CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

12c.5 Archeologisch proefsleuvenonderzoek

Gemeenteraad 10 mei 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Oude Holstraat, Hegelsom.17.220 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 19 van 44

5 5.1

RESULTATEN VELDONDERZOEK Landschapsgenese en bodemopbouw

Zand, matig fijn, lichtbruin, bouwzand Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donkergrijs, lemige banden, gevlekt, grindjes, (sub)recent opgebracht Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgrijs, homogene verstoringslaag met roest, (sub)recent opgebracht Zand, matig fijn, matig siltig, donkerbruin, B-horizont (dekzand) Zand, zwak siltig, lichtbruin, gleyverschijnselen, bioturbatie, C-horizont (dekzand)

Figuur 13

Overzichtsfoto Profiel 1, Werkput 1 (foto genomen naar het westen)

Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donkerbruin, bouwvoor

Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donkerbruin, plaggendek Zand, matig fijn, zwak siltig, bruin lichtgrijs, plaggendek Zand, matig siltig, zwak humeus, donker bruingrijs, plaggendek Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donker grijsbruin, A-horizont podzol (dekzand) Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, donkerbruin, B-horizont podzol (dekzand) Zand, matig fijn, zwak siltig, geel lichtbruin, C-horizont (dekzand)

Figuur 14

Overzichtsfoto Profiel 4, Werkput 2 (foto genomen naar het zuiden)

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 20 van 44

Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donkerbruin, bouwvoor

Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donkerbruin, plaggendek [(sub)recent geroerd] Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtbruin, oude akkerlaag

Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtbruin, bioturbatielaag

Zand, matig fijn, zwak siltig, witgeel lichtbruin, gley-verschijnselen, Chorizont (dekzand)

Figuur 15

Overzichtsfoto Profiel 5, Werkput 3 (foto genomen naar het noorden)

Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donkerbruin, bouwvoor

Zand, matig fijn, zwak siltig, bruin, oude akkerlaag

Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtbruin, bioturbatielaag

Zand, matig fijn, zwak siltig, witgeel lichtbruin, gley-verschijnselen, enkele humeuze fibers, C-horizont (dekzand)

Figuur 16

Overzichtsfoto Profiel 7, Werkput 4 (foto genomen naar het westen)

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 21 van 44

Zand, matig fijn, zwak siltig, donkerbruin, met puinbrokjes en fragmenten baksteen en plastic, geroerd, (sub)recent opgebracht

Zand, matig fijn, zwak siltig, witgeel lichtbruin, gley-verschijnselen, Chorizont (dekzand)

Figuur 17

Overzichtsfoto Profiel 9, Werkput 5 (foto genomen naar het westen)

Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donkergrijs, geroerd, (sub)recent opgebracht

Zand, matig fijn, sterk siltig, licht bruingeel, gley-verschijnselen, C-horizont (dekzand)

Figuur 18

Overzichtsfoto Profiel 12, Werkput 6 (foto genomen naar het oosten)

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 22 van 44

Zand, matig fijn, zwak siltig, donkergrijs - oranjebruin - licht bruinbeige, heterogeen, geroerd, (sub)recent opgebracht

Zand, matig fijn, lichtbruin, C-horizont (dekzand)

Figuur 19

Overzichtsfoto Profiel 13, Werkput 7 (foto genomen naar het noorden) Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donker bruingrijs, geroerd, bouwvoor/(sub)recent opgebracht

Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, plaggendek [(sub)recent geroerd]

Zand, matig fijn, licht bruinbeige, bioturbatielaag

Zand, matig fijn, lichtbruin, gleyverschijnselen, C-horizont (dekzand)

Figuur 20

Overzichtsfoto Profiel 14, Werkput 8 (foto genomen naar het noordoosten)

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 23 van 44

Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donkerbruin, bouwvoor

Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, donkerbruin, plaggendek Zand, matig fijn, zwak siltig, bruin, met puinspikkels, (oude) akkerlaag Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtbruin lichtgrijs, oude akkerlaag Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtbruin/bruin, gevlekt, bioturbatielaag Zand, matig fijn, zwak siltig, licht bruinbeige, C-horizont (dekzand) Zand, matig fijn, zwak siltig, witgeel lichtbruin, gley-verschijnselen, Chorizont (dekzand)

Figuur 21

Overzichtsfoto Profiel 16, Werkput 9 (foto genomen naar het oosten)

Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donker bruingrijs, bouwvoor

Zand, matig fijn, zwak siltig, bruin lichtgrijs, oude akkerlaag

Zand, matig fijn, zwak siltig, bruin lichtgrijs, gevlekt, bioturbatielaag

Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtbruin, bioturbatielaag

Zand, matig fijn, matig siltig, witgeel lichtgrijs, gley-verschijnselen, Chorizont (dekzand)

Figuur 22

Overzichtsfoto Profiel 18, Werkput 10 (foto genomen naar het zuidwesten)

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 24 van 44

Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donkerbruin, bouwvoor

Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donkerbruin, plaggendek Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtbruin, oude akkerlaag Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtbruin, bioturbatielaag Zand, matig fijn, zwak siltig, beige lichtbruin, gley-verschijnselen, Chorizont (dekzand)

Figuur 23

Overzichtsfoto Profiel 20, Werkput 11 (foto genomen naar het oosten)

Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donkerbruin, bouwvoor

Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donkerbruin, plaggendek Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donker grijsbruin, plaggendek Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, donker grijsbruin, enige uitloging, plaggendek Zand, matig fijn, zwak siltig, bruin, Bhorizont podzol (dekzand) Zand, matig fijn, zwak siltig, geelbeige, gley-verschijnselen, C-horizont (dekzand)

Figuur 24

Overzichtsfoto Profiel 22, Werkput 12 (foto genomen naar het noorden)

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 25 van 44

Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donkerbruin, geroerd, (sub)recent opgebracht Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donkerbruin, plaggendek Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtbruin lichtgrijs, oude akkerlaag

Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgrijs, uitspoeling, E-horizont podzol (dekzand) Zand, matig fijn, matig siltig, bruin, Bhorizont podzol (dekzand) Zand, matig fijn, zwak siltig, geelbeige, gley-verschijnselen, humeuze fibers, Chorizont (dekzand)

Figuur 25

Overzichtsfoto Profiel 23, Werkput 13 (foto genomen naar het noorden)

Zand, matig fijn, zwak siltig, donkerbruin, bouwvoor

Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donkerbruin, plaggendek

Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtbruin, oude akkerlaag Zand, matig fijn, matig siltig, lichtgrijs, E-horizont podzol (dekzand)

Zand, matig fijn, matig siltig, bruin, gleyverschijnselen, B-horizont podzol (dekzand) Zand, matig fijn, zwak siltig, geelbeige, humeuze fibers, C-horizont (dekzand)

