Milieueffectrapport
Tekst van het document
de verwachting dat overige structurele knelpunten op zullen treden , omdat de drukke instroom- en uitstroommomenten buiten de reguliere spitsperiodes van woon-werk verkeer vallen. De huidige kruispunten op de route van en naar Toverland lijken , in theorie , voldoende capaciteit te hebben om deze grotere verkeersstromen te kunnen verwerken: Rotonde met bypass ter plaatse van Helenaveenseweg: De bypass zorgt voor een directe afwikkeling van verkeer naar Toverland vanaf de N277. Met een betere entree tot het parkeerterrein is een goede verkeersafwikkeling op de rotonde in basis geborgd. Turborotonde ter plaatse van de Schatberg: Turborotondes hebben een capaciteit tot circa 35. 000 motorvoertuigen per etmaal en met de prognoses van de verwachte aantallen worden deze aantallen niet (of slechts incidenteel tijdens piekdagen) bereikt. Verkeerslichten ter plaatse van aansluiting A67: De verkeerslichten hebben heel erg veel capaciteit en zijn ingericht voor spitsperiodes voor woon- en werkverkeer , als verkeer vanuit alle richtingen in grote aantallen het kruispunt gebruikt. Tijdens de piekmomenten van de in- en uitstroom van Toverland zijn alleen de richtingen vanaf de A67 naar Toverland (en vice versa) druk , maar is er veel minder ‘overig verkeer’ (bijv. woonwerkverkeer) . Aan het ‘Toverland verkeer’ kan daardoor extra groentijd worden toegekend om wachtrijen te voorkomen.
Hierdoor zijn geen structurele knelpunten te verwachten ter plaatse van de toe- en afrit. Aan de hand van monitoring van de intensiteiten op het wegennet en/of eventueel optredende knelpunten wordt in de gaten gehouden of eventueel alsnog structurele problemen dreigen op te treden , die nu niet worden verwacht. Op basis daarvan kunnen eventueel aanvullende maatregelen worden uitgevoerd. De nadere uitwerking van deze maatregelen valt
onder hoofdverantwoordelijkheid van de betrokken wegbeheerders en staat ten dele los van het planvoornemen inzake de uitbreiding van Toverland. Mochten eventueel optredende knelpunten hoofdzakelijk ontstaan ten gevolge van verkeer van en naar Toverland , dan moeten hier nadere afspraken over worden gemaakt. In de regels van het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte wordt hierover gesteld dat dit gebeurt als er meer dan 15 keer per jaar sprake is van terugslag op de N277 reikend tot aan de rotonde ter hoogte van de N277 en de Kleefsedijk.
82
7
THEMA
BODEM
7. 1
Huidige situatie
7. 1. 1
Geologie en geomorfologie
Als onderdeel van de landschappelijke analyse ter plaatse van het plan- en studiegebied , is een onderzoek gedaan naar de geologie , geomorfologie , bodem en de historische eigenschappen van het gebied. Hierbij is gebruik gemaakt van geomorfologische- , hoogte- , bodem en historische kaarten. Geologie Geologisch bestaat de ondergrond van het plangebied uit dekzanden van de Formatie van Boxtel. Deze dekzanden zijn afgezet tijdens en na de laatste ijstijd (Weichselien) . In tabel 7. 1 en afbeelding 7. 1 en 7. 2 is de globale geologische bodemopbouw tot een diepte van circa 20 beneden maaiveldniveau weergegeven. Tabel 7. 1 De (diepere) bodemopbouw ter plaatse van het plangebied Globale diepte (m –mv) 0 tot circa 11 Circa 11 tot circa 20 Circa 20 en >
Geologische formatie Formatie van Boxtel Formatie van Beegden Formatie van Breda
Afbeelding 7. 1
Dwarsdoorsneden NW-ZO
Genese
Textuur
Voornamelijk eolisch (dekzand) Fluviatiele afzettingen
Zand , zeer fijn tot zeer grof , lokaal kleiig , grindig of humeus; leem , lokaal zandig , lokaal humeus; klei , siltig tot zandig; veen , kleiig Zand , matig grof tot uiterst grof , lokaal grindig; grind , fijn tot grof , lokaal zandig; stenen; keien; blokken; klei , lokaal siltig tot zandig Zand , zeer fijn tot matig grof , glauconiethoudend , lokaal schelphoudend; klei , siltig tot zandig
Mariene afzettingen
83
Afbeelding 7. 2
Dwarsdoorsneden ZW-NO
Geomorfologie Het plangebied is gelegen in een door de wind gevormd relatief vlak gebied , met welvingen. In afbeelding 7. 3 is een uitsnede opgenomen uit de Geomorfologische kaart van Nederland. Deze laat zien waar door weer en wind aan het maaiveld welvingen zijn ontstaan in het dekzand. In het westelijke deel is een dekzandvlakte gevormd. In het uiterste zuidwesten van het plangebied zijn de welvingen iets hoger en worden ze aangeduid als lage landduinen. Het hoogteverschil bij de dekzandwelvingen en lage landduinen is maximaal 0 , 5 – 1 , 5 m. Ten zuiden en oosten van het plangebied liggen eveneens lage landduinen maar hier is het hoogteverschil groter , namelijk maximaal 1 , 5 – 5 m.
Afbeelding 7. 3 Uitsnede Geomorfologische kaart
84
Aardkundige waarden In afbeelding 7. 4 is een uitsnede opgenomen uit de aardkundige waardenkaart die in het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg [29] is opgenomen. Hieruit blijkt dat naast de bosgebieden ten zuiden en ten oosten van het plangebied , ook een beperkte strook in de noordoostzijde van het plangebied nog net valt binnen deze grotere zone met aardkundige waarden. De aard , omvang , diepte en wijze van bescherming is in het landschapskader niet geconcretiseerd. In het vigerende bestemmingsplan Toverland uit 2016 [18] is deze waarde overigens niet in de regels of de verbeelding opgenomen. Vermoedelijk houden deze verband met de dekzandwelvingen die ook opgenomen zijn in Geomorfologische kaart (afbeelding 7. 3) . Ter plaatse van het bestaande attractiepark en ten noorden ervan zijn deze door roering van de bodem en het agrarisch gebruik na de Tweede Wereldoorlog niet meer zichtbaar. Het bosgebied ten oosten van Toverland kenmerkt deze wervelingen in het landschap nog wel.
