CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

12c.5 Archeologisch proefsleuvenonderzoek

Gemeenteraad 10 mei 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Oude Holstraat, Hegelsom.17.220 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

PROEFSLEUVENONDERZOEK OUDE HOLSTRAAT TE HEGELSOM GEMEENTE HORST AAN DE MAAS

Rapportage proefsleuvenonderzoek Oude Holstraat te Hegelsom in de gemeente Horst aan de Maas Opdrachtgever

Peters Bouw en Onderhoud Expeditiestraat 5 5961 PX Horst

Rapportnummer

15010.003

Versienummer1

1

Datum

28 mei 2021

Vestiging

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl

Opsteller

De heer dr. A.C. Mientjes

Paraaf

Autorisatie

De heer drs. A.H. Schutte

Paraaf

© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen. Bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

15010.003

Toponiem

Oude Holstraat

Opdrachtgever

Peters Bouw en Onderhoud

Gemeente

Horst aan de Maas

Plaats

Hegelsom

Provincie

Limburg

Kadastrale gegevens

gemeente Horst, sectie M, perceelnummers 1991, 3223 en 3797

Omvang plangebied

circa 47.700 m2

Omvang onderzoeksgebied (primaire zone)

circa 24.500 m2

Kaartblad

52 G (1:25.000)

coördinaten centrum plangebied

X: 200.846 / Y: 383.314

Bevoegde overheid

Gemeente Horst aan de Maas Postbus 6005 5960 AA Horst T: 077-4779777 E: gemeente@horstaandemaas.nl

Deskundige namens de bevoegde overheid

Vestigia Spoorstraat 5 3811 MN Amersfoort

De heer drs. C.W. Koot T: 033-2779200 E: c.koot@vestigia.nl

ARCHIS3 Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)

5025980100

Archeoregio NOaA

Brabants zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Swalmen / Provinciaal Archeologisch Depot voor Bodemvondsten Limburg

Uitvoerders

Econsultancy, dr. A.C. Mientjes en M. Plitscher, MA

Grondverzet

GJ Crienen & ZN Transport- en aannemingsbedrijf bv (Baarlo)

Kwaliteitszorg Econsultancy is gecertificeerd voor onder meer voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving en richtlijnen die zijn opgesteld in het Programma van Eisen Oude Holstraat te Hegelsom in de gemeente Horst aan de Maas. Econsultancy rapportnummer 15010.002 (d.d. 9 april 2021); auteur: dr. A.C. Mientjes.

15010.003

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Peters Bouw en Onderhoud een proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, met een mogelijke ‘directe doorstart’ naar een opgraving uitgevoerd ter plekke van het plangebied Oude Holstraat te Hegelsom in de gemeente Horst aan de Maas. In het plangebied zal nieuwbouw worden gerealiseerd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Meer precies is de initiatiefnemer voornemens om het agrarisch opleidingscentrum her te bestemmen naar wonen/detailhandel. Het archeologisch onderzoek wordt noodzakelijk geacht om te bepalen of er een gerede kans is dat archeologische waarden wel of niet aanwezig (kunnen) zijn in de ondergrond, die door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast/verloren kunnen gaan. Daarom is het binnen het kader van de Erfgoedwet (d.d. 1 juli 2016) verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren. Doel van het proefsleuvenonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting zoals vermeld in het bureau- en booronderzoek. Het gaat om gebied- of vindplaatsgericht onderzoek. Het proefsleuvenonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied.

Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Het resultaat van een proefsleuvenonderzoek is een rapport met een waardering en een inhoudelijk (selectie-)advies (buiten normen van tijd en geld), aan de hand waarvan een beleidsbeslissing (een selectiebesluit) kan worden genomen. Dit betekent dat de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop deze beslissing gefundeerd genomen kan worden. Dit wil zeggen dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Bij het eerdere uitgevoerde bureau- en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-Overig), is een gespecificeerde verwachting opgesteld. Volgens deze verwachting kunnen archeologische resten uit het (Laat-)Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd aanwezig zijn. De trefkans op archeologische waarden uit genoemde perioden is hoog. Gevolgde onderzoeksmethode Tijdens het veldwerk is op kleine punten afgeweken van de methodiek zoals beschreven in het Programma van Eisen. Als gevolg van de aanwezigheid van kabels en leidingen, oppervlakteverhardingen en andere obstakels boven het maaiveld, zoals hekwerk, dienden enkele proefsleuven verplaatst en opgedeeld te worden.

In het veld zijn daarom in totaal 16 proefsleuven aangelegd ten opzichte van de 13 proefsleuven van 25 bij 4 meter oorspronkelijk gepland conform het Programma van Eisen. Bij het aanpassen van het proefsleuvenplan in het veld is afdoende rekening gehouden met een gedegen verspreiding binnen het onderzoeksgebied (primaire zone). Uiteindelijk is een totale oppervlakte van circa 1130 m2 onderzocht. Alle proefsleuven zijn laagsgewijs verdiept tot in de top van de dekzandafzettingen (C-horizont). Per proefsleuf zijn twee profielkolommen gedocumenteerd met uitzondering van de opgedeelde proefsleuven. In deze laatste proefsleuven is één profielkolom gedocumenteerd. Resultaten Proefsleuvenonderzoek Ter plekke van het onderzoeksgebied (primaire zone) bestonden de natuurlijke afzettingen uit dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). Vanaf het maaiveld konden globaal vier typen van bodemopbouw worden onderscheiden. In het oostelijke deel van het onderzoeksgebied waren AC-profielen aanwezig. Dit wil zeggen dat (sub)recent geroerde en opgebrachte zandpakketten op de 15010.003

