CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

RIB.21.116 Houtige Biomassa

Gemeenteraad 9 december 2021, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Raadsinformatiebrieven.14.434 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Stuknummer: 21.0007994

Raad 07-12-2021 RIB.21.116

raadsinformatiebrief van

: Burgemeester en wethouders

portefeuillehouder

: T. Kuipers

aan

: De leden van de gemeenteraad

datum

: 25/10/2021

status

: Toezeggingen, nummer: 2021.133

openbaar

: Ja

Onderwerp Voortgang besluit College inzake houtige biomassa

Aanleiding In RIB 21.096 heeft het college u geïnformeerd over (kortgezegd) haar besluit aangaande het niet meer willen toevoegen of uitbreiden van installaties voor de bedrijfsmatige verbranding (of andersoortige inzet als energiebron) van houtige biomassa (voor zover dit past binnen wettelijke kaders). Over deze beslissing, en met name grondslagen daarvoor, heeft uw raad in de voorbereidende gemeenteraad van 7 september 2021 vragen gesteld. Daarbij is gebleken dat de beleidsmatige grondslag niet de politiek-bestuurlijk vastgestelde in de (uitgangspuntennotitie) RES betreft. Op basis daarvan heeft het college aangegeven het besluit “on hold” te zetten, vier acties te ondernemen en hierover in november bij u terug te komen. Met deze RIB geven wij u inzicht in waar we staan op deze vier acties. Tevens geeft deze RIB aanvullend verduidelijkende informatie over de reikwijdte van het eerder genomen besluit. Het College heeft naar aanleiding hiervan navolgende afspraken gemaakt: 1. Het college geeft inzicht in waar het onjuiste citaat dat als grondslag voor het collegebesluit geldt vandaan komt. 2. Glastuinbouw Nederland betwist de cijfers die ProBos heeft gebruikt in haar rekenkundige onderbouwing bij het collegebesluit. Het college laat een second opinion op deze cijfers uitvoeren. 3. We kijken nog eens goed naar het proces, analyseren daarbij bekende en evt.

nieuwe informatie waarbij we tevens in gesprek zullen gaan met Glastuinbouw Nederland alvorens een nieuwe afweging te maken. 4. Het College maakt o.b.v. dan verzamelde informatie voor eind november een nieuwe afweging en kijkt of dat aanleiding geeft het eerder genomen besluit te herzien.

Bezoekadres: BezoekAdres, PlaatsBA

Postadres / PostCodePA PlaatsPA

T TelefoonNummer

F FaxNummer

Pag. 2 van 4

Beantwoording Afspraak 1 – Het college geeft inzicht in waar het onjuiste citaat, dat als grondslag voor het collegebesluit geldt, vandaan komt. We hebben geconstateerd dat het gewraakte citaat afkomstig is uit de consultatieversie van de RESuitgangspuntennotitie van 31-10-2019. Daar staat op pagina 8 onder 5 de in RIB 21.096 gebruikte zin. Deze zin is dus ten onrechte gebruikt als beleidsmatige grondslag voor het collegebesluit. De gewraakte zin wordt in RIB 21.055 ook al ten onrechte benoemd als vastgesteld uitgangspunt voor de RES. We hebben kunnen achterhalen dat de portefeuillehouder bij het redigeren van deze RIB per abuis de tekst uit de consultatieversie heeft gebruikt en niet uit de vastgestelde uitgangspuntennotitie. In de collegenota en de RIB 21.096 is het in RIB 21.055 onjuist gebruikte citaat overgenomen. Het letterlijke citaat in de consultatieversie van de RES uitgangspunten notitie (pag.

8 punt 5.) is: “We gaan voor 100% duurzaam, lokaal opgewekte warmte in 2050, hetgeen onder andere betekent geen netto import voor vergisting en verbranding.” Daarna volgt echter nog een verdere nuancering: “We bevinden ons echter aan het begin van de transitiefase van de uitfasering van aardgas naar 100% duurzame warmtebronnen waarin hybride oplossingen en een fase van import nodig kan zijn.“ We constateren dat dus ook niet het volledige citaat uit de consultatieversie is overgenomen. In de RES uitgangspunten notitie is het citaat: “We gaan voor 100% duurzaam, warmte in 2050, hetgeen onder andere betekent dat we op termijn geen gebruik meer maken van netto import voor vergisting en verbranding. We bevinden ons echter aan het begin van de transitiefase van de uitfasering van aardgas naar 100% duurzame warmtebronnen waarin hybride oplossingen en een fase van import nodig kan zijn.“ Voor het college is dit verschil in beleidsmatige grondslag reden voor een hernieuwde afweging op dit punt. Daarover leest u hieronder meer. Afspraak 2 – Glastuinbouw Nederland betwist de cijfers die ProBos heeft gebruikt in haar rekenkundige onderbouwing bij het collegebesluit. Het college laat een second opinion op deze cijfers uitvoeren. Het college heeft Royal Haskoning/DHV opdracht gegeven om een second opinion uit te voeren op het rapport van Probos.

Deze second opinion (concept) hebben wij op 18 oktober ontvangen. Conclusie uit de second opinion is dat de hoeveelheden aanbod potentieel houtige biomassa en de vraag naar verbrandingscapaciteit (SDE-lijst) overeenkomen met de het rapport van Probos. Ook wordt in het rapport geconcludeerd dat er sprake is van een grotere vraag naar verbrandingscapaciteit vanuit houtige biomassa dan dat er aan potentieel houtige biomassa beschikbaar is. Daarmee blijft het rekenkundige uitgangspunt voor het genomen collegebesluit van 15 juli overeind.

2

Pag. 3 van 4

In het rapport wordt aangegeven dat er sprake is van marginale verschillen in potentieel aanbod (in het Probosonderzoek is bijvoorbeeld een hoger potentieel aanbod opgenomen door andere uitgangspunten dan die gehanteerd zijn in de second opinion). Daarnaast is de SDE-lijst geactualiseerd naar de stand vanaf 7-2021. Daarbij is berekend welke verbrandingscapaciteit gerealiseerd is en nog gerealiseerd zal worden in de komende 3-4 jaar. Naast deze opdracht, is ook onderzocht welke hoeveelheden aan houtige biomassa afkomstig van afvalhout uit industrie en huishoudens potentieel beschikbaar is. Deze hoeveelheden zijn, samen met de hoeveelheden houtige biomassa uit bos, landschap en bebouwde omgeving ook afgezet tegen de vraag naar verbrandingscapaciteit. De volgende conclusies zijn vanuit de second opinion getrokken: A. Op basis van het aanbodpotentieel aan houtige biomassa en de vraag naar verbrandingscapaciteit (laagscenario)1 is er voor nu (2021): 1. Binnen de RES-regio sprake van een tekort aan de aanbodzijde van factor 2,3 indien er enkel wordt gekeken naar houtige biomassa afkomstig van bos, landschap en bebouwde omgeving (deelstromen zoals opgenomen in het onderzoek van Probos). 2. Binnen de RES-regio sprake van een tekort aan de aanbodzijde van factor 2,1 indien ook het potentieel aanbod houtige biomassa afkomstig van resthout industrie en huishoudens wordt meegenomen. B.

Op basis van het aanbodpotentieel aan houtige biomassa en de vraag naar verbrandingscapaciteit, is er na realisatie van alle SDE-installaties (2024/25): 1. Binnen de RES-regio sprake van een tekort aan de aanbodzijde van factor 4,1 indien er enkel wordt gekeken naar houtige biomassa afkomstig van bos, landschap en bebouwde omgeving (deelstromen zoals opgenomen in het onderzoek van Probos). 2. Binnen de RES-regio sprake van een tekort aan de aanbodzijde van factor 3,8 indien ook het potentieel aanbod houtige biomassa afkomstig van resthout industrie en huishoudens wordt meegenomen. Aanvullend - Reikwijdte besluit over houtige biomassa De bestuurlijke reikwijdte van een besluit betreft enkel daar waar uitbreiding of nieuwe capaciteit voor het omzetten van houtige biomassa in energie ter beoordeling bij het college komt op basis van het ruimtelijk spoor (bijvoorbeeld via een principe-verzoek of omgevingsvergunning) en/of indien er sprake is van een opwekcapaciteit > 15 MW. Vanaf die capaciteit is er namelijk een omgevingsvergunning milieu nodig. Als de uitbreiding of nieuwe capaciteit voor een verbrandingsinstallatie binnen een bedrijf (waar het dus het interne bedrijfsproces betreft) < 15 MW is, valt dit onder het landelijke Activiteitenbesluit en komt dat – normaal gesproken - niet ter beoordeling bij het college.

