CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

Aanvulling MER

Gemeenteraad 16 december 2025, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: MER + Aanvulling MER29.875 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

nacht. Tabel 3 Rekenresultaten L ArLT - referentiesituatie (incidenteel) etmaalopenstelling en grote vuurwerkshow in avondperiode ,

langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L ArLT ) [dB(A)] etmaal openstelling + groot etmaalopenstelling + groot vuurwerk vuurwerk + publieksevenement dag avond nacht dag avond nacht 36 61 63 34 44 64 36 36 63 63 63 43 32 42 34 59 62 62 23 29 53 60 60 42 33 35 60 63 63 44 ,

immissiepunt

id. p02 p03

p04 p05a p06 p07a

p07b p08 p09 p11 p12 p13 p15 p16 p20 pt100

2

28

adres Helenaveenseweg 24 Gelderdijk 40 Meerweg 46 Wertemerweg 4 Wertemerweg 6 Wertemerweg 8 Wertemerweg 8 Wertemerweg 10 Schorfvenweg 6 Meerweg 69 Kronenbergweg 8-10 Kronenbergweg 11 Kronenbergweg 20 Schatbroekdijk 5 Recreatiepark toetspunt natuur

28 33 33 33 31 31 31 32 21 37 33

32

44 44 45 42 41 41 42 37

44 41

28 35 35 35

34 33

34 35 30 37 33

50 60 60 61 59 58 58 59

49 63 60

52 63 63 63 61 61 61 62 57 63 60

52 63 63 63 61 61 61 62 57 63 60

Op basis van een reguliere opbouw van de gevels van een woning zoals dit vanaf jaren 80 in de bouwverordening en vanaf 1992 het Bouwbesluit (steenachtige spouwmuren , kozijnen voorzien van HR++-glas en deugdelijke kier- en naaddichting in combinatie met gebalanceerde mechanische ventilatie) mag conform Geomilieu Geluidwering Gevels een gevelgeluidwering van 28-30 dB worden verwacht

Naast de referentiesituatie zijn in het akoestisch onderzoek ook de tien ontwikkelmodellen opnieuw doorgerekend. In tabel 4en 5 zijn de rekenresultaten van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en de

maximale geluidniveaus weergegeven. Tabel 4 Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (etmaalwaarden) - toekomstalternatieven immissiepunt

id. p02 p03

p04 p05a p06 p07a

p07b p08 p09 p11 p12 p13 p15 p16 p20 pt100

etmaalwaarden langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L ArLT ) [dB(A)] 2B 3B 1A 1B 2A 3A 4A 4B 42 42 42 42 42 42 42 42 42 42 42 42 42 42 42 42 41 41 40 40 41 40 40 40 ,

adres Helenaveenseweg 24 Gelderdijk 40 Meerweg 46 Wertemerweg 4 Wertemerweg 6 Wertemerweg 8 Wertemerweg 8 Wertemerweg 10 Schorfvenweg 6 Meerweg 69 Kronenbergweg 8-10 Kronenbergweg 11 Kronenbergweg 20 Schatbroekdijk 5 recreatiepark

huid. 41 42

ref. 41 41

39 35

39 35

41

41

33

33

40 40 40

40 40 40

39 39 39

39 39 39

40 35

toetspunt natuur

5A 42 42 40

5B

42 42 40

36

36

36

36

36

35

36

36

36

36

43 34 42 41 43 40 40 40 40

43

43

43

43

43

44

37

35

37

35

37

35

42 42 43 40

43 42 43 40

42 42 43 40

43 42 43 40

42 42 43 40

43 42 43 40

39 39

39 39

39

39

40 40

39 39

39 39

40

40 40

39 39

40

43 34 42 41 43 40 40 40 41

42 34 42 41 43 40

40

43 34 42 41 44 40 40 40 41

40

40

40

35

36

35

36

36

36

36

36

36

36

36

44

44

43 40

43

44

43

44

43

39

39

43 40

43

38

43 41

44

38

39

39

39

39

39

5A 64

5B

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de geluidbelasting ter plaatse van de omliggende woningen ten hoogste 44 dB(A) bedraagt. Ter plaatse van het merendeel van de woningen bedraagt de geluidbelasting echter relevant minder dan 44 dB(A). De streefwaarden voor een rustige woonwijk en rustig buitengebied worden hiermee gerespecteerd (op grond van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening hoofdstuk 4). Dit betekent ,

dat ter plaatse van woningen een aanvaardbaar akoestisch leefklimaat wordt gegarandeerd ongeacht de te realiseren toekomstvariant. In onderstaande tabel zijn de berekende maximale geluidniveaus (L Amax ) voor elk van de toekomstvarianten ,

opgenomen.

Tabel 5

Maximale geluidniveaus L Amax (etmaalwaarden) - toekomstalternatieven immissiepunt

id. p02 p03

p04 p05a p06 p07a

p07b p08 p09 p11 p12 p13 p15 p16 p20 pt100

etmaalwaarden maximaal geluidniveau (L Amax ) [dB(A)] 1B 2B 3B 2A 3A 4A 4B 64 64 64 64 64 64 64

adres Helenaveenseweg 24 Gelderdijk 40 Meerweg 46 Wertemerweg 4 Wertemerweg 6 Wertemerweg 8 Wertemerweg 8 Wertemerweg 10 Schorfvenweg 6 Meerweg 69 Kronenbergweg 8-10 Kronenbergweg 11 Kronenbergweg 20 Schatbroekdijk 5 recreatiepark

huid. 64

ref. 64

1A 64

63 63 63 65 52 65 65 65 62 62 62 62 57

63 63 63 65 52 65 65 65 62 62 62 62 57

63 63 63 65 52 65 65 65 62 62 62 62 57

63 63 63 65 52 65 65 65 62 62 62 62 57

63 63 63 65 52 65 65 65 62 62 62 62 57

63 63 63 65 52 65 65 65 62 62 62 62 57

63 63 63 65 52 65 65 65 62 62 62 62 57

63 63 63 65 52 65 65 65 62 62 62 62 57

63 63 63 65 52 65 65 65 62 62 62 62 57

63 63 63 65 52 65 65 65 62 62 62 62 57

63 63 63 65 52 65 65 65 62 62 62 62 57

63 63 63 65 52 65 65 65 62 62 62 62 57

64

64

64

64

64

64

64

64

64

64

64

64

toetspunt natuur

61

61

61

61

61

61

61

61

61

61

61

61

Uit de resultaten blijkt dat het maximaal geluidniveau L Amax ter plaatse van de beoordelingspunten ten hoogste 65 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. De geluidnormering vanuit het vigerende bestemmingsplan wordt hiermee

gerespecteerd.

29

64

Tijdens publieksevenementen ter plaatse van de uitbreidingslocaties bedraagt het L ArLT ten hoogste 69 dB(A). Het betreft publieksevenementen die maximaal 30 keren per jaar plaatsvinden. De geluidnormering conform de nota ‘Evenementen met een luidruchtig karakter’ van de provincie Limburg wordt voor de maximale gevelbelasting gerespecteerd. Uitgaande van een gevelgeluidwering van 20-25 dB wordt ook voldaan aan de geluidwaarden voor het binnenniveau. ,

,

Op basis van het geactualiseerde rekenmodel zijn de geluidbelaste oppervlaktes opnieuw bepaald. Deze zijn opgenomen in tabel 6. Deze zijn voor alle modellen vergelijkbaar.

Tabel 6

Geluidbelaste oppervlakken langtijdgemiddeld beoordelingsniveau huidige situatie

referentiesituatie

toekomstmodellen

325

345

430

6

8

11-12

150

155

175

0

0

0

geluid belast oppervlak 40 dB(A) [ha] aantal woningen binnen 40-45 dB(A) geluid belast oppervlak 45 dB(A) [ha] aantal woningen binnen 45-50 dB(A) De akoestisch relevante woningen

Grandorse als Toverland liggen te ver uiteen waardoor het niet mogelijk is een cumulatieve effecten in beeld te brengen voor deze woningen. Voor de woningen nabij Grandorse geldt dat het geluid van Toverland opgaat in de achtergrondwaarde ter plaatse (en vice versa).

