RIB.23.026 VTH-beleid 2023-2026
Tekst van het document
Via deze link is de Leidraad handhavingsacties en termijnen te raadplegen: https://www.infomil.nl/publish/pages/116473/leidraadhandhavingsactiesentermijnen202 1-1.doc
DWANGSOM EN MODALITEIT Op basis van artikel 5:32b Awb wordt een dwangsom vastgesteld op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. Het college stelt een bedrag vast voor een maximaal te verbeuren dwangsom. In lid 3 van voornoemd artikel is bepaald dat de hoogte van de dwangsom in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom moet staan. Daarnaast moet een dwangsom uiteraard voldoende prikkel geven om de overtreding te (laten) beëindigen en beëindigd te houden. BEGUNSTIGINGSTERMIJN Een last onder dwangsom omvat naast de te nemen herstelmaatregelen ook een termijn, waarbinnen de overtreder de door het bestuursorgaan opgelegde lastgeving kan uitvoeren zonder dat deze het dwangsombedrag verbeurt. De begunstigingstermijn is op een zorgvuldige wijze tot stand gekomen, conform redelijk- en billijkheid. Dit houdt in dat de termijn voldoende lang is om de opgelegde last te kunnen uitvoeren. Deze begunstigingstermijn mag daarnaast niet wezenlijk langer worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. HOOGTE VAN DE DWANGSOM Hoe de hoogte van een dwangsom zich precies laat berekenen, is per geval afhankelijk van de omstandigheden.
Wat is in een concrete casus bijvoorbeeld de aard van de overtreding en het als gevolg daarvan geschonden belang? Wat probeert het college te
bewerkstelligen? Duidelijk is dat de hoogte van een dwangsom onder andere wordt bepaald aan de hand van: • de (geschatte) kosten die de overtreder moet maken om de overtreding op te heffen of met andere woorden, de dwangsom moet hoger zijn dan het (geschatte) financiële voordeel; het wegnemen van ongerechtvaardigd voordeel dat de overtreder heeft genoten; • dat de dwangsom voldoende dwang tot gevolg moet hebben om de overtreding te beëindigen; • dat herhaling van de overtreding moet worden voorkomen, schade moet worden beperkt en de situatie moet worden hersteld in de oorspronkelijke toestand; • normen gesteld in het algemeen belang. RECIDIVE EN DOORLOPENDE OVERTREDING Bij een doorlopende overtreding na het bereiken van de maximale te verbeuren dwangsommen kan besloten worden om een nieuwe last onder dwangsom, dan wel een last onder bestuursdwang op te leggen. Indien sprake is van herhaling van een overtreding, door dezelfde overtreder op voor dezelfde overtreding, waarvoor in het verleden (binnen de afgelopen twee jaren) al een dwangsombeschikking is afgegeven en volledig is verbeurd, kan de te stellen dwangsom met 100 procent verhoogd. RICHTLIJNEN VOOR HET VERLENGEN VAN DE BEGUNSTIGINGSTERMIJN In een besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom wordt een termijn gesteld waarbinnen de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat de dwangsom verbeurt.
De begunstigingstermijn is op een zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Dit houdt in dat de termijn voldoende lang is om de opgelegde last te kunnen uitvoeren en in de omstandigheden van het geval redelijk is. Uitgangspunt is dan ook dat de begunstigingstermijn niet verlengd zal worden. In enkele gevallen kan overgaan worden tot verlenging: • als de overtreder om een verlenging van de begunstigingstermijn verzoekt en aan de hand van objectieve gegevens aannemelijk kan maken dat hij de opgelegde last niet binnen de daartoe gestelde termijn kan uitvoeren. Hierbij moet de overtreder ook een concrete termijn geven waarbinnen hij de opgelegde last wel kan (laten) uitvoeren. Als een overtreder blaam treft dat de termijn niet kan worden gehaald, er verwijtbaar wordt gehandeld of nagelaten, wordt de begunstigingstermijn niet verlengd. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als een overtreder te laat is begonnen met het aanvragen van offertes of het geven van een opdracht; • als de overtreder aan de hand van objectieve gegevens aannemelijk maakt dat er concreet zicht op legalisatie is,, bijvoorbeeld door bedrijfsverplaatsing of
pensionering. Ook hierbij geldt dat de overtreder een concrete termijn voor het opheffen van de illegale situatie moet geven. Het voorgaande houdt in dat een begunstigingstermijn niet automatisch wordt verlengd als de overtreder een bezwaarschrift (eventueel met verzoek om een voorlopige voorziening) indient. Een dergelijke automatische verlenging verhoudt zich namelijk niet tot het uitgangspunt dat de oorspronkelijke begunstigingstermijn zorgvuldig tot stand is gekomen en in principe niet wordt verlengd. Bovendien schept een dergelijk automatisme een ongelijke situatie ten opzichte van overtreders die in bezwaar niet om verlenging van de begunstigingstermijn verzoeken. Ook zou dit president kunnen scheppen. De uitwerking van de richtlijn dwangsom is onderdeel van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (bijlage 16). INVORDERING DWANGSOM Als de verbeurde dwangsommen niet vrijwillig worden betaald door de overtreder, kunnen deze via een dwangbevel worden ingevorderd. Hierbij zal eerst een voornemen tot invordering worden verstuurd, waarna de uiteindelijke invorderingsbeschikking volgt. De invordering van kosten gemaakt voor bestuursdwang en verbeurde dwangsommen wordt verzorgd door de team Financiën van de gemeente Horst aan de Maas.
MATIGEN VAN EEN DWANGSOM Als een overtreder na het verstrijken van de begunstigingstermijn aan de opgelegde last geen gehoor heeft gegeven, verbeurt de dwangsom van rechtswege. Een verbeurde dwangsom kan in uitzonderlijke gevallen op verzoek van de overtreder gematigd worden. BETALINGSREGELING De hoofdregel is dat een overtreder binnen de daarvoor gestelde termijn de kosten van toepassing van bestuursdwang of de verbeurde dwangsom betaald. Indien een overtreder (natuurlijk persoon of rechtspersoon) concreet kan aantoont dat hij de verbeurde dwangsom niet in zijn geheel of ineens kan betalen, kan in uitzonderlijke gevallen een betalingsregeling getroffen worden.
41
BIJLAGE 18: GEDOOGSTRATEGIE Gedogen is het bewust afzien van sancties in geval van overtredingen. Het is alleen toegestaan als het actief gebeurt en er moet een besluit van het bestuursorgaan aan ten grondslag liggen (een gedoogbeschikking). Gedogen is gebonden aan vrij concrete en strakke grenzen die zijn ontwikkeld in vaste jurisprudentie en zijn omschreven in de (rijks)nota 'Grenzen aan gedogen'. Het gedogen op het terrein van milieu wordt verder nog bepaald door het gezamenlijk beleidskader ‘gedogen’ dat is neergelegd in een brief van de Ministers van VROM en V&W16 en de brief van de minister van VROM die mede namens de Minister van V&W en Justitie aan de Tweede Kamer is aangeboden17. Er zal in de praktijk niet snel voor expliciet gedogen worden gekozen. Slechts in uitzonderingsgevallen en onder zorgvuldige belangenafweging kan besloten worden een situatie te gedogen. Het gedogen moet ook in omvang en tijd beperkt zijn. Het college acht gedogen – met in achtneming van de volgende uitgangspunten– aanvaardbaar: • als handhaving apert onredelijk is; • als de te handhaven regel niet in verhouding staat tot de gevolgen van handhavend optreden (disproportioneel); • als er expliciet wordt gedoogd, moet de gedoogbeschikking duidelijke en concrete voorschriften bevatten en voldoen aan de vereisten (voor het nemen) van een besluit (Awb en het zorgvuldigheidsbeginsel).
