CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

RIB.22.008 Heroverweging houtige biomassa

Gemeenteraad 25 januari 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Raadsinformatiebrieven18.344 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Stuknummer: 21.0009608

Raad 25-01-2022 RIB.22.008

raadsinformatiebrief van

: Burgemeester en wethouders

portefeuillehouder

: T. Kuipers

aan

: De leden van de gemeenteraad

datum

: 21/12/2021

status

: Toezeggingen, nummer: 2021.133

openbaar

: Ja

Onderwerp RIB Houtige Biomassa: heroverweging collegebesluit 19 juli 2021, nieuw standpunt. Aanleiding Via deze raadsinformatiebrief informeren wij u over het collegebesluit van 20 december 2021 inzake houtige biomassa. Daarmee hebben wij het collegebesluit van 19 juli 2021 (zie RIB 21.096) heroverwogen en een nieuw standpunt ingenomen. Hiermee doen wij de toezegging 2021.133 gestand. Ons besluit van 19 juli 2021 omvatte kortgezegd het niet meer willen toevoegen of uitbreiden van installaties voor de bedrijfsmatige verbranding van houtige biomassa. Naar aanleiding van raadsvragen over dit besluit, is het college tot een heroverweging en nieuwe standpuntbepaling gekomen. Besluit Hoewel wij menen dat, op basis van de argumentatie zoals verderop in deze RIB opgenomen, een verdere toename van biomassaverbranding in beginsel onwenselijk is, respecteren wij glastuinbouwers en anderen die binnen de huidige wettelijke kaders biomassa installaties en/of biomassacentrales exploiteren of ontwikkelen. Wij hebben derhalve besloten om: 1. Het collegebesluit van 19 juli 2021 inzake houtige biomassa te heroverwegen. 2. Geen lokale gemeentelijke kaders te verruimen om het oprichten of uitbreiden van biomassacentrales mogelijk te maken (o.a. geen bestemmingsplan-wijzigingen). 3.

Hierop alleen een uitzondering te maken wanneer zonder medewerking van de gemeente een biomassacentrale met zekerheid gerealiseerd kan worden én medewerking via een ruimtelijke procedure leidt tot wezenlijke additionele verbeteringen voor milieu, gezondheid van omwonenden en ruimtelijke ordening. 4. Een visie transitiefase biomassacentrales gemeente Horst aan de Maas op te stellen in samenspraak met voor onze gemeente relevante sectoren (o.a. glastuinbouw). 5. De navolgende acties te ondernemen: a. De glastuinbouwsector actief te ondersteunen bij het verduurzamen van de energievoorziening; door b.v. de landelijke lobby voor duurzame alternatieven warmte-opwek (zoals geothermie) actief te ondersteunen en innovatie om het energieverbruik verder te reduceren te ondersteunen.

Bezoekadres: BezoekAdres, PlaatsBA

Postadres / PostCodePA PlaatsPA

T TelefoonNummer

F FaxNummer

Pag. 2 van 5

b. De RES-regio te vragen om bij het opstellen van de RES 2.0 explicietere kaders voor te stellen aangaande (houtige) biomassa. 6. De gemeenteraad te informeren via deze raadsinformatiebrief.

Argumentatie: De eerste drie bouwstenen Met RIB 21.116 (bijlage 1) hebben wij u geïnformeerd over de eerste drie bouwstenen voor een hernieuwd collegebesluit. Kort samengevat zijn deze: 1. Beleidsmatige grondslag Wij hebben aangegeven dat in het oorspronkelijke collegebesluit per abuis een onjuist citaat is gebruikt als beleidsmatige grondslag. Het juiste citaat uit de, door de raad vastgestelde, RES uitgangspuntennotitie luidt: “We gaan voor 100% duurzaam, warmte in 2050, hetgeen onder andere betekent dat we op termijn geen gebruik meer maken van netto import van biomassa voor vergisting en verbranding. We bevinden ons echter aan het begin van de transitiefase van de uitfasering van aardgas naar 100% duurzame warmtebronnen waarin hybride oplossingen en een fase van import nodig kan zijn.“ 2. Rekenkundige onderbouwing. Ook hebben wij een second opinion uitgevoerd op de rekenkundige onderbouwing van ons eerdere besluit. De second opinion, uitgevoerd door RHDHV (bijlage 2), bevestigt het eerdere onderzoek door Probos. Binnen de RES-regio is sprake van een tekort aan de aanbodzijde van factor 2,1 (capaciteit biomassaverbrandingsinstallaties ten opzichte van potentieel aan duurzaam oogstbare biomassa), indien ook het potentieel aanbod van resthout industrie en huishoudens wordt meegenomen.

Indien de installaties waarvoor recentelijk een SDE-beschikking is verleend, worden gerealiseerd, stijgt deze factor tot circa 3,8. 3. Reikwijdte van het besluit. Het oorspronkelijke en een nieuwe collegebesluit kunnen alleen betrekking hebben op initiatieven waar uitbreiding of nieuwe capaciteit voor het omzetten van houtige biomassa in energie ter beoordeling van het college komt op basis van het ruimtelijk spoor (bijvoorbeeld via een principeverzoek of omgevingsvergunning) en/of indien er sprake is van een opwekcapaciteit > 15 MW. Vanaf die capaciteit is er namelijk een omgevingsvergunning milieu nodig. Als de uitbreiding of nieuwe capaciteit voor een verbrandingsinstallatie binnen een bedrijf (waar het dus het interne bedrijfsproces betreft) < 15 MW is, valt dit onder het landelijke Activiteitenbesluit en komt dat – normaal gesproken - niet ter beoordeling bij het college. Dan is het gebruik van houtige biomassa in beginsel wettelijk toegestaan als vorm van energie-opwek. Aanvullende argumentatie: Verdere bouwstenen Wij hebben toegezegd nog eens goed te kijken naar het proces en daarbij bekende en eventuele nieuwe informatie te analyseren en op basis daarvan tot een nieuwe afweging te komen en ons eerdere besluit eventueel te herzien. In de uitgebreide analyse, waarbij de bronnen van belangrijke stakeholders zijn meegenomen, stuit het college soms op tegenstrijdige punten.

Het college heeft al deze standpunten goed tot zich genomen en meegenomen in deze heroverweging.

2

Pag. 3 van 5

In aanvulling op de eerdere bouwstenen hebben wij de volgende informatie gebruikt: 4. Afstemming RES-Regio. Hoewel in de RES-uitgangspuntennotitie expliciet over de verbranding van (houtige) biomassa wordt gesproken, komt in de RES 1.0 het woord ‘verbranding’ niet meer expliciet terug. Op basis van antwoorden op door ons gestelde vragen (bijlage 3) is ons duidelijk dat de RES-regio op termijn geen netto import van biomassa voorstaat. Hoe en wanneer is verder niet uitgewerkt in de RES 1.0. 5. Schone Lucht Akkoord. Voor het verbeteren van de luchtkwaliteit (met name fijnstof) heeft de gemeente zich begin 2020 aangesloten bij het landelijke Schone Lucht Akkoord. Vanuit deze beleidskeuze van de raad is er veel voor te zeggen om ten minste terughoudend te zijn met het toestaan van biomassaverbranding. Fijnstof, dat onder meer vrijkomt via mobiliteit, in de industrie, landbouw en via houtstook door woningen en bedrijven, is een belangrijke oorzaak van slechte(re) luchtkwaliteit en gezondheidsklachten. Gelet op de maatschappelijke discussie over de luchtkwaliteit in onze gemeente, is het onwenselijk om een (te) grote verbrandingscapaciteit langdurig toe te staan. 6. Inbreng tijdens de voorbereidende raadsvergadering d.d. 9 december 2021.

Tijdens deze raadsvergadering hebben drie insprekers hun zorgen toegelicht over biomassacentrales in het algemeen en de locatie aan de Schengweg in het bijzonder. 7. Gesprek met en reactie op concept besluit van Glastuinbouw Nederland. Op 15 november 2021 hebben wethouders Beurskens, Kuipers en Tegels het eerdere besluit en de reikwijdte daarvan toegelicht, alsmede de aanleiding voor een hernieuwde afweging. Basis in dit gesprek was dat Glastuinbouw in onze gemeente een economisch belangrijk sector is die gezonde voeding en andere producten produceert. De sector kenmerkt zich door een sterk ondernemerschap en innovatief vermogen. De laatste decennia zijn qua verduurzaming grote slagen gemaakt. Zo is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen fors afgenomen en zijn het circulair watergebruik en de energie-efficiëntie fors gestegen, Er is door Glastuinbouw Nederland aangegeven dat de energetische verduurzaming van de sector wordt gestimuleerd binnen het programma ‘De Kas als Energiebron’. De glastuinbouwsector werkt op basis van meerjarenafspraken met het rijk aan het verlagen van de CO2-footprint. De ambitie is om in 2040 geen gebruik meer te maken van fossiele brandstoffen. De afgelopen jaren hebben zij de beoogde reductiedoelen en daaraan gekoppelde afspraken als sector ook waargemaakt.