Afbeelding 7. 4
7. 1. 2
Uitsnede Aardkundige waarden provincie Limburg [29]
Reliëf
De geomorfologie in en om het plangebied is goed terug te zien op de kaarten van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) . Zoals te zien is in afbeelding 7. 5 , ligt het plangebied op de overgang van een relatief hooggelegen gebied (oranje/rood) in het westen en zuidwesten naar een lager gelegen gebied (groen/blauw) in het oosten. Het plangebied zelf is relatief vlak. Meer in detail (zie afbeelding 7. 6) is in het plangebied en ten westen daarvan een laagte zichtbaar. Deze maakt deel uit van de eerdergenoemde dekzandvlakte. Ten oosten en zuiden van het plangebied is een grilliger reliëf te zien dat overeenkomt met de welvingen en lage landduinen van de Geomorfologische kaart. Binnen het plangebied is het reliëf flauwer. Het lijkt alsof het reliëf is uitgesmeerd. Dit is waarschijnlijk het gevolg van de relatief jonge ontginning van het gebied. De ontginningsactiviteiten en het agrarisch gebruik hebben gezorgd voor deze afvlakking. Vennen en laagten zijn er gedempt en hogere delen zijn afgetopt. Voorts is er een strakke verkaveling aangebracht. Het maaiveldniveau binnen het plangebied varieert globaal tussen 31 , 1 m + NAP in het meest westelijk deel van het plangebied (tegen de Midden Peelweg aan) en 32 , 5 m + NAP in het meest noordoostelijk deel van het
plangebied.
85
7. 1. 3
Afbeelding 7. 5
Plangebied op kaartbeeld van het AHN (overzicht)
Afbeelding 7. 6
Plangebied op kaartbeeld van het AHN (detail)
Bodemopbouw
De bovenste laag van de bodem (tot circa 1 , 2 m-mv) behoort tot de veldpodzolgronden (Hn21) en bestaat uit leemarm en zwak lemig fijn zand. Deze gronden zijn ontstaan in gebieden waar hemelwater niet door een beek kon worden afgevoerd. Het water moest ter plekke bezinken en infiltreren. Na de ontginning van deze gebieden zijn deze gebieden sterk ontwaterd , waardoor de grondwaterstand sterk is gedaald. Een overzicht van de bodemkaart en de grondwatertrappen is weergegeven in afbeelding 7. 7.
86
Afbeelding 7. 7
Bodemkaart met grondwatertrappen ter plaatse van het plangebied (blauwe omlijning)
De diepere bodem bestaat vanaf het maaiveld tot een diepte van circa 23 m +NAP uit zeer fijn tot matig fijn , matig tot
sterk siltig zand behorende tot de zandige formaties van Boxtel. Plaatselijk kunnen donkergrijze zandige leemlagen en matig tot uiterst grove zandlagen voorkomen. De Formatie van Boxtel wordt opgevolgd door de circa 11 m dikke zandlagen van de Formatie van Beegden bestaande uit middelfijn tot uiterst grof , grindhoudend zand. Op een diepte van circa 12 m +NAP tot de geohydrologische basis gaat de Formatie van Beegden over in de zandlagen van de Formatie van Breda , bestaande uit zeer fijn tot matig fijn zand met plaatselijk sterk zandige kleilagen. Een geohydrologische schematisatie van de bodemopbouw is weergegeven in tabel 7. 1 en afbeelding 7. 1 en 7. 2.
7. 1. 4
Breuken
Afbeelding 7. 8
Globale ligging Ysselsteynbreuk
87
Door het plangebied loopt een breuklijn in de ondergrond. De globale ligging hiervan is weergegeven in afbeelding 7. 8 , maar de exacte ligging van deze breuk is niet bekend. Zowel in het verloop van het maaiveld als ook in de bodemopbouw , zoals hiervoor beschreven , is de ligging van deze breuk niet uitgesproken waarneembaar. Het betreft de
Ysselsteynbreuk , die zich hoofdzakelijk in de dieper gelegen formatie van Breda bevindt.
7. 1. 5
Bodemkwaliteit
Om inzicht te verkrijgen in de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied is een historisch vooronderzoek bodem conform NEN5725 uitgevoerd [46] . Hierin is op basis van beschikbare informatie en een
analyse van het historisch grondgebruik een inschatting gemaakt van de aard , mate , oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen in de bodem. Dit vooronderzoek is bedoeld als basis voor het opstellen van een strategie voor eventueel noodzakelijk aanvullend bodemonderzoek (verkennend of nader bodemonderzoek) . In tabel 7. 2 is een overzicht opgenomen van de conclusies uit de diverse bodemonderzoeken die in het verleden zijn uitgevoerd voor het plangebied en zijn gebruikt bij het historisch vooronderzoek bodem [46] .
Tabel 7. 2
88
Onderzoek:
Samenvatting resultaten uit eerdere bodemonderzoeken [46] Bureau / datum:
Verkennend bodemonderzoek (paragraaf 2. 7. 1)
Grontmij 10 december 1999
Verkennend bodemonderzoek (paragraaf 2. 7. 2)
DvL Milieu & Techniek 31 juli 2003
Verkennend bodemonderzoek (paragraaf 2. 7. 3)
Aeres-Milieu 23 november 2007
Verkennend bodem- en asbestonderzoek (paragraaf 2. 7. 4)
Grontmij 6 oktober 2011
Bodem-vooronderzoek (paragraaf 2. 7. 5) Milieukundig bodemonderzoek (paragraaf 2. 7. 6) Milieukundig bodemonderzoek (paragraaf 2. 7. 7)
AGEL adviseurs 12 juni 2014 Kragten 4 maart 2021 Kragten 15 juli 2021
Verkennend en aanvullend milieukundig bodemonderzoek (paragraaf 2. 7. 8)
Kragten 28 september 2021
Chemisch onderzoek grondwal (paragraaf 2. 7. 9)
Kragten 6 september 2021
Conclusies: De bovengrond ter plaatse van de aan te leggen parkeerplaatsen is zeer plaatselijk licht verontreinigd met cadmium en/of koper. De bovengrond ter plaatse van het aan te leggen fietspad is licht verontreinigd met PAK. De ondergrond is niet verontreinigd. In het grondwater zijn licht tot sterk verhoogde gehalten aan zware metalen aangetoond. De verhoogde gehalten werden beschouwd als regionale achtergrondwaarden Vervolgonderzoek niet noodzakelijk Bovengrond licht verontreinigd met EOX en/of minerale olie. Ondergrond niet verontreinigd. Het grondwater is licht verontreinigd met cadmium , chroom , koper en zink. Vervolgonderzoek niet noodzakelijk De boven- en ondergrond is niet verontreinigd. In het grondwater zijn marginaal tot licht verhoogde gehalten aan chroom en 1 , 1 , 2 trichloorethaan aangetoond. Vervolgonderzoek niet noodzakelijk In de puinhoudende paden zijn licht verhoogde gehalten aan kwik , zink , PAK , PCB en/of minerale olie aangetoond. De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met cadmium. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Ter plaatse van één peilbuis (pb02) is een sterk verhoogd gehalte aan zink aangetoond. In het grondwater van de overige peilbuizen zijn licht tot matig verhoogd gehalten aan zware metalen aangetoond.
De resultaten vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen In het grondwater kunnen verhoogde gehalten (plaatselijk hoger dan de Interventiewaarden) aan zware metalen worden verwacht. Locatie wordt als onverdacht aangemerkt. Geen vervolgonderzoek nodig Geen verontreinigingen aangetoond. Vervolgonderzoek niet noodzakelijk Geen verontreinigingen aangetoond. Vervolgonderzoek niet noodzakelijk Ter plaatse van dienstweg , ten zuiden van de Troy , zijn verhoogde gehalten aan zware metalen aangetoond. In het grondwater is een sterk verhoogd gehalte aan koper aangetoond en licht verhoogde gehalten aan barium , lood en zink. Ter plaatse van grasveld zijn plaatselijk , met name de bovengrond , sterk verhoogde gehalten aan koper en zink aangetoond. Ten behoeve van de realisatie van het resort zal de verontreiniging worden ontgraven en afgevoerd. Hiervoor dient een Plan van Aanpak (PvA) te worden opgesteld. Geen verontreinigingen in de grond aangetoond.
