Milieueffectrapport
Tekst van het document
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 204
BIJLAGEN B1 B2 B3 B4
GERAADPLEEGDE LITERATUUR GEBRUIKTE AFKORTINGEN OPENBARE KENNISGEVING INRICHTINGSMODELLEN
9
SAMENVATTING Inleiding Attractiepark Toverland in Sevenum , gemeente Horst aan de Maas is de afgelopen twintig jaar uitgegroeid tot een volwaardig themapark dat deel uit maakt van de top van de Benelux en daarbuiten. Toverland heeft de ambitie om zich de komende jaren verder te blijven door ontwikkelen en voor steeds meer bezoekers ‘magische gelukservaringen te creëren’. Belangrijke onderdelen van deze toekomstvisie zijn enerzijds het uitbreiden van het themapark zelf en anderzijds het toevoegen van meerdere vormen van verblijfsaccommodatie zodat bezoekers uit een groter gebied kunnen worden aangetrokken en ze langer in het park verblijven. Om deze ambitie verder uit te bouwen , is het in de dynamische en snel innoverende leisure sector (zowel technologisch als voor wat betreft de behoefte van bezoekers) voor Toverland van belang om te kunnen beschikken over een flexibel planologisch kader. Daarom wordt in de geest van de Omgevingswet voor het in nevenstaande figuur in paars weergegeven gebied een zogenaamd bestemmingsplan met verbrede reikwijdte opgesteld (BPVR) , waarbinnen het park zich de komende jaren flexibel kan blijven ontwikkelen. Ten behoeve van de besluitvorming over dit bestemmingsplan dient tevens een milieueffectrapport te worden opgesteld. Hierin wordt op basis van de gebiedskenmerken onderzocht wat maximaal planologisch mogelijk is binnen het plangebied.
Door het uitvoeren van een worst-case benadering worden de kaders in beeld gebracht waarbij de effecten op de omgeving leidend zijn. In dit bestemmingsplan met verbrede reikwijdte worden de kaders vastgelegd waarbinnen Toverland zich de komende jaren stapsgewijs ‘organisch’ kan blijven doorontwikkelen. Het plan benoemt de ambities en geeft een globaal ontwikkelperspectief voor Toverland voor op de lange termijn (20-25 jaar) . Initiatieven binnen het plangebied worden getoetst aan de regels die zijn opgenomen om de kwaliteit van de leefomgeving te waarborgen en verbeteren. Hiertoe is in het MER een set randvoorwaarden voor toekomstige deeluitwerkingen geformuleerd. Deze worden waar nodig verankerd in de regels van het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. 1.
2. Voorgenomen activiteiten Het bestemmingsplan verankert de lange termijn ontwikkelingsmogelijkheden voor het park. De doelstelling van het
initiatief is gedefinieerd als ‘het bieden van een flexibel ruimtelijk kader waarmee invulling kan worden gegeven aan de groeiambities van de initiatiefnemer waarbij , met aandacht voor de omgeving , zowel het attractiepark wordt uitgebreid als diverse vormen verblijfsrecreatie mogelijk worden gemaakt’. Op grond hiervan is het planvoornemen gedefinieerd als: Stapsgewijze flexibele uitbreiding van het themapark in noordelijke en/of westelijke richting. Het toevoegen van (verschillende vormen van) verblijfsrecreatie om hiermee langduriger verblijf binnen het park mogelijk te maken en het verzorgingsgebied te vergroten. Vooralsnog wordt uitgegaan van maximaal 800 hotelkamers en 710 verblijfseenheden. Het creëren van een zorgvuldige landschappelijke inpassing in de omgeving. Bovenstaande is de lange termijn ambitie van de initiatiefnemer voor de komende twintig jaar. Op welke wijze en in welk tempo en volgorde concreet invulling wordt gegeven aan deze ambitie is thans nog niet bekend. Daarom zijn er verschillende mogelijke ontwikkelmodellen uitgewerkt die qua omgevingseffecten naar verwachting de ‘uitersten van het speelveld’ beschrijven. Het MER heeft niet als doel om uit deze modellen één voorkeursalternatief te kiezen , maar om de maximale effecten in beeld te brengen , en op basis daarvan randvoorwaarden voor toekomstige ontwikkelingen te
11
abstraheren die in het bestemmingsplan worden verankerd. Binnen deze randvoorwaarden wordt vervolgens maximale flexibiliteit geboden. De effecten worden in beeld gebracht ten opzichte van de referentiesituatie (het nulalternatief) . In het nulalternatief vindt de realisering van de voorgenomen activiteiten niet plaats en zal het gebied , en de omgeving ervan zich autonoom ontwikkelen. De ontwikkelmodellen Zoals aangegeven in de vastgestelde Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) zijn in het MER de effecten van tien ontwikkelmodellen onderzocht. Deze modellen gaan uit van eenzelfde totaalprogramma en onderscheiden zich onder andere in de richting waarin het themapark zich ontwikkelt (noordelijke of westelijke richting) , de mate van compactheid (compact en extensiever model) en de positionering van de verschillende verblijfsrecreatieve functies (camping , hotel , recreatiewoningen etc. ). In onderstaand overzicht zijn deze modellen globaal weergegeven. Voor een meer gedetailleerde versie van deze modellen wordt verwezen naar bijlage 4 van het MER. 3.
Extensief parkconcept (75. 000 bezoekers per ha per jaar)
Uitbreiding attractiepark tot circa 47 ha in noordelijke richting Robuuste groenblauwe structuur door het gebied , gebaseerd op bestaande landschapsstructuren Parkeerterrein ter plaatse van gasleiding (24 ha) Hotel-area (7 ha , max 800 kamers , max 8 verdiepingen) in zuidwestelijke hoek Vakantiepark (7 ha , max 280 eenheden) ten noorden van hotel-area Camping + camperplaatsen ten noorden van vakantiepark en op parkeerterrein P3 (8 , 5 ha) Noordwestelijk deel (8 ha) is ‘resterend’. Model 1A: Ruim parkconcept met uitbreiding richting het noorden. Compact parkconcept (125. 000 bezoekers per ha per jaar) Uitbreiding attractiepark tot circa 31 ha in
noordelijke richting Robuuste groenblauwe structuur door het gebied , gebaseerd op bestaande landschapsstructuren Parkeerterrein ter plaatse van gasleiding (24 ha) Hotel-area (7 ha , max 800 kamers , max 8 verdiepingen) in zuidwestelijke hoek Vakantiepark (7 ha , max 280 eenheden) ten noorden van hotel-area Camping en camperplaatsen ten noorden van vakantiepark en op parkeerterrein P3 (8 , 5 ha) Noordoostelijk deel (circa 15 ha) en noordwestelijk deel (8 ha) is ‘resterend’ Model 1B: Verdicht parkconcept met uitbreiding richting het noorden.
12
Extensief parkconcept (75. 000 bezoekers per ha per jaar)
Model 2A: Ruim parkconcept met uitbreiding richting het
Uitbreiding attractiepark tot circa 48 ha in westelijke richting tot aan Midden Peelweg. Robuuste groenblauwe structuur door het gebied , gebaseerd op bestaande landschapsstructuren Parkeerterrein ter plaatse van gasleiding (noordelijk deel) en ten westen van Schorfvenweg (27 ha) Hotel-area (7 ha , max 800 kamers , max 8 verdiepingen) in noordoostelijke hoek Vakantiepark (7 , 5 ha , max 280 eenheden) ten westen van hotel-area Camping centraal in plangebied , tussen vakantiepark en attractiepark (6 ha) , camperplaats (1 ha) ten westen van vakantiepark Noordwestelijk (5 ha) is ‘resterend’
westen.
Compact parkconcept (125. 000 bezoekers per ha per jaar) Uitbreiding attractiepark tot circa 33 ha in
Model 2B: Verdicht parkconcept met uitbreiding richting het
westelijke richting tot aan Schorfvenweg Robuuste groenblauwe structuur door het gebied , gebaseerd op bestaande landschapsstructuren Parkeerterrein ter plaatse van gasleiding (noordelijk deel) en ten westen van Schorfvenweg (24 , 5 ha) Hotel-area (7 ha , max 800 kamers , max 8 verdiepingen) in noordoostelijke hoek Vakantiepark (7 , 5 ha , max 280 eenheden) ten westen van hotel-area Camping (8 ha) centraal in plangebied , tussen vakantiepark en attractiepark; camperplaats (1 , 5 ha) tussen camping en vakantiepark Noordwestelijk deel (circa 12 ha) is ‘resterend’
westen.
