Bijlage 01. Milieutechnische studie Wind Gemeente HadM 22-2-
Tekst van het document
MILIEUTECHNISCHE STUDIE WIND
Afbeelding 13 en 14 verbeelden voor Witveld het scenario hoog en laag.
Afbeelding 13 Witveld scenario hoog. Het aantal verwachte slagschaduwuren per jaar voor toepassing van een automatische stilstandsvoorziening.
30
Datum: 22 februari 2023
Afbeelding 14 Witveld scenario laag. Het aantal verwachte slagschaduwuren per jaar voor toepassing van een automatische stilstandsvoorziening.
MILIEUTECHNISCHE STUDIE WIND
Afbeelding 15 en 16 laten de contouren zien in geval van de realisatie van beide ontwikkelgebieden.
Afbeelding 15 Beide ontwikkelgebieden, scenario hoog (Excl. turbine H5 vanwege aspect geluid). Het aantal verwachte slagschaduwuren per jaar voor toepassing van een automatische stilstandsvoorziening.
Afbeelding 16 Beide ontwikkelgebieden, scenario laag (Excl. turbines L3 en L7 vanwege aspect geluid). Het aantal verwachte slagschaduwuren per jaar voor toepassing van een automatische stilstandsvoorziening.
Afbeelding 15 en 16 laten de contouren zien in geval van de realisatie van beide ontwikkelgebieden. Daarbij zijn dus voor het hoog scenario turbine H5 niet meegenomen en voor het laag scenario turbine L3 en L7 niet meegenomen in de berekeningen. In tabel 10 en tabel 11 staan per windturbine de benodigde stilstandsuren ter volledige mitigatie van slagschaduw op de gevoelige objecten binnen een afstand van 2,5km. Ook is dit aantal uur uitgedrukt als percentage van het gehele jaar. In deze tabel zijn de windturbines H5, L3 en L7 wel opgenomen. Dit is gedaan om voor het individuele ontwikkelgebied de standstiluren door te kunnen rekenen voor het productieverlies (en daarmee de te realiseren energie-opbrengst). Bij het doorrekenen van beide ontwikkelgebieden samen zijn de turbines H5, L3 en L7 niet meegenomen (tabel 12). Tabel 10 Benodigde stilstandsuren ter volledige mitigatie van slagschaduw [uu:mm] en het bijbehorende percentage totale stilstand voor scenario hoog
Stilstandsuren per jaar ter voorkoming van slagschaduw % Totaal Stilstand 31
H1 319:43
H2 156:35
H3 206:43
H4 255:35
3,6
1,8
2,3
2,9
Datum: 22 februari 2023
Turbine H5 232:21
2,7
H6 361:23
H7 295:57
H8 240:31
Totaal 2068:36
Gemiddeld 258:27
4,1
3,4
2,7
--
3,0
MILIEUTECHNISCHE STUDIE WIND
Tabel 11 Benodigde stilstandsuren ter volledige mitigatie van slagschaduw [uu:mm] en het bijbehorende percentage totale stilstand voor scenario laag
Stilstandsuren per jaar ter voorkoming van slagschaduw % Totaal Stilstand
L1 200:31
L2 153:17
L3 150:55
L4 123:41
L5 103:41
2,3
1,7
1,7
1,4
1,2
Turbine L6 172:45
2,0
L7 285:60
L8 171:34
L9 218:01
L10 179:44
Totaal 1758:16
Gemiddeld 176:50
3,3
1,9
2,5
2,0
--
2,0
In tabel 12 staan de gemiddelde verliezen per alternatief weergeven als gevolg van volledige mitigatie van slagschaduw. Hieruit volgt dat de verliezen door volledige mitigatie van slagschaduw voor scenario hoog circa 3% zijn en voor scenario laag circa 2%. Het aantal operationele uren is voor scenario laag iets hoger. Dit komt door de turbinekeuze in dit onderzoek, omdat de gekozen turbine van scenario laag al operationeel kan zijn bij een windsnelheid van 2 m/s, terwijl deze grens voor gekozen turbine van scenario hoog op 3 m/s ligt. Tabel 12 Per alternatief het aantal operationele uren en het verlies door volledige mitigatie van slagschaduw Locatie
Scenario
Operationele uren [uren/jaar]
Productieverlies mitigatie slagschaduw [%]
Hoogheide
Hoog
8542
2,7
Laag
8645
1,7
Hoog
8545
3,4
Laag
8648
2,4
Hoog*
8543
3,0
Laag*
8639
1,9
Witveld
Beide ontwikkelgebieden*
*Voor de simultane ontwikkeling van beide ontwikkelgebieden is vanwege knelpunten op gebied van geluid voor scenario Hoog turbine H5 geschrapt, en voor scenario Laag turbines L3 en L7.
4.4
Externe Veiligheid
Specifiek voor windturbines gaat externe veiligheid over de risico's voor mensen als gevolg van een calamiteit aan de windturbines. Dit beleidsveld is ontwikkeld ter bescherming van mensen in de nabijheid van windturbines die in exploitatie zijn. De bouwfase is dus niet inbegrepen. De mogelijke calamiteiten in de exploitatiefase worden uitgedrukt in faalscenario’s, zoals ijsafwerping, mastbreuk en het afbreken van een windturbineblad (bladworp) of het naar beneden vallen van de gondel (zie figuur 6). Wanneer een windturbine faalt kunnen er ook risico’s ontstaan doordat risicovolle inrichtingen, installaties en infrastructuren in de omgeving beschadigd raken door onderdelen van de windturbine. Deze schade op zichzelf levert een vergroot risico op de omgeving op (zie figuur 7 voor een schematisch voorbeeld). Dit worden domino-effecten genoemd.
32
Datum: 22 februari 2023
MILIEUTECHNISCHE STUDIE WIND
Tot voor kort gold voor de normstelling van windturbines voor het plaatsgebonden risico (PR) voor kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten het Activiteitenbesluit milieubeheer. In deze studie is gekozen voor een analyse conform de methodieken die vóór de uitspraak van de Raad van State gangbaar waren. De wetgeving (Activiteitenbesluit) en de hulpmiddelen (Handreiking en Handleiding Risicozonering) zijn als toetskader gebruikt om aan te geven, in hoeverre bepaalde windturbines extra aandacht behoeven qua veiligheid. De volgende risicocontouren worden als uitgangspunt gebruikt: • •
PR 10-6 contour: Plaatsgebonden Risicocontour waarbinnen geen kwetsbare objecten mogen liggen. PR 10-5 contour: Plaatsgebonden Risicocontour waarbinnen geen beperkt kwetsbare objecten mogen liggen.
In figuur 5 is een visuele weergave van de werking van deze twee PR contouren opgenomen.
Figuur 5 Visuele weergave PR-contouren (Bron: Bosch en van Rijn, dec 2020 met beeldbewerking Pondera
Figuur 6 Weergave faalscenario’s
Figuur 7 Optreden van een domino-effect en blootstelling omgeving (Anteagroup, 2020) 33
Datum: 22 februari 2023
MILIEUTECHNISCHE STUDIE WIND
Voor de beoordeling bepalen we de zogeheten 10-5 en 10-6-contouren, en de objecten en activiteiten binnen die contouren die nadere aandacht vergen.
4.4.1
Risicocontouren
Tabel 13 Uitgangspunten risicocontouren externe veiligheid
Scenario
Ashoogte
Rotordiameter
10-5 contour
10-6 contour
Zie in:
Vuistregel: ashoogte + ½ rotordiameter 255 m 200,5 m
Veiligheid en windturbines [factsheet RVO]
Hoog
170 m
170 m
Vuistregel: ½ rotordiameter 85 m
Laag
130 m
141 m
70,5 m
Zoals blijkt uit tabel 13, zijn de risicocontouren voor het scenario “hoog” vooral bepalend vanwege de grotere valcirkels, maar omdat er bij het scenario “laag” méér windturbines zijn, wordt ook nagegaan bij deze groep of er een extra aandachtspunt uit volgt. Met behulp van digitaal raadpleegbare bronnen (o.a. Kadaster) is nagegaan welke gebouwen en panden in de omgeving aanwezig zijn en wat hun functie is. Met de ‘Risicokaart’ is gecontroleerd of er ondergrondse buisleidingen met gevaarlijke stoffen in deze buurt liggen, hetgeen niet het geval is. Rijksweg A73 ligt wel in deze omgeving, maar steeds veel verder dan de RVO Factsheet voor een knelpunt voorschrijft (minimumafstand tussen windturbine en rijbaan van 85 meter). Ook de spoorlijn Venlo-Venray ligt ruim buiten de inventarisatiezone voor spoor.
