CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

RIB.22.008 Heroverweging houtige biomassa

Gemeenteraad 25 januari 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Raadsinformatiebrieven18.344 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het uitgangspunt is dat het afvalhout een vochtpercentage heeft van circa 15% en een energie-inhoud van circa 16,5 GJ per ton bij een ds gehalte van 15% 12.

Tabel 3-1: Overzicht van houtige biomassastromen uit huishoudelijk afval en industrieën

Type houtafval

Volume Horst a/d Maas [tons ds]

Volume RES-NML [tons ds]

Volume 80 km van Horst [tons ds]

Beschikbaar Energie voor energie- [GJ] toepassing RES-NML [ton ds]

Huishoudens (A-& B-hout) Huishoudens (C-hout) Houtindustrie

216

12.307

82.901

466 (4%)

9.036

4

1.387

8.250

0

0

0

2.162

34.830

865 (40%)

16.785

Meubelindustrie

87

2.460

19.303

984 (40%)

19.101

Overige industrie

158

3.237

26.497

745 (23%)

14.454

Totaal

464

21.554

171.782

3.059

59.377

Om de beschikbaarheid voor de energietoepassing in te schatten, is een verhouding tussen A- & B-hout aangehouden van 10% zuiver A-hout en 90% AB-hout. Van de gemixte samenstelling is circa 90% Bhout. Dit betekent dat circa 16% van het totale volume aan A- en B-hout A-hout is. Van deze stroom is circa 23% beschikbaar voor energietoepassingen. Om B-hout te mogen verbranden zijn speciale vergunningen nodig, die binnen de RES-NML regio niet zijn afgegeven. Er vindt dus geen B-hout verbranding plaats in de regio, waardoor deze potentie op 0% is gezet. C-hout is niet geschikt voor energietoepassingen omdat het niet in Nederland verwerkt wordt.

12

BVOR, Kwaliteitsboring van hout als brandstof, 2014, https://nbkl.nl/sites/nbkl.nl/files/publicaties/Houtchips%20als%20brandstof.pdf 25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

13

Projectgerelateerd

Het houtafval vanuit de industrie dat beschikbaar is voor energietoepassingen wordt voor de hout- en meubelindustrie geschat op 40% en 23% vanuit de overige industrie. Onderstaande grafiek laat de vergelijking zien van het totale beschikbare volume houtafval in de RES-Regio ten opzichte van het geschatte volume beschikbaar voor energietoepassingen en de daaruit volgende gesommeerde energie dat hieruit geproduceerd kan worden door verbranding. Dit resulteert in een totaal van bijna 60 TJ.

Ten opzichte van de gehele regio heeft de gemeente Horst aan de Maas zelf een bescheiden bijdrage aan de hoeveelheden houtafval die vrijkomen. Vanuit de straal van 80 km van Horst komen grote hoeveelheden houtafval vrij. De grote hoeveelheid uit de industrie komt ten dele van een aantal houtbewerkingsbedrijven (verduurzaming, zagerijen) in Gelderland en Noord-Brabant.

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

14

Projectgerelateerd

4.

Update SDE-lijst in RES-NML

Bij de eerdere analyse van de SDE-lijst, om daarbij de vraagcapaciteit aan verbranding in beeld te brengen, zijn een aantal kanttekeningen geplaatst. Dit betreft onder andere de volgende punten: • Mogelijk zijn er dubbeltellingen van installaties waarbij een oudere installaties is vervangen door een nieuwe, maar beiden zijn opgenomen in de lijst; • Op de lijst zijn mogelijk ook vergistingsinstallaties opgenomen; • Gezien landelijk niet alle SDE++ projecten daadwerkelijk worden gerealiseerd binnen de termijn van 4 jaar, is er mate van onzekerheid hoe de vraag naar biomassa in de toekomst ontwikkeld; • In hoever de biomassa installaties gebruikmaken van de biomassa uit bos, landschap en bebouwde omgeving ten opzichte van andere biomassa stromen. Deze en aanvullende punten zijn meegenomen in een update van de SDE-lijst, op basis van een recentere versie is van 1 juli 2021.

Update van SDE lijst De productie van warmte en elektriciteit uit biomassa in de RES-Regio NML is in grote lijnen gelijk aan de eerdere inventarisatie (SDE-lijst peildatum 22-9-2020). Twee projecten zijn sindsdien vervallen en meerdere zijn inmiddels gerealiseerd, hierdoor zijn er verschillen in de totale cijfers. Om de onzekerheid omtrent dubbeltellingen weer te geven, zijn er twee scenario uitgewerkt per onderzoeksgebied. Een ‘hoog’ scenario aan energievraag (verbrandingscapaciteit) waarbij uitgegaan is dat er geen dubbeltellingen zijn. Omdat oude installaties niet vervangen zijn door nieuwere en dus beiden in gebruik zijn. En een ‘laag’ scenario aan energievraag waarbij op basis van postcode gekeken wordt waar mogelijk installaties vervangen zijn of vervangen worden, bij ‘te realiseren’, en oudere installaties op die postcode die daarbij niet worden meegenomen in de optelling. Door een beperking in tijd en gegevens van aanvragers, in verband met AVG, is niet per aanvraag te achterhalen of er sprake is vervanging of uitbreiding. Daarom is er gekozen om met bovenstaande twee scenario’s te werken per onderzoeksgebied om het bereik aan verbrandingscapaciteit weer te geven. Tot 2010 werden bio-energie installaties voor het vergisten en verbranden van biomassa gezamenlijk opgenomen onder dezelfde categorie in SDE.

Hierdoor zijn er installaties die geen houtige biomassa verbruiken meegeteld in de eerdere inventarisatie. Op basis van verdere onderzoek naar de betreffende installaties die tot 2010 vergund zijn, blijkt dat vier van vijf installaties in de RES-Regio vergistingsinstallaties zijn. Deze vier vergistingsinstallaties verbruiken dus geen houtige biomassa. In de update van de lijst zijn de vergistingsinstallaties eruit gefilterd om tot de vraagcapaciteit voor houtige biomassa te komen. Uit analyse van historische SDE+ biomassa projecten in de RES-regio sinds 2018 wordt het grote merendeel gerealiseerd, met uitzonderling van één installatie in Californië. Vanuit deze historische analyse wordt uitgegaan dat de nog te realiseren biomassa installatie met een SDE-gunning ook daadwerkelijk zal worden gerealiseerd in de nabije toekomst. Uiteraard zou dit kunnen veranderen in de komende jaren door verwijzingen in beleid, energiemarkt en maatschappelijke kaders. Daarom wordt er een onderverdeling gemaakt tussen de huidige productie uit biomassa door SDE-installaties (kolom gerealiseerd) en de voorspelde toekomstige productie (kolom nog te realiseren).

Resultaten van bijwerking van de SDE+-lijst In Tabel 4-1 wordt een overzicht gegeven van de totale energieproductie, op basis van de beschikte productie per installatie, per onderzoeksgebied, scenario (hoog en laag) en de huidige (gerealiseerd) en toekomstige vraag (nog te realiseren). 25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

15

Projectgerelateerd

Tabel 4-1: Energievraag van SDE-biomassa installaties in Horst a/d Maas en RES-NML bij verschillende scenario’s:

Scenario:

Gerealiseerd [GJ/j]

Te realiseren [GJ/j]

Totaal [GJ/j]

hoog

180.000

401.652

581.652

laag

108.000

401.652

437.652

hoog

1.622.901

1.439.496

3.062.397

laag

1.538.209

1.359.569

2.733.159

Horst a/d Maas

RES-NML

In RES-regio Noord- en Midden Limburg is de huidige productie uit biomassa tussen de 1.622.901 en 1.538.209 GJ per jaar (resp. 450.806 en 427.280 MWh per jaar), waarvan tussen 180.000 en 108.000 GJ afkomstig is uit de gemeente Horst aan de Maas. Deze productie is hoger dan de eerdere inventarisatie als gevolg van de realisatie van drie installaties sindsdien, terwijl er ook een installatie van de lijst is verwijderd. Dit is bovenop de correctie voor de vier vergistingsinstallaties, die uit de lijst zijn gefilterd. In de komende drie jaar zal naar verwachting de energieproductie in de RES-regio stijgen naar totaal tussen 3.062.397 en 2.733.159 GJ per jaar (resp. tussen 850.666 en 759.211 MWh per jaar). Dit is zou een stijging zijn van circa. 80-90% in de RES-regio ten opzichte van nu. In Horst aan de Maas zou naar verwachting de energieproductie dan tussen 581.652 en 437.652 GJ per jaar zijn, wat een stijging zou zijn van circa 120-200% van de huidige productie (vraag). Deze cijfers liggen iets lager dan de eerdere inventarisatie op basis van de SDE-lijst van 9-2020 door de realisatie van drie installaties in de tussenliggende periode en doordat er geen nieuwe SDE-aanvragen gehonoreerd zijn sindsdien. Kanttekeningen geactualiseerde SDE-cijfers Bij deze cijfers van de beschikte productie zijn een aantal kanttekeningen te maken.