Extensief parkconcept (75. 000 bezoekers per ha per jaar)
Model 3A: Ruim parkconcept met uitbreiding richting het noorden , de verblijfsfunctie aan de westzijde , een grondwal aan de noordzijde en een groenafscheiding aan de westzijde.
Uitbreiding attractiepark tot circa 47 ha in noordelijke richting Robuuste groenblauwe structuur door het gebied , gebaseerd op bestaande landschapsstructuren Afschermende groenzone aan zijde Midden Peelweg Grondwal aan noord en noordwestzijde Parkeerterrein ter plaatse van gasleiding Hotel-area (7 ha , max 800 kamers , max 8 verdiepingen) in zuidwestelijke hoek Vakantiepark (7 ha , max 280 eenheden) ten noorden van hotel-area Camping en camperplaats ten noorden van vakantiepark (7 ha) Noordwestelijk (6 ha) is ‘resterend’
13
Compact parkconcept (125. 000 bezoekers per ha per jaar) Uitbreiding attractiepark tot circa 30 ha in
Model 3B: Verdicht parkconcept met uitbreiding richting het noorden , de verblijfsfunctie aan de westzijde , een grondwal aan de noordzijde en een groenafscheiding aan de westzijde.
noordelijke richting Robuuste groenblauwe structuur door het gebied , gebaseerd op bestaande landschapsstructuren Afschermende groenzone aan zijde Midden Peelweg Grondwal aan noord en noordwestzijde Parkeerterrein ter plaatse van gasleiding (25 ha) Hotel-area (7 ha , max 800 kamers , max 8 verdiepingen) in zuidwestelijke hoek Vakantiepark (6 , 5 ha , max 280 eenheden) ten noorden van hotel-area Camping en camperplaatsen ten noorden van vakantiepark (7 ha) Noorddeel (circa 13+6 ha) is ‘resterend’ Extensief parkconcept (75. 000 bezoekers per ha per jaar)
Model 4A: Ruim parkconcept met uitbreiding richting het westen en verblijfsfunctie centraal geconcentreerd.
Uitbreiding attractiepark tot circa 48 ha ha in westelijke richting tot aan Midden Peelweg. Robuuste groenblauwe structuur door het gebied , gebaseerd op bestaande landschapsstructuren Parkeerterrein ter plaatse van gasleiding (noordelijk deel) en ten westen van Schorfvenweg (25 ha) Hotel-area (7 , 5 ha , max 800 kamers , max 8 verdiepingen) centraal in het plangebied Vakantiepark (7 , 5 ha , max 280 eenheden) ten noorden van hotel-area Camping in noordoosthoek , tussen vakantiepark en attractiepark (7 ha) , camperplaatsen (1ha) ten westen van vakantiepark. Noordwestelijk deel 5 ha ‘resterend’ Compact parkconcept (125. 000 bezoekers per ha per jaar) Uitbreiding attractiepark tot circa 33 ha ha in
Model 4B: Verdicht parkconcept met uitbreiding richting het westen en verblijfsfunctie centraal geconcentreerd.
14
noordelijke en westelijke richting Robuuste groenblauwe structuur door het gebied , gebaseerd op bestaande landschapsstructuren Parkeerterrein ter plaatse van gasleiding (noordelijk deel) en ten westen van Schorfvenweg (24 , 5 ha) Hotel-area (8 ha , max 800 kamers , max 8 verdiepingen) centraal in het plangebied Vakantiepark (7 , 5 ha , max 280 eenheden) ten noorden van hotel-area Camping in noordoosthoek , tussen vakantiepark en attractiepark (7 ha) , camperplaatsen (1 , 5 ha) tussen vakantiepark en hotels Noordwestelijk deel: 17 , 5 ha ‘resterend’
Extensief parkconcept (75. 000 bezoekers per ha per jaar)
Model 5a: Ruim parkconcept met uitbreiding richting het westen en camp resort aan zuidzijde
Uitbreiding attractiepark tot circa 48 ha ha in westelijke richting tot aan Midden Peelweg. Robuuste groenblauwe structuur door het gebied , gebaseerd op bestaande landschapsstructuren Parkeerterrein ter plaatse van gasleiding (noordelijk deel) en ten westen van Schorfvenweg (25 ha) Hotel-area (7 , 5 ha , max 800 kamers , max 8 verdiepingen) centraal in het plangebied Vakantiepark (7 , 5 ha , max 280 eenheden) ten noorden van hotel-area Camping (4 , 5 ha) in noordoosthoek , camperplaatsen (1 ha) ten westen van vakantiepark Camp resort (3 ha) aan zuidzijde op locatie oorspronkelijk parkeerterrein. Noordwesthoek (5 ha) is ‘resterend Compact parkconcept (125. 000 bezoekers per ha per jaar) Uitbreiding attractiepark tot circa 31 ha in
Model 5B: Compact parkconcept met uitbreiding richting het westen en camp resort aan zuidzijde
noordelijke en westelijke richting Robuuste groenblauwe structuur door het gebied , gebaseerd op bestaande landschapsstructuren Parkeerterrein ter plaatse van gasleiding (noordelijk deel) en ten westen van Schorfvenweg (24 , 5 ha) Hotel-area (8 ha , max 800 kamers , max 8 verdiepingen) centraal in het plangebied Vakantiepark (7 , 5 ha , max 280 eenheden) ten noorden van hotel-area Camping (4 , 5 ha) in noordoosthoek; camperplaatsen (1ha) tussen vakantiepark en hotels Camp resort (3 ha) aan zuidzijde op locatie oorspronkelijk parkeerterrein. Noordwesthoek (17 , 5 ha) is ‘resterend’.
4. Toetsing en randvoorwaarden De tien ontwikkelmodellen zijn in het MER beoordeeld op een breed scala aan omgevingseffecten. Hierbij is niet enkel
gekeken naar de ‘traditionele’ milieueffecten zoals bodem , verkeer of geluid maar ook naar meer actuele thema’s die in de Omgevingswet een rol spelen zoals biodiversiteit , klimaatadaptatie , energietransitie. In de NRD zijn per thema beoordelingscriteria vastgesteld waaraan de modellen getoetst worden. Onderstaand is per thema ingegaan op de belangrijkste te verwachten effecten. Vervolgens is een kort overzicht opgenomen met randvoorwaarden waarmee Toverland vanwege deze effectbeschrijvingen bij toekomstige ontwikkelingen rekening mee moet worden gehouden. Deze worden voor zover relevant in het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte vastgelegd.
15
Te verwachten effecten: Verkeer Realisering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van de verkeersintensiteiten op met name de Midden Peelweg (N277) en de Helenaveenseweg. Deze extra verkeersintensiteiten leiden naar verwachting niet tot structurele knelpunten , omdat de drukke instroom- en uitstroommomenten buiten de reguliere spitsperiodes van woon-werk verkeer vallen. De huidige kruispunten op de route van en naar Toverland lijken , voldoende capaciteit te hebben om deze grotere verkeersstromen te kunnen verwerken. Aan de hand van monitoring van de intensiteiten op het wegennet en/of eventueel optredende knelpunten wordt in de gaten gehouden of eventueel alsnog structurele problemen dreigen op te treden , die nu niet worden verwacht. Op basis daarvan kunnen eventueel aanvullende maatregelen worden uitgevoerd. De nadere uitwerking van deze maatregelen valt onder hoofdverantwoordelijkheid van de betrokken wegbeheerders en staat ten dele los van het planvoornemen inzake de uitbreiding van Toverland. Mochten eventueel optredende knelpunten hoofdzakelijk ontstaan ten gevolge van verkeer van en naar Toverland , dan moeten hier nadere afspraken over worden gemaakt. De toegang van het terrein van Toverland vanaf de Helenaveenseweg wordt opnieuw ingericht om een efficiëntere en veiligere doorstroming te bewerkstelligen.
