CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

landelijk 2 klimaatakkoord

Gemeenteraad 6 maart 2024, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Beantwoording vragen en bijlagen45.937 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 6

43

IPCEI: Important Projects of Common European Interest --- hierbinnen wordt waterstof als één van de belangrijke onderwerpen gezien.

94 De bedrijven zijn eerstverantwoordelijke voor het treffen van CO2-reductiemaatregelen. Provincies zijn het bevoegde gezag voor vergunningverlening handhaving en toezicht (onder meer met betrekking tot het treffen van maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of korter). Het Rijk (NEa) legt een heffing op aan bedrijven die tot de doelgroep van de CO2heffing behoren en die meer uitstoten dan de heffingsvrije voet in enig jaar toestaat. De wijze van toezicht en handhaving wordt geïntegreerd in de bestaande landelijke handhavingsstrategie. Met deze invulling wordt een maximale effectiviteit en efficiëntie, zowel voor bedrijf als bevoegd gezag, gewaarborgd. Een goede afstemming tussen het decentrale bevoegd gezag (Omgevingsdiensten) en het Rijk (RVO) is daarbij een absolute randvoorwaarde. De te treffen maatregelen moeten immers ook worden ingepast in de omgevingsvergunning. De uitwerking van het stelsel vindt onder gezamenlijke bestuurlijke verantwoordelijkheid van het Rijk en de decentrale overheden plaats.

C3.3.5 Versterken van de regionale aanpak Zoals ook de SER stelt, moet de regio een belangrijke rol spelen bij de implementatie van de transitie. De sterke clusterstructuur van het grootste deel van de industrie impliceert bovendien dat het mogelijk maken van een kostenefficiënte transitie alleen gaat door intensieve samenwerking binnen clusters. De vijf regio’s met sterke industriële clusters verdienen daarbij bijzondere aandacht. De energiehuishouding in deze regio’s wordt gedomineerd door de energievraag en het warmteaanbod van de industrie. In deze vijf regio’s is het daarom van groot belang dat de transformatie in de industrie wordt verbonden met andere sectorale opgaven in een geïntegreerde, cross-sectorale uitvoeringspraktijk. Daarbij wordt aansluiting gezocht met de relevante Regionale Energie Strategieën (RES). Ook de benodigde infrastructuur rond in ieder geval warmte en hernieuwbare energie in de industrie zou hier een plek in moeten krijgen. Een dergelijke integrale aanpak is nodig om de synergie tussen sectoren in de regio te realiseren en beslissingen over ruimtelijke inpassing en infrastructuur te baseren op een totaalbeeld van de ontwikkeling van vraag en aanbod van energie. De link zal worden gemaakt met zonne- en windenergie.

Door uit te gaan van de bestaande industriële clusters is sprake van een duidelijk eigenaarschap en kan de nodige uitvoeringskracht worden gemobiliseerd. De uitdaging is om de transformatie in de industrie goed te verbinden met andere sectorale opgaven in een geïntegreerde, cross-sectorale uitvoeringspraktijk. Elementen die bij een integrale aanpak in deze industriële regio’s niet zullen ontbreken zijn: •

Een regionale uitvoeringsstructuur waarin partijen samenwerken met een lerende aanpak vanuit de praktijk op regionaal niveau. Deze uitvoeringsstructuur dient de benodigde deskundigheid en handelingsvermogen op regionaal niveau te bundelen en te streven naar zoveel mogelijk synergie en draagvlak.

•

Het verdient aanbeveling om in de regio’s waarin ook (delen van) industriële clusters liggen de infrastructuurbehoefte van de industrie rond in ieder geval warmte en hernieuwbare energie mee te nemen in de regionale afwegingen.

•

Partijen streven ernaar om een kennis- en coördinatiepunt vorm te geven voor de regionale transitie in de vijf industriële regio’s, zo mogelijk in afstemming met het Nationaal Programma RES. Dit centrum kan deze regio’s ondersteunen bij het uitwisselen van kennis en ervaring en bevordert afstemming tussen de industriële regio’s. Bovendien kan dit centrum vraagstukken signaleren die in deze regio’s spelen en die om landelijke oplossingen vragen. Zo kan worden geborgd dat deze vraagstukken landelijk geagendeerd worden.

