Adromi 2501g SPZ Kasteel Ooijen def (Geanonimiseerd)
Tekst van het document
NN ï ADROMI
Project:
Actualisatie
Onderwerp:
Recreatiepark
Oe
Gezondheidsrisico
Kasteel Ooijen
blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen wil/L202506/2501g
Kenmerk:
-
GROEP
Adromi
BV.
Reeweg
146
3343 AP
Hendrik-ldo-Ambacht
T078-684
55
55
Auteurs:
(geanonimiseerd)
F 078
Datum:
5-3-2025
algemeen@adromi.nl
Bijlagen:
-
—
684 55 59
www.adromi.nl
ee
1. Inleiding Onderhavige notitie
is
opgesteld
in
opdracht van Recreatiepark
Kasteel Ooijen. Dit in verband
ontwerp bestemmingsplan “Actualisatie Recreatiepark Kasteel Ooijen”
betrekking
op
beperkte herziening
een
van
de
23
van
bestemmingsregeling van
het
juni
2022.
Dit
recreatiepark.
het
met
plan
heeft
Daarnaast
wordt met dit
plan de bestemming van het agrarische bedrijf aan de Horreweg 4 te Broekhuizervorst omgezet naar een bestemming voor drie bedrijfswoningen en kantoor bij het recreatiepark. de
ligging van Horreweg 4 in agrarisch gebied is door de gemeente verzocht om zogenaamd locatiespecifiek onderzoek om dit onderdeel van het plan juridisch te kunnen
Vanwege
onderbouwen.
In een
dergelijk onderzoek worden de mogelijke gezondheidsrisico’s blootstelling aan drift van gewasbeschermingsmiddelen.
samenhangen
met
Op het ontwerp bestemmingsplan is, overeenkomstig artikel
4.4 van
een
beoordeeld die
de Invoeringswet omgevingswet,
nog de Wet
ruimtelijke ordening van toepassing. Echter vanuit oogpunt van goede ruimtelijke ordening wordt in onderhavige notitie waar relevant ingegaan op de Omgevingswet. 11.
Locatiespecifiek onderzoek In het kader van een locatiespecifiek onderzoek vragen te worden
1)
Of toevoeging
van
de nieuwe
driftgevoelige bestemmingen
beperkingen bij toepassing gronden van derden; Of
sprake
k van de
driftblootstelling dienen
de
volgende
twee
beantwoord:
leidt
2)
naar
is van
van
tot
(verdergaande) potentiële
gewasbeschermingsmiddelen
op
omliggende agrarische
evenwichtige toekenning van functies aan locaties (artikel 2.1 lid 3 onder Omgevingswet) in het licht van mogelijk nadelige effecten van driftblootstelling op de een
gezondheid. 1.2.
Drift, gezondheid, aandachtsafstanden In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan gezondheidsaspect in de beschouwing te worden betrokken.
Adromi
B.V.
locaties dient ook het
Pagina 1 van 35
Uit rechtspraak op grond van de Wet ruimtelijke ordening volgt dat in het kader van de goede ruimtelijke ordening per situatie dient te worden beoordeeld of sprake is van een aanvaardbaar risico op blootstelling aan
drift (d. w. z. onbedoelde verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen buiten het behandelde perceel via de lucht). In deze rechtspraak wordt een aandachtszone geformuleerd van 50 meter tussen gevoelige functies
gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt.1 Indien een kortere afstand wordt aangehouden tussen een gevoelige functie en gronden waar sprake kan zijn van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen dan dient een planologisch besluit volgens genoemde rechtspraak te voorzien in een deugdelijke motivering middels een zogenaamd ‘locatiespecifiek onderzoek’. en agrarische percelen waar
,
Een reguliere aanwezigheid in de buitenlucht dient hierbij als het bepalende blootstellingsscenario te worden beschouwd. Hiervan is bijvoorbeeld sprake in een tuin. Blootstelling in een gebouw is niet
bepalend alleen al omdat inpandig geen sprake zal zijn van blootstelling van de huid (druppels) en/of orale blootstelling (hand-mond bewegingen – primair relevant voor kinderen). ,
Onderhavige onderzoeksnotitie beoogt te voorzien in genoemd locatiespecifiek onderzoek ter onderbouwing dat een kortere afstand als ruimtelijk aanvaardbaar kan worden beschouwd. In deze notitie wordt enkel het professionele gebruik van gewasbeschermingsmiddelen beschouwd in bedrijfsmatige context. Particulier gebruik en professionele inzet van gewasbescherming in niet
agrarisch cq. openbaar gebied (zoals op laanbomen parkvegetatie sportvelden natuurgebieden en begraafplaatsen) is niet beschouwd. ,
,
,
1. 3. Representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden Op basis van rechtspraak dient bij het bepalen van de invloed van bedrijfsmatige activiteiten op het woon- en leefklimaat , waaronder ook de
invloed toepassing van gewasbeschermingsmiddelen te worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale functiemogelijkheden die het Omgevingsplan biedt.2 ,
Deze invulling dient representatief te zijn in die zin dat in principe geen rekening hoeft te worden gehouden met een ingrijpende of anderszins niet voor de hand liggende omschakeling in de bedrijfsactiviteiten. De invulling dient daarentegen maximaal te zijn in relatie tot de bestemde teeltmogelijkheden met bijbehorende toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Idem dient ,
,
rekening te worden gehouden met een maximale invulling van de beoogde gevoelige functies. Doel van deze aanpak is een worstcase benadering waarbij rekening wordt gehouden met toegelaten exploitatiemogelijkheden zonder dat dit mag leiden tot een woon- en leefklimaat dat niet
1
ABRvS 30 maart 2016 ECLI:NL:RVS:2016:855 ABRvS 17 november 2011 ECLI:NL:RVS:2021:2579 r. o. 9. 5. 2
Adromi B. V.
,
,
,
r. o. 4. 3. en ABRvS
25 april 2024 ECLI:NL:RBOVE:2024:2225 ,
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 2 van 35
aanvaardbaar is gelet op hiermee mogelijk samenhangende gezondheidseffecten (ook op de lange termijn). ,
Adromi B. V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 3 van 35
2.
Locatie en omgeving
2. 1.
Horreweg 4
2. 1. 1. Bestaande situatie De Horreweg 4 betreft in de huidige situatie een agrarisch bedrijf. Op de locatie is sprake van een bedrijfswoning en de nodige opstallen in de vorm van schuren en stallen. De locatie is gelegen in agrarisch gebied. Ten zuiden aan de Horreweg 1 en 2 en de Blitterswijckseweg 8 en 10 is sprake van woningen. ,
,
2. 1. 2.
Beoogde situatie
Zoals aangegeven omvat het ontwerp bestemmingsplan enkele kleine herzieningen maar heeft onderhavige notitie alleen betrekking op de bestemmingswijziging welke zal worden doorgevoerd voor de Horreweg 4 omdat aan de Horreweg 4 sprake zal zijn van een bestemmingswijziging welke relevant is voor het aspect driftblootstellingsrisico. Het is per slot van rekening de bedoeling om in de boerderij drie bedrijfswoningen onder te brengen alsook kantoorruimte voor het recreatiepark. ,
,
Afbeelding 1: uitsnede verbeelding “Actualisatie Recreatiepark Kasteel Ooijen” , Horreweg 4 omlijnd (bron: DSO)
2. 2.
Bestemming
Krachtens de Omgevingswet en het overgangsrecht van de Omgevingswet geldt een algemeen deel van het Omgevingsplan en daarnaast gelden ook alle in werking getreden planologische regelingen als onderdeel van het Omgevingsplan.