De inrijcapaciteit wordt verhoogd zodat er geen opstoppingen op de openbare wegen (Helenaveenseweg en N277) meer ontstaan. De doorstroming kan nog worden geoptimaliseerd door een gedeelte van de Helenaveenseweg , tussen N277 en Toverland , her in te richten. Met een herinrichting van de Helenaveenseweg kan beter worden geanticipeerd op drukte. Op dit moment is echter nog niet in te schatten in welk jaartal deze aanpassing wenselijk is en hoe de aanpassing exact wordt vormgegeven. Dit is mede afhankelijk van de exacte ontwikkeling van verkeersstromen. Op middellange termijn is de huidige inrichting van de Helenaveenseweg in ieder geval nog toereikend. De bereikbaarheid voor langzaam verkeer wordt niet ingrijpend gewijzigd. De voorgenomen uitbreiding zal met name bezoekers van grotere afstand aantrekken , waarvoor de auto het primaire vervoermiddel blijft. Omdat de ontsluitingsstructuur niet wijzigt , wordt de bereikbaarheid met openbaar vervoer niet belemmerd. Het gebruik van de bestaande OV-voorzieningen zal door de toegenomen bezoekersaantal ook toenemen , wat positief bijdraagt aan de exploitatie van de lijnvoering. Uitbreiding van het park vergt uiteraard ook uitbreiding van de parkeergelegenheid. In het MER is een prognose van de parkeerbehoefte gedaan. Hiervoor is in alle modellen voldoende ruimte aanwezig.
Verkeerskundige effecten zijn niet onderscheidend voor de tien modellen aangezien deze allemaal uitgaan van dezelfde totale omvang van de activiteiten. 5.
Randvoorwaarden / aandachtspunten voor vervolguitwerkingen , Verkeer Vervanging verkeerslichten ter plaatse van de toe- en afrit A67 (autonome ontwikkeling) Herinrichten Helenaveenseweg-toegangsweg Toverland (planontwikkeling) Herinrichten entree Toverland (planvoornemen) Intensiveren inzet verkeersregelaars op drukke dagen (planvoornemen) Monitoring van de intensiteiten op het wegennet en/of eventueel optredende knelpunten en naar aanleiding daarvan eventueel nadere maatregelen uitvoeren (bij meer van 15 keer per jaar sprake van terugslag op de N277 reikend tot aan de rotonde ter hoogte van de N277 en de Kleefsedijk) 6. Te verwachten effecten: Bodem In het meest noordoostelijk deel van het plangebied ligt een zone die (evenals de naastgelegen bosgebieden) is aangeduid als aardkundig waardevol gebied. Deze status houdt vermoedelijk verband met de dekzandwelvingen die
ook op de geomorfologische kaart zichtbaar zijn. Indien in deze zone graafwerkzaamheden gepland zijn , dient eerst aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd naar de daadwerkelijke aanwezigheid van aardkundige waarden in de ondergrond ter plaatse. Vrijkomende grond zal zoveel mogelijk binnen het plangebied worden hergebruikt , bijvoorbeeld voor de noodzakelijke ophoging van het zuidwestelijk deel van het plangebied. Nieuwe bodemverontreinigingen worden niet verwacht als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Daar waar thans verontreiniging aanwezig is (bijvoorbeeld ten zuiden van Troy) zal deze worden gesaneerd op het moment dat hier ontwikkelingen gepland zijn , waardoor de bodemkwaliteit in het plangebied per saldo verbetert. Randvoorwaarden / aandachtspunten voor vervolguitwerkingen , Bodem Voorafgaand aan het uitvoeren van graafwerkzaamheden in het noordoostelijk deel dient nader onderzoek te worden uitgevoerd naar het voorkomen van aardkundige waarden. Afhankelijk van de locatie kan aanvullend onderzoek naar de bodemkwaliteit ter plaatse nodig zijn.
16
7. Te verwachten effecten: Water Door de aanleg van nieuwe waterattracties is in de toekomst mogelijk extra grondwater nodig , wat een negatief effect
de grondwaterstanden kan hebben. Omdat de waterattracties relatief veel ruimte vragen , is de kans dat deze in de compacte modellen (1b , 2b , 3b , 4b en 5b) worden gerealiseerd geringer. Voor grote onttrekkingen zal een nieuwe Watervergunning nodig zijn. Indien deze leidt tot te grote hydrologische effecten voor de omgeving , wordt de vergunning niet verleend zonder aanvullende maatregelen. Ten aanzien van de invloed op oppervlaktewateren scoren alle modellen beperkt positief. Door de aanleg van buffers waarin de eerste 100 mm neerslag wordt opgevangen , wordt in de toekomst minder hemelwater oppervlakkig afgevoerd naar watergangen in de omgeving. Ten aanzien van de invloed op de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit scoren alle modellen beperkt negatief. Het extra areaal parkeerplaatsen leidt ertoe dat er meer hemelwater met relatief hogere concentraties aan nutriënten , zware metalen en PAK’s mee afstromen en in de bodem infiltreren. Geadviseerd is een grondwatermeetnet aan te leggen om vroegtijdig gedetailleerde data te verkrijgen over het grondwaterregime. Vanuit de attracties worden geen verontreinigingen verwacht aangezien proceswater via een gesloten systeem naar de RWZI wordt afgevoerd. De omvang van deze waterstromen zal wel toenemen door de uitbreiding van het park.
Voor wat betreft de bluswatervoorzieningen wordt in alle modellen een netwerk van geboorde brandputten aangelegd , een en ander in afstemming met de Veiligheidsregio. op
Randvoorwaarden / aandachtspunten voor vervolguitwerkingen , Water Geadviseerd is het grondwater langjarig te monitoren om een meer gedetailleerd waterregime vast te stellen. Voor het realiseren van voldoende drooglegging moet het westelijke deel van het plangebied met ten minste 0 , 30 m te worden opgehoogd. Door voor gebouwen minimaal 20 cm hoger bouwpeil te hanteren dan het maaiveldniveau , wordt wateroverlast ook in extreme situaties voorkomen. Ter plaatse van de bestaande gasleiding en de nieuwe leidingstrook mogen geen bergings- en of infiltratievoorzieningen (zowel boven- als ondergronds) worden aangelegd. Voor een goede afvoer van het afvalwater dienen bufferputten te worden gerealiseerd zodat ook in pieksituaties geen problemen ontstaan. Daarnaast dient proceswater in de nacht te worden geloosd om piekbelasting overdag te voorkomen. Knelpunten in het openbare rioleringssysteem van de gemeente en Waterschapsbedrijf Limburg moeten worden voorkomen. Binnen het plangebied wordt 100mm hemelwater geborgen en in de bodem geïnfiltreerd. Berging in grote waterpartijen van verschillende deelgebieden is mogelijk mits de waterpartijen op de lager gelegen gronden worden aangelegd. Hemelwater dient op natuurlijke wijze te kunnen worden afgevoerd naar deze waterpartijen. Hiervoor kan de oude loop van de Steegbergheide en de Wertemer worden gebruikt.
Bij het uitwerken van de plannen voor verlegging van de Wertemer en Steegbergheide (en verplaatsen van de bestaande stuw) mogen geen negatieve effecten voor het grondwater worden veroorzaakt. Bij nieuwe ontwikkelingen dienen steeds voldoende bluswatervoorzieningen (geboorde brandputten met een ontwerpcapaciteit van ten minste 60 m 3 /uur gedurende vier uur onafgebroken) te worden gerealiseerd , een en ander in afstemming met de Veiligheidsregio. 8. Te verwachten effecten: Natuur Uit de uitgevoerde voortoets Wnb is gebleken dat de voorgenomen activiteiten niet leiden tot beïnvloeding van Natura 2000-gebieden. De bossen rondom Toverland behoren niet tot Natura 2000 maar tot het Limburgs Natuurnetwerk (LNN) , en kennen een provinciale bescherming. De voorgenomen uitbreiding van Toverland leidt niet tot directe beïnvloeding (vernietiging) van LNN , maar er zijn wel indirecte effecten (verstoring) als gevolg van veranderingen in bijvoorbeeld geluid of licht. Deze leiden echter niet tot aanvullende compensatieverplichting , maar zijn in het MER wel
aangemerkt als negatief effect in alle modellen. Naast beïnvloeding van beschermde gebieden , dient tevens rekening te worden gehouden met beïnvloeding van de verschillende beschermde (plant- en dier) soorten die binnen en in de omgeving van het plangebied voorkomen , waaronder boerenzwaluw , torenvalk , bever , das , bunzing en verschillende soorten vleermuizen. In het uitgevoerde ecologisch soortenonderzoek is geconcludeerd dat door het tijdig treffen van mitigerende en compenserende maatregelen , er zicht is op het verkrijgen van een eventuele ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming.
