder van de Peel af), [samenwerking rond] meer mechanische onkruidbestrijding en passend waterbeheer kunnen worden geconcretiseerd6; - Blijf ook aandacht hebben voor de toekomst van de niet-grondgebonden sectoren in het gebied; - Ook melkveehouderijen rond de Peelvenen zijn aangewezen als piekbelaster, terwijl het juist het soort bedrijven is dat we met het oog op het waterbeheer graag rond de Peelvenen willen behouden; betrek dat in jullie (provincie) overleg met het rijk in het kader van het LPLG.
6 In het kader van de Vitale Peel wordt nagedacht over een gebiedsexploitatiemaatschappij (met dus meer sturingsmogelijkheden
voor de overheid); we zullen die ontwikkelingen volgen, maar een coöperatie die zelf stuurt binnen de randvoorwaarden die de overheid stelt lijkt ons voor de langere termijn beter
DOC-00654707
6
We hebben in onze duiding van de rapportage de hoofdlijnen uit de waarnemingen en aanbevelingen van Van den Ingh gehaald. Per aandachtspunt zetten we het leer-/aandachtspunt voor de uitwerking van het beleidskader Perspectief voor het landelijk gebied er onder in een kader. De essentie laat zich samenvatten als - de keuze dat wij als overheid ons actief op de grondmarkt gaan bewegen om de extensiveringsslag van melkveebedrijven te ondersteunen, - we daar -bij de nog heersende onzekerheid over rijksfinancieringen- wel al besluiten om een deel van dat geld in te zetten voor de aankoop van gronden en de bijbehorende gedeeltelijke afwaardering als gevolg van extensiever landbouwkundig gebruik en - we daarnaast oog moeten blijven hebben voor de doorontwikkeling van de overige sectoren; dat betekent dat we het voortgaande gesprek van de boeren in de Gedeelde Peel faciliteren om vraagstukken rond alle vervolgvragen, waaronder mestverwerking en de verdere verkenning naar mogelijkheden voor waterefficiëntere teeltmethoden, verder te verdiepen. a. Eigen scenario-uitwerking door de gebruikers van het gebied De rapportage bevat vanuit de boeren geredeneerd op de verschillende [LPLG]onderdelen en op verschillende schaalniveaus relevante noties.
Het geeft inzicht in mogelijkheden, ambities, vragen en aandachtspunten vanuit hen die straks -binnen de wettelijke randvoorwaarden en waar nodig ondersteund door hun overheid- feitelijk de transitie van het landelijk gebied moeten gaan realiseren. Daarmee voegt het als “derde” scenario-in-opbouw [naast het huiswerk dat de gemeente heeft gedaan] ons inziens een wezenlijke bouwsteen toe aan het gebiedsproces. Daar hoort tegelijkertijd het besef bij dat we de mate van georganiseerdheid van de boeren en de naar voren gerichte mentaliteit zo niet altijd en overal zullen gaan tegenkomen. De relatie met de gemeente (als overheidslaag die het dichtst bij haar inwoners staat, zicht heeft op de lokale verhoudingen en belangen en daarin vooral ook de juiste toon pakt én vanuit het gevoelde belang van regie op de ontwikkeling van haar eigen grondgebied de continuïteit in dit gebiedsproces borgt) is in dit proces ook een cruciale. Onze samenwerking met de gemeente en de verantwoordelijkheidsverdeling in dit proces (algehele regie bij de gemeente, contacten met bewoners via de gemeente, regie op inzet van financieringsmogelijkheden en overzicht over inhoudelijke vraagstukken die via -tot nu- LPLG, vanaf nu uitwerking Beleidskader landelijk gebied [moeten] lopen in voortouw bij ons) is goed en helder.
Leerpunt 1: Regie door de gemeente over een gebiedsproces op haar grondgebied heeft de voordelen van - Nabijheid van de overheid voor hen die het aangaat - Relatiebeheer vanuit de overheid met hen die het aangaat - Goede verbinding met lokale verhoudingen en belangen - Continuïteit van het proces Provinciale verantwoordelijkheid ligt bij [de inbreng van] overzicht over [de samenhang tussen] de 14 inhoudelijke doelen en regie op de inzet van financieringsmogelijkheden. Leerpunt 2: Het ontsluiten én samenbrengen van inzichten, ambities en aandachtspunten van [in dit geval 70] individuele ondernemers met hun individuele belangen zal bij het realiseren van het Beleidskader voor het landelijk gebied (Limburg-breed) wel de manier zijn om in een gebiedsgerichte aanpak verder te komen. Dat proces zullen we per gebied waar we kiezen voor een gebiedsgerichte aanpak doordacht moeten organiseren. De leerpunten 3 en 4 (zie hieronder) zijn hierbij wel wezenlijke randvoorwaarden.