Glastuinbouw Nederland lichtte verder toe waarom biomassacentrales naar hun oordeel belangrijk en noodzakelijk zijn als transitiemiddel in het verduurzamen van hun energie-opwek. Op dit moment draait in veel glastuinbouwbedrijven een Warmte Kracht Koppeling (op basis van aardgas), die warmte en CO2 levert aan de kas en elektriciteit levert aan het openbare elektriciteitsnet (ca. 11% van totale opwek). De CO2-emissies van de WKK’s worden volgens de sector onterecht volledig toegerekend aan de glastuinbouw-sector terwijl er ook elektriciteit aan het net wordt geleverd. Glastuinbouw Nederland geeft aan dat een WKK een efficiënte energiebron is, die regelbaar vermogen biedt en kan bijdragen aan het stabiliseren van het elektriciteitsnet. De reden voor de groei van biomassacentrales binnen deze sector is o.a. door (begrijpelijke) bedrijfseconomische afwegingen en het beleid van de rijksoverheid van het afgelopen decennium verklaarbaar. Enerzijds neemt de subsidie op aardgas voor de glastuinbouwsector en andere grootverbruikers af, anderzijds stijgt de gasprijs. Door SDE-subsidies op houtige biomassa was het overschakelen op biomassa een logische financieel haalbare stap om een alternatieve energiebron in plaats van aardgas te vinden (die ook nog CO2 levert, die positief werkt op de plantengroei).

3

Pag. 4 van 5

Ook wordt aangegeven dat de milieuwetgeving (activiteitenbesluit) zodanig is aangescherpt, en eisen stelt aan bedrijfsmatige biomassa installaties, dat biomassa-installaties op zich emissiearm kunnen werken en daarmee moeten voldoen aan de best beschikbare technieken. Andere duurzame alternatieven voor fossiele energie zijn duurder (bodemwarmte/WKO), onzekerder of in onze regio niet toegestaan (geothermie) of minder aantrekkelijk. In bijlage 4 is informatie opgenomen over de warmtebehoefte en hoe deze volgens de glastuinbouwsector duurzaam opgewekt kan gaan worden. Om de verduurzaming van deze, voor Horst aan de Maas belangrijke sector te ondersteunen, is het nodig om als gemeente hierin de glastuinbouwsector te ondersteunen. Dit kan door samen op te trekken in de lobby voor geothermie en door mee in te zetten op andere scenario’s voor verduurzaming. Maar ook door duidelijke kaders te bepalen zoals opgenomen in ons heroverwogen besluit. In het gesprek is afgesproken om het concept-collegevoorstel, voor te leggen en de reactie van Glastuinbouw Nederland hierop (zie bijlage 6) mee te nemen in het definitieve collegevoorstel. Verder is afgesproken dat we met elkaar in gesprek blijven over deze lastige materie. Daarbij zoeken we samen naar de balans tussen bedrijfseconomische belangen, duurzaamheid en gezondheidsbelangen. 8.

Gesprek met, en reactie op conceptbesluit van, Natuur- en Milieufederatie Limburg. Op 24 november 2021 heeft NMFL de zorg uitgesproken met betrekking tot het beleid van de gemeente in relatie tot biomassa voor energieopwekking en specifiek over nieuwe ontwikkelingen aan de Schengweg. Tijdens dit gesprek zijn door NMFL de volgende punten aangegeven (als een soort van ladder van Moerman - zie bijlage 5) waarlangs beoogde ontwikkelingen/activiteiten anno 2021 ‘gewogen’ zouden moeten worden, kijkend vanuit de grote milieuvraagstukken waarvoor we allemaal staan. Dit waren: a) Eis energie-reductie; zonder enorm te besparen, gaan we de beoogde energietransitie naar schone opwekking absoluut niet halen. Dus besparen, besparen, besparen. En dus initiatieven allereerst beoordelen of het (los van de bron) tot energiebesparing leidt. b) Elke grondstof is waardevol en deze moet na gebruik minimaal op gelijk niveau worden hergebruikt. Biomassa is een waardevolle grondstof en zou zo hoogwaardig mogelijk moeten worden ingezet. Dus bij voorkeur als bodemverbeteraar. Biomassa gebruiken voor energieopwekking betekent afwaardering en feitelijk dus het vernietigen van een waardevolle grondstof.

c) Uitstoot CO2; hoewel de cyclus theoretisch is gesloten, komt bij verwerking/verbranding van biomassa in korte tijd alle CO2 vrij, terwijl in de natuur uitstoot en opname alleen op zeer lange termijn in balans zijn. Kortom, dit is de eerste decennia slecht voor klimaat. Fijnstof dat vrijkomt bij verbranding is slecht voor de gezondheid. d) Er is simpelweg veel te weinig biomassa om een substantiële bijdrage te kunnen leveren aan de energiebehoefte. Biomassa wordt dus geïmporteerd. Waarborgen voor duurzaam geteeld en beheerde biomassa blijken niet betrouwbaar te zijn. Risico dat alsnog gezonde en waardevolle bossen worden gebruikt als biomassa is niet uit te sluiten. e) Biomassa in de berm, openbare ruimte en de natuur heeft zijn waarde in de natuurlijke processen van afbraak en bijvoorbeeld als schuilgelegenheden. Ook top- en snoeihout hebben dus waarde in het bos. Net als met de glastuinbouwsector is ook aan NMFL het concept collegevoorstel toegezonden en de reactie hierop (zie bijlage 7) meegenomen in het definitieve collegevoorstel.

4

Pag. 5 van 5

9. Kabinetslijn t.a.v. biomassa. Het kabinet heeft op 16 oktober 2020 het Duurzaamheidskader Biogrondstoffen vastgesteld, in reactie op het SER-rapport biomassa in balans. Het kabinet wil zo snel als dat haalbaar en betaalbaar mogelijk af van productie van warmte voor de gebouwde omgeving en de glastuinbouw uit houtige biomassa. Het kabinet wil houtige biogrondstoffen als transitiebrandstof zo beheerst mogelijk inzetten en hanteert daarbij het uitgangspunt dat “datgene wat niet wordt ingefaseerd, ook niet hoeft te worden uitgefaseerd,” Nieuwe initiatieven voor de verbranding van houtige biomassa voor laagwaardige warmte komen als gevolg hiervan niet meer voor SDE-subsidie in aanmerking. In het regeerakkoord Rutte IV is opgenomen: “We bouwen het gebruik van houtige biomassa voor energiedoeleinden zo snel mogelijk af, waarbij we rekening houden met de kosteneffectiviteit. Biomassa wordt zo hoogwaardig mogelijk ingezet aan de hand van de cascaderingsladder. We staan alleen het gebruik van houtige biomassa die geproduceerd is in de EU toe, zodat we de naleving van duurzaamheidscriteria kunnen monitoren. We zorgen ervoor dat duurzame alternatieven voor warmte versneld worden ontwikkeld.“

Bijlagen Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6: Bijlage 7:

Raadsinformatiebrief 21.116 Voortgang collegebesluit (25 oktober 2021) Second opinion Biomassa RoyalHaskoningDHV 25 oktober 2021 Beantwoording vragen Horst aan de Maas RES (20-10-2021) Informatie Verduurzaming Glastuinbouw Nederland Ladder van Moerman Reactie Glastuinbouw Nederland op concept collegevoorstel Reactie Natuur- en Milieufederatie Limburg op concept collegevoorstel