17
Realisering van de voorgenomen activiteiten leidt niet alleen tot beïnvloeding van bestaande natuurwaarden , maar biedt ook volop potenties voor de ontwikkeling van nieuwe natuurwaarden , met name in het groene landschappelijke casco (circa 30 meter breed en in totaal circa 2 , 5 km lang) dat in alle modellen wordt gerealiseerd (zie volgende paragraaf) . Doordat deze bestaat uit een bomenlaag , een struweellaag en een kruidenlaag , biedt ze geschikt nieuw leefgebied voor diverse soorten dat thans in het overwegend agrarisch gebied niet het geval is en ontstaat er een toename van de biodiversiteit. Randvoorwaarden / aandachtspunten voor vervolguitwerkingen , Natuur Op termijn , als een deelproject wordt uitgewerkt en de aard , omvang en duur van de werkzaamheden concreet in beeld zijn , dient de initiatiefnemer aan te tonen dat ook tijdens de aanlegfase negatieve effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten zijn. Om extra natuurcompensatie als gevolg van vernietiging (oppervlakteverlies) van NNN te voorkomen , dienen eventuele aanpassingen aan de Helenaveenseweg binnen de huidige verkeersbestemming te worden uitgevoerd. Negatieve effecten op beschermde soorten dienen voorkomen te worden door het behoud van voldoende nestbiotoop , verblijfplaatsen , foerageerbiotoop en/of andere leefgebiedsfuncties of door deze tijdig te compenseren. -
Soortgegevens van een locatie dienen actueel te zijn (maximaal 3 jaar oud) . Om verstoring voor broedende vogels te voorkomen , dienen vuurwerkshows buiten het broedseizoen
(globaal tussen medio maart en medio juli) plaats te vinden. Indien sprake is van de kap van meer dan 10 are aan bomen of een rijbeplanting van meer dan 20 bomen , dient vooraf een melding in het kader van de Wet natuurbescherming te worden gedaan.
9. Te verwachten effecten: landbouw en bedrijvigheid Het bestaande agrarisch gebruik zal worden beëindigd binnen het plangebied. Dit betreft ongeveer 80 ha 1 die thans in
gebruik is als grasland en akker voor de teelt van onder andere mais , bieten , winterpeen en pompoen. Veehouderijen liggen op dusdanige afstand dat deze niet worden belemmerd in hun ontwikkelmogelijkheden door de realisering van de voorgenomen activiteiten. In het onderzoek ‘bedrijven en milieuzonering’ zijn de gevolgen voor de niet-agrarische bedrijvigheid in de omgeving geïnventariseerd. Hieruit blijkt dat er geen bedrijven in de omgeving van het plangebied zijn gesitueerd met een hindercontour tot over het plangebied. Daarnaast is gekeken naar de potentiële uitstraling vanuit Toverland op basis van de VNG-normen. Hieruit bleek dat enkel indien het attractiepark in het meest noordwestelijke deel van het plangebied zou worden geprojecteerd , er één woning binnen de VNG-contour (categorie 4. 2) van het attractiepark ligt. Echter , in geen van de modellen is hier de functie attractiepark voorzien. De verblijfsrecreatieve functies kennen een lagere hinderafstand en reiken niet tot omliggende woningen. Randvoorwaarden / aandachtspunten -
Niet van toepassing
voor
vervolguitwerkingen , Landbouw
en
bedrijvigheid
10. Te verwachten effecten: Landschap , cultuurhistorie en archeologie In alle tien de ontwikkelmodellen is voorzien in de realsering van een circa 2 , 5 km lang en 30 m breed landschappelijk raamwerk (zie ook paragraaf natuur) . Deze zorgt niet alleen voor een afscherming en inpassing van het attractiepark , maar ook voor een robuuste versterking van de landschappelijke structuur. Om de realisering van dit casco te borgen , is voorgesteld deze in het bestemmingsplan rechtstreeks te bestemmen als groen of natuur. In aanvulling op dit groene raamwerk wordt in de modellen 3a en 3b ook langs de Midden Peelweg en aan de plangrens in het noordoosten eenzelfde groenstructuur aangelegd zodat het bos- en mozaïeklandschap verder wordt versterkt. Ten opzichte van de
planologisch toegestane situatie , zullen de voorgenomen activiteiten niet leiden tot grotere visuele verstoring , maar ten opzichte van de huidige feitelijke situatie wel. Er zijn in het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle structuren of elementen aanwezig , waardoor geen sprake kan zijn van aantasting hiervan. Ten aanzien van archeologie is geconstateerd dat een groot deel van het plangebied is gelegen in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde. Hier is geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Enkel het meest noordelijke deel van het plangebied 1 In het voorkeursalternatief
blijft een agrarisch perceel centraal in het plangebied buiten de plangrens omdat deze niet verwerfbaar is gebleken tijdens het planvormingsproces. Het areaal uit gebruik genomen agrarische grond is dan dus wat kleiner dan in de tien modellen die zijn beoordeeld in de effectenhoofdstukken van voorliggend MER. 18
(circa 30 ha) kent een middelhoge verwachtingswaarde op het aantreffen van waarden uit de steentijd. Indien hier
graafwerkzaamheden gepland zijn , is eerst aanvullend onderzoek noodzakelijk in de vorm van verkennend en/of karterend booronderzoek.
Randvoorwaarden / aandachtspunten voor vervolguitwerkingen , landschap , cultuurhistorie en archeologie Voorafgaand aan het uitvoeren van graafwerkzaamheden in het noordelijk deel van het plangebied (deelgebied F uit de archeologische bureaustudie) dient aanvullend onderzoek plaats te vinden in de vorm van een verkennend en/of karterend booronderzoek. Om de realisering van het groene raamwerk te borgen , is aanbevolen deze rechtstreeks in het bestemmingsplan als groen of natuur te bestemmen. 11. Te verwachten effecten: woon- en leefmilieu De voorgenomen uitbreiding van Toverland zorgt voor een toename van de geluidproductie. Uit het uitgevoerde
akoestisch onderzoek is gebleken dat ook in de toekomstige situatie de streefwaarden voor een rustige woonwijk en rustig buitengebied worden gerespecteerd , waardoor sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat voor omliggende woningen. Dit geldt voor alle tien de toekomstmodellen. Het geluidbelast gebied (deels LNN) neemt wel toe. Daarom is aan alle modellen voor dit criterium een licht negatief effect toegekend. Ten aanzien van luchtkwaliteit is berekend dat in alle tien de modellen voor alle te beschouwen stoffen wordt gedaan aan de wettelijke normen. Ten aanzien van stikstof is geconstateerd dat de ‘winst’ die optreedt door de inmiddels verworven intensieve veehouderij aan de Schorfvenweg 10 groter is dan de extra uitstoot die de voorgenomen activiteiten veroorzaakt (bijvoorbeeld door de verkeersaantrekkende werking) , waardoor per saldo een afname van de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000gebieden is berekend. Ten aanzien van externe veiligheid is bepaald dat de modellen 2a , 4a en 5a een relatief grote invloed hebben op het groepsrisico vanwege de N277. De toename van het groepsrisico vanwege de bestaande aardgastransportleidingen is het hoogst in modellen 2a , 2b , 4a , 4b en 5a en 5b. Voor de reserveringszone buisleidingen is nog niet vastgesteld welke stoffen getransporteerd worden en welke veiligheidscontouren dus van toepassing zijn.