5. 3

voor zowel

,

Stemgeluid Samenvatting van het toetsingsadvies

Geluid afkomstig van gegil in attracties en van spelende kinderen is waar relevant meegenomen in de berekeningen en de beoordelingen in het akoestisch onderzoek. De commissie constateert dat het MER hier echter niets over zegt terwijl uit de zienswijzen blijkt dat met name het gegil in attracties de meeste hinder veroorzaakt in de omgeving. De Commissie beveelt daarom aan de bevindingen uit het akoestisch onderzoek over dit onderwerp op te nemen in de aanvulling op het MER. ,

Aanvulling op het MER Het is correct dat in de akoestische berekeningen die voor het initiatief zijn uitgevoerd ook het stemgeluid van de bezoekers als bron in het rekenmodel is meegenomen. Dit is in het MER niet expliciet aangegeven maar het is wel gebeurd en verwerkt in de rekenresultaten. In paragraaf 4. 2. 4 van het (geactualiseerde) akoestisch onderzoek is gemotiveerd dat voor het gillen van bezoekers is uitgegaan van een maximaal geluidniveau dat worst case op 115 dB(A) is gesteld. Dit bronvermogen is gebaseerd op de waarde die voor ‘screaming’ is opgenomen in de rapportage “VDI 3770:2012-09: Emissionskernwerte von Schallquellen Sport- und Freizeitanlagen”. Bij attracties waar tijdens metingen hogere bronvermogens zijn geconstateerd zijn deze hogere waarden in het model opgenomen. Stemgeluid maakt dus cumulatief onderdeel uit van het berekende industrielawaai vanuit Toverland. Uit het (geactualiseerde) akoestisch onderzoek is gebleken dat de streefwaarden (65 60 en 55 dB(A)) van de maximale geluidniveaus voor een rustige woonwijk voor de dag- avond- en nachtperiode in de huidige situatie voor alle omliggende woningen worden gerespecteerd. De berekende maximale geluidniveaus ter plaatse van woningen bedragen namelijk ten hoogste 47 60 en 47 dB(A) (zie tabel 6 in paragraaf 4. 3. 2 van het akoestisch onderzoek dat in bijlage B7 aan deze aanvulling op het MER is toegevoegd).

In het akoestisch onderzoek zijn vervolgens ook de maximale geluidsniveaus (LAmax) in de referentiesituatie en voor elk van de tien ontwikkelmodellen berekend. Hieruit blijkt dat het maximale geluidniveau ter plaatse van de boordelingspunten in de toekomstige situatie (inclusief stemgeluid) ten hoogste 65 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. Dit betekent dat de huidige planologische situatie op dit onderdeel niet wijzigt. In het huidige bestemmingsplan van Toverland staat onder artikel 3. 2. 2. van de regels de volgende regeling: ,

,

,

,

,

,

,

,

,

30

Met uitzondering van bestaand gebruik van gronden als attractiepark is het bouwen en gebruik van attracties op gronden met de bestemming 'Cultuur en Ontspanning' slechts toegestaan indien de

geluidbelasting op geluidgevoelige objecten als gevolg van industrielawaai de onderstaande normen niet overschrijdt: a. 45 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. b. 65 dB(A) etmaalwaarde voor het maximaal geluidniveau. c. 50 dB(A) etmaalwaarde voor het equivalente geluidsniveaus ten gevolge van indirecte hinder. Deze normen zijn ook in het nieuwe planologische regime (Bestemmingsplan verbrede reikwijdte Toverland) van toepassing en als zodanig opgenomen. Initiatiefnemer is zich bewust dat ondanks het feit dat de normen en streefwaarden gerespecteerd zijn , omwonenden toch hinder kunnen ervaren. Hinder is echter een subjectief begrip. Welke geluidbron daarbij de meeste hinder in de omgeving veroorzaakt is voor iedereen anders. Dit blijkt ook uit de gesprekken die op regelmatige basis met omwonenden plaatsvinden. Wat de een als hinderlijk ervaart (een gilletje van angst in een achtbaan) wordt door een ander juist als een vorm van levendigheid ervaren. Zij geven aan dat met name mechanische geluiden van attracties als dominante factor te ervaren. Het nemen van aanvullende maatregelen tegen stemgeluid zou betekenen dat in de avondperiode bepaalde attracties eerder moeten sluiten.

Omdat de streefwaarden niet worden overschreden , is er voor de initiatiefnemer en de gemeentethans geen aanleiding om hiertoe over te gaan omdat dit de bezoekerservaring ernstig zou

schaden.

5. 4

Wegverkeersgeluid In het geactualiseerde akoestisch onderzoek zijn ook de nieuwe verkeersgegevens (zie hoofdstuk 4 van deze aanvulling op het MER) akoestisch doorgerekend. Uit de rekenresultaten is gebleken dat de geluidbelasting vanwege de verkeersaantrekkende werking ten hoogste 47dB(A) bedraagt. Dit betekent dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) uit de Circulaire wordt gerespecteerd. In de referentie- en plansituatie zal de geluidbelasting vanwege de verkeersaantrekkende werking mogelijk meer dan 50 dB(A) bedragen. Het betreft de woningen aan de Helenaveenseweg 24 (in de referentieen plansituatie) en de woningen aan de Graskuilenweg 14 en de Kleefsedijk 27 (in de plansituatie). De geluidbelastingen vanwege het totale verkeer (L den in dB) in de cumulatieve situatie bedragen 55 en 52 dB ter plaatse van de woningen aan de Helenaveenseweg 24 en de Graskuilenweg 14. Uitgaande van een gevelgeluidwering van 20-25 dB bedraagt het binnenniveau 27-35 dB. Voor de woning aan de Kleefsedijk 27 bedraagt de gevelbelasting ten hoogste 63 dB. Hoewel de geluidbelasting vanwege het verkeer van en naar Toverland meer dan 50 dB(A) bedraagt heeft dit verkeer geen relevante bijdrage aan de geluidbelasting vanwege het totale verkeer. Uitgaande van de genoemde gevelgeluidwering zal het binnenniveau 38-43 dB ,

,

,

bedragen. Mochten bovengenoemde geluidbelastingen in de toekomst worden behaald dan zal de gevelgeluidwering van deze betreffende woningen onderzocht moeten worden zodat kan worden nagegaan of een binnenniveau van 33 dB haalbaar is. ,

,

Daarnaast is in het akoestisch onderzoek een cumulatieve berekening van het wegverkeersgeluid met het industrielawaai van Toverland uitgevoerd. Uit die rekenresultaten is gebleken dat de gecumuleerde geluidbelasting ter plaatse van de woning aan de Helenaveenseweg 24 bepaald wordt door het wegverkeer en

dat de geluidbijdrage vanwege Toverland daaraan niet relevant is. Volgens de Methode Miedema kan het woon- en leefklimaat als “redelijk” worden aangemerkt. Nabij de woningen aan de Wertemerweg en Schorfvenweg liggen de geluidbelastingen vanwege wegverkeer en Toverland in dezelfde grootteorde. Gezien de berekende gecumuleerde geluidbelastingen ter plaatse van deze woningen wordt het woon- en leefklimaat als “goed” beoordeeld.

5. 5

Luchtkwaliteit Als aanvulling op het MER is het luchtkwaliteitsonderzoek geactualiseerd. Het geactualiseerde luchtkwaliteitsonderzoek is in bijlage B8 bijgevoegd. De berekeningen zijn uitgevoerd met de meest actuele

31

versie van het rekenmodel Geomilieu versie 2024.2 , module STACKS+ (releasedatum 14 februari 2025). In het geactualiseerde model zijn de nieuwe verkeersgegevens (zie hoofdstuk 4 van deze aanvulling op het MER) doorgerekend. Daarnaast zijn de gegevens over het aardgasverbruik aangepast , een en ander in overeenstemming met het stikstofdepositieonderzoek. De geactualiseerde berekeningen zijn samengevat opgenomen in tabel 7. Hieruit blijkt dat voor alle beschouwde stoffen ruimschoots wordt voldaan aan de normstelling uit de Wet milieubeheer. Daarnaast blijkt dat er geen sprake is van een onderscheidend vermogen tussen de alternatieven. Op basis hiervan is geconcludeerd dat het niet noodzakelijk is om in het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte aanvullende randvoorwaarden voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit op te nemen.