DOC-00654707
7
b. Duidelijkheid vanuit de overheid over een hoofdkoers voor het gebied Van den Ingh constateert dat de melkveebedrijven (16 blijvers 7) aangeven zo’n 330 ha extra nodig te hebben om de vereiste extensiveringsslag te kunnen realiseren. Daarnaast geeft hij aan dat de volle grondtuinders deels afwachtend zijn in verband met regelgeving, maar dat twee volle grondtuinders ook hun areaal gebruik/eigendom in de bufferzône nog met 250 ha zouden willen uitbreiden. Onder 5 Aanbevelingen stelt hij ook “Met name de verwerving van grasland voor de rundveehouders zal alleen met financiële steun kunnen”. Die aanbeveling heeft betrekking op de situatie op de grondmarkt, waar volle grondtuinders met gemak 12€/m2 [of meer, koop of pacht] bieden, waar het rendement voor een melkveebedrijf op ongeveer 7€/m2 blijft steken. Wij ervaren dat zelf als provincie bij grondaankoop ook. Bovendien moeten we bij aankoop en vervolgens gronduitgifte door middel van verpachten rekening houden met zo’n 2€/m2 waardedaling, omdat -raar genoeg- de winst in de vorm van minder waterverbruik en betere bodemstructuur als resultaat van minder bemesting -zoals we nu inschatten- zal leiden tot een daling in marktwaarde. Melkveehouders lopen daar bij hun financieringsvraag bij de bank ook tegenaan.
De ruimteclaims voor de verschillende landbouwsectoren zullen in dit gebied dus niet tegelijkertijd gerealiseerd kunnen worden. Dat betekent dat we helder richting moeten geven aan ons overheidshandelen en dat ‘perspectief voor de landbouw’ feitelijk en afhankelijk van het gebied (en de randvoorwaarden die het gebied ‘alles overziend’8 stelt) ‘perspectief voor één [of meer] sector[en] binnen de landbouw’ is. De vraag op welke sector binnen de landbouw wij als overheid onze inspanningen dan nu moeten richten, kan in het geval van de Gedeelde Peel (en daarmee feitelijk voor de gehele bufferzone rond de Peelvenen) herleidbaar worden beantwoord. De combinatie waterafhankelijke natuur-landbouw werkt beter bij minder waterintensief grondgebruik (melkveehouderij = “gras en grazers”), waarbij watergebruik nog steeds cruciaal zal zijn, zowel voor het gras als voor de voedergewassen, maar minder intensief is dan bij akkerbouw en volle grondtuinbouw/graszodenteelt. Uit de rapportage van Van den Ingh blijkt dat de landbouw ook zelf haar eigen concurrent op de grondmarkt is en dat de melkveehouderijen hun duurzame doorontwikkeling in de huidige markt niet zullen kunnen gaan maken. De vraag van uw college aan de ambtelijke organisatie om een propositie “Groen als gras” op te stellen komt voort vanuit hetzelfde inzicht.