Op basis van literatuuronderzoek en een uitgevoerde terreinverkenning zijn de volgende conclusies getrokken [46] :
Bestaand attractiepark. In de periode tussen juni 2014 en maart 2021 hebben ter plaatse van het (bestaande) attractiepark Toverland geen activiteiten plaatsgevonden die de milieuhygiënische bodemkwaliteit negatief hebben beïnvloed. De resultaten uit het verkennend onderzoek uit 2014 kunnen nog steeds als representatief worden beschouwd. Een verontreiniging met PFAS (gehalten hoger dan de achtergrondwaarden) wordt vanwege het ontbreken van bronlocaties niet verwacht. Ten oosten van de houten achtbaan Troy (themagebied Ithaka) is een sterke verontreiniging met metalen (met name zink en koper) aangetoond. Zeer plaatselijk zijn in de bovengrond sintels of andere bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. Niet uitgesloten kan worden dat (een deel) van deze sintels een relatie heeft met het asfaltgranulaat dat aan de westzijde is toegepast (dienstweg) . Nadere informatie daaromtrent ontbreekt echter. Uit de onderzoeksresultaten ontstaat het beeld van een heterogeen diffuse verontreiniging. Deze blijft beperkt tot een diepte van 0 , 5 m-mv (zeer plaatselijk tot 1 , 0 m -mv) waarbij het totale oppervlak wordt ingeschat op ongeveer 300 m2. Omdat de verontreiniging is ontstaan na 1 januari 1987 betreft het een zogenaamde zorgplicht sanering (Wet Bodembescherming artikel 13) waarbij de verontreiniging , naar redelijkheid en billijkheid , verwijderd dient te worden. Landbouw -
en
natuurpercelen
De landbouw- en natuurpercelen binnen het plangebied zijn als onverdacht te beschouwen ten aanzien van de aanwezigheid van noemenswaardige chemische bodemverontreiniging. Door het gebruik van (dierlijke en kunst-)
meststoffen kunnen in de bovengrond en in het grondwater licht verhoogde (diffuus verspreidde) gehalten aan zware metalen (cadmium , koper en zink) niet worden uitgesloten. Verontreinigingen door het gebruik van bestrijdingsmiddelen op de landbouwpercelen wordt niet verwacht. Door het wijdverbreide gebruik en door atmosferische invloeden kunnen diffuus verhoogde gehalten aan PFAS niet worden uitgesloten. De verwachting is dat de gehalten aan PFAS lager zijn dan de achtergrondwaarden. In de grond wordt geen GenX verwacht. Verhardingen , bermen en parkeerplaatsen Asfalt: De Helenaveenseweg en de Schorfvenweg zijn voor 1995 aangelegd. Het hiervoor gebruikte asfalt is mogelijk (deels) teerhoudend. De asfaltverharding van de Toverlaan is , gelijktijdig met de realisatie van het park aangebracht (omstreeks 2000/2001) en kan worden aangemerkt als niet-teerhoudend. Vanaf 1995 is het gebruik van teerhoudend asfalt namelijk verboden. Fundering: De fundering ter plaatse van de Toverlaan zal naar verwachting bestaan uit menggranulaat. De fundering van de Helenaveenseweg bestaat mogelijk uit zinkassen (aangezien de weg is aangemerkt als een zinkassenweg) . De fundering van de Schorfvenweg is onbekend , doch de aanwezigheid van zinkassen , puin en/of puin met asbest wordt niet uitgesloten.
Bij graafwerkzaamheden ter plaatse van verhardings- en/of puinlagen/verhardingen binnen het plangebied moeten deze gescheiden worden ontgraven en worden afgevoerd/verwerkt. Bermen: De bermen van de Helenaveenseweg zijn verdacht ten aanzien van het voorkomen van een zinkverontreiniging (vanwege de zinkassenweg) . Daarnaast zijn de bermen van de Helenaveenseweg , de Toverlaan en de Schorfvenweg vanwege vervuild afstromend hemelwater vanaf de rijbaan mogelijk verontreinigd met zware metalen , PAK en/of minerale olie. Een verontreiniging met asbest in de bermen wordt niet verwacht. In de bermen worden geen gehalten aan PFAS verwacht hoger dan de achtergrondwaarden. Parkeerplaatsen. Ter plaatse van parkeerplaats P3 bestaan de parkeervakken uit grasbetonstenen. De verharding van de rijstrook bestaat uit betonstraatstenen. Onder de grasbetonstenen bevindt zich tot 2 , 0 m -mv zand. Ter plaatse van de zuidelijk gelegen parkeerplaats bestaat de verharding van zowel de vakken als de rijstrook uit betonstraatstenen , met hieronder een dunne laag straatzand en een pakket menggranulaat. De vakken worden onderbroken door groenstroken met een greppel. Tijdens de onderzoeken zijn in de grond geen chemische verontreinigingen aangetoond. Eventuele puntverontreinigingslocaties (bijvoorbeeld als gevolg van een olielekkage) worden niet uitgesloten.
Dienstweg (ten westen en ten zuiden van de Troy) : Dit half-verhardingspad bestaat uit asfaltgranulaat en wordt als een bouwstof beschouwd. In het asfaltgranulaat (met een dikte van minimaal 0 , 2 à 0 , 5 meter) zijn sterk verhoogde gehalten aan zware metalen (arseen , barium , chroom , kobalt , koper , lood , nikkel en zink aangetoond) . Vanaf 0 , 5
89
het pad nog uitsluitend marginaal verhoogde gehalten aan koper of zink aangetoond. De verhoogde gehalten direct naast het rijspoor van het pad zijn waarschijnlijk te relateren aan de aanwezigheid van asfaltgranulaat. Omdat hier sporadisch gereden wordt , is het granulaat hier plaatselijk begroeid met gras. m-mv zijn ter plaatse van
Depots. Direct ten noorden van het bestaande attractiepark zijn enkele depots met grond en bouwstoffen aanwezig als resultante na eerdere parkuitbreidingen. Er is geen informatie over de milieuhygiënische kwaliteit hiervan bekend.