SITUATIES DIE VAN GEDOGEN ZIJN UITGESLOTEN Er wordt niet tot gedogen overgegaan in de volgende situaties: • indien aan de zijde van de overtreder - naar mening van de gemeente - sprake is van recidiverend dan wel calculerend gedrag; • indien blijkt dat de te gedogen activiteit strijdig is met enig andere bij of krachtens wettelijk voorschrift gestelde regel en kenbaar is gemaakt dat met bestuurlijke handhavingsinstrumenten tegen deze overtreding zal worden opgetreden, eventueel ook door een ander bevoegd gezag. WRAKEN Het kan voorkomen dat een overtreding wordt geconstateerd waarbij op basis van de prioritering niet direct actie wordt ondernomen bijvoorbeeld door gebrek aan beschikbare capaciteit. In dat geval kan een wrakingsbrief worden gestuurd. Hierin wordt de overtreder in kennis gesteld van de overtreding waarbij hij/zij op zijn/haar eigen verantwoordelijkheid wordt gewezen om de overtreding ongedaan te maken. Ook wordt hiermee het recht uitgesproken om in de toekomst alsnog sanctionerend op te treden. Zodra in de uitvoering of beleidsmatig aan deze overtredingen meer prioriteit wordt gegeven, dan wordt bepaald of tegen die overtredingen alsnog wordt opgetreden.
SITUATIES DIE MOGELIJK VOOR GEDOGEN IN AANMERKING KOMEN Op basis van de jurisprudentie kunnen de volgende inhoudelijke en procedurele voorwaarden worden onderscheiden om te gedogen: • de te gedogen activiteit is verantwoord uit het oogpunt van bescherming van de fysieke leefomgeving; • er bestaat concreet uitzicht op legalisatie van de te gedogen activiteit. De termijn of gedoogperiode zal daarbij beperkt zijn; • indien vooruitlopend op besluitvorming over vergunningverlening wordt gedoogd, is een ontvankelijke vergunningaanvraag ingediend. Er is tevens een inschatting gemaakt dat de activiteit vergun baar is; • er dient sprake te zijn van bijzondere omstandigheden die gedogen in het concrete geval rechtvaardigen; • er vooraf overeenstemming is over de voorwaarden van de gedoogbeschikking. De voorwaarden zijn erop gericht om tot een verantwoorde situatie te komen; In geval van overmacht zijn de eerste drie aandacht voorwaarden niet van toepassing.
42
BIJLAGE 19: AANVULLENDE STRATEGIEËN/CONFLICTBEMIDDELING
MEDIATION/ BUURTBEMIDDELING De gemeente wordt met grote regelmaat gevraagd handhavend op te treden ten aanzien van een vermeende overtreding die door de buren is/zou zijn begaan. In veel gevallen gaat het niet om de overtreding zelf. Vaak ligt er een andere oorzaak ten grondslag aan het verzoek om handhaving en is er sprake van een burenruzie. Daarom kiezen we ervoor om zoveel mogelijk het gesprek aan te gaan met partijen, onder begeleiding van een gesprekspartner van de gemeente. In de meer complexe gevallen kan de gemeente aan partijen voorstellen om mee te doen aan een mediation traject, waarbij we gebruik maken van de regionale mediationpool waar Gemeente Horst aan de Maas in participeert. Het gaat om zaken waarbij de subjectieve overlast of beleving wellicht groter is dan de feitelijke impact door de gestelde overtreding. Met enige regelmaat komen we ook verstoorde verhoudingen tegen waarbij de juridische escalatie niet altijd in verhouding staat tot de feitelijke situatie. In dat geval kiezen we dus voor een gesprek, buurtbemiddeling (via Synthese) of mediation. De ervaring leert dat hiermee veel zaken opgelost worden, zonder in een juridische procedure terecht te komen. Deze manier van werken willen we continueren.
43
BIJLAGE 20: PRIVAATRECHTELIJKE HANDHAVING In aanvulling op de hiervoor behandelde bestuurlijke handhavingsbevoegdheid heeft de gemeente ook privaatrechtelijke handhavingsmogelijkheden. De overheid mag in principe alleen dan gebruik maken van de privaatrechtelijke weg als geen bestuursrechtelijke weg voorhanden is waarmee een vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt of indien een ander belang gediend wordt dan het publiekrechtelijke belang. Onder bepaalde omstandigheden kan privaatrechtelijk worden opgetreden, bijvoorbeeld in geval van: 1. het plegen van een onrechtmatige daad door een natuurlijk- of rechtspersoon jegens de gemeente; 2. het niet-nakomen van een overeenkomst met de gemeente door een natuurlijkof rechtspersoon; 3. de eigenaarsbevoegdheid van de gemeente, zoals ingebruikneming van gemeentegrond.
44
BIJLAGE 21: HANDHAVING BIJ OVERTREDING EIGEN ORGANISATIE OF ANDERE OVERHEID Handhaving van voorschriften bij een object van een andere overheid of van een onderdeel van de eigen organisatie is niet anders dan handhaving van voorschriften bij derden. Als er sprake is van een incident, ongewoon voorval of overtreding door de eigen organisatie, dan heeft dit altijd prioriteit.
45
BIJLAGE 22: INTREKKEN VERGUNNINGEN EN ONTHEFFINGEN Na het verlenen van een vergunning of ontheffing wordt vaak snel gevolg gegeven aan de uitvoering of ingebruikname. Het komt ook voor dat geen of pas na lange tijd gebruik wordt gemaakt van een verleende vergunning of ontheffing. Het kan daardoor voorkomen dat ongebruikte vergunningen of ontheffingen jaren geleden zijn verleend en niet zijn ingetrokken. De houder van de vergunning of ontheffing behoudt nog steeds het recht om hiervan gebruik te maken. Om uiteenlopende redenen is het ongewenst om verleende vergunningen en ontheffingen in stand te laten zonder dat daar binnen een bepaalde termijn gebruik van wordt gemaakt. Voor de rechtszekerheid van omwonenden en belanghebbenden is het ongewenst oude vergunningen en ontheffingen in stand te houden. Doordat de bekendmaking van deze besluiten lang geleden kunnen hebben plaatsgevonden, kunnen zij alsnog verrast worden door de activiteiten. Ook vanuit administratief oogpunt is het gewenst dat het gemeentelijke (bouw)archief zoveel mogelijk overeenstemt met de feitelijke situatie. Tevens is voor het beheer van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) een actuele administratie nodig. Aanleiding voor het intrekken van vergunningen of ontheffingen kan zijn handhaving, waarbij het intrekken van een vergunning als sanctie wordt gezien.
Intrekken op verzoek van de vergunninghouder of belanghebbende. Ook kan ambtshalve de procedure tot het intrekken van vergunningen of ontheffingen worden gestart.
TERMIJNEN Een omgevingsvergunning voor de activiteit “milieu” kan worden ingetrokken wanneer gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. Voor bouwen, slopen of aanleggen geldt een termijn op 26 weken of een in de omgevingsvergunning opgenomen termijn. Na verstrijken van die termijn kan de intrekkingsprocedure actief worden opgestart als er een wijziging heeft plaatsgevonden in de grondslagen van de verleende vergunning zoals wijzingen in het bestemmingsplan, eisen bouwbesluit. Indien de vergunninghouder niet reageert op het voornemen tot intrekking, wordt besloten de omgevingsvergunning sowieso in te trekken. Indien door de vergunninghouder gronden worden aangevoerd waarom er nog geen uitvoering is gegeven aan de omgevingsvergunning zal onderzocht moten plaatsvinden en een afweging moeten worden gemaakt. In familiaire kwesties (scheiding, ziekte, overlijden) kan, indien door de vergunninghouder de reden goed kan worden beargumenteerd worden afgezien van intrekking. Wanneer er een gegronde reden is om af te zien van intrekking zal een periode van maximaal één jaar worden gesteld waarbinnen de vergunninghouder alsnog van de vergunning gebruik dient te maken.
INTREKKEN OVERIGE VERGUNNINGEN EN ONTHEFFINGEN Tenzij wettelijk een andere minimumtermijn is bepaald, worden overige vergunningen en ontheffingen na een termijn van één jaar ingetrokken. De stappen en overwegingen in de besluitvorming vinden plaats op dezelfde wijze als omschreven bij omgevingsvergunningen, met inachtneming van de geldende wettelijke voorschriften.
VOORBEREIDINGSPROCEDURE Op basis van de Omgevingswet (Wabo) kan het bevoegd gezag geheel of gedeeltelijk de omgevingsvergunning intrekken via een reguliere of uitgebreide voorbereidingsprocedure. In artikel 16.64 Ontwerp Omgevingswet (3.15 Wabo) staat de procedure van intrekking beschreven. Onderscheid moet worden gemaakt tussen het op verzoek van vergunninghouder of ambtshalve (gedeeltelijk) intrekken van de omgevingsvergunning. Uitgangspunt is dat het ambtshalve intrekken van een omgevingsvergunning dezelfde procedure kent als het verlenen ervan. INTREKKINGSGRONDEN Het college kan onder bepaalde omstandigheden een omgevingsvergunning intrekken conform artikel 5.40 Ontwerp Omgevingswet (2.33 Wabo). De intrekkingsgronden zijn onderverdeeld in imperatieve (moeten) en facultatieve (mogen) intrekkingsgronden. Bij imperatieve intrekkingsgronden kan de gemeente geen gebruik maken van haar beleidsvrijheid, in het geval van facultatieve intrekkingsgronden kan een omgevingsvergunning alleen worden ingetrokken voor zover het nodig is om aan de grond tot intrekking te voldoen.
