RIB.23.051 Motie CRK
Tekst van het document
Normaal niveau van welstand Het normale niveau van welstand geldt voor het gehele gebied van de gemeente met uitzondering van de beschermde gebieden en de welstandsvrije gebieden. Bij het normaal niveau van welstand wordt getoetst op aspecten die te maken hebben met de situering van het bouwwerk (rooilijn, zijdelingse afstand, oriëntatie), de hoofdvormen van het bouwwerk (bouwmassa, bouwhoogte, kapvorm en kaprichting), de schaal en geleding van het gebouw, het materiaalgebruik en de gebruikte kleurstelling. Ook de gevelaanzichten m.n. de voorgevel en de aansluitende zijgevels worden beoordeeld. De toets is vooral gericht op het gebouw als geheel. Het welstandstoezicht is in deze gebieden beperkt tot het handhaven van de basiskwaliteiten. Er zal bij de toets niet gedetailleerd op architectonische kwaliteiten worden beoordeeld. Voor deze gebieden zijn in hoofdstuk 3 sneltoetscriteria ontwikkeld voor de meeste voorkomende bouwwerken zodat de welstandstoets met een sneltoets kan worden afgedaan (zonder tussenkomst van bouwmeester of commissie).
Nieuwbouw in een lint met norm aal welstandniveau
Streng niveau van welstand Onder het strenge welstandsniveau vallen beschermde monumenten en hun directe omgeving, karakteristieke- en historische dorpsgezichten en dorpskernen. In deze gebieden worden bouwwerken ook op detailaspecten beoordeeld. Naast de eerder genoemde criteria wordt dan ook gelet op het materiaalgebruik, de specifieke materiaalkleuren en de verdere detaillering van de architectuur zoals de gevelafwerking met de kenmerkende versieringen en ornamenten, de kenmerkende kozijnindelingen, muurbeëindigingen en gootdetailleringen. Hierbij zijn de onderlinge afstemming, samenhang in materiaalgebruik, kleurstelling en detaillering belangrijke criteria. Dit regime is niet alleen gericht op het voorkomen
van aantasting van de ruimtelijke karakteristieken, maar ook gericht op verbetering van de bestaande kwaliteit c.q. bereiken van de gewenste kwaliteit. Dit niveau van welstandstoezicht beperkt zich tot gebieden waar de combinatie van ruimtelijke kwaliteit, samenhang en de dynamiek van de bouwopgaven om deze extra aandacht vraagt. In deze gebieden zullen naast het welstandsbeleid aanvullende ruimtelijke beleidsinstrumenten moeten bijdragen aan de te bereiken kwaliteiten. Een van deze instrumenten is bijvoorbeeld een beeldkwaliteitsplan. In de lijn van deze nota worden monumenten dus gezien als een gebied (het perceel) waar een beschermd object op staat die een relatie heeft met de rest van het perceel en de nabije omgeving. De toetsingskaders voor het monument zijn te vinden in de beschrijving van de monumentenlijst zoals deze door het bevoegde gezag is vastgesteld.
Karakteristiek en waardevol verbouwd pand in een gebied met een streng welstandniveau
Beeldkwaliteitsplannen (BKP) De gemeenteraad kan voor een gebied een beeldkwaliteitsplan vaststellen. In bepaalde gebieden kan er een behoefte ontstaan om duidelijke regels op te stellen die specifiek zijn voor dit gebied en waar iedereen zich aan moet houden. Het kan hier gaan om een gebied zoals de historische dorpskernen, een (nieuwe te bouwen) woonwijk, de buitenranden van een industrieterrein, waardevolle landschaps- en dorpsgezichten, enz. In dit geval is het door de raad vastgesteld BKP de toetsingskader.
1.2 Processchema Bij de beoordeling van een omgevingsvergunning of van een principeverzoek aan de eisen van welstandsnota wordt in eerste instantie gekeken of in het plangebied een beeldkwaliteitsplan (BKP) is vastgesteld. In dit geval wordt het plan getoetst aan het desbetreffende BKP. Zo niet dan wordt gekeken waar het plangebied ligt. Er kunnen zich 2 situaties voordoen: het normale niveau van welstand of het strenge niveau van welstand. Bij normaal welstandsgebied wordt gekeken of het plan voldoet aan de sneltoetscriteria. Is dat het geval dan kan het plan via de sneltoets worden beoordeeld en afgedaan, zonder tussenkomst van een commissie. Is * dat niet het geval dan wordt het plan aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit(CRK) voorgelegd. Deze commissie geeft een advies over het plan uitsluitend op basis van gebiedscriteria. In het geval dat het plan in een streng welstandsgebied valt, wordt deze altijd beoordeeld door de CRK. De beoordeling door deze commissie vindt plaats op basis van het geldende BKP, de monumentenbeschrijving en/of de gebiedscriteria van de welstandsnota.
*
De commissie wordt aangesteld door het bevoegde gezag met het doel om o.a. te adviseren betreffende de ruimtelijke kwaliteit. De
regeling en de werkwijze van de commissie wordt nader uitgewerkt.
5
Processchema welstandtoets: Stap 1
Stap 2
Waar ligt het plangebied?
Welstandvrij
Normaal
gebied
welstandgebied
Valt het plan onder sneltoetscriteria?
Ja
Stap 3
Streng welstandgebied
Nee
Plan voldoet aan de sneltoetscriteria
Stap 4
Commissie Ruimtelijke Kwaliteit * : - Beeldkwaliteitsplan; - monumentenlijst; - dorpsgezicht; - gebiedscriteria;
Stap 5
Voldoet
Geen weigeringsgronden
6
Voldoet niet
Weigeringsgronden
1.3
Onderbouwing van de gebiedskeuze
De keuze van het niveau van welstandsbeleid is bepaald aan de hand van drie invalshoeken: • de ruimtelijke karakteristiek en samenhang; • de cultuurhistorische kwaliteiten; • de dynamiek van de bouwopgave. De combinatie van deze aspecten leidt tot een gebiedsspecifiek niveau van welstandstoezicht. Wij willen dat in bepaalde gebieden, zoals de historische dorpcentra en linten de specifieke karakteristieken gehandhaafd blijven. Ontwerpers en bouwers kunnen zich laten inspireren door de omgeving en in deze sfeer een eigentijdse toevoeging maken voor de gebieden. Zonder historiserend te bouwen kunnen deze bouwwerken het karakteristiek verder versterken. Om deze ruimtelijke kwaliteit in de verschillende gebieden te behouden is het gewenst dat nieuwe ontwikkelingen geen afbreuk doen aan deze waarde. In Horst aan de Maas heeft elk gebied een eigen karakteristiek. Er wordt onderscheid gemaakt in gebiedscriteria voor de kernen, voor het buitengebied en bijzondere gebieden. De gebieden onderscheiden zich in verschillende karakters.
Dorpskernen De dorpskernen en het centrumgebied nemen in ruimtelijk en functionele zin een aparte positie in binnen de gemeente. Samen met de linten die de dorpen vanuit het verre verleden met elkaar verbinden, vormen zij mede de belangrijkste karakteristiek van de gemeente. Kenmerkend voor de bebouwing in deze hoog gewaardeerde gebieden is een afwisseling tussen voor- en naoorlogse, agrarische en niet -agrarische bebouwing met een relatief lage bebouwingshoogte en eenvoudige grote kappen. De kerktorens in de kernen vormen een belangrijk oriëntatiepunt. Zij zijn in de kern, mede door de lage bebouwing, overal zichtbaar. Nieuwe ontwikkelingen moeten rekening houden met deze karakteristiek en zich daar zo goed mogelijk in voegen. Het komt hier wel eens voor dat bestaande bebouwing vanuit functionele behoefte wordt gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw. Het is niet altijd wenselijk om op alle plekken in het centrum dit zonder meer toe te staan en daarvoor in de plaats vernieuwende, op zich zelfstaande architectuur terug te plaatsen. Waar de karakteristiek van het oude dorp nog goed waarneembaar is zal vanuit cultuurhistorisch oogpunt met die heersende karakteristiek van de bebouwde omgeving rekening moeten worden gehouden.