Voormalige boerderij Schorfvenweg 10 Op het perceel van het voormalige agrarische bedrijf aan de Schorfvenweg 10 (dat door de initiatiefnemer is aangekocht) zijn diverse opstallen en verhardingen aanwezig. De dikte en de aard van de funderingsmaterialen zijn onbekend. De daken van de opstallen zijn waarschijnlijk asbesthouded. Daarom is het perceel formeel als asbest verdacht aan te merken. Een ernstige bodemverontreiniging als gevolg van de voormalige bedrijfsactiviteiten wordt niet verwacht , maar licht verhoogde gehalten aan zware metalen , PAK en minerale olie worden vanwege de voormalige bedrijfsactiviteiten niet uitgesloten. Watergangen en greppels Het wordt niet uitgesloten dat het slib en/of de onderliggende (vaste) waterbodem van de aanwezige watergangen binnen het plangebied (licht) verontreinigd zijn met zware metalen , PAK en/of minerale olie. De aanwezigheid van verhoogde gehalten aan PFAS in de waterbodem van de watergangen wordt niet uitgesloten. In de watergangen wordt geen GenX verwacht. Grondwater In het grondwater kunnen verhoogde gehalten (plaatselijk hoger dan de Interventiewaarden) aan zware metalen worden verwacht. Het plangebied is gelegen binnen het plangebied De Kempen waar op veel plaatsen een diffuse bodemverontreiniging aanwezig is met zware metalen.
De verhoogde gehalten aan zware metalen in het grondwater zijn hierdoor te beschouwen als regionale achtergrondwaarden. In verband met de regionale diffuus verhoogde achtergrondwaarden in het ondiepe grondwater , dient bij eventueel oppompen van het grondwater rekening gehouden te worden met gebruiksbeperkingen. Aanbevelingen -
-
-
-
90
Op basis van bovenstaande uitkomsten is in het uitgevoerde vooronderzoek bodem [46] geconcludeerd dat het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek (NEN5740 of NEN 5707) ten behoeve van het bestemmingsplan of het voorliggende MER niet noodzakelijk is. Op het moment dat concrete bouwactiviteiten en graafwerkzaamheden plaatsvinden , kan mogelijk aanvullend onderzoek nodig zijn. Dit zal per situatie met het bevoegd gezag (de gemeente Horst aan de Maas) worden bepaald. Nadat de opstallen en verhardingen van de voormalige boerderij aan de Schorfvenweg 10 zijn gesloopt , is
aanbevolen om een eindsituatie bodemonderzoek uit te voeren Indien bij toekomstige bouwactiviteiten grond vrij komt , is geadviseerd om deze binnen het plangebied op basis van de Nota Bodembeheer Limburg-Noord 2020-2029 [47] en de bijbehorende bodemkwaliteitskaart te hergebruiken. De gemeente Horst aan de Maas is hierin bevoegd gezag. Verontreinigde grond ten oosten van de asfaltweg wordt naar verwachting gelijktijdig met de ontwikkeling van het Camp Resort verwijderd en afgevoerd (zie paragraaf 7. 2) . Indien overtollige grond (afkomstig bij werkzaamheden) niet binnen het plangebied kan worden hergebruikt , dan wordt geadviseerd om kleine hoeveelheden grond , direct als een afvalstof af te voeren naar een erkende verwerker of acceptant. Grotere hoeveelheden grond kunnen op basis van de Bodemkwaliteitskaart mogelijk elders binnen de regio worden toegepast. Bij werkzaamheden ter plaatse van de wegen en de bermen binnen het plangebied wordt geadviseerd om voorafgaand een verhardings- en milieukundig bodemonderzoek uit te voeren naar de aard en milieuhygiënische kwaliteit van vrijkomende bouwstoffen. Geadviseerd wordt om eventueel vrijkomende bouwstoffen van de wegen binnen het plangebied (asfalt , (puin-) funderingen) als een afvalstof af te voeren naar een erkende acceptant en/of verwerker.
-
De grond en de bouwstoffen ter plaatse van de depots kunnen bij de ontwikkeling van het park niet zonder
worden hergebruikt. Voorafgaand aan eventueel hergebruik dient de grond en de bouwstoffen ten aanzien van de milieuhygiënische kwaliteit gekeurd te worden. Daarnaast dient men tijdens (graaf-) werkzaamheden (met name ter plaatse van de parkeerplaatsen) , ondanks dat er geen verontreinigingen zijn aangetoond , alert te blijven op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Indien in de toekomst ter plaatse van de dienstweg ten westen en zuiden van Troy (graaf-) werkzaamheden zijn voorzien , dan wordt geadviseerd om voorafgaand aan de werkzaamheden in overleg met het bevoegd gezag af te stemmen op welke wijze met het vrijkomend granulaat dient te worden omgegaan. Indien bij de ontwikkelingen van het attractiepark wijzigingen zijn voorzien ter plaatse van de huidige watergangen (bijvoorbeeld dempen , ver (on) diepen , verleggen) , dan wordt geadviseerd om een verkennend waterbodemonderzoek conform NEN5720 uit te voeren. Aanbevolen wordt om de onderzoeken voorafgaand aan de uitvoering met het bevoegd gezag (waterschap Limburg) af te stemmen. meer
-
-
7. 2
Autonome ontwikkeling De autonome ontwikkelingen hebben geen veranderingen in de bodemsamenstelling tot gevolg. Voor de referentiesituatie
het aspect ‘bodem’ kan derhalve worden uitgegaan van beschrijving van huidige situatie zoals omschreven in de vorige paragraaf. Uitzondering hierop is het aspect bodemkwaliteit. Als onderdeel van de ontwikkeling van het Camp Resort zal de aanwezige verontreiniging ten oosten van de Troy (een sterke verontreiniging met metalen van met name zink en koper) worden gesaneerd. De verontreinigde grond wordt afgegraven en afgevoerd naar een erkende reiniger. Als gevolg daarvan zal de bodemkwaliteit ter plaatse dus in de referentiesituatie verbeteren ten opzichte van de huidige situatie. van
7. 3
Effectbeschrijving
7. 3. 1
Algemeen
Voor de effectbeschrijving van het onderdeel bodem zijn in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau [23] drie beoordelingscriteria geformuleerd die in deze paragraaf worden behandeld. Het betreft: -
7. 3. 2
Beïnvloeding van aardkundige waarden; Invloed op milieuhygiënische bodemkwaliteit; Grondbalans.
Beïnvloeding van aardkundige waarden
Zoals in paragraaf 7. 1. 1 is aangegeven , bleek uit de aardkundige waardenkaart van het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg [29] dat naast de bosgebieden ten zuiden en ten oosten van het plangebied , ook een strook in de noordoostzijde van het plangebied nog net valt binnen deze grotere zone met aardkundige waarden. De aard , omvang , diepte en wijze van bescherming is in het landschapskader niet geconcretiseerd. In het vigerende bestemmingsplan Toverland uit 2016 [18] is deze waarde overigens niet in de regels of de verbeelding opgenomen. Vermoedelijk houden deze verband met de dekzandwelvingen die ook opgenomen zijn in Geomorfologische kaart (afbeelding 7. 3) . Ter plaatse van het bestaande attractiepark en ten noorden ervan zijn deze door roering van grond en het agrarisch gebruik na de Tweede Wereldoorlog niet meer zichtbaar. Het bosgebied ten oosten van Toverland kenmerkt deze wervelingen in het landschap nog wel , maar deze blijven onaangetast als gevolg van de realisering van de voorgenomen activiteiten. In totaal is circa 24 , 5 ha van de 119 ha van het plangebied gelegen binnen een gebied met (mogelijk) aanduiding
aardkundige waarden. Indien in deze zone als onderdeel van de realisering van de voorgenomen activiteiten graafwerkzaamheden worden uitgevoerd , en er worden daarbij aardkundige waarden vernietigd , kan dat als groot negatief effect worden aangemerkt. Of en in welke mate dit effect optreedt is thans niet in te schatten omdat niet bekend is of er daadwerkelijk aardkundige waarden in de ondergrond aanwezig zijn , en zo ja op welke diepte en in welke omvang , en wat de waarde ervan precies is. Mocht dit inderdaad gaan om de dekzandwelvingen , dan is de feitelijk aanwezige waarde naar verwachting zeer beperkt omdat deze door het agrarisch gebruik van de afgelopen decennia zijn verdwenen. Omdat dit niet zeker is , is dit thans nog als leemte in kennis aangemerkt (zie hoofdstuk 17 van dit MER) .