Figuur 26

Overzichtsfoto Profiel 24, Werkput 14 (foto genomen naar het noorden)

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 26 van 44

Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donkerbruin, bouwvoor

Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donker grijsbruin, plaggendek Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtbruin, oude akkerlaag

Zand, matig fijn, zwak siltig, licht bruinbeige, bioturbatielaag

Zand, matig fijn, zwak siltig, witgeelbeige, C-horizont (dekzand)

Figuur 27

Overzichtsfoto Profiel 25, Werkput 15 (foto genomen naar het noordoosten)

Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donkerbruin, bouwvoor

Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donkerbruin, plaggendek

Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, donker grijsbruin, plaggendek Zand, matig fijn, matig siltig, bruin, oude akkerlaag Zand, matig fijn, zwak siltig, licht bruinbeige, bioturbatielaag Zand, matig fijn, zwak siltig, geelbeige, veel gley-verschijnselen, C-horizont (dekzand)

Figuur 28

Overzichtsfoto Profiel 26, Werkput 15 (foto genomen naar het oosten)

Op basis van de 26 gedocumenteerde profielen is vastgesteld dat de natuurlijke ondergrond ter plekke van het onderzoeksgebied (primaire zone) bestaat uit dekzandafzettingen (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). Het moedermateriaal (C-horizont) bestond in hoofdlijnen uit witgeel lichtbruin, geel (licht)bruin of lichtbruin, zwak tot matig siltig, matig fijn zand, met gley-verschijnselen (roestvlekken). Lokaal kwamen binnen de C-horizont sterk lemige banden of leembrokken voor zoals

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 27 van 44

ter plekke van Werkput 6 (Profiel 11 en 12) aan de zuidoost zijde van het onderzoeksgebied (zie bijlage 2). Tevens zijn sporadisch humeuze fibers waargenomen in de C-horizont, hetgeen lijkt te wijzen op mogelijk de oorspronkelijk aanwezigheid van haarpodzolbodems ter plekken van het onderzoeksgebied. Deze humeuze fibers waren aanwezig in Profiel 18 (Werkput 10), Profiel 23 (Werkput 13), Profiel 24 (Werkput 14). Uitgaande van de bodemopbouw vanaf het maaiveld kan een eerste verschil gemaakt worden tussen de aanwezigheid van (sub)recent geroerde en opgebrachte zandpakketten of een plaggendek bestaande uit één of meerdere lagen. Schematisch kunnen vier typen bodemopbouw onderscheiden worden, zoals weergegeven in Tabel I hieronder. Tabel I.

Typen bodemopbouw

Type

Bodemopbouw (schematisch)

A

Bouwvoor, op (sub)recent geroerd en opgebracht, op C-horizont van dekzand (AC-profiel)

B

Bouwvoor, (op (sub)recent geroerd en opgebracht/plaggendek), op oude akkerlaag, op bioturbatielaag, op C-horizont van dekzand

C

Plaggendek, op (restant van) podzolprofiel in top van dekzand

D

Plaggendek, op oude akkerlaag, op (restant van) podzolprofiel in top van dekzand

De AC-profielen, waarbij een of meerdere (sub)recent geroerde en opgebrachte zandpakketten lagen op de C-horizont van de dekzand, zijn allen in het oostelijke deel van het onderzoeksgebied aangetroffen, namelijk Werkput 1 (Profiel 1 en 2), Werkput 5 (Profiel 9), Werkput 6 (Profiel 11 en 12) en Werkput 7 (Profiel 13). In hoofdlijnen bestonden de (sub)recent geroerde en opgebrachte pakketten uit deels bouwzand en deels (zwak humeus), zwak siltig, matig fijn zand, met een lichtgrijze, donkergrijze, lichtbruine, donkerbruine, oranjebruine of licht bruinbeige kleur (zie figuur 13, 17, 18 en 19). De geroerde pakketten hadden vaak een heterogene (gevlekt) structuur, en bevatten gedeeltelijk grindjes, puinbrokjes, baksteenfragmenten en/of fragmenten plastic. Ter plekke van Werkput 1, aan de noordoost zijde van het onderzoeksgebied, is de verstoorde bodemopbouw mogelijk veroorzaakt door de vroegere aanwezigheid van de Oude Holstraat tot circa de jaren ’70 van de 20 e eeuw. Ter plekke van Werkput 5, 6 en 7 lijken de verstoringen verband te houden met de bouw en recente afbraak van gebouwen van de voormalige pluimveevakschool en latere agrarisch opleidingscentrum (PETC+). Bodemtype B, waarbij minimaal een oude akkerlaag, op een bioturbatielaag, op de C-horizont van het dekzand aanwezig is, concentreert zich hoofdzakelijk in het westelijke deel van het onderzoeksgebied.

De oude akkerlaag werd hoofdzakelijk gekenmerkt door een homogeen pakket van licht bruin(beige), licht bruingrijs of bruin, zwak siltig, matig fijn zand, terwijl de bioturbatielaag in hoofdlijnen bestond uit gevlekt, licht bruin(grijs), zwak siltig, matig fijn zand (zie figuur 15, 16, 20, 21, 22, 23, 27 en 28). In de oude akkerlaag waren sporadisch puinspikkels aanwezig. Bij bodemtype C en D is beneden het plaggendek en/of een oude akkerlaag een (restant van een) podzolprofiel in de top van het dekzand aanwezig (zie figuur 14, 24, 25 en 26). Het plaggendek bestond uit één tot drie lagen binnen de individuele profielen. Deze lagen werden gekenmerkt door een (donker)bruine, bruin lichtgrijze, donker grijsbruine of donker (bruin)grijze kleur, en zwak tot matig humeus, zwak siltig, matig fijn zand. Lokaal was het plaggendek gevlekt, waaruit opgemaakt kan worden dat het plaggendek hier (sub)recent is geroerd. In Werkput 12 (Profiel 21 en 22) was alleen een B-horizont nog aanwezig van het oorspronkelijke podzolprofiel. In Werkput 13 (Profiel 23) en Werkput 14 (Profiel 24) was een E- op een B-horizont aanwezig enn in Werkput 2 (Profiel 3 en 4) was een A-, deels op een E-, op een B-horizont aanwezig. De A-horizont werd gekenmerkt door donker grijsbruin of donker bruingrijs, matig humeus, zwak tot matig siltig, matig fijn zand.