Adromi B. V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 4 van 35
Voor de projectlocatie en de omliggende gronden gelden de regelingen van de volgende planologische
regelingen: Omgevingsplan gemeente Horst aan de Maas – 3 juni 2024 “Veegplan 2021” – 20 september 2022 “Parapluplan Internationale werknemers Horst aan de Maas 2021” – 21 april 2021 “Buitengebied Horst aan de Maas herziening 2020” – 8 september 2020 “Buitengebied Horst aan de Maas” – 19 december 2017 ,
Voor een deel van de Horreweg 4 alsook voor de gronden ten (noord)westen daarvan geldt het
Inpassingplan “Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum” van 15 maart 2017. Blijkens artikel 13. 2. 1 a van het Inpassingsplan geldt voor deze gronden de planregeling van de bestemmingsplannen: “Buitengebied Horst aan de Maas (deelgebied 3)” – 10 november 2009 “Herziening Verbeelding Bestemmingsplan Buitengebied 2011” – 2011 Dit met uitzondering van -kort gezegd- de hierin opgenomen watergerelateerde dubbelbestemmingen welke door dit inpassingsplan zijn herzien. ,
,
De bestemmingsregeling van de bestemmingsplannen Buitengebied uit 2009 en 2011 inclusief de ,
bijbehorende herzieningen bevatten de voor de betrokken agrarische gronden relevante bestemmingsbepalingen. ,
Omliggende agrarische gronden in Buitengebied 2017 Zoals aangegeven is het bestemmingsplan Buitengebied uit 2017 van toepassing voor de gronden die zijn gelegen buiten de begrenzing van het Inpassingsplan. Verwezen wordt naar afbeelding 2. Voor zover hier van belang gaat het daarbij om de gronden die binnendijks zijn gelegen ten oosten van de Horreweg 4. Voor deze gronden die zijn aangeduid voor ‘agrarisch met waarden’ geldt een algemene agrarische bestemming. Teeltondersteundende voorzieningen zijn ter plaatse niet toegelaten. 2. 2. 1.
,
,
Verder geldt vanwege de aanduiding voor “Waterstaat - Waterbergend rivierbed” en “Waarde - Zone bronsgroene landschapzone” een aanlegvergunningplicht voor het aanplanten van houtopstanden hoger dan 150 meter (artikel 50 van de planregeling). ,
,
Tot slot gelden er beperkingen voor wat betreft nieuwe situaties waarin gebruik gemaakt wordt van een op- en zijwaartse spuittechniek binnen een afstand van 30 meter tot gevoelige functies. Dit is zie paragraaf 3. 2. 1) alleen anders indien extra afstand en/of bovenwettelijke driftreductie (75% > ,
wordt ingezet dan wel afscherming middels een windhaag (opgenomen in de herziening 2020). ,
Adromi B. V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 5 van 35
Afbeelding 2: uitsnede verbeelding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ van 2017 , Horreweg 4 indicatief rood omlijnd (bron: DSO)
2. 2. 2.
Omliggende gronden in Buitengebied 2009 Zoals aangegeven is het bestemmingsplan Buitengebied uit 2009 van toepassing voor de gronden voor zover gelegen binnen het Inpassingsplan. Dit betreft grofweg de gronden ten (zuid)westen van de Horreweg 4. Verwezen wordt naar afbeelding 3 en 4. Deze gronden zijn aangeduid voor agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwaarden. Verder is sprake van de aanduidingen ‘potentieel beekdal’ en ‘bergend rivierbed’. Er is sprake van een algemene agrarische bestemming zij het dat nieuwe boom- en fruitteelt met een hoogte van meer dan 150 meter niet is toegestaan zonder aanlegvergunning. ,
,
Het is hierbij van belang te vermelden dat deze agrarische gronden ten westen van de Horreweg 4 in eigendom zijn van de initiatiefnemer. De gronden ten oosten zijn in eigendom van derden.
Adromi B. V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 6 van 35
Afbeelding 3: begrenzing Inpassingsplan “Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum” , Horreweg 4 indicatief omlijnd (bron: DSO)
Adromi B. V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 7 van 35
Afbeelding 4: uitsnede verbeelding van het inpassingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas (deelgebied 3)” van 2009 , Horreweg 4 indicatief rood omlijnd (bron: archiefweb)
2. 3. Agrarisch grondgebruik 2. 3. 1. Basisregistratie gewaspercelen Via de basisregistratie gewaspercelen kan een indruk worden verkregen van het agrarische grondgebruik. Verwezen wordt naar afbeelding 5. Voor 2023 blijkt dat op de relevante omliggende agrarische gronden uitsluitend sprake is geweest van grasland. In de verdere omgeving is verder
sprake van akkerbouw voor bijvoorbeeld mais suikerbieten en uien. Daaraan voorafgaande seizoenen laten hetzelfde beeld zien met ook nog een kwekerij. ,
,
Voor de percelen ten oosten van de Horreweg 4 kadastraal bekend D-872 D-60 D-1379 en D-1381 tezamen groot ca 3 hectare geldt dat deze in het verleden voor andere teelten in gebruik waren doch ,
,
,
,
,
de laatste jaren als grasland in gebruik zijn 3 (zie afbeelding 6).
3 https://apps.
Adromi B. V.
arcgisonline. nl/gewaspercelen/ Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 8 van 35
Afbeelding 5: uitsnede basisregistratie gewaspercelen , betrokken locatie indicatief rood omlijnd (bron: PDOK)
Afbeelding 6: teelten op grond ten oosten van Horreweg 4 (bron: ArcGis/EZK)
2. 3. 2. Wateraspecten Ten westen langs de binnenzijde van de waterkering is de Ooyen gelegen. Dit is blijkens de Legger ,
,
van het
Waterschap Limburg een primaire watergang. Verwezen wordt naar afbeelding 7. De betrokken watergang is niet jaarrond watervoerend. De Horreweg 4 bevindt zich in de dijkring van Ooijen
gelet op het al genoemde Inpassingsplan “Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum”. Deze waterkering bevindt zich ter plaatse direct aan de west- en noordzijde van het perceel. Het zomerbed van de Maas bevindt zich zoals aangegeven ten noordoosten van de Horreweg 4.
Adromi B. V.
,
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 9 van 35
De buitendijks gelegen gronden zijn onderworpen aan beperkingen bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen (zie verder paragraaf 3. 2). De locatie is niet gelegen in grondwaterbeschermingsgebied zodat op die grondslag geen beperkingen gelden voor wat betreft de in te zetten gewasbeschermingsmiddelen.4 ,
Afbeelding 7: uitsnede Legger wateren , Horreweg 4 indicatief rood omcirkeld (bron: Waterschap Limburg)
2. 3. 3.
Conclusie agrarisch grondgebruik Er is sprake van een algemene agrarische bestemming die tal van teelten toelaat. Voor de gronden ten oosten zijn er beperkingen gesteld aan nieuwe situaties waarbij er opwaarts en zijwaarts gespoten wordt binnen 30 meter tot driftgevoelige bestemmingen. De Horreweg 4 betrof en betreft een bestaande driftgevoelige bestemming zodat deze beperking ook geldt in de huidige situatie. Verder is hier sprake van omgevingsfactoren zoals waterhuishouding grootte en verkaveling welke aanzienlijke beperkingen stellen. Regulier agrarisch gebruik is hier minder aannemelijk. ,
,
,
Voor wat betreft de buitendijks gelegen gronden ten westen van de Horreweg 4 dient vanwege de bescherming van waterstaatkundige belangen en landschapsbescherming in deze specifieke situatie
ook rekening te worden gehouden met teeltbeperkingen voor opgaande/meerjarige teelten.
4
Bepaalde gewasbeschermingsmiddelen mogen niet worden gebruikt in grondwaterbeschermingsgebieden.
Adromi B. V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 10 van 35
Feitelijk blijkt sprake van grasland op omliggende agrarische gronden. Voor neerwaarts spuiten bestaan er geen planologische beperkingen op de betrokken gronden.
Adromi B. V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 11 van 35
3.