5

Stuknummer: 21.0007994 -

raadsinformatiebrief van

: Burgemeester en wethouders

portefeuillehouder

: T. Kuipers

aan

: De leden van de gemeenteraad

datum

: 25/10/2021

status

: Toezeggingen, nummer: 2021.133

openbaar

: Ja

Onderwerp Voortgang besluit College inzake houtige biomassa

Aanleiding In RIB 21.096 heeft het college u geïnformeerd over (kortgezegd) haar besluit aangaande het niet meer willen toevoegen of uitbreiden van installaties voor de bedrijfsmatige verbranding (of andersoortige inzet als energiebron) van houtige biomassa (voor zover dit past binnen wettelijke kaders). Over deze beslissing, en met name grondslagen daarvoor, heeft uw raad in de voorbereidende gemeenteraad van 7 september 2021 vragen gesteld. Daarbij is gebleken dat de beleidsmatige grondslag niet de politiek-bestuurlijk vastgestelde in de (uitgangspuntennotitie) RES betreft. Op basis daarvan heeft het college aangegeven het besluit “on hold” te zetten, vier acties te ondernemen en hierover in november bij u terug te komen. Met deze RIB geven wij u inzicht in waar we staan op deze vier acties. Tevens geeft deze RIB aanvullend verduidelijkende informatie over de reikwijdte van het eerder genomen besluit. Het College heeft naar aanleiding hiervan navolgende afspraken gemaakt: 1. Het college geeft inzicht in waar het onjuiste citaat dat als grondslag voor het collegebesluit geldt vandaan komt. 2. Glastuinbouw Nederland betwist de cijfers die ProBos heeft gebruikt in haar rekenkundige onderbouwing bij het collegebesluit. Het college laat een second opinion op deze cijfers uitvoeren. 3. We kijken nog eens goed naar het proces, analyseren daarbij bekende en evt.

nieuwe informatie waarbij we tevens in gesprek zullen gaan met Glastuinbouw Nederland alvorens een nieuwe afweging te maken. 4. Het College maakt o.b.v. dan verzamelde informatie voor eind november een nieuwe afweging en kijkt of dat aanleiding geeft het eerder genomen besluit te herzien.

Bezoekadres: BezoekAdres, PlaatsBA

Postadres / PostCodePA PlaatsPA

T TelefoonNummer

F FaxNummer

Pag. 2 van 4

Beantwoording Afspraak 1 – Het college geeft inzicht in waar het onjuiste citaat, dat als grondslag voor het collegebesluit geldt, vandaan komt. We hebben geconstateerd dat het gewraakte citaat afkomstig is uit de consultatieversie van de RESuitgangspuntennotitie van 31-10-2019. Daar staat op pagina 8 onder 5 de in RIB 21.096 gebruikte zin. Deze zin is dus ten onrechte gebruikt als beleidsmatige grondslag voor het collegebesluit. De gewraakte zin wordt in RIB 21.055 ook al ten onrechte benoemd als vastgesteld uitgangspunt voor de RES. We hebben kunnen achterhalen dat de portefeuillehouder bij het redigeren van deze RIB per abuis de tekst uit de consultatieversie heeft gebruikt en niet uit de vastgestelde uitgangspuntennotitie. In de collegenota en de RIB 21.096 is het in RIB 21.055 onjuist gebruikte citaat overgenomen. Het letterlijke citaat in de consultatieversie van de RES uitgangspunten notitie (pag.

8 punt 5.) is: “We gaan voor 100% duurzaam, lokaal opgewekte warmte in 2050, hetgeen onder andere betekent geen netto import voor vergisting en verbranding.” Daarna volgt echter nog een verdere nuancering: “We bevinden ons echter aan het begin van de transitiefase van de uitfasering van aardgas naar 100% duurzame warmtebronnen waarin hybride oplossingen en een fase van import nodig kan zijn.“ We constateren dat dus ook niet het volledige citaat uit de consultatieversie is overgenomen. In de RES uitgangspunten notitie is het citaat: “We gaan voor 100% duurzaam, warmte in 2050, hetgeen onder andere betekent dat we op termijn geen gebruik meer maken van netto import voor vergisting en verbranding. We bevinden ons echter aan het begin van de transitiefase van de uitfasering van aardgas naar 100% duurzame warmtebronnen waarin hybride oplossingen en een fase van import nodig kan zijn.“ Voor het college is dit verschil in beleidsmatige grondslag reden voor een hernieuwde afweging op dit punt. Daarover leest u hieronder meer. Afspraak 2 – Glastuinbouw Nederland betwist de cijfers die ProBos heeft gebruikt in haar rekenkundige onderbouwing bij het collegebesluit. Het college laat een second opinion op deze cijfers uitvoeren. Het college heeft Royal Haskoning/DHV opdracht gegeven om een second opinion uit te voeren op het rapport van Probos.

Deze second opinion (concept) hebben wij op 18 oktober ontvangen. Conclusie uit de second opinion is dat de hoeveelheden aanbod potentieel houtige biomassa en de vraag naar verbrandingscapaciteit (SDE-lijst) overeenkomen met de het rapport van Probos. Ook wordt in het rapport geconcludeerd dat er sprake is van een grotere vraag naar verbrandingscapaciteit vanuit houtige biomassa dan dat er aan potentieel houtige biomassa beschikbaar is. Daarmee blijft het rekenkundige uitgangspunt voor het genomen collegebesluit van 15 juli overeind.

2

Pag. 3 van 4

In het rapport wordt aangegeven dat er sprake is van marginale verschillen in potentieel aanbod (in het Probosonderzoek is bijvoorbeeld een hoger potentieel aanbod opgenomen door andere uitgangspunten dan die gehanteerd zijn in de second opinion). Daarnaast is de SDE-lijst geactualiseerd naar de stand vanaf 7-2021. Daarbij is berekend welke verbrandingscapaciteit gerealiseerd is en nog gerealiseerd zal worden in de komende 3-4 jaar. Naast deze opdracht, is ook onderzocht welke hoeveelheden aan houtige biomassa afkomstig van afvalhout uit industrie en huishoudens potentieel beschikbaar is. Deze hoeveelheden zijn, samen met de hoeveelheden houtige biomassa uit bos, landschap en bebouwde omgeving ook afgezet tegen de vraag naar verbrandingscapaciteit. De volgende conclusies zijn vanuit de second opinion getrokken: A. Op basis van het aanbodpotentieel aan houtige biomassa en de vraag naar verbrandingscapaciteit (laagscenario)1 is er voor nu (2021): 1. Binnen de RES-regio sprake van een tekort aan de aanbodzijde van factor 2,3 indien er enkel wordt gekeken naar houtige biomassa afkomstig van bos, landschap en bebouwde omgeving (deelstromen zoals opgenomen in het onderzoek van Probos). 2. Binnen de RES-regio sprake van een tekort aan de aanbodzijde van factor 2,1 indien ook het potentieel aanbod houtige biomassa afkomstig van resthout industrie en huishoudens wordt meegenomen. B.

Op basis van het aanbodpotentieel aan houtige biomassa en de vraag naar verbrandingscapaciteit, is er na realisatie van alle SDE-installaties (2024/25): 1. Binnen de RES-regio sprake van een tekort aan de aanbodzijde van factor 4,1 indien er enkel wordt gekeken naar houtige biomassa afkomstig van bos, landschap en bebouwde omgeving (deelstromen zoals opgenomen in het onderzoek van Probos). 2. Binnen de RES-regio sprake van een tekort aan de aanbodzijde van factor 3,8 indien ook het potentieel aanbod houtige biomassa afkomstig van resthout industrie en huishoudens wordt meegenomen. Aanvullend - Reikwijdte besluit over houtige biomassa De bestuurlijke reikwijdte van een besluit betreft enkel daar waar uitbreiding of nieuwe capaciteit voor het omzetten van houtige biomassa in energie ter beoordeling bij het college komt op basis van het ruimtelijk spoor (bijvoorbeeld via een principe-verzoek of omgevingsvergunning) en/of indien er sprake is van een opwekcapaciteit > 15 MW. Vanaf die capaciteit is er namelijk een omgevingsvergunning milieu nodig. Als de uitbreiding of nieuwe capaciteit voor een verbrandingsinstallatie binnen een bedrijf (waar het dus het interne bedrijfsproces betreft) < 15 MW is, valt dit onder het landelijke Activiteitenbesluit en komt dat – normaal gesproken - niet ter beoordeling bij het college.

Als de uitbreiding of nieuwe capaciteit voor verbranding van biomassa voldoet aan het Activiteitenbesluit, is het gebruik van houtige biomassa wettelijk toegestaan als vorm van energie-opwek. Een besluit over het niet meer toevoegen of uitbreiden van houtige biomassa heeft dan ook géén betrekking op deze categorie van aanvragen/wijzigingen en de toepassing van biomassa is dan ook in de basis mogelijk. 1 In verband met de AVG is niet voor iedere aanvraag te achterhalen of er sprake is van vervanging of uitbreiding. Daarom is

ervoor gekozen om met een hoog en laagscenario te werken. In het laag scenario zijn installaties waarvan niet duidelijk is of ze zijn vervangen, dan wel gerealiseerd worden, niet meegenomen in de totale verbrandingscapaciteit.