De E-horizont bestond uit (licht)grijs, zwak tot matig siltig, matig fijn zand. En de B-horizont tenslotte werd gekenmerkt Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 28 van 44

door (donker)bruin, deels zwak humeus, zwak tot matig siltig, matig fijn zand. Bodemtype C en D, met een (gedeeltelijk) intact podzolprofiel, is aangetroffen in het noord(westelijke) deel van het onderzoeksgebied, direct ten westen en oosten van het huidige gebouw van Herberg Hegelsom. In bijlage 2 wordt de verspreiding van de profielen en gekoppeld van de vier onderscheiden typen bodemopbouw weergegeven. Geconcludeerd kan worden dat de AC-profielen, bestaande uit (sub)recent geroerde en opgebrachte zandpakketten, primair gesitueerd zijn in het oostelijke deel van het onderzoeksgebied. De bodem lijkt hier primair verstoord te zijn door de aanwezigheid van de vroege Oude Holstraat (Werkput 1, in noordoost hoek van het onderzoeksgebied) en de bouw en recente sloop van gebouwen die behoorden tot de voormalige pluimveevakschool en het latere agrarisch opleidingscentrum (PETC+). In het centrale en westelijke deel van het onderzoeksgebied zijn de andere typen bodemopbouw aangetroffen. De bodems met een oude akkerlaag en bioturbatielaag lijken verspreid voor te komen over beide laatst genoemde zones binnen het onderzoeksgebied. De bodems waarbinnen nog een (restant van een) podzolprofiel is aangetroffen concentreren zich in het noord(westelijke) deel van het onderzoeksgebied direct ten westen en oosten van het gebouw van Herberg Hegelsom.

De resultaten ten aanzien van de fysische geografie van het proefsleuvenonderzoek komen in hoge mate overeen met die van het eerder uitgevoerde inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-Overig).26 Ook bij het verkennend booronderzoek is in het centrale en westelijke deel van het onderzoeksgebied een plaggendek en bioturbatielaag aangetroffen, terwijl in het oostelijke deel AC-profielen aanwezig waren met (sub)recent geroerde en opgebrachte zandpakketten op de C-horizont van het dekzand. Anders is echter wel de constatering dat in de proefsleuven een onderscheid gemaakt kon worden tussen oude akkerlagen en bioturbatielagen. Daarnaast was in de verkennende boringen geen (restant van een) podzolprofiel in de top van de dekzandafzettingen aangetroffen. Gedeeltelijk intacte podzolprofielen zijn wel tijdens het proefsleuvenonderzoek waargenomen, beneden het plaggendek of de oude akkerlaag, in het noord(westelijke) deel van het onderzoeksgebied. 5.2

Analyse sporen en structuren

In de proefsleuven zijn 12 sporen gedocumenteerd, waarvan Tabel II hieronder een beknopte beschrijving biedt. Tabel II.

Spoortypen

Spoornummer Werkput

Aard spoor

1

1 Weg

2

2 Kabel- en leidingsleuf

3

5 Afbraakvlak/verstoringsvlak

4

5 Verstoring

5

5 Verstoring

6

6 Afbraakvlak/verstoringsvlak

7

6 Afbraakvlak/verstoringsvlak

8

6 Verstoring

9

10 Kuil (algemeen)/verstoring

10

10 (Paal)kuil

11

11 Kuil (algemeen) - natuurlijk

12

11 (Paal)kuil

26 Mientjes, 2021a.

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 29 van 44

Spoor 1 in Werkput 1, in het noordoostelijke deel van het onderzoeksgebied, bestaat uit restanten van de Oude Holstraat, die omstreeks de jaren ’70 van de 20 e eeuw is verdwenen als gevolg van de herinrichting van het terrein voor de voormalige pluimveevakschool en het latere agrarisch opleidingscentrum (PETC+). De Oude Holstraat was herkenbaar als een lineair spoor, waarbinnen karrensporen zichtbar waren en een donker grijsbruine vulling van grof zand vermengd met puin (zie figuur 29 en 30; zie bijlage 3). Op basis van de beschikbare historische gegevens is bekend dat de Oude Holstraat al aan het begin van de 19e eeuw bestond.27 In Werkput 2 is een kabel- en leidingsleuf aangetroffen (Spoor 2) (zie figuur 31; zie bijlage 3), en binnen deze zone van het onderzoeksgebied, zoals in Werkput 3, zijn ook andere kabel- en leidingsleuven, (sub)recente uitbraaksporen en verstoringen waargenomen, die in het veld niet verder gedocumenteerd zijn. Uitbraaksporen en (sub)recente verstoringen zijn ook waargenomen in Werkput 5 en 6, aan de oostzijde van het onderzoeksgebied. Dit betreft Spoor 3, 4, 5, 6, 7 en 8 (zie figuur 32 en 33; zie bijlage 4). Deze sporen lijken samen te hangen met de bouw sinds de jaren ’70 van de 20 e eeuw en recente sloop van enkele gebouwen behorende tot de voormalige pluimveevakschool en het latere agrarisch opleidingscentrum (PETC+).

In het westelijke deel van het onderzoeksgebied zijn tenslotte vier sporen aangetroffen. Spoor 9 (Werkput 10) is rechthoekige kuil of verstoring, die vanwege de sterk gevlekte vulling als (sub)recent is gedateerd (zie figuur 34; zie bijlage 5). Spoor 10 (Werkput 10) en Spoor 12 (Werkput 11) betreffen mogelijk paalkuilen, die opnieuw op basis van hun type vulling als (sub)recent gedateerd kunnen worden (zie figuur 35 en 36; zie bijlage 5). Spoor 11 (Werkput 11) is na couperen als een natuurlijk spoor geïnterpreteerd (zie figuur 37; zie bijlage 5).

Figuur 29

Overzichtsfoto Spoor 1, Werkput 1 [vulling Oude Holstraat] (foto genomen naar het zuiden)

27 Mientjes, 2021a.

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 30 van 44

Figuur 30

Overzichtsfoto Spoor 1 [vulling Oude Holstraat] in Profiel 2, Werkput 1 (foto genomen naar het oosten)

Figuur 31

Overzichtsfoto Spoor 2 [kabel- en leidingsleuf], Werkput 2 (foto genomen naar het zuiden)

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 31 van 44

Figuur 32

Overzichtsfoto Spoor 3, 4 en 5 [(sub)recente uitbraaksleuven en verstoringen], Werkput 5 (foto genomen naar het noorden)

Figuur 33

Overzichtsfoto Spoor 6, 7 en 8 [(sub)recente uitbraaksleuven en verstoringen], Werkput 6 (foto genomen naar het zuiden)

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 32 van 44

Figuur 34

Overzichtsfoto Spoor 9 [(sub)recente kuil], Werkput 10 (foto genomen naar het zuidwesten)

Figuur 35

Overzichtsfoto Spoor 10 [paalkuil], Werkput 10 (foto genomen naar het noordwesten)