46
BIJLAGE 23: WERKPROCES INTREKKEN VERGUNNINGEN
Vergunning is
Geen uitvoering
verleend
aan Vergunning
noodzakelijk. Tevens dient de Basisregistratie van Adressen en gebouwen (BAG), bijvoorbeeld in verband met taxaties in het kader van de WOZ, actueel te zijn. BELEID De procedures zoals opgenomen in de ontwerp de Omgevingswet zijn leidend voor de gemeente. Hierbij kan globaal een aantal situaties voorkomen:
Vergunning wordt
Vergunning is
ingetrokken
ingetrokken
Het is raadzaam om omgevingsvergunningen, die langere tijd niet worden benut, niet oneindig te laten voortbestaan en, na afweging van de relevante belangen, actief tot intrekking daarvan over te gaan. Ook is het voor omwonenden is het onplezierig als zij worden geconfronteerd met oude bouwrechten, waartegen zij geen rechtsmiddelen meer kunnen aanwenden. In artikel 5.40 ontwerp Omgevingswet (2.33 Wabo) zijn de mogelijkheden genoemd voor het bevoegd gezag om een omgevingsvergunning in te trekken. Door of namens het college kunnen op grond van het gestelde in de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken.
• • • •
Geconstateerd kan worden dat het intrekkingsbeleid vooral gericht is op sanctioneren. Het ongebruik laten voortbestaan van vergunde rechten is om meerdere redenen ongewenst. Daarom stellen wij de volgende aanvullende beleidsregels. 1.
STRATEGIE De wet kent een aantal gronden om een vergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken, zoals: • hiertoe een verzoek is ontvangen; • sprake is van ontoelaatbare nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving; die onvoldoende door wijziging van de voorschriften kunnen worden beperkt; • de activiteiten langer hebben stilgelegen dan wettelijk of beleidsmatig is vastgesteld; • het niet mogelijk blijkt door wijziging van voorschriften de brandveiligheid met het oog op het voorziene gebruik van het bouwwerk voldoende te beschermen; • de vergunninghouder dat op eigen verzoek doet. De procedure waarbij een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken moet rekening houden met de procedure waarmee de vergunning tot stand is gekomen. De intrekkingsprocedure moet namelijk gelijk zijn aan de procedure waarmee de omgevingsvergunning tot stand is gekomen. De gemeente zal altijd, voorafgaand aan de procedure, een brief sturen waarin het voornemen tot intrekken wordt toegelicht aan de vergunninghouder. De gemeente zal daar waar nodig een actief intrekkingsbeleid voeren. Ook moet het gemeentelijk bestand van omgevingsvergunningen overeen te stemmen met de feitelijke situatie buiten. Bij onderzoeken in verband met calamiteiten is dat zelfs
er wordt een verzoek tot intrekking gedaan. De gemeente zal dit verzoek in behandeling nemen volgens, in overeenstemming met hetgeen is gesteld in de Omgevingswet en de andere relevante regelgeving; het intrekken is onvermijdelijk gezien verdragen of calamiteiten; de intrekking is een gevolg van toezicht en wordt ingezet als sanctiemiddel; het intrekken is onderdeel van de afweging om geconstateerde overtredingen op een zo efficiënte en effectieve wijze aan te pakken teneinde het achterliggende belang te kunnen beschermen.
2. 3.
4.
5.
Vergunde rechten die door het niet bouwen van bedrijfsgebouwen feitelijk onbenut zijn gebleven mogen de resterende milieuruimte voor andere ontwikkelingen in de directe omgeving niet nodeloos beperken en of zelfs onmogelijk maken. Zij mogen geen verschil in de feitelijke en de theoretische milieuomstandigheden van een gebied tot gevolg hebben. De vergunningssituatie moet overeenkomen met de ruimtelijke bestemming van een perceel. Nieuwe planologische en stedenbouwkundige inzichten mogen niet worden doorkruist door in het verleden vergunde bouwwerken en activiteiten die onderdeel uitmaken van een inrichting die niet zijn gerealiseerd. Een vergunning voor de bouw van een bouwwerk en/of gebouw die langere tijd geleden is verleend moet voldoen aan de nieuwere bouwtechnische eisen zoals bijvoorbeeld brandveiligheid, energiezuinigheid en constructieve veiligheid en de eisen die gelden voor een duurzame veehouderij. Bouwwerken die pas na lange tijd na vergunningverlening worden opgericht, moeten voldoen aan de best beschikbare technieken in het kader van de milieuregelgeving.
47
BIJLAGE 24: MANIER VAN WERKEN BIJ TOEZICHT EN HANDHAVING Doordat we controles uitvoeren, kunnen we overtredingen en illegale activiteiten opsporen en vaststellen. Van de controle maken we een notitie, die in het digitale systeem wordt opgeslagen. Als de toezichthouder bij de controle een overtreding vaststelt, dan handelt de jurist dit naar prioritering af. De werkwijze in onze gemeente is gebaseerd op het beginsel dat toezicht in eerste instantie een preventieve werking moet hebben die eruit bestaat dat wettelijke voorschriften worden nageleefd zonder sanctionering. Overtredingen kunnen zo al in een vroegtijdig stadium worden voorkomen. In de praktijk blijkt dat in veel gevallen toezichthouders met aansporingen en waarschuwingen ervoor (kunnen) zorgen dat bestuursrechtelijke sanctie-instrumenten niet hoeven te worden ingezet. Daarbij staat de burger centraal, wat betekent dat onze dienstverlening altijd gericht is op klantvriendelijkheid richting de burger. Als er, na afweging van alle belangen, niet hoeft te worden opgetreden doen we dat niet. De manier van werken bij toezicht en handhaving krijgt vorm in een soort controle. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in preventief, actief en reactief toezicht. PARTNERS
REGIONALE UITVOERINGSDIENST REGIO LIMBURG NOORD (RUD LN) In 2010 ontstond de wettelijke verplichting om op regionale schaal samen te werken in de vorm van regionale uitvoeringsdiensten (ook wel omgevingsdienst genoemd) om op die manier voldoende expertise te borgen op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving. In onze regio leidde dat tot de Regionale Uitvoeringsdienst Limburg Noord (RUD LN). Dit is een netwerkorganisatie. Hetgeen inhoudt dat de medewerkers van de RUD LN in dienst zijn van de deelnemende gemeenten en dat het werk jaarlijks vooraf volgens een VTH-uitvoeringsprogramma wordt verdeeld over de deelnemende gemeenten. Waarbij eerst wordt gekeken of de eigen toezichthouders de benodigde kennis en expertise hebben. Is dat niet het geval dan wordt de zaak verdeeld via het coördinatiecentrum van de RUD LN. Een toezichthouder kan dus zowel werken onder de vlag van de gemeente als onder die van de RUD LN, afhankelijk van welke taak deze uitvoert. Binnen de RUD LN heeft de gemeente Horst aan de Maas de zogenaamde basistaken belegd (bijlage 26). De RUD LN gaat steeds meer over op risico gestuurde en informatie gestuurde handhaving. Dit houdt in dat de inzet van middelen wordt gebaseerd op analyses, zodat toezicht wordt gehouden dáár waar nodig is.
Hiermee wordt zo effectief en efficiënt omgegaan met de middelen die de gemeenten beschikbaar stellen en is de winst voor de gezonde duurzame fysieke leefomgeving het hoogst.