91
Slechts een deel van het plangebied (circa 20%) is dus gelegen in een mogelijk als waardevol aangemerkt gebied. Bovendien blijkt uit de modellen dat in model 1B en 3B en groot deel van deze zone is aangewezen als ‘resterend’. De kans dat hier vergravingen plaatsvinden is daarmee nog kleiner dan in de andere modellen. Gezien de omvang in relatie tot het totale plangebied , is aan model 1B en 3B een neutraal effect (effectscore ‘0 ‘) toegekend en aan de overige modellen een beperkt negatief effect (effectscore ‘0/-‘) . In het toetsingskader met randvoorwaarden voor toekomstige ontwikkelingen (zie paragraaf 7. 5) zal daarom worden
dat voorafgaand aan het uitvoeren van graafwerkzaamheden in deze zone , eerst nader onderzoek moet worden uitgevoerd naar de daadwerkelijke aanwezigheid van aardkundige waarden in de ondergrond ter plaatse van deze zone en de wijze waarop deze beschermd kunnen worden. Voorafgaand aan uitvoering dient hierover overeenstemming met het bevoegd gezag (provincie Limburg) te worden verkregen. opgenomen
7. 3. 3
Invloed op milieuhygiënische bodemkwaliteit
Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten , worden in het gebied in de toekomstige situatie geen nieuwe
bodemverontreinigingen verwacht. Ook vuurwerk zal geen bodemverontreinigingen veroorzaken. Zoals in de effectenanalyse vuurwerk [50] is aangegeven , maakt Toverland alleen gebruik van leveranciers die beschikken over gecertificeerd vuurwerk dat het milieu relatief weinig belast. Dit houdt in dat het vuurwerk geen zwart buskruit (nitraat , zwavel en houtskool) bevat. Zware metalen die zorgen voor de kleur en de geluideffecten zijn vervangen door eco-vriendelijke materialen zoals Polyvinylchloride (pvc) en nitrocellulose. Verontreiniging van riool , lucht of bodem door zware metalen van vuurwerk treedt daardoor niet op. Het afval dat vrijkomt bij het afsteken van vuurwerk bestaat uit biologisch papier en recyclebaar materiaal. Wanneer het op de grond komt , is dit afval niet meer schadelijk voor de natuur of bodem. Conform de Notitie Afbraaktijden zwerfafval Nederland Schoon [68] is karton binnen 2-6 maanden volledig afgesproken. Er is dus in de omgeving (buiten het terrein van Toverland) mogelijk tijdelijk sprake van neerslag van bodemvreemd materiaal (kartonresten die niet volledig ontbrand zijn) maar deze leiden niet tot blijvende schade aan de natuur in de omgeving. Grote afvalstukken die op de locatie achterblijven (potten en omhulsels) worden na afloop direct opgeruimd en gerecycled.
Indien een bepaald deelgebied tot ontwikkeling wordt gebracht , en hier zijn verontreinigingen aanwezig , worden gesaneerd indien noodzakelijk. De milieuhygiënische bodemkwaliteit zal dan verbeteren ten opzichte van de referentiesituatie. Voorbeelden hiervan zijn het verwijderen van de asbestdaken van het agrarische bebouwing aan de Schorfvenweg 10 , het verwijderen van de depots ten noorden van het bestaande attractiepark of het opbreken van puinfunderingen onder bestaande wegen. Op grond van het bovenstaande kan aan alle tien de modellen is voor het criterium ‘invloed op milieuhygiënische
bodemkwaliteit een beperkt positief effect (effectscore ‘0/+’) worden toegekend.
Op het moment dat concrete bouwactiviteiten en graafwerkzaamheden plaatsvinden , kan mogelijk aanvullend onderzoek nodig zijn. Dit zal per situatie met het bevoegd gezag (de gemeente Horst aan de Maas) worden bepaald. Dit is een
reguliere wettelijke verplichting.
7. 3. 4
Grondbalans
In afbeelding 7. 9 , afkomstig uit het hydrologisch onderzoek [53] , is het plangebied ingedeeld in een aantal zones. Hierbij is aangegeven dat de gronden in deelgebied 1 met circa 30 cm moeten worden opgehoogd om hier voldoende
drooglegging voor de voorgenomen ontwikkeling te kunnen realiseren. Indien in dit gebied de functie van secundaire wegen (inclusief parkeerplaatsen) aan de orde is , dient te worden uitgegaan van een ophoging van 50 cm. In de deelgebieden I en I I is voldoende drooglegging aanwezig voor alle functies.
92
Afbeelding 7. 9
Hydrologische deelgebieden [53]
Naast benodigd grond voor ophoging of mogelijk het dempen van de bestaande visvijver , komt er bij
graafwerkzaamheden bijvoorbeeld voor bouwwerkzaamheden of waterpartijen ook grond vrij. Indien de milieuhygiënische bodemkwaliteit dit toestaat , zal vrijkomende grond zoveel mogelijk binnen het plangebied worden hergebruikt. Vrijkomende grond ter plaatse van agrarische percelen mag op grond van de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart elders binnen het plangebied worden hergebruikt. Vrijkomende grond binnen bestaande attractiepark dient te worden onderzocht voorafgaand aan eventueel hergebruik. Verontreinigde grond zal worden afgevoerd of gesaneerd (zie ook paragraaf 7. 1. 5) . Toverland streeft bij de ontwikkeling van het attractiepark naar een gesloten grondbalans. In hoeverre dit kan worden bereikt , is thans nog niet bekend en hangt onder andere af van de fasering van de ontwikkeling en het ontwerp (omvang waterpartijen et cetera) . Derhalve kan thans nog geen effectscore voor dit criterium worden bepaald. Dit is aangemerkt als leemte in kennis en informatie (zie hoofdstuk 17) . Op basis van het milieuhygiënisch bodemonderzoek [46] zijn wel aanbevelingen gedaan voor de wijze waarop met
vrijkomende grond kan worden omgegaan: Indien bij toekomstige bouwactiviteiten grond vrij komt , is geadviseerd om deze binnen het plangebied op basis van de Nota Bodembeheer Limburg-Noord 2020-2029 en de daarbij behorende bodemkwaliteitskaart [47] te hergebruiken. De gemeente Horst aan de Maas is hierin bevoegd gezag. Verontreinigde grond ten oosten van de asfaltweg wordt naar verwachting gelijktijdig met de ontwikkeling van het Camp Resort verwijderd en afgevoerd (zie paragraaf 7. 2) . Indien overtollige grond (afkomstig bij werkzaamheden) niet binnen het plangebied kan worden hergebruikt , dan wordt geadviseerd om kleine hoeveelheden grond , direct als een afvalstof af te voeren naar een erkende verwerker of acceptant. Grotere hoeveelheden grond kunnen op basis van de Bodemkwaliteitskaart mogelijk elders binnen de regio worden toegepast. Bij werkzaamheden ter plaatse van de wegen en de bermen binnen het plangebied wordt geadviseerd om voorafgaand een verhardings- en milieukundig bodemonderzoek uit te voeren naar de aard en milieuhygiënische kwaliteit van vrijkomende bouwstoffen. Geadviseerd wordt om eventueel vrijkomende bouwstoffen van de wegen binnen het plangebied (asfalt , (puin-) funderingen) als een afvalstof af te voeren naar een erkende acceptant en/of verwerker.