4.4.2
Windturbines en hun omgevingen
Tabel 14 Analyse scenario Hoog
Scenario ‘hoog’ Turbine
Gebied
H1
Hoogheide
Geen
H2
Hoogheide
Geen
H3
Hoogheide
Geen
(Pand aan Losbaan > 400 meter)
H4
Hoogheide
Geen
(Pand aan Losbaan 26 > 375 meter)
H5
Hoogheide
Bedrijfspand op 230 m aan de Losbaan = toegestaan
Op 260 meter van een bestaand bedrijf aan de Losbaan en op 349 meter van een woning.
H6
Witveld
Is niet zonder meer toegestaan
H7
Witveld
Op 30 meter schuren van een bedrijf aan de Witveldweg Geen
H8
Witveld
Geen
34
Speciaal object of aandachtspunt binnen 255 metergebied
Nadere toelichting Object quick scan toets
Datum: 22 februari 2023
(Bedrijfspanden > 350 meter) Op 261 meter panden van een bedrijf aan de Californischeweg. (Bedrijfspanden overzijde A73 op > 245 meter)
MILIEUTECHNISCHE STUDIE WIND
Tabel 15 Analyse scenario Laag
Scenario ‘laag’ Turbine
Gebied
Speciaal object of aandachtspunt binnen 200,5 metergebied
L1
Hoogheide
Geen
L2
Hoogheide
Geen
L3
Hoogheide
L4
Hoogheide
Bedrijfspand op 156 m is toegestaan Geen
L5
Hoogheide
Geen
L6
Hoogheide
Geen
L7
Witveld
L8
Witveld
50 m naar bestaand bedrijf aan de Witveldweg Geen
L9
Witveld
Geen
L10
Witveld
Geen
Nadere toelichting Object quick scan toets (275 m naar bestaande woning aan de Losbaan)
Is niet zonder meer toegestaan (250 m naar bestaand bedrijf aan de Witveldweg) (240 m naar bestaand bedrijf aan de Californischeweg)
Zoals blijkt uit tabel 14 en 15 geeft deze verkenning voor externe veiligheid aan dat windturbines op de fictieve posities van H6 en L7 zeer aannemelijk tot een ruimtelijk knelpunt leiden. In geval van optredende ruimtelijke knelpunten met bedrijven aan de Witveldweg zal een oplossing gezocht moet worden in definitieve locatiekeuze of in het type windturbine. Voor de andere geplande windturbines zijn geen bezwaren naar voren gekomen. Naast deze inventarisatie, die gericht is op objecten (en terreinen met activiteiten zoals evenementen), is het volgende punt van attentie vermeldenswaard. Omdat deze streek (met name Hoogheide) een tuinbouwgebied is, zijn periodiek mensen buiten aan het werk in de velden, ook in de buurt van de beoogde turbines. Voor dergelijke situaties zijn geen vuistregels ontworpen. In een verder ontwikkeltraject is dit onderwerp geschikt voor overleg.
4.5
Natuur
4.5.1
Algemeen
Risico’s Inleiding De risico’s van windparken voor natuur hebben met name betrekking op aanvaringsslachtoffers in de bedrijfsfase onder vogels en vleermuizen. Afhankelijk van de plaatsing van de windturbines kan plaatselijk tijdens de realisatie een risico optreden voor grondgebonden beschermde soorten. Ervan uitgaande dat de windturbines te zijner tijd uitsluitend op intensief agrarisch bewerkt land worden neergezet zijn er, naar verwachting, geen effecten voorzien op deze grondgebonden soorten. Bovenstaande en onderstaande tekst geeft slechts een inkijk in de mogelijke risico’s op beschermde soorten en gebieden. We adviseren om, bij meer duidelijkheid van de plannen, een quickscan uit te laten voeren om risico’s voor potentieel aanwezige soorten en effecten op beschermde gebieden in kaart te brengen met mogelijk aanvullend onderzoek dan wel modelleerwerk.
35
Datum: 22 februari 2023
MILIEUTECHNISCHE STUDIE WIND
Ter plaatse Weidevogels worden door de aard en het gebruik van het landschap nauwelijks verwacht in dit gebied. Het agrarisch gebied dat te midden van de bosgebieden en het stedelijk gebied ligt, wordt intensief gebruikt als akkerland en boomkwekerij. Grasland is niet tot nauwelijks aanwezig. De dichtstbijzijnde graslanden liggen direct langs de Maas op enkele kilometers afstand. Door het afwisselende landschap (bospercelen, akkerbouw, wegbermen) is de aanwezigheid van (broedende) roofvogels zoals buizerd, havik en boomvalk en foeragerende vleermuizen in deze regio zeer waarschijnlijk. Foeragerende en van de thermiek gebruik makende vogels kunnen door nabijheid van windturbines in aanraking komen met de wieken. Aanvaringslachtoffers onder vleermuizen en vogels moeten gemodelleerd en onderzocht worden. Omgeving Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Maasduinen ligt aan oostkant van de Maas op circa 3 km afstand. Het gebied heeft instandhoudingsdoelstellingen voor broedvogels. Het gaat om watervogels (geoorde fuut, dodaars) en vogels van bos, heide en ruigte (nachtzwaluw, zwarte specht, boomleeuwerik, oeverzwaluw, roodborsttapuit en grauwe klauwier) met een sterke binding met de biotoop ter plaatse. De soorten vertonen geen grote dagelijkse foerageertrek door afwezigheid van sterke scheiding of afstand tussen broedterritorium en foerageergebied.
Het ontwikkelgebied voor de windturbines speelt daarom geen rol bij de instandhouding. Migratie/seizoenstrek Het plangebied ligt verder in een gebied met een klassering van de op een na hoogste treksterkte (zie ook gevoeligheidskaart windenergie van SOVON). Dit houdt in dat de gestuwde trek, en daarmee treksterkte, in dit deel van Nederland erg hoog is in het trekseizoen. De kans op aanvaringen met trekvogels is dan ook voor alle gebieden aanwezig en dient nader onderzocht en gemodelleerd te worden.
Kansen De kansen voor natuur die door de aanleg van een windpark ontstaan, hebben met name betrekking op de lokale inrichting (zie tabel 16). Het nemen van deze biodiversiteit bevorderende maatregelen brengt op zichzelf wel weer risico’s met zich mee. Hoe meer insecten en andere fauna, hoe meer predatoren naar het gebied onder de windturbines zullen trekken voor voedsel. Hoogvliegende vleermuis- en vogelsoorten hebben daarmee een verhoogde aanvaringskans. Echter is de verwachting dat, met inbegrip van deze toename in aanvaringen, onder aan de streep de maatregelen een positieve invloed hebben op de biodiversiteit. Dit moet wel nog onderzocht worden. De plangebieden maken op dit moment geen deel uit van de beschermde gebieden onder de Wet natuurbescherming. Met wijziging van het beheer en/of toepassing van enkele maatregelen kunnen delen van de plangebieden mogelijk wel onderdeel worden van Natuurnetwerk Limburg. Met aanwijzing van dergelijke beschermde gebieden wordt de duurzaamheid van natuurlijke inrichting voor de toekomst geborgd. Ook zijn voor dergelijke maatregelen subsidies beschikbaar. Kansen voor biodiversiteit moeten per deelgebied nader bepaald worden en opgenomen worden in de schetsontwerpen. Tabel 16 Biodiversiteit bevorderende maatregelen met een positieve impact per soort of soortgroep Soortgroep Maatregel
Insecten (o.a. bruine eikenpage, kleine ijsvogelvlinder)
Algemene broedvogels
Grondgebonden zoogdieren (o.a. marterachtigen, das)
Vleermuizen
Amfibieën (o.a. boomkikker, kamsalamander)
Reptielen (o.a. levendbarende hagedis)
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X X
X
X
X
Verruiging toestaan (beheer aanpassen) Kruidenrijk grasland beheren Struiken en hagen aanplanten (inheemse soorten) Keverbanken aanleggen Poelen met natuurvriendelijke oevers aanleggen (eventueel met braamstruiken ernaast voor boomkikker) 36
Datum: 22 februari 2023
X
X
X
MILIEUTECHNISCHE STUDIE WIND
4.5.2
Gebieden
Hoogheide Dit gebied ligt aan de rand van een bosperceel (Houthuizerheide) en beslaat met name boomkwekerijen en enkele akkerlanden. De percelen van de boomkwekerijen zijn omrand door bomenrijen waardoor een klein rasterlandschap ontstaat. In tabel 17 zijn de mogelijke risico’s aangegeven. Tabel 17 Risico's natuur Hoogheide Soortgroep Weidevogels Vogels met jaarrond beschermd nest Vleermuizen
Aanvaringsrisico Laag Verhoogd
Reden Nauwelijks geschikt leefgebied Halfopen rasterlandschap nabij bos (voedsel + nesten)
Verhoogd
Halfopen rasterlandschap nabij bos (voedsel + verblijfplaatsen + vliegroutes)
Witveld Dit gebied ligt ten noordoosten van de A73 en beslaat met name akkerlanden en enkele boomkwekerijen. In tabel 18 zijn de mogelijke risico’s aangegeven. Tabel 18 Risico's natuur Witveld Soortgroep Weidevogels Vogels met jaarrond beschermd nest
Aanvaringsrisico Laag Gemiddeld
Vleermuizen
Gemiddeld
4.6
Reden Nauwelijks geschikt leefgebied Halfopen landschap, maar wat verder weg van het bos. Wel in de buurt van de A73, maar predatoren foerageren meestal laag langs de weg. Halfopen rasterlandschap maar in de nabijheid van de A73 en kassen (verstoring, barrière). Minder geleiding, duisternis en luwte dan gebied 1 door afwezigheid bos en houtopstanden.