Ook gaat de RUD LN over op programmatisch toezicht. Dit is een probleemgerichte aanpak waarbij het gedrag van de mensen (doelgroepen) als uitgangspunt wordt genomen voor de te bepalen toezicht- en handhavingsstrategie. Door op een systematische manier de doelgroepen en hun naleefgedrag te bepalen kunnen de meest effectieve handhavingsinstrumenten worden toegepast. Dit leidt tot een verhoging van de kwaliteit van de dienstverlening van de RUD LN en de effectiviteit en efficiëntie van toezicht en handhaving. Het programmatische karakter maakt het mogelijk dat de RUD LN voor al haar gemeenten een zo veel mogelijke uniforme werkwijze kan realiseren. Dit komt het gelijke speelveld en het rechtsgevoel van de inwoners ten goede. Door informatie gestuurd en met meetbare doelstellingen te werken kunnen wij in een jaarlijkse cyclus het effect meten, rapporteren en onze capaciteit zo doelgericht mogelijk aanpassen en inzetten. De gemeenten en de RUD LN kunnen samen de indicatoren bepalen die in het jaarverslag worden opgenomen. Dit stelt de RUD LN in staat om in het gemeentelijke jaarverslag een rapportage op basis van outcome te geven, zodat duidelijk wordt in hoeverre de beleidsdoelen worden gehaald. NB. Ten tijde van het op stellen van dit beleidsplan loopt bij de omgevingsdienst een project ter kwaliteitsverbetering.
GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING VENRAY – HORST AAN DE MAAS Sinds 2000 is toezicht en handhaving in gemeente Horst aan de Maas met een gemeenschappelijke regeling in zijn geheel belegd bij de gemeente Venray. De GR met Venray wordt geleidelijk ontbonden. Tot en met 2024 wordt het aantal uren dat Venray uitvoert afgebouwd. Gelijktijdig wordt in Gemeente Horst aan de Maas een eigen team toezicht en handhaving opgebouwd. Ter verduidelijking er wordt in deze ook onderscheid gemaakt tussen de basistaken (RUD LN) en thuistaken. Een uitgebreid overzicht van deze taken is toegevoegd als bijlage 26. De basistaken hebben betrekking op de meer complexe milieutaken en worden onder regie van RUD LN uitgevoerd. Onder de thuistaken vallen onder meer de simpele milieutaken, bouwen, reclame, inritten, kappen en slopen (zgn. BRIKS-taken), klachten en meldingen, die niet-milieu-gerelateerd zijn en het casemanagement voor vergunningaanvragen. De thuistaken worden daarmee enerzijds door de VTH-medewerkers van Gemeente Horst aan de Maas uitgevoerd en anderzijds uitbesteed aan gemeente Venray. DE POLITIE EN OPENBAAR MINISTERIE (OM) In het geval strafrechtelijk optreden is vereist, bijvoorbeeld bij de vervolging van milieuovertredingen en/of situaties waarbij sprake is van economische delicten, vindt afstemming met de politie en het OM plaats.
Daarnaast vindt er op dossierniveau ook afstemming plaats met de politie en het OM, bijvoorbeeld bij de aanpak van ondermijning, een constatering van een hennepkwekerij in een woning of het sluiten van een horeca-inrichting.
48
VEILIGHEIDSREGIO LIMBURG NOORD (VRLN) Op gebied van risicobeheersing en brandveiligheid worden de toezichtstaken uitgevoerd door collega’s van de VRLN. Concreet gaat het om toezicht en advisering met betrekking tot brandveiligheid bij vergunningprocedures en evenementenvergunningaanvragen. Daarnaast controleren zij objecten conform een met de gemeente afgestemd uitvoeringsprogramma brandveiligheid. OVERIGE Daarnaast wordt samengewerkt met overige ketenpartners als een onderwerp of casus daarom vraagt. Hierbij kan gedacht worden aan politie, openbaar ministerie, Waterschap en overige overheidsinstanties. INTEGRALE AANPAK Controles worden zoveel mogelijk integraal uitgevoerd (zie ook bijlage 16). Welke vorm van integraal toezicht gehanteerd wordt, hangt sterk af van de situatie van de inwoner of het bedrijf. Deze integrale aanpak ligt in lijn met het uitgangspunt dat er zo min mogelijk (administratieve) lasten zijn voor bewoners, ondernemers, et cetera. Ook wordt hiermee tegemoetgekomen aan de eisen in de Omgevingswet (Wabo) aan het toezicht worden gesteld waarin is voorgeschreven dat het bestuursorgaan zijn controles moet afstemmen en coördineren om te voorkomen dat gemeentelijke toezichthouders en andere toezichthouders (bijvoorbeeld de VRLN) onwetend van elkaar bedrijven bezoeken.
Indien gecoördineerd toezicht niet mogelijk is, blijven de controles vanuit de verschillende vakgebieden uitgevoerd worden. Gebiedsgericht toezicht vormt de basis van het algemeen toezicht in de fysieke leefomgeving.
49
BIJLAGE 25: BASISTAKEN EN THUISTAKEN
BASISTAKEN (O.G.V. OMGEVINGSWET(WABO) RUD LN Taken opgenomen in Package Deal (laatstelijk aangepast 21 april 2017) VERGUNNINGVERLENING, MELDING • Alle activiteiten ter voorbereiding van omgevingsvergunningverlening waarvoor GS of B&W het bevoegd gezag is (IPPC-industrieel, IPPC • Activiteiten waarvoor voorheen een vergunningsplicht gold en waarvoor een individuele toets plaatsvindt, de omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) • Alle inrichtingen (al dan niet meldingsplichtig) die activiteiten uitvoeren in één of meerdere van de branches onder 3. MILIEUTOEZICHT • Alle omgevingsvergunningsplichtige activiteiten • Bedrijfsmatige sloopactiviteiten • Vergunningsplichtige inrichtingen • Activiteiten waarvoor vergunningsplicht geldt • Activiteiten met stoffen en preparaten (EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie chemische stoffen), afvalstoffen (lozen, storten, verzamelen en transport) MILIEUTOEZICHT BIJ MELDINGSPLICHTIGE INRICHTINGEN • glastuinbouw en open teelt • veehouderijen behalve melkrundveehouderijen • champignonkwekerijen • loonwerkers • metaal- en elektrotechnische industrie • afvalsector (opslag en be- en verwerking, inclusief autodemontage) • industriële vervaardiging van voedingsmiddelen • groothandel in voedingsmiddelen • koel- en vrieshuizen • veilingen van landbouw-, tuinbouw- en visserijproducten • textielindustrie • kunststofindustrie (verwerking
thermoplasten) • schietbanen • ijsbanen en skihellingen • betonmortelindustrie en betonproductenindustrie, o.m. vervaardiging cement, gips en kalk • windturbines • warmtekracht- installaties • vervaardigen papier en kartonwaren
• crematoria • grafische industrie • textielreinigingsbedrijven • timmerfabrieken waar coaten plaats vindt • chemische behandeling van natuursteen • opslag vuurwerk • rioolwaterzuiveringsinstallaties • bodemsaneringen • laboratoria • bunkerstations • foto-ontwikkelcentrales • havensector • (niet-academische) ziekenhuizen MILIEUTOEZICHT BIJ • activiteiten rondom natuurlijke hulpbronnen (olie-, gaswinning) • bodemkwaliteit, bodemsanering • (ketengericht) gevaarlijke afvalstoffen, bedrijfsafvalstoffen, asbest c.a. THUISTAKEN (GEMEENTELIJKE TAKEN) (Nb. Vergunningsplichtig met milieudeel: altijd RUD LN) Niet-basistaken • (Milieu)toetsing en (milieu)toezicht van activiteiten o.g.v. het Activiteitenbesluit van (niet- vergunningsplichtige) meldingsplichtige inrichtingen, die níet tot het basistakenpakker behoren. (bijv. melkrundveehouderijen, horeca-inrichtingen) • Opsporen van milieudelicten 19 OVERIGE TAKEN • BRIKS-taken (Bouwen, Reclame, Inritten, Kappen en Slopen) • Klachten/meldingen niet milieu-gerelateerd • Casemanagement • Handhaving • Meldingen asbest, bodem, bouwstoffen • Juridisch advies bij vergunningverlening of handhaving • Milieuadvies ruimtelijke plannen • APV-taken (kappen, inritten, geluidmeten bij evenementen)
50
VTH-BELEID 2023 – 2026 OMGEVINGS- EN KLANTGERICHT VERGUNNEN: VOORSPELBAAR TOEZICHT EN HANDHAVING
Voorwoord Geachte lezer, Voor u ligt het VTH-beleid (vergunningen, toezicht en handhaving) 2023 - 2026 van de gemeente Horst aan de Maas. Met dit beleid wordt aangesloten op de ambities en uitdagingen van de gemeente Horst aan de Maas, de huidige wet- en regelgeving en de praktijk op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Het voorwoord van het Hoofdlijnenakkoord 2022 – 2026 beschrijft voor welke uitdagingen we staan en wat dit van ons allen vraagt. In iets aangepaste vorm herhalen we onze woorden: “In Horst aan de Maas staan we voor grote maatschappelijke uitdagingen. Bijvoorbeeld op het gebied van klimaat en duurzaamheid, ondernemen en de arbeidsmarkt, gezondheid en demografie. Onze samenleving verandert hoe dan ook. Het is aan ons allemaal om richting te geven aan die veranderingen. We luisteren goed naar onze inwoners, zijn koersvast, durven scherpe keuzes te maken en leggen deze ook uit. Wij zijn ons ervan bewust dat we niet iedereen tevreden kunnen stellen. We kiezen voor wat ons verbindt en ons verder brengt. Ambitie en nuchterheid gaan hierin samen. Zo blijft Horst aan de Maas een fantastische gemeente om te wonen, te werken, te ondernemen en te recreëren. Meer dan ooit tevoren streven we naar balans. Schaalvergroting kan, mits het een verantwoorde keuze is in het licht van andere opgaven.