C-horizont van het dekzand zijn aangetroffen. Deze verstoorde bodemopbouw is waarschijnlijk hoofdzakelijk het gevolg van de aanleg in de jaren ’70 van de 20e eeuw en recente sloop van gebouwen van de voormalige pluimveevakschool en het latere agrarisch opleidingscentrum (PETC +). In het centrale en westelijke deel van het plangebied zijn drie typen van bodemopbouw aangetroffen. Bij het eerste type bestond de bodemopbouw uit een bouwvoor en/of plaggendek, op een oude akkerlaag, op een bioturbatielaag, op de C-horizont van het dekzand. Bij de andere twee typen van bodemopbouw was een (restant van een) podzolprofiel aanwezig in de top van het dekzand, beneden een plaggendek of een oude akkerlaag. De gedeeltelijk intacte podzolprofielen, bestaande uit een A-, E, en/of B-horizont, zijn aangetroffen in het noord(westelijke) deel van het onderzoeksgebied, direct ten westen en oosten van het gebouw van Herberg Hegelsom. In totaal zijn 12 sporen gedocumenteerd. Een spoor betrof de restanten van de Oude Holstraat ter plekke van Werkput 1 in het noordoostelijke deel van het plangebied. Dit spoor was herkenbaar door de aanwezigheid van karrensporen en een grof zandige vulling vermengd met puin. Volgens de beschikbare historische gegevens bestond de Oude Holstraat reeds aan het begin van de 19e eeuw en is in de jaren ’70 van de vorige eeuw verdwenen.

De overige sporen betroffen onder andere (sub)recente kabel- en leidingsleuven, uitbraaksporen en verstoringen, waargenomen in met name de oostelijk aangelegde proefsleuven. Deze laatste sporen hangen samen met de aanleg en recente sloop van gebouwen van het de voormalige pluimveevakschool en het latere agrarisch opleidingscentrum (PETC+). Daarnaast zijn nog enige (paal)kuilen en verstoringen in het westelijke deel van het onderzoeksgebied aangetroffen. Al deze sporen zijn als (sub)recent gedateerd. Tot slot zijn tijdens het proefsleuvenonderzoek geen archeologische vondsten aangetroffen. Selectieadvies Ter plekke van het onderzoeksgebied (primaire zone) zijn tijdens het proefsleuvenonderzoek geen behoudenswaardige archeologische resten aangetroffen. Het advies is daarom dan ook om het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling. Het definitieve besluit zal worden genomen door de bevoegde overheid, de gemeente Horst aan de Maas. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).2

2 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456. 15010.003

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

DOELSTELLING ONDERZOEK ................................................................................................. 6

3

ARCHEOLOGISCHE GEGEVENS VAN HET PLANGEBIED .................................................... 6 3.1 3.2 3.3

4

METHODIEK VELDONDERZOEK ........................................................................................... 13 4.1 4.2 4.3

5

Landschapsgenese en bodemopbouw ........................................................................... 20 Analyse sporen en structuren ......................................................................................... 29 Vondstmateriaal .............................................................................................................. 35 Grondmonsters ............................................................................................................... 35 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 35

WAARDERING, CONCLUSIE EN SELECTIEADVIES ............................................................ 35 6.1 6.2 6.3

7

Inleiding .......................................................................................................................... 13 Methodiek proefsleuvenonderzoek................................................................................. 13 Onderzoeksvragen ......................................................................................................... 18 4.3.1 Algemeen ......................................................................................................... 18 4.3.2 Periode en sites ................................................................................................ 19 4.3.3 Landschap en bodem ....................................................................................... 19 4.3.4 Vraagstelling specialistisch onderzoek ............................................................ 19

RESULTATEN VELDONDERZOEK ......................................................................................... 20 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5

6

Ligging en huidige situatie plangebied ............................................................................. 6 Methodiek vooronderzoek ................................................................................................ 6 Archeologische verwachting op basis van het vooronderzoek ........................................ 7 3.3.1 Geologie, Geomorfologie en Bodem .................................................................. 7 3.3.2 Archeologische gegevens .................................................................................. 8 3.3.3 Historische gegevens ......................................................................................... 9 3.3.4 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel .......................................... 10 3.3.5 Resultaten verkennend booronderzoek ........................................................... 11 3.3.6 Conclusie en selectieadvies vooronderzoek .................................................... 12

Waardering ..................................................................................................................... 35 Conclusie ........................................................................................................................ 36 Selectieadvies................................................................................................................. 36

BEANTWOORDING VAN DE ONDERZOEKSVRAGEN ......................................................... 37 7.1 7.2 7.3 7.4

Algemeen........................................................................................................................ 37 Periode en sites .............................................................................................................. 39 Landschap en bodem ..................................................................................................... 39 Vraagstelling specialistisch onderzoek ........................................................................... 42

LITERATUUR ...................................................................................................................................... 43

15010.003

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II.

Typen bodemopbouw Spoortypen

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1 Figuur 2 Figuur 3 Figuur 4 Figuur 5 Figuur 6 Figuur 7 Figuur 8 Figuur 9 Figuur 10 Figuur 11 Figuur 12 Figuur 13 Figuur 14 Figuur 15 Figuur 16 Figuur 17 Figuur 18 Figuur 19 Figuur 20 Figuur 21 Figuur 22 Figuur 23 Figuur 24 Figuur 25 Figuur 26 Figuur 27 Figuur 28 Figuur 29 Figuur 30 Figuur 31 Figuur 32 Figuur 33 Figuur 34 Figuur 35 Figuur 36

Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Plangebied op recente luchtfoto Primaire en niet-primaire zones binnen het plangebied Overzichtsfoto Werkput 2, Vlak 1 (foto genomen naar het westen) Overzichtsfoto Werkput 3, Vlak 1 (foto genomen naar het westen) Overzichtsfoto Werkput 5, Vlak 1 (foto genomen naar het noorden) Overzichtsfoto Werkput 7, Vlak 1 (foto genomen naar het oosten) Overzichtsfoto Werkput 9, Vlak 1 (foto genomen naar het noorden) Overzichtsfoto Werkput 11, Vlak 1 (foto genomen naar het zuiden) Overzichtsfoto Werkput 12, Vlak 1 (foto genomen naar het oosten) Overzichtsfoto Werkput 15, Vlak 1 (foto genomen naar het noordwesten) Overzichtsfoto Profiel 1, Werkput 1 (foto genomen naar het westen) Overzichtsfoto Profiel 4, Werkput 2 (foto genomen naar het zuiden) Overzichtsfoto Profiel 5, Werkput 3 (foto genomen naar het noorden) Overzichtsfoto Profiel 7, Werkput 4 (foto genomen naar het westen) Overzichtsfoto Profiel 9, Werkput 5 (foto genomen naar het westen) Overzichtsfoto Profiel 12, Werkput 6 (foto genomen naar het oosten) Overzichtsfoto Profiel 13, Werkput 7 (foto genomen naar het noorden) Overzichtsfoto Profiel 14, Werkput 8 (foto genomen naar het noordoosten) Overzichtsfoto Profiel 16, Werkput 9 (foto genomen naar het oosten) Overzichtsfoto Profiel 18, Werkput 10 (foto genomen naar het zuidwesten) Overzichtsfoto Profiel 20,