Landschap
Voor het aspect landschap is de visuele impact van de windturbines op het landschapsbeeld van belang. In dit stuk wordt daarom gekeken naar de bestaande landschapskenmerken in relatie tot de windturbines in beide ontwikkelgebieden en scenario’s. Om uitspraken te doen over de impact wordt de huidige situatie beschreven aan de hand van de bestaande landschappelijke kwaliteiten. Daarna worden de mogelijke effecten beschreven bij realisatie van het park. Er wordt hierbij geen onderscheid gemaakt in direct en indirect ruimtegebruik of in een realisatiefase of een ingebruiksnamefase. De ontwikkelgebieden zijn gelegen in het buitengebied van Grubbenvorst. Historisch zijn dit voormalige heide- en bosgebieden die in de loop van de 19de en 20ste eeuw zijn ontgonnen en agrarisch in gebruik genomen. Als gevolg hiervan wordt het landschap gekenmerkt door rechtlijnige ontginningsassen. Het ontwikkelgebied Hoogheide is hier een goed voorbeeld van. Andere kenmerken van het gebied zijn de openheid en het grootschalige karakter als gevolg van de ontginningen.
Provinciaal beleid: Omgevingsverordering Limburg (2014) De windparken liggen strikt genomen buiten de ruimtelijk bescherming van de zone die is aangegeven voor natuur en landschap (zie onderstaande figuur 8) De zone betreft de bescherming van de ‘Goudgroene natuurzone’. Binnen deze zone zijn geen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk die wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten (zie artikel 2.6.2). Omdat de invloedsfeer van de windturbines tot buiten het ontwikkelgebied kan reiken, wordt aanbevolen om bij een verdere verkenning te onderzoeken of de windturbines geen nadelige effecten kunnen hebben op deze waarden.
37
Datum: 22 februari 2023
MILIEUTECHNISCHE STUDIE WIND
Daarnaast wordt in de omgevingsverordening ingegaan op uitsluitingsgebieden voor windturbines (artikel 2.10, zie onder figuur 9). Dit zijn landschappelijke zones waarvan de provincie aangeeft dat het belang van windenergie ondergeschikt is aan het belang van natuur en landschap. Concreet gaat het om de volgende gebieden: het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg, Natura2000 gebieden en het winterbed van de Maas. De uitsluitingsgebieden liggen buiten de huidige ontwikkelgebieden, waardoor deze geen belemmering vormen.
1
3 2
Figuur 8 Uitsnede uit de Omgevingsverordening Limburg, met indicatieve ligging Hoogheide (1), Witveld (2) en Klaver 11 (3)
Provinciaal beleid: Omgevingsplan Limburg 2014 (POL) Het POL heeft de wettelijke status als Structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening) en geeft aan hoe de provincie aan de onderwerpen landschap en natuur werkt. De ontwikkelgebieden voor het windprak zijn op de kaart ‘Landschap en Cultuurhistorie’ (kaart 10 in de POL) gelegen in een zone die is aangeduid als ‘buitengebied’. Specifiek voor wat betreft windturbines is er een ‘plaatsingsvisie’ opgesteld (5.5.4) waarin specifieke gebieden zijn aangewezen als voorkeursgebied voor de ontwikkeling van windenergie, te weten: -
grootschalige landschappen in de jonge Peelontginningen van Midden- en Noord-Limburg; gebieden aan de provinciegrens waar reeds turbines staan opgesteld; grotere industrieterreinen en ontwikkelingsgebieden voor veehouderij en glastuinbouw; daar waar clusters van tenminste 6 turbines kunnen worden opgesteld.
Deze regels hebben dan ook geleid tot een ‘energiekaart’ (kaart 5 in de POL) met daarop aangegeven welke gebieden volgens deze visie in aanmerking komen voor het plaatsen van windturbines (zie figuur 9). De twee ontwikkelgebieden zijn beide gelegen in een zone die hiervoor in aanmerking komt.
38
Datum: 22 februari 2023
MILIEUTECHNISCHE STUDIE WIND
Figuur 9 Uitsnede van de energiekaart voorkeursgebieden (lichtblauw) en uitsluitingsgebieden (rode arcering) voor windturbines, en indicatieve ligging van de drie ontwikkelgebieden
In de buitengebieden van Limburg ziet de provincie ruimte voor de ontwikkeling van windenergie. Om de openheid van de grootschalige ontginningsgebieden te behouden en om versnippering van meerdere kleinschalige initiatieven te voorkomen, gaat de provincie uit van geclusterde opstellingen. Kleinschalige landschappen vindt de provincie niet geschikt voor de ontwikkeling van windenergie.
Locatie in het landschap en positionering Ontwikkelgebieden Hoogheide en Witveldweg zijn beide gelegen in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. De landschappelijke kenmerken van dit gebied zijn de openheid, grootschaligheid en ontginningsstructuren. Zowel in het hoge als het lage scenario worden de winturbines in lijn opstellingen geplaatst langs bestaande infrastructuur. Op deze manier worden bestaande landschapsstructuur benadrukt. De grootschaligheid van het gebied leent zich in principe goed voor het plaatsen van windturbines, maar voor beide ontwikkelgebieden geldt dat het de openheid aantast. De windturbines in het hoge scenario hebben een grotere zichtbaarheid dan de windturbines in het lage scenario. Visualisaties kunnen deze effecten in beeld brengen. Op basis van de visualisatie kunnen uitspraken worden gedaan over wat visuele gunstiger is.
Inpassingsmogelijkheden in relatie tot landschap en positionering De provincie heeft aangegeven dat locaties waar minimaal 6 windturbines mogelijk zijn de voorkeur genieten boven andere, vergelijkbare locaties. Hoewel in de andere (fictieve) varianten alle windturbines eveneens in lijnopstellingen zijn geplaatst, is er als gevolg van het lagere aantal windturbines een minder grote ruimtelijke samenhang in de positionering. Visualisaties van de ontwikkelgebieden en scenario’s kunnen deze effecten nader in beeld brengen.
4.7
Ruimtegebruik
4.7.1
Uitgangspunten
Voor het aspect ruimtegebruik is de impact van het plaatsen en in gebruik hebben van de windturbines op het huidige grondgebruik van belang. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in direct en indirect ruimtegebruik. Bij direct ruimtegebruik gaat het over de ruimte die de komst van een windturbine in beslag neemt waardoor gronden niet meer gebruikt kunnen worden voor andere doeleinden.
39
Datum: 22 februari 2023
MILIEUTECHNISCHE STUDIE WIND
Wanneer een windturbine wordt geplaatst zijn de volgende onderdelen noodzakelijk: -
-
-
De fundatie van een windturbine: De fundatie van de windturbine heeft doorgaans een ronde diameter. De daadwerkelijke fundatie afhankelijk is van de bodemgesteldheid en het type turbine. Er dient in de praktijk rekening gehouden te worden met een fundatie met een diameter van 25 meter. Opstelplaats van de kraan: Om de turbine op te bouwen en om mogelijk onderhoud te plegen dient naast de fundatie ook een verhard oppervlak gerealiseerd te worden waar de kraan geplaatst kan worden. Deze opstelplaats is permanent en in de praktijk dient rekening gehouden te worden met een oppervlak van circa 30 bij 40 meter. Infrastructuur: Niet alleen dienen de windturbines met een weg te worden ontsloten. Ook zullen er kabels gelegd worden van de turbines naar een inkoopstation. Vanuit het inkoopstation volgt een kabel voor de ontsluiting naar een transformatorstation (tenzij andere ontsluitingsmogelijkheden voor handen zijn.