Tabel 7Rekenresultaten geactualiseerd luchtkwaliteitsonderzoek

32

6

VUURWERKSHOWS

6. 1

Samenvatting van het toetsingsadvies In het akoestisch onderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen ‘vuurwerkshows’ die maximaal 30 keer per jaar plaatsvinden en behoren tot de representatieve bedrijfssituatie en ‘grote vuurwerkshows’ die maximaal 12 keer per jaar plaatsvinden en behoren tot de incidentele bedrijfssituatie. Uit het MER en het akoestisch onderzoek blijkt volgens de Commissie niet wat wordt verstaan onder beide begrippen en wat de verschillen zijn. Daardoor is

ook niet na te gaan wat de effecten van beide soorten vuurwerkshows zijn. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER

en voorafgaand aan de besluitvorming te beschrijven wat wordt verstaan onder een ‘vuurwerkshow’ en onder een ‘grote vuurwerkshow’ zodat duidelijk is welke shows de representatieve bedrijfssituatie behoren en voor welke shows een evenementenvergunning moet worden

aangevraagd. De Commissie geeft aan dat vuurwerk een verstorend effect heeft op beschermde soorten met name op vogels. In het bestemmingsplan worden vuurwerkshows tijdens het broedseizoen uitgesloten. In de effectenanalyse vuurwerk wordt verwezen naar een kennisdocument ‘vuurwerk en Wet natuurbescherming’ van Tauw uit 2018. Daaruit ,

wordt afgeleid dat er slechts sprake kan zijn van een significant verstorend effect in de periode maart tot en met juli in verband met het broedseizoen van vogels en aanwezige kwetsbare nesten. De Commissie constateert dat de gevolgen van de vuurwerkshows op vogels daarmee mogelijk zijn onderschat. ,

Eind 2023 is een onderzoek van de UvA gepubliceerd over de gevolgen van het afsteken van vuurwerk op vogels waarbij gekeken is naar de effecten op oudjaarsavond. Dat rapport is van na het opstellen van de effectenanalyse vuurwerk maar dusdanig relevant dat het volgens de Commissie bij het MER moet worden betrokken. Uit het onderzoek van de UvA blijkt dat het afsteken van vuurwerk ook buiten het broedseizoen een groot verstorend effect heeft op vogels en dat hun schrikreactie veel energie kost. Met name in de winterperiode kan het een aantal dagen duren voordat ze voldoende hebben gegeten om de verloren energie aan te vullen. Aangezien de vuurwerkshows gemiddeld wekelijks kunnen voorkomen hebben de vogels geen of weinig tijd voor herstel en kunnen volgens de Commissie mogelijk blijvende effecten optreden. Daarbij is ook de effectafstand groter dan voorheen gedacht (5 tot 10 km). Waardoor ook de uitstraling naar het nabijgelegen Natura 2000-gebied Deurnsche Peel en Mariapeel niet uitgesloten kan worden. Dat geldt vooral voor winter- en trekvogels. Daarnaast merkt de Commissie op dat het broedseizoen door klimaatverandering voor veel vogelsoorten in de praktijk is opgeschoven waardoor ook in februari al sprake is van broedende vogels dit in tegenstelling tot waar het Kennisdocument vanuit gaat.

De Commissie adviseert om te onderzoeken of dit ook geldt voor de vogelsoorten die volgens de rapportage beschermde soorten voorkomen in de omgeving van het plangebied. ,

,

,

,

en voorafgaand aan de besluitvorming nader onderzoek te doen naar de effecten van vuurwerkshows op vogels. Beschrijf indien noodzakelijk mitigerende maatregelen om effecten te beperken zoals: Het aanpassen van de frequentie waarin de vuurwerkshows mogen plaatsvinden bijvoorbeeld minder of geen shows in de wintermaanden en/of Het aanpassen (verlengen van de periode die wordt vastgesteld als broedseizoen.

Op grond van het voorgaande adviseert de Commissie om in een aanvulling op het MER

,

33

6. 2

Aanvulling op het MER Mede naar aanleiding van het voorlopig toetsingsadvies van de Commissie mer is een aanvullende notitie effecten vuurwerk Toverland opgesteld. Deze is toegevoegd als bijlage B9 bij voorliggende aanvulling op het MER. Onderstaand is deze samengevat. Hierbij is onderscheid gemaakt in drie categorieën vuurwerk die worden toegepast: 1. Vuurwerk categorie 1 Een samenstelling van vuurwerk of pyrotechnische artikelen in de categorie F1 en T1 van het Vuurwerkbesluit of vergelijkbaar vuurwerk of pyrotechnische artikelen op grond van opvolgende wetgeving.

2.

Vuurwerk categorie 2 Een samenstelling van vuurwerk of pyrotechnische artikelen vallend onder categorie F2 en T2 van het Vuurwerkbesluit of vergelijkbaar vuurwerk of pyrotechnische artikelen op grond van opvolgende wetgeving.

3.

Vuurwerk categorie 3 Een samenstelling van vuurwerk of pyrotechnische artikelen vallend onder categorie F2 tot en met F4 en T2 van het Vuurwerkbesluit of vergelijkbaar vuurwerk of pyrotechnische artikelen op grond van opvolgende wetgeving.

De kleine en grote vuurwerkshows worden in het bestemmingsplan als volgt gedefinieerd: Kleine vuurwerkshow: vuurwerkshow waarbij vuurwerk in maximaal categorie 2 wordt gebruikt en waarbij het maximaal piekgeluidniveau (L Amax ) niet hoger is dan 142 dB(A). Grote vuurwerkshow: vuurwerkshow vuurwerk in maximaal categorie 3 wordt gebruikt en waarbij het maximaal piekgeluidniveau (L Amax ) niet hoger is dan 160 dB(A). Voor het definiëren van het afsteken van vuurwerk op Toverland wordt het “standaard” LAmax gehanteerd aangezien op basis hiervan in het akoestisch onderzoek het woon- en leefklimaat in de omgeving van Toverland wordt beschouwd.

,

Voor het bestemmingsplan is uitgegaan van het gebruik van vuurwerk in categorie 1 2 en 3. Categorie 1 vuurwerk mag dagelijks gebruikt worden categorie 2 maximaal 30 keer per jaar en categorie 3 maximaal 12 keer per jaar (in combinatie met andere specifieke activiteiten). Vuurwerk categorie 2 en 3 wordt toegepast in combinatie met een show waarin gebruik gemaakt wordt van activiteiten en/of muziek. ,

,

Akoestische beoordeling Er hebben metingen plaatsgevonden naar het geluidsniveau van vuurwerk in de categorie 1. Dit vuurwerk heeft een bronvermogen van circa 80 dB(A). Hieruit volgt dat deze categorie vuurwerk niet relevant is ten opzichte van de overige geluidbronnen van het park (zie Akoestisch onderzoek d. d. 22 augustus 2025 paragraaf 4. 2. 4). Voorts heeft een akoestisch onderzoek plaatsgevonden naar het afsteken van vuurwerk bij een kleine en grote show op Toverland waarbij vuurwerk categorie 2 en 3 is gebruikt. In het akoestisch onderzoek is een maximaal bronvermogen als impulsgeluid (L Aimax ) van 147 dB(A) gemeten bij een kleine vuurwerkshow met vuurwerk categorie 2. Dit komt overeen met een L Amax van 142 dB(A). Bij de grote vuurwerkshows is een maximaal bronvermogen als impulsgeluid (L Aimax ) van 164 dB(A) gemeten tijdens het slot van een grote vuurwerkshow met vuurwerk categorie 3. Dit komt overeen met een L Amax van 159 dB(A). Bij de meting met vuurwerk categorie 3 werd gelijktijdig vuurwerk ontstoken. Dit betekent dat het maximaal bronvermogen (LAimax) voor deze categorie wordt bepaald door één “knal” van meerdere soorten vuurwerk tegelijkertijd. In de regelgeving (bijlage I Essentiële veiligheidseisen staat hierover onder 5 van de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen (2013/129/EU) hanteert men een afstand-eis voor F2 van 120 dB(A) op 8 meter.

34

Dit komt overeen met een bronvermogen (LAimax) van 150 dB(A). En voor F3 120 dB(A) op 15 meter, wat overeenkomst met een bronvermogen (LAimax) van 155 dB(A). Vanwege de gelijktijdigheid van de “knallen” en daarmee de cumulatie van de geluidproductie, is de gemeten waarden bij Toverland die met ,

totaalpiek (LAimax) van 164 dB(A) opgenomen zijn in het akoestisch onderzoek, gebaseerd op 8 gelijktijdige knallen van 155 dB(A). een

Natura 2000 Volgens het Kennisdocument ‘Vuurwerk

en

Wet

natuurbescherming’ kunnen negatieve effecten op Natura

2000-

gebieden worden uitgesloten indien vuurwerk wordt afgestoken buiten de begrenzing van een Natura 2000gebied en het gebied op meer dan 3 km afstand van een Waddengebied, Noordzeekusigebied of deltagebied gelegen. Dit is voor Toverland het geval. Op basis van de uitgevoerde geluidmetingen zijn contourberekeningen uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er tijdens de grote vuurwerkshows tot aan buurtschap Evertsoord, gelegen op 650 m van Toverland, een geluidsniveau van 42 dB wordt berekend. Omdat de Deurnsche Peel en Mariapeel nog 1,2 km verder dan buurtschap Evertsoord ligt, kan worden geconcludeerd dat het afsteken van vuurwerk binnen Toverland niet leidt tot effecten ter plaatse van Natura 2000-gebieden. is