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 33 van 44

Figuur 36

Overzichtsfoto Spoor 12 [paalkuil], Werkput 10 (foto genomen naar het westen)

Figuur 37

Overzichtsfoto Spoor 11 [kuil/natuurlijk spoor], Werkput 11 (foto genomen naar het zuiden)

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 34 van 44

5.3

Vondstmateriaal

Tijdens de aanleg van de proefsleuven zijn geen archeologische vondsten aangetroffen, buiten (sub)recent puin zoals baksteenfragmenten en plastic. 5.4

Grondmonsters

Conform het Programma van Eisen is het plaggendek in één profiel (Profiel 4, Werkput 2) bemonsterd met behulp van pollenbakken. Omdat geen behoudenswaardige archeologische resten zijn aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek, is geadviseerd om de pollenbakken niet te analyseren en niet aan te leveren aan het Provinciaal Archeologisch Depot voor Bodemvondsten Limburg (deselectie). Daarnaast zijn tijdens het veldonderzoek geen sporen, stratigrafische en/of bodemlagen aangetroffen, waaruit bruikbare grondmonsters verzameld konden worden voor archeobotanisch onderzoek en mogelijke palynologische reconstructies van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het onderzoeksgebied en de omgeving. 5.5

Conclusie veldonderzoek

Vooruitlopend op de waardering in paragraaf 6.1 is tijdens het proefsleuvenonderzoek vastgesteld dat geen behoudenswaardige vindplaats aanwezig is ter plekke van het onderzoeksgebied. Nadat de proefsleuven zijn gegraven is op 26 april 2021 per e-mail contact opgenomen met de gemeente Horst aan de Maas (mevrouw J. van Melick, Beleidsadviseur Omgeving). In de schriftelijke correspondentie is een beknopt verslag van de veldresultaten gepresenteerd en een voorlopig advies gegeven ten aanzien van het onderzoeksgebied en het plangebied als geheel.

6 6.1

WAARDERING, CONCLUSIE EN SELECTIEADVIES Waardering

De resultaten van het veldwerk vormen de basis voor de waardering van de vindplaats. De waardering moet vervolgens leiden tot een aanbeveling ten aanzien van het vervolgtraject. De waardering wordt vastgesteld volgens de door de KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018), voorgeschreven wijze aan de hand van de volgende aspecten: beleving, fysieke kwaliteit en inhoudelijke kwaliteit. Beleving De beleving van de vindplaats valt uiteen in twee criteria “schoonheid” en “belevingswaarde”. Bij beide gaat het vooral om zichtbare monumenten. Schoonheid is de esthetische-landschappelijke waarde van een archeologisch monument, die in de zichtbaarheid van het monument tot uiting komt. Deze waarde is gebaseerd op de zichtbaarheid vanaf het maaiveld als landschapselement, vorm en structuur en relatie met de omgeving. Herinneringswaarde is de herinnering die het archeologisch monument oproept over het verleden. Deze waarde is gebaseerd op verbondenheid met feitelijke historische gebeurtenissen en associatie met toegeschreven kwaliteit of betekenis. Fysieke kwaliteit De fysieke kwaliteit van de vindplaats is gebaseerd op de criteria gaafheid en conservering. De gaafheid is de mate van niet-verstoord zijn en stabiliteit van de fysieke omgeving. De conservering geeft de mate waarin archeologisch vondstmateriaal bewaard is gebleven aan. Bij vijf of meer punten is een vindplaats behoudenswaardig.

Bij een middelmatige tot lage score (vier punten of minder) wordt er naar de inhoudelijke kwaliteitscriteria gekeken om te bepalen of de vindplaats toch behoudenswaardig is.

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 35 van 44

Inhoudelijke kwaliteit De inhoudelijke kwaliteit wordt uitgedrukt in waarden voor zeldzaamheid, informatie, ensemble en representativiteit. Zeldzaamheid is de mate waarin een bepaald type monument schaars is (of is geworden) voor een periode of in een gebied. Informatiewaarde is de betekenis van een monument als bron van kennis over het verleden. De ensemblewaarde (of contextwaarde) is de meerwaarde die aan een monument wordt toegekend, op grond van de mate waarin sprake is van een archeologische en landschappelijke context. De representativiteit is tenslotte de mate waarin een bepaald type monument karakteristiek is voor een periode dan wel een gebied voorkomt. Eerst wordt er een afweging gemaakt op basis van de drie inhoudelijke kwaliteitscriteria: zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde. Bij een bovengemiddelde score van zeven of meer punten is de vindplaats behoudenswaardig. Bij een lagere score wordt nagegaan of het criterium representativiteit van toepassing is. Doordat er bij het proefsleuvenonderzoek geen (behoudenswaardige) archeologische waarden zijn aangetroffen, is een waardestelling niet van toepassing. 6.2

Conclusie

Tijdens het proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, zijn 16 proefsleuven met een totale oppervlakte van circa 1.130 m2 aangelegd. Vanwege de aanwezigheid van kabels en leidingen, oppervlakteverharding en andere obstakels boven het maaiveld (onder andere hekwerk) dienden in het veld enkele proefsleuven verplaatst en/of opgedeeld te worden. Binnen het gehele onderzoeksgebied (primaire zone) bestonden de natuurlijke afzettingen uit dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). Vanaf het maaiveld konden globaal vier typen van bodemopbouw worden onderscheiden. In het oostelijke deel van het onderzoeksgebied waren AC-profielen aanwezig. Dit wil zeggen dat (sub)recent geroerde en opgebrachte zandpakketten op de C-horizont van het dekzand zijn aangetroffen. Deze verstoorde bodemopbouw is waarschijnlijk hoofdzakelijk het gevolg van de aanleg in de jaren ’70 van de 20e eeuw en vervolgens recente sloop van gebouwen van de voormalige pluimveevakschool en het latere agrarisch opleidingscentrum (PETC +). In het centrale en westelijke deel van het plangebied zijn drie typen van bodemopbouw aangetroffen. Bij het eerste type bestond de bodemopbouw uit een bouwvoor en/of plaggendek, op een oude akkerlaag, op een bioturbatielaag, op de C-horizont van het dekzand. Bij de andere twee typen van bodemopbouw was een (restant van een) podzolprofiel met een A-.