Indirect ruimtegebruik gaat over de impact van de windturbine op het gebruik van de gronden rondom de turbine. Hierbij worden de volgende onderdelen onderscheiden. -
-
4.7.2
Vrije werkruimte bij de bouw: Voor het opbouwen van een windturbine en de kraan is het noodzakelijk om tijdelijk een vrije wekruimte te hebben voor het uitleggen van de materialen. Deze ruimte hoeft niet verhard te zijn maar wel vrij van opgaande begroeiing. Indicatief dient een ruimte vrjj gehouden te worden van 20 bij 170 meter. Na de bouw kan deze ruimte vaak weer worden gebruikt, maar incidenteel kan tijdens de levensduur van het park het nodig zijn om bij groot onderhoud om een kraan op te bouwen en deze ruimte weer beschikbaar te maken. Ruimte rondom de windturbine: Bij het in gebruik hebben van een windturbine is er hinder/ impact op de directe omgeving onder of in de buurt van een windturbine. Wij maken hierbij onderscheid in de ruimte “onder de turbine en de invloedssfeer in de directe omgeving van de turbine. We gebruikten hiervoor de termen ruimte voor overzwaai21 en ruimte van de werpafstand22.
Situatie gebied Hoogheide
Figuur 10 Indeling van de verschillende percelen in Hoogheide, kenmerkend zijn de relatief kleine percelen die intensief worden gebruikt
21 22
Overzwaai: Het gebied onder de rotorbladen van de turbine Werpafstand: Het gebied waar een rotorblad theoretisch terecht kan komen bij een breuk.
40
Datum: 22 februari 2023
MILIEUTECHNISCHE STUDIE WIND
De gronden in het gebied Hoogheide worden gebruikt door de boomkwekerij sector. Door een groot aantal telers worden de gronden gebruikt voor het kweken van diverse bomen en struiken. Kenmerkend voor de sector is de relatief kleine perceelgrootte waarop de gewassen worden geteeld en verscheidenheid van de groeistadia van de diverse gewassen op een perceel. Hoewel dit natuurlijk van gewas tot gewas verschilt, duurt het gemiddeld 3 tot 6 jaar voordat een boom of struik kan worden geoogst. Voordat nieuwe teelt plaats kan vinden, dient de grond gemiddeld 1 of 2 jaar te rusten. In de tussentijd worden groenbemesters geplant. Wanneer men door het gebied rijdt, ziet men een verscheidenheid van planten en struiken in verschillende groeistadia afgewisseld met percelen met afrikaantjes of andere groenbemesters. De gehele bedrijfsvoering is op de groeicycli van de gewassen ingericht, met het planten van een nieuw gewas wordt immers voldoen aan de vraag van de toekomst. In bovenstaand figuur 10 is goed de verscheidenheid van de percelen af te lezen. De impact van het directe ruimtebeslag van de windturbine is voor de boomkwekerij sector ingrijpender dan bij ander agrarisch gebruik van gronden. Wanneer gronden worden onttrokken aan deze sector voor het plaatsen van turbines dient rekening gehouden te worden met het volgende: -
Grondwaarden De gronden zijn jarenlang aangepast aan de condities die voor de specifieke gewassen noodzakelijk zijn. Compensatie met andere gronden is daarom niet altijd mogelijk. Verstoring van het systeem Hoewel het fysieke ruimtebeslag van een windturbine relatief klein is, heeft elke onttrekking van gronden een jarenlange impact op de bedrijfsvoering. Immers is elk deel van een perceel nu onderdeel van het meerjaren businessmodel van een kweker. Omdat een gewas niet zomaar op een andere locatie gekweekt of gecompenseerd kan worden kan het onttrekken van gronden impact hebben op de leveringszekerheid van een bedrijf. De afnemersmarkt is relatief klein en bekend. Risico’s voor het verliezen van afnemers kan ontstaan.
De impact van het indirecte ruimtebeslag is minder evident. Werknemers van de tuinders komen gedurende het gehele jaar op de percelen voor diverse werkzaamheden. Milieutechnisch gezien is er geen bezwaar dat de mensen zich bevinden binnen de overzwaai of werpafstand van een turbine. Het is echter onbekend of dit geldt voor alle (weers)omstandigheden. Tijdens een bijeenkomst met de tuinders op 25 juli 2022 zijn de bovenstaande punten naar voren gekomen. Daarnaast hebben de tuinders in Hoogheide hun zorgen geuit wanneer windturbines in het Hoogheide gebied worden geplaatst.
4.8
Energieopbrengst
Om een inschatting te maken van de energieopbrengst tussen de zes varianten, zijn voor scenario hoog en laag elk een bandbreedte aan gangbare turbines binnen de vermogens- en dimensiegrenzen van elk scenario geanalyseerd. De resultaten van alle analyses worden in dit hoofdstuk als bandbreedtes gepresenteerd. Voor het windklimaat is uitgegaan van KNMI North Sea Wind Atlas data uit de periode van 2010 tot 2020 ter hoogte van het Hoogheide en Witveld. Bij de berekeningen is rekening gehouden met het zogverlies van de windturbines onderling. Ook zijn de verliezen die optreden bij volledige mitigatie van slagschaduw en de verliezen voor mitigatie van geluid tot een maximaal niveau van 47 dB Lden meegerekend. Indien het geluidniveau tot een lager niveau gemitigeerd zou moeten worden zijn deze verliezen nog hoger. Voor de overige verliezen, zoals elektrische verliezen door onderhoud of storing, door milieubeperkingen, zogverliezen door windturbines buiten het plangebied e.d. is voor deze verkennende berekeningen uitgegaan van een aanname van 10% verlies. Als aanvullende turbineposities komen te vervallen om overige ruimtelijke knelpunten op te lossen, zoals de geluidbelasting van 47 dB Lden zonder mitigerende maatregelen, dient dit aanvullend verlies nog bepaald te worden.
In Tabel 19 staan de resultaten van de energieopbrengstberekeningen, zonder het schrappen van de (fictieve) turbinelocaties vanwege het aspect geluid ten aanzien van de twee meest kritische woningen. In Tabel 20 staat de netto energieopbrengst na het schrappen van deze turbinelocaties.
41
Datum: 22 februari 2023
MILIEUTECHNISCHE STUDIE WIND
Afbeelding 17 en Afbeelding 18 laten de geschrapte fictieve turbinelocaties bijbehorende bij de energieopbrengst in Tabel 20 zien. Het opgesteld maximaal vermogen in MW vertaalt zich niet altijd tot vergelijkbare netto energieopbrengsten. Dit komt door de verschillen in de verliezen, maar ook door verschillen tussen de powercurves van turbines: Een turbine met een iets lager maximaal vermogen kan in sommige situaties meer energie opwekken omdat deze bij lagere windsnelheden wel een groter vermogen heeft. De bruto en netto energieopbrengst is weergeven in TJ/jaar. 1 TJ per jaar verhoudt zich tot het verbruik van circa 100 huishoudens (2.760 kWh per huishouden per jaar). De laagste en hoogste netto energieopbrengst bij maximale inpassing van de verschillende alternatieven (62 en 375 TJ per jaar) verhoudt zich dus tot het energieverbruik van circa 6.200 en 37.500 huishoudens respectievelijk. In het Kader Opwekking Duurzame Elektriciteit (KODE) van gemeente Horst aan de Maas staat dat de energielandschappen in 2030 met zon en wind 713 TJ (per jaar) gaan opwekken. Dit is onderverdeeld in 223 TJ (per jaar) aan windenergie en 275 hectare zonnepanelen. In tabel 19 is te zien hoe de netto energieopbrengst bij maximale inpassing van de ontwikkelgebieden zich verhoudt met het gemeentelijk besluit omtrent KODE.