Werkput 11 (foto genomen naar het oosten) Overzichtsfoto Profiel 22, Werkput 12 (foto genomen naar het noorden) Overzichtsfoto Profiel 23, Werkput 13 (foto genomen naar het noorden) Overzichtsfoto Profiel 24, Werkput 14 (foto genomen naar het noorden) Overzichtsfoto Profiel 25, Werkput 15 (foto genomen naar het noordoosten) Overzichtsfoto Profiel 26, Werkput 15 (foto genomen naar het oosten) Overzichtsfoto Spoor 1, Werkput 1 [vulling Oude Holstraat] (foto genomen naar het zuiden) Overzichtsfoto Spoor 1 [vulling Oude Holstraat] in Profiel 2, Werkput 1 (foto genomen naar het oosten) Overzichtsfoto Spoor 2 [kabel- en leidingsleuf], Werkput 2 (foto genomen naar het zuiden) Overzichtsfoto Spoor 3, 4 en 5 [(sub)recente uitbraaksleuven en verstoringen], Werkput 5 (foto genomen naar het noorden) Overzichtsfoto Spoor 6, 7 en 8 [(sub)recente uitbraaksleuven en verstoringen], Werkput 6 (foto genomen naar het zuiden) Overzichtsfoto Spoor 9 [(sub)recente kuil], Werkput 10 (foto genomen naar het zuidwesten) Overzichtsfoto Spoor 10 [paalkuil], Werkput 10 (foto genomen naar het noordwesten) Overzichtsfoto Spoor 12 [paalkuil], Werkput 10 (foto genomen naar het westen) 15010.003

Figuur 37

Overzichtsfoto Spoor 11 [kuil/natuurlijk spoor], Werkput 11 (foto genomen naar het zuiden)

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8

Overzicht proefsleuven Profiel en typen bodemopbouw Allesporenkaart (Spoor 1 en 2) Allesporenkaart (Spoor 3, 4, 5, 6, 7 en 8) Allesporenkaart (Spoor 9, 10, 11 en 12) Sporenlijst Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMZ-cyclus

15010.003

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Peters Bouw en Onderhoud een proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, uitgevoerd voor het plangebied Oude Holstraat te Hegelsom in de gemeente Horst aan de Maas (zie figuur 1, 2 en 3).

Oude Holstraat te Hegelsom. Situering van het plangebied binnen Nederland. Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK).

Legenda Plangebied

Figuur 1

Situering van het plangebied binnen Nederland

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 1 van 44

Oude Holstraat te Hegelsom. Detailkaart van het plangebied. Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK). Legenda Plangebied

Figuur 2

Detailkaart van het plangebied

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 2 van 44

Oude Holstraat te Hegelsom. Plangebied op recente luchtfoto. Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK). Legenda Plangebied

Figuur 3

Plangebied op recente luchtfoto

Ter plekke van het plangebied zal de bestaande bebouwing van Herberg Hegelsom en PETC + worden afgebroken en zal het gebied her bestemd worden voor wonen/detailhandel. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd.3 De oppervlakte waarbinnen de planontwikkeling uitgevoerd zal worden bedraagt circa 47.700 m 2. De

3 Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas, gemeente Horst aan de Maas; deels onherroepelijk in werking (vastge-

steld 2017-12-19); enkelbestemming: agrarisch met waarden - agrarisch onderzoekscentrum. Bron: Portaal voor ruimtelijke plannen. Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 3 van 44

omvang en de diepte van de te verwachten bodemverstoringen waren nog niet bekend op het moment van het opstellen van de hier nu voorliggende eindrapportage. Aanleiding tot de uitvoering van het proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, zijn de resultaten en het advies van het archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase, uitgevoerd door Econsultancy in februari 2021.4 Volgens de bij het bureauonderzoek opgestelde verwachting is de kans op het voorkomen van archeologische waarden uit de perioden lopende van het (Laat-)Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd hoog. Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-Overig), blijkt dat over het algemeen de bodemopbouw bestaat uit een bouwvoor met een (sub)recent opgebracht zandpakket of plaggendek op de C-horizont van het dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). Hier is sprake van een AC-profiel. In enkele boringen lag boven het dekzand een bioturbatielaag. De boringen met een plaggendek en/of bioturbatielaag liggen geconcentreerd in het westen van het plangebied.

Deze bodemopbouw vertoont sterke gelijkenissen met de bodemopbouw zoals aangetroffen bij het verkennend booronderzoek en proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in respectievelijk 2015 en 2017 door SOB Research ter plekke van de ‘Uitbreiding Hegelsom Fase 1’, grenzend aan de zuidwest zijde van het onderhavige plangebied.5 Binnen dit onderzoeksgebied zijn sporen (kuilen, paalkuilen en haardkuilen) en vondsten uit het Mesolithicum, de Midden-Bronstijd tot en met de Vroege-IJzertijd, en de Vroege-Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd aangetroffen. Als gevolg kan de bij het archeologisch bureauonderzoek opgestelde hoge archeologische verwachting op basis van het verkennend booronderzoek voor het westelijke deel van het plangebied gehandhaafd blijven. Deze verwachting is van toepassing op zowel jagers en verzamelaars uit het (Laat-)Paleolithicum en het Mesolithicum als landbouwgemeenschappen vanaf het Neolithicum. Econsultancy heeft daarom geadviseerd om, indien behoud in situ (dubbelbestemming archeologie) niet gerealiseerd kan worden in het kader van de ontwikkelingsplannen, een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, in het westelijke deel van het plangebied.