95 •

Het oplossen van coördinatievraagstukken die zich rond infrastructuur voordoen. Het aanleggen en versterken van netten (elektriciteit, warmte, waterstof) kost jaren. Daartoe wordt pas overgegaan als voldoende zekerheid bestaat over het gebruik van de netcapaciteit. Hiervoor wordt in eerste instantie verwezen naar het Programma Energie Hoofdstructuur, dat hiervoor oplossingen kan bieden.

•

Bij grote complexe (infrastructuur)projecten kan ook het Rijk ondersteuning bieden via Rijkscoördinatie van gebundelde vergunningstrajecten of via deelname in programma’s waarbij meerdere subsidies (waaronder Europese subsidies en/of financiering) in onderlinge samenhang tot tijdige uitvoering van projecten moet leiden.

•

Monitoring van de voortgang van de industriële transformatie in deze regio’s en de infrastructurele consequenties hiervan is belangrijk voor de afstemming in de relevante RES. Dit betekent niet dat de behoefte van de industrie aan warmte en hernieuwbare energie als een extra opgave voor de RES moet worden gezien.

•

De wijze waarop de ambitieuze reductieopgaven die opgepakt worden in de clusters gepaard gaan met behoud van de internationale concurrentiepositie van bedrijven die daarin actief zijn.

Extra trekkracht van twaalf grote bedrijven Eerder is al aangegeven dat door clustering van energie-intensieve bedrijven extra mogelijkheden bestaan om synergie te bewerkstelligen waardoor de uitstoot van broeikasgassen extra kan worden teruggebracht en ketenefficiënte oplossingen in beeld komen. Gezien hun sleutelpositie in de clusters staan de ‘grote twaalf’, samen verantwoordelijk voor ruim 60 % van de industriële CO2-uitstoot, voor de uitdaging een extra impuls aan de beoogde industriële vernieuwing te geven. Zij zijn in staat om in hun sector wereldspeler te zijn die aan de hoogste CO2-emissie-eisen voldoen en door innovatie de lat steeds hoger leggen. Door hun sleutelpositie in de vijf clusters werken innovatieslagen van de ‘grote twaalf’ ook door in ketens en regionale netwerken. In elk van de vijf industriële regio’s zal, mede met ondersteuning van het Rijk, een meerjarig industrieel koplopersprogramma worden ontwikkeld waarin efficiëntieverbetering hand in hand gaat met verduurzaming, CO2-reductie en behoud van internationale concurrentiepositie. Het ligt voor de hand vooral voort te bouwen op bestaande regionale initiatieven en plannen. Gezien hun positie, trekkracht en mogelijkheden hebben de grote twaalf hierbij de verantwoordelijkheid een stevige inbreng in deze koplopersprogramma’s te leveren.

Door samenwerking in clusters en ketens kan meer worden bereikt dan wat bedrijven alleen kunnen doen door op “EU best in class” op Europees benchmarkniveau te presteren. Daarmee kan de CO2-uitstoot in de industrie als geheel in 2030 onder het niveau van de Europese benchmarks uitkomen en de reductiedoelstelling van 14,3 Mton in 2030 worden gerealiseerd. In de programma’s worden afspraken vastgelegd over regievoering, verantwoordelijkheden, tijdspaden, ijkmomenten en dergelijke. Naast het commitment van bedrijven, geven de plannen ook weer wat van de overheid en andere partijen benodigd is (infrastructurele voorzieningen, regelgeving). Er wordt voorzien in een onafhankelijke monitoring van deze programma’s en van de uitvoering, middels een college van internationale experts om zeker te zijn dat de koplopersprogramma’s daadwerkelijk de grenzen van het economisch mogelijke op het vlak van innovatie en synergiebenutting opzoeken, rekening houdend met de best practices elders in de wereld. Het college krijgt de bevoegdheid om gerichte adviezen aan de bevoegde beleidsbeslisser te geven. Nederland wil zich, evenals andere lidstaten en de Europese Commissie, inzetten voor een toekomstige EU-begroting met een sterk accent op de aanpak van de klimaatproblematiek. Het kabinet zal in overleg treden met de regio’s om te bezien of

96 Nederland zijn nationale enveloppe aan middelen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) in het komende meerjarig financieel kader (2021-2027) van de EU met voorrang kan inzetten voor programma’s die regionale energiestrategieën en verduurzaming ondersteunen.