Regelgeving
3. 1. Europees beoordelings- en toelatingskader Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt gereguleerd door Verordening 1107/2009/EU en 528/2012/EU. In deze verordeningen is bepaald dat alleen gewasbeschermingsmiddelen op de Europese markt mogen worden toegelaten waarvan voldoende is vastgesteld dat deze geen gevaar vormen voor de volksgezondheid. Daarbij wordt naast blootstelling via consumptie ook blootstelling
bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen beoordeeld zowel voor betreft toepassers als voor omwonenden waarbij mensen met een bijzondere kwetsbaarheid bepalend zijn voor de normering (artikel 19 en punt 24 van bijlage VI van de Verordening 528/2012/EU). Voor wat betreft die laatste groep wordt de bescherming van zwangeren en kleine kinderen concreet benoemd (punt 3 van de considerans van deze laatste verordening). ,
,
De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden betreft de uitwerking van de Biocidenverordening. Krachtens deze wet is het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden
(Ctgb) ingesteld. Het Ctgb beoordeelt volgens internationale afspraken en de in genoemde Verordening verankerde criteria of gewasbeschermingsmiddelen en biociden – bij juist gebruik – veilig zijn voor mens dier en milieu en of ze werkzaam zijn. Op grond van deze beoordeling besluit het college of een middel in Nederland verkocht en gebruikt mag worden. Daarbij stelt het ook duidelijke voorschriften verplicht die minimaal op het etiket moeten staan (het zogenaamde wettelijk gebruiksvoorschrift). Het gebruiksvoorschrift schrijft niet alleen de toepassingswijze voor (professioneel en/of particulier gebruik aantal toepassingen per jaar toepassingsintervallen veiligheidstermijn – d. w. z. minimale termijn tussen toepassing en oogst etc.) maar hierin is ook aangegeven voor welke doelstellingen en voor welke teelten een middel mag worden ingezet. ,
,
,
,
,
,
Relevant daarbij is dat een beoordeling aan de hand van de Verordening ervan uitgaat dat een gewasbeschermingsmiddel geen gevaar voor de volksgezondheid mag opleveren zonder dat hiervoor aanvullende maatregelen zouden moeten worden getroffen in de vorm van afscherming o.i.d. aangezien in de toelatingsprocedure een reëel worst case gebruikspatroon dient te worden aangehouden (zie artikel 19 lid 2a van de Verordening 528/2012/EU). ,
,
,
,
Bij toelating (en bij periodieke herbeoordeling) wordt een gewasbeschermingsmiddel op alle gezondheidsrisico’s beoordeeld 5 ook gezondheidsrisico’s op de lange termijn (artikel 19 lid 1 onder b ten iii van de Verordening 528/2012/EU). In ieder geval wordt getoetst op neurotoxiciteit en ,
,
immunotoxiciteit (artikel 19 lid 4 onder e van de Verordening) en eventuele hormoonontregelende eigenschappen (bijlage 2 onderdeel 1 8. 9. 4 van de Verordening). Verder wordt getoetst op cumulatieve en synergetische effecten (artikel 19 lid 2 onder d van de Verordening). ,
,
,
Voorgaande betekent dat in maatschappelijk opzicht geen rekening behoeft te worden gehouden met toegelaten gewasbeschermingsmiddelen welke volgens algemeen aanvaarde toxicologische normen en op basis van beschikbare relevante en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis als
5
De Biocidenverordening is daarbij bedoeld om de menselijke gezondheid als zodanig te beschermen niet als regeling om bij toelating van middelen de beoordeling te beperken tot in de verordening opgenomen beoordelingscriteria zie HvJ 24 april 2024 ECLI:EU:C:2024:356 ov. 78 e. v. ,
een
,
Adromi B. V.
,
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 12 van 35
schadelijk voor de volksgezondheid mogen worden beschouwd bij toepassing volgens het gebruiksvoorschrift. Dit is anders in de context van planologische besluitvorming aangezien de Afdeling bestuursrechtspraak het Europese beoordelingskader als niet toepasbaar heeft aangemerkt omwille van wetenschappelijke onzekerheid. Verwezen wordt naar paragraaf 4. 1. ,
Aanvullende regelgeving Zoals beschreven vormen de Europese verordeningen het wettelijke kader voor de bescherming van de volksgezondheid. Aangezien die verordeningen stellen dat blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen al vanaf de rand van een teeltperceel geen nadelen mag opleveren voor de volksgezondheid zonder extra maatregelen zoals afscherming is geen sprake van een afstand welke (aanvullend) aangehouden zou moeten worden tot gevoelige functies op buurpercelen. 3. 2.
,
Dit is evenmin voorgeschreven in het Omgevingsbesluit of in het van toepassing zijnde Omgevingsplan nu de Nederlandse wetgever gekozen heeft voor hogere eisen aan driftreductie als ,
maatregel ter implementatie van de artikelen 11 en 12 van richtlijn 2009/128/EU (in plaats van bijvoorbeeld extra afstand). De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is inmiddels vervangen door de Omgevingswet en het daarop gebaseerde Besluit activiteiten leefomgeving. In het onderstaande wordt nader ingegaan op
zowel de oude als de geldende Nederlandse regelgeving. Op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (oud) en het daarop gebaseerde
Activiteitenbesluit milieubeheer (oud) was sprake van aanvullende ecologische bescherming door het aanhouden van zogenaamde teeltvrije zones langs oppervlaktewater. Deze bepalingen zijn vrijwel ongewijzigd overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving dat is gebaseerd op de Omgevingswet. Hierbij is evenwel gespecificeerd dat bepaalde bepalingen zijn bedoeld ter bescherming van zowel ecologie als volksgezondheid. 3. 2. 1. Besluit activiteiten leefomgeving In artikel 1. 3 van de Omgevingswet is onder meer vastgelegd dat deze wet ten doel heeft om een gezonde fysieke leefomgeving te behouden en te bereiken. In artikel 4. 723c van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is aangegeven dat ten minste een driftreducerende techniek dient te worden toegepast van 75%. Bij neerwaarts spuiten mogen de
spuitdoppen zich verder ten hoogste 50 cm boven het te bespuiten oppervlak bevinden. In het artikel is voor verschillende teelten een referentietechniek opgenomen ten opzichte waarvan deze driftreductie dient te worden bepaald. In artikel 4. 723d Bal zijn teeltvrije zones opgenomen langs oppervlaktewateren welke afhankelijk van de teelt en de gebruikte driftreducerende techniek 50 cm tot 5 meter breed dienen te zijn. De artikelen 4. 723f en 4. 723g bevatten uitzonderingen hierop bijvoorbeeld in de vorm van toepassing ,
van gewasbeschermingsmiddelen met een afgeschermde
Adromi B. V.
dop.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 13 van 35
In artikel 4. 723e Bal is bepaald dat niet mag worden gespoten bij een windsnelheid groter dan 5 m/s met uitzondering van teeltbedreigende situaties of bij inzet van een overkapte beddenspuit.
,
Op grond van artikel 4. 723g mogen gewasbeschermingsmiddelen op een talud uitsluitend pleksgewijs en driftvrij toegepast
worden.
De regeling ten aanzien van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen is primair bedoeld ter bescherming van het waterleven. De artikelen 4. 723c (driftreductie) en 4. 723e (spuiten bij lage windsnelheden) zijn mede bedoeld ter bescherming van de menselijke gezondheid. Situatie ter plaatse Een uiterwaardengebied dat ’s-winters bij hogere waterstanden in de rivier kan onderlopen is geen
‘watergang’. De uiterwaarde valt wel onder het begrip ‘oppervlaktewaterlichaam’ omdat dat begrip mede de oevers omvat. De bepalingen in het Bal over het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen op braakliggende landbouwgronden of bij het telen van gewassen in de open lucht (paragraaf 4. 64 Bal) sluiten niet aan bij het begrip watergang maar bij het begrip oppervlaktewaterlichaam. Ingevolge artikel 4.723a lid 3 onder c. van het Bal is een “teeltvrije zone”: strook tussen de insteek van een oppervlaktewaterlichaam en het te telen gewas waarop met uitzondering van grasland geen gewas of niet hetzelfde gewas als op de rest van het perceel wordt geteeld. Echter in artikel 4.723a lid 2 Bal is aangegeven dat in uiterwaarden en buitendijkse gebieden onder oppervlaktewaterlichaam verstaan wordt: “beddingen waarin op het moment van het lozen aan het aardoppervlak en de openlucht grenzend water voorkomt. ” 6 Ook volgens artikel 4. 723da Bal zijn de regels in dat artikel niet van toepassing op gegraven waterlopen die ‘onder normale omstandigheden tussen 1 april en 1 oktober geen water bevatten’. ,
,
,
,
,
Daarom dient bij de uitleg van ‘oppervlaktewaterlichaam’ in deze context bij de grote rivieren niet te worden uitgegaan van de buitenkruinlijn van de dijk maar van de insteek van de zomerbedding welke ,
,
zich op circa 45 meter ten noorden van de Horreweg 4 bevindt. De gronden ten westen maken onderdeel uit van het bergende winterbed. Gelet op de omstandigheid dat bij fruitteelt ook buiten het volbladseizoen gespoten moet kunnen worden (met name schimmelbestrijding) wat niet toegelaten is op het moment dat het winterbed onder water staat dient op dit vlak rekening te worden gehouden met teeltbeperkingen voor fruitteelt en andere teelten welke ook jaarrond behandeld moeten worden tegen schimmels (zoals pioenen e. d. ). ,
,
3. 2. 2.