De gemeente Horst aan de Maas als bevoegde overheid heeft ingestemd met het advies van Econsultancy om een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, uit te laten voeren. Dit proefsleuvenonderzoek dient te worden uitgevoerd in het kader van de aanvraag voor een bestemmingsplanwijziging van agrarisch met waarden - agrarisch onderzoekscentrum naar wonen/detailhandel. De gemeente Horst aan de Maas heeft zich bij de besluitvorming laten leiden door de beoordeling van haar archeologisch adviseur, Vestigia BV (adviesbrief, kenmerk: V21-36854/1285-337/CWK, d.d. 7 april 2021), van het rapport archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-Overig)6, en van het Programma van Eisen. 7 Bij de beoordeling is vastgesteld dat in aanvulling op de zone met een plaggendek en een bioturbatieklaag ook de overgang van het hoger naar het lager gedeelte van het plangebied aan de oostzijde archeologisch interessant is. Daarnaast heeft het plaggendek mogelijk het terrein geëgaliseerd, waardoor de kans op de aanwezigheid van archeologische waarden niet op voorhand uitgesloten kan worden.

Als gevolg is een onderverdeling voorgesteld in een primaire zone, waarbinnen initieel het proefsleuvenonderzoek uitgevoerd dient te worden, en twee niet-primaire zones, die mogelijk (deels) archeologisch onderzocht dienen te worden in het geval dat een of meerdere behoudenswaardige archeolo4 Mientjes, 2021a. 5 Ras, 2017; Benerink, 2019. 6 Mientjes, 2021a. 7 Mientjes, 2021b.

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 4 van 44

gische vindplaatsen worden aangetroffen (zie figuur 4). De primaire zone had een oppervlakte van circa 24.500 m2 en de twee niet-primaire zones een gezamenlijke oppervlakte van circa 23.200 m 2. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er een gerede kans is dat archeologische waarden wel of niet aanwezig zijn in de ondergrond, die door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast/verloren kunnen gaan. Daarom is het binnen het kader van de Erfgoedwet (d.d. 1 juli 2016) verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren (zie bijlage 8).

Oude Holstraat te Hegelsom. Primaire en niet-primaire zones binnen het plangebied. Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK). Legenda Plangebied

Primaire zone (onderzoeksgebied) Niet-primaire zones

Figuur 4

Primaire en niet-primaire zones binnen het plangebied

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 5 van 44

2

DOELSTELLING ONDERZOEK

Het doel van het proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het vooronderzoek. Het gaat om gebied- of vindplaatsgericht onderzoek. Het proefsleuvenonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Belangrijk is dat op basis van het inventariserend veldonderzoek een beslissing kan worden genomen of verder archeologisch (voor)onderzoek in het gebied noodzakelijk en verantwoord is. De waardering van het terrein dient volgens de richtlijnen van de KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018), te gebeuren. Dit zodat een gefundeerde onderbouwing van verder beleid met betrekking tot de archeologische waarden binnen het terrein mogelijk is. Indien binnen het plangebied archeologische waarden voorkomen, kan één van de volgende aanvullende voorschriften worden opgelegd: • De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden. • De verplichting tot het doen van opgravingen.

• De verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg. Deze deskundige moet voldoen aan, door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen, kwalificaties.

3 3.1

ARCHEOLOGISCHE GEGEVENS VAN HET PLANGEBIED Ligging en huidige situatie plangebied

Het plangebied (circa 47.700 m²) ligt aan de Pastoor Debijestraat 64 aan de oostzijde van de kern van Hegelsom in de gemeente Horst aan de Maas en is omgeven door de Pastoor Debijestraat, Stationsstraat, Bakhuuske en Dingstraat (zie figuur 1 en 2). Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie M, perceelnummers 1991, 3223 en 3797. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 52 G, (schaal 1:25.000), zijn de centrumcoördinaten X = 200.846, Y = 383.314. Op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich van oost naar west op een hoogte van circa 25 meter tot circa 26,5 meter +NAP. In de huidige situatie zijn ter plekke van het plangebied meerdere gebouwen aanwezig van Herberg Hegelsom en PETC+, die in het kader van de ontwikkelingsplannen gesloopt zullen worden (zie figuur 3). Daarnaast is het plangebied deels verhard (toegangswegen en parkeerplaatsen) en zijn grasland en plantsoenen aanwezig. 3.2

Methodiek vooronderzoek

Tijdens het vooronderzoek is met behulp van bestaande bronnen een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel voor het plangebied opgesteld. Dit is in eerste instantie gedaan door het raadplegen van voor de archeologie relevante (schriftelijke) bronnen. Dit betreft voornamelijk gegevens over bekende archeologische vindplaatsen in en rond het plangebied. Dit is aangevuld met historisch en fysisch-geografisch onderzoek, waarbij informatie over vroeger grondgebruik is verkregen door de analyse van historische kaarten en tevens gegevens over de geologie, geomorfologie en bodem zijn

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 6 van 44

bestudeerd. Daarna is dit gespecificeerde verwachtingsmodel getoetst met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-Overig). 3.3

Archeologische verwachting op basis van het vooronderzoek

In februari 2021 is door Econsultancy een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-Overig), uitgevoerd voor het plangebied aan de Oude Holstraat te Hegelsom in de gemeente Horst aan de Maas.8 Hieronder wordt een samenvatting gegeven van dat onderzoek. 3.3.1

Geologie, Geomorfologie en Bodem

Het plangebied bevindt zich binnen een gebied waar voornamelijk afzettingen van de Formatie van Boxtel aan het oppervlak worden aangetroffen. De afzettingen van de Formatie van Boxtel zijn afgezet gedurende de laatste ijstijd, het Weichselien (circa 116.000 tot 11.700 jaar geleden). 9 Gedurende de laatste ijstijd had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en silt. Over een groot deel van Nederland werd een pakket dekzand afgezet.10 Er ontstonden duidelijke hoogteverschillen, waarbij reliëfverschillen kleiner dan 1,5 meter dekzandplateaus worden genoemd en grotere hoogteverschillen dekzandruggen of dekzandkopjes. Dekzandafzettingen die zijn afgezet tijdens het Laat-Glaciaal (circa 14.700 tot 11.700 jaar geleden) zorgden voor nivellering van het landschap door laagtes in het landschap op te vullen. Het dekzand, dat in het plangebied aan het oppervlak wordt aangetroffen, wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, welke behoort tot de Formatie van Boxtel. 11 Circa 350 meter ten oosten van het plangebied bevindt zich het beekdal van de Groote Molenbeek. Tijdens het Holoceen nam de water afvoer sterk af, waardoor er meer sedimentatie plaats vond. De afzettingen komen meestal alleen in een zone langs de beek voor en bestaan uit vaak humusrijk grind, zand, klei en leem. Tevens vond er langs de beek veenvorming plaats.