C3.3.6 Arbeidsmarkt versterken Voor het slagen van de energietransitie is cruciaal dat kansen voor economie en werkgelegenheid worden verzilverd en sociale risico’s, zoals baanverlies in fossiel georiënteerde sectoren, goed worden opgevangen. Op de arbeidsmarkt van de toekomst moet voor iedereen een passende plek zijn. In zijn advies Energietransitie en werkgelegenheid wijst de SER op het belang van samenwerking, afstemming en overleg. Samenwerking tussen werkgevers- en werknemersorganisaties, overheden en regionale organisaties moet groeiende arbeidsmarkttekorten helpen oplossen. Voor wie het werk in fossiele energiesectoren verdwijnt, is van belang dat werkgevers en werknemers tijdig overleggen. Zij moeten samen initiatieven nemen, en nadenken over loopbaanadvies, opleidingsbudget en begeleiding van werk naar werk. Overheden hebben daarnaast een taak in het helpen bij zoeken naar werk, scholing toegankelijk maken en in het opvangen van werknemers die uiteindelijk geen ander werk vinden. Zo neemt het Rijk medeverantwoordelijkheid voor een eerlijke transitie, waarin ook de sociale gevolgen van de transitie worden opgevangen. 44 Een verdere invulling heeft gestalte gekregen in het hoofdstuk Arbeidsmarkt en scholing van het ontwerp-Klimaatakkoord (pp. 193-206).

In de regio is cruciaal dat het arbeidsmarktbeleid anticipeert op de regionale energiestrategie, met het oog op een optimale match tussen vraag en aanbod van werkgelegenheid in de regio. Dit geldt in het bijzonder voor de vijf industriële regio’s. Een integraal, breed gedragen en proactief arbeidsmarkt- en scholingsbeleid is nodig om de energietransitie mogelijk te maken en de werkgelegenheidskansen hiervan te verzilveren. Er zijn forse (beleids)inspanningen nodig om te voorkomen dat deze transitie vastloopt op een tekort aan gekwalificeerd personeel. In het kader van het Klimaatakkoord zijn afspraken gemaakt om sectorale onderwijs- en arbeidsmarktagenda’s op te stellen. De inzet voor een proactief arbeidsmarktbeleid met voldoende scholingsfaciliteiten zal vervolgens in de regio’s handen en voeten krijgen. Zowel in de maakindustrie als in de installatie- en onderhoudsbranche is nu al sprake van tekorten aan goed opgeleid personeel. Bij olie- en gaswinning en in raffinaderijen (inclusief toeleveranciers) zullen banen verdwijnen. Daarom is het zaak om mensen actief van werk naar werk te begeleiden, en daarbij de benodigde scholing goed te organiseren. Bijzondere aandacht vormen de categorieën met een tekort aan of verouderde competenties.

Aandachtspunt is verder de financiering vanuit sectorale opleidings- en ontwikkelingsfondsen om in samenwerking tot (financiering van) sectoroverstijgende opleidingen te komen, met als doel de scholingsmogelijkheden te vergroten en daarmee de arbeidsmarktransities van overschot- naar tekortsectoren te faciliteren. Partijen zijn content dat de SER zijn aanjaagfunctie van een leven lang ontwikkelen zal aanwenden om in nauwe samenwerking met Techniekpact, Topsectoren en Groenpact te zorgen voor aanjagend, ondersteunend en verbindend vermogen. Meer in het bijzonder heeft de SER op zich genomen om een goede inbedding van human capital in de regionale

44

SER (2018) Advies Energietransitie en werkgelegenheid.

97 energiestrategieën te bevorderen. Een duidelijke arbeidsmarktparagraaf in de regionale energiestrategieën kan een basis vormen voor een gedegen arbeidsmarktplanning.