3

Pag. 4 van 4

Ook voor nieuwe bedrijven die energie-opwek via biomassaverbranding als onderdeel van het eigen bedrijfsproces willen (kleiner dan 15 MW), vallen onder het Activiteitenbesluit. Er wordt bij een nieuw bedrijf wel ruimtelijk getoetst, maar dit heeft betrekking op de functie en bestemming, niet op het onderdeel bedrijfsprocessen. Dit betekent dat een collegebesluit geen betrekking heeft op de vorm van energie-opwek en dat deze toepassing mogelijk is indien deze voldoet aan het Activiteitenbesluit. Het is dan natuurlijk wel noodzakelijk dat het nieuwe bedrijf ruimtelijk is toegestaan binnen het bestemmingsplan. Het collegebesluit heeft wel betrekking op nieuwe biomassaverbrandingsinstallaties (als bedrijf bijvoorbeeld) of de uitbreiding van biomassa installaties als deze binnen het geldende bestemmingsplan (ruimtelijk) niet toegestaan zijn. Vaak is er dan ook een omgevingsvergunning milieu nodig. Indien een uitbreiding of nieuwe biomassacentrale t.b.v. meerdere bedrijven ruimtelijk niet past of een capaciteit groter dan 15 MW heeft en daarom een omgevingsvergunning milieu nodig heeft, valt dit ook onder de reikwijdte van een collegebesluit. Deze informatie met betrekking tot de reikwijdte van een collegebesluit is volgens het college relevant om te weten, om het juiste gesprek te voeren met uw raad, maar ook bijvoorbeeld met Glastuinbouw Nederland.

In de beantwoording van vragen van Glastuinbouw Nederland zal dit ook zo worden gecommuniceerd. Afspraak 3 en 4 Wij beantwoorden de brief van Glastuinbouw Nederland vóór 1 november. De raad ontvangt een afschrift van deze brief, zoals toegezegd. Deze brief vormt belangrijke input voor het gesprek met Glastuinbouw Nederland dat op korte termijn zal plaatsvinden. Ondanks meerdere voorstellen vanuit het college om deze maand nog een gesprek te hebben, is het nog niet gelukt een afspraak te maken. Glastuinbouw Nederland heeft aangegeven pas na de herfstvakantie deze afspraak te kunnen maken. In het gesprek met Glastuinbouw Nederland, dat naar verwachting medio november plaatsvindt, zal zowel gesproken worden over houtige biomassa, de reikwijdte van een collegebesluit en over geothermie en andere energieoplossingen. Het college neemt in de maand november een integraal besluit over deze kwestie en betrekt daar onder andere bij: - Het definitieve rapport (second opinion) - De informatie afkomstig van de RES - Duidelijkheid over de bestuurlijke reikwijdte van een collegebesluit - Het resultaat van het gesprek met Glastuinbouw Nederland We stellen uw gemeenteraad in kennis van dit besluit.

Bijlagen - Second opinion RH/ DHV (definitieve rapport wordt nagestuurd)

4

RAPPORT Second opinion: Biomassa vraag- en aanbod in RES Noord- en Midden Limburg

Klant:

Gemeente Horst aan de Maas

Referentie: BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001 Status:

Definitief (S0)

Datum:

25-10-2021

Projectgerelateerd

HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.

George Hintzenweg 85 3068 AX Rotterdam Industry & Buildings Trade register number: 56515154 +31 88 348 90 00 T +31 10 209 44 26 F reception.rtm-gh@nl.rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W

Titel document: Second opinion: Biomassa vraag- en aanbod in RES Noord- en Midden Limburg Referentie: BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001 Status: P01.03/S0 Datum: 25-10-2021 Projectnaam: Second opinion: Biomassa vraag- en aanbod in RES Noord- en Midden Limburg Projectnummer: BI3225-102-100

Classificatie Projectgerelateerd

Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V. en dient voor publicatie of anderszins openbaar maken te worden geanonimiseerd. 25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

i

Projectgerelateerd

Inhoud 1

Inleiding en aanpak

1

1.1

Aanleiding en context

1

1.2

Aanpak

1

2

Second opinion op Probos studie

3

2.1

Geografische afbakening

3

2.2

Berekening voor theoretisch potentieel van houtige biomassa uit bos en landschap

4

2.2.1 2.2.2

Door Probos en Borgman Beheer gehanteerde benadering Reflectie op gehanteerde benadering

4 6

2.3

Hout uit bebouwde omgeving

8

3

Toepasbaarheid en capaciteit houtige reststromen

9

3.1

Toepasbaarheid van houtige reststromen in biomassa installaties

9

3.1.1 3.1.2 3.1.3

Beleidskader Technische kader Economische kader

9 9 10

3.2

Beschikbare capaciteit aan houtige reststromen in de regio

11

3.2.1 3.2.2

Houtige reststromen uit huishoudelijk afval Houtige reststromen uit industrie

11 12

3.3

Hoeveelheden afvalhout voor energietoepassingen

13

4

Update SDE-lijst in RES-NML

15

4.1

Update van SDE lijst

15

4.2

Resultaten van bijwerking van de SDE+-lijst

15

4.3

Andere gebruikers van beschikbare biomassa

16

5

Biomassa balans in RES Noord- en Midden Limburg

18

5.1

Huidige biomassa balans in RES Noord- en Midden Limburg

18

5.2

Toekomstige biomassa balans in RES Noord- en Midden Limburg

19

6

Conclusie en aanbevelingen

20

6.1

Conclusie(s)

20

6.2

Aanbevelingen

20

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

ii

Projectgerelateerd

Tabellen Tabel 2-1: Houtig biomassapotentieel uit bossen de onderzoeksgebieden in een regio binnen 80 kilometer vanaf Horst 4 Tabel 2-2: Houtig biomassapotentieel uit landschap in een regio binnen 80 kilometer vanaf Horst

5

Tabel 3-1: Overzicht van houtige biomassastromen uit huishoudelijk afval en industrieën

13

Tabel 4-1: Energievraag van SDE-biomassa installaties in Horst a/d Maas en RES-NML bij verschillende scenario’s:

16

Tabel 5-1: Huidige balans tussen vraag en aanbod in RES-NML en 80km rijafstand van Horst, bij hoog en laag vraagscenario's 18 Tabel 5-2: Toekomstige balans tussen vraag en aanbod in RES-NML en 80km rijafstand van Horst, bij hoog en laag vraagscenario's 19

Bijlagen Bijlage 1: Lijst van Biomassa energie installatie in RES-NML

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

iii

Projectgerelateerd

1.

Inleiding en aanpak Aanleiding en context

De Gemeente Horst aan de Maas heeft Royal HaskoningDHV gevraagd voor ondersteuning in het nader bepalen van de verhouding tussen de aanbod- en vraagcapaciteit van houtige biomassa in de RES-Regio Noord- en Midden Limburg. Dit in verband met vragen vanuit de gemeenteraad en Glastuinbouw Nederland. Deze vragen hebben betrekking op de Regionale Energie Strategie Noord- en Midden Limburg en besluitvorming door het college met betrekking tot uitbreiding en nieuwe capaciteit voor de omzetting van houtige biomassa in energie. In 2020 hebben de gemeenteraden van de RES-Regio Noord- en Midden Limburg de uitgangspunten voor de RES vastgesteld, die later zijn uitgewerkt in de RES 1.0 voor Noord- en Midden Limburg1. In de uitgangspuntennotitie en de RES is onder meer opgenomen dat de RES-regio op termijn geen netto import van biomassa voor vergisting en verbranding toestaat van buiten de RES-regio. Om de beschikbaarheid van houtige biomassa in RES-Regio NML en binnen straal van 80km rijafstand van Horst aan de Maas te bepalen, is er in opdracht van gemeente Horst aan de Maas een studie 2 uitgevoerd door Stichting Probos en Borgman Beheer advies. Parallel hieraan is op basis van de SDE+ lijst van projecten in beheer een inventarisatie gemaakt van de vraag naar houtige biomassa voor energietoepassing binnen de RES-regio. Op 19 juli jl.

is de raad geïnformeerd3 dat de vraag naar houtige biomassa groter is dan het aanbod in de RES-regio. Op verzoek van de gemeente Horst aan de Maas voert Royal HaskoningDHV een second opinion uit betreft de Probos studie en de SDE+ lijst, alsmede een inschatting van aanbod aan (industriële) houtige reststromen en beschikbaarheid.

Aanpak De drie deelresultaten leiden tot een uitspraak over de hoofdvraag, en vormen ook de drie werkpakketen voor de opdracht: 1.