E- en/of B- horizont aanwezig in de top van het dekzand, beneden een plaggendek of een oude akkerlaag. De gedeeltelijk intacte podzolprofielen zijn aangetroffen in het noord(westelijke) deel van het onderzoeksgebied, direct ten westen en oosten van het gebouw van Herberg Hegelsom. In totaal zijn 12 sporen gedocumenteerd. Een spoor betrof de restanten van de Oude Holstraat ter plekke van Werkput 1 in het noordoostelijke deel van het plangebied. De overige sporen betroffen onder andere (sub)recente kabel- en leidingsleuven, uitbraaksporen en verstoringen, waargenomen in met name de oostelijk aangelegde proefsleuven. Deze laatste sporen hangen samen met de aanleg en recente sloop van enige gebouwen van de voormalige pluimveevakschool en het latere agrarisch opleidingscentrum (PETC+). Daarnaast zijn nog enige (paal)kuilen en verstoringen in het westelijke deel van het onderzoeksgebied aangetroffen. Al deze sporen zijn als (sub)recent gedateerd op basis van het type vulling (heterogeen). Tot slot zijn geen archeologische vondsten aangetroffen. 6.3

Selectieadvies

Tijdens het proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, zijn geen (behoudenswaardige) archeologische resten aangetroffen. Het advies is daarom dan ook om geen vervolgonder-

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 36 van 44

zoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling. Het definitieve besluit zal worden genomen door de bevoegde overheid, de gemeente Horst aan de Maas. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Econsultancy wil de opdrachtgever er daarom op wijzen dat, mochten tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, hiervan melding dient te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).28

7

BEANTWOORDING VAN DE ONDERZOEKSVRAGEN

7.1 1.

Algemeen Zijn er archeologische resten in de bodem aanwezig?

Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn geen behoudenswaardige archeologische resten aangetroffen. Wel zijn in één proefsleuf restanten van de Oude Holstraat aangetroffen. Daarnaast zijn kabel- en leidingsleuven, uitbraaksporen, verstoringen en (paal)kuilen gedocumenteerd. Deze sporen zijn als (sub)recent gedateerd. 2.

Zo ja, wat is de aard, omvang (mogelijk ook buiten de primaire zone), ouderdom, herkomst, kwaliteit en locatie van de archeologische resten (horizontaal en verticaal)?

Deze vraag kan niet beantwoord worden, omdat geen behoudenswaardige archeologische resten zijn aangetroffen. 3.

Zijn meerdere archeologische niveaus aanwezig?

In principe kunnen twee relevante archeologische niveaus onderscheiden worden, namelijk in het plaggendek en vervolgens de top van de dekzandafzettingen. In het plaggendek kunnen mogelijk archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd aanwezig zijn. In de top van het dekzand kunnen archeologische resten uit de Prehistorie tot en met de Middeleeuwen aanwezig zijn. 4.

Op welke diepte ligt/liggen het/de archeologische niveau(s)?

Het eerste potentieel relevante archeologische niveau, namelijk het plaggendek, is aangetroffen beneden de bouwvoor en/of (sub)recent geroerde en opgebrachte zandpakketten, op een diepte van tussen de circa 40 en 60 centimeter beneden het maaiveld. Het tweede relevante archeologische niveau betreft de top van de dekzandafzettingen, die is aangetroffen op een sterk variabele diepte van tussen de 50 tot 180 centimeter beneden het maaiveld. Deze variabele diepte wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van plaggendekken, (sub)recent geroerde en opgebrachte zandpakketten, en (sub)recente verstoringen van de natuurlijke bodemopbouw.

28 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 37 van 44

5.

Hebben de archeologische waarden een relatie met uit de omgeving bekende archeologische of historische locaties en welke is dat?

Deze vraag kan niet beantwoord worden, omdat geen behoudenswaardige archeologische resten zijn aangetroffen. 6.

Welke gegevens over de aangetroffen vindplaatsen kunnen de archeologische kennis van de regio en Hegelsom aanscherpen?

Deze vraag kan niet beantwoord worden, omdat geen behoudenswaardige archeologische resten zijn aangetroffen. 7.

Is sprake van (een) behoudenswaardige vindplaats, conform waardering volgens bijlage IV van de KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018)?

Deze vraag kan niet beantwoord worden, omdat geen behoudenswaardige archeologische resten zijn aangetroffen. 8.

Wat is het belang van de vindplaats voor de lokale, regionale en nationale geschiedschrijving?

Deze vraag kan niet beantwoord worden, omdat geen behoudenswaardige archeologische resten zijn aangetroffen. 9.

Wat kunnen de uitkomsten van het onderzoek zeggen over vergelijkbare terreinen in de omgeving?

De resultaten van het proefsleuvenonderzoek laten zien dat zelfs op landschappelijk gunstige vestigingslocaties, namelijk dekzandruggen nabij een beekdalglooiing, archeologische waarden afwezig kunnen zijn. 10.

Welke methoden zouden hierbij kunnen worden ingezet?

Deze vraag kan niet beantwoord worden, omdat geen behoudenswaardige archeologische resten zijn aangetroffen. 11.

Kunnen eventueel dieper liggende archeologische niveaus in situ bewaard blijven, of worden deze verstoord door de geplande civieltechnische graafwerkzaamheden?

Deze vraag kan niet beantwoord worden, omdat geen behoudenswaardige archeologische resten zijn aangetroffen. 12.

Indien er geen archeologische resten worden aangetroffen, wat is de reden voor de afwezigheid van archeologisch resten?

Uitgaande van de resultaten ten aanzien van de bodemopbouw, lijkt het dat het onderzoeksgebied, c.q. plangebied, in het verleden niet bewoond is geweest of voor andersoortige activiteiten in gebruik is geweest.

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 38 van 44

13.

In welke mate zijn de bodemopbouw en archeologisch relevante niveau(s) verstoord?

In het oostelijke deel van het onderzoeksgebied is de bodemopbouw merendeels verstoord tot in de C-horizont van het dekzand. In het westelijke en centrale deel van het plangebied, waar een plaggendek, oude akkerlaag, bioturbatielaag en (gedeeltelijk) intact podzolprofiel is aangetroffen in de top van het dekzand, is de bodem dusdanig intact dat archeologische resten in situ aanwezig kunnen zijn. De mogelijke aanwezige vindplaatsen worden aan de hand van de gestelde vragen gewaardeerd conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018), bijlage IV Waarderen van vindplaatsen. Aanbevolen wordt ook om de methodiek uit de SIKB leidraad Standaard Archeologische Monitoring te volgen voor het bepalen van de fysieke kwaliteit. 7.2 14.

Periode en sites Zijn er aanwijzingen voor landgebruik (off-site patronen) in de zin van wegen, perceelindeling, akkers, grondstofwinning, etc.?