De grond en de bouwstoffen ter plaatse van de depots kunnen bij de ontwikkeling van het park niet zonder meer worden hergebruikt. Voorafgaand aan eventueel hergebruik dient de grond en de bouwstoffen ten aanzien van de milieuhygiënische kwaliteit gekeurd te worden. Daarnaast dient men tijdens (graaf-)
93
-
-
7. 4
werkzaamheden (met name ter plaatse van de parkeerplaatsen) , ondanks dat er geen verontreinigingen zijn aangetoond , alert te blijven op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Indien in de toekomst ter plaatse van de dienstweg ten westen en zuiden van Troy (graaf-) werkzaamheden zijn voorzien , dan wordt geadviseerd om voorafgaand aan de werkzaamheden in overleg met het bevoegd gezag af te stemmen op welke wijze met het vrijkomend granulaat dient te worden omgegaan. Indien bij de ontwikkelingen van het attractiepark wijzigingen zijn voorzien ter plaatse van de huidige watergangen (bijvoorbeeld dempen , ver (on) diepen , verleggen) , dan wordt geadviseerd om een verkennend waterbodemonderzoek conform NEN5720 uit te voeren. Aanbevolen wordt om de onderzoeken voorafgaand aan de uitvoering met het bevoegd gezag (waterschap Limburg) af te stemmen.
Samenvattende effectbeoordeling Op basis van de voorgaande effectbeschrijving van de voorgenomen activiteiten ten opzichte van de referentiesituatie
kan de volgende samenvattende milieubeoordeling voor het thema ‘bodem’ worden opgesteld: Tabel 7. 3 Samenvattende effectbeoordeling ‘bodem’ Criteria Alternatief 1a 1b 2a Beïnvloeding van 0/0 0/aardkundige waarden Milieuhygienische 0/+ 0/+ 0/+ bodemkwaliteit PM PM PM Grondbalans
2b 0/-
3a
3b
4a
0
0/-
4b 0/-
5a
0/-
5b 0/-
0/+
0/+
0/+
0/+
0/+
0/+
0/+
PM
PM
PM
PM
PM
PM
PM
0/-
Gegeven deze effecten is het nemen van aanvullende mitigerende of compenserende maatregelen niet aan de orde.
7. 5
Toetsingskader: randvoorwaarden voor toekomstige ontwikkelingen Voor het thema ‘bodem’ zijn op basis van de effectbeschrijving en beoordelingen in dit hoofdstuk de volgende
randvoorwaarden
voor
toekomstige ontwikkelingen gedefinieerd:
Voorafgaand aan het uitvoeren van graafwerkzaamheden in het noordoostelijk deel van het plangebied dient eerst nader onderzoek worden uitgevoerd naar de daadwerkelijke aanwezigheid van aardkundige waarden in de ondergrond ter plaatse van de in het landschapskader aangegeven beschermde zone en de wijze waarop deze beschermd kunnen worden. Voorafgaand aan uitvoering dient hierover overeenstemming met het bevoegd gezag (provincie Limburg) te worden verkregen. Op het moment dat concrete bouwactiviteiten en graafwerkzaamheden plaatsvinden , kan mogelijk eerst aanvullend onderzoek nodig zijn naar de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Dit zal per situatie met het bevoegd gezag (de gemeente Horst aan de Maas) worden bepaald.
94
8
THEMA
WATER
8. 1
Huidige situatie
8. 1. 1
Grondwater Doorlatendheid De zandbodem ter plaatse van het plangebied heeft tot een diepte van circa 4 m-mv een doorlatendheid variërend van 0 , 5 tot 1 , 1 m/dag. Plaatselijk komen zandige leemlagen voor. Deze zijn minder doorlatend (0 , 4 m/dag of minder) [53] .
Geohydrologische schematisatie In paragraaf 7. 1. 1 van dit MER is ingegaan op de (diepere) bodemsamenstelling ter plaatse van het plangebied. Bij een geohydrologische schematisatie worden watervoerende pakketten en slecht doorlatende (scheidende) lagen onderscheiden. In een watervoerend pakket treedt overwegend horizontale grondwaterstroming op , terwijl in een scheidende laag voornamelijk verticale grondwaterstroming optreedt. De geohydrologische basis is een slecht doorlatende laag , die vanwege de dikte en/of opbouw vrijwel ondoorlatend is. Vanaf het maaiveld tot een diepte van circa 9 m worden zeer fijn tot matig fijn zandige afzettingen aangetroffen , die behoren tot de Formatie van Boxtel. Dit pakket wordt beschouwd als het eerste watervoerend pakket. Vanaf 9 m-mv tot een diepte van circa 20 m-mv worden vervolgens afzettingen van de Formatie van Beegden aangetroffen. Deze formatie bestaat voornamelijk uit matig fijn tot matig grof zand en worden gerekend tot het 2 e watervoerend pakket. Vanaf een diepte van circa 20 m-mv tot een diepte van circa 210 m-mv bestaat de bodem uit zeer fijn tot matig fijn zand , behorende tot de Formatie van Breda , zijnde het 3 e watervoerend pakket. De onderzijde van de Formatie van Breda kan worden beschouwd als de geohydrologische basis [53] . Tabel 8. 1
Schematisatie van de geohydrologische bodemopbouw [53]
Diepte
Geohydrologische eenheid
Lithologie
Zeer fijn tot matig fijn
Van
Tot
32
29
Formatie van Boxtel , 2 e
29
26
Formatie van Boxtel , 3 e
26
23
23
14
14
13
13
12
12
-180
(m +NAP)
(m +NAP)
zandige afzetting
zandige afzetting Formatie van Boxtel , 4 e zandige afzetting Formatie van Beegden , 1 e zandige afzetting Formatie van Beegden , 2 e zandige afzetting Formatie van Beegden , 3 e zandige afzetting Formatie van Breda
zand met plaatselijk kleiof leemhoudende lagen Zeer fijn tot matig fijn zand Zeer fijn tot matig fijn zand Matig grof tot zeer grof zand Middel fijn tot matig fijn zand Middel fijn tot matig fijn zand Zeer fijn tot matig fijn zand
Geohydrologische parameters Doorlaatvermogen (m 2 /dag)
Weerstand (dagen)
-
300
15
-
15
5
900
-
50
-
50
100
960
-
95
Grondwaterstanden en -stromingen In de directe omgeving van het plangebied zijn op dit moment geen peilbuizen aanwezig die de grondwaterstanden meten. Daarom is deze in het uitgevoerde hydrologisch onderzoek [53] bepaald op basis van eerdere onderzoeken en algemene beschikbare gegevens. Op basis van de grondwaterkaart van Nederland blijkt dat ter plaatse van het plangebied de stromingsrichting (noord) oostelijk is met een verhang van 1 , 3 m per kilometer en de grondwaterstand circa 27 m +NAP bedraagt. Op basis van de beschikbare gegevens kan voor het westelijk deel van plangebied worden uitgegaan van een gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) van 31 , 1 m +NAP en een gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG ) van 30 , 2 m +NAP. Voor het oostelijk deel van het plangebied wordt een GHG van 30 , 7 m +NAP en een GLG van 29 , 8 m +NAP gehanteerd. Dit betekent dat in de lager gelegen delen in het westelijk deel van het plangebied het grondwater van 0 , 9 m-mv kan stijgen tot aan of net onder maaiveld. De aanwezigheid van het aantal sloten en het gedraineerde perceel aan de westzijde wijzen ook op het voorkomen van hogere grondwaterstanden. In het oostelijk en noordelijk deel van het plangebied varieert de GHG voor het grootste deel tussen 0 , 9 en 1 , 6 m-mv. Een overzicht van het voorkomen van de GHG ten opzichte van maaiveld is weergegeven in afbeelding 8. 1.