Second opinion op de studie van Probos naar de aanbodcapaciteit van houtige biomassa Hiervoor worden de volgende aspecten bekeken door de betreffende experts: • Gangbaarheid van de onderliggende aannames van de studie betreft biomassa beschikbaarheid en geschiktheid; • Gangbaarheid van berekenmethodes voor het bepalen van houtige biomassacapaciteit; • Controle op berekeningen en informatiebronnen.

2.

Uitspraak over de aanbodpotentie van houtige biomassa uit industriële reststromen en schone afvalstromen. Hiervoor worden door de betreffende experts de volgende aspecten beantwoordt: • Toepasbaarheid, zowel beleidsmatig, technisch en economisch, van afvalhout in biomassacentrales; • Inschatting van de beschikbare stromen aan industriële reststromen en houtige afvalstromen in RES-NML en binnen 80 km rijafstand van Horst aan de Maas. Hiervoor worden intern ontwikkelde

1

RES Noord- en Midden Limburg 1.0 - https://www.resnml.nl/media/2021-07/RES-Noord--en-midden---1.0-Def.(1).pdf Potentieel van houtige biomassa in de RES-regio Noord- en Midden Limburg – april 2021 – Stichting Probos. 3 Raadsinformatiebrief Houtige biomassa – 19 juli 2021 - RIB Houtige biomassa (horstaandemaas.nl) 2

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

1

Projectgerelateerd

tools op basis van openbare bronnen gebruikt om op gemeentelijk niveau de stromen in kaart te brengen. 3.

Inzicht in de vraagcapaciteit van biomassacentrales in RES Noord- en Midden Limburg, in 2021 en de nabije toekomst. Hiervoor zullen de volgende resultaten worden opgeleverd: • Update en bewerking van de lijst van installaties die houtige biomassa verwerken binnen RESNML, op basis van SDE++ capaciteitsaanvragen; • Indicatie van operationele capaciteit, beoogde toekomstige capaciteit en verwachting van de capaciteit die niet gerealiseerd wordt binnen RES-NML.

Met de drie deelresultaten wordt een uitspraak gedaan betreft de verhouding tussen de aanbod- en vraagcapaciteit van houtige biomassa voor toepassing in biomassacentrales in de RES-Regio Noord- en Midden Limburg.

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

2

Projectgerelateerd

2.

Second opinion op Probos studie

Het door Probos en Borgman Beheer bepaalde potentieel betreft het theoretisch potentieel: de totale hoeveelheid vrijkomend houtig materiaal uit bos, landschap en bebouwde omgeving. Er is niet verdisconteerd dat hiervan naar inschatting van Probos (zie [Boosten, 2018]) al gemiddeld 78% wordt benut4. Met andere woorden, het onderzoek brengt het totaal aantal tonnen aan potentiële houtige biomassa in beeld dat voor alle toepassingen beschikbaar is. Met betrekking tot dit in beeld gebrachte potentieel, is bekend dat gemiddeld 78% op dit moment al wordt gebruikt in Nederland en het buitenland voor de diverse vormen van toepassing. In het onderzoek van Probos is geen rekening gehouden met de beschikbare stromen aan industriële reststromen en houtige afvalstromen 5.

Geografische afbakening Conform de aangegeven afbakening van de studie is een gebied met een straal van 80 kilometer rond de kern Horst beschouwd, alsmede de RES-regio Noord- en Midden Limburg zelf. Onderstaande afbeelding geeft de geografische scope weer van de gemeenten in Nederland die liggen binnen deze straal.

Een ‘bevoorradingsgebied’ met een straal van 80 kilometer rijafstand komt goed overeen met ons bekende transportafstanden die in praktijk worden gehanteerd, bijvoorbeeld bij initiatieven in Utrecht en Emmen. In de rapportage is gefocust op herkomstgebieden in Nederland en Duitsland. Het areaal dat binnen een ‘bevoorradingsgebied’ met een straal van 80 kilometer rond Horst valt bestaat inderdaad grotendeels uit gebieden in deze twee landen. Er valt in principe ook een bosrijke streek in Vlaanderen (de Kempen en Belgisch Limburg) binnen deze straal van 80 kilometer. Gesteld zou kunnen worden dat door het buiten beschouwing laten van De Kempen, de theoretisch beschikbare hoeveelheid houtige biomassa uit bos, landschap en groen in bebouwde omgeving in zekere c.q. beperkte mate wordt onderschat.

4 5

Dit varieert van 68% voor bos (bij regulier beheer), 65% voor landschap en 85% voor bebouwde omgeving. Deze deelstroom was geen onderdeel van de uitvraag.

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

3

Projectgerelateerd

Berekening voor theoretisch potentieel van houtige biomassa uit bos en landschap Door Probos en Borgman Beheer gehanteerde benadering Het potentieel wordt door Probos en Borgman Beheer in drie stappen berekend: ◼

In de eerste stap wordt op basis van GIS databases bepaald welk deel van het beschouwde gebied bestaat uit bos en wordt bepaald of het naaldbos, loofbos of populierenbos betreft.

◼

In de tweede stap wordt aan de hand van het type vegetatie (naaldhout / loofhout / populier) een schatting gemaakt van de jaarlijkse bijgroei (ton d.s./ha/jaar)

◼

De bijgroei wordt tenslotte aan de hand van een aantal vaste factoren vertaald naar een potentieel aan houtig materiaal dat geschikt zou zijn voor gebruik als brandstof.

Tabel 2-1: Houtig biomassapotentieel uit bossen de onderzoeksgebieden in een regio binnen 80 kilometer vanaf Horst oppervlak (ha)

Jaarlijkse potentiële oogst bovengrondse biomassa (spilhout + takhout), ton d.s.

Jaarlijkse potentiële oogst taken tophout (ton d.s.)

Potentiële oogst per hectare (spilhout + takhout), ton d.s.

Aandeel tak- en tophout in potentiële oogst

Jaarlijkse potentiële oogst werkhout (ton d.s.)

Grove den (> 25 jaar)

7.094

11.629

10.201

1.428

1,64

12%

Loofhout eik en beuk (> 25 jaar)

15.097

46.282

37.324

8.958

3,07

19%

Populierenbos (> 25 jaar)

70

227

183

44

3,26

19%

Grove den (> 25 jaar)

18.454

30.251

25.536

4.715

1,64

16%

Loofhout eik en beuk (> 25 jaar)

35.949

110.205

88.875

21.330

3,07

19%

Populierenbos (> 25 jaar)

322

1.049

846

203

3,26

19%

Grove den (> 25 jaar)

18.969

31.096

27.278

3.819

1,64

12%

Loofhout eik en beuk (> 25 jaar)

63.320

194.113

156.542

37.570

3,07

19%

RES regio

Overig NL grondgebied (<80 km afstand)

Grondgebied BRD

In de berekeningen is verondersteld dat grove den representatief is voor naaldbos en eik en beuk (in niet nader gepresenteerde verhouding) voor loofbos. De in de derde stap gebruikte factoren zijn: ◼

De omvang van de jaarlijkse bijgroei, teruggerekend op basis van opgegeven “Jaarlijkse potentiële oogst bovengrondse biomassa” (zie Tabel 2-1, derde kolom van links) en het percentage bijgroei dat verantwoord kan worden geoogst (zie volgende aandachtspunt). 

2,47 ton d.s./ha/jaar voor naaldbos

4,62 ton d.s./ha/jaar voor loofbos

4,91 on d.s./ha/jaar voor populier

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

4

Projectgerelateerd

◼

Het deel van de bijgroei dat gemiddeld in Nederland in de praktijk al wordt geoogst (52%) of wat additioneel verantwoord c.q. binnen randvoorwaarden zou kunnen worden geoogst (30% van de niet geoogste 48%): 52% + 30%  48% = 66,4%.

◼

Het aandeel tak en tophout in de oogstbare bijgroei: 19% voor loofhout en populier, 12% of 16% voor naaldhout.

Voor hout uit landschap wordt eenzelfde benadering gehanteerd als voor hout uit bos, zie Tabel 2-2. Tabel 2-2: Houtig biomassapotentieel uit landschap in een regio binnen 80 kilometer vanaf Horst oppervlak [ha]

Jaarlijkse potentiële oogst bovengrondse biomassa (spilhout + takhout) [ton d.s.]

Jaarlijkse potentiële oogst spilhout [ton d.s.]

Jaarlijkse potentiële oogst tak- en tophout [ton d.s.]