Overig
Als een bedrijf geen relevante bestrijdingsmiddelen zou toepassen (uitsluitend middelen op basis van zogenaamde laag risico stoffen 7 cq. een alternatieve bestrijding van plagen) dan vormt het aspect volksgezondheid geen punt van aandacht. Echter in het kader van deze notitie dient het gebruik van ,
6
Zie in die zin ook 4.1199c lid 5 Bal inzake meststoffen: “Voor de toepassing van dit artikel wordt in uiterwaarden en buitendijkse gebieden onder ‘oppervlaktewaterlichaam’ verstaan: beddingen waarin op het moment van het op of in de bodem brengen van meststoffen aan het aardoppervlak en de openlucht grenzend water voorkomt. ” 7 Gewasbeschermingsmiddel dat blijkens toelating voldoet aan de criteria van bijlage II punt 5 van Verordening EU/1107/2009. ,
,
Adromi B. V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 14 van 35
gewasbeschermingsmiddelen als maximale representatieve invulling van de planologische mogelijkheden te worden beschouwd. Relevant hierbij is verder dat zogenaamde biologische gewasbeschermingsmiddelen 8 net zo goed toelating van het Ctgb nodig hebben voor professionele toepassing waarbij voor die middelen eveneens blootstellingsnormen gelden. ,
Bij bedrijfsmatige toepassing van gewasbeschermingsmiddelen dient te worden voldaan aan het Besluit activiteiten leefomgeving. Hierbij geldt verder dat bepaalde gewasbeschermingsmiddelen
enkel voor professionele toepassingen zijn toegelaten en niet voor huis- tuin- en keukengebruik. In een dergelijke hobbymatige context zal verder hoogstens sprake zijn van individuele handmatige bespuitingen niet van integrale behandeling van een perceel (rijbehandeling met een spuitmachine). ,
,
Evaluatie en herziening milieuregelgeving Gelet op de rapportages ingevolge artikel 18 van verordening 528/2012/EU van de Europese Commissie van 7 maart 2016 9 en 20 mei 2020 10 zijn er geen aanwijzingen dat al dan niet consumptieve blootstelling aan in de EU toegelaten gewasbeschermingsmiddelen 11 gepaard gaat met risico’s voor de menselijke gezondheid waaronder de gezondheid van kwetsbare groepen. De gezondheidsverkenningen van RIVM uit 2018 12 en 2020 13 ondersteunen de conclusie van deze evaluatie 14 waarbij in de zogenaamde OBO rapportage van RIVM 15 ook niet is gebleken van een grotere blootstelling dan waarvan bij goedkeuring van gewasbeschermingsmiddelen rekening mee is gehouden. Dat geen sprake is van gezondheidsrisico’s wordt ook onderschreven door Bundesinstitut für Risikobewertung - BfR.16 3. 3.
,
,
,
8
Een biologisch gewasbeschermingsmiddel kan chemisch identiek zijn aan een regulier beschermingsmiddel. Enig verschil is dat het middel en de daarin aanwezige werkzame stoffen een biologische oorsprong hebben en niet zijn gesynthetiseerd. 9 Report from the commission on the sustainable use of biocides pursuant to Article 18 of Regulation (EU) No 528/2012 of the European Parliament and of the Council concerning the making available on the market and use of biocidal products COM(2016) 151 https://health. ec. europa. eu/document/download/68a5733b-67b9-4727-a77db2df88b01afb_en?filename=2016_report_sustainableuse_biocides_en.pdf geraadpleegd op 7 februari 2024 10 Report from the commission on the experience gained by Member States on the implementation of national targets established in their National Action Plans and on progress in the implementation of Directive 2009/128/EC on the sustainable use of pesticides COM(2020) 204 final https://food. ec. europa. eu/document/download/e4380b91-8cca-4f0c-b5f4dd9d99692ec6_en?filename=pesticides_sud_report-act_2020_en. pdf geraadpleegd op 8 februari 2024 11 Relevant is te vermelden dat sommige lidstaten een lange opgebruiktermijn hebben gehanteerd voor gewasbeschermingsmiddelen die al lang onder de Biocidenverordening zijn verboden.
Blijkens artikel L258-8 IV van de Code Rural hanteerde Frankrijk bijvoorbeeld een opgebruiktermijn tot 1 januari 2022. Dit betekent dat pas vanaf 1 januari 2022 de Biocidenverordening in volle omvang van toepassing is in Frankrijk terwijl lidstaten zoals Nederland op basis van reeds voor de Biocidenverordening gehanteerd systeem van periodieke herbeoordeling al vrijwel direct alleen middelen toelieten die onder de Verordening waren (her)beoordeeld. 12 RIVM rapport 2018-0068 Gezondheidsverkenning omwonenden van landbouwpercelen 2018 13 RIVM report 2020-0056 Health survey on people living in the direct vicinity of agricultural plots: additional analyses 2020 14 Deze conclusies zijn niet geldig voor landen zoals Frankrijk welke na invoering van de Biocidenverordening een opgebruiktermijn hebben gehanteerd zie hiervoor paragraaf 4. 2 15 RIVM Rapport 2019-0052 Onderzoek Blootstelling Omwonenden (OBO) Bestrijdingsmiddelen en omwonenden Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten 16 Bfr Fernab vom Feld: Gesundheitliche Beeinträchtigungen durch Abdriften von Pflanzenschutzmitteln sind unwahrscheinlich Mitteilung Nr. 054/2020 des BfR vom 23. November 2020 zie: ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Adromi B. V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 15 van 35
Het is hierbij duidelijk genoeg dat de Nederlandse wetgever in lijn met deze wetenschappelijke data
het beschermingsniveau van de Biocidenverordening afdoende acht mede nu er overeenkomstig artikel 11 en 12 van richtlijn 2009/128/EU uit voorzorg hogere driftreductie verplicht is gesteld in Nederland. Zoals al gebleken is uit paragraaf 3.1 gelden er geen afstandseisen ten aanzien van het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen nabij driftgevoelige functies omdat bij toelating van middelen wordt uitgegaan van een hoog beschermingsniveau waarbij een kwetsbare persoon als normpersoon worden aangehouden gekoppeld aan worst case praktijkcondities (los van de in Nederland geldende voorzorgmaatregel t. a. v. extra driftreductie). ,
,
,
,
Er wordt al met al geen rekening gehouden met een relevant humaan restrisico bij toepassing van gewasbescherming overeenkomstig het Unierecht. Wel heeft de Europese Commissie het initiatief genomen om in het kader van de zogenaamde ‘Green Deal’ de ecologie beter te beschermen tegen
gewasbeschermingsmiddelen. Gelet op het voorgaande is verder duidelijk dat de wetgever de volksgezondheid beschermt via toelating van steeds veiliger middelen (en uitfasering van andere middelen) en op algemene driftreductie 17 niet op afstandseisen 18 of de genoemde aandachtszone van 50 meter welke in planologische context dient te worden gehanteerd. ,
3. 4. Conclusies 3. 4. 1. Mate van bescherming In de Europese verordeningen is geen verminderde bescherming vastgelegd voor bepaalde situaties of omstandigheden. De Europese milieuregelgeving kent de volgende beschermingscategorieën: Consumenten; -
Toepassers;
-
Omwonenden (waaronder begrepen passanten e. d. ).