Als de uitbreiding of nieuwe capaciteit voor verbranding van biomassa voldoet aan het Activiteitenbesluit, is het gebruik van houtige biomassa wettelijk toegestaan als vorm van energie-opwek. Een besluit over het niet meer toevoegen of uitbreiden van houtige biomassa heeft dan ook géén betrekking op deze categorie van aanvragen/wijzigingen en de toepassing van biomassa is dan ook in de basis mogelijk. 1 In verband met de AVG is niet voor iedere aanvraag te achterhalen of er sprake is van vervanging of uitbreiding. Daarom is

ervoor gekozen om met een hoog en laagscenario te werken. In het laag scenario zijn installaties waarvan niet duidelijk is of ze zijn vervangen, dan wel gerealiseerd worden, niet meegenomen in de totale verbrandingscapaciteit.

3

Pag. 4 van 4

Ook voor nieuwe bedrijven die energie-opwek via biomassaverbranding als onderdeel van het eigen bedrijfsproces willen (kleiner dan 15 MW), vallen onder het Activiteitenbesluit. Er wordt bij een nieuw bedrijf wel ruimtelijk getoetst, maar dit heeft betrekking op de functie en bestemming, niet op het onderdeel bedrijfsprocessen. Dit betekent dat een collegebesluit geen betrekking heeft op de vorm van energie-opwek en dat deze toepassing mogelijk is indien deze voldoet aan het Activiteitenbesluit. Het is dan natuurlijk wel noodzakelijk dat het nieuwe bedrijf ruimtelijk is toegestaan binnen het bestemmingsplan. Het collegebesluit heeft wel betrekking op nieuwe biomassaverbrandingsinstallaties (als bedrijf bijvoorbeeld) of de uitbreiding van biomassa installaties als deze binnen het geldende bestemmingsplan (ruimtelijk) niet toegestaan zijn. Vaak is er dan ook een omgevingsvergunning milieu nodig. Indien een uitbreiding of nieuwe biomassacentrale t.b.v. meerdere bedrijven ruimtelijk niet past of een capaciteit groter dan 15 MW heeft en daarom een omgevingsvergunning milieu nodig heeft, valt dit ook onder de reikwijdte van een collegebesluit. Deze informatie met betrekking tot de reikwijdte van een collegebesluit is volgens het college relevant om te weten, om het juiste gesprek te voeren met uw raad, maar ook bijvoorbeeld met Glastuinbouw Nederland.

In de beantwoording van vragen van Glastuinbouw Nederland zal dit ook zo worden gecommuniceerd. Afspraak 3 en 4 Wij beantwoorden de brief van Glastuinbouw Nederland vóór 1 november. De raad ontvangt een afschrift van deze brief, zoals toegezegd. Deze brief vormt belangrijke input voor het gesprek met Glastuinbouw Nederland dat op korte termijn zal plaatsvinden. Ondanks meerdere voorstellen vanuit het college om deze maand nog een gesprek te hebben, is het nog niet gelukt een afspraak te maken. Glastuinbouw Nederland heeft aangegeven pas na de herfstvakantie deze afspraak te kunnen maken. In het gesprek met Glastuinbouw Nederland, dat naar verwachting medio november plaatsvindt, zal zowel gesproken worden over houtige biomassa, de reikwijdte van een collegebesluit en over geothermie en andere energieoplossingen. Het college neemt in de maand november een integraal besluit over deze kwestie en betrekt daar onder andere bij: - Het definitieve rapport (second opinion) - De informatie afkomstig van de RES - Duidelijkheid over de bestuurlijke reikwijdte van een collegebesluit - Het resultaat van het gesprek met Glastuinbouw Nederland We stellen uw gemeenteraad in kennis van dit besluit.

Bijlagen - Second opinion RH/ DHV

4

Glastuinbouw Nederland T.a.v. De heer J. Aerts en de heer R. Paauwe, Postbus 447 2700 AK ZOETERMEER

** datum: 25 oktober 2021

ons kenmerk: 21.0105.307

uw brief van: 9 september 2021

uw kenmerk: AH/ JA/ 21.070

telefoonnr: 077-4779777

behandeld door: A. Franssen / T. Heuijerjans / P. Smulders

bijlage:

onderwerp: Besluit (houtige) biomassa

Geachte heren Aerts en Paauwe, Wij hebben uw brief met betrekking tot ons besluit, om geen medewerking meer te verlenen aan de realisatie van nieuwe en/of uitbreiding van bestaande, houtige biomassacentrales, in goede orde ontvangen. Met deze brief geven wij een eerste reactie op uw brief. Daarmee willen wij aangeven uw brief uiterst serieus te nemen en willen we een bijdrage leveren aan een constructief, inhoudelijk gesprek dat wij binnenkort hopen te voeren. Vier acties, mede naar aanleiding van uw brief Wellicht heeft u vernomen dat het college naar aanleiding van uw brief en de politieke behandeling daarvan heeft besloten vier dingen te doen. Ten eerste is ons gebleken dat de beleidsmatige basis voor ons besluit niet de juiste is. We hebben vast kunnen stellen dat het citaat is overgenomen uit de concept uitgangs-puntennotitie RES en niet uit de vastgestelde uitgangspuntennotitie RES of de RES zelf. Daarom hebben wij ons besluit “on hold” gezet. Wij zullen een nieuw besluit nemen wanneer wij onderstaande acties hebben afgerond. Ten tweede hebben we naar aanleiding van uw brief Royal Haskoning/DHV opdracht gegeven om een second opinion uit te voeren op het rapport van Probos. Deze second opinion hebben wij – in concept - op 18 oktober ontvangen.

Conclusie uit de (concept) second opinion is dat de hoeveelheden aanbod potentieel houtige biomassa en de vraag naar verbrandingscapaciteit (SDE-lijst) overeenkomen met de het rapport van Probos. Ook wordt in het rapport geconcludeerd dat er sprake is van een grotere vraag naar verbrandingscapaciteit vanuit houtige biomassa dan dat er aan potentieel houtige biomassa beschikbaar is. Daarmee blijft het rekenkundige uitgangspunt voor het genomen collegebesluit van 15 juli overeind.

Postbus 6005/ 5960 AA Horst Bezoekadres: Wilhelminaplein 6, Horst

T 077 - 477 97 77 F 077 - 477 97 50

IBAN NL48RABO0123601150 BIC RABONL2U

www.horstaandemaas.nl E gemeente@horstaandemaas.nl E facturen@horstaandemaas.nl

Pag. 2 van 7

In het rapport wordt aangegeven dat er sprake is van marginale verschillen in potentieel aanbod (in het Probos-onderzoek is bijvoorbeeld een hoger potentieel aanbod opgenomen door andere uitgangspunten dan die gehanteerd zijn in de second opinion). Daarnaast is de SDE-lijst geactualiseerd naar de stand vanaf 72021. Daarbij is berekend welke verbrandingscapaciteit gerealiseerd is en nog gerealiseerd zal worden in de komende 3-4 jaar. Naast deze opdracht, is ook onderzocht welke hoeveelheden aan houtige biomassa afkomstig van afvalhout uit industrie en huishoudens potentieel beschikbaar is. Deze hoeveelheden zijn, samen met de hoeveelheden houtige biomassa uit bos, landschap en bebouwde omgeving ook afgezet tegen de vraag naar verbrandingscapaciteit. De volgende conclusies zijn vanuit de second opinion getrokken: A. Op basis van het aanbodpotentieel aan houtige biomassa en de vraag naar verbrandingscapaciteit (laagscenario) is er voor nu (2021): 1. Binnen de RES-regio sprake van een tekort aan de aanbodzijde van factor 2,3 indien er enkel wordt gekeken naar houtige biomassa afkomstig van bos, landschap en bebouwde omgeving (deelstromen zoals opgenomen in het onderzoek van Probos). 2. Binnen de RES-regio sprake van een tekort aan de aanbodzijde van factor 2,1 indien ook het potentieel aanbod houtige biomassa afkomstig van resthout industrie en huishoudens wordt meegenomen. B.