De energetische vraag naar biomassa zal hoger uitvallen door efficiëntie verliezen bij omzetting naar warmte en elektriciteit. Hierdoor zal de vraag ten opzichte van aangegeven productiecapaciteit circa. 5 á 15% hoger liggen, afhankelijk van het type installatie en eindgebruiker(s) van de warmte en elektriciteit. Daarnaast zijn de cijfers op basis van de verwachte productie die worden aangegeven bij de SDEaanvraag, waardoor in praktijk het mogelijk is dat er een lagere productie gerealiseerd wordt. Echter zal dit beperkt zijn doordat de business case, en subsidies voor installaties groter dan 5MWth, ongunstiger wordt. De cijfers van de beschikte productie, op basis van SDE-beschikkingen, worden dan ook gezien als een geschikte indicator van de reële energetische vraag naar biomassa in RES-Regio NML. In bijlage 1 is bijgewerkte lijst opgenomen van SDE+-projecten in RES-Regio NML.

Andere gebruikers van beschikbare biomassa Naast biomassa installaties voor warmte- en elektriciteitsopwekking zijn er ook (potentieel) andere gebruikers van biomassa stromen. In praktijk is het zo dat geen enkele biomassastroom geoormerkt is voor één specifieke eindgebruiker, en andersom. Hierdoor zal basis van prijs gedreven marktwerking en vergunningseisen de vraag en diversiteit van eindgebruikers per stroom variëren. Wel zijn de type eindgebruikers van houtige biomassa die zich op de markt bevinden in kaart te brengen: -

Huishoudens met houtkachel;

-

Landschap beheerders voor bodem nutriënten;

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

16

Projectgerelateerd

-

Ondernemers met een bestaande installatie kleiner dan 500kWth;

-

Palletfabrikanten en reparateurs;

-

Spaan- en vezelplaat fabrikanten;

-

Papier en karton fabrikanten.

Deze partijen zullen ook (deels) meedingen voor het potentiële beschikbare biomassastromen, waardoor het aanbod voor de SDE-installatie beperkter is dan het totaal aan potentiële biomassa. Wat de exacte verhouding is in de RES-regio is, is moeilijk te duiden door de dynamiek in de zakelijke en lokale (informele) markten en gebrek aan informatie hiervan.

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

17

Projectgerelateerd

5.

Biomassa balans in RES Noord- en Midden Limburg

Op basis van de resultaten uit de eerdere hoofdstukken is de balans op te maken tussen de vraag naar en aanbod van biomassa in de RES-regio Noord- en Midden Limburg. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar de huidige situatie met gerealiseerde installaties en de toekomstige situatie inclusief geplande installaties.

Huidige biomassa balans in RES Noord- en Midden Limburg In Tabel 5-1 wordt de balans opgesteld tussen de vraag en aanbod aan potentiële biomassa voor huidige situatie. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen de hoog en laag scenario’s uit hoofdstuk 4 en de oorsprong van de biomassa, specifiek de onderzoeksgebieden en type biomassa. Tabel 5-1: Huidige balans tussen vraag en aanbod in RES-NML en 80km rijafstand van Horst, bij hoog en laag vraagscenario's

RES-NML Hoog-scenario vraag:

Balans tussen vraag (rechts) en aanbod (hieronder) in GJ per jaar:

Laag-scenario vraag:

1.622.901

1.538.209

Aanbod RES-Regio NML Houtige biomassa uit bos, landschap en bebouwde omgeving

669.332

-953.569

-868.877

Totaal houtige biomassa, inclusief reststromen uit industrie en huishoudens

727.958

-894.943

-810.251

Aanbod 80km rijafstand rondom Horst13 Houtige biomassa uit bos, landschap en bebouwde omgeving

1.629.687

6.786

91.478

Totaal houtige biomassa, inclusief reststromen uit industrie en huishoudens

2.219.894

596.993

681.685

Binnen de RES-Regio NML is er een tekort aan houtige biomassa van zowel uit bos, landschap en bebouwde omgeving beheer als aan houtige biomassa van reststromen uit industrie en huishoudens. De balans tussen houtige biomassa uit bos, landschap en bebouwde omgeving beheer en de vraag van SDEinstallaties verschilt circa een factor 2,3 (laag scenario). Als reststromen worden meegenomen, wetende dat dit beperkt mogelijk is met de bestaande installaties, wordt het verschil circa. een factor 2,1 (laag scenario). Dit laatste komt door relatief beperkte reststromen binnen de RES-regio. Binnen een straal van 80km rijafstand van de kern van Horst is er een klein overschot aan houtige biomassa uit bos, landschap en bebouwde omgeving beheer. Indien ook reststromen deels benut worden door SDE-installaties is er meer biomassa beschikbaar voor RES-NML binnen een straal van 80km rijafstand van de kern van Horst. Dit is afhankelijk van de betreffende SDE-voorwaarden en technische 13

In dit onderzoeksgebied is dus geen rekening gehouden met de in dit gebied aanwezige gebruikers die ook een claim leggen op het beschikbare potentieel aan houtige biomassa. In deze tabel wordt enkel de vraag vanuit de RES-Regio NML weergegeven, niet de vraag van de RES-Regio’s die in de straal van 80 kilometer rond Horst gelegen zijn. 25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

18

Projectgerelateerd

capaciteit van de installaties in hoeverre deze reststromen gebruikt kunnen worden. De balans binnen de 80km straal zou kunnen verklaren hoe de huidige installaties hun vraag kunnen voldoen, gezien dit het economische zoekgebied is. Hierbij dient wel beseft te worden dat in het 80 km straal zoekgebied ook lokale gebruikers van houtige biomassa zijn die ook een claim leggen op de beschikbare houtige biomassa in het eigen gebied.

Toekomstige biomassa balans in RES Noord- en Midden Limburg In Tabel 5-2 wordt de balans opgesteld tussen de vraag en aanbod aan potentiële biomassa in de nabije toekomst. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen de hoog en laag scenario’s uit hoofdstuk 4 en de oorsprong van de houtige biomassa, specifiek de onderzoeksgebieden en type houtige biomassa. Tabel 5-2: Toekomstige balans tussen vraag en aanbod in RES-NML en 80km rijafstand van Horst, bij hoog en laag vraagscenario's

RES-NML Hoog-scenario vraag:

Balans tussen vraag (rechts) en aanbod (hieronder) in GJ per jaar:

Laag-scenario vraag:

3.062.397

2.733.159

Aanbod RES-Regio NML Houtige biomassa uit bos, landschap en bebouwde omgeving

669.332

-2.393.065

-2.063.827

Totaal houtige biomassa, inclusief reststromen uit industrie en huishoudens

727.958

-2.334.439

-2.005.201

Aanbod 80km rijafstand rondom Horst13 Houtige biomassa uit bos, landschap en bebouwde omgeving

1.629.687

-1.432.710

-1.103.472

Totaal houtige biomassa, inclusief reststromen uit industrie en huishoudens

2.219.894

-842.503

-513.264

Binnen de RES-Regio NML zou er een tekort komen aan houtige biomassa van zowel uit bos, landschap en bebouwde omgeving beheer als aan reststromen uit industrie en huishoudens. De balans tussen houtige biomassa uit bos, landschap en bebouwde omgeving beheer en de vraag van SDE-installaties verschilt circa een factor 4,1 (laag scenario). Als reststromen worden meegenomen, wetende dat dit beperkt mogelijk is met de bestaande installaties, wordt het verschil circa. een factor 3,8 (laag scenario). Dit laatste komt door relatief beperkte reststromen binnen de RES-regio. Binnen een straal van 80km rijafstand van de kern van Horst zal er een tekort zijn aan biomassa uit bos, landschap en bebouwde omgeving beheer. Indien ook reststromen deels benut worden door SDEinstallaties is er nog steeds een tekort aan biomassa voor RES-NML binnen een straal van 80km rijafstand van de kern van Horst. De balans kan naar verwachting alleen voldaan worden als installaties in staat zijn en gebruik maken van biomassa uit een bredere omtrek dan 80km of uit naastgelegen buurlanden.