12 Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven, welke tevens behoort tot de Formatie van Boxtel. Op de Geomorfologische kaart van Nederland is het grootste deel van het plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging in de bebouwde kom van Hegelsom. Het zuidwestelijke deel van het plangebied valt binnen een zone van een dekzandrug of -kopje (code 4K14). Op basis van extrapolatie ligt het grootste deel van het plangebied waarschijnlijk op een dekzandrug. Het uiterst oostelijke deel van het plangebied ligt binnen een zone van een beekdalglooiing (code 4H11). Het betreft het beekdal van de Groote Molenbeek. Ter plekke van het plangebied varieert de NAP-hoogte van oost naar west tussen de circa 25 meter en circa 26,5 meter +NAP. Naar het oosten loopt het landschap af naar het beekdal van de Groote Molenbeek naar een NAP-hoogte van circa 23,5 meter +NAP. Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als “hoge zwarte enkeerdgronden; lemig fijn zand” (code zEZ23). Binnen het grootste deel van het plangebied is op basis van extrapolatie naar alle waarschijnlijkheid grondwatertrap VI aanwezig. Het zuidelijke deel van het plangebied heeft grondwatertrap VII.

Bij grondwatertrap VI ligt de gemiddeld hoogste grondwatertrap (GHG) tussen de 40 en 80 centimeter beneden het maaiveld en de gemiddeld laagste grondwatertrap (GLG) beneden de 120 centimeter beneden het maaiveld. Bij grondwatertrap VII ligt de gemiddeld hoogste grondwatertrap (GHG) beneden de 80 centimeter beneden het maaiveld en de gemiddeld laagste grondwatertrap (GLG) beneden de 120 centimeter beneden het maaiveld. 8 Mientjes, 2021a. 9 De Mulder et al., 2003. 10 Berendsen, 2008. 11 De Mulder et al., 2003. 12 Berendsen 2008.

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 7 van 44

3.3.2

Archeologische gegevens

Volgens de Archeologische maatregelenkaart Horst aan de Maas (Kaart 1) ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting (Categorie 3).13 Het plangebied ligt niet binnen een Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied. 14 Ook ligt het plangebied niet binnen een Archeologisch Monument. Wel is op circa 90 meter ten zuiden en van het plangebied een AMK-terrein aanwezig. Volgens de Archeologische Monumentenkaart is dit de oude dorpskern van Hegelsom (AMK nummer 16.542). In werkelijkheid betreft het de zone rond de Stationsstraat ten zuidoosten van de huidige dorpskern van Hegelsom. Op het Kadastrale Minuutplan uit 1821 staat de Stationsweg als de verbindingsweg tussen Sevenum en Horst aangegeven met verspreid hierlangs bewoning. Deze bewoning kan in de Nieuwe tijd gedateerd worden en gaat mogelijk (deels) terug tot in de Late-Middeleeuwen. Deze constatering geldt echter niet voor het dorp Hegelsom zelf dat aan het eind van de 19e eeuw tot ontwikkeling is gekomen. Uit het plangebied zijn tot op heden geen archeologische vindplaatsen bekend. In de omgeving van het plangebied zijn wel meerdere vindplaatsen bekend, namelijk een totaal van 15 vindplaatsen in een straal van circa 1 kilometer rondom het plangebied. Daarnaast zijn binnen dezelfde straal door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal 33 archeologische onderzoeken uitgevoerd.

Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken (verkennend) en proefsleufonderzoeken. Op basis van de resultaten van eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken is duidelijk welke delen van de omgeving van het plangebied aantrekkelijk waren voor bewoning. De in de nabijheid van het plangebied bekende mesolithische vindplaatsen bevinden zich op een typische locatie op een rand van een beekdal of laagten (gradiënt zones) in het dekzandlandschap. Op de hoge dekzandrug zijn (bewonings)resten uit de Late-Bronstijd, IJzertijd, Romeinse tijd, Vroege-Middeleeuwen, LateMiddeleeuwen en Nieuwe tijd aangetroffen. De locatie van de vindplaatsen komt overeen met de landschappelijke situatie van het onderhavige plangebied, namelijk op een hoge dekzandrug met een plaggendek, en een gradiënt zone of een glooiing naar een lager gelegen beekdal. Twee onderzoeken dienen in het bijzonder uitgelicht te worden, aangezien ze direct aan de zuidwest grens van het onderhavige plangebied zijn uitgevoerd.

Het betreft een verkennend booronderzoek, uitgevoerd in maart 2015 door SOB Research in het kader van de ontwikkeling ‘Uitbreiding Hegelsom Fase 1’, en het daarop volgende proefsleuvenonderzoek, ook uitgevoerd door SOB Research in januari 2017.15 Het verkennend booronderzoek heeft aangetoond dat de bodemopbouw ter plekke van het plangebied ‘Uitbreiding Hegelsom Fase 1’ bestaat uit een plaggendek op dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). Het plaggendek bestond uit een Aan1-horizont (donkerbruin, matig fijn zand) op een Aan2-horizont (bruingrijs, matig fijn zand, licht gevlekt). Het plaggendek had een dikte van circa 65 à 90 centimeter. Beneden het plaggendek is het dekzand aangetroffen, bestaande uit een lichtbruine B-horizont op een (licht)gele C-horizont met roestvlekken. De top van de B-horizont lijkt in alle boringen te zijn verploegd (mogelijk oude ploegsporen), terwijl aan de onderzijde gleyverschijnselen aanwezig waren tot in de C-horizont. Bij het daarop volgende proefsleuvenonderzoek is een bodemopbouw aangetroffen van een bouwvoor, op een plaggendek uit de Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd, op een oudere akkerlaag uit de 13 Van Heeringen en Schrijvers, 2014. 14 Provinciaal Omgevingsplan Limburg. 15 Ras, 2017; Benerink, 2019.