Op basis van het aanbodpotentieel aan houtige biomassa en de vraag naar verbrandingscapaciteit, is er na realisatie van alle SDE-installaties (2024/25): 1. Binnen de RES-regio sprake van een tekort aan de aanbodzijde van factor 4,1 indien er enkel wordt gekeken naar houtige biomassa afkomstig van bos, landschap en bebouwde omgeving (deelstromen zoals opgenomen in het onderzoek van Probos). 2. Binnen de RES-regio sprake van een tekort aan de aanbodzijde van factor 3,8 indien ook het potentieel aanbod houtige biomassa afkomstig van resthout industrie en huishoudens wordt meegenomen. Ten derde willen wij, alvorens een nieuw besluit te nemen, met u in overleg. Daarbij willen we de kwantitatieve en kwalitatieve gegevens uit de rapporten met u bespreken en deze leggen naast het belang van de sector. Daarbij lijkt het ons op voorhand goed om u kennis te geven van de reikwijdte van een besluit over houtige biomassa. De bestuurlijke reikwijdte van een besluit zou enkel betrekking hebben op daar waar uitbreiding of nieuwe capaciteit voor het omzetten van houtige biomassa in energie ter beoordeling bij het college komt op basis van het ruimtelijk spoor (bijvoorbeeld via een principe-verzoek of omgevingsvergunning) en/of indien er sprake is van een opwekcapaciteit > 15 MW. Vanaf die capaciteit is er namelijk een omgevingsvergunning milieu nodig.

Als de uitbreiding of nieuwe capaciteit voor een verbrandingsinstallatie binnen een bedrijf (waar het dus het interne bedrijfsproces betreft) < 15 MW is, valt dit onder het landelijke Activiteitenbesluit en komt – normaal gesproken - niet ter beoordeling bij ons. Als de uitbreiding of nieuwe capaciteit voor verbranding van biomassa voldoet aan het Activiteitenbesluit is het gebruik van houtige biomassa wettelijk toegestaan als vorm van energie-opwek. Het collegebesluit had dan ook geen betrekking op deze categorie van aanvragen/wijzigingen en de toepassing van biomassa is dan ook in de basis mogelijk.

Pag. 3 van 7

Ook voor nieuwe bedrijven die energie-opwek via biomassaverbranding als onderdeel van het eigen bedrijfsproces willen (kleiner dan 15 MW), vallen onder het Activiteitenbesluit. Er wordt bij een nieuw bedrijf wel ruimtelijk getoetst, maar dit heeft betrekking op de functie en bestemming, niet op het onderdeel bedrijfsprocessen. Dit betekent dat ons besluit geen betrekking had op de vorm van energie-opwek en dat deze toepassing mogelijk is, indien deze voldoet aan het Activiteitenbesluit. Het is dan natuurlijk wel noodzakelijk dat het nieuwe bedrijf ruimtelijk is toegestaan binnen het bestemmingsplan. Ons besluit had wel betrekking op nieuwe biomassaverbrandingsinstallaties (als bedrijf bijvoorbeeld) of de uitbreiding van biomassainstallaties als deze binnen het geldende bestemmingsplan (ruimtelijk) niet toegestaan zijn. Vaak is er dan ook een omgevingsvergunning milieu nodig. Indien een uitbreiding of nieuwe biomassacentrale t.b.v. meerdere bedrijven, ruimtelijk niet past of een capaciteit groter dan 15 MW heeft en daarom een omgevingsvergunning milieu nodig heeft, viel dit ook onder ons besluit. Ten vierde hebben wij afgesproken om, alle informatie wegende, een nieuw besluit te zullen nemen en dit met de gemeenteraad en betrokken partners te delen.

Gesprek over energieverduurzaming Graag maken wij gebruik van uw aanbod om samen te kijken naar de mogelijkheden voor de energieverduurzaming van de Limburgse glastuinbouw. Wij hebben al contact opgenomen om te komen tot een datum en kijken uit naar dit gesprek. Temeer daar wij onze verantwoordelijkheid als overheid en als partner in deze verduurzaming willen nemen. Ook de glastuinbouwsector werkt zélf, op convenantbasis, toe naar volledige klimaatneutraliteit in 2040. Ook in onze gemeente staan glastuinders voor die opgave. In 2019 en 2020 heeft Glastuinbouw Nederland geïnventariseerd welke mogelijkheden voor energieverduurzaming er in de drie concentratiegebieden en in het vestigingsgebied mogelijk zijn. In het project “revitalisering glastuinbouwconcentratiegebieden” is hierover verder met ondernemers gesproken en is geïnventariseerd welke kansen er zijn voor verdere ontwikkeling. De gemeente heeft ook extra middelen beschikbaar gesteld om de tuinbouwsector te stimuleren en te faciliteren, zodat belangrijke stappen richting een duurzame toekomst gezet kunnen worden. Hiermee willen wij onze positie ten aanzien van de tuinbouw behouden en ontwikkelingen in de sector faciliteren zodat de sector toekomstbestendig kan blijven.

Pag. 4 van 7

Analyse Onze inhoudelijke reactie op uw analyse vindt u bij deze brief. Wij hopen hiermee in voldoende mate een reactie te geven op uw brief en kijken uit naar ons gesprek.

Met vriendelijke groet, Burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas, De burgemeester, {HAND1}

De secretaris,{HAND

drs. R.F.I. Palmen

mr. L.M.C. Beckers

Pag. 5 van 7

Besluit Biomassa B&W Horst aan de Maas (19.07.2021) 1. Ten onrechte wordt gesteld dat in kader van RES en RES 1.0 door alle gemeenteraden het beleidsuitgangspunt zou zijn onderschreven dat geen netto import van biomassa naar de regio zou mogen plaatsvinden. a. RES 1.0 betreft gebouwde omgeving en grootschalige opwek (electra), niet bedrijfsleven-sectoren terwijl het B&W besluit generiek van toepassing is op bedrijfmatige verbrandingscapaciteit voor houtige biomassa. b. In RES 1.0 is géén uitspraak gedaan en al helemaal geen besluit door gemeenteraden genomen over verbranden van houtige biomassa. Sterker nog; in RES 1.0 staat omtrent biomassa expliciet “De RES richt zich enkel op vergisten (zie gele kader). De werking van een biomassa-vergister, waarmee biogas wordt geproduceerd, is een techniek die zich reeds heeft bewezen. Het geproduceerde biogas kan op verschillende manieren worden ingezet. Biogas kan bijvoorbeeld via een warmtekrachtkoppeling (WKK) omgezet worden in duurzame warmte en duurzame elektriciteit. c. Overigens is over import (van biomassa voor vergisting) opgenomen dat import juist nodig kan zijn in de transitiefase (waarvan we aan het begin staan) én dat op termijn geen gebruik van import gemaakt wordt.

“We gaan voor 100% duurzame warmte in 2050, hetgeen onder andere betekent dat we op termijn geen gebruik meer maken van netto import van biomassa voor vergisting. We bevinden ons echter aan het begin van de transitie van de uitfasering van aardgas naar 100% duurzame warmtebronnen. In deze fase kunnen hybride-oplossingen en import nodig zijn.” d. Niet meewerken aan aanvragen in 2021 op grond van ambitie naar 2050 is buiten proportie. Zoals al aangegeven in de brief zelf is ons gebleken dat de beleidsmatige basis voor ons besluit niet de juiste is. We hebben vast kunnen stellen dat het citaat is overgenomen uit de concept uitgangspunten-notitie RES en niet uit de vastgestelde uitgangspuntennotitie RES of de RES zelf. Daarom hebben wij ons besluit “on hold” gezet. Wij zullen een nieuw besluit nemen wanneer wij alle informatie hebben verzamelend en met U een gesprek hebben gevoerd. De citaten die u noemt onder b en c zijn juist. De reikwijdte van ons besluit betekent niet automatisch dat er geen medewerking meer mogelijk is. Graag bespreken wij dit met u in ons overleg. 2. Het overzicht / SDE bestand; overschatting van daadwerkelijke operationele capaciteit - SDE wordt in het algemeen hoger aangevraagd dan daadwerkelijke gebruikt in zowel capaciteit als uren. - Aantal locaties staan er 2x in; daar is sprake van vervanging/vernieuwing SDE.