Ten aanzien van lichthinder is gebleken dat de maximale verlichting vanuit Toverland op de meeste locaties niet verder dan de grens van het park uitstraalt. Daar waar wel een overschrijding is berekend , kan deze door een alternatief lichtontwerp (anders richten van masten) eenvoudig worden opgelost. Enkel indien hoge attracties worden gerealiseerd met verlichting , kan verdere uitstraling optreden. Geurhinder treedt niet op. Ten aanzien van het aspect gezondheid zijn de onderdelen geluid , luchtkwaliteit en externe veiligheid relevant. Uit de GES-screening blijkt dat (zonder aanvullende maatregelen) de modellen 2A , 2B , 4A , 4B , 5A en 5B het minst gunstig scoren ten opzichte van de referentiesituatie. Dat komt doordat in deze modellen het attractiepark nabij de aardgastransportleidingen is geprojecteerd. Deze grote bevolkingsdichtheid leidt tot een hoger groepsrisico.
19
Randvoorwaarden / aandachtspunten
voor
vervolguitwerkingen ,
woon- en leefmilieu
Geluid
Voor wat betreft het aspect geluid (industrielawaai) dient in het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte (BPVR) als
randvoorwaarde voor toekomstige ontwikkelingen te worden opgenomen dat het bebouwen en gebruiken van de gronden binnen het plangebied als ‘cultuur en ontspanning’ enkel is toegestaan indien de geluidbelasting ter plaatse van omliggende geluidgevoelige objecten als gevolg van industrielawaai de volgende normen niet overschrijdt: 45 dB (A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; 65 dB (A) etmaalwaarde voor het maximaal geluidniveau; 50 dB (A) etmaalwaarde voor het equivalente geluidniveau ten gevolge van indirecte hinder. Lucht en stikstof Gezien de effectscores zijn voor dit aspect thans geen specifieke randvoorwaarden voor toekomstige ontwikkelingen aan de orde die in het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte moeten worden vastgelegd. Wel dient te zijner tijd mogelijk voor de aanlegfase een nieuwe stikstofdepositieberekening te worden ingediend bij de omgevingsvergunningaanvraag , op basis van de concrete planfasering en in te zetten materiaal en materieel. Licht Enkel indien zeer hoge attracties (die nu planologisch ook al zijn toegestaan , maar niet zijn gerealiseerd) worden gerealiseerd en deze worden voorzien van verlichting , kan een grotere uitstraling optreden.
Indien attracties hoger dan in de bestaande feitelijke situatie worden gerealiseerd , dient een aanvullende lichtberekening te worden uitgevoerd om aan te tonen dat de uitstraling niet verder reikt dan de inrichting van het plangebied , dan wel de normen van de NSVV niet worden overschreden. Externe veiligheid Om de risico’s en gevolgen voor wat betreft externe veiligheid te beperken zijn de volgende maatregelen voorgesteld: Een aarden wal of keermuur tussen het plangebied en de N277 van minimaal 3 meter hoog. Binnen het (verkleinde) invloedgebied geen camping , camperplaatsen realiseren , enkel verblijfsgebouwen met aanvullende brandveilige maatregelen.
-
Binnen de reserveringsstrook voor buisleidingen (70 meter) geen permanent verblijf en/of attracties
realiseren. Verblijfslocaties (en andere bebouwing) op minimaal 80 meter afstand van de N277 en op minimaal 80 meter buiten de reserveringsstrook. Camping/camperplaatsen/tenten in het noordelijk deel van het plangebied projecteren. Verplaatsen van de reserveringsstrook voor buisleidingen naar een tracé buiten de projectlocatie of in de zuidwestelijke hoek Buisleidingen dieper laten leggen met meer dekgrond.
12. Te verwachten effecten: klimaat en duurzaamheid Binnen dit thema is in het MER gekeken naar de bijdrage aan energietransitie en de mogelijkheden voor klimaatadaptatie. Voor wat betreft de energietransitie zijn er met name kansen gezien voor het opwekken van energie
door de parkeerplaatsen te overkappen met zonnepanelen en op de daken van bebouwing. Echter , de totale uitbreiding vraagt naar verwachting meer energie dan hiermee kan worden opgewekt. Windmolens zijn niet haalbaar en niet wenselijk geacht. Ten aanzien van de mogelijkheden voor klimaatadaptatie is gesteld dat het groene casco een positief effect heeft op hitte (schaduwwerking) en fijnstof en de extra bergingsvoorzieningen ervoor zorgen dat neerslag meer kans heeft om in de bodem te infiltreren (in de huidige situatie stroomt het oppervlakkig af naar de watergangen) . Randvoorwaarden / aandachtspunten voor vervolguitwerkingen , klimaat en duurzaamheid Vanuit het thema ‘klimaat en duurzaamheid’ is geen aanleiding om in het toetsingskader en bestemmingsplan met verbrede reikwijdte aanvullende maatregelen of randvoorwaarden op te nemen. Zowel de gemeente als Toverland streven naar duurzame ontwikkelingen , mits deze in het bedrijfsconcept van Toverland passen.
20
13. Voorkeursalternatief De tien modellen zijn zodanig gekozen dat ze gegeven het vaste maximale basisprogramma bij verschillende inrichtingsconcepten naar verwachting de uiterste milieueffecten voor de omgeving in beeld brengen. Deze zijn niet bedoeld om hieruit één keuze te maken en deze vast te leggen , maar om Toverland een flexibel kader te geven zodat ze rekening houdend met een aantal randvoorwaarden organisch kan blijven doorgroeien. In die zin is er dan ook geen
sprake van een concreet uitgewerkt voorkeursalternatief , maar van een landschappelijk raamwerk met een set voorwaarden waarbinnen een flexibele organische gebiedsontwikkeling zich de komende jaren kan gaan concretiseren in een nader te bepalen vorm , omvang , fasering en tempo.
21
1
INLEIDING
1. 1
Aanleiding Attractiepark Toverland in Sevenum , gemeente Horst aan de Maas is de afgelopen twintig jaar uitgegroeid tot een volwaardig themapark dat deel uit maakt van de top van de Benelux en daarbuiten. Toverland heeft de ambitie om zich de komende jaren verder te blijven door ontwikkelen en voor steeds meer bezoekers ‘magische gelukservaringen te creëren’. Een belangrijk onderdeel van deze toekomstvisie is enerzijds het uitbreiden van het themapark zelf en anderzijds het toevoegen van verblijfsaccommodatie zodat bezoekers uit een groter gebied kunnen worden aangetrokken en langer verblijven. Om deze visie verder uit te bouwen , is het in de dynamische en snel innoverende leisure sector (zowel technologisch als behoefte van bezoekers) van belang om te kunnen beschikken over een flexibel planologisch kader. Daarom wordt in de geest van de nieuwe Omgevingswet een zogenaamd bestemmingsplan met verbrede reikwijdte (BPVR) opgesteld , waarbinnen het park zich de komende jaren flexibel kan blijven ontwikkelen. Ten behoeve van de besluitvorming over dit bestemmingsplan dient tevens een milieueffectrapport te worden opgesteld. Hierin wordt op basis van de gebiedskenmerken onderzocht wat maximaal planologisch mogelijk is binnen het plangebied. Door het uitvoeren van een worst-case
benadering worden de kaders in beeld gebracht waarbij de effecten op de omgeving leidend zijn.
In dit bestemmingsplan met verbrede reikwijdte worden de kaders vastgelegd waarbinnen Toverland zich de komende
jaren stapsgewijs ‘organisch’ kan blijven doorontwikkelen en kan inspelen op actuele ontwikkelingen in de maatschappij en meer in het bijzonder binnen de leisure- en belevenisindustrie.
Het plan benoemt de ambities en geeft een globaal ontwikkelperspectief voor Toverland voor de lange termijn (20-25 jaar) . Initiatieven binnen het plangebied worden getoetst aan de regels die zijn opgenomen om de kwaliteit van de leefomgeving te waarborgen en te verbeteren. Hiertoe wordt aan het MER een toetsingskader toegevoegd dat bij de verschillende toekomstige deelontwikkelingen kan worden gebruikt en waar nodig in het BPVR wordt verankerd.