Hierbij wordt tevens vermeld dat de sporen uit KODE niet op zichzelf staan, het zijn communicerende vaten. Uiteindelijk gaat het er om dat de totale opgave aan duurzame opwerk gerealiseerd wordt, met daarbij ook de inachtneming van de besparingsopgave. Wanneer een groter aandeel energie uit wind mogelijk en haalbaar blijkt, kan dit betekenen dat een kleiner aandeel energie uit zon nodig kan zijn om de doelstellingen te halen. Dit dient nader onderzocht te worden. Tabel 79 Per alternatief het opgestelde vermogen in MW, de bruto energieopbrengst in TJ/jaar (=1000/3,6 MWh/jaar), de desbetreffende verliezen en de netto energieopbrengst. Het uitgangspunt bij deze tabel is de maximale inzet van het ontwikkelgebied Locatie
Scenario
Opgesteld maximaal vermogen [MW]
Bruto energieopbrengst [TJ/jaar]
Verliezen [%] Zogeffect
Mitigatie geluid bij 47 dB Lden
Mitigatie slagschaduw
Overig* (ruwe schatting)
Netto energieopbrengst [TJ/jaar]****
Hoog
23 – 36
366 – 417
4,0 – 5,4
1,3
2,7
10
303 – 384
Laag
20 – 26
244 – 324
5,1 – 6,2
0,6
1,7
10
202 – 267
Witveld (Incl. Ext. Veiligheid)***
Hoog***
9 – 14
145 – 186
1,4 – 1,9
1,1
3,4
10
123 – 159
Laag***
10 – 13
120 – 160
2,5 – 3,2
1,3
2,4
10
102 – 134
Beide zoekgebieden** (Incl. Ext. Veiligheid)***
Hoog
28 – 43
438 – 562
3,2 – 4,4
1,7
3,0
10
364 – 450
Laag
26 – 34
320 – 425
4,4 – 5,4
0,2
1,9
10
269 – 354
Hoogheide
* Dit betreft een worst-case inschatting van de verliezen door stilstand vanwege onderhoud en storingen, elektrische verliezen en interne consumptie van de turbines, verliezen door de niet-beschikbaarheid van het net, stilstand bij extreme weersomstandigheden, vervuiling of beschadiging van de rotorbladen e.d. ** Voor de simultane ontwikkeling van beide ontwikkelgebieden is vanwege knelpunten op gebied van geluid voor scenario Hoog turbine H5 geschrapt, en voor scenario Laag turbines L3 en L7. Turbines H6 en L7 zijn ook niet aanschouwd vanwege externe veiligheid. *** Bij ontwikkelgebied Witveld zijn turbines H6 en L7 afgevallen vanwege externe veiligheid. De verliezen van geluid en slagschaduw zijn hier niet opnieuw berekend en zullen met het afvallen van deze turbines lager zijn. **** Groen of oranje gearceerd wil zeggen dat met dat scenario geheel of deels wordt voldaan aan de opgave van 223 TJ uit KODE
42
Datum: 22 februari 2023
MILIEUTECHNISCHE STUDIE WIND
Tabel 20 Inschatting van de vermindering in energieopbrengst door het schrappen van turbinelocaties L3, L8, H5 of H7, zodat ook aan de twee meest kritische woningen aan de Losbaan en de Horsterweg aan 47 Lden wordt voldaan. De inschatting van het percentage is de fractie tussen het aantal turbines dat in het scenario gesaneerd wordt en het totaal aantal turbines in het scenario. Locatie
Scenario
Turbines
Inschatting verlies door sanering van L3 en L8 (laag) of H5 en H7 (hoog)***
Netto energieopbrengst [TJ/jaar]****
Hoogheide
Hoog
H1–H5
20%
242 – 307
Laag
L1–L6
17%
168 – 223
Hoog
H7–H8
50%
62 – 80*
Laag
L8–L10
33%
68 – 89*
Hoog**
H1–H4 + H7–H8
17%
303 – 375
Laag**
L1–L2 + L4–L6 + L8–L10
13%
235 – 310
Witveld*
Beide zoekgebieden*
* Bij zoekgebied Witveld zijn ook turbines H6 en L7 afgevallen vanwege externe veiligheid. Wellicht dat door middel van herpositionering er géén extra turbine hoeft af te vallen en hier dus geen verlies is. ** H5 en L3 in Hoogheide zijn hier al geschrapt vanwege de cumulatie van het geluid van beide zoekgebieden. Voor scenario laag zal door deze cumulatie turbine L2 wel met 4 dB in de nacht gereduceerd moeten worden. *** In werkelijkheid zal het verlies iets minder zijn vanwege de afname van overige verliezen, zoals zogeffecten en benodigde mitigatie voor geluid en slagschaduw **** Groen of oranje gearceerd wil zeggen dat met dat scenario geheel of deels wordt voldaan aan de opgave van 223 TJ uit KODE
43
Datum: 22 februari 2023
MILIEUTECHNISCHE STUDIE WIND
4.9
Resultaten beoordeling op milieueffecten voor scenario ontwikkeling ‘beide gebieden’
Afbeelding 17 Stoplichtnotatie van de fictieve turbinelocaties van scenario hoog. Groen staat voor geen knelpunten/rood staat voor wel knelpunten.
Afbeelding 18 Stoplichtnotatie van de fictieve turbinelocaties van scenario laag. Groen staat voor geen knelpunten/rood staat voor wel knelpunten.
Turbinelocatie H5 valt af vanwege aspect geluid op een woning aan de Losbaan of vanuit meerdere woningen bij maximale inzet van beide zoekgebieden.
Turbinelocatie L3 valt af vanwege aspect geluid op een woning aan de Losbaan of vanuit meerdere woningen bij maximale inzet van beide zoekgebieden.
Turbinelocatie H6 valt af door aspect externe veiligheid.
Turbinelocatie L7 valt af door aspect externe veiligheid.
Turbinelocatie H7 valt af door aspect geluid op een woning aan de Horsterweg.
Turbinelocatie L8 valt af door aspect geluid op een woning aan de Horsterweg.
44
Datum: 22 februari 2023
MILIEUTECHNISCHE STUDIE WIND
5
Netcongestie
5.1
Stand van zaken
Om te bepalen hoe groot de problematiek van netcongestie in de ontwikkelgebieden is ten eerste gekeken naar de capaciteitskaart elektriciteitsnet van Netbeheer Nederland 23. Deze geeft aan of er, zowel op het gebied van afname als invoeding, netcongestie is afgeroepen. De resultaten voor Horst zijn weergeven in figuur 11.
Figuur 11 Status netcongestie Horst
Voor het gebied waar de ontwikkelgebieden zijn gesitueerd, is een vooraankondiging van structurele congestie afgegeven voor afname van stroom en is er al sprake van een structurele congestie voor het terugleveren van stroom (invoeding). Dit betekent dat de netbeheerder een congestie-onderzoek dient uit te voeren om zo een oplossing te kunnen vinden zodat er wel stroom kan worden afgenomen. Indien die oplossing er niet komt, wordt er door de netbeheerder structurele congestie afgeroepen (aangegeven met een rode kleur). In deze situatie worden nieuwe aanvragen niet gehonoreerd en op de wachtlijst geplaatst. Voor invoeding, wat voor de windturbines van belang is, is deze structurele congestie al afgeroepen. Dit betekent dat een aanvraag in beginsel niet gehonoreerd zal worden. De grootte van het netcongestieprobleem kan beter in kaart gebracht worden door het desbetreffende congestie-onderzoek nader te bekijken. De ontwikkelgebieden voor wind maken onderdeel uit van het verzorgingsgebied van netbeheerder Enexis. Gezien de grotere vermogens van windmolens is het waarschijnlijk dat het windmolenpark direct op het onderstation wordt aangesloten. Voor dit gebied liggen er twee onderstations in de buurt waarop het park aangesloten kan worden, het onderstation Figuur 12 Ligging onderstations Horst in Horst en Californië.
De ligging van de onderstations in Horst zijn weergeven in figuur 12.
23
https://capaciteitskaart.netbeheernederland.nl/. Data van 18-11-2022
45
Datum: 22 februari 2023
MILIEUTECHNISCHE STUDIE WIND
Het congestie-onderzoek voor het onderstation Horst geeft inzicht in de grootte van het netcongestieprobleem. In 2019, het moment waarop het congestie-onderzoek verricht is, is er nog geen sprake van het bereiken van de totale transportcapaciteit. De maximale transportcapaciteit is de laagste transportcapaciteit van Enexis danwel TenneT. In de situatie van Horst is TenneT de beperkende factor. De maximale transportcapaciteit van TenneT is namelijk 50 MW (N-1 capaciteit), waar die van Enexis 98 MW bedraagt. In de afgelopen jaren is er een sterke groei van decentrale opwekking in Horst geweest, met name door zonnepanelen. Hierdoor is in 2022 een transportcapaciteit van 58 MW voor teruglevering benodigd, wat boven de transportcapaciteit van 50 MW ligt. Hierdoor kan niet alle opgewekte stroom teruggeleverd worden aan het hoogspanningsnet. Bovendien is er nog voor een additionele 64,25 MW aan initiatieven bekend, afkomstig van 88 klanten. Doordat netbeheerders het principe van first come, first served hanteren, betekent dit dat deze initiatieven in beginsel eerder een aansluiting zullen krijgen. Figuur 13 visualiseert de in 2021 verwachte belasting van het onderstation in Horst in 2022.