Het enige type van off-site archeologie dat is aangetroffen, betreft de restanten van de Oude Holstraat. Deze restanten zijn aangetroffen ter plekke van Werkput 1 in het noordoostelijke deel van het onderzoeksgebied, en bestonden uit karrensporen en een grof zandige vulling vermengd met puin. Op basis van historische gegevens is bekend dat de Oude Holstraat al in het begin van de 19 e eeuw aanwezig was, en in de jaren ’70 van de 20e eeuw is verdwenen als gevolg van de herinrichting van het terrein voor de voormalige pluimveevakschool en het latere agrarisch opleidingscentrum (PETC +). Andere archeologische aanwijzingen voor landgebruik in het verleden zijn niet gevonden. 15.

Zijn er aanwijzingen voor agrarische en/of ambachtelijke activiteiten? Zo ja, waaruit blijkt dat en welke kenmerken zijn hieraan naar analogie van vraag 9 te geven?

Er zijn geen aanwijzingen voor agrarische en/of ambachtelijke activiteiten aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek. 16.

Kunnen meerdere bewoningsfasen (relatief en absoluut) onderscheiden worden?

Deze vraag kan niet beantwoord worden, omdat geen behoudenswaardige archeologische resten zijn aangetroffen. 17.

Wanneer en waarom zijn de sites en de vindplaats in zijn geheel verlaten of in onbruik geraakt?

Deze vraag kan niet beantwoord worden, omdat geen behoudenswaardige archeologische resten zijn aangetroffen. 7.3 Landschap en bodem Dit aspect van het onderzoek omvat de bestudering van de landschappelijke context van de vindplaats in historisch perspectief. Dit leidt tot de volgende vragen: 18. Wat is de bodemopbouw binnen het plangebied? Binnen het gehele onderzoeksgebied (primaire zone) bestonden de natuurlijke afzettingen uit dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). Vanaf het maaiveld konden globaal vier typen van bodemopbouw worden onderscheiden. In het oostelijke deel van het onderzoeksgebied waren AC-profielen aanwezig. Dit wil zeggen dat (sub)recent geroerde en opgebrachte zandpakketten op de C-horizont van het dekzand zijn aangetroffen. Deze verstoorde bodemopbouw is waarschijnlijk hoofdzakelijk het gevolg van de aanleg in de jaren ’70 van de 20 e eeuw en vervolgens recente sloop van Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 39 van 44

gebouwen van de voormalige pluimveevakschool en het latere agrarisch opleidingscentrum (PETC+). In het centrale en westelijke deel van het plangebied zijn drie typen van bodemopbouw aangetroffen. Bij het eerste type bestond de bodemopbouw uit een bouwvoor en/of plaggendek, op een oude akkerlaag, op een bioturbatielaag, op de C-horizont van het dekzand. Bij de andere twee typen van bodemopbouw was een (restant van een) podzolprofiel met een A-. E- en/of B- horizont aanwezig in de top van het dekzand, beneden een plaggendek of een oude akkerlaag. De gedeeltelijk intacte podzolprofielen zijn aangetroffen in het noord(westelijke) deel van het onderzoeksgebied, direct ten westen en oosten van het gebouw van Herberg Hegelsom. 19.

Waar bevindt zich binnen het plangebied een plaggendek? Als een plaggendek afwezig is, komt dat doordat het er waarschijnlijk niet ontwikkeld is of omdat het in een later stadium weer verwijderd is?

Een plaggendek is aangetroffen in Werkput 2, 3, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15 en 16. Deze proefsleuven liggen in het westelijke en noordelijke deel van het onderzoeksgebied. In het oostelijke deel van het onderzoeksgebied is geen plaggendek aangetroffen. Hier gaat de dekzandrug over naar een beekdalglooiing, die verder naar het oosten uitkomt bij de Groote Molenbeek. In het oostelijke deel van het plangebied komen hoofdzakelijk (sub)recent geroerde en opgebrachte zandpakketten op de Chorizont van het dekzand voor. De bodemopbouw lijkt hier grotendeels tot in de C-horizont te zijn verstoord als gevolg van bodemingrepen in de tweede helft van de 20e eeuw en het begin van de 21e eeuw. Naar alle waarschijnlijkheid is dit de oorzaak waarom in het oostelijke deel van het onderzoeksgebied geen plaggendek is aangetroffen. 20.

Indien een plaggendek wordt aangetroffen. Wat is de dikte en wanneer is dit plaggendek mogelijk aangelegd?

Het aangetroffen plaggendek bestaat uit 1 à 3 lagen. De dikte van het nog aanwezige restant van het plaggendek varieert sterk, namelijk tussen de 20 centimeter en 1,10 meter. Deze variatie wordt mogelijk veroorzaakt door zowel het micro-reliëf van het dekzandlandschap binnen het onderzoeksgebied als (sub)recente verstoringen van de bodemopbouw door onder andere egalisatiewerkzaamheden. Binnen het plaggendek is geen dateerbaar vondstmateriaal aangetroffen, waardoor geen nauwkeurige datering kan bepaald worden. Op basis van het gangbare historische beeld over de ontwikkeling van plaggendekken, kan alleen een globale datering in de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd gegeven worden. 21.

Is in de top van het dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden) nog een (gedeeltelijk intact) podzolprofiel aanwezig? En zo ja, welke specifieke horizonten kunnen worden herkend en hoe verhouden deze zich tot het mogelijk aanwezige en leesbare archeologische sporen- en vondstenvlak?

In vier proefsleuven (Werkput 2, 12 , 13 en 14), in het noord(westelijke) deel van het onderzoeksgebied, is een gedeeltelijk intact podzolprofiel aangetroffen in de top van het dekzand. Hierbij is zowel een sequentie van een A-, E-, B-horizont, van een A-, B-horizont, als van een E-, B-horizont aangetroffen. Daarnaast zijn podzolprofielen aangetroffen waar alleen nog een (restant van een) B-horizont op een C-horizont aanwezig was. Sporen en vondsten kunnen in principe aanwezig zijn vanaf de top van de dekzandafzettingen en als gevolg vanaf de A-, E- of B-horizont afhankelijk van hoe intact het podzolprofiel is. Wel kan de situatie bestaan dat sporen pas goed leesbaar zijn in de top van Chorizont vanwege bodemprocessen en homogenisering binnen de A-, E- en/of B-horizont.

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 40 van 44

22.

Hoe kan de bioturbatielaag geduid en verklaard worden? En hoe verhoudt de bioturbatielaag zich tot het mogelijk nog (gedeeltelijk intact) aanwezige podzolprofiel en het mogelijk aanwezige en leesbare sporen- en vondstenvlak?