- Realisatie van aangevraagde capaciteit is geenszins zeker (enkele gaan al niet door) - Onjuiste aanname dat (industrieel) resthout, schoon afvalhout, snoeiafval en ander houtig materiaal slechts marginaal gebruikt wordt. Een aantal installaties draait juist voornamelijk op materiaal van dergelijke oorsprong. Het uitgevoerde onderzoek gaat in op het potentieel van houtige biomassa in de regio Horst aan de Maas. Om dit potentieel te kunnen bepalen, wordt er gewerkt met aannames en huidige beschikbare informatie. Zoals ook aangegeven in de Raadsinformatiebrief geldt er een aantal kanttekeningen met betrekking tot de gehanteerde cijfers, de geraadpleegde bronnen en de gebruikte begrippen. Wij hebben het overzicht ook voor een controle neergelegd bij RoyalHaskoningDHV. Op basis van enkele correcties is de lijst opgeschoond. Zo zijn er dubbelingen uitgehaald en is - waar sprake is van vergisting/verbranding - een correctie geweest (er is enkel nog verbrandingscapaciteit opgenomen). Vervolgens is gewerkt met een laag- en hoogscenario aan verbrandingscapaciteit. Als gevolg van de AVG, is het namelijk niet mogelijk geweest voor alle aanvragen een volledige controle op de aanwezige verbrandingscapaciteit uit te voeren.

De opgeschoonde lijst, daarbij uitgaande van het laagscenario, laat nog steeds zien dat er sprake is van meer benodigde verbrandingscapaciteit dat dat er aan potentieel houtige biomassa beschikbaar is in de RES-regio.

Pag. 6 van 7

3. Beschikbare / inzetbare biomassa; onderschatting van aanbod - Omissie dat inventarisatie aan (industrieel) resthout, schoon afvalhout en ander houtig materiaal niet meegenomen is - De gehanteerde afstand van 80 Km is arbitrair en komt niet uit de RES; waarom niet 90 of 100 km (welke vaak in relatie tot Regionale thuismarkt van consumenten benut wordt) waardoor beduidend meer materiaal inzetbaar is - De gehanteerde grens vanaf de kom van Horst is vreemd; waarom niet de begrenzing van de RES regio hanteren (in het kader van de relatie met de RES) waardoor beduidend meer materiaal inzetbaar is - Geen argument waarom hout uit de gebouwde omgeving Duitsland niet meegenomen is, waardoor beduidend meer materiaal inzetbaar is In het onderzoek (quick scan) van Probos hebben de resultaten met betrekking tot houtige biomassa enkel betrekking op de herkomst uit bos, landschap en bebouwde omgeving. Dit betreft de fracties die vallen onder vers houtige biomassa. Daarbij gaat het Probos rapport uit van drie complementaire regio’s: 1. De RES regio Noord- en Midden Limburg; 2. De regio tot circa 80 kilometer rijafstand van het dorp Horst (exclusief RES-NML); 3. Het aanwezige potentieel binnen deze 80 kilometer begrenzing op Duits grondgebied. Het is juist dat er ook nog andere bronnen van herkomst zijn van houtige biomassa (zoals afvalhout en resthout).

Deze fracties vallen onder een andere categorie (reststroom vanuit de productieketen) en zijn niet meegenomen in dit onderzoek. In de Second opinion is daarom gevraagd ook deze deelstroom mee te nemen in het onderzoek. Uit de rapport blijkt dat het tekort maar beperkt wordt teruggebracht door het potentieel van deze deelstromen. Er is nog steeds sprake van een aanzienlijk tekort aan potentieel aanbod in de RES-regio. Behalve inzicht in het potentieel beschikbare houtige biomassa in de RES Regio is er ook voor gekozen om voor Horst te werken met een straal van 80 km. Deze afstand van 80 km (vanaf een bedrijfslocatie zelf) wordt in andere onderzoeken vaker gebruikt als het economische zoekgebied van het bedrijf. Los van de vraag of 80 km reëel is of 100 of 150 km, is het belangrijk te beseffen dat alles over een grote afstand niet zondermeer gezien kan worden als duurzame verwerking. Het transport dat nodig is om de biomassa bij het bedrijf te krijgen, heeft een CO2 footprint die ook meetelt. Als er teveel aan verbrandingscapaciteit aanwezig is in onze gemeente en RES-regio, zal de houtige biomassa van ver(der) moeten worden gehaald. 4. Overheid, duurzaamheid en beleid - Rijksoverheid stopt niet met SDE++ voor biomassa, maar houdt subsidie tijdelijk aan in afwachting van het afbouwplan voor houtige biomassa.

Overheid kijkt weliswaar naar hoogwaardiger toepassing maar sluit energietoepassing nog niet uit. - Studies wijzen uit dat verbranden van houtige biomassa noodzakelijk is om CO 2 doelstellingen te realiseren (PBL). In de nieuwe SDE++ subsidie is opgenomen dat er geen subsidie wordt verstrekt als er houtige biomassa (zoals snoeihout en chips) voor laagwaardige warmte wordt gebruikt. Hiermee wordt er een uitspraak gedaan over de wenselijkheid van het toepassen van houtige biomassa in de subsidieregeling en de toekomst. Op het moment dat wij als college het besluit namen, waren de voorwaarden voor de nieuwe SDE ++ subsidie nog niet bekend.

Pag. 7 van 7

Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft inderdaad in een rapport aangegeven dat biomassaverbranding een noodzakelijke transitietechniek is om de CO2 doelstellingen te behalen. Ook heeft Staatsecretaris Yeşilgöz-Zegerius recent een brief geschreven aan de Tweede Kamer over houtige biomassa in de energietransitie. Wij betwisten deze standpunten niet. 5. Conclusies - RES geeft géén basis voor besluit B&W Horst aan de Maas, rijksbeleid evenmin. - In acht genomen de opmerkingen omtrent capaciteit in combinatie met de onderschatting van beschikbaar materiaal binnen een realistische cirkel om RES gebied, is de balans positiever dan nu gepresenteerd. (In de praktijk is voldoende materiaal beschikbaar.) - Inzet van houtige biomassa is vooralsnog noodzakelijk om klimaatdoelstellingen te halen. - Verbranden van houtige biomassa is een belangrijke transitietechnologie als drager voor energietransitie / warmtetransitie (bij gebrek aan handelingsalternatieven denk aan geothermie/restwarmte) - Besluit om geen medewerking te verlenen eerder averechts effect en continueren van verbranden fossiel gas. - Dit besluit van B&W om per heden geen medewerking aan nieuwe installaties voor verbranden van houtige biomassa te verlenen is prematuur en contrair. Zoals aangegeven in onze brief, gaan wij graag hierover met u in gesprek.

RAPPORT Second opinion: Biomassa vraag- en aanbod in RES Noord- en Midden Limburg

Klant:

Gemeente Horst aan de Maas

Referentie: BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001 Status:

Definitief (S0)

Datum:

25-10-2021

Projectgerelateerd

HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.

George Hintzenweg 85 3068 AX Rotterdam Industry & Buildings Trade register number: 56515154 +31 88 348 90 00 T +31 10 209 44 26 F reception.rtm-gh@nl.rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W

Titel document: Second opinion: Biomassa vraag- en aanbod in RES Noord- en Midden Limburg Referentie: BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001 Status: P01.03/S0 Datum: 25-10-2021 Projectnaam: Second opinion: Biomassa vraag- en aanbod in RES Noord- en Midden Limburg Projectnummer: BI3225-102-100

Classificatie Projectgerelateerd

Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V. en dient voor publicatie of anderszins openbaar maken te worden geanonimiseerd. 25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

i

Projectgerelateerd

Inhoud 1

Inleiding en aanpak

1

1.1

Aanleiding en context

1

1.2

Aanpak

1

2

Second opinion op Probos studie

3

2.1

Geografische afbakening

3

2.2

Berekening voor theoretisch potentieel van houtige biomassa uit bos en landschap

4

2.2.1 2.2.2

Door Probos en Borgman Beheer gehanteerde benadering Reflectie op gehanteerde benadering

4 6

2.3

Hout uit bebouwde omgeving

8

3

Toepasbaarheid en capaciteit houtige reststromen

9

3.1

Toepasbaarheid van houtige reststromen in biomassa installaties

9

3.1.1 3.1.2 3.1.3

Beleidskader Technische kader Economische kader

9 9 10

3.2

Beschikbare capaciteit aan houtige reststromen in de regio

11

3.2.1 3.2.2

Houtige reststromen uit huishoudelijk afval Houtige reststromen uit industrie

11 12

3.3

Hoeveelheden afvalhout voor energietoepassingen

13

4

Update SDE-lijst in RES-NML

15

4.1

Update van SDE lijst

15

4.2

Resultaten van bijwerking van de SDE+-lijst

15

4.3

Andere gebruikers van beschikbare biomassa

16

5

Biomassa balans in RES Noord- en Midden Limburg

18

5.1

Huidige biomassa balans in RES Noord- en Midden Limburg

18

5.2

Toekomstige biomassa balans in RES Noord- en Midden Limburg

19

6

Conclusie en aanbevelingen

20

6.1

Conclusie(s)

20

6.2

Aanbevelingen

20

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

ii

Projectgerelateerd

Tabellen Tabel 2-1: Houtig biomassapotentieel uit bossen de onderzoeksgebieden in een regio binnen 80 kilometer vanaf Horst 4 Tabel 2-2: Houtig biomassapotentieel uit landschap in een regio binnen 80 kilometer vanaf Horst

5

Tabel 3-1: Overzicht van houtige biomassastromen uit huishoudelijk afval en industrieën

13

Tabel 4-1: Energievraag van SDE-biomassa installaties in Horst a/d Maas en RES-NML bij verschillende scenario’s:

16

Tabel 5-1: Huidige balans tussen vraag en aanbod in RES-NML en 80km rijafstand van Horst, bij hoog en laag vraagscenario's 18 Tabel 5-2: Toekomstige balans tussen vraag en aanbod in RES-NML en 80km rijafstand van Horst, bij hoog en laag vraagscenario's 19

Bijlagen Bijlage 1: Lijst van Biomassa energie installatie in RES-NML

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

iii

Projectgerelateerd

1.