Bebouwingslinten De linten die de dorpen vanuit het verleden met elkaar verbinden, zijn toeristische belangrijke en karakteristieke verbindingen door de gemeente. Kenmerkend voor de bebouwing is een afwisseling tussen voor- en naoorlogse, agrarische en niet-agrarische bebouwing met een relatief lage opbouw. De bebouwing staat veelal los van elkaar, waarbij de afstand tussen de bebouwing onderling in de linten groter is dan in de dorpskernen. Richting het buitengebied vergroot de tussenafstand zich en is tussen de bebouwing zicht op het buitengebied.
Woongebieden Ondanks het veelal planmatige karakter van de woongebieden ondersteunen zij grotendeels de kleinschalige karakteristiek van de gemeente. De meeste gebieden kenmerken zich door ruimte, groen, afwisseling in bebouwingstypologie en voldoende parkeergelegenheid. Plannen moeten passen binnen het volgende kader: • De woongebieden hebben een ruime opzet; • De bebouwing in de gebieden zijn gedifferentieerd; • De gebieden hebben een relatie met de bebouwde omgeving en het omringende landschap; • De randen versterken de dorpse karakteristiek; • De materialisering en inrichting van de openbare ruimte versterkt het dorpse karakter.
7
Bedrijvengebieden Bij de industrieterreinen is gekozen voor een twee zijdige benadering. We onderscheiden in deze nota de buitenrand en het binnen gebied. De inrichting van de binnen gebieden worden bepaald door de functionele eisen die de bedrijven hier stellen. De buitenrand van deze gebieden zijn meestal naar het openbare gebied gericht. Aan deze rand worden zowel vanuit het open landschap als ook vanuit de openbare ruimte (vaak doorgaande wegverbindingen) nadere eisen gesteld. Deze bedrijventerreinen vallen dan ook onder het normale niveau van welstand.
Buitengebied Bij de specifieke ontwikkelingen in het buitengebied is een landschappelijke inpassing van het bouwwerk vaak belangrijker dan de uitvoering van het bouwwerk op zichzelf. De uiterlijke verschijningsvorm voegt zich naar de karakteristiek van het gebied of is juist autonoom. Waar in het buitengebied gebouwd mag worden wordt bepaald door het bestemmingsplan. De raad stelt als eis dat ontwikkelingen in het buitengebied geen afbreuk mogen doen aan de karakteristiek van het buitengebied. Bij structurele ingrepen zullen ook landschappelijke maatregelen moeten worden genomen voor een goede inpassing. We onderscheiden twee gebiedstypologieën, buitengebieden met landschappelijke waarden waar een traditionele ontwikkeling plaats vindt en buitengebieden met een ontwikkelingsopgaaf, de LOG gebieden, waar grootschalige ontwikkelingen zijn gepland.
Bijzonder gebied (park de Peelbergen) Park de Peelbergen is als bijzonder gebied opgenomen in deze nota. Het betreft een zoekgebied voor toeristische ontwikkelingen met een eigen beeld kwaliteitsplan. Ook in dit gebied wordt gekozen voor het goed inpassen van de mogelijke ontwikkelingen in de omgeving. Dit gebied valt dan ook onder het normale niveau van welstand.
8
2. DE GEBIEDSCRITERIA In de welstandsnota worden op hoofdlijnen per gebiedstype de relevante ruimtelijke karakteristieken en kwaliteiten beschreven. De beschrijving geeft het stramien om per locatie specifiek naar de bouwopgave te kijken. Per gebiedstype is aangegeven welk welstandniveau wordt gehanteerd. Dit is afhankelijk van de eerder omschreven afwegingen. In onderstaand overzicht is per gebiedstype het voorgestelde niveau van welstand aangegeven. De beschrijving van de gebiedstypen kent de volgende vaste opbouw: • welke gebieden van de gemeente vallen onder dit gebiedstype; • wat is de ontstaanswijze van dit gebiedstype; • wat zijn de relevante karakteristieken van dit gebiedstype; • wat zijn aandachtspunten voor de welstandstoets in dit gebiedstype. Deze punten zijn beschreven vanuit een regionale samenhang en - karakteristiek. Elk afzonderlijk gebied heeft daarin zijn eigen kenmerkende accenten. De wijze van verfijnen is afhankelijk van de aard van het gebied en de daarmee samenhangende karakteristiek en typen bouwopgaven. Voor de onderstaande gebiedstypen zijn de gebiedscriteria beschreven: 1. dorpskernen, 2. bebouwingslinten, 3. woongebieden, 4. bedrijvengebieden, 5. buitengebied met landschappelijke waarden, 6. buitengebied met ontwikkelingsopgaven, 7. bijzonder gebied
9
2.1
Dorpskernen
Deze centrumgebieden worden gekenmerkt door een evenredige menging van wonen en andere functies. De inrichting van de openbare ruimte wijkt vaak nauwelijks af van andere straten. Voorkomen De centra van de kernen vallen onder dit gebiedstype. Ontstaansgeschiedenis De dorpskernen zijn vroeger ontstaan langs belangrijke doorgaande wegen. Het centrum gebied was van vroeger uit een menging van wonen, werken en andere functies. De openbare ruimten werden gevormd door een plein (kruising van wegen) waar vaak ook de kerk werd gebouwd. De aansluitende lintbebouwing vormen de vaak nog aanwezige karakteristieke bebouwing in de kernen van de dorpen. Bij de dorpen is een onderscheid te maken in de ontwikkeling van kernen met een winkelfunctie zoals Horst, Grubbenvorst en Sevenum. Dit in tegenstelling van de overige dorpen met vaak een historisch gegroeide kern zonder grootschalige aanpassingen en wijzigingen. Voor de dorpen met winkelcentra zijn vaak een mix van oudere bebouwingen en nieuwe bebouwingen. In dit centrum gebieden komen veelal winkel functies voor en aan de randen meer woon- en werk functies. Karakteristiek De vormgeving van gebouwen binnen de dorpskernen vertoont in het algemeen een grote samenhang, waarbij de oorspronkelijke gevelopbouw in hoofdlijnen nog herkenbaar is.
De kwaliteit architectuur is wisselend en als het dorpsbeeld zich in de jaren vijftig heeft gevormd, relatief beperkt. Kerk en openbare gebouwen vormen aan het dorpslint markante elementen. De openbare ruimte is van buiten naar binnen met een toenemende aandacht voor de verblijfsfunctie ingericht. Bij de entrees tot de bebouwde kom worden vaak verkeersremmende maatregelen genomen met een opvallende vormgeving. In het straatbeeld speelt groen in de vorm van straatbomen, hagen en tuinen een rol van betekenis. Wat afwijkt is de omvang van de 'pit', dit is het gedeelte, vaak in de nabijheid van kerk en school, waar de middenstand zich concentreert. Ook buiten de kern komen incidenteel winkel- en horecapanden voor, binnen een relatief open bebouwingspatroon. De korrelgrootte van centrumfuncties is daarbij beperkt. Welstandscriteria De dorpskernen van Broekhuizen, Broekhuizenvorst, Horst, Grubbenvorst, Lottum, Meterik en Sevenum hebben een (stedenbouwkundig) beschermde status. Griendtsveen heeft een rijksmonumentaal beschermd dorpsgezicht. Hier zijn vaak ruimtelijke kwaliteitplannen voor de specifieke karakteristiek van toepassing. Dit beeldkwaliteitplan kan worden beschouwd als een onderdeel van de welstandsnota.
Specifieke welstandscriteria voor dorpscentra met historische kern (Broekhuizen, Broekhuizenvorst, Horst, Grubbenvorst, Lottum, Meterik en Sevenum) Specifieke aandachtspunten: handhaving van historische rooilijnen. eenheid in en samenhang tussen hoofdbouwvormen in straat- of pleinwand. eenheid in en samenhang tussen gevels in straat- of pleinwand. architectonische aansluiting van de winkelpui en reclame op het oorspronkelijke pand. Situering van
Handhaving van historische rooilijnen
het bouwwerk
In de dorpskernen bepalen de gesloten rooilijnen de structuur van straten en pleinen. Het is belangrijk dat, afhankelijk van de cultuurhistorische waarde, deze rooilijnen worden gerespecteerd. Dit speelt niet alleen bij de situering van het hoofdgebouw, maar ook voor de uitbouw door erkers balkons en dergelijke. Ook vraagt de onderlinge afstand tussen gebouwen nadrukkelijk aandacht. met name waar sprake is van scheiding door paden, stegen en inritten.