Ter plekke van 13 van de 26 gedocumenteerde profielkolommen is een bioturbatielaag waargenomen. De bioturbatielaag bestond in hoofdlijnen uit gevlekt, licht bruin(grijs), zwak siltig, matig fijn zand. Stratigrafisch gezien lag de bioturbatielaag beneden een bouwvoor, deels een plaggendek en altijd een oude akkerlaag. De bioturbatielaag ligt in alle bestudeerde profielen direct op de C-horizont van het dekzand. De bioturbatielaag is naar alle waarschijnlijkheid gevormd door een combinatie van ploegen (ploegsporen), toen het gebied voor akkerbouw werd ontgonnen, en dier- en wortelwerking. Omdat geen archeologische vondsten, noch sporen zijn aangetroffen, kan de bioturbatielaag niet gedateerd worden. Bij het eerder door SOB Research in 2017 uitgevoerde proefsleuvenonderzoek ter plekke van het plangebied ‘Uitbreiding Hegelsom Fase 1’, direct grenzend aan de zuidwest zijde van het onderhavige onderzoeksgebied, zijn in de oude akkerlaag en bioturbatielaag beneden het plaggendek aardewerkfragmenten uit de Late-Bronstijd, IJzertijd en 8e tot en met 13e eeuw (Karolingische periode) aangetroffen.29 Dit suggereert dat zowel de oude akkerlaag als bioturbatielaag, zoals aangetroffen ter plekke het onderhavige onderzoeksgebied, ook samen kan hangen met landbouw en/of andere activiteiten vanaf de (Late-)Prehistorie tot en met de Nieuwe tijd.

Overtuigende archeologische aanwijzingen voor deze (vroege) dateringen zijn echter niet aantroffen binnen de proefsleuven. 23.

Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaats (geologie, bodemkunde en geomorfologie)? Zijn er aanwijzingen voor stratigrafische hiaten, d.w.z. erosie of non-depositie, in de geologische profielopbouw ter plekke van de vindplaatsen?

Deze vraag kan niet beantwoord worden, omdat geen behoudenswaardige archeologische resten zijn aangetroffen. Over mogelijk stratigrafische hiaten en/of erosie, kan alleen geconcludeerd worden dat in het noord(westelijke) deel van het onderzoeksgebied nog een (gedeeltelijk) intact podzolprofiel in de top van het dekzand aanwezig is. Elders binnen het onderzoeksgebied is de natuurlijke bodemopbouw verdwenen tot in de C-horizont van het dekzand. 24.

Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Liggen in het plangebied locaties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden (licht dit toe)?

De bodemopbouw bestaat uit zowel antropogeen opgebrachte zandpakketten (plaggendek, (sub)recent geroerde en opgebrachte zandpakketten) als dekzand. De zandige bodem biedt geen geschikte conserveringsomstandigheden voor niet-verkoold organisch materiaal en paleo-ecologische resten. 25.

In hoeverre zijn de aangetroffen bodemlagen geschikt voor een palynologische reconstructie van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het terrein?

Conform het Programma van Eisen is het plaggendek in één profiel (Profiel 4, Werkput 2) bemonsterd met behulp van pollenbakken. Omdat geen behoudenswaardige archeologische resten zijn aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek, is geadviseerd om de pollenbakken niet te analyseren en niet aan te leveren aan het Provinciaal Archeologisch Depot voor Bodemvondsten Limburg (deselectie). Daarnaast zijn tijdens het veldonderzoek geen sporen, stratigrafische en/of bodemlagen aangetroffen, waaruit bruikbare grondmonsters verzameld konden worden voor archeobotanisch onderzoek en/of mogelijke palynologische reconstructies van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het onderzoeksgebied en de omgeving.

29 Benerik, 2019.

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 41 van 44

7.4 Vraagstelling specialistisch onderzoek Het specialistisch onderzoek dient zich te richten op het vaststellen van de geschiktheid van de vindplaats voor archeobotanisch, archeozoölogisch, fysisch-antropologisch, fysisch-geografisch, geofysisch en dateringsonderzoek. De monsters dienen hiervoor gewaardeerd te worden tijdens de evaluatiefase, na uitvoering van het archeologisch veldonderzoek. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn geen vondsten en monsters verzameld die zich lenen voor specialistisch onderzoek, met uitzondering van het middels pollenbakken bemonsterde plaggendek. De resultaten van het onderzoek, namelijk de afwezigheid van behoudenswaardige archeologische resten, geven geen aanleiding om genoemde pollenmonsters specialistisch te analyseren.

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 42 van 44

LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Bakker, H. de en J. Schelling, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland De hogere niveaus. Wageningen. Barends, S., H.G. Baas, M.J. de Harde, J. Renes, T. Stol, J.C. van Triest, R.J. de Vries, F.J. van Woudenberg, 2005: Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische benadering. Uitgeverij Matrijs, Utrecht. Benerink, G.M.H., 2019: Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven ‘Plangebied Uitbreiding Hegelsom, Fase 1’, gemeente Horst aan de Maas. (SOB Research Project nr. 24631612) Heinenoord. Berendsen, H.J.A., 2005: Fysische Geografie van Nederland, deel 4: Landschappelijk Nederland. De fysisch-geografische regio's. Van Gorcum, Assen. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Borsboom, A.J., A. Tol en J.W.H.P. Verhagen, 2012: KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek. Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P). SIKB, Gouda. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Doesburg, J. van (red.), et al., 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. Amersfoort 2007. Gaauw, P.

van der, 2008: Provinciale archeologische aandachtsgebieden, archeologisch selectiedocument. Maastricht. Geologisches Landesamt Nordrhein-Westfalen, 1984: Geologische Karte von Nordrhein-Westfalen 1:100.000, Blatt C4702 Krefeld. Heeringen, R.M. van en R. Schrijvers, 2014: Actualisatie van de archeologische maatregelenkaart van de gemeente Horst aan de Maas, 2014. (Vestigia rapportnummer V1188) Amersfoort. Locher, W.P. en H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Locher, W.P. en H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 2: Bodemgeografie. Malmberg, Den Bosch. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Mientjes, A.C., 2021a: Archeologisch onderzoek Oude Holstraat te Hegelsom. (Econsultancy rapportnr. 15010.001) Econsultancy, Swalmen.

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 43 van 44

Mientjes, A.C., 2021b: Programma van Eisen Oude Holstraat te Hegelsom in de gemeente Horst aan de Maas. (Econsultancy rapportnr. 15010.002) Econsultancy, Swalmen. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Normalisatie-Instituut, Nederlands, 2020: NEN-EN-ISO 14688-1:2019+NEN 8990:2020 nl: Geotechnisch onderzoek en beproeving - Identificatie en classificatie van grond - Deel 1: Identificatie en beschrijving. Delft. Ras, J., 2017: Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen ‘Uitbreiding Hegelsom Fase 1’, Hegelsom, gemeente Horst aan de Maas. (SOB Research Project nr. 2289-1503) SOB Research, Heinenoord. Renes, J., 1999: Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg. Eisma, Leeuwarden. Stichting voor Bodemkartering, 1975: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 52 Oost/Venlo. Wageningen.