Inleiding en aanpak Aanleiding en context

De Gemeente Horst aan de Maas heeft Royal HaskoningDHV gevraagd voor ondersteuning in het nader bepalen van de verhouding tussen de aanbod- en vraagcapaciteit van houtige biomassa in de RES-Regio Noord- en Midden Limburg. Dit in verband met vragen vanuit de gemeenteraad en Glastuinbouw Nederland. Deze vragen hebben betrekking op de Regionale Energie Strategie Noord- en Midden Limburg en besluitvorming door het college met betrekking tot uitbreiding en nieuwe capaciteit voor de omzetting van houtige biomassa in energie. In 2020 hebben de gemeenteraden van de RES-Regio Noord- en Midden Limburg de uitgangspunten voor de RES vastgesteld, die later zijn uitgewerkt in de RES 1.0 voor Noord- en Midden Limburg1. In de uitgangspuntennotitie en de RES is onder meer opgenomen dat de RES-regio op termijn geen netto import van biomassa voor vergisting en verbranding toestaat van buiten de RES-regio. Om de beschikbaarheid van houtige biomassa in RES-Regio NML en binnen straal van 80km rijafstand van Horst aan de Maas te bepalen, is er in opdracht van gemeente Horst aan de Maas een studie 2 uitgevoerd door Stichting Probos en Borgman Beheer advies. Parallel hieraan is op basis van de SDE+ lijst van projecten in beheer een inventarisatie gemaakt van de vraag naar houtige biomassa voor energietoepassing binnen de RES-regio. Op 19 juli jl.

is de raad geïnformeerd3 dat de vraag naar houtige biomassa groter is dan het aanbod in de RES-regio. Op verzoek van de gemeente Horst aan de Maas voert Royal HaskoningDHV een second opinion uit betreft de Probos studie en de SDE+ lijst, alsmede een inschatting van aanbod aan (industriële) houtige reststromen en beschikbaarheid.

Aanpak De drie deelresultaten leiden tot een uitspraak over de hoofdvraag, en vormen ook de drie werkpakketen voor de opdracht: 1.

Second opinion op de studie van Probos naar de aanbodcapaciteit van houtige biomassa Hiervoor worden de volgende aspecten bekeken door de betreffende experts: • Gangbaarheid van de onderliggende aannames van de studie betreft biomassa beschikbaarheid en geschiktheid; • Gangbaarheid van berekenmethodes voor het bepalen van houtige biomassacapaciteit; • Controle op berekeningen en informatiebronnen.

2.

Uitspraak over de aanbodpotentie van houtige biomassa uit industriële reststromen en schone afvalstromen. Hiervoor worden door de betreffende experts de volgende aspecten beantwoordt: • Toepasbaarheid, zowel beleidsmatig, technisch en economisch, van afvalhout in biomassacentrales; • Inschatting van de beschikbare stromen aan industriële reststromen en houtige afvalstromen in RES-NML en binnen 80 km rijafstand van Horst aan de Maas. Hiervoor worden intern ontwikkelde

1

RES Noord- en Midden Limburg 1.0 - https://www.resnml.nl/media/2021-07/RES-Noord--en-midden---1.0-Def.(1).pdf Potentieel van houtige biomassa in de RES-regio Noord- en Midden Limburg – april 2021 – Stichting Probos. 3 Raadsinformatiebrief Houtige biomassa – 19 juli 2021 - RIB Houtige biomassa (horstaandemaas.nl) 2

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

1

Projectgerelateerd

tools op basis van openbare bronnen gebruikt om op gemeentelijk niveau de stromen in kaart te brengen. 3.

Inzicht in de vraagcapaciteit van biomassacentrales in RES Noord- en Midden Limburg, in 2021 en de nabije toekomst. Hiervoor zullen de volgende resultaten worden opgeleverd: • Update en bewerking van de lijst van installaties die houtige biomassa verwerken binnen RESNML, op basis van SDE++ capaciteitsaanvragen; • Indicatie van operationele capaciteit, beoogde toekomstige capaciteit en verwachting van de capaciteit die niet gerealiseerd wordt binnen RES-NML.

Met de drie deelresultaten wordt een uitspraak gedaan betreft de verhouding tussen de aanbod- en vraagcapaciteit van houtige biomassa voor toepassing in biomassacentrales in de RES-Regio Noord- en Midden Limburg.

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

2

Projectgerelateerd

2.

Second opinion op Probos studie

Het door Probos en Borgman Beheer bepaalde potentieel betreft het theoretisch potentieel: de totale hoeveelheid vrijkomend houtig materiaal uit bos, landschap en bebouwde omgeving. Er is niet verdisconteerd dat hiervan naar inschatting van Probos (zie [Boosten, 2018]) al gemiddeld 78% wordt benut4. Met andere woorden, het onderzoek brengt het totaal aantal tonnen aan potentiële houtige biomassa in beeld dat voor alle toepassingen beschikbaar is. Met betrekking tot dit in beeld gebrachte potentieel, is bekend dat gemiddeld 78% op dit moment al wordt gebruikt in Nederland en het buitenland voor de diverse vormen van toepassing. In het onderzoek van Probos is geen rekening gehouden met de beschikbare stromen aan industriële reststromen en houtige afvalstromen 5.

Geografische afbakening Conform de aangegeven afbakening van de studie is een gebied met een straal van 80 kilometer rond de kern Horst beschouwd, alsmede de RES-regio Noord- en Midden Limburg zelf. Onderstaande afbeelding geeft de geografische scope weer van de gemeenten in Nederland die liggen binnen deze straal.

Een ‘bevoorradingsgebied’ met een straal van 80 kilometer rijafstand komt goed overeen met ons bekende transportafstanden die in praktijk worden gehanteerd, bijvoorbeeld bij initiatieven in Utrecht en Emmen. In de rapportage is gefocust op herkomstgebieden in Nederland en Duitsland. Het areaal dat binnen een ‘bevoorradingsgebied’ met een straal van 80 kilometer rond Horst valt bestaat inderdaad grotendeels uit gebieden in deze twee landen. Er valt in principe ook een bosrijke streek in Vlaanderen (de Kempen en Belgisch Limburg) binnen deze straal van 80 kilometer. Gesteld zou kunnen worden dat door het buiten beschouwing laten van De Kempen, de theoretisch beschikbare hoeveelheid houtige biomassa uit bos, landschap en groen in bebouwde omgeving in zekere c.q. beperkte mate wordt onderschat.

4 5

Dit varieert van 68% voor bos (bij regulier beheer), 65% voor landschap en 85% voor bebouwde omgeving. Deze deelstroom was geen onderdeel van de uitvraag.

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

3

Projectgerelateerd

Berekening voor theoretisch potentieel van houtige biomassa uit bos en landschap Door Probos en Borgman Beheer gehanteerde benadering Het potentieel wordt door Probos en Borgman Beheer in drie stappen berekend: ◼

In de eerste stap wordt op basis van GIS databases bepaald welk deel van het beschouwde gebied bestaat uit bos en wordt bepaald of het naaldbos, loofbos of populierenbos betreft.

◼

In de tweede stap wordt aan de hand van het type vegetatie (naaldhout / loofhout / populier) een schatting gemaakt van de jaarlijkse bijgroei (ton d.s./ha/jaar)

◼

De bijgroei wordt tenslotte aan de hand van een aantal vaste factoren vertaald naar een potentieel aan houtig materiaal dat geschikt zou zijn voor gebruik als brandstof.