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 8 van 44

Vroege-/Late-Middeleeuwen, op dekzandafzettingen. Boven het dekzand was een sterk gebioturbeerde toplaag aanwezig op een diepte van tussen de circa 95 centimeter en 1,35 meter beneden het maaiveld. Plaatselijk was in de top van het dekzand nog een (deel van de) B-horizont van een podzolbodem bewaard gebleven. Een tweede vaststelling ten aanzien van de bodemopbouw betreft het verloop van de top van de natuurlijke ondergrond, die duidelijk in oostelijke, zuidoostelijke en zuidelijke richting in hoogte toeneemt. In mindere mate is dit ook het geval in westelijke richting. Hierdoor lijkt het plangebied ‘Uitbreiding Hegelsom Fase 1’ binnen een zeer flauwe kom in het landschap te liggen. Tevens was sprake van een ander bodemtype ter plaatse van het laagst gelegen, centrale deel, bestaande uit een wat verkitte B-horizont en ijzerconcreties in het moedermateriaal. Vermoedelijk waren ter plaatse van deze iets lager gelegen kom ten tijde van de ontginning veldpodzolgronden aanwezig, terwijl naar de randen van het plangebied (met name de oostzijde, richting het onderhavige plangebied), in de oorspronkelijke situatie eerder sprake was van moderpodzolgronden. In het onderste deel van het plaggendek werden enkele aardewerkfragmenten uit de LateMiddeleeuwen en Vroege-Nieuwe tijd (15e-17e eeuw) aangetroffen.

In een plaatselijk sterk uitgeloogde oudere akkerlaag, beneden het plaggendek, werden meer aardewerkfragmenten aangetroffen, bestaande uit handgevormd aardewerk uit de Late-Bronstijd en IJzertijd en de 8e tot en met 13e eeuw na Chr. Op basis hiervan is geconcludeerd dat het terrein al in de Prehistorie voor diverse (agrarische?) activiteiten werd gebruikt en dat het terrein vanaf de Karolingische periode (doorlopend?) als landbouwgrond in gebruik is geweest. Binnen de proefsleuven zijn meerdere sporen, kuilen en paalkuilen, aangetroffen die in de Prehistorie en Middeleeuwen gedateerd kunnen worden. Op een enkele sporenconcentratie na, gaat het voornamelijk om verspreid liggende sporen en is er geen sprake van een hoge sporendichtheid. Op basis 14C-dateringen van houtskoolmonsters uit kuilen lijkt het terrein met name gedurende het Mesolithicum herhaaldelijk en gedurende een lange periode bezocht te zijn door middel van tijdelijke kampementen. De betreffende kuilen zijn haardkuilen met een vulling vermengd met houtskool, waarvan drie 14C-dateringen wijzen op het Vroeg-Mesolithicum, de overgang Vroeg- naar MiddenMesolithicum, en het Laat-Mesolithicum.

Vervolgens lijken met name gedurende een deel van de periode van de Midden-Bronstijd tot en met de Vroege-IJzertijd activiteiten binnen het onderzoeksgebied te hebben plaatsgevonden in de nabijheid van of als onderdeel van een nederzetting uit deze periode. Een 14C-datering van houtskool uit een haardkuil wijst op het midden van de MiddenBronstijd. Tot slot lijkt er vanaf de Vroege-Middeleeuwen sprake te zijn van min of meer continu agrarisch gebruik van het gebied als bouwland. Op basis van de onderzoeksresultaten is toentertijd geadviseerd om in die zones waar bodemverstorende graafwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 70 centimeter beneden het maaiveld een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een opgraving. Het is niet bekend of een vervolgonderzoek daadwerkelijk is uitgevoerd. 3.3.3

Historische gegevens

Hegelsom werd aan het eind van de 19e eeuw gesticht als heide-ontginningsdorp. Aan het begin van de 20e eeuw ontstond de dorpskern. Meer precies is het dorp Hegelsom ontstaan in de periode 1929 tot 1933 uit de buurtschappen Voor-America (‘De Hei’) en Hegelsom (omgeving Stationsstraat en ‘D’n Diek’). Een lagere school werd in 1930 en de kerk in 1933 gebouwd. Het dorp kende hoofdzakelijk een agrarische economie met veel kippenbedrijven en bonenteelt (staakbonen). Omstreeks 1965 werd aan de Stationsstraat een pluimveevakschool gesticht. Dit is de voorloper van het voormalige agrarisch opleidingscentrum (PETC+) dat zal worden her bestemd voor wonen/detailhandel. Het agrarisch opleidingscentrum is circa drie jaar geleden gesloten. Specifiek ten aanzien van het plangebied is de volgende informatie beschikbaar op basis van het kaartmateriaal uit circa de laatste 200 jaar. De Tranchot und v. Müffling kaart uit 1801-1828 geeft aan dat het plangebied aan het eind van de 18e en het begin van de 19e eeuw uit heide bestond. Wel liep Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 9 van 44

de Oude Holstraat door het plangebied, die een verbinding vormde tussen Sevenum en Horst. In het noordelijke deel van het plangebied vormde deze weg een kruising met een oostwest lopende straat, op de locatie van de huidige Pastoor Debijestraat. Op het Kadastrale Minuutplan uit 1821 is een identiek wegenpatroon zichtbaar. Wel is het plangebied ingedeeld in meerdere percelen. Op de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel (OAT) worden deze als bouwland aangegeven. Tevens worden aan de zuidoost zijde van het plangebied, direct grenzend aan de westkant van de Oude Holstraat twee gebouwen weergegeven. Mogelijk dat één van de gebouwen een langgevelboerderij was. Ten noorden van het plangebied en de huidige Pastoor Debijestraat zijn ook enkele gebouwen zichtbaar. Op de Militaire Topografische kaart uit 1823-1829 lijkt het plangebied uit heidegebied te bestaan, en wordt de voorloper van de Stationsstraat, die waarschijnlijk ter hoogte van het plangebied de Oude Holstraat volgde, weergegeven. Deze kaart is echter relatief onnauwkeurig. Op de Militaire Topografische kaart uit 1850 worden de Oude Holstraat en de kruising op de locatie van de huidige Pastoor Debijestraat weergeven. In het zuidoostelijke en centrale deel van het plangebied is bebouwing zichtbaar, en tevens direct ten noorden van het plangebied.