Afbeelding 8. 1
Situering gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied
Grondwateronttrekkingen Binnen het bestaande attractiepark wordt incidenteel grondwater opgepompt. Het grondwater wordt gebruikt als aanvulling van het proceswater van de waterattracties bij verdamping of tijdens onderhoudsmomenten en calamiteiten. Het oppompen van grondwater vindt hooguit gedurende enkele dagen plaats. Hiervoor zijn binnen het attractiepark momenteel vijf bronpompen aanwezig. Deze zijn weergegeven in tabel 8. 2. Aangezien de incidentele onttrekkingen niet groter zijn dan 150. 000 m 3 per jaar en er geen openbare drinkwatervoorzieningen en onttrekkingen in kader van bodemenergie zijn , zijn de onttrekkingen niet als industriële onttrekkingen geregistreerd bij de provincie Limburg.
96
Tabel 8. 2 Pompen P1 P2 P3 P4 P5
Overzicht grondwateronttrekkingen in het bestaande attractiepark capaciteit Diepte (mInformatie 3 mv) [m /uur] Bij zuidelijke 30 ca. 50 2010 overgedragen van gemeente Sevenem naar vijver aan Toverland. Gebruikt voor op peil houden vijver Toverlaan Bij hal 2 10 ca. 180 Aanvullen van biotoop en attractie Expedition Zork. Bij Troy 7 180 ca. Vult vijvers in Ikata gebied. Bij Djengu 10 Bronpomp bij Djengu river. Vult Djengu River , Tolly ca. 180 River Molly , Katara Fountain of Magic en Laguna. Bij Avalon 20 ca. 140 Vult de vijver in Avalon zodat een continue niveau is 200 gewaarborgd. Locatie
Het plangebied ligt niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone. In de directe omgeving van het plangebied zijn een aantal landbouwputten aanwezig. De filterstelling en de onttrekkingshoeveelheden van deze putten is niet bekend. De ligging van deze putten is weergegeven in afbeelding 8. 2
Afbeelding 8. 2 Landbouwkundige grondwateronttrekkingen in de omgeving
van
het plangebied.
Grondwaterkwaliteit In het grondwater kunnen verhoogde gehalten aan zware metalen worden verwacht die plaatselijk hoger zijn dan de interventiewaarden. Het plangebied is gelegen binnen het gebied De Kempen waar op veel plaatsen een diffuse bodemverontreiniging aanwezig is met zware metalen. De verhoogde gehalten aan zware metalen in het grondwater zijn hierdoor te beschouwen als regionale achtergrondwaarden. In verband met de regionale diffuus verhoogde achtergrondwaarden in het ondiepe grondwater , dient bij eventueel oppompen van het grondwater rekening gehouden te worden met gebruiksbeperkingen.
97
8. 1. 2
Oppervlaktewater
Het plangebied wordt doorkruist door enkele waterlopen , namelijk de Wertemer en de Steegbergheide. In afbeelding 8. 3 is een uitsnede uit de legger van het waterschap Limburg opgenomen. Het water in de Wertemer komt voornamelijk uit het gebied zelf (landbouwgebied) . Ter hoogte van de Schorfvenweg komt de Steegbergheide in de Wertemer uit. De
primaire watergangen zijn het hele jaar door watervoerend , waarbij de Steegbergheide wordt gevoed door de aanvoerleiding met 75 l/s in de zomer en 40 l/s in de winter. Op beide watergangen wateren tevens diverse (landbouw) sloten af. Een aantal van deze sloten zijn ten behoeve van de waterconservering voorzien van boeren OWLstuwen. Zowel de Wertemer als de Steegbergheide zijn voorzien van stuwen. Het waterpeil in de Wertemer varieert tussen 29 , 9 en 30 , 4 m +NAP en het waterpeil in de Steegbergheide staat overwegend rond 30 , 8 m +NAP , met een uitschieter in november 2016 waarbij het water 1 m lager stond. Deze watergangen zijn , kijkende wat de watergangen afvoeren , overgedimensioneerd. De bodemdiepte van de watergangen in het gebied varieert van circa 30 , 2 tot circa 29 , 6 m +NAP. De bodem ligt beneden de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) waardoor de watergangen zowel in de winter- als in de zomersituatie grondwater draineren en afvoeren. De mate van afvoer is natuurlijk afhankelijk van de slibdikte en onderhoud in watergangen.
Afbeelding 8. 3
Uitsnede legger waterschap Limburg
Langs de oostelijke grens van het plangebied ligt de ‘Schorfvenloop’. Ter hoogte van het plangebied betreft dit een secundaire watergang. Verder stroomafwaarts (vanaf de Heesbredeweg) is dit een primaire watergang. De omliggende sloten en het secundaire deel van de Schorfvenloop zijn niet altijd watervoerend. De Wertemer heeft als status ‘sterk
veranderd’ , waarbij hydromorfe ingrepen hebben plaatsgevonden die niet volledig kunnen worden teruggedraaid zonder dat daarvoor significante schade optreedt aan het milieu of aan het waterlichaam gebonden gebruiksfunctie. De watergangen zijn landbouwbeken en hebben een afvoerende functie en geen specifieke ecologische functie (sef-beken) . In de directe omgeving van het plangebied zijn geen WB21-knelpunten aanwezig.