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

19

Projectgerelateerd

6.

Conclusie en aanbevelingen Conclusie

Op basis van de resultaten van deze second opinion blijkt dat de vraag naar geschikte biomassa in de RES-Regio Noord- en Midden Limburg groter is dan het aanbod. In de komende jaren zal de vraag in de RES-Regio zeer waarschijnlijk verder stijgen met de nog te realiseren installaties, die reeds een SDEbeschikking hebben ontvangen. Hierdoor zal er houtige biomassa geïmporteerd moeten worden om aan de vraag te kunnen (blijven) voldoen. De Probos studie is naar onze inziens een globale benadering om het houtige biomassa potentieel in de RES-Regio en omliggende gebied in 80km rijafstand te bepalen. De resultaten uit de Probos studie, specifiek voor houtige biomassa uit bos en landschap beheer, zullen eerder aan de hoge kant zijn dan lage. Dit doordat sommige overwegingen betreft duurzaamheid en economische factoren niet meegenomen schijnen te zijn. Hierdoor zal het aanbod aan biomassa hoger ingeschat zijn door Probos dan dat werkelijk beschikbaar is. Houtige reststromen uit industrie en afvalstromen kunnen een bijdrage leveren, maar zijn qua aanbod beperkt binnen de RES-Regio en daarnaast ook beperkt geschikt. Uit deze stromen kwalificeert alleen onbehandeld hout (A-hout) voor inzet in bio-energie installaties, conform de huidige SDE-regeling en beleid. Uitzondering hierop zijn installaties geschikt voor B-hout, waarvan er geen in de RES-Regio gepland zijn.

De vraag, op basis van SDE-beschikkingen in RES-Regio Noord- en Midden Limburg, is in lijn met de eerdere analyse. Wel is er een marge van onzekerheid betreft de mogelijke vervanging van installaties en de werkelijke vraag naar biomassa in de praktijk, maar deze zullen de verhouding tussen vraag en aanbod niet significant wijzigen. Deze verhouding (tekort aan houtige biomassa) zal ook hoger uitvallen door de vraag van andere biomassa gebruikers op de markten van de betreffende stromen.

Aanbevelingen Uit de resultaten, inzichten en expertise doen wij de volgende aanbevelingen/suggesties: -

Onderzoek mogelijkheden om beschikbare biomassa en biodiversiteit te vergroten door het plaatsen van landschapselementen (houtwallen, heggen, etc.) in RES-Regio Noord- en Midden Limburg;

-

Treedt in gesprek met initiatiefnemers voor nieuwe installaties betreft het sourcen van biomassa;

-

Gezien nieuwe installaties op een zeer waarschijnlijke verzadigde markt voor biomassa zullen toetreden, is het wenselijk om de kansrijkheid van initiatieven te toetsen, specifiek betreft de te gebruiken biomassa.

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

20

Projectgerelateerd

7.

Bronnen

Afvalfonds verpakkingen Verpakkingen in de circulaire economie recycling verpakkingen Nederland 2018, oktober 2019 https://afvalfondsverpakkingen.nl/a/i/Verpakkingen-in-de-circulaire-economie-recycling-verpakkingenNederland-2018.pdf Algemene Vereniging Inlands Hout https://www.avih.nl/bosbasics/kennis-a-z/sortiment/ en https://www.avih.nl/bosbasics/kennis-a-z/zaaghout/ Geraadpleegd op 18 oktober 2021. BVOR Kwaliteitsboring van hout als brandstof, 2014 https://nbkl.nl/sites/nbkl.nl/files/publicaties/Houtchips%20als%20brandstof.pdf CE Delft en Royal HaskoningDHV BioScope Toepassingen en beschikbaarheid van duurzame biomassa CE Delft, feb 2020 CE_Delft_190186_Bio-Scope_Def.pdf Gemax BV Verkenning instrumenten afvalhout Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, maart 2021 https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2021/03/10/verkenninginstrumenten-afvalhout/verkenning-instrumenten-afvalhout.PDF G.J. Nabuurs et al Nederlands bosbeheer en bos- en houtsector in de bio-economie Wageningen Environmental Research, Wageningen, september 2016 J. Oldenburg De Nederlandse rondhoutketen In: Vakblad natuur bos landschap, januari 2018, blz. 34 – 36. http://www.probos.nl/images/pdf/artikelen/VNBL_jan2018_de_nederlandse_rodhoutketen.pdf K.

Hendriks et al Kwantificeren koolstofeffecten van beheermaatregelen (concept) Wageningen Environmental Research, Wageningen, juli 2021 Martijn Boosten et al Beschikbaarheid van Nederlandse verse houtige biomassa in 2030 en 2050 Stichting Probos, Wageningen, juni 2018 Burgermeester en wethouders Gemeente Horst aan de Maas Raadsinformatiebrief Houtige biomassa, 19 juli 2021 RIB Houtige biomassa (horstaandemaas.nl) RES Noord- en Midden Limburg 1.0 https://www.resnml.nl/media/2021-07/RES-Noord--en-midden---1.0-Def.(1).pdf

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-

Projectgerelateerd

Rijksdienst voor Ondernemende Nederland Brochure SDE++, oktober 2021 Brochure SDE++ oktober 2021 (rvo.nl) Staatscourant per 1 oktober 2021 Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021 Artikel 46 Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021 Stichting Probos, Potentieel van houtige biomassa in de RES-regio Noord- en Midden Limburg Stichting Probos en Borgman Beheer Advies, april 2021 Tauw Knelpuntenanalyse houtrecycling Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, december 2017 Waldbaukonzept Nordrhein-Westfalen - Empfehlungen für eine nachhaltige Waldbewirtschaftung Ministerium für Umwelt, Landwirtschaft, Natur- und Verbraucherschutz des Landes Nordrhein-Westfalen, Düsseldorf, November 2019 https://www.umwelt.nrw.de/fileadmin/redaktion/Broschueren/waldbaukonzept_nrw.pdf

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-

Projectgerelateerd

Bijlage 1: Lijst van Biomassa energie installatie in RES-NML Op basis van RVO – SDE(+) lijst van projecten in beheer, versie 1 juli 2021. Projecten in beheer SDE(+), peildatum 1 juli 2021 Aan dit bestand kunnen geen rechten worden ontleend. De projecten weegegeven als *** zijn geanonimiseerd vanwege art. 10, tweede lid, onder aanhef en letter e van de Wet openbaarheid van bestuur.