Afbeelding 1. 1
Luchtfoto van het bestaande attractiepark Toverland
23
1. 2
Ligging van het plan- en studiegebied Attractiepark Toverland is gelegen op het grondgebied van Sevenum , gemeente Horst aan de Maas , ten westen van Venlo. Het park is bereikbaar vanaf de A67 aan de zuidzijde (afrit 38 Helden) , en vervolgens in noordelijke richting over de N277 (Midden Peelweg) tot aan de rotonde met de Helenaveenseweg die de zuidelijke begrenzing van het plangebied vormt. Ten noordoosten van het park ligt de kern Kronenberg en ten noordwesten (aan de overzijde van de Midden Peelweg) ligt de kern Evertsoord. Het bestaande attractiepark heeft een oppervlakte van circa 33 , 5 ha , waarvan circa 11 ha in gebruik is als parkeerterrein. Rondom het park liggen bosgebieden (Heesberg , Steegberg en De Bossen , die deel uit maken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) . Rondom het plangebied liggen slechts enkele woningen (zie afbeelding 1. 4) .
Afbeelding 1. 2
Luchtfoto van de omgeving
Afbeelding 1. 3
Ligging van het Attractiepark
24
Afbeelding 1. 4
Ligging woningen rondom het plangebied
In dit Plan-MER wordt onderscheid gemaakt in de begrippen ‘plangebied’ en ‘studiegebied’. Het plangebied is het gebied waarbinnen de voorgenomen activiteiten gepland zijn. De begrenzing van het plangebied komt overeen met de plangrens van het bestemmingsplan verbrede reikwijdte. De voorlopige begrenzing van het plangebied is in afbeelding 1. 5 weergegeven. Deze kan gedurende het planvormingsproces nog wijzigen. Het terrein is via de Helenaveenseweg/Toverlaan ontsloten op de Midden Peelweg (N277) en vervolgens op de A67 (Eindhoven-
Venlo) .
Het studiegebied is het totale gebied waarbinnen milieueffecten als gevolg van de realisering van de voorgenomen activiteiten in het plangebied , kunnen optreden. Het studiegebied is dus omvangrijker dan het plangebied en kan bovendien per milieuaspect verschillen. Deze is daardoor op voorhand niet grafisch weer te geven en zal in het MER op
basis van de specialistische onderzoeken per aspect worden bepaald.
25
Afbeelding 1. 5
26
Voorlopige begrenzing van het plangebied.
1. 3
Waarom
een
bestemmingsplan met verbrede reikwijdte?
In de aanloop naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet is een aantal jaar geleden in de Crisis- en herstelwet
(Chw) de mogelijkheid voor gemeenten opgenomen om te experimenteren met het ‘bestemmingsplan met verbrede reikwijdte’. Een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte betreft één integraal plan , waarin niet alleen regels over ‘goede ruimtelijke ordening’ zijn opgenomen , maar waar net als onder de Omgevingswet de fysieke leefomgeving centraal staat. Dit betekent dat in het plan regels kunnen worden opgenomen over onder andere het waarborgen van de veiligheid , gezondheid , milieu , welstand , natuurbescherming of duurzaamheid. Zo kunnen gemeenten zich alvast voorbereiden op de integrale aanpak die met het omgevingsplan (deze vervangt het bestemmingsplan onder de Omgevingswet) zal zijn vereist. In een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte staat uitnodigingsplanologie centraal in plaats van de meer traditionele toelatingsplanologie. In de traditionele ruimtelijke ordening wordt in een bestemmingsplan uitputtend beschreven welk gebruik op een bepaalde plek wel of niet is toegestaan. Dit ligt dan voor de komende tien jaar vast , en het is niet
mogelijk om verder te kijken dan deze planperiode. Bij uitnodigingsplanologie wordt dit systeem in feite volledig omgedraaid: niet van te voren limitatief benoemen wat mag en wat niet , maar juist op voorhand zo min mogelijk uitsluiten. Bij uitnodigingsplanologie bepalen overheden op hoofdlijnen waar ruimtelijk wel of geen veranderingen gewenst zijn met het oog op lange termijn prognoses en te beschermen waarden. Het is een vorm van planologie waarbij overheden zich uitnodigend en faciliterend opstellen tegenover initiatiefnemers. Op deze manier is een meer ‘organische gebiedsontwikkeling’ mogelijk , die aan de voorkant nog niet vast staat , maar zich in de loop der tijd ontwikkelt. De overheid geeft door middel van globale bestemmingen kaders aan waarbinnen initiatieven tot ontwikkeling kunnen komen. Op basis van een concreet initiatief wordt beoordeeld of deze toelaatbaar is. Vanwege de wens van Attractiepark Toverland om in de toekomst flexibel in te kunnen spelen op nieuwe initiatieven en
marktontwikkelingen is een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte een ideaal instrument om de komende jaren verschillende initiatieven te ontplooien en de groeiambities stap voor stap te verwezenlijken.
Dit betekent dus expliciet geen ‘blanco cheque’ waarbinnen alles mogelijk is , maar een heldere set aan kaders en
(wettelijke) normen die niet mogen worden overschreden , maar waarbinnen wel een flexibele ontwikkeling mogelijk is. De gemeente Horst aan de Maas heeft het thans op te stellen bestemmingsplan met verbrede reikwijdte voor Toverland bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) aangemeld als pilotproject in het kader van de Chw. Deze aanmelding is door het ministerie gehonoreerd.
1. 4
Milieueffectrapportage
1. 4. 1
Waarom een m. e. r. -procedure?
In bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m. e. r. ) [17] heeft het Rijk een groot aantal activiteiten
benoemd die in potentie qua aard en omvang dusdanige effecten op de omgeving zouden kunnen veroorzaken , dat hiervoor in bepaalde gevallen een m. e. r. -plicht , respectievelijk m. e. r. -beoordelingsplicht geldt. Hiermee kan het milieubelang een vroegtijdige en volwaardige rol spelen in de besluitvorming over een bepaald plan of besluit. In tabel 1 is een uitsnede uit het Besluit m. e. r. opgenomen.
27
Tabel 1. 1 Uitsnede Besluit milieueffectrapportage [17] Kolom 1 Kolom 2 Activiteiten Gevallen D10
De aanleg , wijziging
of uitbreiding van: a. skihellingen , skiliften , kabelspoorwegen en bijbehorende voorzieningen;
b. jachthavens. c. vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op: 1°. 250. 000 bezoekers of meer per jaar ,
2°. Een oppervlakte van 25
hectare of meer , 3°. 100 ligplaatsen of meer of 4°. een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied.
voorzieningen ,
d. permanente kampeer- en
e. themaparken.
De aanleg , wijziging
of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen
De structuurvisie , bedoeld in de artikelen 2. 1 , 2. 2 en 2. 3 van de Wet ruimtelijke
ordening , en de plannen , bedoeld in de artikelen 3. 1 , eerste lid , 3. 6 , eerste lid , onderdelen a en b , van die wet , de vaststelling van het inrichtingsplan , bedoeld in artikel 17 van de Wet inrichting landelijk gebied , het reconstructieplan , bedoeld in artikel 11 van de Reconstructiewet
caravanterreinen , of D11. 2
Kolom 3 Plannen
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op: 1°. Een oppervlakte van 100 hectare of meer , 2°. Een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat of 3°. Een bedrijfsvloer-oppervlak van 200. 000 m 2 of meer.
concentratiegebieden en het plan bedoeld in artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden. De structuurvisie , bedoeld in de artikelen 2. 1 , 2. 2 en 2. 3 van de Wet ruimtelijke ordening , en het plan , bedoeld in artikel 3. 1 eerste lid , van die wet.
Kolom 4 Besluiten
De vaststelling van het
inrichtingsplan , bedoeld in artikel 17 van de Wet inrichting landelijk gebied dan wel een plan bedoeld in artikel 18 van de Reconstructiewet
concentratiegebieden dan wel bij het ontbreken daarvan het plan bedoeld in artikel 3. 6 , eerste lid , onderdelen a en b , van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan , bedoeld in artikel 3. 1 , eerste lid , van die wet. De vaststelling van het plan , bedoeld in artikel 3. 6 , eerste lid , onderdelen a en
b , van de Wet ruimtelijke ordening , dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan , bedoeld in artikel 3. 1 , eerste lid van die wet.