98
Binnen de inrichting van het bestande attractiepark Toverland liggen drie grote vijvers die gevoed worden door het grondwater. De vijvers staan (in) direct in verbinding met de Wertemer en dienen als tijdelijke bergings- en infiltratievoorzieningen , waarbij het overtollig hemelwater in de bodem infiltreert of overstort naar de Wertemer. Het waterpeil in deze vijvers is afhankelijk van de grondwaterstand en fluctueert gedurende het jaar. Aan de oostzijde van het plangebied loopt een brede watergang die in eigendom is van Toverland. Deze watergang staat vaak droog en watert af in zuidelijke richting op de Wertemer. Ook deze watergang is voorzien van een tweetal stuwen. De noordelijke vijverpartij vangt het 'teveel' aan water op vanuit Avalon. Deze noordelijke vijver heeft verder geen aansluiting op watergangen van het waterschap. Vanuit deze vijver wordt water onttrokken voor het besproeien en bevloeien van de op het park aanwezige vegetatie. De twee zuidelijke vijvers worden gevoed met regenwater afkomstig van het dak van de eerste hal en de meest zuidelijk gelegen parkeerplaatsen. Deze meest oostelijk gelegen waterpartij heeft een afvoer richting de Wertemer. Uit de normering regionale waterafvoer blijkt dat het plangebied een beschermingsniveau van een keer in de 25 jaar heeft. Dat wil zeggen dat voor een situatie die eens in de 25 jaar voor komt , geen wateroverlast ,
zijnde inundatie vanuit de watergangen , mag optreden
Oppervlaktewaterkwaliteit Waterschap Limburg heeft een meetlocatie in de kanalen die een redelijk beeld geeft van de oppervlaktewaterkwaliteit in de Steegbergheide. Hier wordt jaarlijks 12 x gemeten. Daarnaast zijn er in 2015 en 2016 metingen uitgevoerd in de Wertemer. De resultaten voor een aantal relevante parameters in het zomerhalfjaar (april tot en met september) zijn weergegeven in tabel 8. 3. Tabel 8. 3
Gemiddelde concentraties (mg/l) van een aantal relevante parameters in het zomerhalfjaar
De kwaliteit van zowel het aanvoerwater als het gebiedseigen water in de Wertemer is geclassificeerd als ‘matig’. Voor zowel stikstof als fosfaat geldt dat de referentiewaarden voor natuurlijke stromende wateren worden overschreden. Maar niet in hoge mate. Het water is vrij hard (veel kalk en hoge bufferende waarde) [53] .
8. 1. 3
Afwatering en riolering Afwatering
Het regenwater dat in het park valt , wordt gescheiden ingezameld van het vuilwater. Binnen het terrein zijn verschillende vijvers en waterbergings- en infiltratievoorzieningen zoals wadi’s , grindkoffers en
greppels) aanwezig die regenwater van verharding en daken opvangen en waarbij het overtollig hemelwater in de bodem infiltreert. Bij extreme neerslagsituaties vindt er op verschillende plaatsen een overstort plaats naar de oppervlaktewateren buiten het terrein van het park.
99
De parkeerplaatsen voor bezoekers zijn in gras uitgevoerd zodat regenwater direct kan infiltreren en de toegangswegen zijn gedeeltelijk verhard en gedeeltelijk onverhard. Daar waar verharding aanwezig is , zijn ook greppels aangebracht om regenwater op te vangen en overlast te voorkomen. De noordelijke vijverpartij vangt het 'teveel' aan water op vanuit Avalon. Deze noordelijke vijver heeft verder geen aansluiting op watergangen van het waterschap. Vanuit deze vijver wordt water onttrokken voor het besproeien en bevloeien van de op het park aanwezige vegetatie. De twee zuidelijke vijvers worden gevoed met regenwater afkomstig van het dak van de eerste hal en de meest zuidelijk gelegen parkeerplaatsen. Deze meest oostelijk gelegen waterpartij heeft een afvoer richting de Wertemer.
Riolering Het afvalwater in het park ontstaat voornamelijk door het gebruik van toiletten en de aanwezige horeca. In de huidige situatie zijn er al waterbesparende maatregelen genomen om de hoeveelheid afvalwater te beperken , waaronder urinoirs zonder toiletspoelingen. Daarnaast zijn er een aantal attracties die in beperkte mate water lozen op de riolering. In de huidige situatie wordt zo min mogelijk gebruik gemaakt van chemicaliën in proceswater. Om het water te zuiveren , wordt waar mogelijk gebruik gemaakt van zuiveringstechnieken , zoals rietfilters in Avalon. Het water is niet verontreinigd en kan naar oppervlaktewater , zoals de noordelijke vijver , worden afgevoerd. Bij sommige attracties is dit niet mogelijk , zoals bijvoorbeeld de drakenslangen waterglijbanen en de Katara fonteinen , omdat ten behoeve van de waterkwaliteit chemicaliën noodzakelijk zijn. Hier wordt het afvalwater eerst gebufferd en daarna afgevoerd naar het riool. Een keer per jaar wordt de hele vijver bij de Katara fonteinen schoongemaakt en geloosd op de riolering. De hoeveelheid afvalwater die Toverland momenteel op jaarbasis loost op de riolering kan worden gerelateerd aan de hoeveelheid drinkwater die wordt ingenomen. Peil jaar 2019 is circa 23000 m 3 aan drinkwater ingenomen. Dit resulteert in een afvalwater lozing van gemiddeld 63 m 3 /dag.
Grondwater wordt gebruikt voor aanvulling van de attracties en de waterpartijen , zodat het meeste grondwater weer verdwijnt via verdamping. Alleen sporadisch bij calamiteiten of onderhoud wordt grondwater op het riool geloosd. Dit is niet bij de dagelijkse afvallozing geteld.
Op het terrein is in de huidige situatie een pompinstallatie aanwezig van de gemeente die het afvalwater van het park afvoert naar de riolering in Sevenum. Daarnaast beheert Toverland momenteel zelf 4 pompinstallaties voor afvalwater. In tabel 8. 4 zijn de specificaties van de aanwezige pompinstallaties opgenomen.
Tabel 8. 4 Specificaties van aanwezige pompinstallaties Pompinstallaties Buffer Capaciteit Diameter persleiding Toverland [mm] [m 3 ] [m 3 /uur]
8. 2
A (gemeente) B (katara) E (Flaming Feather) F (port laguna)
9 10 4 6
65 40 40 40
G (Djengu River)
0
onbekend
160 125 90 90 110 90
Persleiding (van - naar) A- Naar gemeente B-A E-B F-D D-B G-B
Referentiesituatie Van de in paragraaf 4. 2 genoemde autonome ontwikkelingen zijn er twee van invloed op de referentiesituatie ten aanzien van het aspect water.
De voorgenomen uitbreiding van recreatiepark De Schatberg aan de overzijde van de Midden Peelweg zorgt voor extra aanbod aan afvalwater. De gemeente Horst aan de Maas hanteert hierbij de regel ‘wie het eerst komt , kan gebruik maken van de overcapaciteit’ van het bestaande stelsel. Indien deze bereikt is , kan dit mogelijk tot gevolg hebben dat
Toverland bij toekomstige uitbreidingen extra maatregelen moet nemen
100
om
het afvalwater te kunnen afvoeren.