Tabel 2-1: Houtig biomassapotentieel uit bossen de onderzoeksgebieden in een regio binnen 80 kilometer vanaf Horst oppervlak (ha)

Jaarlijkse potentiële oogst bovengrondse biomassa (spilhout + takhout), ton d.s.

Jaarlijkse potentiële oogst taken tophout (ton d.s.)

Potentiële oogst per hectare (spilhout + takhout), ton d.s.

Aandeel tak- en tophout in potentiële oogst

Jaarlijkse potentiële oogst werkhout (ton d.s.)

Grove den (> 25 jaar)

7.094

11.629

10.201

1.428

1,64

12%

Loofhout eik en beuk (> 25 jaar)

15.097

46.282

37.324

8.958

3,07

19%

Populierenbos (> 25 jaar)

70

227

183

44

3,26

19%

Grove den (> 25 jaar)

18.454

30.251

25.536

4.715

1,64

16%

Loofhout eik en beuk (> 25 jaar)

35.949

110.205

88.875

21.330

3,07

19%

Populierenbos (> 25 jaar)

322

1.049

846

203

3,26

19%

Grove den (> 25 jaar)

18.969

31.096

27.278

3.819

1,64

12%

Loofhout eik en beuk (> 25 jaar)

63.320

194.113

156.542

37.570

3,07

19%

RES regio

Overig NL grondgebied (<80 km afstand)

Grondgebied BRD

In de berekeningen is verondersteld dat grove den representatief is voor naaldbos en eik en beuk (in niet nader gepresenteerde verhouding) voor loofbos. De in de derde stap gebruikte factoren zijn: ◼

De omvang van de jaarlijkse bijgroei, teruggerekend op basis van opgegeven “Jaarlijkse potentiële oogst bovengrondse biomassa” (zie Tabel 2-1, derde kolom van links) en het percentage bijgroei dat verantwoord kan worden geoogst (zie volgende aandachtspunt). 

2,47 ton d.s./ha/jaar voor naaldbos

4,62 ton d.s./ha/jaar voor loofbos

4,91 on d.s./ha/jaar voor populier

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

4

Projectgerelateerd

◼

Het deel van de bijgroei dat gemiddeld in Nederland in de praktijk al wordt geoogst (52%) of wat additioneel verantwoord c.q. binnen randvoorwaarden zou kunnen worden geoogst (30% van de niet geoogste 48%): 52% + 30%  48% = 66,4%.

◼

Het aandeel tak en tophout in de oogstbare bijgroei: 19% voor loofhout en populier, 12% of 16% voor naaldhout.

Voor hout uit landschap wordt eenzelfde benadering gehanteerd als voor hout uit bos, zie Tabel 2-2. Tabel 2-2: Houtig biomassapotentieel uit landschap in een regio binnen 80 kilometer vanaf Horst oppervlak [ha]

Jaarlijkse potentiële oogst bovengrondse biomassa (spilhout + takhout) [ton d.s.]

Jaarlijkse potentiële oogst spilhout [ton d.s.]

Jaarlijkse potentiële oogst tak- en tophout [ton d.s.]

RES regio Houtwallen/Singels

200,47

478,2

385,7

92,6

Laag- en hoogstam boomgaarden

754,58

1.763,9

1.422,5

341,4

Kleinfruit kwekerijen

1.400,83

1.751,0

0

1.751,0

Boomkwekerijen

3.315,34

2.900,9

0

0

Kleine bosjes (<0,5 ha)

7.145,39

21.690,0

17.491,9

4.198,1

Grienden

3,62

53,2

0

0

Hagen

134,77

64,5

0

64,5

423,6

970,6

815,0

195,6

Laag- en hoogstam boomgaarden

1.581,81

3.697,5

2.981,9

715,7

Kleinfruit kwekerijen

3.532,12

4.403,9

0

4.403,9

Boomkwekerijen

9.442,15

8.261,9

0

0

Kleine bosjes (<0,5 ha)

19.340,95

58.709,8

47.346,7

11.363,2

Grienden

38,75

569,9

0

0

Hagen

391,75

187,4

0

187,4

Kleine bosjes (<0,5 ha)

23.575,89

71.565,1

57.713,8

13.851,3

Totaal grondgebied

71.282

Overig NL grondgebied (<80 km afstand) Houtwallen/Singels

Grondgebied BRD

25-10-2021

37.165

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

5

Projectgerelateerd

Reflectie op gehanteerde benadering De door Probos en Borgman Beheer gehanteerde benadering voor het schatten van het theoretisch potentieel aan houtige biomassa uit beheerd bos en landschap zou naar onze mening kunnen worden omschreven als een vrij ruwe benadering die leidt tot een eerste orde schatting van het potentieel. Hieronder zijn een aantal observaties opgenomen ten aanzien van de gehanteerde benadering. In de berekeningen door Probos en Borgman Beheer is bijvoorbeeld verondersteld dat grove den representatief is voor naaldbos en dat eik en beuk (in niet nader gepresenteerde verhouding) representatief is voor loofbos. Volgens de 6e Nederlandse bosinventarisatie vormen deze boomsoorten in bijvoorbeeld Noord-Brabant circa 2/3 van de totale inventaris aan naaldhout en loofhout. In NordrheinWestfalen bestaat de inventaris aan naaldhout overwegend uit spar. Zoals geïllustreerd in Tabel 2-1 is de veronderstelde oogstbare bijgroei voor de drie verschillende typen gebieden steeds gelijk. Er wordt waarschijnlijk geen rekening gehouden met bijvoorbeeld boniteit of leeftijd, ook al wordt verwezen naar Nationale Bosinventaris 6 (waarin dit soort informatie is opgenomen). Zoals genoemd in een recent rapport van WUR [WUR, 2021] hebben waarden voor biomassaexpansiefactoren grote invloed op de schattingen van de biomassa. Het is daarom belangrijk dat het betrouwbare schatters zijn.

De in de benadering van Probos en Borgman Beheer gehanteerde percentages tak- en tophout voor loofbos en naaldbos6 zijn generieke waarden die ook in aanzienlijk oudere studies van Probos worden gehanteerd en die zijn gebaseerd op een studie van Baritz en Strich uit 2000. Voor meer recente waarden voor expansiefactoren zou de studie van Hendriks et al kunnen worden geraadpleegd. Het door Probos en Borgman Beheer geschatte potentieel heeft betrekking op een 30% hogere oogst van de bijgroei7 dan wat er in de praktijk – gemiddeld in Nederland - wordt geoogst van de bijgroei (66,4% versus 52%). Het werkhout van deze additionele 30% wordt niet tot het potentieel gerekend, het tak- en tophout wel. Bij deze benadering zijn verschillende opmerkingen te maken: - Hoe representatief is de over heel Nederland gemiddelde waarde voor de in deze studie beschouwde regio in een straal van 80 kilometer rond Horst? Is bijvoorbeeld het aandeel bosareaal dat wordt beheerd door SBB en natuurorganisaties/landschapsorganisaties in deze regio vergelijkbaar met het gemiddelde aandeel in Nederland? Wordt in beheer dezelfde visie gehanteerd ten aanzien van bijvoorbeeld beleving en biodiversiteit? - Stel dat dit percentage ook representatief is voor de regio rond Horst, dan is er een reden waarom er 52% van de bijgroei wordt geoogst.

Hoe gaat het dan lukken om – relatief - 30% meer bijgroei te gaan oogsten. Waar wordt dat afgezet (zie het volgende tekstvak)?

6 7

Betreft: 19% en 14% volgens de tekst, voor naaldhout conform getallen in tabel 2.2 van het rapport 12% of 16% Als volgt berekend: 66,4% ÷ 52% = 130%

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

6

Projectgerelateerd

Reflecties op houtoogst in Nederland Het gegeven dat in Nederland gemiddeld iets meer dan de bijgroei wordt geoogst hangt onder andere samen met de verwerkingscapaciteit in Nederland zelf en met beleid ten aanzien van biodiversiteit en koolstof vastlegging. Verwerkingscapaciteit van werkhout is in Nederland beperkt. Er zijn in Nederland bijvoorbeeld geen producenten van plaatmateriaal of pulp en geen producent van kruislaaghout. De dichtstbijzijnde producent van kruislaaghout betreft Derix met vestigingen in Westerkappeln (bij Osnabrück) en Niederkrüchten-Dam (achter Swalmen). Ook is het aantal zagerijen beperkt. Vanwege de beperkte verwerkingscapaciteit wordt circa de helft van het Nederlandse werkhout geëxporteerd naar Duitsland en België. De langere transportafstand drukt negatief op de rentabiliteit van houtoogst. Bij een stijgende vraag naar hout voor bijvoorbeeld toepassingen in de bouw is vanwege de beperkte verwerkingscapaciteit niet gezegd dat er meer hout uit Nederlandse bossen wordt geoogst. Dit zal mede afhankelijk zijn van de verwerkingscapaciteit van zagerijen in Nederland en omliggende landen en de mogelijkheden voor deze bedrijven om te investeren in uitbreiding van verwerkingscapaciteit.