Conclusie is daarmee dat we “perspectief voor de landbouw” rond grondwaterafhankelijke natuur/N2000gebieden moeten invullen als “primair perspectief voor de melkveehouderij”. Daarmee sluiten we overige waterintensievere grondgebruiksvormen (nog) niet uit, maar geven we wel duidelijk aan dat het waterbeheer ten behoeve van natuurherstel en natuurontwikkeling in deze gebieden leidend gaat zijn. Die conclusie is een nadere invulling van het besluit van uw college van oktober 2021 (mededeling portefeuillehouder aan Provinciale Staten van 27 oktober 2021) inzake “Uitwerking Provinciale Omgevingsvisie: koers voor Peelvenen en ontginningsgebieden daar direct om heen” 9. Nadrukkelijk blijft in beeld dat er ook in het gebied van de Gedeelde Peel ruim 1400 ha zijn die niet in gebruik zullen gaan van melkveehouderijen. Onderdeel van de vervolgopdracht aan Van den Ingh zal dus ook zijn om met de boeren in het gebied binnen de watergestuurde ontwikkeling van de Gedeelde Peel de mogelijkheden voor akkerbouw en volle grondtuinbouw verder te onderzoeken. De gedachte van een coöperatie waarin boeren zelf met elkaar de mogelijkheden van grondruil (dichter bij de Peel respectievelijk verder van de Peel af) onderzoeken is natuurlijk een toonbeeld van “eigen regie”. 7
Inmiddels weer 2 minder (informatie vanuit ABM dd 23-4-2024) ‘Alles’= alle belangen die de overheid geacht wordt te dienen 9 “Uit deze integratie van provinciaal beleid komt naar voren dat het perspectief voor de Peelvenen is gericht op natuurherstel. Voor de ontginningsgebieden direct rond de Peelvenen is de koers gericht op het vasthouden van water (ten behoeve van zowel natuur als landbouw). Daarmee staat de ontwikkeling van en binnen deze zone primair “ten dienste van” de doelstellingen voor N2000gebied Peelvenen. De sleutel voor die ontwikkeling ligt bij landbouw en energie”. 8
DOC-00654707
8
Wij hebben namens uw college tijdens de informatiebijeenkomst Gedeelde Peel op 13 september 2023 in het kader van de gebiedsontwikkeling en in het verlengde van het collegebesluit van oktober 2021 al duidelijk aangegeven aan de aanwezige (70-tal) boeren: “Ga er van uit dat jullie naar de toekomst toe steeds minder grondwater zullen mogen gaan gebruiken. Hoe we dat gaan regelen, via algemene maatregelen of wijzigen of intrekken van ooit een keer verleende onttrekkingen, dat weten we nog niet, maar dit gaat wel de toekomst zijn. En als dat over 5 jaar aan de orde is, is dat voor jullie feitelijk ‘overmorgen’”. Die boodschap zorgde op deze avond zeker nog voor enige reuring in de zaal, maar duidelijk was dat die koers (ook door de gesprekken binnen ABM, wiens voorzitter op de 13e september ook mede het woord voerde) voor een deel van de aanwezigen al geen verrassing meer was. Uit de rapportage van Van den Ingh blijkt dat die boodschap bij een aantal volle grondtuinders tot terughoudendheid heeft geleid en bij een aantal niet.
Hoewel de exacte uitwerking van waterbeheermaatregelen pas volgt nadat de Hydrologische Systeem Analyse Peelvenen zal zijn afgerond (zomer 2025), ligt een koers gericht op het behoud van te extensiveren melkveebedrijven (al dan niet natuurinclusief) hier dus duidelijk meer voor de hand dan intensivering van water- en kostenintensievere akkerbouw en volle grondtuinbouw. Die conclusie heeft Van den Ingh -ons inziens zeer begrijpelijk- nog niet getrokken. Wij denken dat een dergelijke conclusie ook “alle belangen overziend, die de maatschappij bij haar overheid heeft neergelegd” een verantwoordelijkheid is van ons als overheid. Ons voorstel aan ABM zal zijn om -na akkoord van uw college- in het vervolgproces deze keuze met alle betrokkenen te delen. Onze vooronderstelling is dat die keuze als niet verrassend zal worden ontvangen, terwijl tegelijkertijd ook velen er begrijpelijkerwijs niet blij mee zullen zijn. Duidelijkheid is nochtans hetgeen de boeren van ons vragen en die kunnen en moeten we omwille van hun toekomst hier ook geven. Leerpunt 3: De ontwerpende onderzoeken die we samen met de regio’s hebben gemaakt, maken onder meer duidelijk dat hoofdkoersen voor de verschillende deelgebieden van het landelijk gebied van onze provincie verschillen, van strak watergestuurd met een langzamere dynamiek tot hoog-dynamisch en snel.