RES regio Houtwallen/Singels

200,47

478,2

385,7

92,6

Laag- en hoogstam boomgaarden

754,58

1.763,9

1.422,5

341,4

Kleinfruit kwekerijen

1.400,83

1.751,0

0

1.751,0

Boomkwekerijen

3.315,34

2.900,9

0

0

Kleine bosjes (<0,5 ha)

7.145,39

21.690,0

17.491,9

4.198,1

Grienden

3,62

53,2

0

0

Hagen

134,77

64,5

0

64,5

423,6

970,6

815,0

195,6

Laag- en hoogstam boomgaarden

1.581,81

3.697,5

2.981,9

715,7

Kleinfruit kwekerijen

3.532,12

4.403,9

0

4.403,9

Boomkwekerijen

9.442,15

8.261,9

0

0

Kleine bosjes (<0,5 ha)

19.340,95

58.709,8

47.346,7

11.363,2

Grienden

38,75

569,9

0

0

Hagen

391,75

187,4

0

187,4

Kleine bosjes (<0,5 ha)

23.575,89

71.565,1

57.713,8

13.851,3

Totaal grondgebied

71.282

Overig NL grondgebied (<80 km afstand) Houtwallen/Singels

Grondgebied BRD

25-10-2021

37.165

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

5

Projectgerelateerd

Reflectie op gehanteerde benadering De door Probos en Borgman Beheer gehanteerde benadering voor het schatten van het theoretisch potentieel aan houtige biomassa uit beheerd bos en landschap zou naar onze mening kunnen worden omschreven als een vrij ruwe benadering die leidt tot een eerste orde schatting van het potentieel. Hieronder zijn een aantal observaties opgenomen ten aanzien van de gehanteerde benadering. In de berekeningen door Probos en Borgman Beheer is bijvoorbeeld verondersteld dat grove den representatief is voor naaldbos en dat eik en beuk (in niet nader gepresenteerde verhouding) representatief is voor loofbos. Volgens de 6e Nederlandse bosinventarisatie vormen deze boomsoorten in bijvoorbeeld Noord-Brabant circa 2/3 van de totale inventaris aan naaldhout en loofhout. In NordrheinWestfalen bestaat de inventaris aan naaldhout overwegend uit spar. Zoals geïllustreerd in Tabel 2-1 is de veronderstelde oogstbare bijgroei voor de drie verschillende typen gebieden steeds gelijk. Er wordt waarschijnlijk geen rekening gehouden met bijvoorbeeld boniteit of leeftijd, ook al wordt verwezen naar Nationale Bosinventaris 6 (waarin dit soort informatie is opgenomen). Zoals genoemd in een recent rapport van WUR [WUR, 2021] hebben waarden voor biomassaexpansiefactoren grote invloed op de schattingen van de biomassa. Het is daarom belangrijk dat het betrouwbare schatters zijn.

De in de benadering van Probos en Borgman Beheer gehanteerde percentages tak- en tophout voor loofbos en naaldbos6 zijn generieke waarden die ook in aanzienlijk oudere studies van Probos worden gehanteerd en die zijn gebaseerd op een studie van Baritz en Strich uit 2000. Voor meer recente waarden voor expansiefactoren zou de studie van Hendriks et al kunnen worden geraadpleegd. Het door Probos en Borgman Beheer geschatte potentieel heeft betrekking op een 30% hogere oogst van de bijgroei7 dan wat er in de praktijk – gemiddeld in Nederland - wordt geoogst van de bijgroei (66,4% versus 52%). Het werkhout van deze additionele 30% wordt niet tot het potentieel gerekend, het tak- en tophout wel. Bij deze benadering zijn verschillende opmerkingen te maken: - Hoe representatief is de over heel Nederland gemiddelde waarde voor de in deze studie beschouwde regio in een straal van 80 kilometer rond Horst? Is bijvoorbeeld het aandeel bosareaal dat wordt beheerd door SBB en natuurorganisaties/landschapsorganisaties in deze regio vergelijkbaar met het gemiddelde aandeel in Nederland? Wordt in beheer dezelfde visie gehanteerd ten aanzien van bijvoorbeeld beleving en biodiversiteit? - Stel dat dit percentage ook representatief is voor de regio rond Horst, dan is er een reden waarom er 52% van de bijgroei wordt geoogst.

Hoe gaat het dan lukken om – relatief - 30% meer bijgroei te gaan oogsten. Waar wordt dat afgezet (zie het volgende tekstvak)?

6 7

Betreft: 19% en 14% volgens de tekst, voor naaldhout conform getallen in tabel 2.2 van het rapport 12% of 16% Als volgt berekend: 66,4% ÷ 52% = 130%

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

6

Projectgerelateerd

Reflecties op houtoogst in Nederland Het gegeven dat in Nederland gemiddeld iets meer dan de bijgroei wordt geoogst hangt onder andere samen met de verwerkingscapaciteit in Nederland zelf en met beleid ten aanzien van biodiversiteit en koolstof vastlegging. Verwerkingscapaciteit van werkhout is in Nederland beperkt. Er zijn in Nederland bijvoorbeeld geen producenten van plaatmateriaal of pulp en geen producent van kruislaaghout. De dichtstbijzijnde producent van kruislaaghout betreft Derix met vestigingen in Westerkappeln (bij Osnabrück) en Niederkrüchten-Dam (achter Swalmen). Ook is het aantal zagerijen beperkt. Vanwege de beperkte verwerkingscapaciteit wordt circa de helft van het Nederlandse werkhout geëxporteerd naar Duitsland en België. De langere transportafstand drukt negatief op de rentabiliteit van houtoogst. Bij een stijgende vraag naar hout voor bijvoorbeeld toepassingen in de bouw is vanwege de beperkte verwerkingscapaciteit niet gezegd dat er meer hout uit Nederlandse bossen wordt geoogst. Dit zal mede afhankelijk zijn van de verwerkingscapaciteit van zagerijen in Nederland en omliggende landen en de mogelijkheden voor deze bedrijven om te investeren in uitbreiding van verwerkingscapaciteit.

Daarnaast zal het versterken van biodiversiteit in bossen en verhoging van de koolstofopslag in bossen een ander – waarschijnlijk deels begrenzend - aspect zijn met invloed op het percentage bijgroei dat in de praktijk zal worden geoogst. Tenslotte zei nog gemeld dat in [WUR, 2016] wordt aangegeven dat er relatief weinig verjonging heeft plaatsgevonden in Nederlandse bossen. Daardoor zal volgens deze bron na 2030 het aanbod aan hout in sortimenten zaaghout afnemen.

In de gehanteerde benadering is het totale geschatte potentieel aan tak- en tophout meegenomen, ongeacht de groeiplaatsomstandigheden. Zoals in het rapport in paragraaf 2.2.1 aangestipt kan het met het oog op behoud van biodiversiteit en instandhouding van nutriëntenkringloop en bodemorganische stof gehalten duurzamer zijn om het tak- en tophout achter te laten. SBB bijvoorbeeld hanteert als vuistregel dat tak- en tophout bij bos op zandgrond moet worden achtergelaten om bodemkwaliteit (nutriëntenkringloop, bodemorganische stof) op peil te houden. Een deel van het bos in Noord-Brabant en Duitsland staat op zandgronden. Het voor deze arealen geschatte potentieel is feitelijk een niet duurzaam potentieel. Omdat er in de gehanteerde benadering geen rekening is gehouden met de wenselijkheid van het wel of niet afvoeren van tak- en tophout kan de gemaakte schatting worden beschouwd als een bovengrens van het theoretische aanbod. In de globale schatting is verder geen aandacht besteed aan de rentabiliteit van oogst van tak- en tophout. In [Boosten, 2018] wordt daarover aangegeven: Op rijke gronden kan qua duurzaamheid maximaal 70% van tak & tophout kan worden geoogst. Economisch en rendabel kan 50% hiervan (35% van totaal duurzaam potentieel) worden geoogst.

De gemaakte schatting kan worden beschouwd als de bovengrens van het theoretische aanbod aan biomassa uit zowel bos en landschap. Dit gezien er in praktijk minder tak & tophout wordt geoogst voor duurzaamheids- en economische redenen. Daarnaast er zijn er landelijke gemiddelde cijfers gebruikt voor de bepaling van het potentieel, wat mogelijk kan afwijken van de gemiddelden voor de onderzochte gebieden betreft bossamenstelling en beheerders. Daarom wordt uitgegaan dat aanbodpotentiaal aan biomassa uit bos- en landschap van de Probos studie de maximum is voor de RES-Regio en 80km rondom Horst.