Omwonenden worden gelijkelijk beschermd ongeacht de status of functie van het verblijf of de reden van blootstelling. De milieuregelgeving kent geen groepen van mensen aan wie een verminderde bescherming toekomt maar hanteert enkel het uitgangspunt dat de blootstelling van kwetsbare groepen normbepalend is (artikel 19 lid 1b onder iii van de Verordening). ,
,
,
https://www. bfr. bund. de/cm/343/fernab-vom-feld-gesundheitliche-beeintraechtigungen-durch-abdriften-vonpflanzenschutzmitteln-sind-unwahrscheinlich. pdf (geraadpleegd op 1 juni 2023) 17 Voor diverse gewasbeschermingsmiddelen geldt bijvoorbeeld al een eis om aanvullende driftreductie toe te passen (meer dan 75%). Daarnaast kenden diverse waterschappen in met name de waterrijke gebieden subsidieregelingen voor de aanschaf van 99% driftreducerende spuitapparatuur. Hiervoor kan ook subsidie bij RVO worden verkregen: Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies (https://www. rvo. nl/sites/default/files/202211/Lijst%20met%20investeringen-Investeringsregeling%20POP3%2B2022_0. pdf) 18 In diverse uitspraken laatstelijk ARRvS 6 november 2024 ECLI:NL:RVS:2024:4503 (Meeslouwerpolder) overweegt de Afdeling de noodzaak van wettelijke afstandseisen: “Omdat er geen wettelijke bepalingen gelden over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en woningen is niet uitgesloten dat ook in de bestaande situatie ter plaatse van de bedrijfswoning die als burgerwoning in gebruik is genomen hinder kan worden ondervonden van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. ” ,
,
,
Adromi B. V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 16 van 35
De vraag of omwonenden wonen of werken bij een bedrijf zelf waar gewasbescherming wordt toegepast dan wel bij een ander bedrijf (waar al dan niet gewasbescherming wordt toegepast) of geen bedrijfsmatige activiteiten ontplooien maakt geen verschil voor de mate van bescherming waar ,
deze bewoners/gebruikers aanspraak op hebben. Hetzelfde geldt voor medewerkers van een bedrijf. Aan deze medewerkers komt eenzelfde bescherming toe ongeacht of sprake is van medewerkers van een agrarisch bedrijf of een ander bedrijf en ongeacht of sprake is van een agrarisch bedrijf waar ook gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. ,
Op grond van de milieuregelgeving is de bescherming tegen drift dus niet afhankelijk gesteld van de status of reden van de aanwezigheid in de nabijheid van percelen waar gewasbescherming kan worden toegepast. Evenmin is kortdurend verblijf noodzakelijkerwijs aanleiding om uit te gaan van
verminderde bescherming. De milieuregelgeving houdt verder geen rekening met aantallen d. w. z. dat aan één persoon evenveel ,
bescherming toekomt als aan honderd personen. In lijn daarmee kan in het kader van planologische besluitvorming dus geen lager beschermingsniveau
worden gehanteerd voor bepaalde mensen en functies ten opzichte van andere mensen en functies. Immers voor de milieuregelgeving is iedereen gelijk. De milieuregelgeving werkt daarbij ook twee kanten op in die zin dat zowel toepassers als blootgestelden hier rechten aan kunnen ontlenen. Die rechten dienen in het kader van de goede ruimtelijke ordening gerespecteerd te worden.19 Het enige wat in het kader van planologische besluitvorming dus relevant kan zijn is de vraag of een planologisch besluit ertoe leidt dat voorstelbaar is cq. niet kan worden uitgesloten dat zich ,
veranderingen voordoen qua: de verblijftijd van personen 20 ; de verblijfswijze (zoals binnen of buiten); de kwetsbaarheid van personen (zoals woon- of werkomgeving kinderen e. d. ). ,
Situatie ter plaatse Een en ander betekent dat de bestemmingswijziging van de Horreweg 4 van agrarisch bedrijfsperceel naar wonen en kantoor niet leidt tot een ander beschermingsniveau. Immers op een agrarisch bedrijfsperceel kunnen mensen aanwezig zijn met een bijzondere kwetsbaarheid. Het is bijvoorbeeld
allerminst uitgesloten dat spelende kinderen gebruik maken van het gehele agrarische bedrijfsperceel. Verder dient hier rekening te worden gehouden met voortdurende menselijke aanwezigheid. Op het vlak van driftgevoeligheid zal zich kortom geen wijziging voordoen door de beoogde bestemmingswijziging zodat de eerste vraag van paragraaf 1. 1 negatief dient te worden beantwoord: er zal door de planologische wijziging geen sprake zijn van mogelijk (verdergaande) beperkingen voor ,
19
Zie in strijd met de Verordening op dit punt: ARRvS 22 november 2023 ECLI:NL:RVS:2023:4331 nu de Afdeling de rechtsopvatting hanteert dat bepaalde functies en mensen minder bescherming toe zou mogen komen. 20 In die strekking ook ABRvS 14 juni 2017 ECLI:NL:RVS:2017:1575 ov. 11. 5. 1 dat een fietspad vanwege korte verblijfstijd geen voor driftblootstelling relevante functie is. ,
,
,
Adromi B. V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 17 van 35
omliggende agrarische gronden. In lijn daarmee zal in het navolgende enkel de tweede vraag moeten worden beantwoord of sprake is van zodanige gezondheidsrisico’s vanwege driftblootstelling dat niet kan worden gesproken van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. 3. 4. 2.
Gezondheidscriteria De algemeen aanvaarde toxicologische normen en de beschikbare relevante en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis (in de bewoordingen van de Biocidenverordening) waarmee wordt vastgesteld of er een risico is voor de volksgezondheid mogen gelet op de jurisprudentie van de Afdeling niet worden benut ter onderbouwing van planologische besluitvorming. ,
,
,
Door de Afdeling worden in het kader van de ruimtelijke ordening maatschappelijke sentimenten beschouwd bijvoorbeeld ten aanzien van ongemakken die mensen kunnen ervaren wanneer ze dicht op landbouwpercelen wonen zoals geur en/of neerslag van deeltjes. Hier zijn geen gevalideerde ,
,
21 modellen voor want bij dat soort risico’s speelt het aspect gezondheid geen rol. ,
21
In een recent uitspraak wordt door de Afdeling immers niet langer gesproken van gezondheidsrisico’s die kunnen samenhangen met blootstelling aan drift van gewasbeschermingsmiddelen maar alleen nog van hinder die hierdoor kan worden veroorzaakt. Zie hiervoor bijvoorbeeld: ARRvS 6 november 2024 ECLI:NL:RVS:2024:4503 (Meeslouwerpolder) ten opzichte van eerdere uitspraken zoals ARRvS 19 oktober 2022 ECLI:NL:RVS:2022:3023 (Asdonkterrein) en ABRvS 30 maart 2016 ECLI:NL:RVS:2016:855 (Houten) ,
,
,
Adromi B. V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 18 van 35
Beoordeling gezondheidsaspecten
4.
Verspreidings- en blootstellingsmodellen Als achtergrond bij onderhavige notitie is het volgende van belang. In de zaak Houten 22 heeft de Afdeling overwogen dat in het kader van de ruimtelijke ordening geen gebruik mag worden gemaakt van extrapolatie van gegevens uit de zogenaamde PRI 2012 rapportage 23 aangezien deze rapportage onvoldoende wetenschappelijke basis biedt als het gaat om het aspect driftverspreiding. In de zaak Wijchen heeft de Afdeling overwogen dat ook het nieuwe rapport PRI 2015 24 onvoldoende wetenschappelijke basis biedt voor wat betreft de verspreiding van drift 25 nu dit weliswaar is gebaseerd op PRI 2014 26 maar voor het overige geen aanvullende brede wetenschappelijke basis biedt ten opzichte van PRI 2012. 4. 1.