Economische ontwikkelingen moeten in balans zijn en wegen we af tegen alle aspecten waarop die ontwikkeling van invloed zijn. Dit vraagt om een samenwerkende manier van denken en doen. Gemeenteraad, College van B&W, ambtelijke organisatie en de gemeenschap: open en met vertrouwen in elkaar! Daar moeten we aan werken”. Voor de uitvoering is het credo dat we omgevings- en klantgericht vergunnen en voorspelbaar toezicht houden en handhaven. Belangrijk uitgangspunten hierbij zijn transparante besluitvorming, heldere kaders en het dienstverlenend, transparant, effectief en efficiënt inzetten van de beschikbare middelen. Hiermee geven wij tevens richting aan een goede invulling van de VTH-kwaliteitscriteria. De kwaliteitscriteria – die 2 december 2016 bestuurlijk zijn vastgesteld in de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Horst aan de Maas – gaan over vakmanschap (kritieke massa), transparantie en bestuurlijke vastlegging (procescriteria) en de minimale ondergrens binnen werkprocessen (inhoudelijke eisen en prioriteitstelling). Het voorliggende VTH-beleid bestaat uit twee onderdelen. Het eerste deel (A) geeft weer wat de hoofdlijnen voor de gemeente zijn. Daarin leest u wat de visie, uitgangspunten, doelen, prioriteiten en strategieën zijn op het gebied van VTH.
Het tweede deel (B) is een bijlagenboek waarin de onderwerpen uit het eerste deel gedetailleerd zijn uitgewerkt. Met vriendelijke groet, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas
VTH-BELEID 2023 – 2026 DEEL A HOOFDLIJNEN OMGEVINGS- EN KLANTGERICHT VERGUNNEN: VOORSPELBAAR TOEZICHT EN HANDHAVING
3
INHOUD DEEL A
1.
ALGEMEEN ............................................................................................... 5
2.
ONTWIKKELINGEN .................................................................................. 7
3.
MISSIE, VISIE EN DOESTELLINGEN ...................................................... 9
4.
RISICOANALYSE EN PRIORITERING ................................................... 11
5.
BORGING EN UITVOERING .................................................................. 14
6.
MONITORING EN EVALUATIE............................................................... 15
1.
ALGEMEEN
INLEIDING Voor u ligt het vergunningen-, toezicht- en handhavingsbeleid 2023-2026 (VTH-beleid) van de gemeente Horst aan de Maas. Dit VTH-beleid schetst het kader waarbinnen wij uitvoering geven aan de vergunning-, toezicht- en handhavingstaken op het gebied van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet (Wabo, APV en bijzondere wetten). Vergunningverlening, toezicht en handhaving zijn instrumenten om bredere doelstellingen en ambities benoemd in het hoofdlijnenakkoord 2022 – 2026 in het fysieke domein te realiseren. Het VTH-beleid geeft weer hoe wij een eenduidige werkwijze en een integrale afweging van de inzet van beschikbare middelen willen realiseren. Het VTH-beleid biedt verder de belangrijkste basis voor het jaarlijks opstellen van het uitvoeringsprogramma voor VTH. Hierin worden de concrete werkzaamheden en prioriteiten vastgelegd. In het VTH-jaarverslag wordt aangegeven of de beoogde doelstellingen zijn behaald. Belangrijk om te beseffen is dat er, vanwege de ontwikkelingen op het gebied van het Omgevingsrecht, zoals de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb), de woningopgave en de klimaatdoelstellingen, de komende jaren veel in de werkwijze van de VTH-taken verandert. Dit beleid is een momentopname in 2023 en in deze beleidsperiode zal er veel wijzigen.
Om deze reden is dit VTH-beleid een dynamisch document dat wij tussentijds kunnen aanpassen als de veranderende wet- en regelgeving hierom vraagt.
SCOPE. WAAROVER GAAT DIT BELEIDSKADER? Het beleidskader VTH gaat over vergunningverlening, toezicht en handhaving in de fysieke leefomgeving voor zover dit onder het bevoegd gezag van onze gemeente valt. In onderstaand schema brengen we deze verantwoordelijkheden zo overzichtelijk mogelijk tot uitdrukking. Het beleidskader gaat over de blauwe taken, niet over de grijze (provinciale) taken. VERANTWOORDELIJKHEDEN VTH Milieu en ruimtelijke ordening (Wabo) Algemene Plaatselijke Basistaken waarvoor de Overige Verordening uitvoering bij de omgevingsdienst Wabo-taken (APV) en (RUD) ligt (met name bedrijven (o.a. met een zwaardere omgevings- bijzondere wetten (bv milieubelasting) vergunningen evenementen, voor de allerzwaarste (overige horecaactiviteit milieuzwaardere exploitatie, bouwen en inrichtingen (5 milieubelastende exploitatie slopen). bedrijven in bedrijven) arbeidsmigranten Horst a/d huisvesting, etc) Maas) Bevoegd gezag
DOEL VAN HET BELEIDSKADER VTH Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving is erop gericht om de wetten en het beleid met betrekking tot de fysieke leefomgeving (dat door de landelijke wetgever respectievelijk de gemeenteraad is vastgesteld), in de praktijk te brengen. Het doel van het beleidskader is om richting te geven aan de uitvoering van de VTHtaken door de gemeente Horst aan de Maas, waarmee voldaan wordt aan zowel de wettelijke verplichting alsmede aan de afspraken die met de provincie zijn gemaakt naar aanleiding van het interbestuurlijk toezicht. Hiermee zetten we stappen in de verdere versterking van VTH binnen onze organisatie, maar ook daarbuiten waar het gaat over de dienstverlening. Met het VTH-beleid brengen we de basis verder op orde. In het nieuwe beleid wordt tevens aangesloten op actuele gemeentelijke ambities, inzichten uit de praktijk en meest recente wet- en regelgeving.
Provincie / College
Gemeente / College
Gemeente / College
Gemeente / BGM
Vergunningen
OG/RUD
OG
ATH
Toezicht
ATH/RUD
ATH
ATH
Handhaving
ATH/RUD
ATH
ATH
Portefeuillehouder: Wethouder Vergunningen (WABO) Wethouder Toezicht & Handhaving (WABO) Burgemeester OG = Team Omgeving – ATH = Team APV-vergunningen, toezicht en handhaving – RUD = Regionale Uitvoeringsdienst Limburg-Noord
5
VERHOUDING TOT DE REGIONALE UITVOERINGSDIENST LIMBURG NOORD (RUD LN) Gemeenten en provincie zijn wettelijk verplicht om de uitvoering van de VTH-taken ten aanzien van bedrijven met een zwaardere milieubelasting via een regionale omgevingsdienst te organiseren. Dit takenpakket wordt veelal aangeduid als ‘basistaken’. Hierdoor is het beter mogelijk om de benodigde specialistische kennis en professionaliteit te borgen. De verplichting ten aanzien van de uitvoering doet formeel niets af aan de formele bestuurlijke verantwoordelijkheden. De omgevingsdienst in onze regio is de Regionale Uitvoeringsdienst Limburg-Noord (RUD LN). De omgevingsdiensten staan momenteel landelijk in de aandacht omdat is geconstateerd dat de kwaliteit van de VTH-taken in heel Nederland beter moet. De RUD LN werkt op dit moment aan een flinke versterking van de organisatie en taakuitvoering. Wij zullen de raad in april nader informeren over de (o.a. financiële) consequenties hiervan. Om te zorgen dat bedrijven in verschillende gemeenten zoveel mogelijk gelijk behandeld worden (level playing field) dienen de gemeenten die samenwerken in de omgevingsdienst een regionaal uniform uitvoerings- en handhavingsbeleid vast stellen voor de basistaken (de dik omkaderde taken in bovenstaand schema).