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

7

Projectgerelateerd

Hout uit bebouwde omgeving Voor hout uit de bebouwde omgeving is eveneens een vrij globale benadering gehanteerd. In de gehanteerde benadering is uitgegaan van CBS-statistieken voor hout dat via gemeenten is ingezameld. Hierop zijn een aantal factoren toegepast om ook de hoeveelheden via hoveniers ingezameld houtig materiaal en bij particulieren zelf (al) als brandstof gebruikt houtig materiaal te schatten. Wij zijn ons niet bewust van informatie waarmee een nauwkeurigere of representatievere schatting mogelijk zou zijn. Daarmee beschouwen de we gebruikte factoren in de studie als best beschikbare schattingen op dit moment. Het potentiaal aan houtige biomassa uit bebouwde omgeving van de Probos studie wordt beschouwd als een vrije globale benadering en een schatting. Door gebrek aan nauwkeurigere informatie is er geen uitspraak te doen of dit representatief is voor de werkelijke potentiaal aan biomassa uit de bebouwde omgeving. Voor de balans in hoofdstuk 5 wordt er uitgegaan dat het potentiaal uit de Probos studie, hetzij een theoretische schatting maar wel de best beschikbare indicatie.

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

8

Projectgerelateerd

3.

Toepasbaarheid en capaciteit houtige reststromen

Naast houtige (bij)producten uit bos, landschap en bebouwde omgeving zijn er ook houtige reststromen uit industrie en houtige afvalstromen van huishoudens, ook wel bekend als tertiaire biomassa stromen. Afvalhout (industrieel en huishoudelijk) dat tot deze reststroom behoort, is ingedeeld in de categorieën Ahout, B-hout en C-hout. Deze zijn in het onderzoek van Probos niet meegenomen. In dit hoofdstuk wordt de toepasbaarheid van deze stromen belichten, in de bredere context van alle biomassa stromen, en een inschatting gemaakt van de aanbod en beschikbaarheid van deze stromen voor energietoepassingen.

Toepasbaarheid van houtige reststromen in biomassa installaties Beleidskader De maatschappelijke houding ten opzichte van deze houtige reststromen bio-energie is kritisch. Het gaat daarbij om o.a. de zeer grootschalige toepassing van houtpellets in kolencentrales voor de productie van elektriciteit. Maar ook om kleinschalige installatie die niet volgens de stand der techniek zijn gebouwd en/of niet volgens de laatste inzichten werkzaam zijn. Deze maatschappelijk onrust heeft geleid tot aanpassingen in landelijk beleid met als belangrijkste wijzigingen: • Gebruik biomassa niet voor de productie van elektriciteit, er wordt dan slechts een deel van de energie-inhoud benut (30 tot 40%). De SDE++ subsidie wordt hierop afgebouwd; • Gebruik alleen duurzame biomassa waarvan de herkomst bekend is en die voldoet aan de richtlijn NTA8080. Houtsnippers die lokaal gesourced worden als bijproduct van bosbouw of vrijkomend bij landschapsbeheer voldoen hieraan; • Pas de laatste stand der techniek toe bij rookgasreiniging. De huidige emissieregelgeving loopt achter op wat nu al technisch op een rendabele manier mogelijk is; • Ontmoedig het gebruik van houtkachels waarbij geen rookgasreiniging mogelijk is. Dit heeft ertoe geleid dat de ISDE regeling voor houtpellet kachels is gestopt.

Belangrijk te weten is dat houtpelletkachels vele malen schoner zijn dan traditionele kachels en helemaal in vergelijking tot open haarden. Het huidige beleidskader maakt dat toepassingen van houtachtige reststromen t.b.v. bio-energie wordt ondersteund daar waar het gaat om biowarmte, de biomassa duurzaam gesourced worden in de nabije omgeving van de installatie en de laatste stand der techniek wordt toegepast op het gebied van rookgasreiniging en energieconversie.

Technische kader Bij de inzet van biomassa als warmtebron op een schaalgrootte van enkele tientallen MWthermisch of minder wordt uitgegaan van schone biomassa. Dit in verband met de hoge kosten van rookgasreiniging bij verbranding van vervuilde biomassa. Schone biomassa is vooral verse houtachtige biomassa (houtsnippers) die vrijkomt uit het onderhoud van bos en landschap en het zogenaamde A-hout. A-hout is schoon hout dat als afval vrijkomt, rechtstreeks uit de houtverwerkende industrie en uit de bouw bij nieuwbouw en renovatie. Houtige biomassa uit afvalstromen Het A-hout dat vrijkomt als ‘afval’ uit de industrie wordt overwegend als grondstof gebruikt. In vergelijking tot vers hout is dit A-hout droger en homogener en leent zich zo bij uitstek om te worden verwerkt in spaanplaat en MDF. Hout dat vrijkomt uit de bouw wordt zo goed mogelijk gescheiden in een schone A-

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

9

Projectgerelateerd

hout fractie en een vuile B-hout fractie. Ook hier geldt dat deze A-hout fractie bij voorkeur als grondstof verkocht wordt en niet als brandstof. De waarde als grondstof is nu eenmaal hoger. Het B-hout laat zich niet hergebruiken als grondstof, daarvoor is het te vervuild. B-hout wordt daarom ingezet als brandstof in installaties die daar speciaal voor gebouwd zijn. Het betreft de afvalhoutverbrandingsinstallaties van HVC in Alkmaar, Twence in Hengelo en AVR in Rozenburg. Deze installaties beschikken over een uitgebreide rookgasreinigings-installaties. Het B-hout wordt via deze installaties energetisch vergaand benut t.b.v. stadsverwarming, processtoom en elektriciteitsproductie. Het betreft grootschalige installaties, indicatie 100 kton per jaar of meer, die tezamen over voldoende capaciteit beschikken om al het B-hout in Nederland te kunnen verwerken. Verbranding op grote schaal van deze complexe en vervuilde brandstof is nodig om de kosten laag te houden en een doelmatige reiniging van de rookgassen te bewerkstelligen. De derde fractie C-hout is zwaar vervuild en dus niet te gebruiken als grondstof of brandstof. Voor bioenergie installaties is het biogene deel van deze fractie te laag om te kwalificeren als biomassa en zal de installatie extra aanpassingen nodig hebben om deze brandstof veilig te kunnen verstoken.

Dit alles maakt dat afvalhout vaak maar in beperkte mate beschikbaar is voor lokale biowarmteprojecten. Ook de technische uitvoering van de installatie is daar debet aan, deze is vaak ontworpen om verse houtsnippers met een lage stookwaarde te kunnen verwerken. Bij een groot aandeel droog afvalhout met een hoge stookwaarde wordt de installatie ‘kapot gestookt’. Gangbare techniek voor kleinschalige installaties De meest gangbare techniek, die in geheel Europa wordt toegepast en waarmee al decennialang ervaring is opgedaan, is de zogenaamde roosterverbranding. Met deze techniek kunnen verse houtsnippers die vochtig zijn toch goed worden verbrand. De laatste technische ontwikkelingen richten zich op het verhogen van het rendement en het verlagen van de emissies. Het rendement wordt verhoogd door het toepassen van rookgascondensatie, al dan niet in combinatie met een warmtepomp. Zo kan het rendement stijgen tot bijna 110%. Dit concept is vergelijkbaar met de HR-gasketel. Rookgascondensatie draagt ook bij aan het verlagen van de stofemissies. Met een zogenaamde dubbele DeNOx kunnen de NOx emissies om een vergelijkbaar niveau als van een aardgasketel worden gebracht. Meervoudige uitvoering met doekenfilters leiden tot stofemissies die ver onder de wettelijke eisen liggen. Deze technieken laten zich inmiddels ook rendabel toepassen bij kleinschaliger installatie tot circa 2 MW th.

Voorbeelden zijn te vinden bij MPD in Ede en Bioforte in Zaandam en HoSt in Meerhoven / Eindhoven. Het technisch kader maakt dat bij biowarmte uit schone en verse houtsnippers vooral roosterverbranding wordt toegepast en dat dit maar in beperkte mate wordt gecombineerd met A-hout.

Economische kader SDE++ (de subsidie voor duurzame energie) is in grote mate bepalend voor de inzet van de (tertaire stromen) houtige biomassa. Vrijwel elke vorm van bio-energie, grootschalig en kleinschalig, verbranden en vergisten, op basis van vers hout en afvalhout wordt op deze manier rendabel. Of een project echt rendabel is hangt in hoge mate af van de eigenaar/ exploitant. Beschikt deze over een goede inkooppositie. Is deze in staat om de installatie op een technisch verantwoorde manier te bedrijven zodat de beschikbaarheid hoog is en de onderhoudskosten laag?