,
,
In de uitspraak Broedershof Neder-Betuwe 27 heeft de Afdeling bevestigd dat gebruikmaking van het PRI 2015 rapport onvoldoende deugdelijk is voor de ruimtelijke ordening ook al had in deze situatie adviesbureau SPAWNP bij de beoordeling van de driftblootstelling aanvullende voorzorgmarges ,
ingebouwd voor wat betreft verspreiding van druppeldrift afscherming van een haag en cumulatieve effecten. ,
Blijkens de uitspraak Asdonkterrein Beuningen 28 accepteert de Afdeling bestuursrechtspraak de achterliggende toxicologische basis van het zogenaamde EFSA-OPEX model niet voor de ruimtelijke ordening. In de uitspraken Lentsesteeg Rheden 29 Heilig Kempke Lith 30 en Slotstraat Opijnen 31 is deze stellingname bevestigd. ,
Het EFSA-OPEX model betreft het verspreidingsmodel dat is ontwikkeld door de European Food Safety Authority wat in de EU wordt benut om de toelaatbaarheid gewasbeschermingsmiddelen te ,
(her)beoordelen binnen de door de Biocidenverordening gestelde kaders. Het model kent ook erkenning buiten de EU nu het ook in andere landen wordt gebruikt als referentie bij toelating van gewasbeschermingsmiddelen. ,
Mede op basis van het advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak 32 waarin wordt verwezen naar een briefrapport van RIVM 33 komt de Afdeling bestuursrechtspraak in de uitspraak Asdonkterrein Beuningen tot de conclusie dat via een beoordeling waarbij gebruik gemaakt wordt van ,
,
22
ABRvS 30 maart 2016 ECLI:NL:RVS:2016:855 Plant Research International Onderzoek naar driftblootstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente Tholen maart 2012 PRI rapport 441 24 Plant Research International Driftblootstelling van omstanders en omwonenden bij de bespuiting van veldgewassen met een veldspuit november 2015 PRI rapport 610 25 ABRvS 6 juni 2018 ECLI:NL:RVS:2018:1741 26 Plant Research International Onderzoek naar driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen Project Skaeve Huse in de gemeente Nijmegen mei 2014 PRI rapport 568 27 ABRvS 16 december 2020 ECLI:NL:RVS:2020:3018 28 ARRvS 19 oktober 2022 ECLI:NL:RVS:2022:3023 29 ARRvS 23 november 2022 ECLI:NL:RVS:2022:3387 30 ARRvS 2 augustus 2023 ECLI:NL:RVS:2023:2959 31 ARRvS 6 december 2023 ECLI:NL:RVS:2023:4523 32 STAB 41286 30 september 2021 33 RIVM Modellen om de humane blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen te berekenen: een stand van zaken RIVM Briefrapport 2019-0031 https://www. rivm. nl/bibliotheek/rapporten/2019-0031. pdf ,
23
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Adromi B. V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 19 van 35
het EFSA-OPEX model geen sprake kan zijn van goede planologische besluitvorming voor wat betreft gezondheidsrisico’s van driftblootstelling. De kanttekeningen die de Afdeling plaatst bij het EFSA-OPEX model hebben betrekking op wetenschappelijke onzekerheid over fysische uitgangspunten (de natuurkundige aspecten ten aanzien van de verspreiding van druppels aerosolen en dampen door de lucht) toxicologische uitgangspunten (dosis en norm) en op de gebruiksfunctionaliteit van het model. ,
,
Voor wat betreft fysische aspecten keurt de Afdeling het model af omdat sprake is van wetenschappelijke onzekerheid over in het model gehanteerde standaardwaarden: -
Druppelverspreiding; Nalevering van emissies door uitdamping na toepassing; Drift ten gevolge van lange boombespuitingen.
Voor wat betreft gebruiksfunctionaliteit keurt de Afdeling het model af omdat hiermee geen
berekeningen kunnen worden uitgevoerd voor wat betreft: Cumulatie aggregratie en synergisme; De invloed van (hoge) gebouwen; Het driftreducerende effect van een windhaag. ,
Vanwege de volgende toxicologische aspecten keurt de Afdeling het model af: -
Wetenschappelijke onzekerheid over cumulatieve en geaggregeerde blootstelling aan stoffen. De redenen waarom blootstelling en gezondheidsrisico’s van kinderen uit de leeftijdscategorie 1 tot 3 jaar representatief zijn voor mensen met een bijzondere kwetsbaarheid zijn niet overtuigend.
Voor de goede orde zij vermeld dat in deze context gemakshalve wordt gesproken over uitspraken van de Afdeling over het EFSA-OPEX model maar dat de Afdeling de wetenschappelijke achtergrond en de ,
toxicologische basis die aan dit model ten grondslag ligt negatief heeft beoordeeld: het model past als een schoen aan de voet van de beschikbare relevante en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis in de zin van de Biocidenverordening.34 In het model worden geen eigen keuzen gemaakt: de wegingen die in het model zijn vervat zijn steeds gebaseerd op achterliggende kennis en toxicologische uitgangspunten. ,
Met de huidige versie van het EFSA-OPEX model (versie 1. 0. 2) worden de kritiekpunten van de Afdeling voor wat betreft gebruiksfunctionaliteit en toxicologie niet ondervangen mede omdat de essentie van de beschikbare relevante en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis niet ,
gewijzigd is. Verder blijkt uit de uitspraken Heilig Kempke Lith en Slotstraat Opijnen dat de Afdeling bestuursrechtspraak van oordeel is dat het hanteren van worst case uitgangspunten ten einde de bekende wetenschappelijke restonzekerheid te ondervangen vanuit planologisch oogpunt onvoldoende is. Uit de uitspraak Heilig Kempke Lith worden afgeleid dat Afdeling voor de beoordeling van cumulatieve en geaggregeerde effecten een gewogen optelling van blootstelling aan stoffen (zonder enige 34
In ABRvS 27 juli 2022 202001586/1/R4 is een gebrek aan wetenschappelijke consensus benoemd om -in dit geval- planologische beperkingen te rechtvaardigen niet toepassing van een bepaald model. ,
Adromi B. V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 20 van 35
discontering) afwijst. In de uitspraak Bornerbroekseweg 35 nuanceert de Afdeling dit standpunt en volgt de Afdeling de conclusie van de StAB dat in planologische context niet mag worden gecorrigeerd voor bekende wetenschappelijke restonzekerheden zolang deze achterliggende onzekerheden niet zijn ,
weggenomen.
Hiermee wijst de Afdeling vooralsnog ook cumulatiebeoordelingen af welke minder worst case zijn. Enkelvoudige optelling betreft immers een benadering die worst case is ten opzichte van alle andere
methoden waaronder de zogenaamde Monte Carlo Risk Assessment (MCRA).36 Met deze uitspraken komt de Afdeling terug op een ander recent uitgesproken oordeel dat cumulatieve blootstelling niet relevant is voor drift 37 ,
.
Door de in genoemde uitspraken gehanteerde planologische eisen en randvoorwaarden aan
wetenschappelijke en technische kennis het omgaan met restonzekerheden en gebruiksfunctionaliteit van beschikbare modellen is de Afdeling eveneens teruggekomen van het eerdere uitspraken 38 geformuleerde redelijkheidscriterium. Per slot van rekening wordt volstaan met de constatering dat er wetenschappelijke onzekerheid is zonder in te gaan op de weging van de mate van onzekerheid die heeft plaats gevonden en aan te geven om welke redenen deze wetenschappelijke methoden om om te gaan met onzekerheid dienen te worden verworpen. ,
,
,
De toxicologische uitgangspunten volgen uit richtlijnen welke door OECD en/of ECHA zijn vastgesteld. Aangezien de toxicologische uitgangspunten waar ook het EFSA model gebruik van maakt aan de basis
ligt van elke blootstellingsbeoordeling (niet alleen gewasbescherming) zullen vooralsnog geen door de Afdeling in planologische context geaccepteerde kwantitatieve uitspraken kunnen worden gedaan over toxicologische aspecten die spelen bij blootstelling aan omgevingsfactoren. 4. 2. Inpassing zonder kwantitatieve beoordeling Op grond van de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak kan evenwel nog steeds afgeweken worden van de 50 meter middels een deugdelijk locatiespecifiek onderzoek waarbij kan worden ,
aangetoond dat onder de gegeven omstandigheden ook bij het hanteren van een kortere afstand een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij een gevoelige functie is gegarandeerd. Hierbij is het een 39 vereiste dat dit alles onderzocht wordt door een milieudeskundige.