De ervaring in de Peel leert dat duidelijkheid over die hoofdkoers richting geeft aan het ontwikkelingsdenken van de agrariërs. Dat gaat niet ineens, maar helpt bij een consistente lijn vanuit ons huis wel alle betrokkenen. Aanbeveling 9 (geef duidelijkheid) 10 van Van den Ingh gaat daar over. Ze sluit overigens 1 op 1 aan op de koers van uw college in de mededeling van 4 april 2023. In de uitwerking van het beleidskader Perspectief voor het landelijk gebied kan de eerste doorvertaling van die inzichten omtrent hoofdkoersen voor deelgebieden landen. Leerpunt 4: “Perspectief voor de landbouw” = “perspectief voor een sector of voor bepaalde sectoren binnen de context en randvoorwaarden van de hoofdkoers voor een deelgebied binnen onze provincie”. Alle sectoren drukken vanuit noodzaak en/of ambitie/verdienmogelijkheden op de grondmarkt. Ook hier geldt: niet alles kan overal. Ook dat is een invulling van aanbeveling 9. Leerpunt 5: De grondgebonden melkveehouderij als sector met een acute grondvraag en tegelijkertijd een lagere gronddynamiek biedt meer mogelijkheden om rond natuurgebieden tot duurzame combinaties natuurlandbouw te komen dan akkerbouw of volle grondtuinbouw. In gebieden waar een hogere dynamiek 10
Aanbeveling 9. Een belangrijk veelgehoord advies is om vanuit de overheid de agrarische ondernemers duidelijkheid en perspectief te bieden. Zodanige duidelijkheid dat er investeringen gedaan kunnen worden om hun bedrijfsvoering de komende decennia gezond(er) te houden/ te krijgen. Er zijn veel zorgen over mogelijke achteruitgang in inkomen en vermogen .
DOC-00654707
9
mogelijk is (zoals bijvoorbeeld de ‘midden-zône’ tussen Peel en Maasvallei vanaf Venray over Horst en Panningen/Helden naar Leudal) zullen melkveebedrijven met extensiveringsnoodzaak in de huidige grondmarkt het [meestal] gaan afleggen tegen akker- en tuinbouw. In Zuid-Limburg zal er een vergelijkbaar verschil zijn tussen de hellingen en dalen enerzijds en de plateaus anderzijds. De propositie “Groen als gras” zal hier op gaan aansluiten. Leerpunt 6: Daar waar een hoofdkoers tot de conclusie leidt dat de melkveehouderij de meer/meest passende landbouwsector is, zullen we als overheid hun extensiveringsslag voor het onderdeel hectares grond moeten ondersteunen. Zonder gaat niet. Leerpunt 7: De [ruimtelijk] structurerende keuze zoals die voor de Peelvenen in oktober 2021 door uw college is gemaakt levert voor de boeren, SBB, Waterschap én ons eigen handelen ten dienste van al deze belangen de gewenste duidelijkheid. Diezelfde koers ligt als structurerende keuze bij de uitwerking van het beleidskader Perspectief voor het landelijk gebied voor de hand voor de overige grondwaterafhankelijke N2000gebieden. (Het HSA-proces leert ons dat een herleidbaar zicht op het watersysteem daarbij wel een noodzakelijke voorwaarde is. Voor de overige grondwaterafhankelijke N2000-gebieden hebben we dat inzicht, dan wel lopen [voorbereidingen voor] daarvoor noodzakelijke onderzoeken).
c. Proces is begonnen; vervolg is nodig Wij denken dat er een vervolg nodig is om het derde scenario te completeren als bouwsteen voor de totale gebiedsontwikkeling. Het is goed ons daarbij te realiseren dat de door uw college geformuleerde hoofdkoers voor dit gebied redeneert “vanuit de natuurgebieden naar buiten”. Daar ligt de onderbouwing van de noodzaak/verantwoordelijkheid om bewoners en grondgebruikers van het gebied rond de Peelvenen te ondersteunen om zicht te krijgen op de betekenis van die hoofdkoers voor hun individuele bedrijven en hun ontwikkelmogelijkheden. De rapportage van Van den Ingh levert voor ons allerlei vervolgvragen op. Tegelijkertijd is het proces van de boeren zelf ook nog niet klaar. Zorgvuldigheid is bovendien geboden om bij de keuzes die we als overheid maken voor de ondersteuning van één sector binnen de landbouw -hoe logisch en herleidbaar ook- geen tweespalt te creëren. We hebben gemeente en ABM gevraagd ons aan te geven wat hun voorstel is voor de communicatie van het besluit van uw college richting de boeren en de gemeente. Zie verder onder Bestuurlijke Aspecten. Omwille van het gecreëerde vertrouwen is ons voorstel om Van den Ingh uit onze LPLG-procesmiddelen een vervolgopdracht te geven.