Projecten die sinds 22 september uit de lijst zijn verwijderd: SDE1261685 Venray SDE1823791 Horst - Californië Toegevoegde/aangepaste kolomen door RHDHV:

SDE ronde SDE 2009 SDE+ 2012 SDE+ 2012 SDE+ 2013 SDE+ 2014 SDE+ 2014 SDE+ 2015 SDE+ 2015 SDE+ 2016 II SDE+ 2016 II SDE+ 2016 II SDE+ 2016 II SDE+ 2016 II SDE+ 2016 I SDE+ 2016 I SDE+ 2016 II SDE+ 2017 II SDE+ 2018 I SDE+ 2018 I SDE+ 2018 I SDE+ 2018 I SDE+ 2018 I SDE+ 2018 I SDE+ 2018 I SDE+ 2018 I SDE+ 2018 II SDE+ 2019 I SDE+ 2019 I SDE+ 2019 I SDE+ 2019 II SDE+ 2019 II SDE+ 2020 I

Referentie SDE0980028 SDE1203725 SDE1205604 SDE1357049 SDE1469189 SDE1477089 SDE1500033 SDE1598891 SDE1638361 SDE1658295 SDE1673923 SDE1674485 SDE1677105 SDE1677260 SDE1689230 SDE1694526 SDE1715555 SDE1810834 SDE1811692 SDE1813494 SDE1814150 SDE1815460 SDE1816312 SDE1818982 SDE1819332 SDE1820189 SDE1910685 SDE1911747 SDE1915401 SDE1928550 SDE1928552 SDE2015478

25-10-2021

Thema Biomassa Biomassa warmte Biomassa warmte Biomassa warmte Biomassa warmte Biomassa warmte Biomassa warmte Biomassa Biomassa Biomassa warmte Biomassa Biomassa Biomassa Biomassa warmte Biomassa Biomassa warmte Biomassa Biomassa Biomassa Biomassa Biomassa Biomassa Biomassa Biomassa Biomassa Biomassa Biomassa Biomassa Biomassa Biomassa Biomassa Biomassa

Categorie 2009 Vergisting en verbranding <= 10 MW (HE) 2012 Ketel vaste biomassa >= 0,5 MW (HW) 2012 Ketel vaste biomassa >= 0,5 MW (HW) 2013 Ketel vaste biomassa >= 0,5 MW (HW) 2014 Ketel vaste biomassa < 5 MW (HW) 2014 Ketel vaste biomassa < 5 MW (HW) 2015 Ketel vaste biomassa < 5 MW (HW) 2015 Thermische conversie <= 10 MWe (HEW) 2016 Thermische conversie <= 100 MWe (HEW) 2016 Ketel vaste biomassa < 5 MW (HW) 2016 Thermische conversie <= 100 MWe (HEW) 2016 Thermische conversie <= 100 MWe (HEW) 2016 Thermische conversie <= 100 MWe (HEW) 2016 Ketel vaste biomassa < 5 MW (HW) 2016 Thermische conversie <= 100 MWe (HEW) 2016 Ketel vaste biomassa < 5 MW (HW) 2017 Thermische conversie <= 100 MWe (HEW) 2018 Ketel vaste biomassa >= 5 MW staffel (HW/E) 2018 Ketel vaste biomassa >= 5 MW staffel (HW/E) 2018 Ketel vaste biomassa >= 5 MW staffel (HW/E) 2018 Ketel vaste biomassa >= 5 MW staffel (HW/E) 2018 Ketel vaste biomassa < 5 MW (HW/E) 2018 Ketel vaste biomassa < 5 MW (HW/E) 2018 Ketel vaste biomassa >= 5 MW staffel (HW/E) 2018 Ketel vaste biomassa >= 5 MW staffel (HW/E) 2018 Ketel vaste biomassa < 5 MW (HW/E) 2019 Ketel vaste biomassa < 5 MW (HW/E) 2019 Ketel vaste biomassa >= 5 MW staffel (HW/E) 2019 Ketel vaste biomassa < 5 MW (HW/E) 2019 Ketel vaste biomassa < 5 MW (HW/E) 2019 Ketel vaste biomassa >= 5 MW staffel (HW/E) 2020 Ketel vaste biomassa >= 5 MW staffel (HW/E)

Postcode

Plaats lokatie

Provincie

Gemeente Horst a/d Maas ? RES-NML?

5804 CL 5961 NZ 5991 NN 5991 RA 5813** 5851** 6086** 5993 SG 5981 NC 5813** 5987 AP 5808** 5804 AR 6035 SN 5993 PB 5851** 5813 BH 5971 NJ 5961 NZ 6035 PG 6035 PB 5808 AG 5816 AJ 5985 NA 5963 6086** 5813** 5813 BG 5991 NN 6005** 5804 CL 5961**

VENRAY HORST BAARLO LB BAARLO LB YSSELSTEYN LB AFFERDEN L NEER MAASBREE PANNINGEN YSSELSTEYN LB EGCHEL OIRLO VENRAY OSPEL MAASBREE AFFERDEN L YSSELSTEYN LB GRUBBENVORST HORST OSPEL OSPEL OIRLO VREDEPEEL GRASHOEK HEGELSOM NEER YSSELSTEYN LB YSSELSTEYN LB BAARLO LB WEERT VENRAY HORST

LI LI LI LI LI LI LI LI LI LI LI LI LI LI LI LI LI LI LI LI LI LI LI LI LI LI LI LI LI LI LI LI

RES NML Horst a/d Maas RES NML RES NML RES NML RES NML RES NML RES NML RES NML RES NML RES NML RES NML RES NML RES NML RES NML RES NML RES NML RES NML Horst a/d Maas RES NML Horst a/d Maas RES NML RES NML RES NML RES NML RES NML RES NML Horst a/d Maas RES NML RES NML RES NML RES NML RES NML RES NML RES NML Horst a/d Maas RES NML

Vermogen

1,800 4,850 0,600 0,850 0,500 1,063 1,000 15,900 7,500 1,000 10,100 3,000 14,900 1,000 2,420 1,500 9,300 14,990 5,000 5,000 5,000 0,750 1,680 5,000 5,000 0,950 1,000 5,000 1,500 0,500 14,900 14,800

Eenheid vermogen

MW MW MW MW MW MW MW MW MW MW MW MW MW MW MW MW MW MW MW MW MW MW MW MW MW MW MW MW MW MW MW MW

Beschikte productie per jaar Eenheid productie

12.852,00 20.000,00 2.400,00 5.950,00 1.085,56 4.250,00 2.440,00 67.431,90 56.250,00 2.700,00 75.750,00 18.792,25 111.750,00 4.000,00 16.500,00 6.000,00 69.750,00 44.970,00 15.000,00 15.000,00 15.000,00 2.250,00 5.040,00 15.000,00 15.000,00 1.404,17 3.000,00 42.500,00 4.500,00 850,00 126.650,00 66.600,00

MWh MWh MWh MWh MWh MWh MWh MWh MWh MWh MWh MWh MWh MWh MWh MWh MWh MWh MWh MWh MWh MWh MWh MWh MWh MWh MWh MWh MWh MWh MWh MWh

Looptijd [jr.]

12 12 12 12 12 12 12 12 12 12 12 12 12 12 12 12 12 12 12 12 12 12 12 12 12 12 12 12 12 12 12 12

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

Maximale subsidie [€]

Opstelling zon-pv

20.254.752 2.671.044 380.160 1.236.783 347.031 1.358.640 686.083 55.024.431 38.475.000 874.800 51.813.000 11.639.545 76.437.000 1.296.000 10.223.990 1.944.000 32.643.000 35.076.600 11.700.000 11.700.000 11.700.000 702.000 1.572.480 11.700.000 11.700.000 436.800 1.224.000 16.830.000 1.836.000 346.800 50.153.400 24.775.200

n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t.

1

Gerealiseerd (* mogelijk reeds vervangen) (** mogelijk binnenkort vervangen)

Ja** Ja* Ja** Ja Ja* Ja** Ja* Ja Ja Ja** Ja Gerealiseerd sinds 22 sep 2020 Ja Ja Ja Gerealiseerd sinds 22 sep 2020 Ja Nee Nee Nee Ja Nee Nee Ja Nee Ja Ja Gerealiseerd sinds 22 sep 2020 Ja Nee Nee Nee Nee Nee Nee

Beantwoording vragen van Horst aan de Maas door RES NML Vraag 1. Is het standpunt (concept besluit om geen medewerking meer te verlenen) vooraf aan het genomen besluit (juli 2021) besproken, toegelicht of gedeeld in de RES werkgroep Warmte? Antwoord vraag 1: Ja, eind juni en begin juli 2021 is er tussen de gemeente Horst aan de Maas en de RES contact geweest over de RIB en het onderzoeksrapport van Probos. Verbranding in RES Er wordt in de RES 1.0 gesproken over vergisting en groen gas, maar verbranding van biomassa staat eigenlijk nergens meer. Terwijl in de concept res hier toch wel duidelijke uitspraken over zijn gedaan: - Kleinschalige biomassaverbranding geeft een kans ….duurzame Bron. Echter moet nog blijken of er draagvlak hiervoor is in de regio. Dit wordt in de RES 1.0 verder uitgezocht. (pagina 90 concept RES). - Biomassa direct: gebruik van vaste biomassa voor verbranding wordt, tot het tegeldeel bewezen is, door de regio als niet wenselijk geacht (pagina 93 concept RES) In de RES 1.0 wordt echter niet meer gesproken over verbranding, echter vergisting. Vraag 2. Kun jij toelichten waarom verbranding niet meer is opgenomen in de RES 1.0 ondanks de uitspraken in de concept RES hierover? Antwoord vraag 2: De concept-RES was als consultatiedocument bedoeld.