Mocht er verschil bestaan tussen het regionaal beleidskader en het onderhavige lokale kader, dan prevaleert het regionale kader. Gemeenten mogen alleen in positieve zin (sterkere bescherming van de leefomgeving) afwijken van het regionale kader. In de praktijk zal zich dat niet of nauwelijks voordien omdat het lokale en regionale kader synchroon zijn ontwikkeld. WAT IS DE KERN VAN DIT NIEUWE BELEIDSKADER?
zijn activiteiten die ook onder de ‘basistaken’ vallen. Deze prioritering is inhoudelijk niet wezenlijk anders dan de afgelopen jaren. . KWALITATIEVE STRATEGIEËN: Het nieuwe VTH-beleid bevat, in vergelijking met het verleden, veel duidelijkere uitgangspunten voor de wijze waarop we sturen op preventie (voorkomen van overtredingen), vergunningverlening, toezicht, handhaving en – in zeer uitzonderlijke gevallen – gedogen. Deze strategieën zijn opgenomen in Bijlage B (bijlage 11 tot en met 21). Met deze strategieën zetten we een kwaliteitskader neer voor een goede VTHtaakuitvoering. BELEIDSCYCLUS (BIG EIGHT): VAN PRIORITEITEN NAAR UITVOERING EN VERANTWOORDING Het VTH-beleid werken wij jaarlijks uit in een uitvoeringsprogramma. Het uitvoeringsprogramma is een concreet actieplan voor het betreffende jaar waarbij we aangeven hoe we de (financiële en personele) middelen in het betreffende jaar inzetten. Het uitvoeringsprogramma sturen wij ter informatie naar de provincie (IBT) en de gemeenteraad. Met het Jaarverslag VTH verantwoorden we ons over de gerealiseerde uitvoering en de resultaten. Op deze manier doorlopen wij de ‘Big Eight’ cyclus. LEESWIJZER Dit VTH-beleid bestaat uit twee onderdelen.
Het deel A dat nu voor u ligt geeft op hoofdlijnen aan wat voor de gemeente de visie, uitgangspunten, doelen, prioriteiten en strategieën zijn op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Het tweede deel B is een bijlagenbundel. Hierin worden de onderwerpen uit dit eerste deel gedetailleerd uitgewerkt.
PRIORITERING OP BASIS VAN GEOBJECTIVEERDE RISICOANALYSE: 100% waterdichte uitvoering van VTH-taken (met name toezicht) is onbetaalbaar, onmogelijk en onwenselijk. Daarom is in dit beleidskader een risicoanalyse uitgevoerd om onderscheid te maken tussen verschillende typen activiteiten; tussen een kantoorpand en een industrieel complex, tussen kleine buurtbarbecue en groot risicovol evenement. Per activiteit is een risico-score bepaald op basis van het samenspel van het effect van niet-naleving en de kans dat niet-naleving zich voordoet. De risicoanalyse dient als objectieve grondslag voor de prioriteitstelling. Met andere woorden: voor het toezicht op activiteiten met een hogere risico-score (bijvoorbeeld een vuurwerk-opslag) stellen we meer capaciteit beschikbaar dan voor het toezicht op activiteiten met een lagere risicoscore (een regulier kantoorpand). In aanvulling op de, via de risicoanalyse onderbouwde, prioriteiten hebben we als college een aantal projectmatige prioriteiten toegevoegd, te weten: landschappelijke inpassingsplannen, huisvesting van arbeidsmigranten, jeugdoverlast, energiebesparing en IPPC-vergunningen. De laatste 2
6
2.
ONTWIKKELINGEN
TERUGBLIK
INTERBESTUURLIJK TOEZICHT Het vorige VTH-beleid liep in 2020 ten einde. Op basis van interne en externe beoordelingen, waaronder het Interbestuurlijk Toezicht door de provincie bevatte dit beleid nog niet alle noodzakelijke en wenselijke onderdelen. Het samenvattend Inter Bestuurlijk Toezicht (IBT)-eindoordeel omgevingsrecht over het jaar 2020-2021 laat zien dat aan de gemeente Horst aan de Maas op het onderdeel Wabo een “matige” taakbehartiging en op het onderdeel Wro “onvoldoende” taakbehartiging is toegekend. Als verbeterpunt geeft het IBT samengevat aan dat de beleidscyclus niet goed gevolgd is en een kwaliteitsslag behaald kan worden in de beleidscyclus en daaraan verbonden structuren, documenten en rapportages. Deze aanbevelingen zijn in 2021 en 2022 opgepakt en krijgen verder vorm door uitbreiding van de capaciteit in uitvoering, beleid en ondersteuning, in dit VTH-beleid, de risicoanalyse waaruit prioritering volgt, de vertaling naar jaarlijkse uitvoeringsplannen en periodieke monitoring op de uitvoering. De verwachting is dat de beleidscyclus hiermee een nieuwe impuls krijgt en dan actief (bij)gestuurd kan worden op risico's, doelstellingen, kwaliteit en kwantiteit binnen de gegeven capaciteit.
VERGUNNINGEN In 2021 en 2022 is binnen team Omgeving, mede ter voorbereiding op de komst van de Omgevingswet, ingezet op het verbeteren van de werkprocessen van vergunningverlening. Zo is er een centrale ingang gekomen voor een snelle triage van vergunningaanvragen en zijn twee omgevingsregisseurs aangesteld voor de begeleiding van complexe vergunningaanvragen. TOEZICHT EN HANDHAVING In 2021 is de gemeenschappelijke regeling met Venray op toezicht en handhaving ontbonden waarbij hij gefaseerd wordt afgebouwd. Tot en met 2024 worden er steeds minder uren afgenomen bij Venray en wordt er een eigen team toezicht en handhaving binnen de gemeente Horst aan de Maas opgericht. Doel van het terughalen van de taken is om de organisatie en aansturing van toezicht en handhaving te vereenvoudigen, gegeven het feit dat er ook in regionaal verband al een samenwerkingsvorm is (de RUD LN). In 2022 is het team APV-vergunningen, Toezicht en Handhaving opgericht en is de capaciteit uitgebreid met administratieve ondersteuning, 1 BOA, milieutoezichthouders, juristen, een beleidsmedewerker en bouwtoezichthouders.
VOORUITBLIK
INTEGRAAL VTH-BELEID Integraal VTH-beleid vindt plaats binnen bestuurlijk vastgelegde kaders (o.a. wetgeving) in de fysieke leefomgeving en in dat kader gemeentelijk vastgestelde beleidsplannen (b.v. gezondheidsbeleid). In dit VTH-beleid komen op verschillende thema’s, deze onderwerpen samen. Denk hierbij aan thema’s als milieu, bouwen, veiligheid, gezondheid en energie. Overall en zwaarwegend geldt voor het VTH-beleid de Wet VTH en de daarvan afgeleide Verordening Kwaliteit VTH. DE OMGEVINGSWET EN WET KWALITEITSBORGING VOOR HET BOUWEN De inwerkingtreding van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen vragen de meeste aandacht. Deze twee wetten stellen de gemeente tot uitdagingen op het gebied van processen, een andere manier van werken en financiën. Te denken valt aan het wegvallen van de bouwkundige toetsing, verschuiving werkzaamheden naar het voortraject en participatie. Onder de Omgevingswet verhuist een aantal regels van het Rijk naar gemeenten. Dit is de zogenaamde bruidsschat. Deze bruidsschat omvat voornamelijk regels over bouwwerken, open erven en terreinen en regels over milieubelastende activiteiten (bv bodemsaneringen). De impact van deze overheveling van taken is op het moment van schrijven van deze notitie nog niet inzichtelijk.