Activiteit D. 10 stelt dat de aanleg , wijziging of uitbreiding van vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones
met bijbehorende voorzieningen , permanente parkeer- en caravanterreinen of themaparken m. e. r. -beoordelingsplichting is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 250. 000 bezoekers of meer per jaar , een oppervlakte van 25 ha of meer bedraagt of 10 ha of meer in een gevoelig gebied.
Activiteit D11. 2 stelt dat ‘de aanleg , wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de
bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ m. e. r. -beoordelingsplichtig is in gevallen waarin deze activiteitbetrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen of een bedrijfsvloeroppervlakte van 2000 m 2 of meer.
Deze indicatieve drempelwaarden zullen in dit initiatief worden overschreden. Op grond hiervan is sprake van een m. e. r. -beoordelingsplicht indien er sprake is van een concreet besluit (uit kolom 4) dat realisering van het initiatief direct mogelijk maakt. In dit geval is echter sprake van een algehele toekomstvisie voor de lange termijn waarbinnen in de loop
der tijd verschillende deelplannen kunnen worden uitgewerkt. Zoals uit tabel 1 blijkt , staat het bestemmingsplan niet alleen genoemd in kolom 4 (besluiten) maar ook in de derde kolom van activiteit D10 (plannen) . Het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte wordt in dit geval beschouwd als een kaderstellend plan voor een mogelijke toekomstige realisering van een m. e. r. - beoordelingsplichtige activiteit (de uitwerking van een concreet deelplan) . Dat maakt de besluitvorming over dit bestemmingsplan verbrede reikwijdte automatisch Plan-MER-plichtig. Toetsing aan Wnb Naast toetsing aan het Besluit m. e. r. is er nog een tweede aanvliegroute die mogelijk kan leiden tot een Plan-m. e. r. -
plicht. Indien uit een voortoets blijkt dat significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet op voorhand kunnen worden uitgesloten , dient een zogenaamde passende beoordeling te
28
worden uitgevoerd. In dat geval is besluitvorming over een bestemmingsplan ook automatisch Plan-MER-plichtig. Dit zal in een voortoets nader worden onderzocht. In hoofdstuk 9 wordt hier op in gegaan.
1. 4. 2
MER 2016
In oktober 2016 is een nieuw bestemmingsplan voor Toverland vastgesteld [18] . Vanwege een omissie over de geluidszone is in mei 2017 een correctieve herziening van dit plan vastgesteld [19] . Ten behoeve van de besluitvorming over dit bestemmingsplan uit 2016 is destijds tevens een milieueffectrapport opgesteld [20] . In dat MER waren de
gevolgen van twee alternatieve ontwikkelingsscenario’s (uitbreiding in noordelijke richting en uitbreiding in westelijke richting) beschreven en beoordeeld. Op basis hiervan is gekozen voor de noordelijke uitbreiding en is verder gewerkt aan onder andere een verplaatsing van de entree / parkeerterrein en de ontwikkeling van het themagebied Avalon (zie ook hoofdstuk 2) . Dit MER en bestemmingsplan had een planningshorizon van 10 jaar , maar bleek op een aantal onderdelen onvoldoende flexibel. Het MER en het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte (BPVR) dat thans aan de orde zijn , hebben een langere tijdshorizon (circa 20-25 jaar) en bestrijken een groter gebied ten opzichte van de plannen uit 2016.
1. 5
Doel van het Milieueffectrapport De doelstelling van een milieueffectrapport en de procedure tot vervaardiging ervan is om het milieubelang een
vroegtijdige en volwaardige plaats in het besluitvormingsproces te geven wanneer er sprake is van activiteiten met mogelijke ingrijpende milieugevolgen. Het MER geeft objectief weer welke milieueffecten te verwachten zijn als gevolg van een geplande ingreep/activiteit. Een milieueffectrapport (MER) is geen op zichzelf staand plan of doel , maar is altijd een hulpmiddel bij de besluitvorming door de overheid over de betreffende activiteit. Om die reden is een MER altijd gekoppeld aan een overheidsbesluit of een bij wet bepaalde planvorm en de procedure die daarvoor dient te worden doorlopen.
1. 6
Procedure
1. 6. 1
M. e. r. -procedure
De formele m. e. r. procedure in het kader van het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte voor Toverland is van start gegaan met (de kennisgeving van) het verschijnen van de Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) [21] (zie bijlage B3) . De NRD beschrijft de achtergronden en uitgangspunten van het project en bakent de in het MER te onderzoeken alternatieven (inrichtingsmodellen) af. Tevens beschrijft de NRD welke milieuthema’s in het MER worden onderzocht (reikwijdte) en op welke manier dat gebeurt (detailniveau) . De concept NRD heeft met ingang van 6 mei 2021 gedurende 6 weken voor eenieder ter inzage gelegen. Tevens is deze naar een aantal wettelijke adviseurs en betrokken overheids- en maatschappelijke organisaties toegezonden , met het verzoek om advies over de NRD uit te
brengen. Gedurende deze periode zijn er 3 reacties ontvangen. Raadpleging van de Commissie voor de milieueffectrapportage (Cie-m. e. r. ) in de NRD-fase is niet verplicht; toetsing van het uiteindelijke MER door de Commissie is wel verplicht. De gemeente heeft de Cie-m. e. r. gevraagd advies uit te brengen over reikwijdte en detailniveau voor dit MER. De Commissie heeft echter aangegeven wegens capaciteitsgebrek niet in staat te zijn binnen de wettelijke termijnen (5 weken na afloop van de zienswijzeperiode) een werkgroep te formeren en aan dit verzoek te voldoen. In overleg is vervolgens besloten af te zien van dit vrijwillige advies over reikwijdte en detailniveau van het MER. Alle op de concept NRD [21] ontvangen reacties zijn door de gemeente Horst aan de Maas in behandeling genomen , samengevat en voorzien van een inhoudelijke beantwoording. Daarbij is tevens per item aangegeven of de betreffende reactie leidt tot aanpassing van de NRD. De Nota zienswijzen en wijzigingen [22] is vervolgens samen met de aangepaste (definitieve) NRD [23] op 27 september 2021 door het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Horst aan de Maas vastgesteld en vervolgens aan de initiatiefnemer teruggekoppeld. Daarmee liggen de kaders voor voorliggend MER vast.
29
Binnen deze m. e. r. -procedure wordt de rol van initiatiefnemer vervuld door de eigenaar van Attractiepark Toverland. De gemeenteraad van Horst aan de Maas (met mandaat aan het College van Burgemeester en Wethouders) treedt in deze
procedure op als bevoegd gezag.
Als het MER gereed is , wordt het door de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag aangeboden die de procedurele afhandeling overneemt. Het MER wordt dan samen met het ontwerp van het bestemmingsplan verbrede reikwijdte gedurende zes weken voor eenieder ter inzage gelegd. Tevens wordt de Commissie voor de milieueffectrapportage gevraagd het MER te toetsen op volledigheid , juistheid en objectiviteit en te beoordelen of de voor de besluitvorming relevante milieu-informatie aanwezig is. Mede op basis van de inspraakresultaten en met inachtneming van het MER stelt het bevoegd gezag vervolgens het definitieve bestemmingsplan vast. Na vaststelling wordt deze bekend gemaakt en bestaat de mogelijkheid om bezwaar en beroep aan te dienen. Nadat de voorgenomen activiteiten zijn uitgevoerd , worden de werkelijk optredende milieueffecten in beeld gebracht en geëvalueerd. In het voorliggende MER (Zie hoofdstuk 17) is daarvoor een eerste aanzet gegeven.