BRONNEN AHN; internetsite, mei 2021. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, mei 2021. https://archis.cultureelerfgoed.nl Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; internetsite, mei 2021 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Beeldbank Vrije Universiteit; internetsite, mei 2021. http://imagebase.ubvu.vu.nl/cdm/compoundobject/collection/krt/id/5629/rec/1 Kadaster Topotijdreis; internetsite, mei 2021. http://www.topotijdreis.nl/ Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, mei 2021. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Provinciaal Omgevingsplan Limburg; internetsite, mei 2021. https://www.limburg.nl/onderwerpen/cultuur/erfgoed/archeologie/arch-onderzoek/ Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, mei 2021. https://pdokviewer.pdok.nl SIKB; internetsite, mei 2021. https://www.sikb.nl

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 44 van 44

Bijlage 1

Overzicht proefsleuven

Oude Holstraat te Hegelsom. Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK). Legenda Plangebied Primaire zone (onderzoeksgebied)

Niet-primaire zones Proefsleuven - gepland Proefsleuven (Werkputten) - uitgevoerd

RAPPORT 15010.003 versie 1

Bijlage 2

Profiel en typen bodemopbouw

Oude Holstraat te Hegelsom. Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK). Legenda Plangebied

Profielen

Primaire zone (onderzoeksgebied)

Bodemtype A [(sub)recent geroerd en opgebracht op C-horizont: AC-profiel]

Niet-primaire zones

Bodemtype B [oude akkerlaag en bioturbatielaag]

Proefsleuven (Werkputten) - uitgevoerd

Bodemtype C [plaggendek en podzolprofiel] Bodemtype D [plaggendek, oude akkerlaag en podzolprofiel]

RAPPORT 15010.003 versie 1

Bijlage 3

Allesporenkaart (Spoor 1 en 2)

Oude Holstraat te Hegelsom. Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK). Legenda Proefsleuven (Werkputten) Sporen

RAPPORT 15010.003 versie 1

Bijlage 4

Allesporenkaart (Spoor 3, 4, 5, 6, 7 en 8)

Oude Holstraat te Hegelsom. Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK). Legenda Proefsleuven (Werkputten) Sporen

RAPPORT 15010.003 versie 1

Bijlage 5

Allesporenkaart (Spoor 9, 10, 11 en 12)

Oude Holstraat te Hegelsom. Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK). Legenda Proefsleuven (Werkputten) Sporen

RAPPORT 15010.003 versie 1

Diepte (cm)

Donker grijsbruin

Zand, matig grof

Nieuwe tijd

Ja Lineair

2

2 2 Kabel- en leidingsleuf

Donkergrijs

Zand, matig grof, zwak siltig

Nieuwe tijd C

Lineair

3

5 2 Afbraakvlak/verstoringsvlak Donkergrijs

Zand, matig grof, zwak siltig

Nieuwe tijd C

Onregelmatig

4

5 2 Verstoring

Licht bruingrijs

Zand, matig grof

Nieuwe tijd C

Onregelmatig

5

5 2 Verstoring

Donker grijsbruin

Zand, matig grof, zwak siltig

Nieuwe tijd C

Onregelmatig

6

6 1 Afbraakvlak/verstoringsvlak Donkergrijs

Zand, matig fijn, matig sitig, zwak humeus Nieuwe tijd C

Onregelmatig

IJzerconcreties

7

6 1 Afbraakvlak/verstoringsvlak Donkergrijs

Zand, matig fijn, zwak sitlig, zwak humeus Nieuwe tijd C

Onregelmatig

Gevlekt

8

6 1 Verstoring

Donkergrijs

Opmerking

Gecoupeerd

1 1 Weg

Vorm in vlak

Datering

1

Vlak Aard

Materiaal

64 Duidelijke aflijning; restanten van Oude Holstraat

Kleur

Lineair

Werkput

Vorm in coupe

Sporenlijst

Spoornummer

Bijlage 6

Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus Nieuwe tijd C

Onregelmatig

Gevlekt

9 10 1 Kuil (algemeen)/verstoring Grijs

Zand, matig fijn, zwak siltig

Nieuwe tijd C

Rechthoekig

Sterk gevlekt

10 10 1 (Paal)kuil

Zand, matig fijn, zwak siltig

Nieuwe tijd C Ja Cirkelvormig Ovaal

20 Homogene vulling

Zand, matig fijn, zwak siltig

Nieuwe tijd C Ja Cirkelvormig Ovaal-plat

8

Lichtbruin en lichtgrijs

11 11 1 Kuil (algemeen) - natuurlijk Licht grijsbruin 12 11 1 (Paal)kuil

Donkergrijs en lichtgrijs Zand, matig fijn, zwak siltig

Nieuwe tijd C

Cirkelvormig

Rapport 15010.003 versie 1

Bijlage 7 Ouderdom in jaren

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Chronostratigrafie

MIS

Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

15.700

1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)

Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)

2

LaatPleniglaciaal 29.000

50.000

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal

3

Formatie van Kreftenheye

Formatie van Boxtel

4

75.000

VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000

370.000 410.000

5a 5c 5d

Eemien (warme periode)

5e

Saalien (ijstijd)

6

Holsteinien (warme periode)

Formatie van Beegden

5b

Eem Formatie Formatie van Drente

Formatie van Urk

Elsterien (ijstijd) 475.000

Formatie van Peelo

Cromerien (warme periode) 850.000

Pre-Cromerien

Formatie van Sterksel

2.600.000

Rapport 15010.003 versie 1

Cal. jaren v/n Chr. 1950

14

C jaren

Chronostratigrafie

Pollen zones

0

Vb2

1500

Subatlanticum koeler vochtiger

450 0 12

Vb1 Va

Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem

Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd

800 815

2650

IVb Subboreaal koeler droger

2000

3755

IVa

5000

4900

5300

7020

8240

Atlanticum warm vochtig

III

Boreaal warmer

II

Preboreaal warmer

I

8000

9000

8800 11.755

10.150

12.745

10.800

13.675

11.800

14.025

12.000

15.700

13.000

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

Late Dryas

LW III

Allerød

LW II

Vroege Dryas LW I Bølling

35.000

Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)

Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75.000

115.000 130.000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum loofbos

Saalien (ijstijd) 300.000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

Rapport 15010.003 versie 1

Bijlage 8

AMZ-cyclus

Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.

Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.

De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.

Rapport 15010.003 versie 1

Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

Rapport 15010.003 versie 1

Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)

► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.

► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***

► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).

* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.

Rapport 15010.003 versie 1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11391771/1