Zie voor het antwoord het document Reactieronde Ontwerp RES1.0 consultatiedocument, dat op onze website www.resnml.nl staat. In paragraaf 2.5 (beantwoording per thema) en hoofdstuk 4 (beantwoording individuele reacties) is beschreven dat de tekst in de RES 1.0 hierover opnieuw wordt bekeken en eventueel kleine aanscherpingen worden aangebracht. Tekstcitaat: “In de RES 1.0 wordt houtachtige biomassa niet uitgesloten, maar zal wel een kritische houding worden aangenomen t.a.v. de toepassing ervan als duurzame energiebron. De tekst hierover wordt opnieuw bekeken en eventueel kleine aanscherpingen worden aangebracht.” Betekenis uitgangspunt RES In alle documenten wordt regelmatig gesproken over tijdelijke import die nodig is in de overgangsfase. Zo ook in de Uitgangspuntennotitie en de RES 1.0 zelf; - We gaan voor 100% duurzame warmte in 2050, …. dat we op termijn geen gebruik meer maken van netto import voor vergisting en verbranding. We ….een fase van import nodig kan zijn (pagina 9 Uitgangspuntennotitie) - We gaan voor 100% duurzame warmte in 2050, …..dat we op termijn geen gebruik meer maken van netto import van biomassa voor vergisting. We ….In deze fase kunnen hybride-oplossingen en import nodig zijn ….2.0. (RES 1.0 pagina 89). Ik zie een duidelijk verschil tussen het uitgangspunt zoals opgenomen in de uitgangspuntennotitie en de RES 1.0 mbt verbranding en ook vergisting.

Vraag 3. Kun je een korte toelichting geven waarom dit is veranderd waarbij voor biomassa wordt ingezet op vergisting? Antwoord vraag 3. Zie antwoord 2. Vraag 4. Wat wordt bedoeld met op termijn. Is hiervoor een planhorizon te geven?

Antwoord vraag 4. In de RES 1.0 staat in paragraaf 5.2 het volgende: “We gaan voor 100% duurzame warmte in 2050, hetgeen onder andere betekent dat we op termijn geen gebruik meer maken van netto import van biomassa voor vergisting. We bevinden ons echter aan het begin van de transitie van de uitfasering van aardgas naar 100% duurzame warmtebronnen. In deze fase kunnen hybride-oplossingen en import nodig zijn. We onderzoeken dit verder op weg naar RES-NML 2.0.” Er is dus geen planhorizon in de RES 1.0 opgenomen. Vraag 5. Er staat duidelijk geen nette import. Wordt hiermee import binnen de RES Regio bedoeld? En waar staat netto import voor (wat is dan bruto import)? Antwoord vraag 5: In de RES 1.0 is geen definitie van netto import opgenomen. Wat wordt bedoeld is dat er niet meer biomassa mag worden ingezet voor duurzame verwarming dan er ook in de RES NMLregio geoogst wordt van biomassa.

In een Meerjarenafspraak energietransitie glastuinbouw 2014-2020 en het Convenant CO2 emissieruimte glastuinbouw 2013-2020 heeft de glastuinbouwsector vastgelegd dat in 2040 de sector geen gebruik meer maakt van fossiele brandstoffen. Een ambitieus doel. Momenteel wordt hard gewerkt om nieuwe afspraken vast te leggen in een nieuw Convenant Energietransitie Glastuinbouw 2021-2030. In 2018 is een energie-inventarisatie onder 183 bedrijfslocaties in Noord-Limburg uitgevoerd. De cijfers zijn in 2020 geactualiseerd. Het betrof ongeveer 780 ha glasopstanden, zowel geclusterd in concentratiegebieden als solitaire bedrijven. Het onderzoek is uitgevoerd door Glastuinbouw Nederland. De energiebehoefte bedroeg ca 200 miljoen m3 aardgasequivalenten (a.e.), 290 GWh elektriciteit en 180 kton CO2. Ca 55 miljoen m3 a.e. werd ingevuld met geïnstalleerde duurzame energie (ca 27% van het aardgasgebruik). Dat was inclusief de twee geothermie installaties die inmiddels stilgelegd zijn. Deze zijn goed voor ca 19 miljoen m3 a.e. De overige duurzame energie wordt volledig ingevuld met biomassaverbranding. In figuur 1 is het verloop van de warmtevraag in een glastuinbouwbedrijf geschetst. Er is een continue hoeveelheid warmte die wordt gevraagd over het hele jaar. Dat is de basislast. In voor- en najaar is de warmtevraag (uiteraard) hoger. Dat noemen we de pieklast.

In veel bedrijven wordt de hele warmtevraag (basis- én pieklast) ingevuld met Warmte Kracht Koppeling (WKK). Hierbij wordt een gasmotor aangedreven die enerzijds warmte produceert en anderzijds elektriciteit. De warmte wordt gebruikt voor de verwarming, elektriciteit voor eigen verlichting óf teruglevering aan het net en de CO2 wordt (deels) afgevangen uit de rookgassen en als meststof geïnjecteerd in de kaslucht. Ook met biomassa kan de hele warmtevraag worden ingevuld. De benodigde CO 2 wordt ingekocht (al zijn er momenteel biomassa installaties waar de CO2 ook kan worden teruggewonnen). Met geothermie zou de basislast ingevuld kunnen worden. Geothermie geeft een continue stroom aan warmte en is dus niet inzetbaar voor de pieklast (figuur 2). In Glastuinbouwgebieden waar meerdere bedrijven een onderling verschoven warmtevraag hebben, kan per saldo de gezamenlijke basislast een groter aandeel hebben van de totale warmtevraag (Bijlage 1 figuur 3). Geclusterde bedrijven zijn mede daarom interessant voor een warmtenetwerk met geothermie. De sector pleit ervoor om biomassaverbranding te behouden als transitiebron. Deze techniek biedt op korte termijn de mogelijkheid om verder te verduurzamen. Ook pleit de sector ervoor om maximale inspanning te leveren om geothermie (diep en ondiep) te behouden als duurzame energiebron.

Uiteindelijk zal dit kunnen leiden tot de invulling van de basislast met geothermie (zeker bij geclusterde bedrijven) en de pieklast met een geringe hoeveelheid regionale biomassa. CO2-emissie is een belangrijk aandachtsgebied. De CO2 die de sector méér uitstoot omdat ze een deel van de elektriciteitsproductie in Nederland voor haar rekening neemt (ca 9% ?) wordt toegerekend aan de sector. Dit verklaart dat de CO2 uitstoot de laatste jaren niet is verlaagd en dat de sector gestraft wordt met boetes. Overigens heeft de sector, bij aanwending van duurzame energie, nog steeds CO 2 nodig als meststof. Dit is een belangrijke voorwaarde voor verduurzaming. Met betrekking tot de industriële verbranding van biomassa worden de emissieregels in 2022 verder aangescherpt. Ook de stand der techniek ontwikkelt zich dusdanig dat emissie uit BMC’s meer en meer worden beperkt. Bijvoorbeeld ten aanzien van CO2 zijn er technieken om deze emissie uit de uitlaatgassen te verwijderen en in te zetten als bemesting in de glastuinbouw.