C3.3.7 Nationale CO2-heffing industrie Er komt een nationale CO2-heffing die borgt dat 14,3 Mton uitstootreductie ten opzichte van het basispad in 2030 wordt gerealiseerd en wordt uitgekomen op een reductie van 14,3 Mton ten opzichte van het PBL-basispad. De CO2-heffing wordt zo vormgegeven dat: 1. de integrale beleidsaanpak maximaal aanzet tot het 14,3 Mton reductie t.o.v. behalen van het reductiedoel (14,3 Mton ten opzichte basispad van het basispad); 2. tegelijkertijd zoveel mogelijk voorkomen wordt dat bedrijven en/of productie naar het buitenland vertrekken of investeringsbereidheid in Nederland reduceert; a. Het betreft een door de overheid vastgestelde, Voorkomen weglek en wel objectieve CO2-heffing op basis van verifieerbare Budgetneutraal en eerlijke investeringen in maatstaven die maximaal aansluit op de Europese verdeling van de lasten NL ETS-benchmarks die nu al door de NEa worden toegepast; b. Geen verdere aanpassing van budgettaire kaders. BOX: Rol CO2-heffing binnen breder instrumentarium volgens de SER De SER constateert dat alleen met een breed beleidspakket de industriële transformatie kan worden gerealiseerd en noemt daarbij vier beleidspijlers: i) versterking van de regionale aanpak, ii) een goed gericht arbeidsmarkt- en scholingsbeleid, iii) bevordering van innovatie en subsidiering van onrendabele investeringen en iv) maatschappelijke kostentoerekening.

In het kader van die laatste pijler wordt het effect van het versterkte ETS, de energiebelasting en ODE-heffing vergroot door een nationale CO2-heffing. Aanvullende CO2-heffing De CO2-heffing start in 2021 en wordt zo vormgegeven dat het de industrie als geheel aanzet de voor hen goedkopere en daarmee meer vermijdbare en voor het doel van 14,3 Mton reductie benodigde CO2-uitstoot te reduceren. Weglek van productie en werkgelegenheid en afnemende investeringsbereidheid worden zo veel mogelijk voorkomen. Het uitgebrachte SER-advies biedt aanknopingspunten voor een goede vormgeving van de CO2-heffing. Deze zijn gebruikt om tot de CO2-heffing te komen zoals hier beschreven. Het betreft een CO2heffing met een geleidelijk toenemende grondslag. De heffingshoogte wordt zodanig vastgesteld dat deze a priori borgt dat de reductiedoelstelling van de industrie, 14,3 Mton in 2030 ten opzichte van het PBL-basispad, wordt gerealiseerd. Daarbij maakt het kabinet gebruik van de onafhankelijke expertise van PBL en wil het kabinet zekerheid. Het kabinet gaat daarom uit van realistische verwachtingen over welke CO2-reducerend potentieel daadwerkelijk kan worden benut (80% ten opzichte van het theoretisch maximum) en grote zekerheid op het behalen van het doel (75% kans).

Dat betekent, conform de huidige inzichten op basis van de door het PBL doorgerekende variant, dat de CO2-heffing in 2021 op 30 euro per ton begint en lineair oploopt naar 125-150 euro per teveel uitgestoten ton CO2 in 2030 inclusief de ETS-prijs (bij de huidige verwachtingen zou dat circa 75-100 euro per ton in 2030 zijn, bovenop de ETS-prijs). 45 Daarbij past de kanttekening dat, voor het effect van alleen een CO2-heffing op de verwachte reductie, het PBL niet heeft gerekend met subsidies die beschikbaar zijn vanuit de verbrede SDE+. In 2020 45

Conform PBL-advies alle in prijzen van 2018.