Natuurnetwerk

Limburg (NNL)

Direct

grenzend aan het plangebied liggen bosgebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Limburg. Het afsteken van vuurwerk kan leiden tot geluid of lichthinder. Dit is een negatief effect maar in Limburg leiden indirecte effecten (verstoring) niet tot extra compensatieopgave. Directe effecten (aantasting oppervlakte) zijn niet aan de orde omdat binnen het plangebied geen NNLgebieden aanwezig zijn. Beschermde

soorten

Ten aanzien

van

beschermde

soorten

blijkt uit het kennisdocument

‘Vuurwerk en

wet

natuurbescherming’

dat enkel

de soortgroep vogels significant negatieve effecten kunnen worden verwacht. Voor overige soortgroepen geldt dat de impulsverstoring te kort is om een significant negatief effect te veroorzaken. Om effecten voor kwetsbare vogels te beperken, wordt als uitgangspunt vastgelegd dat cat 2 of 3 vuurwerk vanwege het broedseizoen niet in de periode februari tot en met juli wordt afgestoken. In aanvulling hierop is geconstateerd dat vogels extra kwetsbaar zijn in de winterperiode als gevolg van gebrek aan voedsel en lage temperaturen (veel energie nodig om warm te blijven). Daarom geldt voor de winterperiode (vanaf medio november tot en met februari) dat er geen vuurwerkshows worden gehouden als er sprake is van een vorstdag. wordt aanvullend vastgelegd in de regels van het BPVR. voor

Dit

Uit de

uitgevoerde akoestische berekeningen is gebleken dat voor de kleinere shows geldt dat deze niet meer begrenzing van het plangebied van het BPVR produceren. Er is derhalve sprake van een zeer klein, lokaal effect. Bij een eventuele verstoring die in de toegestane afsteekperiode optreedt, zijn aanwezige vogels in staat om tijdelijk uit te wijken naar voldoende alternatief leefgebied in de omgeving. Voor de grotere shows is berekend dat de geluidscontour wel reikt tot aan de buitengrenzen van omliggend bosbiotoop. Omdat deze maximaal 12 keer per jaar en buiten de meest kwetsbare perioden (vorstdagen en broedseizoen) optreden, is in de aanvullende vuurwerknotitie geconstateerd dat vogels gedurende dit korte tijdbestek in staat zijn om tijdelijk vit te wijken naar alternatief biotoop in de omgeving, waarmee significant negatief effect voor vogels niet optreedt. dan 42 dB buiten de

Samenvattend kan

voor

het onderdeel

soortenbescherming

op basis

van

het Kennisdocument Vuurwerk

en

Wet

natvurbescherming, het rapport van | (geanonimiseerd) et al. en de uitgevoerde geluidsmodellering het volgende worden geconcludeerd. Vuurwerk in de categorie 1 heeft geen negatief effect op vogels omdat het geluid van dit vuurwerk het geluid van het aftractiepark zelf niet overstijgt. Door vuurwerk in de categorieën 2 en 3 niet af te steken in de periode februari juli (broedseizoen) worden negatieve effecten op broedende vogels op voorhand —

voorkomen. Het afsteken

de categorieën 2 en 3 in de periode augustus januari is schadelijk is wanneer het vorstdagen voor de veel om warm te betreft, waarbij vogels energie nodig blijven en weinig voedsel te vinden is. Daarom geldt ook dat tijdens een vorstdag geen vuurwerk in deze categorieën word!

afgestoken.

planregels

van

Hiermee wordt van

het

vuurwerk

een

in

mogelijk significant negatief effect op vogels voorkomen.

—

Dit wordt

geborgd

in

de

bestemmingsplan (zie hoofdstuk 1 1 van voorliggende aanvulling).

35

Aanvullend dient opgemerkt te worden dat een negatief effect op vogels in de betreffende periode nooit in zijn geheel uitgesloten kan worden doordat er altijd een kans is dat een vogel blijvend zijn verblijfplaats verlaat als gevolg van het afsteken van vuurwerk. Hier dient aan toegevoegd te worden dat niet altijd vast te stellen is dat deze vogel zijn verblijfplaats daadwerkelijk als gevolg van het vuurwerk heeft verlaten of dat ook andere (verstorende) factoren een rol spelen. Met de huidige aanpak wordt de kans op het verstoren van aanwezige vogels als gevolg van het afsteken van vuurwerk tot een minimum beperkt. Hiernaast geldt dat er reeds sprake is van enige verstoring op en direct rondom het attractiepark op de aanwezige soorten als gevolg van het gebruik van de attracties. Ook wordt er in de huidige situatie al vuurwerk afgestoken op het attractiepark tijdens evenementen zoals Halloween. Dit betreft 17 vuurwerkshows in de zomerperiode en rondom Halloween (oktober/november). Er is daarom al sprake van een min of meer structurele verstoring op en rondom het park waar aanwezige vogels aan gewend zijn geraakt. Het valt daarom redelijkerwijs niet te verwachten dat het afsteken van vuurwerk op de voorschreven wijze leidt tot een significant negatief effect op de aanwezige soorten. ,

,

,

36

7

EXTERNE VEILIGHEID

7. 1

Samenvatting van het toetsingsadvies Binnen het plangebied is een reserveringsstrook opgenomen voor toekomstige buisleidingen. Uit het MER en het onderzoek externe veiligheid blijkt volgens de Commissie dat wel rekening is gehouden met het plaatsgebonden risico daarvan , maar dat het groepsrisico niet in beeld is gebracht. Als reden wordt aangegeven dat nog niet bekend is welke stoffen zullen worden getransporteerd binnen de leidingenstrook. De Commissie merkt op dat het MER echter alle effecten van het plan in beeld moet brengen.

Uit het oorspronkelijke initiatief Delta Rhine Corridor is af te leiden dat de stoffen die mogelijk door het

leidingtracé zouden worden getransporteerd waterstof koolstofdioxide propeen lpg ammoniak en aardgas betroffen. Op 18 september 2023 is echter besloten dit af te schalen naar drie leidingen voor waterstof CO2 en ammoniak. Het groepsrisico moet voor zover mogelijk met een (indicatieve) berekening worden bepaald en waar dat niet kan met een kwalitatieve beschouwing. Daarbij moet ook een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico worden opgesteld. ,

,

,

,

,

Verder is het groepsrisico voor de A67 volgens het onderzoek externe veiligheid niet relevant omdat het plangebied buiten het invloedsgebied van die weg ligt. De A67 wordt echter ook gebruikt door GT4 tankcontainers die een invloedsgebied hebben van 4000 meter. Het plangebied ligt dus ruimschoots binnen dat invloedsgebied. Het MER moet daarom de informatie bevatten waarmee de wijzigingen in het groepsrisico worden verantwoord. Op grond van het bovenstaande adviseert de Commissie

om in een aanvulling op het MER en voorafgaand aan van het groepsrisico voor het transport van gevaarlijke

de besluitvorming een (indicatieve) berekening te maken stoffen door de leidingenstrook. Geef vervolgens een verantwoording van het groepsrisico. Doe dit ook voor de A67. Breng daarnaast maatregelen in beeld om de risico’s te beperken.

7. 2

Aanvulling op het MER Groepsrisico A67 Het plangebied is gelegen op meer dan 2 kilometer van de snelweg A67 (wegvak L5). Uit de meest recente gegevens van Rijkswaterstaat is gebleken dat over de A67 ook toxische gassen (GT4) worden vervoerd. Deze transporten hebben een invloedsgebied van meer dan 4. 000 meter. Omdat het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de snelweg A67 dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico te worden uitgewerkt. Deze is opgenomen in bijlage B10 van voorliggende aanvulling op het MER. Hierin is ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en tot beperking van de omvang van een ramp. De toename van het groepsrisico

wordt bepaald door de toename van de populatie in het invloedsgebied en de mate van zelfredzaamheid. In de verantwoording wordt ingegaan op de bereikbaarheid van het plangebied voor hulpdiensten en de beschikbaarheid van bluswatervoorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn overigens aandachtsgebieden van kracht geworden. De transportwegen uit het basisnet hebben een 300 meter aandachtsgebied voor een toxische wolk. Deze ligt niet over het plangebied.

37

DRC De Delta Rhine Corridor (DRC) is een initiatief voor de ontwikkeling van een bundel van ondergrondse

buisleidingen en kabels in een strook die globaal loopt van Rotterdam via Moerdijk naar Zuid-Limburg en Duitsland. Initieel was het plan om door deze leidingen waterstof koolstofdioxide propeen lpg ammoniak en aardgas te ,

,

,

,

transporteren.