BIJLAGE 1

Warmtevraag

PIEKLAST

BASISLAST

Maanden

Warmtevraag

Figuur 1 Warmtevraag glastuinbouwbedrijf gedurende het jaar. Gehele warmtevraag met WKK/ketel of biomassa.

Geothermie

Maanden

Warmtevraag

Figuur 2: Basislast ingevuld met continue geothermie; pieklast met WKK/ketel of andere duurzame energie.

Geothermie

Maanden Figuur 3: Meerdere bedrijven: Verschoven curves dus de basislast betreft een groter deel van de totale energievraag bij een glastuinbouwconcentratie (warmtenet).

De Ladder van Moerman is een model dat laat zien hoe voedsel/grondstoffen zo hoogwaardig mogelijk gebruikt kunnen worden. Het voorkomen van verspilling is de meest wenselijke situatie, en als dat niet mogelijk is het verwerken tot nieuwe grondstoffen voor veevoer of hoogwaardige materialen. Recycling, composteren of verbranden van voedsel/grondstoffenzijn de minst wenselijke opties.

Statement houtige biomassa Reactie op adviesnota heroverweging collegebesluit 19 juli 2021-1 B&W Horst a/d Maas (21.0007522)

1.INLEIDING Het college van B&W Horst aan de Maas heeft op 19 juli 2021 een besluit genomen om geen medewerking te verlenen aan uitbreiding of nieuwe capaciteit voor de omzetting van houtige biomassa in energie. Glastuinbouw Nederland heeft in de brief aan het college dd 9 september 2021 en in het gesprek dd 15 november 2021 met (een delegatie van) het college, betoogd dat de beleidsmatige onderbouwing vanuit RES en Rijksbeleid ontbreekt, vraagtekens geplaatst bij de uitgangspunten en inventarisatie van capaciteit (vraag) en aanbod aan biomassa, geconcludeerd dat de uitkomst van het onderzoek geen aanleiding geeft tot het genomen besluit én bepleit dat de inzet van houtige biomassa voor warmte een belangrijke bijdrage levert en naar de toekomst kan leveren aan het behalen van klimaatdoelstellingen en de energietransitie in het algemeen en de regio alsook regionale glastuinbouw in het bijzonder. We vinden het positief dat het college bij nader inzien het besluit “on hold” heeft gezet om het besluit te heroverwegen, dat ze het gesprek met Glastuinbouw Nederland is aangegaan en gevraagd heeft om te reageren op het conceptvoorstel tot herziening van dat collegebesluit. Onderstaand onze reactie op hoofdlijn, voor zover dat binnen het tijdsbestek van enkele dagen mogelijk was.

Graag zijn we bereid tot toelichting van onze reactie en het leveren van verdiepende informatie en aanvullende input bij nadere uitwerking in lijn met onze suggestie voor uw besluit onder punt 5. 2. CONTEXT Het is ons uiteraard niet ontgaan dat houtige biomassa onderwerp van discussie is geworden en veel teweeg brengt; in uw raad, in lokale media, op sociale media en bij burgers, bewoners en bedrijfsleven. Beeldvorming speelt een grote rol en er is weinig tot geen opening voor het verdiepen op informatie, komen tot gesprek, het wisselen van argumenten, laat staan komen tot overeenstemming. De huidige polarisatie, vooringenomenheid en, deels onjuiste, beeldvorming, toonzetting en persoonlijk aantijgingen vinden we zorgelijk. Vanuit onze kant doen we beroep op uw college om vanuit uw positie en rol partijen op te roepen elkaar te respecteren, uit te nodigen met u en elkaar in gesprek te gaan en met en voor uw raad op het onderwerp te verdiepen alsook feiten en fictie in de complexe materie te onderzoeken. Wij zijn graag bereid daaraan een bijdrage te leveren. 3. EERSTE INDRUK Bij eerste globale lezing van het voorstel vallen twee aspecten meteen op: (1) De a priori negatieve basishouding tegenover inzet van houtige biomassa voor warmte-opwek, waarvoor een overtuigende onderbouwing op basis van argumenten ontbreekt.

Het besluit cq de tekst gaat meer over hoe de inzet van houtige biomassa tegen te houden en het besluit als zodanig dán over het realiseren van duurzaamheid en het positioneren van (en verlenen van medewerking aan) houtige biomassa binnen de energietransitieopgave van het bedrijfsleven en de regio. (2) Het suggestieve woordgebruik en het presenteren van (vooronder)stellingen, meningen en onjuiste informatie als argumenten, wat objectieve en waardevrije besluitvorming op basis van feiten niet ten goede komt. Glastuinbouw Nederland betreurt de gesloten houding en is teleurgesteld in de kwaliteit van de inhoudelijke onderbouwing van het voorstel.

4. ONZE UITGANGSPUNTEN In lijn met onze eerste brief dd 9 september 2021 en het gesprek dd 15 november jl. zijn onze uitgangspunten: - Sectorambitie; glastuinbouw klimaatneutraal in 2040 en afspraken met het Rijk - Biomassa, waaronder houtige biomassa, is één van de opties om warmtevoorziening te verduurzamen en vormt integraal onderdeel van ambitie en transitie - Houtige biomassa is een stand der techniek praktisch inzetbare duurzame optie, verlaagt CO2 emissie, vervangt inzet fossiel gas en is nodig voor doelstelling 2030 - Inzet op totale warmtevraag (incl baseload) in transitiefase; op termijn piekvraag - Houtige biomassa is aanjager in transitie en drager onder warmtenetten; op termijn aanvulling met/vervanging door andere bronnen van duurzame warmte - Het Rijk ziet duurzaam geproduceerde biogrondstoffen, oa hout, als duurzaam - Houtige biomassa is thans één van de belangrijke warmte-opties voor verduurzaming van Limburgse glastuinbouwbedrijven, mede omdat geothermie (momenteel) en restwarmte niet beschikbaar zijn - Regionaal is houtige biomassa inzetbaar ten behoeve van koppelkansen glastuinbouw én gebouwde omgeving, als drager van warmte infra en opstart verduurzaming - Stand der techniek houtige biomassa centrales dienen te voldoen aan stikstofregelgeving en de (aan te scherpen) emissie-eisen (o.a.

NOx en fijnstof) omwille van luchtkwaliteit en gezonde leefomgeving - Houtige biomassa vraagt positionering en inpassing als bron van duurzame warmte in het kader regionale energieverduurzaming, energietransitie glastuinbouw en verbinding met transitie visies warmte en vervolgfase RegionaleEnergieStrategie (RES). 5. ONZE SUGGESTIE / VOORSTEL VOOR UW BESLUIT Conform bovenstaande uitgangspunten is onze suggestie om uw besluit/beslispunten te herformuleren langs de volgende lijn; - energieverduurzaming leidend maken en inzet houtige biomassa in dat kader plaatsen - belangenafwegingen in relatie tot leefomgeving, luchtkwaliteit en veilige toepassing relateren aan landelijke (aangescherpte) emissienormen, milieuregels en actuele stand der techniek - medewerking verlenen aan het oprichten of uitbreiden van houtige biomassacentrales, in situaties waar de wettelijke kaders (invloedssfeer van het activiteitenbesluit) de realisatie rechtstreeks toestaan, - voorwaardelijk medewerking verlenen aan het oprichten of uitbreiden van houtige biomassacentrales indien dat op grond van onderbouwing bijdraagt aan verduurzaming en/of milieutechnische of ruimtelijke voordelen biedt in situaties waar dat verruiming van ruimtelijke cq planologische kaders vraagt - opstellen van een visie houtige biomassacentrales Horst aan de Maas ism belanghebbende partijen (waaronder glastuinbouw) en deze uitdragen

en monitoren - parallel hieraan de verdere verduurzaming van energievoorziening van de glastuinbouwsector faciliteren alsook de lobby voor alternatieve duurzame warmte-opties (geothermie) actief ondersteunen 6. INHOUDELIJKE TOELICHTING Op de volgende pagina’s geven we nadere inhoudelijke toelichting, waar nodig en mogelijk in relatie tot uw tekst. Tevens wijzen we op enkele in het oog springende onjuiste, suggestieve en/of onduidelijke tekstpassages.