Hoofdvormen van het
10
Eenheid in en samenhang tussen hoofdbouwvormen. Bebouwing in de dorpskernen is behoudend. Veelal is sprake van een aantal kenmerken in
bouwwerk
bouwhoogte, kaprichting en -vorm. Bouwplannen dienen daarop aan te sluiten.
Gevelaan-
Eenheid in en samenhang tussen gevels
zichten van het Dorpskernen worden gekenmerkt door een bij ontwikkelingshistorie geleding van de gevel. Ook bouwwerk
komt kenmerkend gebruik van materialen en materiaalkleur voor. Deze aspecten dragen bij aan de samenhang in de, door de dynamiek van functies tot onrust neigende, dorpscentra. In de cultuurhistorisch waardevolle delen van de dorpscentra heeft ook de materiaalverwerking en het specifieke kleurgebruik een belangrijke rol. Winkelpuien De winkelpuien, maar ook puien van dienstverlenende bedrijven, leggen vaak een zwaar beslag op het beeld van het gebouwen de straatwand. Met name daar waar sprake is van cultuurhistorische waarden en monumenten.
Materialisatie en Vanuit de traditie kennen de bebouwingen veelal kenmerkend materiaal- en kleurgebruik. Voor de detaillering van het gevels vaak rode baksteen, dakbedekking met antraciet of rode pannen en voor de kozijnen hout bouwwerk
of aluminium. Meer eigentijdse invullingern zijn ook mogelijk indien wel aansluiting bij de traditionele stijl wordt gevonden. Voor het toepassen van reclame gelden de sneltoetscriteria zoals opgenomen in hoofdstuk 3.6 Voor Horst centrum is een reclameconvenant vastgesteld, waarin aangegeven wordt hoe met reclame omgegaan dient te worden. Voor het toepassen van reclame gelden de sneltoetscriteria zoals opgenomen in hoofdstuk 3.6
Voor de kernen Meerlo, Hegelsom, Melderslo, Kronenberg, Evertsoord. Swolgen en Tienray wordt een normaal niveau van welstand aangehouden. In onderstaande tabel zijn de bij dit niveau te hanteren toetsingscriteria geformuleerd.
Specifieke welstandscriteria voor dorpskernen zonder historische kern (America, Evertsoort, Hegelsom, Kronenberg, Meerlo, Swolgen en Tienray) Specifieke aandachtspunten: •
eenheid in en samenhang tussen stedenbouwkundige opbouwen bebouwingskarakteristiek.
Situering van
Bij de situering van gebouwen dient aansluiting te worden gezocht bij de karakteristiek en
het bouwwerk
uniforme opbouw van de bebouwing in de omgeving.
Hoofdvormen
In gebieden met een grote mate van uniformiteit moeten de hoofdvorm van de nieuwe
van het bouwwerk
toevoegingen de aanwezige samenhang ondersteunen. In de verdere keus van materialen, kleuren en vormgeving van de gevelelementen is een zekere vrijheid. Deze toevoegingen van nieuwe elementen moeten wel de samenhang in het straatbeeld blijven ondersteunen.
Gevelaanzichten Veranderingen van en toevoegingen aan de gevelkarakteristiek zijn mogelijk mits deze de van het
eenheid en samenhang in het ontwerp en de samenhang in het straat beeld ondersteunen.
bouwwerk Materialisatie
Afwijkende oplossingen zijn mogelijk als deze de eenheid en samenhang binnen het ontwerp
van het bouwwerk
ondersteunen. Wel moeten dissonate oplossingen in het straatbeeld voorkomen worden door te grote diversiteit van kenmerkende details, kleuren of materialen. Voor het toepassen van reclame gelden de sneltoetscriteria zoals opgenomen in hoofdstuk 3.6
11
Voorbeelden
Beschrijving waarom voldoet - nieuwbouw afgestemd op bestaand karakteristiek - in de oorspronkelijke gevelrooilijn gesitueerd - materiaal afgestemd op belendende bebouwing. - aanbouw ondergeschikt aan hoofdbouw.
- hoofdgebouw georiënteerd op het openbaar gebied - duidelijke entree - bouwmassa aflopende naar de aangrenzende woningen - de verschillende functie zichtbaar.
- nieuwbouw afgestemd op bestaand karakter - verticale gevelopeningen - materiaal afgestemd op belendende bebouwing.
12
2.2 Bebouwingslinten De oude uitvalswegen van de kernen, vaak gebogen, met een menging van functies en van oude en nieuwe bebouwing. Voorkomen Vanuit de dorpskernen zijn aan de historische verbindingswegen tussen de verschillende dorpen de bebouwingslinten ontstaan. Ontstaansgeschiedenis Bebouwingslinten behoren tot de meest kenmerkende bebouwingsstructuren van de regio Peel en Maas. Het net van verbindingswegen tussen de bebouwingsconcentraties op de zandgronden vormt door de draagkrachtige bodem een vanzelfsprekende aanleiding voor het bouwen. Vrijwel alle linten zijn zo ontstaan. Karakteristiek De linten in de oudere dorpen hebben meestal een kenmerkend gebogen verloop. Bij ontginningsdorpen komen ook rechte linten voor. De oorspronkelijke bebouwing had meestal een agrarische functie. Ook nu komen nog veel boerderijen voor. De (oorspronkelijke) agrarische bebouwing wordt gekenmerkt door een eenduidige hoofdvorm met een lange gevel evenwijdig aan de straat. De relatief lage goothoogte, de nokrichting evenwijdig aan de straat en de grote gevellengte bepalen, samen met het gebogen straatverloop in sterke mate het karakter van de oudere linten. De onderlinge afstand van gebouwen is zelden gelijk. Nieuwere linten hebben vaak een afwijkend karakter. Ze zijn veelal halverwege de 20e eeuw ontstaan door woningbouw langs bestaande wegen.
Ze hebben een grotere diversiteit in architectuurkenmerken. De meeste linten zijn in de loop der jaren sterk verdicht en van functie veranderd, vooral richting centrum, van agrarische functies naar wonen en bedrijven. De woonboerderijen vertonen nog veel agrarische kenmerken. Bij bedrijfsontwikkelingen zijn vaak nieuwe bedrijfshallen gebouwd op achtererven. Bouwvolumes van bedrijfshallen, reclame-uitingen, hekwerken en erfverhardingen beïnvloeden daarbij de kwaliteiten van het bebouwingslint. Naar het buitengebied toe worden tussen gebouwen onbebouwde agrarische kavels aangetroffen, een van de kenmerken van oudere linten. Ook de relatie met gebied net achter het lint is van groot belang. Deze zijn in de loop der tijd veelal volgebouwd met woonbuurten, bedrijventerreinen of sportterreinen. De relatie tussen de linten en deze open gebieden spelen een belangrijke rol. Welstandscriteria Voor de linten in de kernen wordt het normale niveau van welstand gehanteerd. In onderstaande tabel zijn de bij dit niveau te hanteren toetsingscriteria geformuleerd. Voor gedeelten van de bebouwingslinten uitkomend op de dorpskernen is eventueel het beeldkwaliteitplan van de kern van toepassing. Dit beeldkwaliteitplan kan worden beschouwd als een onderdeel van de welstandsnota.
Specifieke welstandscriteria voor bebouwingslinten Specifieke aandachtspunten: •
handhaving van historische rooilijnen.
•
eenheid in en samenhang tussen hoofdvormen en gevels in straat- of pleinwand. erfafscheidingen, inritten en poorten.
•
Situering van
Handhaving van historische rooilijnen
het bouwwerk
De bebouwingslinten kennen ieder een eigen specifieke rooilijn. Het is belangrijk dat de bebouwing deze specifieke rooilijnen aan het lint respecteert. De onderlinge afstand en richting tussen gebouwen vragen nadrukkelijk aandacht, vooral de kenmerkende scheiding van panden door paden, stegen en inritten.