Zoals de Commissie in het voorlopig toetsingsadvies aangaf was in september 2023 al aangekondigd dit af te schalen naar drie leidingen voor waterstof (H2) koolstofdioxide (CO2) en ammoniak. In december 2024 nadat het voorlopig toetsingsadvies van de Commissie was verschenen is in aanvulling hierop besloten dat er vooralsnog ook geen ammoniak vervoerd zal gaan worden in de buisleidingen van de DRC en de focus voor de korte termijn (verwachte realisatieperiode 2023-2033) ligt op het realiseren van waterstof en koolstofdioxide om de klimaatdoelen tijdig te behalen (https://www. rijksoverheid. nl/documenten/kamerstukken/2024/12/05/scope-en-vervolg-delta-rhine-corridor). De koolstofdioxide leiding is voorzien in de reserveringszone uit de Structuurvisie Buisleidingen (SVB) en voor de waterstofleiding wordt (in de DRC-Oost vanaf Boxtel verder oostwaarts) gebruik gemaakt van bestaande aardgastransportleidingen van de Gasunie. ,

,

,

,

,

,

Op basis hiervan is ten behoeve van voorliggende aanvulling op het MER

een nieuwe berekening uitgevoerd de mogelijke effecten als gevolg van de ontwikkeling van Toverland in relatie tot het toekomstig transport van waterstof en koolstofdioxide in de DRC. Deze rapportage is in bijlage B11 aan voorliggende aanvulling op het MER toegevoegd en de resultaten zijn onderstaand samengevat. naar

Plaatsgebonden risicocontour (PR) Voor het PR is als uitgangspunt genomen dat de 10 -6 contour binnen de reserveringsstrook ligt en blijft liggen en bij de bestaande gasleiding binnen de dubbelbestemming uit het huidige bestemmingsplan blijft liggen. Binnen deze zones zijn kwetsbare gebouwen en terreinen niet toegestaan. Daarmee wordt voldaan aan de vereisten van het Bevb. Groepsrisico Koolstofdioxideleiding Voor de koolstofdioxide-leiding zou een geheel nieuwe buisleiding worden gerealiseerd in de reserveringsstrook van de SVB. Dit initiatief bevindt zich thans nog in een verkenningsfase en voor de uitwerking hiervan wordt een separate mer-procedure opgestart. Op basis van kentallen van andere leidingen elders is een globale berekening

uitgevoerd naar de effecten in relatie tot Toverland. Uit de berekeningen volgt dat alle modellen leiden tot een toename van het groepsrisico ten opzichte van de referentiesituatie. In de compacte modellen (1b en 4b) waar de gemiddelde populatiedichtheid iets groter is is het groepsrisico ook hoger dan in de extensieve parkachtige modellen. De grootste toename van het groepsrisico is berekend voor de modellen 4a en 4b en die de oriëntatiewaarde overschrijdt. Dit is vanwege (beperkt) kwetsbare functies in combinatie met de verwachte populatieomvang ter plaatse van de leidingstrook/reserveringstrook. Voor de overige modellen < (M1A en M1B) welke zijn doorgerekend is geen sprake van overschrijding van oriëntatiewaarde (GR10). Omdat bij realisatie van (beperkt) kwetsbare functies ter plaatse van de leidingstrook/reserveringsstrook sprake is van een overschrijding van de oriëntatie waarde is in het bestemmingsplan verbrede reikwijdte een regeling opgenomen om deze functies ter plaatse van de leidingstrook/reserveringsstrook uit te sluiten. Door deze beperking van het gebruik van de gronden zijn voor het gehele tracé van de reserveringsstrook binnen het plangebied (beperkt) kwetsbare functies uitgesloten. ,

,

,

38

Tabel 8Berekend groepsrisico koolstofdioxide-leiding

Groepsrisico Waterstofleiding

Hynetwork Services (een 100% dochteronderneming van Gasunie) heeft voor waterstof-transport aangegeven dat het uitgangspunt is dat er geen nieuwe leiding wordt aangelegd maar dat een van de bestaande gasleidingen A665 of A520 wordt omgebouwd (ter plaatse van Toverland en omgeving). De bestaande leidingen liggen deels binnen de begrenzing van de SVB-strook parallel aan de Schorfvenweg. Evenals voor de koolstofdioxide-leiding geldt ook voor de waterstofleiding dat dit initiatief zich thans nog in de verkenningsfase bevindt. Voor de uitwerking hiervan wordt een separate m. e. r. -procedure opgestart. Een concrete en gedetailleerde berekening en verantwoording van het groepsrisico van een toekomstige waterstof-leiding kan pas plaatsvinden als er een concreet initiatief beschikbaar is. Voor beide leidingen is een aparte berekening uitgevoerd gebaseerd op kentallen van bestaande waterstofleidingen op andere locaties. ,

,

Tabel 9Berekend groepsrisico waterstofleiding A665

Tabel 10

Berekend groepsrisico waterstofleiding A520

Uit de berekeningen blijkt een groot verschil tussen de veiligheidsrisico’s van de leidingen (A665 en A520). Model 1 van de A665 geeft wel een verhoging van het groepsrisico maar blijft kleiner dan 0. 1 keer de oriëntatiewaarde. Als de populatie over en aan weerszijden van de buisleiding (model 4) wordt geplaatst neemt het groepsrisico fors toe en wordt de oriëntatiewaarde zelfs overschreden (GR10). > Verderop wordt ingegaan op mogelijke risicobeperkende maatregelen. Uit de resultaten van de A520 blijkt een ander beeld. Het groepsrisico van de huidige situatie is hoger en dit geeft in model 1 een verhoging van het groepsrisico. Bij het doorrekenen van de effecten van model 4 komt een grote overschrijding van het groepsrisico naar voren. Dit model (scenario) is ongewenst. Dit is vanwege (beperkt) kwetsbare functies ter plaatse van de leidingstrook. Voor de overige modellen die zijn doorgerekend is geen sprake van overschrijding van oriëntatie waarde (GR10). < ,

,

,

,

,

39

Omdat bij realisatie van (beperkt) kwetsbare functies ter plaatse van de leidingstrook sprake is van een overschrijding van de oriëntatie waarde is in het bestemmingsplan verbrede reikwijdte een regeling opgenomen om deze (beperkt) kwetsbare functies ter plaatse van de leidingstrook uit te sluiten. ,

Verantwoording groepsrisico en risicobeperkende maatregelen Vervolgens is in de Notitie effecten DRC (zie bijlage B11) ingegaan op de verantwoording van het groepsrisico. Ingegaan is op de kwetsbaarheid van Toverland de zelfredzaamheid van de aanwezigen vluchtwegen en schuilmogelijkheden de bereikbaarheid van het plangebied voor hulpdiensten (en ontsnappingroutes) en de beschikbaarheid van bluswatervoorzieningen. ,

,

,

Om het groepsrisico te beperken zouden verschillende maatregelen kunnen worden overwogen zoals: Verleggen leidingtracé naar een gunstiger positie bijvoorbeeld door deze vanuit noordelijke richting langer langs de provinciale weg te laten lopen (aan de westzijde) en pas bij de rotonde met de Helenaveenseweg te laten afbuigen. Hiervoor lopen inmiddels diverse gesprekken en dit streven is daarnaast zowel in de provinciale als gemeentelijke omgevingsvisie opgenomen. Leidingen dieper leggen (meer dekgrond) of inpakken dan wel ander soortig materiaal voor de leidingen inzetten. Extra afstand houden tot kwetsbare gebouwen en terreinen. In de regels van het BPVR worden hier al voorschriften voor opgenomen. Het verlagen van de druk in de leiding. Ingraven waarschuwingslint boven de leiding. Het sluiten van een overeenkomst met de grondeigenaar waarin wordt vastgelegd dat de grond niet of beperkt mag worden bewerkt of het aanbrengen van een drukwal op de leiding. ,

40

8

LICHTUITSTRALING

8. 1

Samenvatting van het toetsingsadvies De Commissie constateert dat in het MER

op pagina 173 is opgenomen dat als zeer hoge attracties worden gerealiseerd voorzien van verlichting een grotere lichtuitstraling kan plaatsvinden dan waarvan in het MER is uitgegaan. Hoe groot die lichtuitstraling is en op welke wijze deze kan worden gemitigeerd beschrijft het MER echter niet. De Commissie geeft aan dat het MER de effecten van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan in beeld moet brengen (zeker nu de mer-plicht na dit MER is verwerkt). Dat lijkt niet te zijn gebeurd. ,

,

,

,

Op basis hiervan adviseert de Commissie om in een aanvulling op het MER en voorafgaand aan de

besluitvorming de effecten voor de omgeving van verlichting op zeer hoge attracties in beeld te brengen.