Beleidsmatige grondslag Als definitieve beleidsmatige grondslag verwijst uw adviesnota naar de Uitgangspuntennotitie RES NML, welke uw Raad 21-04-2020 heeft vastgesteld voorafgaand aan en ten behoeve van het opstellen van RES 1.0. Fijn dat die helderheid er nu uiteindelijk is. Wij constateren dat uw raad aangaande houtige biomassa in de uitgangspuntennotitie heeft uitgesproken dat (1) op termijn geen gebruik gemaakt wordt van netto-import van biomassa voor verbranding, (2) de stip voor 100% duurzame warmte in 2050 ligt en (3) we ons bevinden aan het begin van de transitiefase (van uitfasering aardgas naar 100% duurzame warmte) en dat daarin een fase van import nodig kan zijn. RES RES 1.0 heeft betrekking op gebouwde omgeving en grootschalige opwek (electra) en géén betrekking op bedrijfsleven, waaronder glastuinbouwsector. Glastuinbouw Nederland vormt geen onderdeel van de RES organisatie; ambtelijk noch bestuurlijk. In de vastgestelde RES 1.0 staat expliciet en nadrukkelijk vermeld dat géén uitspraken gedaan worden over houtige biomassa. De antwoorden van de RES organisatie (onder uw punt 1.3) op uw vragen omtrent netto import van biomassa en de termijn waarop, hebben géén zeggingskracht betrekking op deze besluitvorming omtrent houtige biomassa en glastuinbouw.

Glastuinbouw Nederland heeft overigens wél deelgenomen aan en visie en inzichten gedeeld in zogenaamde klankbordbijeenkomsten, met haar zienswijze en in gesprekken met bestuurders en werkorganisatie RES. Ondanks de input, het benadrukken van koppelkansen met glastuinbouw en het pleidooi voor een integrale benadering van het verduurzamingsvraagstuk, vinden we in de tekst RES 1.0 bitter weinig van de inbreng terug. Indien de werkingssfeer van een RES 2.0 wél betrekking zal gaan hebben op bedrijfsleven ic glastuinbouwbedrijven, zal het noodzakelijk zijn dat de sector onderdeel vormt van de RES organisatie en rekenschap gegeven wordt aan de inbreng. Quick scan/second opinion De berekeningen in de quick scan alsmede second opinion geven globaal een vergelijkbare uitkomst namelijk dat de naar schatting in bedrijf zijnde cq plus de nog te realiseren beschikte verbrandingscapaciteit respectievelijk globaal 2 cq 4 maal de berekende potentieel beschikbare regionale biomassa vraagt. De studies geven interessante informatie over potentiele beschikbaarheid van biomassa in de regio. U stelt in beslispunt 1 en onder 1.4 ten onrechte dat daarmee het collegebesluit om geen nieuwe of uitbreiding van biomassa centrales toe te staan onderbouwd is. Dat is onjuist; volgens de uitgangspuntennotitie bevinden we ons aan het begin van de transitiefase en kan daarin import nodig zijn.

De beide studies becijferen dát import nodig is. De uitgangspuntennotie levert geen basis voor het niet meewerken aan realisatie en/of uitbreiding van biomassacentrales voor duurzame warmte uit biomassa. De termijn waarop geen gebruik gemaakt wordt van netto-import is zoals u zelf aangeeft, niet bepaald. Rijksbeleid Het kabinet is ervan overtuigd dat de inzet van biomassa noodzakelijk is in de transitie naar een klimaatneutrale en circulaire economie in 2030 en 2050. Dit is een citaat uit de de kamerbrief over het duurzaamheidskader biogrondstoffen. Het kabinet ziet duurzaam geproduceerde biogrondstoffen als duurzame warmtebron. Gezien de schaarse beschikbaarheid van duurzame biogrondstoffen hecht het kabinet echter waarde aan het infaseren van hoogwaardige toepassingen, zoals grondstof voor de chemie, en de uitfasering van laagwaardige toepassingen zoals elektriciteit en lage temperatuurwarmte. In lijn met het duurzaamheidskader heeft het kabinet stappen gezet om de afgifte van subsidies voor biogrondstoffen voor lage temperatuurwarmte in o.a. de glastuinbouw uit te faseren, zo snel als dat haalbaar en betaalbaar mogelijk is, met het oog op de

klimaatdoelen. In afwachting van dit zogenoemde afbouwplan is de SDE++ subsidie houtige biomassa voor laagwaardige warmte voorlopig stopgezet. Het genuanceerde standpunt van het kabinet lijkt niet in lijn zoals het in het collegevoorstel verwoord is. Dit betreft punt 1 van het collegevoorstel en m.n. in de toelichting bij 1.9. Het is feitelijk onjuist dat er in het eindbeeld van het kabinet geen plaats is voor biomassa als energiebron, zoals in uw voorstel staat. Een andere belangrijke nuance is dat er voorlopig geen subsidie beschikbaar is voor houtige biomassa voor laagwaardige warmte in afwachting van het afbouwplan (plan voor afbouw van subsidie; niet afbouw van inzet houtige biomassa). Voor het afbouwplan heeft het kabinet onderzoek uitgezet om inzicht te krijgen in de haalbaarheid en betaalbaarheid van alternatieven. De studie van PBL (2020) geeft aan dat het niet aannemelijk is dat de ambities uit het klimaatakkoord worden gehaald als er ruim voor 2030 wordt gestopt met subsidie op houtige biomassa. Bovendien geeft de studie van TNO (2021) aan dat de kosten substantieel oplopen (totaal 1,5 – 2,7 miljard voor Gebouwde Omgeving en glastuinbouw) om alternatieve duurzame energie in te zetten. Oftewel bij een snelle ‘stop’ op houtige biomassa voor laagwaardige warmte worden de CO2 reductiedoelen niet gehaald en kost het de maatschappij veel meer geld.

Daarom begrijpen wij de opmerking onder 1.7 niet – en vinden het eerder suggestief -, dat de subsidie relatief hoog is. Zoals TNO schetst is houtige biomassa een relatief goedkope optie – en is dus beperkte subsidie nodig – om de benodigde CO2 emissiereductie te bereiken. Ook wordt in 1.7 genoemd dat er subsidie op aardgas is; dat is onjuist. Voor zogenoemd ketelgas geldt het degressief tariefstelsel energie-belasting (grootverbruik). Voor WKK gas geldt vrijstelling van energiebelasting op grond van specifieke redenen. Dit is overigens onderwerp van discussie in het nieuw op stellen convenant tussen de glastuinbouwsector en overheid en mogelijk volgt aanpassing van het huidige degressieve stelsel in het klimaatakkoord. Luchtkwaliteit en Emissie Een ander punt van discussie is de invloed van het verbranden van houtige biomassa op de luchtkwaliteit en daarmee de invloed op de gezondheid van mensen (m.n. fijnstof) en de stikstofdepositie via de NOx uitstoot op de Natura 2000 gebieden. Belangrijk is onderscheid te maken tussen particuliere hout-stook (zoals open haarden/kachels) en grote professionele installaties zoals in de glastuinbouw. Voor particuliere houtstook gelden geen strenge emissie-eisen en kan dit ook overlast veroorzaken.

De SER concludeert in het rapport ’Biomassa in balans’ dat “Bij grotere biowarmtecentrales kan met behulp van uitgebreide rookgasreiniging dergelijke negatieve effecten op de luchtkwaliteit nagenoeg geheel worden voorkomen.” De overheid noemt in haar kamerbrief over het duurzaamheidskader biogrondstoffen: ’Volgens het PBL zijn de negatieve effecten van grotere installaties op wijk- en stadsniveau zeer beperkt als gevolg van getroffen maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Het zijn volgens het PBL met name vrijstaande kachels, inzethaarden en open haarden die verantwoordelijk zijn voor het overgrote deel van de uitstoot van schadelijke stoffen ten gevolge van de verbranding van hout. De SER constateert dan ook dat het gebruik hiervan moet worden ontmoedigd.’ Als voorbeeld is te noemen uit een feitelijke studie rondom houtstook van Procede: ‘De modelberekeningen laten zien dat een houtgestookte ketelinstallatie van 2,8 MW een factor 3 lagere impact op de jaargemiddelde fijnstof concentratie op de aanbevolen afstand van 100 m heeft als een enkele conventionele houtkachel op 10 meter. In het voorbeeld is de jaarlijkse warmteproductie van de ketel echter wel 2600 maal hoger dan dat van de kachel.’ Als Glastuinbouw Nederland begrijpen we de zorgen over luchtkwaliteit en dat gekeken wordt naar aanscherping van de emissie-eisen voor nieuwe installaties.