De kaart is te onnauwkeurig om uitspraken te doen over typen landgebruik binnen het plangebied. Op de Militaire Topografische kaart uit 1899 is een gebouw weergegeven in het zuidoostelijke deel van plangebied, langs de Oude Holstraat. Tevens staan meerdere gebouwen weergegeven direct ten noorden van plangebied en de Pastoor Debijestraat. Het centraal gelegen gebouw is in 1899 verdwenen. De loop van de huidige Stationsstraat, direct te oosten van de Oude Holstraat, is dan ook gerealiseerd. Mogelijk dat het plangebied voor akkerbouw in gebruik was. Op de Topografische kaart uit 1955 kan een onderscheid gemaakt worden tussen akkerland en weidegrond in het noordwestelijke deel van het plangebied. De Oude Holstraat is nog aanwezig en twee gebouwen worden weergegeven in het zuidoostelijke deel van het plangebied langs de Oude Holstraat. Vanaf 1970 verschijnen meerdere gebouwen binnen het plangebied. Deze gebouwen behoren tot de pluimveevakschool, de voorloper van het voormalige agrarisch opleidingscentrum. In 1980 zijn er weer meerdere gebouwen binnen het plangebied bijgekomen en is een nieuw stratenpatroon aangelegd tussen de gebouwen. De Oude Holstraat is dan verdwenen, waarschijnlijk als gevolg van het nieuwe stratenpatroon dat toegang geeft tot de verschillende gebouwen.

Deze situatie blijft min of meer hetzelfde tot op de dag van vandaag, met dien verstande dat sommige nieuwe gebouwen van de pluimveevakschool/het agrarisch opleidingscentrum worden gerealiseerd en andere worden gesloopt. Hoewel historisch gezien Hegelsom een heide-ontginningsdorp is uit het eind van de 19e eeuw, laat het historisch kaartmateriaal zien dat reeds vanaf het begin van de 19 e eeuw het plangebied (deels) voor landbouwdoeleinden werd gebruikt. Tevens waren gebouwen aanwezig met name in het zuidoostelijke deel van het plangebied, direct langs de Oude Holstraat, die mogelijk een agrarische functie hadden. Deze situatie bleef in hoofdlijnen ongewijzigd tot circa 1970 toen de pluimveevakschool en het latere, nu voormalige agrarisch opleidingscentrum (PETC+), werd opgericht. Tegen 1980 was het terrein grotendeels volgebouwd en was de Oude Holstraat verdwenen. Op basis van de beschikbare bouwhistorische gegevens (bron: archief van de Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Horst aan de Maas) kan gesteld worden dat de gebouwen die sinds 1963 zijn gerealiseerd ter plekke van het plangebied een funderingsdiepte hadden en hebben van circa 70 centimeter tot circa 3,10 meter beneden het maaiveld. 3.3.4

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Volgens de bij het archeologisch bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting is de kans op het voorkomen van archeologische resten hoog voor alle archeologische perioden, lopende vanaf het (Laat-)Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd.

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 10 van 44

Meer specifiek zijn de archeologische verwachtingen als volgt onderbouwd. Uit de landschappelijke ligging op een dekzandrug aan de rand van een beekdalglooiing, blijkt dat het plangebied vanaf het (Laat-)Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers en verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waargenomen uit het (Laat)Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Door archeologisch onderzoek bestaat er een goed beeld van waar jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefden van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar.16 Zoals aangegeven ligt het plangebied op een dekzandrug bij een gradiënt zone, namelijk een beekdalglooiing die naar het oosten afloopt naar de Groote Molenbeek.

Als gevolg heeft het plangebied een hoge verwachting voor de perioden (Laat)Paleolithicum en Mesolithicum. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.17 Gezien de mogelijke ligging van het plangebied op hoger gelegen gronden bij een beekdal heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting voor de perioden Neolithicum tot en met Vroege-Middeleeuwen. Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13e eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen. 18 Op basis van het historische kaartmateriaal zijn er aanwijzingen dat al aan het eind van de 18e eeuw een weg door het plangebied liep, namelijk de Oude Holstraat.

Hoewel algemeen historisch gezien Hegelsom als een heide-ontginningsdorp uit het eind van de 19e eeuw wordt beschouwd, zijn er aanwijzingen dat het plangebied aan het begin van de 19e eeuw reeds voor landbouwdoeleinden in gebruik was. Vanaf het begin van de 19e eeuw lijkt ook bebouwing aanwezig geweest te zijn langs de Oude Holstraat. Het plangebied heeft daarom een hoge archeologische verwachting voor de perioden LateMiddeleeuwen en Nieuwe tijd. 3.3.5 Resultaten verkennend booronderzoek Bij het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-Overig), is de volgende bodemopbouw aangetroffen ter plekke van het plangebied. Van de in totaal 24 uitgevoerde boringen bestonden de bovenste lagen in 15 boringen uit een bouwvoor met een (sub)recent opgebracht zandpakket en in 9 boringen uit een bouwvoor met plaggendek. De (sub)recent opgebrachte zandpakketten kunnen mogelijk in verband gebracht worden met de stichting en bouw van de pluimveevakschool in 1965 en vervolgens het agrarisch opleidingscentrum (PETC+). De natuurlijke bodem bestond uit de C-horizont van het dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). De top van het dekzand is aangetroffen op een sterk variabele diepte van tussen de 45 en 135 centimeter beneden het maaiveld. In de top van het dekzand is geen (restant 16 Louwe Kooijmans et al., 2005. 17 Louwe Kooijmans et al., 2005.