8. 2

Aanvulling op het MER In het lichtonderzoek dat als bijlage bij het ontwerp BPVR (en het initiële MER) is toegevoegd is gemotiveerd dat

de te verwachten lichtuitstraling is bepaald door een combinatie van meetgegevens en modelberekeningen. Er zijn lichtmetingen uitgevoerd waarbij alle verlichting in Toverland in de nachtperiode op maximale sterkte is aangezet. Dit bleek (behoudens enkele foutief afgestelde spots) niet tot lichtuitstraling buiten de inrichtingsgrens van Toverland te leiden. Deze meetgegevens zijn in het rekenmodel vervolgens als bron voor de functie ‘attractiepark’ geëxtrapoleerd in de tien modellen als representatieve worst case situatie voor deze functie. De hoogste hoogte waarop binnen het bestaand gebruik lichtuitstraling plaatsvindt bedraagt 40 meter (Fenix). Deze hoogte is meegenomen in het model en geëxtrapoleerd op het gehele plangebied van Toverland. Voor de andere functies zijn worst case aannames gedaan. Zo is er bijvoorbeeld voor de hotels vanuit gegaan dat bij de maximaal acht verdiepingen (9 bouwlagen) overal raampartijen worden gerealiseerd waarbij nergens gordijnen op de kamers dicht zijn en alle kamers bezet zijn. Dit is een situatie die in de praktijk nooit voor zal komen. ,

In het vigerende bestemmingsplan zijn hogere attracties mogelijk dan thans zijn gerealiseerd waardoor de ,

gemeten lichtuitstraling kan afwijken van de planologisch toegestane lichtuitstraling. In het ontwerp-bestemmingsplan met verbrede reikwijdte is de zone waarbinnen deze hoge attracties mogelijk zijn identiek overgenomen uit de geldende regeling. Er is dus geen sprake van uitbreiding van deze maximale bouwhoogte over een groter gebied in het bestemmingsplan verbrede reikwijdte ten opzichte van het ‘oude’ bestemmingsplan. Wel is een groter gebied aangewezen waar attracties en bouwwerken zijn toegestaan. Om meer grip te hebben op de lichtuitstraling zijn in het bestemmingsplan verbrede reikwijdte , aanvullend op de

geldende regeling regels voor lichthinder geformuleerd (artikel 3. 2. 3). ,

Omdat het bestemmingsplan verbrede reikwijdte attracties met een hogere hoogte dan 40 meter mogelijk maakt is aan het bestemmingsplan een regeling toegevoegd op basis waarvan het realiseren van verlichting op een hogere hoogte dan 40 meter vergunningplichtig is. Het bestemmingsplan zal op dit onderdeel mede naar aanleiding van het voorlopig toetsingsadvies van de Commissie mer gewijzigd worden vastgesteld. Daarbij geldt dat een vergunning pas kan worden verleend indien middels aanvullend lichtonderzoek is aangetoond dat de in artikel 3. 2. 3 genoemde waarden (cumulatief) niet worden overschreden. Daarmee zijn in het MER voor wat betreft het aspect lichthinder de maximaal planologisch toegestane effecten van het planvoornemen onderzocht.

,

,

,

41

9

EFFECTEN OP NATURA 2000 ONDERDEEL VERDROGING

9. 1

Samenvatting van het toetsingsadvies

,

In het MER staat dat uit de Gebiedsanalyse voor het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel en Mariapeel blijkt dat de habitattypen Actieve hoogvenen en Herstellende hoogvenen een positieve of stabiele trend laten zien voor kwaliteit en oppervlakte. De Commissie verwijst naar de meer recent opgestelde natuurdoelanalyse en het advies van de Ecologische Autoriteit waaruit blijkt dat de instandhoudingsdoelen niet worden gehaald vanwege onder

andere verdroging. Toenemende droogte in de zomer en onttrekking van grondwater in de omgeving vormen belangrijke knelpunten voor het herstel van hoogveen. De effecten van het bestemmingsplan Toverland op onder andere het grondwater zijn in beeld gebracht in het MER en de watertoets. In het MER staat dat ‘verdroging of vernatting ter plaatse van het Natura 2000-gebied enkel kan plaatsvinden als het grondwater vanuit Toverland in de richting van het Natura 2000-gebied zou stromen maar de stromingsrichting is ter plaatse (noord)oostelijk en dus in tegenovergestelde richting. Negatieve effecten door verdroging en /of vernatting kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten. De Commissie merkt op dat het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel en Mariapeel bovenop een waterscheiding ligt op het ,

,

,

hoogste punt in de omgeving. Wanneer grondwater wordt onttrokken door Toverland wordt dat aangevuld met grondwater onder het Natura 2000-gebied waardoor mogelijk extra verdroging optreedt of dat het op peilhouden ervan problematischer wordt. Daarom is het volgens de Commissie belangrijk om de effecten van de onttrekking van grondwater door Toverland op de Deurnsche Peel en Mariapeel goed in beeld te brengen. Dit is in het MER niet gebeurd. Significante effecten op het Natura 2000-gebied zijn daardoor niet uitgesloten zodat in principe een passende beoordeling moet worden opgesteld. Ook moet er inzicht zijn in de (grondwater)behoefte van de nieuwe ontwikkelingen in De Peelbergen en de cumulatieve effecten ervan. ,

,

,

,

Op grond van het bovenstaande adviseert de Commissie

om in een aanvulling op het MER voorafgaand aan de besluitvorming de inzichten uit de natuurdoelanalyse voor het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel en Mariapeel te gebruiken om de effecten van het plan in beeld te brengen en daarvoor ook het advies van de Ecologische Autoriteit over de analyse te gebruiken. Indien nodig dient vervolgens een passende beoordeling te worden opgesteld. ,

9. 2

Aanvulling op het MER Naar aanleiding van het voorlopig toetsingsadvies van de Commissie mer is een nadere onderbouwing van de effecten van de grondwateronttrekking op Natura 2000 -gebieden opgesteld. Deze onderbouwing is in bijlage B5 opgenomen en onderstaand samengevat. Bij deze aanvulling zijn ook de natuurdoelanalyse voor de Deurnsche Peel & Mariapeel en het advies van de Ecologische Autoriteit hierover betrokken. In deze notitie is gemotiveerd dat het Natura 2000-gebied afhankelijk is van ondiep grondwater uit de formaties van Boxtel en Beegden. Deze formaties vormen één watervoerend pakket boven de formatie van Breda.

Bestaande onttrekkingen zoals beregeningsputten in de omgeving en grondwateronttrekkingen van Toverland betreffen allemaal diepe onttrekkingen uit de formatie van Breda en niet uit het ondiepe grondwater in het gebied tussen Toverland en het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel. Ter plaatse van het Natura 2000-gebied Mariapeel bevindt zich een waterscheiding

een grenslijn tussen twee stroomgebieden waarin het grondwater in een andere richting stroomt. Omdat de formatie van Breda een veel kleinere doorlatendheid heeft dan de bovenliggende formaties ontstaat ter plaatse van het Natura 2000-gebied een soort ondergrondse badkuip met een opwaarts gerichte grondwaterbeweging. ,

,

43

Het freatisch grondwater kan hierbij alleen over de rand wegstromen. Dit principe is onderstaand grafisch weergegeven en wordt bevestigd door de isohypsenkaart uit het beheerplan voor dit Natura 2000-gebied. Westelijk van Toverland ter plaatse van de Mariapeel is de grondwaterstroming noordelijk gericht. Dat wil zeggen dat hemelwater dat ter plaatse van het Natura 2000-gebied infiltreert niet richting Toverland stroomt maar eerst naar het noorden stroomt en ten noorden van Toverland naar het oosten afbuigt richting America. Dit is in de handmatig geschetste 3d schematisatie van afbeelding 5 weergegeven. Het plangebied Toverland ligt ten oosten van de waterscheiding (niet op de afbeelding weergegeven) en dus buiten de badkuip. Het Natura 2000 gebied Deurnsche Peel & Mariapeel bevindt zich daarentegen in de badkuip.

Afbeelding 4

Hydrologisch functioneren van het Peelgebied.