Aannemelijk is dat de bruidsschat consequenties zal hebben op het taakveld en de capaciteit van toezicht en handhaving. GEZONDHEIDSBELEID Gezondheidsbeleid is al een gemeentelijke taak, maar wordt met de komst van de Omgevingswet belangrijker. De Omgevingswet heeft onder andere als doel om de gezondheid van inwoners explicieter mee te wegen bij besluiten over de inrichting van de fysieke leefomgeving. De vraag is nog hoe dat precies gedaan moet worden. Dit VTHbeleid ziet op de wettelijke taken die een relatie hebben met de fysieke leefomgeving voor zover hieraan een vergunningen, toezicht of handhaving taak aan is verbonden.
7
VEILIGHEID Ook dient de gemeenteraad een Integraal Veiligheidsplan (IVP) op te stellen waarin de doelen op het terrein van veiligheid worden vastgelegd. Het IVP is hiermee een basis voor de operationele inzet op lokale veiligheidsprioriteiten door gemeente, politie en andere organisaties. De gemeenteraad van Horst aan de Maas heeft het IVP voor 2020 – 2023 op 21 januari 2020 vastgesteld. MAATSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGEN Door een reeks ingrijpende maatschappelijke ontwikkelingen zoals energietransitie/ klimaatbeleid, klimaatadaptatie, circulaire grondstoffen en de stikstofproblematiek worden de VTH-werkzaamheden complexer en daarmee ook belangrijker. Daarnaast ligt er een grote woningopgave. Door deze ontwikkelingen staat de gemeente voor allerlei organisatorische en financiële vraagstukken. Dit heeft invloed op de manier van (samen)werken op het gebied van VTH. Wij zijn ons hiervan bewust en proberen hier met dit VTH-beleid op in te spelen.
distantie te oordelen over deze inrichtingen. Deze regionale organisatie laat onverlet dat de gemeente bestuurlijk aanspreekbaar (‘bevoegd gezag’) blijft voor VTH ten aanzien van bedrijven in de betreffende gemeente. In onze regio is deze samenwerking georganiseerd via de ‘Regionale Uitvoeringsdienst Limburg-Noord (RUD LN), ook wel aangeduid als Omgevingsdienst Limburg-Noord. In 2021 is landelijk geconstateerd op basis diverse analyses dat de milieuzorg door in geheel Nederland tekortschiet en dat het stelsel van omgevingsdiensten aanzienlijk versterkt dient te worden. Dit geldt des te meer voor de Omgevingsdienst LimburgNoord. Mede door het gekozen netwerkkarakter is de huidige samenwerking te vrijblijvend met negatieve gevolgen voor de milieuzorg in de regio. Door het Algemeen Bestuur van de omgevingsdienst is op 7 juli 2022 een plan van aanpak ter verbetering vastgesteld. De gemeente Horst aan de Maas stuurt op een ambitieuze en voortvarende implementatie van dit plan van aanpak. De gevolgen hiervan zullen in 2023 duidelijk worden.
ORGANISATORISCHE ONTWIKKELINGEN Zowel in de politiek als in de samenleving is het besef doorgedrongen dat een er flink tandje moet worden bijgezet op het gebied van toezicht en handhaving in Horst aan de Maas. Dit kwam o.a. tot uitdrukking in gesprekken over maatschappelijke thema’s zoals veiligheid, intensieve veehouderij en huisvesting arbeidsmigranten. Daarom is er in (aanloop naar) 2021 gestart met knelpuntenanalyse waaraan vervolgens acties zijn gekoppeld op diverse onderdelen met het doel de organisatie van vergunningen, toezicht en handhaving robuuster te maken voor de toekomst. De uitkomsten van deze analyse zijn eerder uitgewerkt in het ‘Jaarverslag 2021, Vergunningen, Toezicht en Handhaving’, vastgesteld d.d. 19 juli 2022. AUTOMATISERING: SQUIT20/20 EN RX -MISSION Squit20/20 is een zaaksysteem dat wordt gebruikt voor o.a. het beheren van de werkvoorraad en het vastleggen van inspectiegegevens. Ook het inrichtingenbestand is in Squit verwerkt. Squit20/20 is het zaaksysteem waar vanaf het eerste kwartaal van 2022 in Horst aan de Maas mee gewerkt wordt. Dit zaaksysteem gaat over in RXMission, een gezamenlijke uniforme VTH-applicatie voor alle RUD LN ketenpartners. Dit zal onder andere de integrale aanpak van zaken en onderlinge informatie-uitwisseling ten goede komen.
VERSTERKING OMGEVINGSDIENST LIMBURG-NOORD Sinds 2010 is de uitvoering van VTH-taken ten aanzien van zwaardere milieuinrichtingen verplicht georganiseerd via regionale omgevingsdiensten omdat individuele gemeenten niet in staat bleken om voldoende expertise op te bouwen en met voldoende
8
3.
MISSIE, VISIE EN DOESTELLINGEN
• •
In dit hoofdstuk beschrijven wij de missie, visie en doelstellingen voor de komende vier jaar. Aan de hand van deze missie, evaluatie van het vorige beleid en de eerder benoemde ontwikkelingen geven wij in onze visie aan hoe wij hier met VTH invulling aan geven. De doelstellingen geven invulling aan onze missie en visie. De activiteiten die we uitvoeren om de doelen te bereiken, worden nader uitgewerkt in de jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s. Het monitoren van deze activiteiten krijgt eveneens verder vorm in voornoemd programma. Op het einde ronden wij de cyclus af met een evaluatie en indien nodig bijstelling van het VTH-beleid. MISSIE
“Een veilige en gezonde fysieke woon- en leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit bereiken en in stand houden: zorgen voor nu en werken aan morgen” VISIE
•
ACTIVITEITEN – WAT GAAN WE DAARVOOR DOEN? • • • •
• •
•
Naast de primaire doelstelling, het bevorderen van naleving van wet- en regelgeving om een veilige, gezonde fysieke leefomgeving te bereiken, hebben wij nog een aantal doelstellingen voor de komende beleidsperiode geformuleerd. Deze doelstellingen geven invulling aan onze missie en visie. Allereerst zetten we neer wat we willen bereiken (het doel), daarna geven we aan wat we daarvoor gaan doen (de activiteit) en wanneer we tevreden zijn (het gewenste resultaat). •
Werkprocessen VTH aanpassen aan de Omgevingswet en Wet kwaliteit voor het bouwen. De VTH-taken uitvoeren zoals benoemd in dit VTH-beleid en bijbehorend uitvoeringsprogramma. De werkwijze prioritair werken inbedden in onze werkwijze en de medewerkers hierin begeleiden. De strategieën en werkwijze inbedden in onze dagelijkse werkzaamheden.
GEWENST RESULTAAT – WANNEER ZIJN WE TEVREDEN? • •
DOELSTELLINGEN
Verlenen van een hoog dienstverleningsniveau binnen redelijke termijnen. Behouden en verbeteren van de kwaliteit, fysieke veiligheid en duurzaamheid van de leefomgeving. Voorkomen van overtredingen en het verbeteren van naleefgedrag. Leveren van maatwerk met oog voor algemene belangen.
Daarnaast
• “Het behouden en bevorderen van een leefbare, gezonde, veilige leefomgeving. Hierbij werken we vanuit een tweebenig principe van buiten naar binnen en streven we ernaar om met elkaar nieuwe initiatieven die bijdragen aan onze maatschappelijke opgaven mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan. Dit doen wij terwijl we er op toezien dat dit gebeurt volgens weten regelgeving”
De komende beleidsperiode doorlopen wij een VTH-cyclus die voldoet aan de wettelijke kwaliteitseisen voor de uitvoering van de VTH-taken. De komende beleidsperiode implementeren wij uniforme werkwijzen aan de hand van de risicoanalyse en prioritering. De komende beleidsperiode realiseren wij de borging van de rechtsgelijkheid en draagvlak door een eenduidige strategie en werkwijze te hanteren op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving.
• •
Als we voldoen aan de wettelijke (minimale) eisen voor inwerkingtreding van de Omgevingswet en Wet kwaliteit voor het bouwen. Als het werken volgens de cyclus een vanzelfsprekendheid is en die voor alle medewerkers een tastbare bijdrage levert aan de kwaliteit van de VTH-taken. Wanneer wij volgens een uniforme manier prioritair werken en dat de prioritering sturend is voor de tijdsbesteding aan een zaak. Als het werken volgens de afgesproken werkwijze en strategieën een vanzelfsprekendheid is en leidt tot uniforme werkafspraken en werkprocessen.