13
Hoofdvormen
Bouwplannen dienen aan te sluiten op de aanwezige bebouwing in het lint. De
van het bouw-
oorspronkelijke bebouwingen kenmerken zich door de enkelvoudige hoofdvorm
werk
met een eenvoudige kap, meestal een zadeldak. Ook streven naar een eenheid en samenhang in de gevelopbouw. Hierbij zijn kenmerken als bouwhoogte, kaprichting en kapvorm van belang.
Gevelaanzichten Nieuwe bebouwing dient in de gevelgeleding en plasticiteit aan te sluiten op de van het
in de omgeving aanwezige karakteristieken. Massief metselwerk met hierin de
bouwwerk
vertikaal gerichte raam - en deuropeningen zijn kenmerkende en markante oplossingen.
Materialisatie van het
De toe te passen materialen en materiaalkleur is in de bebouwingslinten ondergeschikt en dient aan te sluiten op de karakteristiek van het lint. Ze
bouwwerk
dragen wel bij aan de samenhang in de bebouwingslinten. Kenmerkend is rood metselwerk voor de muren, donker grijze of rode dakpannen en geschilderde raam en deurkozijnen. Voor het toepassen van reclame gelden de sneltoetscriteria zoals opgenomen in hoofdstuk 3.6
Voorbeelden
Beschrijving waarom voldoet - nieuwbouw afgestemd op belendende bebouwing. - openheid tussen gebouwen - hoogte afgestemd op bestaande gebouwen - kleur en materiaalgebruik is passend gekozen
- gebouwen evenwijdige aan de weg - hoogte en vormen afgestemd op bestaande bebouwingen - het karakteristiek zicht op het achter liggend landschap is nog aanwezig
- zie voorgaande
14
2.3
Woongebieden
Meer planmatig opgezette woongebieden met aan de tijdsgeest gebonden architectuur - en stedenbouwkundige kenmerken. Voorkomen In ieder dorp komt deze typologie voor. Ontstaansgeschiedenis In de loop van de tijd zijn er verschillende opvattingen geweest over de opzet van de jongere woonwijken. De verschijningsvorm van de woonwijken is beïnvloed door culturele-, economische- en maatschappelijke omstandigheden die de verschillende perioden typeren. Daarnaast zijn de opvattingen vaak een reactie op opvattingen uit voorgaande perioden. Karakteristiek Alleen bij de groeikernen is er sprake van een duidelijke markering tussen de oudere en de jongere woongebieden. Andere kernen zijn minder snel gegroeid en daar zijn de verschillende naoorlogse woningbouwplannen per periode minder scherp gemarkeerd in de totale opzet van de dorpsstructuur. Bij jonge woongebieden gaat het meestal om planmatig tot stand gebrachte woonwijken, die soms op grotere afstand van de linten en het centrum liggen. Vaak is er sprake van één woningtypologie en vertonen de woningen onderling een grote samenhang. Binnen de kernen van de gemeente is er veelal sprake van vrijstaande, halfvrijstaande en geschakelde woningen met een voortuin aan een hiërarchisch opgebouwd wegennet.
Verbijzonderingen van het patroon concentreren zich aan de buitenranden (ruime vrije sectorbouw in één bouwlaag) en soms aan centraal gelegen pleintjes (geschakelde woningen met één tot drie bouwlagen in de huursector). Het typische woonmilieu wordt alleen onderbroken door gebouwen voor het onderwijs en voor sport- en recreatieve functies. In de toekomst zal er in woongebieden rondom het centrum vaker inbreidingsplannen ontstaan als bedrijven of verouderde gebouwen worden gesloopt. Bij deze herontwikkeling kunnen dan projecten gerealiseerd worden, die aansluiten op de woningmarkt. Welstandscriteria Voor deze jongere woongebieden binnen de gemeente geldt het normale niveau van welstand. In tabel 'Welstandscriteria' zijn de bij dit niveau te hanteren toetsingscriteria geformuleerd. Voor de nieuwe te ontwikkelen delen van de jongere woongebieden zijn vaak beeldkwaliteitplannen van toepassing. Deze beeldkwaliteitplannen worden als onderdeel van de welstandsnota beschouwd.
Specifieke welstandscriteria voor woongebieden Specifieke aandachtspunten: •
eenheid in en samenhang tussen stedenbouwkundige opbouwen bebouwingskarakteristiek.
Situering van
Bij de situering van gebouwen dient aansluiting te worden gezocht bij de
het bouwwerk
karakteristiek en uniforme opbouw van de bebouwing in de omgeving.
Hoofdvormen van het bouw-
In gebieden met een grote mate van uniformiteit moeten de hoofdvorm van de nieuwe toevoegingen de aanwezige samenhang ondersteunen. In de verdere
werk
keus van materialen, kleuren en vormgeving van de gevelelementen is een zekere vrijheid. Deze toevoegingen van nieuwe elementen moeten wel de samenhang in het straatbeeld blijven ondersteunen.
Gevelaanzichten Veranderingen van en toevoegingen aan de gevelkarakteristiek zijn mogelijk van het mits deze de eenheid en samenhang in het ontwerp en de samenhang in het bouwwerk
straat beeld ondersteunen.
15
Materialisatie en Afwijkende oplossingen zijn mogelijk als deze de eenheid en samenhang kleurstelling van
binnen het ontwerp ondersteunen. Wel moeten dissonate oplossingen in het
het bouwwerk
straatbeeld voorkomen worden door te grote diversiteit van kenmerkende details, kleuren of materialen. Voor het toepassen van reclame gelden de sneltoetscriteria zoals opgenomen in hoofdstuk 3.6
Voorbeelden
Beschrijving waarom voldoet - hoogte op elkaar afgestemd. - detailleringen gelijkvormig - materiaal afgestemd op omgeving (gevel metselwerk of donker gevelplaat en een donker dak)
- hoogte op elkaar afgestemd. - detaillering op elkaar afgestemd materiaal afgestemd op omgeving (gevel metselwerk of donker gevelplaat en een donker dak) - ramen verticaal geplaatst.
- massa op elkaar afgestemd - detaillering op elkaar afgestemd - materiaal afgestemd op omgeving (gevel metselwerk of donker gevelplaat en een donker dak) - ramen verticaal geplaatst.
16
2.4
Bedrijvengebieden
Meer planmatig tot ontwikkeling gekomen bedrijventerreinen. Ontstaansge schiedenis In de naoorlogse periode neemt de verstedelijking in de gemeente een grote vlucht. Er is ook vraag naar bedrijfslocaties. Karakteristiek Het bedrijventerrein is min of meer planmatig tot stand gebracht. Kavels va riëren sterk in grootte. Op de kavel is soms sprake van een bedrijfs woning in één of twee bouwlagen met een kap. Met name op plaatsen waar de terreinen grenzen aan het buitengebied of aan de opengebied dient zorg aan de vormgeving besteed te worden. Door technologische en economische ontwikkelingen is er een verschuiving te zien van productie naar diensten. De huisvestingswensen van bedrijven veranderen: van pure productieruimten naar een representatief onderkomen als middel om de identiteit van het bedrijf uit te drukken. Welstandscriteria Voor een aantal bedrijventerreinen zijn beeldkwaliteitplannen van toepassing. Deze beeldkwaliteitplannen zijn te beschouwen als een onderdeel van de welstandsnota. Voor de bestaande terreinen geldt het normale niveau van welstand. Voor de buitenzijde van deze terreinen, zichtbaar vanuit het openbare gebied (gekeerd naar het open gebied) geldt bij voorkeur het aanleggen van een groensingel.
Specifieke welstandscriteria voor bedrijvengebieden Specifieke aandachtspunten: •
de uitstraling van de randen van het terrein.
Situering van
Aan de randen van het bedrijventerrein moet de situering van gebouwen
het bouwwerk
afgestemd worden op de aangrenzende gebieden en/of het landschap.