Afbeelding 5 Handmatige 3D schematisatie van de ondergrond en de grondwaterstromingsrichtingen in het gebied tussen Toverland en het Natura 2000-gebied

44

Naar aanleiding van de natuurdoelanalyse zijn herstelmaatregelen ingevoerd om het gebied te vernatten. In dit

kader zijn aan de noord- en oostzijde van de Mariapeel kwelschermen in de vorm van damwanden aangebracht die oppervlakkig richting het noorden en oosten stromend (ondiep) grondwater tegenhouden. De grondwaterbehoefte van Toverland bij nieuwe ontwikkelingen bestaat uit twee delen: 1. Extra grondwateronttrekkingen ten behoeve van (water)attracties. Deze onttrekkingen zullen in lijn met de bestaande grondwateronttrekkingen enkel plaatsvinden uit het diepe watervoerende pakket (Formatie van Breda). Zoals hierboven is aangegeven is geconcludeerd dat het Natura 2000-gebied niet afhankelijk is van diep grondwater uit de formatie van Breda. Negatieve invloeden als gevolg van deze onttrekkingen op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied kunnen derhalve worden uitgesloten. 2. Tijdelijke onttrekkingen uit het ondiepe grondwater (uit de formaties van Boxtel en Beegden) ten behoeve van de eventuele aanleg van een verdiepte kelder bijvoorbeeld bij het hotelcomplex. Om het effect hiervan ,

,

de grondwaterstanden inzichtelijk te maken en aan te geven welke mitigerende maatregelen tijdens de constructiefase genomen kunnen worden is een in de hydrologische onderbouwing (zie bijlage B5) een worst case scenario berekening uitgevoerd. Uit deze berekeningen is gebleken dat de verlagingscontouren van de bemaling en de onttrekking niet reiken tot aan het Natura 2000-gebied. Significant negatieve effecten als gevolg van grondwateronttrekking ten behoeve van de aanleg van een verdiepte kelder in Toverland op het Natura 2000 gebied Deurnsche Peel & Mariapeel kunnen derhalve worden uitgesloten. Mochten er in de toekomst in de omgeving aanvullende onttrekkingen gerealiseerd worden waardoor cumulatie van effecten optreedt dan bestaat altijd nog de invloed van een eventuele bouwkuipbemaling te minimaliseren door bijvoorbeeld een bouwkuip met damwanden en/of een bodem van onderwaterbeton te realiseren. op

,

,

,

,

Cumulatie met Toverland en Grandorse Via de gemeente Horst aan de Maas is informatie ontvangen over de aard en omvang van de grondwateronttrekkingen behorende bij de ontwikkeling van Grandorse: 3 Het debiet van het diepste filter is altijd minder dan 10 m/uur. 3 Er zijn twee ondiepe filters (waterbak en Umschwing (waaruit ook minder dan 10 m/uur wordt onttrokken. Laatstgenoemd filter wordt ongeveer vijf maal per jaar gedurende twee dagen per jaar gebruikt voor beregening. 3 Het totale gebruik van alle putten samen wordt geschat op 2. 000 m/jaar. Hieruit blijkt dat het slechts om zeer geringe voornamelijk ondiepe grondwateronttrekkingen gaat. Deze zullen cumulatief dan ook niet tot andere effecten leiden. ,

Conclusie Op grond van het bovenstaande is in de hydrologische onderbouwing uit bijlage B5 geconcludeerd dat significant negatieve effecten als gevolg van zowel de ondiepe als de diepe onttrekkingen in Toverland op de instandhoudingsdoelen van omliggende Natura 2000-gebieden op voorhand kunnen worden uitgesloten. Hierbij 2 geldt als randvoorwaarde dat maximaal 5. 000 mtot een diepte van maximaal 5 meter beneden maaiveld niveau mag worden bemaald. Om dit te borgen worden de regels van het bestemmingsplan op dit onderdeel gewijzigd vastgesteld. Het opstellen van een passende beoordeling vanwege dit aspect is derhalve niet aan de orde.

45

10

EFFECTEN OP NATURA 2000 ONDERDEEL STIKSTOF

10. 1

Samenvatting van het toetsingsadvies

,

Het stikstofonderzoek benoemt 11 Natura 2000-gebieden die op korte afstand tot het plangebied liggen. De dichtstbij gelegen gebieden zijn de Deurnsche Peel en Mariapeel de Groote Peel Rijntakken Sarsven en de Banen en de Maasduinen. Binnen al deze gebieden is sprake van habitattypen die overbelast zijn door een te grote stikstofdepositie. In die situatie wordt iedere toename van stikstofdepositie -hoe gering ook- in principe ,

gezien als een

,

,

aanzienlijk milieueffect.

In het MER staat dat de uitbreiding van Toverland onder andere door het uit gebruik nemen

van bemeste landbouwgronden en de aankoop van de vergunning onder de Wet natuurbescherming voor het agrarische bedrijf aan de Schorfvenweg niet leidt tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van omliggende Natura 2000-gebieden. De bijlage stikstofdepositie onderzoek onderbouwt dat intern salderen kan worden toegepast omdat het gaat om de vermindering van emissies op dezelfde gronden als waar de ontwikkeling van Toverland mag plaatsvinden. Beschreven zijn de beschikbare rechten op basis van de Wnb-vergunning en de feitelijke toegestane bemesting voorafgaand aan het uit gebruik nemen van de landbouwgronden. ,

,

De Commissie merkt op dat uit jurisprudentie blijkt dat het bij een nieuw plan niet aanvaardbaar is om

voor intern

salderen in de referentiesituatie activiteiten mee te nemen die al zijn beëindigd voor de peildatum in dit geval de datum van de vaststelling van het bestemmingsplan. Dat kan anders zijn als (onder andere op basis van een koopovereenkomst) onomstotelijk vaststaat dat de activiteit uitsluitend is beëindigd ten behoeve van de ontwikkeling die het betreffende plan mogelijk maakt. In dit geval is er sprake van een koopovereenkomst. De beoordeling of daarmee wordt voldaan aan de vereisten voor intern salderen geeft de Commissie mee als aandachtspunt voor de besluitvorming. ,

De Commissie constateert dat binnen de bestemming ‘Cultuur en ontspanning’ het overgrote deel van de gronden de aanduiding agrarisch heeft. Dat geldt dus voor bijna het hele (nieuwe deel van het) plangebied. Deze agrarische gronden zijn ook bestemd voor agrarisch bedrijfsmatig en hobbymatig grondgebruik. Dat betekent dus

dat uitbreiding van het attractiepark in de ene hoek van het plangebied mogelijk is terwijl een ander gedeelte nog agrarisch wordt gebruik. Met deze mogelijkheid lijkt geen rekening gehouden te zijn in het MER zodat de maximale effecten van het bestemmingsplan mogelijk niet in beeld zijn. Onduidelijk is daarom ook of sprake is van significante effecten op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. ,

Bij de ontvangen achtergronddocumenten heeft de Commissie twee stikstofrapporten aangetroffen (een voor het bestemmingsplan en een voor het MER). In het stikstofrapport bij het MER is in tabel 1 in beeld gebracht welke bronnen in de huidige situatie de referentiesituatie en in de ontwikkelmodellen aanwezig zijn. Het Camp Resort is opgenomen in de referentiesituatie en in ontwikkelmodel 5a en 5b. Uit tabel 2 blijkt dat de stikstofemissie afkomstig van het Camp Resort de helft is van de reguliere bedrijfsvoering van Toverland. Dit is het enige onderdeel waarop de 10 ontwikkelmodellen wat stikstofbronnen betreft van elkaar verschillen. De Commissie vindt het opvallend dat in tabel 12. 34 van het MER staat dat model 5a/b een lagere stikstofdepositie veroorzaakt op Natura 2000-gebieden dan de andere modellen. ,

De Commissie constateert dat in de AERIUS-berekening de stikstofemissie vanwege het Camp Resort niet lijkt meegenomen te zijn in de beoogde situatie en ook niet bij ontwikkelmodel 5.

46

In de berekening is de NOx-emissie vanwege gasgestookte bedrijfsvoering in de referentiesituatie namelijk gelijk aan

de boogde situatie.

Op basis van het voorgaande adviseert de Commissie om in een aanvulling op het MER

voorafgaand aan de besluitvorming een nieuwe AERIUS-berekening te maken met inachtneming van de hiervoor besproken opmerkingen en de uitkomst van die berekening op te nemen in het MER. Mocht uit de berekening blijken dat significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uitgesloten dan dient een passende beoordeling te worden opgesteld.