Toezicht en handhaving is niet een opzichzelfstaand doel, maar vormt een belangrijk onderdeel van de publieke taak en is onlosmakelijk verbonden met het vergunning- en melding stelsel binnen de wet- en regelgeving.
De komende beleidsperiode realiseren wij (aangepaste) werkwijzen en processen die aansluiten op de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen.
9
UITGANGSPUNTEN BIJ DE UITVOERING VTH -TAKEN We hanteren hierbij de volgende bestuurlijke uitgangpunten: • • • •
Integraal werken. Risicogericht werken. Betrouwbaar en transparant doen wat gedaan moet worden. Professionele besluitvorming met voldoende kennis en kunde.
10
4.
RISICOANALYSE EN PRIORITERING
Er zal nooit voldoende capaciteit zijn om alle VTH-taken uitputtend uit te voeren. Uitvoering geven aan VTH-beleid betekent dan ook keuzes maken en prioriteiten stellen. Dit gebeurt aan de hand van een prioriteitstelling waar een risicoanalyse aan ten grondslag ligt. Hiermee maakt het bestuur keuzes ten aanzien van de inzet van capaciteit en middelen.
WAARBORGEN VAN EEN GOED LEEFKLIMAAT
Om de medewerkers zo effectief mogelijk in te zetten, is bepaald welke activiteiten (van
NATUUR EN LANDSCHAP BESCHERMEN TEGEN ONGEWENSTE INVLOEDEN
evenementen tot bedrijfsactiviteiten met specifieke milieurisico's en van het bouwen van een woning tot het huisvesten van arbeidsmigranten et cetera) binnen de gemeente worden uitgevoerd, welke hoge prioriteit hebben en welke lage. Deze afweging vindt plaats door toepassing van een risicomodel. Het model biedt de mogelijkheid om op basis van een risico inschatting en prioritering de inzet te bepalen.
Het behoud c.q. herstel van een goed woon- en leefmilieu. Het handhavingsbeleid moet ervoor zorgen dat een bepaalde basiskwaliteit van de fysieke leefomgeving van de gemeente wordt gewaarborgd.
Natuur en landschap kunnen de dupe worden van bepaalde overtredingen, terwijl deze zich hier niet tegen weren kunnen. Dat we als gemeente hier onze verantwoordelijkheid nemen en waken voor dit gemeengoed is daarom van groot belang. Gestreefd wordt te voorkomen dat omgevingskwaliteiten ongewenst onder druk (kunnen) komen te staan.
De inzet op activiteiten met een lage prioriteit is minder dan op activiteiten met een hoge prioriteit. Hierbij kan gedacht worden aan de diepgang van toetsing van een vergunningaanvraag of een toezichtmoment, de bezoekfrequentie van toezicht en de wijze waarop klachten en meldingen in behandeling worden genomen (nu doen of later inplannen).
WAARBORGEN VAN DE RECHTSGELIJKHEID
UITLEG RISICO -ANALYSE EN PRIORITERING
VOORKOMEN EN OPHEFFEN VAN ONRUST
Bij het maken van een risicoanalyse onderzoekt het college wat de risico’s zijn op het gebied van volksgezondheid, duurzaamheid, fysieke veiligheid, sociale kwaliteit, en maatschappelijke en bestuurlijke integriteit. Deze risico’s worden gewaardeerd.
Het voorkomen/opheffen van maatschappelijke gevoelens van angst, ongerustheid en ergernis die gevoed worden door de omstandigheid dat regels (van omgevingsrecht) overtreden worden.
Voor alle relevante activiteiten die in het kader van VTH-taken worden uitgevoerd, is een risico-inschatting gemaakt. Dit risico is bepaald volgens een vaste methodiek, waarbij verschillende beoordelingscriteria in acht zijn genomen. De score wordt bepaald door voor elke activiteit een inschatting te maken van het negatieve effect op ieder criterium als gevolg van overtreding van deze activiteit. Vervolgens wordt de kans op een overtreding en daarmee ook de mate van het naleefgedrag aangegeven. Het gemiddelde van de negatieve effecten, vermenigvuldigd met de kans op een overtreding bepaalt het risico. Hoe hoger het risico, hoe groter de kans dat de negatieve effecten zich voordoen en hoe groter de kans op overtreding (slecht naleefgedrag) met als gevolg des te groter de capaciteit die op deze activiteit moet worden ingezet.
Een halt toe te roepen aan rechtsongelijkheid en ongewenste precedentwerking te voorkomen. Verder strekt het handhavingsbeleid ertoe te voorkomen dat programma’s door informele en niet beleidsmatige toezeggingen worden doorkruist.
De negatieve effecten die zich kunnen voordoen zijn vertaald naar de volgende gebieden. Hiermee zijn de effecten objectief meetbaar. • • • •
Volksgezondheid (gebruik toxische stoffen, locatie met asbest, emissie naar lucht); Duurzaamheid (bodem, water, lucht, natuur, klimaat, circulariteit); Fysieke veiligheid (gevaar indicatie VNG, opslag en gebruik gevaarlijke stoffen); Sociale kwaliteit (overlast & leefbaarheid (overlast als gevolg van geur, geluid, licht, stof en verkeer);
Daarnaast zijn er twee gebieden die de kans op niet-naleving bevatten. NEGATIEVE EFFECTEN VOORKOMEN EN TEGENGAAN WAARBORGEN VAN EEN VEILIGE LEEFOMGEVING
• •
Attitude (politieke gevoeligheid, klachten, houding & gedrag, imago); Naleving (kennis van regels, normgetrouwheid, sanctie ernst et cetera);
Het voorkomen en opheffen van gevaar, overlast en schade voor inwoners, bedrijven en instanties die het gevolg is van het overtreden van regels van omgevingsrecht.
11
METHODIEK
1
Landelijke/bestuurlijke prioriteit
Jeugd (overlast)
Om het negatieve effect van een overtreding te bepalen worden voor de verschillende risicogebieden punten toegekend en vormen zo de waardering van het negatief effect. De kans dat een negatief effect ontstaat, wordt op basis van ervaringsgegeven van het naleefgedrag gewaardeerd. Hiermee ontstaat door de formule: “Effect (negatief effect) X Kans (de kans dat dit effect voorkomt) = Risico”.
2
Landelijke/bestuurlijke prioriteit
Energie
3
Regionale/bestuurlijke prioriteit
Optioneel aanvullend vanuit RUD LN
4
Lokale prioriteiten n.a.v. risico-analyse
Dumping chemisch afval (drugs)
5
Lokale prioriteiten n.a.v. risico-analyse
Illegaal slopen met asbest
6
Lokale prioriteiten n.a.v. risico-analyse
Geluidhinder overig
7
Lokale prioriteiten n.a.v. risico-analyse
Illegaal slopen (rijks- en gemeentelijke monumenten / beschermd dorpsgezicht)
8
Lokale prioriteiten n.a.v. risico-analyse
Veehouderijen
9
Lokale prioriteiten n.a.v. risico-analyse
Bouwen in strijd met Bouwbesluit
10
Lokale prioriteiten n.a.v. risico-analyse
Illegale bewoning
11
Lokale prioriteiten n.a.v. risico-analyse
Overige industrie
12
Lokale prioriteiten n.a.v. risico-analyse
Arbeidsmigranten
Met de uitkomst, het risico, komen de prioriteiten in beeld. Het risico kent de waarden zeer hoog tot zeer laag risico. Categorie
Risico
Rood
Zeer hoog risico
Oranje
Hoog risico
Geel
Gemiddeld risico
Blauw
Laag risico
Groen
Zeer laag risico
PRIORITEITEN NIEUWE BELEIDSPERIODE De prioritering werkt vooral door in de manier waarop toezicht wordt gehouden en wordt gehandhaafd. Dit betekent dat aan elk prioriteitsniveau een toezichtfrequentie en intensiteit verbonden kan worden. Dit vertaalt zich vervolgens naar inzet van mensen en middelen. Gezien de (per definitie) beperkte toezichts-en handhavingscapaciteit kiest de gemeente Horst aan de Maas ervoor om de prioritering direct te vertalen in het jaarlijkse uitvoeringsprogramma. De risicoanalyse is zijn nader uitgewerkt en opgenomen in bijlage 7 tot en met 10 van deel B (Bijlagenbundel.