Hoofdvormen
Aan de randen van het bedrijventerrein moet bij de bouwvormen rekening
van het bouw-
worden gehouden met de invloed van de bouwvormen op de aangrenzende
werk
gebieden en/of het landschap
Gevelaanzichten -de gevelindelingen zijn doelmatig en afgestemd op de functie van het gebouw van het bouwwerk Materialisatie en Aan de randen van het bedrijventerrein moet bij het kleurgebruik rekening kleurstelling van
worden gehouden met de invloed op de aangrenzende gebieden en/of het
het bouwwerk
landschap. Voor het toepassen van reclame gelden de sneltoetscriteria zoals opgenomen in hoofdstuk 3.6
17
Voorbeelden
Beschrijving waarom voldoet Gebouw gelegen aan de rand van het industrieterrein (welstandplichtig). - duidelijke hiërarchie van hoofd- en bedrijfsgebouw. - duidelijke entree
Gebouw gelegen aan de rand van het industrieterrein (welstandplichtig). - hoofdbouw afgestemd op belendende bebouwing. - entree duidelijk zichtbaar vanaf voorzijde - accenten transparant en uitdagend vorm gegeven.
18
2.5. Buitengebied met landschappelijke waarden Veelal aan kernen grenzende oude open en relatief hoog gelegen bouwlandcomplexen, ook wel bolle akkers genoemd. Voorkomen Oude bouwlanden komen binnen de gemeente voor op de zandgronden en de hogere gronden rondom de kernen Ontstaansgeschiedenis Oude bouwlanden zijn ontstaan door eeuwenlang agrarisch gebruik als bouwland. Het bemestingssysteem heeft ervoor gezorgd dat deze gronden langzaam zijn opgehoogd en daardoor hun kenmerkende bolle vorm hebben gekregen. De bebouwing was van oorsprong aan de rand gesitueerd. Goede landbouwgrond was schaars, die werd dus niet bebouwd, of beplant. Ze zijn vaak gelegen tegen de dorpskernen. Daardoor zijn bij uitbreiding van het dorp (toen goede landbouwgrond minder schaars was geworden) delen van deze akkers bebouwd. Veranderende agrarische bedrijfsvoering (intensieve veehouderij en glastuinbouw) die minder afhankelijk zijn van grond hebben vanuit de rand geleid tot grote meer structurele bebouwing. Karakteristiek Kenmerkend voor de oude bouwlanden is de openheid. Door de ontwikkeling van de agrarische bouwopgave en de ruimteclaims vanuit de dorpen (woningbouw, bedrijven, maar ook sportaccommodaties) staat deze openheid onder druk.
Daarnaast kenmerken de randen van deze open complexen zich door kleine maten en het veelvuldig voorkomen van cultuurhistorisch-waardevolle bebouwing met kenmerkende bouwmassa's en bouwvormen (langgevelboerderijen). Vooral het verloren gaan van de openheid en het schaalcontrast tast de karakteristiek van deze gebieden aan. Daarnaast vormen heggen, hagen en landschapselementen kenmerkende onderdelen van de ruimtelijke kwaliteit. Welstandscriteria Voor delen van het buitengebied die te typeren zijn als ‘oude bouwlanden’ geldt het normale niveau van welstand. In tabel 'Welstandscriteria' zijn de bij deze niveaus te hanteren toetsingscriteria geformuleerd.
Specifieke welstandscriteria voor bouwlanden met landschappelijke waarden Specifieke aandachtspunten: • •
situering en oriëntatie van de bebouwing ten opzichte van de karakteristieke openheid. bouwmassa, in relatie tot de schaalcontrasten.
•
overwegend materiaalgebruik en kleurtoon in relatie tot de cultuurhistorische kwaliteit en de
openheid van het landschap. Situering van
Oriëntatie van de bebouwing
het bouwwerk
De kwaliteiten van de openheid van deze gebieden wordt bepaald door de randen. Het is van belang dat nieuwe bouwopgaven in oriëntatie rekening houden met de structuurkenmerken van de rand, de mate van penetratie in de open akker, maar ook behoud van doorzichten naar de akker. Daarnaast speelt ook de onderlinge compositie van de gebouwen(clusters) een grote rol en de samenhang tussen woonhuis en bedrijfsbebouwing.
Hoofdvormen
De bouwmassa
van het bouw-
Vanuit de historie komen hier langgerekte bouwmassa's voor, met lage
werk
goothoogten en langgerekte kapvormen. Veranderende agrarische bedrijfsvoering heeft tot gevolg dat de bouwmassa's van nieuwe bebouwing snel dominant worden. Bij bouwplannen is een goede verhouding van de bouwmassa's daarom van groot belang, evenals de kapvorm en richting. Met name in gebieden met veel cultuurhistorische waarden en monumenten zal
19
daar nadrukkelijk op worden getoetst. Gevelaanzichten Gevelopbouw en gevelgeleding van het De delen van de waardevol geachte oude bouwlanden hebben een bouwwerk
samenhangende waarde en sterke cultuurhistorische karakteristiek. In deze gebieden zal bij de bouwopgave nadrukkelijk worden gekeken naar de gevelopbouw, gevelgeleding en de plasticiteit van de gevels in relatie tot de in de
omgeving
aanwezige
karakteristieken.
In
deze
gebieden moeten
bouwopgaven geen afbreuk doen aan de reeds aanwezige ruimtelijke kwaliteiten. Materialisatie en Materiaalgebruik en kleurtoon kleurstelling van De grote landschappelijke openheid van de akkercomplexen vraagt aandacht het bouwwerk
voor de kleurstelling en het materiaalgebruik van het bouwwerk. Kleurtoon en materiaalkeuze die een relatie vertonen met de in het landschap overheersende elementen, maar ook met de agrarische functie kunnen daaraan bijdragen. In gebieden met cultuurhistoris che waarden zal daar nadrukkelijker op worden getoetst. Voor het toepassen van reclame gelden de sneltoetscriteria zoals opgenomen in hoofdstuk 3.6
Voorbeelden
Beschrijving waarom voldoet - bebouwing vormt een eenheid met de begroeiing door eenvoudige vormgeving en passende materialen en kleurstelling
- bebouwing en erfbeplanting zijn goed op elkaar afgestemd. - enkelvoudige hoofdvormen met grote kappen - donker metselwerk en pannen. - verticale gevelelementen
20
2.6 Buitengebieden met een ontwikkelingsopgaaf Grootschalige planmatig ingerichte landbouwgebieden zijn ontstaan door het machinaal ontginnen van grote bosgebieden, heidevelden, veengebieden en landbouwgebieden. Voorkomen Ontwikkelingsgebieden komen in de gemeente veelvuldig voor. Ontwikkelingsgeschiedenis De agrarische ontwikkeling is ontstaan door het op grote schaal mechanisch ontginnen van heidevelden en afgraven en ontginnen van hoogveengebieden in de Peel. De heidevelden waren door de opkomst van kunstmest niet meer noodzakelijk voor de agrarische bedrijfsvoering. De hoogveengebieden in de Peel werden eerst ontveend (turfwinning voor brandstof) en vervolgens ontgonnen tot landbouwgrond. Uitgangspunt bij deze ont wikkeling was een efficiënte agrarische bedrijfsvoering, met grote kavels. De boerderijen werden veelal in clusters geplaatst, voorzien van erfbeplanting. Ook werden nieuwe dorpen gesticht. Door intensivering en door uitplaatsing van elders is de agrarische bebouwing (plaatselijk) in de loop van de tijd toegenomen. In sommige gebieden heeft dat geleid tot bebouwingslinten. In andere delen is nog steeds sprake van overwegend solitaire bebouwing. In sommige gebieden is zelfs sprake van een volledige omslag door planmatig gerealiseerde geconcentreerde intensieve vormen van land- en tuinbouw.
Te noemen zijn de glastuinbouwontwikkelingen op aangewezen locaties, de stallenbouw in de Landbouw Ontwikkelings Gebieden en champignonconcentraties). Ook de bestaande bedrijven (kassen en stalcomplexen) groeien door schaalvergroting uit tot kleinschalige industrie locaties in het open landschap. Karakteristiek Kenmerkend voor de ontwikkellocaties is de grote schaal. Door de oorspronkelijke nadruk op grondgebonden vormen van landbouw is op veel plaatsen de karakteristieke openheid nog aanwezig. In deze open gebieden liggen de agrarische bedrijven als beplante enclaves in het landschap. Bedrijfsgebouwen hebben steeds grotere afmetingen. De openheid is de drijvende karakteristiek in deze gebieden. In de omslaggebieden is door de sterke toename van de bebouwing juist sprake van een verdichting en ontstaat dus een schaalsprong. De bedrijfsgebouwen zijn hier overwegend groot tot zeer groot, met veelondersteunende bouwwerken. De landschappelijke karakteristiek is vaak naar de achtergrond verdrongen. Welstandscriteria Voor delen van het buitengebied die te typeren zijn als ‘ontwikkelingsgebieden ’ wordt het normale niveau van welstand gehanteerd. In tabel 'Welstandscriteria' zijn de bij deze niveaus te hanteren toetsingscriteria geformuleerd.