Vraag naar capaciteit groter dan aanbod
Figuur 13 Verwachte belasting onderstation Horst in 2022
Om een idee te krijgen wanneer de netcongestieproblematiek opgelost wordt, worden de inzichten uit de congestieonderzoeken en de investeringsplannen van Enexis en TenneT gecombineerd. Enexis geeft aan een majeure investering in het onderstation in Horst uit te voeren tussen 2023 en 2025, waarmee haar teruglevercapaciteit wordt uitgebreidt van 98 MW naar 188 MW. Maar zoals is aangegeven, vormt TenneT echter de bottleneck in Horst. Tennet geeft in zijn investeringsplannen aan dat de uitbreiding van de transportcapaciteit pas tussen 2027 en 2029 gereed zal zijn. Zoals eerder vermeld zijn er 88 aanvragen, met een totaal vermogen van 64,25 MW, die op de wachtlijst staan. Het is dus geen zekerheid dat een aansluiting direct na het verhogen van de transportcapaciteit gereed/mogelijk zal zijn.
46
Datum: 22 februari 2023
MILIEUTECHNISCHE STUDIE WIND
Congestiemanagement Bovendien kan Enexis in het gebied rond Horst ook geen congestiemanagement toepassen om een tijdelijke oplossing te bieden voor de huidige problematiek. Congestiemanagement, waarbij klanten kunnen worden afgeschakeld wanneer het bereiken van de transportcapaciteit dreigt, is niet mogelijk. De grootte van de schaarste is simpelweg te groot, de overschrijding van de transportcapaciteit bedraagt namelijk 242%, waar een criterium van ten hoogste 20% wordt gehanteerd om congestiemanangement toe te kunnen passen. Bovendien zijn er onvoldoende bedienbare knooppunten in het net om de verwachte overbelastingen te kunnen beheersen én zijn het merendeel van alle aansluitingen niet voorzien van distributie-automatisering. Om congestiemanagement operationeel te kunnen uitvoeren, dienen er daardoor investeringen gedaan te moeten worden, die veel tijd en geld kosten. Volgens informatie van Enexis is de beschikbare capaciteit van de onderstations rond tot circa 2027/2028 verzwaard. Het is maatschappelijk niet te rechtvaardigen om voor de periode tot 2027/2028 al grote aanvullende investeringen te doen. Als laatste mogelijkheid kan TenneT gebruik maken van het Besluit Uitvalsituaties Hoogspanningsnet. Hiermee kan TenneT de ‘reservestrook’ van het net gebruiken om meer capaciteit te kunnen bieden.
Het congestie-onderzoek van Enexis geeft echter aan dat dit voor het netdeel Horst geen extra transportruimte zal opleveren, waardoor er geen nieuwe initiatieven aangesloten kunnen worden.
5.2
Beleidskaders windenergie
In KODE, Kader Opwek Duurzame Elektriciteit van de gemeente Horst, zijn de volgende doelstellingen rondom opwek van duurzame energie gesteld: • •
2030: 30% van totale energievraag wordt lokaal opgewekt met zon, wind en duurzame warmte 2050: 100% van energievoorziening in Horst is duurzaam
Specifiek heeft de gemeente Horst aan de Maas berekent dat het hierdoor in 2030 ongeveer 1.150 TJ (0,319 TWh of 319.000 MWh) aan elektriciteit uit zon en wind nodig heeft. Uit deze duurzaam opgewekte elektriciteit dient er 223 TJ uit wind te komen (0,061 TWh of 61.000 MWh). Indicatief gaat dit om de stroom uit ongeveer 7 windturbines van 4,5 MW vermogen per turbine. Om een idee te krijgen welke aansluiting er nodig is om 7 windmolens aan te sluiten hebben, is er een beeld van de piekproductie van de windturbines benodigd. Met renewables.ninja24 kan er een inschatting gemaakt worden van de opwek per windmolen, gebaseerd op o.a. lokale weerdata en lokale windsnelheden gemeten in de afgelopen jaren. Figuur 14 geeft deze inschatting van gemiddelde en piekproductie weer.
Opwek in MWh
4,00
Benodigde aansluiting
3,00 Piek opwek 2,00 Gemiddelde opwek 1,00 1
2
3
4
5
6
7
8
9
10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24
Figuur 14 Gemiddelde en piekproductie per uur per windmolen
24
renewables.ninja is een tool om de opwek van zon- en wind in te kunnen schatten aan de hand van vermogens- en lokale weerdata
47
Datum: 22 februari 2023
MILIEUTECHNISCHE STUDIE WIND
Om alle opgewekte stroom van de windturbines af te kunnen voeren, is er een aansluiting van ongeveer ~3,3 MVA nodig. Het is uiteraard ook mogelijk om de windturbines op een kleinere aansluiting aan te sluiten, waardoor er elektriciteit opgewekt tijdens piekmomenten niet kan worden terug geleverd. Dit soort momenten komen echter maar weinig voor, waardoor het verlies relatief klein zal zijn. Als de zeven beoogde molens op één aansluiting komen, is er ongeveer 23 MVA aan aansluitcapaciteit benodigd. Dit valt in de categorie van maatwerkaansluitingen voor de netbeheerder, namelijk aansluitingen >10 MVA. De benodigde doorlooptijd en kosten van een dergelijke aansluiting zijn daarmee niet vooraf bekend. Het zwaartepunt van de jaarlijkse opwek aan windenergie ligt in de wintermaanden (van oktober tot maart). In die maanden zal er dan ook relatief het meest tegen piekvermogens geproduceerd worden. In de resterende maanden van het jaar ligt de productie gemiddeld lager, en is de kans op het niet kunnen terug leveren van de opgewekte windenergie kleiner. Figuur 15 laat de gemiddelde uurproductie over de verschillende maanden per jaar zien. Een indicatief zonprofiel is bijgesloten om te laten zien dat deze sterk complementair is aan de opwek van wind.
Opwek in MWh
2,50
Indicatief zonprofiel
2,00 1,50 1,00 0,50 jan
feb
mrt
apr
mei
jun
jul
aug
sep
okt
nov
dec
Figuur 15 Gemiddelde uurproductie per maand (incl. indicatief zonprofiel)
5.3
Analyse oplossingen
Globaal genomen zijn er een aantal categorieën aan oplossingen die er binnen de grenzen van een project toegepast kunnen worden om netcongestie te omzeilen. Tabel 21 beschrijft deze opties en of deze toepasbaar zijn voor de situatie in Horst. Tabel 21 Oplossingen netcongestie Beschrijving
Toepasbaarheid in Horst
Cable pooling
Koppelen van een zon- en windpark op één aansluiting
Mits lokale beschikbaarheid van zon
Directe uitwisseling
Uitwisseling van vraag en aanbod achter de Mits lokale beschikbaarheid van afnemers meter door directe verbinding tussen vraag en aanbod Relevant voor zon, niet voor wind
Andere oriëntatie Begrenzing Conversie
Waterstof Warmte
Opslag
Overig Batterij Overig
48
Beperken van piekvermogen om binnen de capaciteit van netaansluiting te blijven Converteren van elektriciteit naar andere energievorm, waterstof, warmte of andere bronnen (bijv. perslucht of waterdruk)
Aangezien er überhaupt geen aansluiting mogelijk is Mits lokale beschikbaarheid van afnemers
Opslag van productie om op een ander moment te kunnen gebruiken
Niet mogelijk als losse oplossing, alleen in combinatie met andere oplossingen.
Datum: 22 februari 2023
MILIEUTECHNISCHE STUDIE WIND
Voor de verdere analyse van netcongestie oplossingen in Horst worden een “andere oriëntatie” en “begrenzing” niet meegenomen, omdat deze niet toepasbaar zijn. Aangezien de toepasbaarheid van de oplossingen die wel meegenomen worden sterk afhankelijk zijn van de lokale context, is er eerst gekeken of er in de nabijheid van de ontwikkelgebieden de benodigde ingrediënten voor de genoemde oplossingen aanwezig zijn: • • •
Zonneparken voor cable pooling Afnemers van elektriciteit voor directe uitwisseling Afnemers van waterstof, warmte of een andere bron voor conversie
Figuur 16 visualiseert de uitkomst van deze analyse. Op basis van lokale beschikbaarheid kan geconcludeerd worden dat elk van de oplossingen mogelijk zijn. Zo zijn er in de buurt van de ontwikkelgebieden meerdere (toekomstige) zonneparken en bevinden zich in de omgeving van de ontwikkelgebieden zowel glastuinbouw en intensieve veehouderijen. Met name in de glastuinbouw is er sprake van een significante elektriciteits- en warmtevraag. Intensieve veehouderijen hebben met name een elektriciteitsvraag. Ook is het goed mogelijk dat deze vraag in de toekomst verder toeneemt, doordat de gemeente ontwikkelgebieden heeft aangewezen voor zowel glastuinbouw als intensieve veehouderijen. Een opslagoplossing kan in de buurt van een vragende partij worden geplaatst en is daarmee niet locatie specifiek.