Daarnaast zal het versterken van biodiversiteit in bossen en verhoging van de koolstofopslag in bossen een ander – waarschijnlijk deels begrenzend - aspect zijn met invloed op het percentage bijgroei dat in de praktijk zal worden geoogst. Tenslotte zei nog gemeld dat in [WUR, 2016] wordt aangegeven dat er relatief weinig verjonging heeft plaatsgevonden in Nederlandse bossen. Daardoor zal volgens deze bron na 2030 het aanbod aan hout in sortimenten zaaghout afnemen.

In de gehanteerde benadering is het totale geschatte potentieel aan tak- en tophout meegenomen, ongeacht de groeiplaatsomstandigheden. Zoals in het rapport in paragraaf 2.2.1 aangestipt kan het met het oog op behoud van biodiversiteit en instandhouding van nutriëntenkringloop en bodemorganische stof gehalten duurzamer zijn om het tak- en tophout achter te laten. SBB bijvoorbeeld hanteert als vuistregel dat tak- en tophout bij bos op zandgrond moet worden achtergelaten om bodemkwaliteit (nutriëntenkringloop, bodemorganische stof) op peil te houden. Een deel van het bos in Noord-Brabant en Duitsland staat op zandgronden. Het voor deze arealen geschatte potentieel is feitelijk een niet duurzaam potentieel. Omdat er in de gehanteerde benadering geen rekening is gehouden met de wenselijkheid van het wel of niet afvoeren van tak- en tophout kan de gemaakte schatting worden beschouwd als een bovengrens van het theoretische aanbod. In de globale schatting is verder geen aandacht besteed aan de rentabiliteit van oogst van tak- en tophout. In [Boosten, 2018] wordt daarover aangegeven: Op rijke gronden kan qua duurzaamheid maximaal 70% van tak & tophout kan worden geoogst. Economisch en rendabel kan 50% hiervan (35% van totaal duurzaam potentieel) worden geoogst.

De gemaakte schatting kan worden beschouwd als de bovengrens van het theoretische aanbod aan biomassa uit zowel bos en landschap. Dit gezien er in praktijk minder tak & tophout wordt geoogst voor duurzaamheids- en economische redenen. Daarnaast er zijn er landelijke gemiddelde cijfers gebruikt voor de bepaling van het potentieel, wat mogelijk kan afwijken van de gemiddelden voor de onderzochte gebieden betreft bossamenstelling en beheerders. Daarom wordt uitgegaan dat aanbodpotentiaal aan biomassa uit bos- en landschap van de Probos studie de maximum is voor de RES-Regio en 80km rondom Horst.

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

7

Projectgerelateerd

Hout uit bebouwde omgeving Voor hout uit de bebouwde omgeving is eveneens een vrij globale benadering gehanteerd. In de gehanteerde benadering is uitgegaan van CBS-statistieken voor hout dat via gemeenten is ingezameld. Hierop zijn een aantal factoren toegepast om ook de hoeveelheden via hoveniers ingezameld houtig materiaal en bij particulieren zelf (al) als brandstof gebruikt houtig materiaal te schatten. Wij zijn ons niet bewust van informatie waarmee een nauwkeurigere of representatievere schatting mogelijk zou zijn. Daarmee beschouwen de we gebruikte factoren in de studie als best beschikbare schattingen op dit moment. Het potentiaal aan houtige biomassa uit bebouwde omgeving van de Probos studie wordt beschouwd als een vrije globale benadering en een schatting. Door gebrek aan nauwkeurigere informatie is er geen uitspraak te doen of dit representatief is voor de werkelijke potentiaal aan biomassa uit de bebouwde omgeving. Voor de balans in hoofdstuk 5 wordt er uitgegaan dat het potentiaal uit de Probos studie, hetzij een theoretische schatting maar wel de best beschikbare indicatie.

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

8

Projectgerelateerd

3.

Toepasbaarheid en capaciteit houtige reststromen

Naast houtige (bij)producten uit bos, landschap en bebouwde omgeving zijn er ook houtige reststromen uit industrie en houtige afvalstromen van huishoudens, ook wel bekend als tertiaire biomassa stromen. Afvalhout (industrieel en huishoudelijk) dat tot deze reststroom behoort, is ingedeeld in de categorieën Ahout, B-hout en C-hout. Deze zijn in het onderzoek van Probos niet meegenomen. In dit hoofdstuk wordt de toepasbaarheid van deze stromen belichten, in de bredere context van alle biomassa stromen, en een inschatting gemaakt van de aanbod en beschikbaarheid van deze stromen voor energietoepassingen.

Toepasbaarheid van houtige reststromen in biomassa installaties Beleidskader De maatschappelijke houding ten opzichte van deze houtige reststromen bio-energie is kritisch. Het gaat daarbij om o.a. de zeer grootschalige toepassing van houtpellets in kolencentrales voor de productie van elektriciteit. Maar ook om kleinschalige installatie die niet volgens de stand der techniek zijn gebouwd en/of niet volgens de laatste inzichten werkzaam zijn. Deze maatschappelijk onrust heeft geleid tot aanpassingen in landelijk beleid met als belangrijkste wijzigingen: • Gebruik biomassa niet voor de productie van elektriciteit, er wordt dan slechts een deel van de energie-inhoud benut (30 tot 40%). De SDE++ subsidie wordt hierop afgebouwd; • Gebruik alleen duurzame biomassa waarvan de herkomst bekend is en die voldoet aan de richtlijn NTA8080. Houtsnippers die lokaal gesourced worden als bijproduct van bosbouw of vrijkomend bij landschapsbeheer voldoen hieraan; • Pas de laatste stand der techniek toe bij rookgasreiniging. De huidige emissieregelgeving loopt achter op wat nu al technisch op een rendabele manier mogelijk is; • Ontmoedig het gebruik van houtkachels waarbij geen rookgasreiniging mogelijk is. Dit heeft ertoe geleid dat de ISDE regeling voor houtpellet kachels is gestopt.

Belangrijk te weten is dat houtpelletkachels vele malen schoner zijn dan traditionele kachels en helemaal in vergelijking tot open haarden. Het huidige beleidskader maakt dat toepassingen van houtachtige reststromen t.b.v. bio-energie wordt ondersteund daar waar het gaat om biowarmte, de biomassa duurzaam gesourced worden in de nabije omgeving van de installatie en de laatste stand der techniek wordt toegepast op het gebied van rookgasreiniging en energieconversie.

Technische kader Bij de inzet van biomassa als warmtebron op een schaalgrootte van enkele tientallen MWthermisch of minder wordt uitgegaan van schone biomassa. Dit in verband met de hoge kosten van rookgasreiniging bij verbranding van vervuilde biomassa. Schone biomassa is vooral verse houtachtige biomassa (houtsnippers) die vrijkomt uit het onderhoud van bos en landschap en het zogenaamde A-hout. A-hout is schoon hout dat als afval vrijkomt, rechtstreeks uit de houtverwerkende industrie en uit de bouw bij nieuwbouw en renovatie. Houtige biomassa uit afvalstromen Het A-hout dat vrijkomt als ‘afval’ uit de industrie wordt overwegend als grondstof gebruikt. In vergelijking tot vers hout is dit A-hout droger en homogener en leent zich zo bij uitstek om te worden verwerkt in spaanplaat en MDF. Hout dat vrijkomt uit de bouw wordt zo goed mogelijk gescheiden in een schone A-

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

9

Projectgerelateerd

hout fractie en een vuile B-hout fractie. Ook hier geldt dat deze A-hout fractie bij voorkeur als grondstof verkocht wordt en niet als brandstof. De waarde als grondstof is nu eenmaal hoger. Het B-hout laat zich niet hergebruiken als grondstof, daarvoor is het te vervuild. B-hout wordt daarom ingezet als brandstof in installaties die daar speciaal voor gebouwd zijn. Het betreft de afvalhoutverbrandingsinstallaties van HVC in Alkmaar, Twence in Hengelo en AVR in Rozenburg. Deze installaties beschikken over een uitgebreide rookgasreinigings-installaties. Het B-hout wordt via deze installaties energetisch vergaand benut t.b.v. stadsverwarming, processtoom en elektriciteitsproductie. Het betreft grootschalige installaties, indicatie 100 kton per jaar of meer, die tezamen over voldoende capaciteit beschikken om al het B-hout in Nederland te kunnen verwerken. Verbranding op grote schaal van deze complexe en vervuilde brandstof is nodig om de kosten laag te houden en een doelmatige reiniging van de rookgassen te bewerkstelligen. De derde fractie C-hout is zwaar vervuild en dus niet te gebruiken als grondstof of brandstof. Voor bioenergie installaties is het biogene deel van deze fractie te laag om te kwalificeren als biomassa en zal de installatie extra aanpassingen nodig hebben om deze brandstof veilig te kunnen verstoken.