Specifieke welstandscriteria voor buitengebieden met ontwikkelingsopgaaf Specifieke aandachtspunten: •
situering en de hoofdbouwvormen van de gebouwen in gebieden met een grote schaal.
•
compositie van de gebouwen en de relatie met de openbare ruimte in de omslaggebieden. overwegend materiaalgebruik en kleurtoon in relatie tot het landschap.
•
Situering van het bouwwerk
Situering In de gebieden met grote schaal vormen de gebouwen complexen die als het ware rusten in het landschap. De onderlinge situering en compositie van de gebouwen is daarbij van belang. Een goed beplantingsplan kan daarbij behulpzaam zijn. Compositie en relatie met openbare ruimte in omslaggebieden In die gebieden waar sprake is van een omslag, bepaalt de bebouwing in sterke mate de ruimtelijke kwaliteit. Voor het verkrijgen van ruimtelijke samenhang is de compositie en situering van de gebouwen en bouwwerken ten opzichte van de openbare ruimte belangrijk. Het geheel van bouwopgaven moet leiden tot herkenbare nieuwe ruimtelijke structuren met hun eigen, veelal door de agrarische activiteiten bepaalde karakteristiek. Daarbij spelen ook erfinrichting en de situering van
21
inritten een rol. De bijdrage aan de samenhang vormt een belangrijk criterium. Hoofdvormen van het bouw-
Hoofdvormen De hoofdbouwvormen moeten ertoe bijdragen dat de gebouwen zich voegen in het open
werk
grootschalige landschap.
Gevelaanzichten Passend bij de functie en eenvoudig en harmonisch in het totaalbeeld. van het bouwwerk Materialisatie en Materiaalgebruik en kleurtoon kleurstelling van het bouwwerk
De landschappelijke situering van gebouwen vraagt om aandacht voor de kleurstelling en het materiaalgebruik van het bouwwerk. Kleurtoon en materiaalkeuze die een relatie vertonen met de in het landschap overheersende elementen, maar ook met de agrarische functie kunnen daaraan bijdragen. Voor het toepassen van reclame gelden de sneltoetscriteria zoals opgenomen in hoofdstuk 3.6
Voorbeelden
Beschrijving waarom voldoet - de kassen zijn in de voorgevelrooilijn gesitueerd - overige bedrijfsgebouwen in het binnengebied geplaatst (op de wei aan de rechterzijde kan nog een kas worden geplaatst)
- bedrijfsgebouwen ruim van de straat gesitueerd (weg voor de gebouwen is het eigen erf). - duidelijk opbouw van bedrijf (hoofdvolumes evenwijdig en in één voorgevellijn) - silo’s tussen gebouwen geplaatst - materiaal en kleur goed op elkaar afgestemd.
- kassen evenwijdige aan de straat - transparante gevel naar straatzijde - voldoende afstand ten opzichte van straat/openbaar gebied. - eenduidige opbouw en geen storende elementen in het straatbeeld.
22
2.7 Bijzondere gebieden Voorkomen Binnen de gemeente valt het “recreatiezoekgebied de Peelbergen” onder dit gebiedstype. Welstandscriteria Voor de bijzondere gebieden geldt een normaal niveau van welstand. In tabel 'Welstandscriteria' zijn de bij dit niveau te hanteren toetsingscriteria geformuleerd.
Specifieke welstandscriteria voor bijzondere gebieden Specifieke aandachtspunten: • •
eenheid in en samenhang tussen stedenbouwkundige opbouwen bebouwingskarakteristiek. uitstraling van randen van terrein binnen een landschappelijk kader.
Situering van het bouwwerk
Uitstraling van de randen De situering van gebouwen dient aan de randen afgestemd te worden op de aangrenzende gebieden en/of het landschap.
Hoofdvormen
Eenheid in de stedenbouwkundige/architectonische karakteristiek
van het bouw-
Het samenspel van bouwmassa's, kapvormen en richtlijnen dient te worden
werk
gerespecteerd.
Gevelaanzichten -de gevelindelingen en geledingen van het bouwwerk
de gebouwen zijn doelmatig en mogelijk ook representatief ontworpen. In dit gebied is het integreren van de complexen in het landschap de belangrijkste opgaaf.
Materialisatie en Uitstraling van randen kleurstelling van
Kleurtoon en materiaalkeuze die een relatie vertonen met de in het landschap
het bouwwerk
overheersende elementen kunnen daaraan bijdragen. Voor het toepassen van reclame gelden de sneltoetscriteria zoals opgenomen in hoofdstuk 3.6
Voorbeelden
Beschrijving waarom voldoet - bouwmassa gaat op in het landschap - eenheid met de omgeving door de eenduidige overeenkomst tussen landschap en bebouwing (golven) - kleuren en materialen zoveel mogelijk afgestemd op de omgeving
- hier domineert de bebouwing door hoogte en vorm. Door toepassen van grote en forse groenstructuren kan een twee eenheid gevonden worden (bebouwing laten opgaan in de omgeving - accenten zijn toegestaan uitgevoerd in terughoudende/ natuurlijke materialen en kleuren.
23
24
3.
Sneltoetscriteria
Onder deze paragraaf zijn standaard gevallen opgenomen met het doel om te komen tot een snelle beoordeling van een plan waarvoor een normaal welstandsniveau geldt. De toets van een omgevingsvergunning of een principeverzoek kan door middel van deze criteriav via een sneltoets worden uitgevoerd (welstand light) waarmee lange procedures voorkomen kunnen worden. Hieronder worden sneltoetscriteria gegeven voor, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, kozijn- en gevelwijzigingen, dakkapellen, erfafscheidingen en reclame objecten. Een bouwplan is in ieder geval niet strijdig met redelijke eisen van welstand indien het gelegen is het normale welstandsniveau en: • •
het bouwwerk voldoet aan de door de gemeente vastgestelde sneltoetscriteria zoals hierna zijn opgenomen, en het bouwwerk bij vervanging qua plaatsing en vormgeving identiek is aan het oorspronkelijke bouwwerk, mits de vervanging geen gevolg is van repressief welstandstoezicht.
25
3.1.
Verbouwen algemeen
Een verbouwplan is een verandering van het bestaande gebouw / bouwwerk. De ve randering is een uiterlijke verandering of een geringe toevoeging aan het bouwwerk. Om het straatbeeld te respecteren en intact te houden dient er bij een verandering het bestaande karakter van het gebouw / bouwwerk aan de voorkant zo veel mogelijk gehandhaafd te blijven. Bestaande massaopbouw en gevelopeningen zijn de basis voor het gebruiken van nieuwe kozijnen dan wel deuren. Hierdoor blijft het bestaande karakter en de historie van het gebouw van buiten duidelijk zichtbaar en gewaarborgd. Bij een gebruiksverandering krijgen een deel van het gebouw een nieuwe functie, echter het behoud van de oorspronkelijk karakter dient te worden gewaarborgd. Criteria voor verbouwen algemeen Een verbouwplan is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een bouwplan niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de aanvraag voor advies aan de bouwmeester worden voorgelegd. algemeen: • bestaande karakter en gevelopeningen zo veel mogelijk te handhaven voor de nieuwe gebruiksfunctie. Behoud van de bestaande en oorspronkelijke karakteristiek staat voorop; • wijzigingen dienen zich te voegen in de bestaande sfeer en deze bij voorkeur te versteken.