10. 2

en

Aanvulling op het MER Als aanvulling op het MER is het stikstofdepositieonderzoek geactualiseerd en verwerkt in de geactualiseerde voortoets. Deze is opgenomen in bijlage B12. Voor wat betreft de gemaakte opmerking van de Commissie over intern salderen met de intensieve veehouderij aan de Schorfvenweg wordt toegelicht dat conform de Zandzoom-jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2021:1960) ,

,

deze inderdaad door de initiatiefnemer is aangekocht ten behoeve van de toekomstige uitbreidingen van Toverland. De koopovereenkomst voldoet aan de uitgangspunten zoals vastgelegd in de jurisprudentie. Daarmee staat onomstotelijk vast dat de activiteit uitsluitend is / wordt beëindigd ten behoeve van de ontwikkeling die het betreffende plan mogelijk maakt. In geactualiseerde voortoets is een planvergelijking uitgevoerd waarbij voor de uitvoerbaarheidstoets rekening is

gehouden met de meest recente jurisprudentie (waaronder de Rendac- en Overduin-uitspraken van de Raad van State) omtrent intern salderen. De ontwikkeling van het Camp Resort is in tegenstelling tot het oude rapport nu niet langer als een autonome ontwikkeling aangemerkt maar maakt onderdeel uit van het planvoornemen. ,

In de voortoets is beschreven dat de verblijfseenheden allemaal gasloos worden gerealiseerd. Daarmee is het aantal recreatieve verblijfseenheden niet onderscheidend voor de stikstofdepositie. Het verschil in stikstofdepositie

wordt veroorzaakt door de centrale voorzieningen in het verblijfsrecreatiegebied (hotel zwembad wellness etc. ). Tevens is een onderbouwing opgenomen van het gasverbruik in de referentiesituatie en bij meer openingsdagen in de autonome situatie en toekomstige situatie. In het stikstofdepositieberekening (uitgangspunten) is voor deze centrale verblijfsrecreatieve voorzieningen uitgegaan van een maximaal verbruik van 922. 500 m 3 aan gas per jaar (in aanvulling op de 400. 000 m 3 per jaar voor de bedrijfsvoering van het attractiepark) gebaseerd op de volledige bezetting van het maximaal aantal bedden zoals opgenomen in het bestemmingsplan in de maximale plansituatie. Het huidige gasverbruik van de bestaande gebouwen in de referentiesituatie blijft hetzelfde want deze gebouwen worden niet uitgebreid. Dit maximum aan gasverbruik wordt bij de gewijzigde vaststelling in de regels van het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte vastgelegd. Hiermee is geborgd dat de maximale planologische effecten zijn doorgerekend. ,

,

,

,

,

In het initiële stikstofonderzoek dat bij het MER

en het ontwerp bestemmingsplan was bijgevoegd , was ervan uitgegaan dat er een centraal badhuis ter plaatse van het Camp Resort (in model 5a/b) zou worden gerealiseerd. Omdat het ook mogelijk is dat een dergelijke centrale voorziening elders in het plangebied ‘landt’ is de berekening hierop aangepast. Tevens wordt in deze berekeningen uitgegaan van algemene voorzieningen (zwembad , wellness , sanitaire voorzieningen etc. ). Daarmee is er voor dit criterium geen onderscheid meer tussen

de verschillende modellen. In de eindsituatie (als het planvoornemen volledig gerealiseerd is) is geen sprake meer van agrarisch grondgebruik. Het planvoornemen wordt niet in een keer gerealiseerd. Dit betekent inderdaad dat gedurende de

aanlegfase er tijdelijk sprake zou kunnen zijn van zowel agrarisch grondgebruik in een deel van het plangebied als een ander deel van het plangebied al recreatief wordt ontwikkeld. De afname van de stikstofdepositie als gevolg van de sanering van het agrarisch bedrijf is echter vele malen hoger dan die van het agrarisch grondgebruik waardoor per saldo ook in de tijdelijke situatie met behoud van agrarisch grondgebruik er altijd ,

47

sprake zal zijn van een daling van de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. Het agrarisch grondgebruik is gebaseerd op het daadwerkelijk gebruik van de percelen. In onderstaande tabel is de berekende stikstofdepositie in de huidige situatie de referentiesituatie en de toekomstige situatie opgenomen. Hieruit blijkt dat als gevolg van de beëindiging van de intensieve veehouderij ,

per

,

saldo sprake is van een afname van de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie.

Tabel 11

Stikstofdepositie omliggende Natura 2000-gebieden

Natura 2000-gebied

Deurnsche Peel & Mariapeel Maasduinen Boschhuizerbergen Groote Peel Leudal Weerter- en Budelerbergen & Ringselven Swalmdal Sarsven en De Banen

Strabrechtse Heide & Beuven Meinweg

Huidige

Referentie

situatie

Situatie (autonoom)

[mol/ha/jaar]

[mol/ha/jaar]

Alternatieven 1A/B 2A/B 3A/B 4A/B 5A/B [mol/ha/jaar]

156 ,

162 ,

029

045 030 ,

048 032 ,

009 006

024 015 ,

025 016 ,

006 004

010 ,

011 ,

003

011 009 ,

011 009 ,

003 002

008 ,

008 ,

002

006

007

002

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

Voortoets Vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel (circa 2 km) zijn de toekomstige werkzaamheden beoordeeld op de 19 storingsfactoren. Voor de atmosferische

stikstofdepositie is in het kader van de plantoets een vergelijking gemaakt tussen de feitelijk legale plansituatie en de maximaal beoogde plansituatie. Uit de rekenresultaten blijkt dat geen toename van stikstofdepositie optreedt op de stikstofgevoelige habitats van de Natura2000-gebieden. Omdat significante effecten op voorhand kunnen worden uitgesloten hoeven op grond van vaste jurisprudentie cumulatieve effecten niet te worden beoordeeld.3 Met de uitvoerbaarheidstoets zoals opgenomen in de voortoets is aangetoond dat met toepassing van intern

salderen als mitigerende maatregel het project vergunbaar is. Cumulatie Op verzoek van de Commissie mer zijn de cumulatieve effecten op het gebied van stikstofdepositie voor de ontwikkeling van Toverland en Grandorse onderstaand in beeld gebracht. Hieruit blijkt een stikstofdepositietoename op de verschillende stikstofgevoelige hexagonen in omliggende Natura-2000 gebieden. Deze toename wordt veroorzaakt door de gebiedsontwikkeling Grandorse.

3 ECLI:NL:RVS:2022:947 r. o. 9.3 , ECLI:NL:RVS:2021:1586 r. o. 24.8 , ECLI:NL:RVS:2021:1960 r. o. 16.1 , ECLI:NL:RVS:2016:166 , r. o. 5 en ECLI:NL:RVS:2016:1573 , r. o. 11. 2

48

Afbeelding 6 Cumulatie

Toverland

en

gebiedsontwikkeling Grandorse (zie ook bijlage B1 3).

Zoals hiervoor beschreven zijn voor de ontwikkeling van Toverland geen mitigerend maatregelen vereist. Voor de gebiedsontwikkeling van Grandorse zijn mitigerende maatregelen in de vorm van extern salderen meegenomen

(geanonimiseerd) (bron: |

namens

gemeente Horst

aan

de Maas).

49 krasäten

Afbeelding 7 Cumulatie Toverland en gebiedsontwikkeling Grandorse inclusief saldering exclusief afroming externe saldering (zie ook bijlage B13). ,

50

Afbeelding 8 Cumulatie Toverland en gebiedsontwikkeling Grandorse inclusief beoogd inclusief saldering inclusief afroming externe saldering (zie ook bijlage B13). ,

51

11

CONCLUSIE In voorliggende aanvulling op het MER is mede naar aanleiding van het voorlopig toetsingsadvies van de Commissie mer een aantal aspecten verduidelijkt en aangepast. Op basis van deze onderbouwing en de diverse ,

geactualiseerde specialistische onderzoeken die in de bijlages zijn toegevoegd wordt voorgesteld om het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte op de volgende aspecten gewijzigd vast te stellen om hiermee de milieubelangen goed te borgen: De massastudie en de geactualiseerde onderzoeken / oplegnotities als bijlage bij deze aanvulling op het MER toe te voegen. In de regels van het bestemmingsplan het aantal bouwlagen voor het hotel te maximeren op 9 bouwlagen. Voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan een samenwerkingsovereenkomst te sluiten met daarin afspraken over het tijdig nemen van verkeersmaatregelen als knelpunten structureel dreigen op te treden. Deze overeenkomst is inmiddels gesloten. Uit te sluiten dat tijdens het broedseizoen of vorstdagen vuurwerk in categorie 2 of 3 mag worden afgestoken. Ten aanzien van lichthinder in de regels een aanvullende bepaling op te nemen waarin staat dat een vergunning pas kan worden verleend indien middels aanvullend lichtonderzoek is aangetoond dat de in artikel 3. 2. 3 (ontwerp bestemmingsplan) genoemde waarden (cumulatief) niet worden overschreden. In de planregels een maximaal jaarlijks gasverbruik voor de centrale voorzieningen op te nemen. In de planregels opnemen dat in geval van bemaling maximaal 5. 000 m 2 tot een diepte van maximaal 5 meter beneden maaiveld niveau mag worden bemaald.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16313939/2