1. 6. 2
Participatie
In aanvulling op de formele procedurele stappen van het bevoegd gezag zoals omschreven in de vorige paragraaf , vindt er vanuit de initiatiefnemer gedurende de planvorming een uitgebreid (meer informeler) participatieproces plaats. Hiervoor is bij de start van het planproces een participatie- en communicatiestrategie uitgewerkt die is afgestemd met de gemeente Horst aan de Maas. Doel hiervan was om: -
stakeholders op de juiste mate , manier en momenten te betrekken bij de plannen van Toverland; stakeholders maximaal mee te nemen , goed naar hen te luisteren en hun belangen af te wegen; bestuurders en de raad op tijd de juiste keuzes voor het gebied te kunnen laten maken; gebruik te maken van de kennis van stakeholders rondom het gebied; te zorgen voor procestevredenheid bij stakeholders , het gemeentebestuur en de gemeenteraad.
Bij het uitwerken van het participatietraject heeft Toverland zoveel mogelijk aangesloten bij het beleid van de gemeente Horst aan de Maas. Voorafgaand aan het planproces zijn er sessies georganiseerd met de verschillende
belangengroepen waarbij het voornemen van Toverland is toegelicht , aandacht is geschonken aan het managen verwachtingen over het proces en de bijdrage die de belangengroepen kunnen leveren.
van
Vervolgens zijn er meerdere gesprekken gevoerd met de belangengroepen waarbij toelichting is gegeven over het plan en waar ruimte was voor eigen inbreng en reactie van de belangengroepen. De belangengroepen hebben hun wensen over het plan rondom verschillende thema’s zoals geluid , duurzaamheid , energie , verkeer , sociaal en meer in de verschillende gesprekken kunnen inbrengen. Deze wensen zijn , waar mogelijk , in het plan meegenomen. Van alle bijeenkomsten is verslaglegging gedaan , die ook weer met de deelnemers aan de bijeenkomsten is gedeeld. Na verschillende gesprekken is er een concrete wensenlijst opgesteld. In een terugkoppelsessie is aan alle belanghebbenden teruggekoppeld welke wensen op welke manier wel of niet zijn meegenomen en waarom.
1. 7
Leeswijzer Na deze algemene inleiding wordt in hoofdstuk 2 van dit MER ingegaan op de achtergronden die de aanleiding vormen voor
het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte van Toverland en de doelen die met het plan worden beoogd.
In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante beleidskader en de te nemen besluiten. Hoofdstuk 4 van de MER beschrijft de voorgenomen activiteit en het ontwerp van de nieuwe gebieden en plannen van Toverland. In hoofdstuk 5 wordt de methode en thema’s die onderzocht worden beschreven. Vanaf hoofdstuk 6 van het MER wordt per milieuthema ingegaan op de te verwachten effecten van dit planvoornemen.
30
Achtereenvolgens komen aan bod , de effecten voor verkeer (hoofdstuk 6) , bodem (hoofdstuk 7) , water (hoofdstuk 8) , natuur (hoofdstuk 9) , landbouw en bedrijvigheid (hoofdstuk 10) , landschap , cultuurhistorie en archeologie (hoofdstuk 11) , woon- en leefmilieu (hoofdstuk 12) , klimaat en duurzaamheid (hoofdstuk 13) . In hoofdstuk 14 worden deze samenvattende effectscores nogmaals samengevat weergegeven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 15 het afwegingskader voor vervolguitwerkingen weergegeven , waarna in hoofdstuk 16 wordt beoordeeld of de doelstellingen uit hoofdstuk 2 worden bereikt. Hoofdstuk 17 tenslotte bevat een overzicht van de leemten in kennis en informatie en een aanzet voor het evaluatieprogramma. Voor dit MER is tevens een zelfstandig leesbare niet-technische samenvatting opgesteld.
31
2
_ PROBLEEMSTELLING
EN DOEL
Toverland heeft de ambitie om de komende jaren door te blijven groeien. Deze ambitie is een logisch vervolg op de groei die Toverland in de loop der jaren heeft doorgemaakt in de ontwikkeling van pretpark tot het huidige themapark. Om de achtergrond van deze groeiambitie te begrijpen , is het van belang om ook de ontstaansgeschiedenis van Toverland en doorgemaakte groei tot het huidige themapark te beschrijven. Voordat in paragraaf 2. 2 wordt ingegaan op de historische ontwikkeling en ambities van Toverland , wordt onderstaand daarom eerst ingegaan op het onderscheid tussen
2. 1
themaparken
en
pretparken.
Themapark versus Pretpark Zowel themaparken als pretparken bieden een NOW-experience , alleen bij themaparken leidt deze tot een volstrekt ander effect dan bij pretparken. Een beleving in een themapark is vaak veel meer dan enkel een primaire zintuigelijke gewaarwording van kicks & thrilfs , van oppervlakkig , plat vermaak. Ook dat komt als motief voor , vaak zelfs. Maar vaker dan dat zijn de belevingen aan themaparken te omschrijven als betekenisvol , of zelfs transformerend en integratief.
Bij pretparken gaat het om het creëren van een Erlebnis. Dit begrip kan het best omschreven worden als een onmiddellijk , relatief geïsoleerd , event gericht op hedonistische effecten. Het gaat hierbij vooral om zintuiglijke gewaarwordingen en emotionele reacties daarop; vaak globaal getypeerd in termen van zintuigelijk genot en plezier in algemene zin. Bij hemaparken wordt daarentegen voornamelijk een Erfahrung gecreëerd. Dit kan beschouwd worden als een continue , interactief proces van doen en ondergaan , van actie en reflectie , van oorzaak en effect. Het gaat daarbij meer om de minder onmiddellijke effecten , zoals bijvoorbeeld geluk en eudaimonia. Themaparken bieden daarmee een betekenisvolle belevenis aan , terwijl pretparken een belevenisvolle belevenis aanbieden. Een Erlebnis wordt vooral gerealiseerd door het aanbieden van functionele attractieparkelementen , zoals de kicks & thrills van de attracties. Voor het creëren van een Erfahrung moeten deze functionele elementen ook aanwezig zijn , maar hier communicatieve de nadruk veel meer zoals van Intellectual igt op aspecten , storytelling , thematisering , gebruik Property IP) , content , immersion en dergelijke. Nederland ruim 25 attractieparken die als pretpark getypeerd kunnen worden , maar er zijn slechts twee echte hemaparken: de Efteling en Toverland.
Daarnaast lijkt attractiepark Slagharen zich de laatste jaren wat meer richting hemapark te ontwikkelen. Daarmee kan worden gesteld dat nog geen 10% van alle attractieparken in Nederland te peren is als een themapark. Zowel de Efteling als Toverland brengen hun thema en de Erfahrung op een vnieke wijze ot stand. Hierbij profileert de Efteling zich vooral met het thema ‘sprookjes’ en Toverland met het thema ‘toveren’. Voor de Europese markt geldt hetzelfde percentage. Van de ruim 300 oftractieparken in Europa zijn er krap 30 te peren als een themapark. De rest zijn pretparken. Het zijn met name de grotere parken in Europa die als themapark te boek staan. Van de top 20 groofste parken in Europa zijn er namelijk maar liefst 16 te typeren als themapark [1]. Er zijn in
2. 2
_ _De ontwikkeling
van
Toverland tot nu toe
((ggeeaannoonniimmiisseeeerrdd)) magie van Attractiepark Toverland begon met een echt Nederlandse regenbui. Oprichter en eigenoor liep met zijn gezin door een recreatiepark toen daar een regenbui uitbrak en vrijwel het hele park direct leeg liep. Hij realiseerde zich hoe weersafhankelijk traditionele attractieparken eigenlijk waren. Een gat in de markt , zo bleek. Sinds de opening van Toverland in 2001 is het aantal bezoekers snel en gestaag gegroeid. Het park heeft een eigen uniek gezicht gekregen , steeds passend binnen het universele tot de verbeelding sprekende hoofdthema ‘Toveren’. De
Al vrij snel
het eerste overdekte themawereld ‘Land van Toos’ (met onder andere een indoor achtbaan en een oosterse zweefmolen} werden de plannen voor een tweede overdekt themagebied gesmeed. In 2004 is ‘Magic Forest’ geopend , met onder andere een spectaculaire bobsleebaan. In die tijd is op het buitenterrein ook de motorachtbaan Boosterbike aangelegd , destijds een wereldprimeur op achtbaangebied. Deze tweede hal is later getransformeerd tot ‘Wunderwald’. na