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

10

Projectgerelateerd

Bijna alle SDE++ regelingen voor warmte uit biomassa zijn ingericht op (verse) stromen uit bos, landschap en bebouwde omgeving beheer of schone afvalhout (A-hout)8. Huidige uitzondering hierop zijn ‘Ketel op B-hout’ waarbij naast B-hout ook schone hout (A-hout en verse stromen) gebruikt mag worden. Of en ‘Installatie op duurzame houtpellets’ waarbij tot maximaal 15% A-hout in houtpellet vorm gebruikt mag worden.9 Afstand rendabele exploitatie De afstand tot de biowarmtecentrale om rendabele exploitatie mogelijk te maken varieert met de schaalgrootte. Voor kleine installatie tot circa 2 MWth, brandstof behoefte circa 3 kton per jaar, vindt sourcing plaats in de directe omgeving, straal 20 km. Voor grotere installaties tot 10 MWth wordt efficiënter vervoer mogelijk met grotere truck en zijn bulk prijsafspraken mogelijk op het gebied van logistiek. Zo wordt sourcing mogelijk tot een afstand van 50 km. Voor de grootste installaties tot soms wel 50 MW th is sourcing mogelijk tot een afstand van 100 km. Daarbij maken grenzen niet veel uit, afhankelijk van de situatie op de markt voor houtsnippers vindt import of export plaats, zeker in de grensstreek. Waar in het verleden veel geëxporteerd werd naar Duitsland, vindt inzet nu in toenemende mate in NL plaats. Het economisch kader maakt dat biowarmteprojecten met een vermogen boven de 0,5 MW th rendabel kunnen worden gerealiseerd.

Beschikbare capaciteit aan houtige reststromen in de regio Naast houtige stromen uit bos, landschap en groen beheer komen er ook houtige stromen vrij bij het afval van huishoudens en uit de industrie. De belangrijkste bronnen van houtafval zijn sloopwerkzaamheden en milieustraten. In onderstaande paragrafen worden de typen en hoeveelheden houtafval beschreven vanuit huishoudelijk afval en vanuit de industrie die vaak via de milieustraat lopen.

Houtige reststromen uit huishoudelijk afval Afvalhout dat bij huishoudens vrijkomt, wordt in drie categorieën geplaatst, zoals beschreven in hoofdstuk 3.1.2: 1. A-hout: ongeverfd en onbehandeld hout; 2. B-hout: niet onder A- en C-hout vallend hout waaronder geverfd, gelakt en verlijmd hout; 3. C-hout: geïmpregneerd hout, bestaand uit hout dat behandeld is met verduurzamingsmiddel zoals bijvoorbeeld gecreosoteerd hout of gewolmaniseerd hout. A-hout is goed te recyclen tot nieuwe houtproducten door het bijvoorbeeld te verwerken tot pallets of het te versplinteren en samen te persen tot spaanplaten. Ook wordt A-hout gebruikt voor (mee)stook in verbrandingsinstallaties. B-hout dat niet meer te recyclen is tot nieuwe houtproducten, wordt ook gebruikt als brandstof voor energiecentrales. Een aanname is dat circa 50% van het B-hout toegepast wordt in de energiesector. Op de milieustraat wordt A- en B-hout vaak gezamenlijk ingezameld en C-hout apart. C-hout kan niet worden gerecycled tot nieuwe houtproducten en wordt waar mogelijk nog ingezet voor energieopwekking. Dit gebeurt veelal in Duitsland en Zweden, Nederland beschikt niet over installaties die C-hout mogen verbranden.

8

Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021 - Artikel 46 Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021 9 Rijksdienst voor Ondernemende Nederland - Brochure SDE++ oktober 2021 (rvo.nl) 25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

11

Projectgerelateerd

Houtige reststromen uit industrie Het afvalhout dat vrijkomt uit de industrie wordt gesplitst in hout dat vrijkomt bij de houtverwerkende industrie, meubelindustrie en overige industrie. Het houtafval vanuit de industrie kan uit diverse soorten bestaan zoals zaagsel, snippers, schors of stukken hout van diverse grootte. In de houtverwerkende industrie en de meubelindustrie komt het meeste hout vrij dat daarnaast ook nog relatief schoon is. Het resthout wordt voor circa 50% toegepast als strooisel voor de dierhouderij en 30% toegepast voor productie van pellets. De overige 20% wordt toegepast in platenindustrie, productie voor papier en karton en voor energie voor eigen gebruik of buiten de houtsector 10. Een aanname is dat van deze resterende 20% de helft voor energietoepassingen beschikbaar is. Het houtafval uit de overige industrieën is voor een groot deel verpakkingshout, veelal pallets. Doorgaans worden houten pallets apart ingezameld en gerecycled tot nieuwe pallets of aan het einde van de levensduur verwerkt tot spaanplaat of strooisel. Slechts een minimaal deel is beschikbaar voor energietoepassingen, dit wordt ingeschat op circa 23%11. Dit betekent dat er binnen deze stroom slechts kleine percentages houtige reststromen beschikbaar is als houtige biomassa voor energietoepassingen.

Relevante bedrijven in de hout- en meubelindustrie die mogelijk interessante houtige reststromen hebben zijn: • Binnen de RES-NML: o PKF/POST Pallets, Venlo o Verhoeven Timmerfabriek, Venray o Keijsers Interiors, Venray • Buiten de RES MNL, binnen straal van 80 km van Horst: o Alpha Deuren, Didam o Ahrend Productiebedrijf, Sint-Oedenrode o Bribus, Dinxperlo o Berkvens Deursystemen, Someren o Unilin Insulation, Oisterwijk o Willemsen Inter. Bouw & Scheepsbetimmering, Huissen o Kegro Deuren, Groesbeek o Gielissen's Interiors, Eindhoven o Westerveld en Nederlof, Breedenbroek o Accsys Technologies, Arnhem Bouw- en sloopsector Naast de industrie komt er ook een grote stroom afval vrij bij de bouw- en sloopsector. Dit afvalhout valt veelal onder de noemer B-hout, omdat dit meer vervuild is (resten van pur, cement, lijm, verf, spijkers, etc). Op slooplocaties wordt hout vaak apart ingezameld, maar niet specifiek op A-hout of B-hout. Op bouwlocaties worden pallets vaak wel apart ingezameld en verwerkt. Er zijn weinig betrouwbare bronnen beschikbaar die aangeven hoeveel hout er vrijkomt uit de bouw- en sloopsector. Er is echter wel bekend dat er vanuit deze sector het grootste volume houtafval vrijkomt ten opzichte van andere sectoren.

Mogelijk dat grote sloopbedrijven uit de regio inzicht kunnen bieden in de hoeveelheden houtafval: • Spierings Sloopwerken, Weert (binnen RES-NML) • Sloop en Grondwerken Heezen, Eindhoven • Enzerink, Hengelo (Gld)

10

BioScope Toepassingen en beschikbaarheid van duurzame biomassa, CE Delft - feb 2020, CE_Delft_190186_Bio-Scope_Def.pdf Afvalfonds verpakkingen, https://afvalfondsverpakkingen.nl/a/i/Verpakkingen-in-de-circulaire-economie-recycling-verpakkingenNederland-2018.pdf 11

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

12

Projectgerelateerd

Hoeveelheden afvalhout voor energietoepassingen Onderstaande Tabel 3-1geeft een overzicht van de hoeveelheden houtige afvalstromen die in de regio vrijkomen. Enerzijds bij huishoudens en anderzijds vanuit de industrie. De regio geeft aan (1) hoeveelheden in gemeente Horst aan de Maas, (2) hoeveelheden in de RES regio’s Noord en Midden Limburg, inclusief Horst aan de Maas en (3) hoeveelheden in de regio op 80 km afstand van Horst inclusief eerder genoemde RES Regio’s en gemeente Horst aan de Maas. Deze hoeveelheden zijn berekend op basis van afval- en inwonersgegevens van CBS voor huishoudens uit 2018. De getallen uit dat jaar zijn gecontroleerd op juistheid en zijn niet beïnvloed door Corona (in 2020 waren er hogere pieken in afvalhout van huishoudens). De cijfers geven specifiek de hoeveelheden A-& B- en C-hout aan. De hoeveelheden voor grofvuil, GFT en restafval zijn aparte categorieën en zijn niet meegenomen in onderstaande hoeveelheden. De hoeveelheden voor de industrie zijn berekend op basis van landelijke gegevens waarna middels kentallen de fracties voor industrie voor deze regio in kaart zijn gebracht. Daarnaast staan in de laatste twee kolommen aangegeven wat de geschatte beschikbaarheid van deze stromen voor energietoepassingen is en daarvan de potentiële energiewaarde in GJ bij verbranding van deze stromen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11025007/2