• geen overmaat aan detailleringen, zoals bescheiden overstekken en boeiboorden • materiaal- en kleurgebruik gevels en kozijnen afstemmen op bestaande detailleringen Voorbeelden
Beschrijving waarom voldoet - bestaande karakter / massa gehandhaafd - bestaande gevelopeningen zoveel mogelijk gehandhaafd - eenheid in gevelopeningen en vormgeving - veranderingen uitgevoerd aan binnenzijde
- bestaande karakter / massa gehandhaafd - bestaande gevelopeningen zoveel mogelijk gehandhaafd - eenheid in gevelopeningen en vormgeving - geringe wijzigingen aan de buitenzijde aangebracht.
26
3.2.
Nieuwe (agrarische) bedrijven
Omschrijving en uitgangspunten Een nieuw agrarische bedrijf is een veel voorkomend bouwwerk in de gemeente Horst aan de Maas. De ruimtelijke invulling van dergelijke bedrijven hebben ruimtelijk veel invloed op het gebied. Bedrijven zijn vooral gesitueerd in het buitengebied waar voornamelijk een open karakter is met geringe bebouwing. Hierdoor moet er met zorg worden omgegaan met de ruimtelijke invulling van het open landschap. Criteria voor nieuwe (agrarische) bedrijven Een nieuw (agrarisch) bedrijf is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet het nieuwe complex niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de criteria dan wordt de aanvraag voor advies aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit voorgelegd. algemeen: • een hiërarchische opbouw kiezen van de bebouwingen. • zorgvuldige indeling/ situering op de kavel maken waarbij bij voorkeur al rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen. • woning en bedrijfsgebouw enkelvoudig vormgeven (blok of staafvorm) en voorzien van een eenvoudige kapvorm. • materiaal gebruik van de bedrijfswoning in traditionele sfeer: rood / bruin metselwerk voor de gevel, donkere dakpan voor het dak.
Materiaalgebruik voor de bedrijfsgebouwen in traditionele sfeer: rood metselwerk en/of groen / grijs damwand, voor het dak een meer donkere afwerking als de gevel. • geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten Voorbeelden
Beschrijving waarom voldoet - woning voor bedrijfsgebouwen. - bedrijfsgebouwen aan de buitenzijde lager. - materiaal afgestemd op omgeving (gevel metselwerk of donker gevelplaat en een donker dak)
- woning voor bedrijfsgebouwen - bedrijfswoning heeft een geringe goothoogte - ramen verticaal geplaatst - materiaal afgestemd op omgeving (gevels woning rood metselwerk en bedrijfsgebouw donker uitgevoerd)
- bedrijfsgebouw in een lint - enkelvoudige hoofdvorm met een eenvoudige kap - metselwerk en dakpannen - ramen verticaal geplaatst - moderne detaillering - een goed voorbeeld van eigentijds bouwen
27
3.3.
Aan- en uitbouwen en bijgebouwen
Omschrijving en uitgangspunten Een aanbouw is een grondgebonden toevoeging van één bouwlaag aan een gevel van een hoofdgebouw. Een vrijstaande bijgebouw is een ondergeschikte ruimte behorende bij het hoofdgebouw. Een uitbouw is een grondgebonden vergroting van een bestaande ruimte behorende tot het hoofdgebouw van één bouwlaag. Om het straatbeeld te respecteren en intact te houden dient er bij de mogelijke toepassing van aan- en uitbouwen of een bijgebouw aan de voorkant voor een terughoudende oplossing te worden gekozen (bufferzone tussen gevel en straat). Criteria voor aan- en uitbouwen of bijgebouwen Een aan- of uitbouw is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een aan- of uitbouw niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de aanvraag voor advies aan de bouwmeester worden voorgelegd. algemeen: • de aan- of uitbouw of bijgebouw is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw • vormgegeven in één bouwlaag met een eenvoudige kapconstructie • plat afgedekt of een gelijke dakhelling als het hoofdgebouw • materiaal- en kleurgebruik afgestemd op hoofdgebouw. Voorbeelden
Beschrijving waarom voldoet - aanbouw ondergeschikt aan historische hoofdgebouw - open karakter van de aanbouw. - eigentijdse oplossing, zeer zorgvuldig gedetailleert.
- uitbouw erker afgestemd op situering en karakter van hoofdgebouw - materiaal, kleur en detaillering vormen een eenheid met hoofdgebouw
28
- bijbouw los gesitueerd naast historisch pand (gekoppeld met tussenlid). - aanbouw voldoende terugliggend van voorgevel - transparante gevel aan straatzijde.
- garage en hoofdgebouw vormen een passende eenheid - garage ruim achter voorgevelrooilijn - duidelijke hiërarchie
- garage qua detaillering afgestemd op hoofdgebouw - garage ruim achter hoofdgebouw - erfafscheiding verbindt hoofdgebouw met bijgebouw - moderne en eigentijdse interpretatie van woning en bijgebouw met traditionele materialen (rode baksteen, hout, riet en glas)
29
3.4
Dakkapellen
Omschrijving en uitgangspunten Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap, bedoeld om de lichttoetreding te verbeteren en het bruikbare woonoppervlak te vergroten. Dakkapellen zijn, als ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, voor het straatbeeld zeer bepalend. Criteria voor dakkapellen aan de voorkant Een dakkapel is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een dakkapel niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de criteria dan kan de aanvraag voor advies aan de bouwmeester worden voorgelegd. algemeen: • de dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw • geen dakkapel op bijgebouw, aan- of uitbouw • de dakkapel bij voorkeur uitvoeren met een platte dakconstructie of gelijkvormig aan de dakhelling of eerder geplaatste dakkapellen op het betreffende dak vlak van het bouwblok. Maximaal twee verschillende dakhellingen per perceel. • bij meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatige rangschikking op horizontale lijn, dus niet boven elkaar gerangschikt Voorbeelden
Beschrijving waarom voldoet - plaats dakkapel afgestemd op gevelopening hoofdgebouw - niet meer dan twee verschillende dakhellingen - donker zijwangen
- niet meer dan twee verschillende dakhellingen - plaats dakkapel afgestemd op gevelopeningen - materiaal afgestemd op hoofdgebouw.
30
3.5
Erfafscheidingen
Omschrijving en uitgangspunten Erfafscheidingen zichtbaar vanaf de openbare wegen zijn van grote invloed op de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente streeft ernaar een rommelige indruk door een te grote verscheidenheid aan erfafscheidingen te voorkomen. Vooral in nieuwbouwwijken is dit een belangrijk punt, omdat het groen hier de eerste jaren nog niet volgroeid is. Criteria voor erfafscheidingen Het plaatsen van een erf- of perceelafscheiding is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een erf- of perceelafscheiding niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de aanvraag voor advies aan de bouwmeester worden voorgelegd. Bij twijfel kan in een vroege fase van planvorming vooroverleg met de gemeente worden gevoerd. Dit voorkomt teleurstelling in het verdere proces. algemeen: • erfafscheidingen bij hoekwoningen (gebouwen) gemeten vanaf de zijkant op minimaal 0.4 meter vanaf de perceelgrens en op minimaal 4 meter van de voorzijde van het hoofdgebouw en 7 meter vanaf de perceelgrens. • Bij voorkeur een groenaanplant toepassen. • vormgeving afgestemd op erfafscheiding van belendend perceel en het hoofdgebouw • erfafscheiding eenvoudig en ondergeschikt detailleren.
• Transparante erfascheidingen (open gaas) toegestaan.
Voorbeelden
Beschrijving waarom voldoet - qua detaillering afgestemd op oorspronkelijk hoofdgebouw - combinatie van natuurlijke haag en traditioneel mat eriaal - plaats poort / toegang naar het achterterrein ondergeschikt (onderdeel van afscheiding)
- natuurlijke afscheiding afgestemd op situering aan de voorzijde en passend bij karakteristiek bestaand hoofdgebouw - openheid van afscheiding.