Dit alles maakt dat afvalhout vaak maar in beperkte mate beschikbaar is voor lokale biowarmteprojecten. Ook de technische uitvoering van de installatie is daar debet aan, deze is vaak ontworpen om verse houtsnippers met een lage stookwaarde te kunnen verwerken. Bij een groot aandeel droog afvalhout met een hoge stookwaarde wordt de installatie ‘kapot gestookt’. Gangbare techniek voor kleinschalige installaties De meest gangbare techniek, die in geheel Europa wordt toegepast en waarmee al decennialang ervaring is opgedaan, is de zogenaamde roosterverbranding. Met deze techniek kunnen verse houtsnippers die vochtig zijn toch goed worden verbrand. De laatste technische ontwikkelingen richten zich op het verhogen van het rendement en het verlagen van de emissies. Het rendement wordt verhoogd door het toepassen van rookgascondensatie, al dan niet in combinatie met een warmtepomp. Zo kan het rendement stijgen tot bijna 110%. Dit concept is vergelijkbaar met de HR-gasketel. Rookgascondensatie draagt ook bij aan het verlagen van de stofemissies. Met een zogenaamde dubbele DeNOx kunnen de NOx emissies om een vergelijkbaar niveau als van een aardgasketel worden gebracht. Meervoudige uitvoering met doekenfilters leiden tot stofemissies die ver onder de wettelijke eisen liggen. Deze technieken laten zich inmiddels ook rendabel toepassen bij kleinschaliger installatie tot circa 2 MW th.

Voorbeelden zijn te vinden bij MPD in Ede en Bioforte in Zaandam en HoSt in Meerhoven / Eindhoven. Het technisch kader maakt dat bij biowarmte uit schone en verse houtsnippers vooral roosterverbranding wordt toegepast en dat dit maar in beperkte mate wordt gecombineerd met A-hout.

Economische kader SDE++ (de subsidie voor duurzame energie) is in grote mate bepalend voor de inzet van de (tertaire stromen) houtige biomassa. Vrijwel elke vorm van bio-energie, grootschalig en kleinschalig, verbranden en vergisten, op basis van vers hout en afvalhout wordt op deze manier rendabel. Of een project echt rendabel is hangt in hoge mate af van de eigenaar/ exploitant. Beschikt deze over een goede inkooppositie. Is deze in staat om de installatie op een technisch verantwoorde manier te bedrijven zodat de beschikbaarheid hoog is en de onderhoudskosten laag?

25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

10

Projectgerelateerd

Bijna alle SDE++ regelingen voor warmte uit biomassa zijn ingericht op (verse) stromen uit bos, landschap en bebouwde omgeving beheer of schone afvalhout (A-hout)8. Huidige uitzondering hierop zijn ‘Ketel op B-hout’ waarbij naast B-hout ook schone hout (A-hout en verse stromen) gebruikt mag worden. Of en ‘Installatie op duurzame houtpellets’ waarbij tot maximaal 15% A-hout in houtpellet vorm gebruikt mag worden.9 Afstand rendabele exploitatie De afstand tot de biowarmtecentrale om rendabele exploitatie mogelijk te maken varieert met de schaalgrootte. Voor kleine installatie tot circa 2 MWth, brandstof behoefte circa 3 kton per jaar, vindt sourcing plaats in de directe omgeving, straal 20 km. Voor grotere installaties tot 10 MWth wordt efficiënter vervoer mogelijk met grotere truck en zijn bulk prijsafspraken mogelijk op het gebied van logistiek. Zo wordt sourcing mogelijk tot een afstand van 50 km. Voor de grootste installaties tot soms wel 50 MW th is sourcing mogelijk tot een afstand van 100 km. Daarbij maken grenzen niet veel uit, afhankelijk van de situatie op de markt voor houtsnippers vindt import of export plaats, zeker in de grensstreek. Waar in het verleden veel geëxporteerd werd naar Duitsland, vindt inzet nu in toenemende mate in NL plaats. Het economisch kader maakt dat biowarmteprojecten met een vermogen boven de 0,5 MW th rendabel kunnen worden gerealiseerd.

Beschikbare capaciteit aan houtige reststromen in de regio Naast houtige stromen uit bos, landschap en groen beheer komen er ook houtige stromen vrij bij het afval van huishoudens en uit de industrie. De belangrijkste bronnen van houtafval zijn sloopwerkzaamheden en milieustraten. In onderstaande paragrafen worden de typen en hoeveelheden houtafval beschreven vanuit huishoudelijk afval en vanuit de industrie die vaak via de milieustraat lopen.

Houtige reststromen uit huishoudelijk afval Afvalhout dat bij huishoudens vrijkomt, wordt in drie categorieën geplaatst, zoals beschreven in hoofdstuk 3.1.2: 1. A-hout: ongeverfd en onbehandeld hout; 2. B-hout: niet onder A- en C-hout vallend hout waaronder geverfd, gelakt en verlijmd hout; 3. C-hout: geïmpregneerd hout, bestaand uit hout dat behandeld is met verduurzamingsmiddel zoals bijvoorbeeld gecreosoteerd hout of gewolmaniseerd hout. A-hout is goed te recyclen tot nieuwe houtproducten door het bijvoorbeeld te verwerken tot pallets of het te versplinteren en samen te persen tot spaanplaten. Ook wordt A-hout gebruikt voor (mee)stook in verbrandingsinstallaties. B-hout dat niet meer te recyclen is tot nieuwe houtproducten, wordt ook gebruikt als brandstof voor energiecentrales. Een aanname is dat circa 50% van het B-hout toegepast wordt in de energiesector. Op de milieustraat wordt A- en B-hout vaak gezamenlijk ingezameld en C-hout apart. C-hout kan niet worden gerecycled tot nieuwe houtproducten en wordt waar mogelijk nog ingezet voor energieopwekking. Dit gebeurt veelal in Duitsland en Zweden, Nederland beschikt niet over installaties die C-hout mogen verbranden.

8

Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021 - Artikel 46 Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021 9 Rijksdienst voor Ondernemende Nederland - Brochure SDE++ oktober 2021 (rvo.nl) 25-10-2021

BI3225-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001

11

Projectgerelateerd

Houtige reststromen uit industrie Het afvalhout dat vrijkomt uit de industrie wordt gesplitst in hout dat vrijkomt bij de houtverwerkende industrie, meubelindustrie en overige industrie. Het houtafval vanuit de industrie kan uit diverse soorten bestaan zoals zaagsel, snippers, schors of stukken hout van diverse grootte. In de houtverwerkende industrie en de meubelindustrie komt het meeste hout vrij dat daarnaast ook nog relatief schoon is. Het resthout wordt voor circa 50% toegepast als strooisel voor de dierhouderij en 30% toegepast voor productie van pellets. De overige 20% wordt toegepast in platenindustrie, productie voor papier en karton en voor energie voor eigen gebruik of buiten de houtsector 10. Een aanname is dat van deze resterende 20% de helft voor energietoepassingen beschikbaar is. Het houtafval uit de overige industrieën is voor een groot deel verpakkingshout, veelal pallets. Doorgaans worden houten pallets apart ingezameld en gerecycled tot nieuwe pallets of aan het einde van de levensduur verwerkt tot spaanplaat of strooisel. Slechts een minimaal deel is beschikbaar voor energietoepassingen, dit wordt ingeschat op circa 23%11. Dit betekent dat er binnen deze stroom slechts kleine percentages houtige reststromen beschikbaar is als houtige biomassa voor energietoepassingen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10849570/1