Figuur 16 Aanwezige ingrediënten voor netcongestie oplossingen
Om tot een rangschikking van de verschillende oplossingen te kunnen komen, is er een techno-economische analyse uitgevoerd. Aan de hand van 3 criteria is er gekeken welke oplossing technisch en economisch gezien het meest haalbaar is: 1. Is er via de oplossing alsnog een aansluiting op het net te realiseren? 2. Hoe verloopt het transport van de elektronen en/of moleculen? 3. Is er opslag benodigd om de oplossing werkbaar te maken?
49
Datum: 22 februari 2023
MILIEUTECHNISCHE STUDIE WIND
De uitkomst van deze analyse leidt tot een waardering op techno-economisch vlak. Tabel 22 laat de uitkomst van deze analyse zien. Cable-pooling is vanuit techno-economisch perspectief een haalbare oplossing. Er is (indirect) een aansluiting op het net haalbaar, waardoor er ook geen opslag benodigd is. Directe uitwisseling is naast cable pooling ook haalbaar. Er wordt nog steeds gebruikt gemaakt van transport via stroomkabels, maar er zal een opslagmogelijkheid zijn doordat vraag en aanbod niet volledig gelijktijdig zijn. Conversie is de minst haalbare oplossing. Hoewel de daadwerkelijke haalbaarheid sterk afhankelijk is van de toegepaste conversiemethode, dient transport op een andere methode dan stroomkabels plaats te vinden. Zo is een pijpleiding een optie, maar kan transport ook via vervoer plaatsvinden. Beide opties zijn echter minder efficiënt dan stroomtransport. Daarnaast is ook in deze oplossing opslag nodig. Doordat dit geen elektriciteitsopslag betreft en daardoor in de markt nog minder volwassen is, is het zeer aannemelijk dat dit techno-economisch gezien moeilijker te realiseren is. Er zijn wel ontwikkelingen voor de productie van groene waterstof in de gemeente, in de nabijheid van het ontwikkelgebied Witveld/Klaver11. Maar het is de vraag of en wanneer er behoefte is aan meer grootschalige duurzame opwek via windturbines.
Tabel 22 Techno-economische analyse netcongestie oplossingen Aansluiting op net
Transport via
Opslag benodigd
Waardering
Cable pooling
Ja
+++ Elektriciteitsnet
+++ Geen opslag benodigd, levering aan net
+++
Directe uitwisseling
Nee
++ Stroomkabels
++ Opslag via batterij
++
Conversie
Nee
+ Pijpleiding en/of vervoer
+ Opslag van waterstof en/of hitte
+
Een laatste vraag in de analyse van netcongestie-oplossingen is in hoeverre de vraag lokaal inpasbaar is. Er dient namelijk voldoende aansluitcapaciteit (in het geval van cable pooling) of vraag (in het geval van directe uitwisseling en/of conversie) te zijn. Indien de opwek van windmolens niet met één oplossing kan worden afgedekt, zijn er combinaties van oplossingen nodig. Dit leidt tot inefficiënties, wat de kosten omhoog drijft. In tabel 23 zijn de mogelijke oplossingen opgesomd. Tabel 23 Lokale inpasbaarheid oplossingen Oplossing
Toelichting
Cable pooling
• Doordat er een koppeling met (maar) 2 zonneparken nodig is, is dit makkelijker te realiseren dan de andere opties en zullen benodigde investeringen lager zijn • Vraag en aanbod staan in verhouding met elkaar: er is in totaal voor 32,5 MWp in totaal aan vermogen uit zonneparken geïnstalleerd over 2 parken. Dit komt ongeveer overeen met de gepland 31,5 MW vermogen aan windmolens • Het is echter onduidelijk welke aansluiting deze 2 parken gebruiken. Uitsluitsel hierover zal meer duidelijkheid geven in hoeverre en hoeveel windmolens er kunnen cable poolen met het zonnepark
Directe uitwisseling
• Vraag naar elektriciteit is gefragmenteerd over veel verschillende bedrijven, hiervoor zijn er veel verschillende aansluitingen nodig. Dit drijft de benodigde investeringen omhoog • Bovendien geeft een eerste inschatting25 van het energieverbruik voor de glastuinbouwpercelen in Californië aan dat de lokale vraag niet voldoende is om de opwek van 1 windmolen af te kunnen nemen. ~20% van de opwek van 1 windmolen kan alle kassen van elektriciteit voorzien, en ~50% van de totale warmtevraag. Er is dus een veelvoud aan de lokale vraag nodig om de opwek van 7 windmolens af te kunnen nemen
25
Inschatting elektriciteit en warmte per m2 op basis van Energiemonitor glastuinbouw 2020. Warmtevraag zonder conversieverliezen bij omzet elektra naar warmte
50
Datum: 22 februari 2023
MILIEUTECHNISCHE STUDIE WIND
Conversie
• H2: Er is geen directe lokale H2 vraag. H2 zou gebruikt kunnen worden om de warmtevraag uit gas te vervangen, echter is dan een directe omzet naar warmte een logischere keus • Warmte: Het glastuinbouwgebied en de intensieve veehouderijen hebben beiden een warmtevraag. Door conversieverliezen is het echter pas logisch om te converteren naar warmte wanneer er een overschot aan elektriciteit is • Bovendien is transport complex voor beide opties. Je hebt een pijpleiding nodig die vele malen duurder is dan elektriciteits-kabels. Ofwel je moet transporteren met wegtransport, wat erg inefficiënt is
Cable pooling is zeer waarschijnlijk volledig lokaal inpasbaar. Voor directe uitwisseling is de vraag meer verspreid en bovendien lokaal niet groot genoeg. Voor de conversieoplossingen is er geen directe lokale vraag naar waterstof, warmte is alleen een logisch keus bij een overschot aan elektriciteit. Figuur 17 illustreert de lokale ruimtelijke inpasbaarheid van de verschillende netcongestie oplossingen.
Figuur 17 Ruimtelijke inpassing netcongestie oplossingen
51
Datum: 22 februari 2023
MILIEUTECHNISCHE STUDIE WIND
5.4
Conclusies en aanbevelingen
Door netcongestie is het in Horst op dit moment niet mogelijk om een netaansluiting te realiseren voor opwek van hernieuwbare energie. Nieuwe aansluitingen worden structureel niet gehonoreerd. Horst heeft echter een serieuze klimaatopgave. Vanuit het KODE heeft het aangegeven 0.611 TWh aan wind te willen opwekken voor 2030. Indicatief zijn dit ongeveer ~7 windmolens van 4,5 MW. Om de ontwikkeling van hernieuwbare energie niet te vertragen, zijn alternatieven voor een (directe) netaansluiting onderzocht. Cable pooling, directe stroomuitwisseling en conversie zijn realistische alternatieven in Horst, aangezien de juiste benodigdheden (zonneparken en/of een vraag naar stroom/warmte) lokaal in Horst aanwezig zijn. Uit technoeconomisch perspectief heeft cable pooling de voorkeur, aangezien er hiermee nog steeds een (indirecte) aansluiting op het net te realiseren is en er daardoor geen lokale opslag benodigd is. Een initiële analyse toont aan dat er voldoende vermogen aan zonne-energie aanwezig in Horst om de vermogens uit wind via cable pooling mogelijk te kunnen maken. Daarmee is cable pooling de voorkeursoplossing in Horst. Het is hierbij ook goed te benoemen dat dit ook een kans is.
Mochten er in de ontwikkeling van de zoekgebieden geconcludeerd worden dat er ruimte is voor meer windmolens, of additionele zoekgebieden voor wind aangewezen worden, dan kan er tegelijkertijd ook nagedacht worden over het toevoegen van additionele zonneparken in het glastuinbouwgebied van Horst. Dit sluit namelijk aan bij de beleidskaders van Horst, waar in het KODE is opgenomen dat incourante als glastuinbouw bestemde kavels in aanmerking komen voor de ontwikkeling van zonneweides. Het tegelijkertijd ontwikkelen van wind en koppelen door middel van cable pooling biedt een mogelijkheid om efficiënter aan te sluiten tegen lagere netbelasting. Om deze kans te realiseren, dient er een aantal zaken verder onderzocht te worden. Zo dient Horst in gesprek gaan met de exploitant van de zonneparken, om de volgende zaken te bepalen: Welke aansluiting wordt gebruikt door de zonneparken? Hoeveel wekken de zonneparken jaarlijks aan elektriciteit op? Is er binnen de aansluiting ruimte om te cable poolen en hoeveel? Hoe zou dit werkbaar gemaakt kunnen worden? Welke investeringen zijn er hiervoor benodigd? Bovendien dient Horst in gesprek te gaan met Enexis en TenneT om duidelijkheid te krijgen wanneer er een netaansluiting mogelijk zou zijn, rekening houdend met de wachtrij aan aansluitingen. Een laatste aanbeveling betreft de gemeente Horst zelf.