35
ABRvS 17 april 2024 202104367/2/R3 EFSA Proposal for a data model for probabilistic cumulative dietary exposure assessments of pesticides in line with the MCRA software 19-04-2018 Efsa Journal 2018-15(4);1375 37 ABRvS 21 april 2021 ECLI:NL:RVS:2021:851 ov. 52.1 in deze uitspraak kon worden volstaan met de beoordeling van blootstelling aan één stof Captan welke vanwege hoge schadelijkheid als representatief kon worden beschouwd. Inmiddels wordt Captan als minder schadelijk beschouwd dan waar in het bestemmingsplan waar onderhavige uitspraak betrekking op had vanuit is gegaan zie: https://doi. org/10. 2903/j. efsa. 2020. 6230. 38 ABRvS 13 mei 2009 ECLI:NL:RVS:2009:BI3702 ABRvS 31 augustus 2016 ABRvS 15 juni 2016 ECLI:NL:RVS:2016:1648 en ABRvS 7 januari 2015 ECLI:NL:RVS:2015:4. Dit in contrast met de uitspraken ABRvS 16 december 2020 ECLI:NL:RVS:2020:3018 en ABRvS 17 april 2024 202104367/2/R3 waarin de Afdeling iedere wetenschappelijke restonzekerheid onacceptabel beschouwt ook al is deze wetenschappelijke onzekerheid met de rede vastgesteld en ook al werden in de rapportages die in deze beide uitspraken een rol speelden op rede gebaseerde wetenschappelijk gangbare methoden gehanteerd om om te gaan met deze restonzekerheid. 39 ABRVS 24 mei 2017 ECLI:NL:RVS:2017:1353 36
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Adromi B. V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 21 van 35
In een andere uitspraak 40 is geoordeeld: “Een kleinere afstand kan aanvaardbaar zijn indien (bijvoorbeeld) driftreducerende maatregelen worden getroffen”. In deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat in een situatie dat een agrarisch perceel 41 zal grenzen aan een perceel met een ,
gevoelige functie door het plaatsen en in stand houden van een struweelhaag voldoende is onderbouwd dat deze kortere afstand dan 50 meter kan worden aangehouden. Onderhoud en instandhouding van een dergelijke haag dient daarbij uiteraard te worden verzekerd middels een vergunningvoorschrift of een (voorwaardelijke) instandhoudingsverplichting. De optie om afscherming toe te passen ten einde een kortere afstand dan 50 meter te rechtvaardigen is ook al in eerdere uitspraken benoemd.42 ,
43 Ook in een uitspraak van De met deze uitspraak ingezette lijn is in een andere uitspraak bevestigd. 19 maart 2023 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland geoordeeld dat een kleinere afstand kan worden aangehouden mits dit op basis van zorgvuldig en op locatie ,
,
toegesneden onderzoek deugdelijk kan worden gemotiveerd.44 In de genoemde uitspraken wordt het belang van het aanbrengen van een vanggewas of een andere vorm van afscherming benadrukt in situaties waarin sprake is van een korte onderlinge afstand of zelfs 45 Het plaatsen onderhoud en instandhouding dient aan elkaar grenzende tuinen en gewaspercelen. ,
planologisch te worden gezekerd. Dit kan door het opnemen van een vergunningvoorschrift of een (voorwaardelijke) bepaling in het omgevingsplan. In een andere recente uitspraak bevestigt de Afdeling dat rekening mag worden gehouden met de afschermende werking die een haag maar bijvoorbeeld ook aanwezige bebouwing of een dichte ,
bieden.46
erfafscheiding kan In deze zaak had de gemeente de kortere afstand dan 50 meter onderbouwd met het soort teelt dat er plaatsvond (met enkel neerwaartse spuittechniek) dat er sprake was van afschermende niet-woonbebouwing dan wel een schutting met klimplanten en/of een haag aan de zijden waar het woonperceel grensde aan teeltpercelen. Daarnaast werden door de Afdeling nog de milieuregels aangehaald waaruit blijkt dat er bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen driftreductie moet worden toegepast en dat er bij hogere windsnelheden niet gespoten mag worden. ,
,
Ten slotte is de uitspraak van de Afdeling inzake Buitenhuisweg I 47 relevant , waarin wordt overwogen dat indien het gebied met een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functie niet uitgebreid wordt er geen sprake kan zijn van een gewijzigd risico op mogelijke beperkingen bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de toekomst. Dat is in deze situatie ook grotendeels het geval ,
,
verwezen
wordt naar paragraaf 2. 3. 3 en paragraaf 5. 3.
40
ABRvS 2 november 2022 ECLI:NL:RVS:2022:3160 De uitspraak had betrekking op een agrarische bestemming die tevens boomgaarden en boomteelt toelaat. 42 ABRvS 25 april 2012 ECLI:NL:RVS:2012:BW3921 43 ARRvS 25 januari 2023 ECLI:NL:RVS:2023:269 44 Rechtbank Midden Nederland 19 maart 2023 ECLI:NL:RBMNE:2023:1048 45 ARRvS 27 maart 2024 ECLI:NL:RVS:2024:1263 46 ARRvS 27 maart 2024 ECLI:NL:RVS:2024:1263 47 ABRvS 16 augustus 2023 202204200/1/R4 o. v. 13. 4 ,
41
,
,
,
, ,
,
Adromi B. V.
,
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 22 van 35
In de context van de geldende regelgeving dient verder te worden afgewogen of sprake is van een
evenwichtige toedeling van functies aan locaties door voor bestaande functies heel andere gezondheidscriteria te hanteren dan voor nieuwe functies. Alhoewel de Afdeling op dit vlak geen specifieke afstanden noemt is er steun te vinden in uitspraken dat in situaties waarin enkel rekening moet worden gehouden met neerwaarts spuiten mag worden 48 Per slot van rekening is in geen uitgegaan van een kortere afstand qua mogelijke driftblootstelling. enkele uitspraak waarin de Afdeling afscherming als goede ruimtelijke ordening heeft geaccepteerd sprake van een afscherming over 50 meter (d. w. z. afscherming op alle posities waar de afstand tussen gewasperceel en driftgevoelige functie minder dan 50 meter bedraagt). Veelal hebben deze uitspraken betrekking op een afscherming die zich bevindt tussen een driftgevoelig perceel en een teeltperceel en die meteen ophoudt bij de gedeelde perceelgrens. Hierbij kan de onderlinge afstand tussen een driftgevoelig perceel en een gewasperceel worden teruggebracht tot de breedte van de afscherming. ,
,
Hieruit blijkt verder dat de Afdeling de 50 metergrens hanteert als aandachtsafstand en niet als
normafstand. Bij neerwaarts spuiten is sprake van relatief gering risico op verspreiding van druppeldrift 49 Dit .
de lagere spuithoogten waardoor wind minder snel vat op de druppels zal kunnen krijgen. Verder wordt met de zwaartekracht meegespoten in tegenstelling tot zijwaarts en opwaarts spuiten waarbij het risico op druppelverspreiding groter is. Daarnaast heeft een opgaand gewas ook meer te behandelen (blad)oppervlak zodat over het algemeen ook minder middel zal worden verspoten. vanwege
,
,
,
,
4. 3.
Druppeldrift en dampdrift Driftreductie wordt bereikt door spuitmachines grotere druppels te laten produceren. Grote druppels vallen immers onder invloed van de zwaartekracht uit de lucht terwijl kleine druppels (nevel) gedurende langere tijd in de lucht zullen blijven hangen en dus een veel groter risico in zich sluiten om zich te verspreiden door de lucht (en ook eerder zullen overgaan in de gasfase of naar een aerosol). Uiteraard kan niet volledig worden uitgesloten dat gedurende het spuitproces toch enige vorm van verneveling optreedt (turbulentie in de lucht botsingen druppels met gewas etc. ). ,
,
Blootstelling op grotere afstanden zal enkel nog kunnen plaatsvinden in de vorm van blootstelling aan dampen en aerosolen. Het gaat hierbij om zeer kleine hoeveelheden. Immers gewasbeschermingsmiddelen worden ook gekozen op een zo laag mogelijke uitdampbaarheid. Mensen staan uitsluitend nog bloot aan deze dampen en aerosolen bij inademing. Relevante doses door opname via de huid of door hand-mond bewegingen zijn uitgesloten. De aanwezige dampen en aersolen zullen steeds verder verdunnen in de lucht. Een vergelijking met blootstelling aan bijvoorbeeld stikstofdioxiden en fijnstof afkomstig van wegverkeer industrie en veehouderijen gaat maar gedeeltelijk op. Gewasbeschermingsmiddelen breken immers ook relatief snel af onder invloed ,
48
ARRvS 27 maart 2024 ECLI:NL:RVS:2024:1263 Rechtbank Noord-Holland 25 oktober 2022 ECLI:NL:RBNHO:2022:10429: “Bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij bollenteelt ontstaat nauwelijks spuitnevel doordat de spuitkoppen zich relatief dicht bij de grond bevinden en neerwaarts spuiten. ” ,
49 Bijvoorbeeld
,
Adromi B. V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 23 van 35
van zonlicht. Stoffen
afkomstig van wegverkeer e. d. blijven evenwel langer aanwezig in de lucht en verdwijnen hier alleen uit middels neerslag. Conclusies Gelet op hoofdstuk 3 is duidelijk dat de milieuregelgeving iedereen gelijkelijk beschermt en dat dat als een gegeven dient te worden beschouwd in de context van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4. 4.