Die vervolgopdracht moet ons inziens ingaan op de aandachtspunten en suggesties van ABM en gemeente bij de rapportage én op meerdere punten die wij van belang vinden: Wat zijn verschillen in hoeveelheden beregening voor gras/voedergewassen ten opzichte van volle grondstuinbouw?; dat moeten we kunnen meenemen bij de uitwerking van [maatregelen op grond van] de HSA; Waar liggen de 330 ha (uitgaande van “zo veel mogelijk aangesloten op bestaand areaal”) die de melkveebedrijven nodig hebben? Leg die eens naast de twee scenario-schetsen van de gemeente Horst aan de Maas om een meer ruimtelijke duiding te verkrijgen van het 3 e scenario van de boeren zelf; Als we als overheid gronden via pacht of verkoop ter beschikking willen stellen aan melkveebedrijven, hanteren we bij de uitgifte dan het principe “uitgifte aan het bedrijf met de dichtstbij zijnde huiskavel?” Als de provincie actief gesprek wil voeren over aankoop van grond, dan doen we dat alleen op vraag van grondeigenaren; is die bereidheid er?,
DOC-00654707
10
-
-
Is onze inschatting juist dat verkoop of verpachten van nu ten behoeve van volle grondstuinbouw ingezette grond naar gronden voor te extensiveren melkveebedrijven geen optie zal zijn zo lang er geen watermaatregelen komen die beregening gaan inperken? Hoe staan afbouwers/contracttelers daar in? Geef aan hoe jullie met gemeente en provincie verder willen praten over de suggesties in de aanbevelingen over natuurontwikkeling op overhoeken, ruimtelijke ontwikkeling en vergunningverlening/handhaving.
d. Ons huiswerk voor het vervolg Voor ons volgen uit de rapportage van Van den Ingh de volgende huiswerkopdrachten: - De Gedeelde Peel als voorbeeld benutten in ons overleg met het Rijk over onze keuze om in gebiedsontwikkelingen te koersen op een optimaal resultaat in samenhang van realisatie van alle water-, stikstof-, klimaat-, energie- en leefbaarheidsdoelen, met “de boer in de eigen regie”, met als logisch gevolg dat nooit alle rijksdoelen tegelijk optimaal gerealiseerd zullen kunnen worden. - Het is van belang is om de feitelijke stikstofbelasting vanuit de Gedeelde Peel in kaart te brengen (met 2018 als referentie); we moeten ook zicht krijgen op de omvang van de blijvende belasting bij geëxtensiveerde melkveebedrijven op basis van huidige gve-omvang, inclusief bemesting bij geëxtensiveerde bedrijfsomvang. - Daar hoort ook bij het antwoord op de vraag naar opkoop van stikstofrechten: gaan we dat per [deel]gebied doen of gaan we als overheid alleen ons richten op functionerende IV-bedrijven? Dat zal ook in de uitwerking van het regeerakkoord nog moeten blijken. - Ook wij kunnen niet vooruitlopen op de uitkomsten van en maatregelen op basis van HSA/praktijkmaatregelen, maar we moeten goed nadenken over meer locatiespecifieke invullingen van watermaatregelen en waterregelgeving zowel op basis van de provinciale verordening als het gemeentelijke omgevingsplan.
Grondwaterpeilbeheer zal immers ook na het treffen van maatregelen [en vastleggen in peilbesluiten binnen de waterschapsverordening] steeds opnieuw aanpassingen gaan vragen. - Hoe verhoudt de keuze om melkveebedrijven gebiedsgericht te ondersteunen bij uitgifte van grond zich tot het gelijkheidsbeginsel op grond van Didam-arrest. - Hoe kijken de banken aan tegen financiering van de aankoop van gronden in een gebied waar het ruimtelijk beeld (vernatting?) dan wel de regelgeving [mogelijk] gaan veranderen? - Kunnen of doen we al iets met betekenis voor dit gebied omtrent landelijke regelgeving gewasbeschermingsmiddelen? In dit gebied zit energie en heerst een gevoel van “we moeten en we willen vooruit”. Dat maakt dat een gebiedsgerichte aanpak in de Gedeelde Peel de juiste weg richting doelbereik is. Dat alles overziend constateren we tegelijkertijd dat deze gebiedsgerichte aanpak voor wat betreft onze eigen inzet in de komende periode vermoedelijk arbeidsintensiever zal gaan worden: hoe beter het loopt, des te meer zal er gedaan moeten worden. En ook onze capaciteit is begrensd. Leerpunt 8: Maak keuzes voor gebieden in onze provincie waar we in het kader van de uitwerking van het beleidskader Perspectief voor het landelijk gebied aan de slag gaan en ben daarmee ook duidelijk voor welke gebieden wij onze inzet naar achteren schuiven.