Alhoewel er al strenge emissie-eisen gelden en de bijdrage van de emissies van fijnstof en NOx relatief

beperkt zijn, biedt de ontwikkeling van betere reinigingstechnieken hiervoor mogelijkheden. In oktober 2021 is hierover een voorstel voor aanscherping van de emissie-eisen naar de Eerste en Tweede Kamer gestuurd. Glastuinbouw Nederland kan zich hier in grote lijnen in vinden. Bij houtstookinstallaties komt NOx vrij (wat meer dan bij een even grote WKK op gas) wat stikstofdepositie veroorzaakt in Natura 2000 gebieden. Gezien de strenge emissie-eisen is de NOx uitstoot relatief beperkt, maar moet wel gekeken worden naar de lokale inpassing voor emissieruimte in de Natura 2000 gebieden. Door de verdere verduurzaming (energiebesparing, aardwarmte, restwarmte) neemt het gasverbruik (en dus NOx uitstoot) af en in ons beeld komt er beperkte hoeveelheid houtstook bij, waardoor de NOx uitstoot in zijn geheel af gaat nemen. Van belang is een nieuwe ontwikkeling dat de CO2 die vrijkomt bij de verbranding van houtige biomassa ook hergebruikt kan worden, waarmee inzet van CO2 uit fossiele bronnen zoals aardgas wordt voorkomen. Bovenstaande informatie en lopende voorstellen zetten het argument van 1.5 in het collegevoorstel in een heel ander daglicht. Bovendien heeft het voorstel aan college in 3.b (ondersteunen van de lobby om de milieuregels aan te scherpen) niet heel veel zin, omdat de emissie-eisen al aangescherpt worden en er al een voorstel in de Eerste en Tweede Kamer ligt.

Als de gemeente echt wat zou willen doen om de luchtkwaliteit te verbeteren, kan men eerder en beter denken aan om particuliere houtstook te verminderen. Duurzaamheid biomassa Het kabinet heeft de SER gevraagd een duurzaamheidskader voor biomassa op te stellen. De SER constateert veel discussie over de duurzaamheidswinst van biomassa en een gebrek aan vertrouwen in certificering van duurzame productie. Ook stelt de SER dat “Vanuit transitieperspectief kan warmteopwekking uit biogrondstoffen bijdragen aan de klimaatdoelen. Mits biogrondstoffen voldoen aan de eisen van RED en RED II (hernieuwbare energierichtlijn van de Europese Unie) zullen de ketenemissies lager zijn dan bij inzet van aardgas”. Glastuinbouw Nederland vindt dat als we het over het verbranden van houtige biomassa hebben, dit ‘duurzaam’ moet zijn. Dit betekent o.a. dat dit niet ten koste gaat van voedsel- of voerproductie, biodiversiteit, bodemkwaliteit en dat er geen ‘ontbossing’ is. In de huidige glastuinbouw-praktijk worden lokale houtsnippers en –shreds gebruikt die vrijkomen bij onderhoud van bijv. bossen, plantsoenen en die nu nergens anders voor gebruikt worden en anders ook “CO2 worden” (o.a. verteringsproces). T.a.v. duurzaamheidsaspecten is ook een ‘handleiding’ geschreven voor de glastuinbouw: zie deze link.

In de discussies en de beeldvorming komt vaak aan de orde dat er hele bomen en bossen verdwijnen door houtstook, maar dit is totaal niet aan de orde. Ook wordt vaak gerefereerd (zoals onder 1.8) dat het lang duurt voordat hout weer teruggegroeid is en de CO2 weer vastgelegd is. Bij reststromen zoals houtsnippers van o.a. snoeiafval is de zogenoemde koolstofschuld beperkt tot enkele jaren. Zie daarvoor ook een rapport van Rohal Haskoning DHV. Ten aanzien van de beschikbaarheid van houtige biomassa vindt Glastuinbouw Nederland het een goed uitgangspunt om de beschikbare biomassa zo hoogwaardig mogelijk in te zetten. Voorlopig is het beeld dat er voldoende reststromen overblijven zonder andere nuttige toepassing. Dit kan dan prima worden ingezet om warmte van te maken. Wel is het goed dit jaarlijkse te monitoren zoals de overheid ook voorstelt. Gezien de beperkte beschikbaarheid ziet Glastuinbouw Nederland dit nationaal niet als een hele grote optie in het eindplaatje (13% van de totale warmtevraag, ca. 8 PJ). Het is wél een belangrijke transitiebrandstoffen juist ook voor het realiseren van warmtenetten. Het is nu een optie voor invulling van de basis- en middenlast, maar zal in de toekomst verschuiven richting pieklast als aanvulling op basislast bronnen zoals geothermie en restwarmte. Voor invulling van de

pieklast zien we nog weinig betaalbare alternatieven. Daarnaast zien we ook een rol voor regio’s en solitaire bedrijven waar geen andere reële optie zijn voor verduurzaming. Glastuinbouw klimaatneutraal De glastuinbouw heeft de hoge ambitie om in 2040 klimaatneutraal te zijn. Daarbij wordt middels het programma Kas als Energiebron en subsidieregeling hard gewerkt aan innovatie, toepassing van energiebesparing en realisatie van duurzame energiebronnen. De toepassing van meer isolatie zoals meer schermen, LED belichting, Het Nieuwe Telen zijn voorbeelden van energiebesparing. De toepassing van geothermie, restwarmte, zonneenergie en ook biomassa zijn voorbeelden van duurzame energiebronnen. Overigens past hier niet het stimuleren om over te schakelen naar andere gewassen zoals benoemd in het voorstel van het college bij 1.10. Daar hebben brancheorganisaties, Rijk en gemeenten geen rol; marktwerking en ondernemerschap zijn leidend.

Woensdag 15-12-2021

Zoals afgesproken hierbij onze reactie op het concept-collegevoorstel. Allereerst is het prettig te lezen dat onze inbreng niet alleen letterlijk is opgenomen maar ook heeft bijgedragen heeft aan de geformuleerde besluiten. Het is ook goed om te lezen dat het college in principe geen medewerking wil verlenen indien wettelijke procedures vereist zijn. Maar tegelijkertijd wordt in de formulering ook nog ruimte gelaten. Wat ons betreft zou het nog beter zijn als het college stelliger het ‘Nee tenzij’ vanaf nu gaat handelen. Oftewel… er wordt op geen enkele manier medewerking verleend aan de uitbreiding van biomassacentrales tenzij in uitzonderingsgevallen onomstotelijk vast staat dat natuur en milieu er netto op vooruit gaat. Daarbij is het essentieel dat naar het gehele proces en de gehele keten gekeken wordt (aan te tonen door de initiatiefnemer). Daarnaast geven wij in overweging mee om ‘bovenop’ het activiteitenbesluit aanvullende (hogere) milieueisen te stellen. Wij vragen daarnaast expliciet aandacht voor de komst van de Omgevingswet. Daardoor veranderen de spelregels met betrekking tot vergunningsplicht. We bevelen aan om expliciet in de omgevingswaarden van het Omgevingsplan regels op te nemen in lijn met voorliggend collegebesluit.

Tot slot… wat we zeker waarderen is dat de gemeente zich in wil spannen om ondernemers in de glastuinbouw op andere wijze te helpen bij hun verduurzamingsopgave. Succes met de afhandeling en als je meer informatie wilt, neem gerust contact op, Met vriendelijke groeten, Ton Hermanussen Natuur en Milieufederatie Limburg

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11025007/2