31
- Afscheiding op een hoeksituatie (voor de voorgevel van de achterliggende bebouwing) - materialen afgestemd op hoofdgebouw. - aan de straatzijde ingepast met een doorlopende tuininvulling. - zeer zorgvuldig opgeloste afscheiding
32
3.6
Reclame objecten
Omschrijving en uitgangspunten: reclames worden aangebracht om de aandacht te vragen voor de activiteiten op een bepaalde plek. Meestal gebeurt dit met een herkenbaar logo en de naam van het bedrijf. In het algemeen zijn er twee herkenbare vormen van reclame maken. De meest voorkomende vorm is op het pand waar de activiteiten plaats vinden een reclame uiting te plaatsen. Vaak wordt deze reclame in de voorgevel boven de entree geplaatst. Hierdoor krijgt deze belangrijke plek een herkenbaar accent. Deze vorm is veel voorkomend in de centra en winkelgebieden van de verschillende dorpen. Een tweede vorm van reclame is een aanduiding langs de weg bij bedrijven op een grote kavel. Deze toepassing is vooral te vinden op bedrijventerreinen en bij bedrijven in het buitengebied. De gebouwen liggen vaak een grote maat terug van de weg. Voor beide vormen van reclame zijn er beoordelingscriteria waaraan deze getoetst worden. Dit om een wildgroei te verkomen. De belangrijkste twee criteria is dat een reclame een ondergeschikte toevoeging moet zijn in het straatbeeld en de plek waar reclame wordt gemaakt een relatie moet hebben met de activiteiten waarvoor deze is geplaatst. De uitvoering van reclames kennen veel vormen. In het algemeen zijn massieve reclames in de vorm van platen en blokvormige volumes erg dominant en veroorzaken snel een rommelig straatbeeld.
Deze vormen zijn dan ook aan afmetingen gebonden. Een beter passende oplossing is het toepassen van losse belettering, deze voegen zich op een meer bescheiden wijze op of aan het gebouw. De reclames bij de entree van de kavel worden bescheiden opgelost als de maatvoering de menselijke maat niet overschrijden (niet hoger dan 1.80 meter en ca 0.80 meter breed). Deze vorm kan horizontaal of vertikaal worden toegepast, het gebruiken van een aanwezig element in het straatbeeld heeft hier de grote voorkeur (bijvoorbeeld een bestaand hekwerk). Voorbeelden
Beschrijving waarom voldoet - bestaande vorm en accenten gehandhaafd. - boven de entree van het gebouw. - bescheiden qua detaillering
- boven de entree van het gebouw - losse belettering
33
- onderdeel van bestaande bouwwerk. – bescheiden van vorm. - materiaal afgestemd op bestaand bouwwerk.
Criteria voor reclame: Het plaatsen van een reclame is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een reclame niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de CRK worden voorgelegd. Bij twijfel kan in een vroege fase van planvorming vooroverleg met de gemeente worden gevoerd. Dit voorkomt teleurstelling in het verdere proces. algemeen: • reclame is plaatsgebonden aan het object of ruimte waarvoor reclame wordt gemaakt • reclame aan de bebouwing dient bescheiden en ondergeschikt te worden uitgevoerd, losse belettering heeft de voorkeur omdat deze zich beter voegen op de aanwezige bebouwing • reclames moeten een duidelijke relatie te hebben met de plek waarvoor reclame wordt gemaakt, bijvoorbeeld met de entree of de winkelpui. • de vorm en het kleurgebruik dient de lokale karakteristiek te respecteren. • reclame bij de entree van een t errein (langs de openbare weg) dient een ondergeschikte toevoeging te zijn in het straatbeeld. Uitgangspunt voor de maatvoering is dat de grootte van het object kleiner moet zijn dan de menselijke maat (ca. 1.80 * 0.80 m) Voor het centrumgebied van Horst is een verordening van toepassing.
De opgenomen richtlijnen voor de reclames vormen onderdeel van deze nota en zijn onderstaand weergegeven.
34
Reclamerichtlijnen voor het centrum van Horst Algemeen - Een reclame moet zich als een bescheiden en terughoudend vormgegeven toevoeging aan een pand presenteren hetgeen geldt voor aantal, grootte, vorm en materialisering. - Het aantal reclame-uitingen dient niet meer dan 3 per pand te bedragen. - Reclame-uitingen dienen in harmonie c.q. (schaal)verhouding te zijn met de architectuur van het pand. Reclame mag het uiterlijk aanzien van het pand en het straat- en dorpsbeeld niet schaden of verstoren. - Bij nieuwbouw en/of verbouw moet in het ontwerp worden aangegeven waar de ontwerper reclames mogelijk acht rekening houdend met de richtlijnen. - Reclames bovenop luifels, daken, gebouwen, dakgoten of dienovereenkomstige bouwdelen zijn niet toegestaan. - Reclame dient horizontaal gericht en statisch van opzet te zijn. Reclame mag niet knipperen of bewegen.
Reclame tegen de gevel -
-
Gevelreclame dient bij voorkeur plat op de gevel bevestigd te worden. Gevelreclame moet passen binnen de zone tussen de onderpui en verdiepingramen, met een maximale breedte van 60% van de gevelbreedte en maximaal 3 m per reclame-unit, tenzij de architectuur van het pand een grotere breedte verdraagt. Reclames mogen niet boven de onderkant van de raamdorpels van de verdiepingskozijnen uitkomen. Reclames dienen bij voorkeur nabij de hoofdingang van een gebouw te worden aangebracht. Bij karakteristieke panden dient gebruik te worden gemaakt van losse letters.
Uitstekende reclame -
-
Mits de architectuur en de verkeerssituatie dit toelaat zijn loodrecht op de gevel geplaatste reclames en lichtbakken mogelijk. Deze reclame moet passen binnen de zone tussen de onderpui en verdiepingramen, waarbij tussen de bovenkant van de bak en de onderkant van de raamdorpels minimaal 10 cm ruimte moet zijn. Het oppervlak van reclame welke haaks op de gevel is geplaatst mag niet meer bedragen dan 0,8 m². Deze reclame mag niet bevestigd worden aan erkers of balkons. De maximale uitsteekmaat mag niet meer dan één meter bedragen. In beginsel is per winkel één enkele uitstekende reclame mogelijk. Indien in plaats van een reclameobject een banier wordt toegepast moet deze qua maat voldoen aan de maximale maten van uitstekende reclame. Indien in een pand meerdere bedrijven aanwezig zijn kunnen meerdere banieren worden toegepast, mits hierbij gebruik wordt gemaakt van uniforme banieren, en mits hierdoor het uiterlijk aanzien van het pand en het straat - en dorpsbeeld niet wordt verstoord.
Vlaggen -
Het gebruik van vlaggen met reclame is niet toegestaan.
Andere aspecten -
Reclame op zonweringen is slechts beperkt toegestaan op de volant bij voorkeur nabij de toegangsdeur. Reclame op raampartijen is toegestaan tot een maximale bedekkingsgraad van 1/3 van het glasvlak, met een maximum van 10 m².
35
Bijlage: Monumenten
Rijksmonumenten Voor alle vastgestelde rijksmonumenten geldt dat zij in een streng welstandsniveau vallen. Hoofdadres Subcategorie Hoofdcategorie Afhangweg 13 te Horst Kapel Religieuze gebouwen Americaanseweg 8 te Horst Industrie Boerderij, molen, bedrijf Woningen en Apostelweg 2 te Griendtsveen Dienstwoning woningbcomplx Woningen en Apostelweg 4 te Griendtsveen Dienstwoning woningbcomplx Woningen en Apostelweg 6 te Griendtsveen Dienstwoning woningbcomplx Weg- en Apostelweg bij 1 te Griendtsveen Brug waterbouwk.werken Blitterswijckseweg 2 te Broekhuizenvorst Kasteel, buitenplaats Kastelen,landh., parken ed Blitterswijckseweg bij 12 te Broekhuizenvorst Kapel Religieuze gebouwen Broekeindweg 3 te Grubbenvorst Kasteel, buitenplaats Kastelen,landh., parken ed Bijgebouwen kastelen De Borggraaf 1 te Lottum enz. Kastelen,landh., parken ed Tuin, park en De Borggraaf 1 te Lottum plantsoen Kastelen,landh., parken ed De Borggraaf 1 te Lottum, e.a. Kasteel, buitenplaats Kastelen,landh., parken ed Tuin, park en De Borggraaf bij 1 te Lottum plantsoen Kastelen,landh., parken ed Deurneseweg 1 te Griendtsveen Handel en kantoor Handel,kant.,opsl, transp. Deurneseweg 2 te Griendtsveen, e.a. Opslag Handel,kant.,opsl, transp.