Als gemeente dient het een gesprek aan te gaan over wat mogelijke alternatieven zijn wanneer er, zelfs met de geboden oplossingen, geen of minder windmolens kunnen worden gerealiseerd.
52
Datum: 22 februari 2023
MILIEUTECHNISCHE STUDIE WIND
6
Conclusie en aanbevelingen
De gemeente Horst aan de Maas is in voorbereiding van een gebiedsontwikkeling voor het projectgebied A73/Maaslijn. Directe aanleiding voor de gebiedsontwikkeling is de wens van de gemeente om in 2030 30% van de energie duurzaam lokaal op te wekken. In 2021 is de Gebiedsverkenning Energielandschappen uitgevoerd voor onder andere dit gebied. Hierin is duidelijk naar voren gekomen dat een mogelijke plaatsing van windturbines in samenhang dient te worden bekeken met andere ontwikkelingen en uitdagingen in dit gebied. Als onderdeel van deze gebiedsontwikkeling is onderhavige milieutechnische studie uitgevoerd. Daarin is specifiek ingegaan op het onderdeel wind.
Conclusies -
-
-
-
-
-
53
Nationale windturbinebepalingen: zijn nog niet definitief, gemeente kan lokale normen bepalen met betrekking tot milieubeschermingsniveau. Milieutechnische studie is uitgevoerd op basis van de ontwikkelgebieden die voortgekomen zijn uit de gebiedsverkenning Energielandschappen in november 2021, namelijk Hoogheide en Witveldweg. Daarnaast is ontwikkelgebied Klaver 11 als mogelijke locatie geanalyseerd. Uit deze analyse blijkt dat er meerdere belemmeringen zijn in Klaver 11. Zo is er tussen de verblijfsobjecten weinig fysieke ruimte beschikbaar en de fysieke ruimte die beschikbaar is, wordt grotendeels beperkt door de hoogspanningslijn die Kalver 11 doorkruist. Daarnaast liggen er aan de Horsterweg en de Californische weg verschillende verblijfsobjecten. Vanuit deze analyse kan geconcludeerd worden dat er slechts ruimte is voor één enkele windturbine. Daarmee voldoet het gebied Klaver 11 niet aan de uitgangspunten uit KODE. Binnen een Energielandschap dienen namelijk meerdere windturbines geclusterd geplaatst te worden. Om deze reden is dit gebied niet verder meegenomen in deze milieutechnische studie. Om gevoel te krijgen bij de verschillende mogelijkheden en milieueffecten zijn twee type scenario’s gebruikt: hoog en laag. Beide scenario’s zijn fictief en gemaximaliseerd omwille van het onderzoek. Deze scenario’s zijn afgestemd met de gemeente en energiecoöperatie.
Voor het aspect Geluid blijkt dat wanneer een geluidsnorm van 47 db Lden wordt gehanteerd er – zonder mitigerende maatregelen – voor zowel Hoogheide, Witveldweg en beide gebieden gecombineerd sprake is van meerdere geluidsgevoelige objecten waar deze norm overschreden wordt. Er zijn beperkte mitigerende maatregelen mogelijk. Het onderzoek toon tevens aan dat voor het merendeel van gevoelige objecten in de gemeente geen sprake is van overlap. Voor het aspect Slagschaduw is berekend dat met gemiddeld 177 stilstandsuren per jaar (scenario laag) en 258 stilstandsuren (scenario hoog) de onaanvaardbare hinder voorkomen kan worden. Dit levert 2% respectievelijk 3% verlies in opbrengst. Afhankelijk van keuze windturbine kan het percentage nog wijzigen. Voor het aspect Externe veiligheid is gebleken dat met toepassing van vuistregels blijkt dat zowel voor scenario hoog als laag één turbine een ruimtelijk knelpunt vormt. Voor de periodieke aanwezigheid van mensen in het windpark bestaan geen vuistregels en zal aanvullend onderzoek gedaan moeten worden. Voor het aspect Natuur is gebleken dat beide ontwikkelgebieden geen rol spelen voor de instandhouding van nabijgelegen natura-2000 gebieden. Daarnaast maken de ontwikkelgebieden geen onderdeel uit van het provinciaal natuur-netwerk. Voor beide gebieden kunnen aanvaringsrisico’s met vogels en vleermuizen niet worden uitgesloten.
Voor het aspect Landschap is gebleken dat beide ontwikkelgebieden niet uitgesloten zijn voor wind op grond van provinciaal beleid. Provinciaal beleid geeft de voorkeur om clusters van tenminste zes turbines te realiseren. Hoogheide Laag voldoet aan dit criterium. Voor andere scenario’s is maatwerk vereist. Voor het aspect Ruimtegebruik dient onderscheid gemaakt te worden tussen direct en indirect ruimtegebruik. Het gebied Hoogheide kent een systeem van boomkwekers en één of meerdere windturbines verstoren naar verwachting dit systeem. Mitigatie in verloren oppervlak is daardoor niet zondermeer de oplossing. Er ontbreekt nog informatie over de situatie omtrent het gebied Witveldweg. Voor het aspect Energieopbrengst zijn de gevolgen van de aspecten geluid en externe veiligheid meegenomen in de berekening. Dit wil zeggen dat er enkele windturbines zijn afgevallen en dus niet zijn meegenomen in de opbrengstberekeningen. Om te voldoen aan de opgave KODE (223 TJ), vallen de scenario’s Hoogheide Hoog en Beide ontwikkelgebieden Hoog en Laag binnen de gemeentelijke energieopgave.
Datum: 22 februari 2023
MILIEUTECHNISCHE STUDIE WIND
-
Voor het aspect Netcongestie kan worden geconcludeerd dat er momenteel sprake is van congestie en een traditionele aansluiting van nieuwe windpark(en) op het net niet zondermeer mogelijk is. Er is echter een aantal realistische en techno-economisch interessante alternatieven, zoals cable pooling, directe stroomuitwisseling en conversie. Cable pooling geniet hierbij op basis van dit onderzoek te voorkeur, vanwege de potentie van zon binnen de gemeente Horst. Hierover dient nadere afstemming plaats te vinden met zowel de exploitant van bestaande zonneparken als de netbeheerders.
Onderzoeksvragen De volgende twee vragen staan centraal in de milieutechnische studie: 1. Welke mogelijkheden en onmogelijkheden zijn er voor de plaatsing van windturbines op basis van een eerste milieutechnische studie? 2. Zijn er verschillen in geschiktheid tussen verschillende gebieden voor het plaatsen van windturbines op basis van deze eerste studie? In reactie daarop: 1. Op basis van de studie kan worden geconcludeerd dat er mogelijkheden zijn voor de plaatsing van windturbines en dat enkele scenario's voldoen aan de ambities zoals vastgelegd in KODE. De aspecten Geluid, Slagschaduw en Externe Veiligheid leveren ruimtelijke knelpunten op. Echter, hiervoor kunnen mitigerende maatregelen geformuleerd worden waardoor de knelpunten (deels) tenietgedaan worden. Het onderzoek toont tevens aan dat er scenario’s zijn waarbij een groter aandeel energie uit wind behaald kan worden dat vastgelegd in KODE. Gelet op de totale opgave duurzame opwek waar de gemeente voor staat, kan dit betekenen dat een kleiner aandeel energie uit zon gerealiseerd hoeft te worden om aan de totale opgave te voldoen. 2. Afhankelijk van de gehanteerde scenario’s, treden er voor beide gebieden knelpunten op. Het onderzoek heeft geen scenario opgeleverd waarbij één gebied er in alle opzichten bovenuit steekt.
Voor bovengenoemde drie aspecten dienen technische en/of financiële maatregelen getroffen te worden om knelpunten weg te nemen. Vanuit natuur bezien lijkt Hoogheide minder geschikt, maar niet onmogelijk. Vanuit landschap scoren beide gebieden vergelijkbaar. Ruimtegebruik is met name afhankelijk van de uiteindelijke opstelling van turbines, maar niet zozeer gekoppeld aan een gebied.