Uit dit hoofdstuk blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak de mate van bescherming die de milieuregelgeving biedt niet accepteert en in het kader van planologische besluitvorming uit voorzorg aanvullende maatregelen eist dit onder meer in anticipatie op mogelijk toekomstige wetgeving. ,
,
Verder blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak een aandachtsafstand hanteert van 50 meter en vanuit het voorzorgbeginsel akkoord gaat met afscherming als driftreducerende overdrachtsmaatregel. Tot slot is gebleken dat de Afdeling akkoord is gegaan met afscherming over een kortere afstand (bijvoorbeeld alleen de gedeelde perceelgrens met een gewasperceel) zodat de 50 meter niet kan worden geïnterpreteerd als afschermingsafstand of normafstand. ,
Adromi B. V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 24 van 35
5.
Omgevingsaspecten
Relevante teeltsituaties Zoals beschreven in paragraaf 2. 2 is sprake van een algemene agrarische bestemmingen die tal van teelten toelaat maar die wel beperkingen stelt aan nieuwe opgaande teelten nabij driftgevoelige functies. 5. 1.
,
Wel kan voor de gronden ten westen worden uitgegaan van teeltbeperkingen vanwege de dubbelbestemming ter bescherming van waterhuishoudkundige functies zoals het waterbergende regime dat hier van toepassing is in samenhang waarmee ook beperkingen gelden bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Voor de agrarische gronden ten oosten welke binnendijks gelegen zijn geldt dat er hier geen rekening behoeft te worden gehouden met teelten waarbij sprake is van opwaarts of zijwaarts spuiten binnen 30 meter tot het perceel. Immers gelet op het feit dat deze gronden niet langer deel uitmaken van het bergende deel van de rivier zullen de hiermee samenhangende planologische beperkingen ook al gelden deze thans nog wel naar de toekomst toe minder belangrijk zijn. ,
,
,
,
,
,
Voor de gronden ten noorden wordt voorzien in een recreatiebestemming terwijl ten zuiden sprake is van een geldende woonbestemming aan de Horreweg 2. Op deze gronden ten noorden en ten zuiden behoeft kortom geen rekening te worden gehouden met relevante inzet van ,
gewasbeschermingsmiddelen (machinale integrale behandeling van een perceel). ,
Adromi B. V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 25 van 35
Afbeelding 8: overzicht aangrenzende functies en teeltpercelen ten westen en oosten (ondergrond: DSO)
5. 2.
Wind Volgens het artikel 3. 83 lid 5 Activiteitenbesluit (oud) en volgens artikel 4. 723e Besluit activiteiten leefomgeving mogen er geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast bij snelheden hoger dan 5 m/s. Deze windsnelheid komt overeen met windkracht 2 à 3 Beaufort. Alhoewel de overheersende windrichting noordwest gericht is in Nederland geldt die conclusie niet voor de lage windsnelheden waarbij gewasbescherming mag worden toegepast. Bij deze lage windsnelheden kan de wind in feite uit alle richtingen van de kompasroos komen 50 zelfs als rekening wordt gehouden 51 De positie van een teeltperceel ten opzichte van een met de gemiddelde windrichting per seizoen. gevoelige functie is kortom beperkt relevant in relatie tot driftblootstelling. Hierbij is verder relevant dat de behandeling uit de aard der zaak veel minder effectief is als gespoten wordt bij hogere windsnelheden. Bij hogere windsnelheden zal de drift groter zijn maar zich ook veel sneller verspreiden en verdunnen in de buitenlucht. ,
,
,
Zie de afbeeldingen 9 en 10 waarbij weerstation Arcen is aangehouden als representatief voor ,
Broekhuizenvorst.
50
Zie: https://www. knmi. nl/klimaat-viewer/grafieken-tabellen/windrozen/windroos-arcen (link gecontroleerd op 6 januari 2025) 51 https://www. weerplaza. nl/weerinhetnieuws/klimaat/wind-in-nederland/6820/ (link gecontroleerd op 20 juli 2023)
Adromi B. V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 26 van 35
Afbeelding 9: windroos (bron: KNMI)
Afbeelding 10: gemiddelde windrichting per maand (bron: Weerplaza)
Adromi B. V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 27 van 35
5. 3.
Mate van kwetsbaarheid
Zoals gebleken is uit paragraaf 3.4.1 is in de huidige situatie vanwege het aanwezige agrarische bouwperceel al sprake van een te beschermen driftgevoelige functie en zal de nieuwe bestemming daar geen relevante verandering in brengen. ,
In zoverre behoeft geen rekening te worden gehouden met aanvullende potentiële beperkingen voor derden bij de inzet van gewasbescherming in de context van de geldende milieuregelgeving.
5. 4.
Afscherming Mede gelet op de jurisprudentie welke is aangehaald in paragraaf 4.2 is toepassing van afscherming geaccepteerd in het kader van planologische besluitvorming 52 ten einde uit voorzorg te zorgen voor extra driftreductie. Dat is in de gegeven situatie ook de aangewezen weg aangezien het geen optie is om aanvullende driftreducerende maatregelen te treffen bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op alle omliggende percelen. In lijn hiermee is uiteraard van belang hoe de effectiviteit van een afscherming dient te worden beoordeeld. ,
,
5. 4. 1. Algemeen Er zijn de nodige wetenschappelijke gegevens voorhanden als het gaat om de afschermende werking van een
53 windhaag.
Verder is van belang dat een windhaag erkend is als driftreducerende techniek; een windhaag staat als zodanig op de ‘lijst met indeling van spuittechnieken in DriftReducerende Techniek-klassen’ (DRT-lijst) van de Technische Commissie Techniekbeoordeling (TCT) van 11 december 2023.54 Dit geldt voor een windhaag voor de periode vanaf 1 mei met 90% bladdichteid tot 50% bladval van de windhaag. In combinatie met de (wettelijk standaard verplichte) 75% driftreductie van een spuitmachine biedt een haag aanvullend 75% driftreductie zodat tot 94% driftreductie mogelijk is. Uit andere wetenschappelijke studies kan een hoger driftreducerend effect van een windhaag worden afgeleid 55 ,
52
Vergelijk in dit verband ABRvS 28 november 2018 ECLI:NL:RVS:2018:3904 waarin is overwogen dat aannemelijk is dat een driftreducerende voorziening bestaande uit dubbele hagen leidt tot een ruime driftreductie. 53 Vergelijk in dit verband ABRvS 28 november 2018 ECLI:NL:RVS:2018:3904 waarin is overwogen dat aannemelijk is dat een driftreducerende voorziening bestaande uit dubbele hagen leidt tot een ruime driftreductie en zie: Zande J. C. van de en M. Wenneker 2015. Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen. Wageningen the foundation Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek. Plant Research International Wageningen UR (University & Research centre) PRI-rapport 609. 68 blz. ; 7 fig. ; 20 tab. ; 53 ref. 54 Zie: https://iplo. nl/publish/pages/151722/6-informatieblad-windhaag-20220718. pdf (geraadpleegd op 5 maart 2024) 55 Porskamp H.A.J. Michielsen J.M.G.P. Huismans J.F.M. De invloed van een windhaag op emissies bij fruitteeltspuiten 1999 IMAG-DLO Rapport 94-29 pag. 29 en Wenneker M. Heijne B. Van de Zande J.C. Effect of natural windbreaks on drift reduction in orchard spraying Communications of Applied Biology Science Universiteit Gent 70(2005)4 pag. 961. ,