98 en 2025, wanneer de nieuwe Europese ETS-benchmarks beschikbaar komen, zal het kabinet het PBL opnieuw vragen op objectieve en verifieerbare wijze de benodigde hoogte van de CO2-heffing te bezien, binnen de gestelde randvoorwaarden. Dat betekent dat aan het PBL in 2020 en 2025 gevraagd zal worden wat de beginhoogte van de CO2-heffing en de hoogte van de CO2-heffing in 2030 (en dus ook in de tussengelegen jaren) moeten zijn om het reductiedoel te realiseren. Daarbij wordt PBL gevraagd te rekenen met de beschikbare subsidies vanuit de verbrede SDE+. Vervolgens zal aan een externe partij gevraagd worden wat de effecten daarvan zijn voor de Nederlandse industrie op het internationale speelveld en vestigingsklimaat. Daarna stelt het kabinet het prijspad vast. Deze tarieven worden bij of krachtens wet vastgelegd. BOX Hoe weten we welke heffingshoogte nodig is om te borgen dat 14,3 Mton reductie ten opzichte van het basispad in 2030 gerealiseerd kan worden? De hoogte van de CO2-heffing wordt zodanig vastgesteld dat deze a priori zekerheid verschaft over het bereiken van het CO2-reductiedoel voor de industrie.

Vaststellen van de heffingshoogte in de ideale wereld: kijken naar kostenefficiëntie In een ideale wereld betekent dit dat op voorhand alleen maar hoeft te worden gekeken welke CO2-reducerende maatregelen de industrie als geheel moet nemen om op de goedkoopst mogelijke manier het reductiedoel te behalen. Dit kan in kaart gebracht worden door te kijken naar de marginal abatementcurve: die rangschikt alle mogelijkheden van CO2-reductie in 2030 van goedkoop naar duur. Alle maatregelen tot aan het doel van 14,3 Mton moeten worden genomen. De kosten van de duurst benodigde maatregel bepalen hoe hoog de CO2heffing moet zijn in 2030. De figuur hieronder laat gestileerd zo’n curve zien: elk staafje stelt een deel potentieel voor. Links staat het goedkope potentieel, rechts het duurdere potentieel. Onzekerheden in de echte wereld: potentieelbenutting en kostprijsontwikkeling In werkelijkheid spelen verschillende onzekerheden. Zo is het bijvoorbeeld soms nodig dat ook andere randvoorwaarden in orde moeten zijn, voordat daadwerkelijk bepaalde technieken uitgerold kunnen worden. Zonder een infrastructuur voor CCS is het bijvoorbeeld niet mogelijk CCS toe te passen. Ook komt het voor dat bedrijven soms maatregelen die op zichzelf bedrijfseconomisch rendabel zijn toch niet nemen omdat dit bijvoorbeeld veel moeite kost (zoals bepaalde energiebesparingen).

In al dat soort gevallen wordt dus niet het volledige potentieel aan CO2-reductie daadwerkelijk ontsloten door de CO2-heffing. PBL houdt hiermee rekening door met verschillende scenario’s voor potentieelbenutting te werken. In het ideale geval wordt 100% van het potentieel benut bij een heffing, maar in werkelijkheid zal dit percentage lager liggen, bijvoorbeeld op 80%. Hoe lager de potentieelbenutting hoe verder de marginal abatementcurve “moet worden afgelopen” voordat het CO2-reductiedoel in beeld komt. En verderop in de curve geldt dat de kosten voor technieken hoger zijn, en dus een hogere heffingshoogte nodig is om die techniek uitgerold te krijgen. Dit is de afbeelding onder in deze box geïllustreerd: minder potentieelbenutting impliceert dat meer potentieel “wegvalt” ten opzichte van de theoretisch optimale situatie van 100%. Dit leidt tot het langer worden van de gele pijl die benodigd is voor het doel van 14,3 Mton. En het tarief van de CO2-heffing moet dan dus hoger worden. Potentieelbenutting is niet de enige onzekerheid waarmee PBL rekening houdt. Het is ook moeilijk in te schatten wat de precieze kosten van CO2-reducerend potentieel zullen zijn in 2030. Er kan daardoor dus niet met zekerheid worden gesteld bij welke heffingshoogte het omslagpunt ligt om een bepaalde techniek rendabel te maken.

PBL maakt gebruik van zekerheidsmarges: aangenomen dat we weten hoeveel % van het potentieel benut kan worden, kan met een CO2-heffing van x met een zekerheid van y% gesteld worden dat het CO2-reductiedoel wordt gehaald. Deze onzekerheidsmarges zijn in de afbeelding hieronder

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14098009/1