18 Renes, 1999.

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 11 van 44

van een) podzolprofiel aangetroffen. In 7 boringen was een gebioturbeerde toplaag aanwezig boven de C-horizont van het dekzand. Deze laag kan mogelijk als een cultuur- of akkerlaag geïnterpreteerd worden. Ook de top van deze laag lag op een variabele diepte van tussen de 45 en 135 centimeter beneden het maaiveld. De dikte van de gebioturbeerde toplaag lag tussen de 10 en 30 centimeter. Opvallend was verder dat de boringen met een plaggendek en gebioturbeerde toplaag geconcentreerd zijn in het westen van het plangebied. Een grote overeenkomst bestaat tussen de bodemopbouw in deze laatste 7 boringen met de aangetroffen bodem tijdens het verkennend booronderzoek en proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in respectievelijk 2015 en 2017 door SOB Research ter plekke van de ‘Uitbreiding Hegelsom Fase 1’ (zie § 3.3.2).19 Ook hier is een bodemopbouw aangetroffen van een bouwvoor, op een plaggendek, op een oudere akkerlaag, op dekzandafzettingen. Boven het dekzand was een sterk gebioturbeerde toplaag aanwezig op een diepte van tussen de circa 95 en 135 centimeter beneden het maaiveld. Plaatselijk was in de top van het dekzand nog een (deel van de) B-horizont van een podzolbodem bewaard gebleven. Tijdens het verkennend booronderzoek ter plekke van het onderhavige plangebied is in de boringen geen B-horizont van een podzolprofiel in de top van het dekzand waargenomen.

Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek kan gesteld worden dat archeologische resten uit de perioden lopende van het (Laat-)Paleolithicum tot en met de VroegeMiddeleeuwen verwacht kunnen worden beneden het plaggendek en in de top van de dekzandafzettingen (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden) op een diepte van tussen de circa 45 à 135 centimeter beneden het maaiveld. Aan en direct beneden het maaiveld, en binnen het plaggendek, kunnen mogelijk ook archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd aanwezig zijn. 3.3.6

Conclusie en selectieadvies vooronderzoek

Op basis van het vooronderzoek heeft Econsultancy geadviseerd om, indien behoud in situ (dubbelbestemming archeologie) niet gerealiseerd kon worden in het kader van de ontwikkelingsplannen, een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, in het westelijke deel van het plangebied. De gemeente Horst aan de Maas als bevoegde overheid heeft ingestemd met het advies van Econsultancy om een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, uit te laten voeren. De gemeente Horst aan de Maas heeft zich bij de besluitvorming laten leiden door de beoordeling van haar archeologisch adviseur, Vestigia BV (adviesbrief, kenmerk: V21-36854/1285-337/CWK, d.d. 7 april 2021), van het rapport archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-Overig)20, en van het Programma van Eisen.21 Hierbij is een enigszins aangepast onderzoeksgebied voorgesteld vergeleken met de advieszone zoals oorspronkelijk voorgesteld door Econsultancy. Dit onderzoeksgebied is gedefinieerd als de primaire zone, waarbinnen initieel het proefsleuvenonderzoek uitgevoerd diende te worden.

Daarnaast zijn twee niet-primaire zones onderscheiden, die mogelijk (deels) archeologisch onderzocht dienden te worden in het geval dat een of meerdere behoudenswaardige archeologische vindplaatsen werden aangetroffen in de primaire zone. De primaire zone had een oppervlakte van circa 24.500 m 2 en de twee niet-primaire zones een gezamenlijke oppervlakte van circa 23.200 m 2.

19 Ras, 2017; Benerink, 2019. 20 Mientjes, 2021a. 21 Mientjes, 2021b.

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 12 van 44

4 4.1

METHODIEK VELDONDERZOEK Inleiding

Voor het proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, met een mogelijke ‘directe doorstart’ naar aan opgraving is door Econsultancy een Programma van Eisen opgesteld.22 In dit document zijn de eisen vastgelegd waaraan het archeologische onderzoek dient te voldoen. De methodiek en onderzoeksvragen zoals die in het Programma van Eisen zijn opgenomen, worden in dit hoofdstuk verwoord. Naast de eisen zoals omschreven in het Programma van Eisen is het archeologisch onderzoek uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, d.d. 24 mei 2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, d.d. 24 mei 2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. 4.2

Methodiek proefsleuvenonderzoek

Conform het Programma van Eisen diende 13 proefsleuven van 25 bij 4 meter te worden aangelegd (circa 1.300 m2). Als gevolg van de aanwezigheid van kabels en leidingen, oppervlakteverharding, en andere obstakels boven het maaiveld, zoals hekwerk, was het noodzakelijk enkele proefsleuven te verplaatsen en/of op te delen. Uiteindelijk zijn op deze wijze 16 proefsleuven in het veld aangelegd: 10 proefsleuven van circa 25 bij 4 meter en 6 proefsleuven met een lengte van tussen de circa 10 en 15 meter en een breedte van circa 4 meter (zie bijlage 1; zie figuur 5 tot en met 12). In totaal zijn in het veld circa 1.130 m2 onderzocht door middel van de proefsleuven. De proefsleuven zijn in één vlak onderzocht. Het vlak is in de top van de natuurlijke afzettingen aangelegd op een diepte van tussen de circa 50 tot 180 centimeter (Vlak 1: tussen de 24,41 en 25,56 meter +NAP) beneden het maaiveld. De vlakaanleg heeft laagsgewijs plaatsgevonden tot op het vlakniveau waarop grondsporen zichtbaar werden en het vlak te interpreteren was. Per haal van de graafmachine is met behulp van de metaaldetector het blootgelegde vlak afgezocht. Dit heeft geen metaalvondsten opgeleverd. Behalve het vlak is ook de stort van de proefsleuven met behulp van de metaaldetector onderzocht. Metaalvondsten zijn hierbij niet gedaan.

Na iedere haal van de graafmachine is het vlak op vondsten en grondsporen gecontroleerd. Het vlak is waar nodig handmatig opgeschaafd, met een GPS gemeten en in delen gefotografeerd. In iedere proefsleuf is per vlak (Vlak 1) de hoogte gemeten in raaien met een tussenafstand van circa 2 à 3 meter. Tevens is de NAP-hoogte van het naast gelegen maaiveld gemeten met een GPS in raaien met een tussenafstand van circa 2 à 3 meter. In de 10 proefsleuven van circa 25 bij 4 meter zijn twee profielkolommen van circa 1 meter breed gedocumenteerd tot minimaal 30 centimeter beneden de top van de natuurlijke afzettingen. In de 6 opgedeelde proefsleuven is één profielkolom van circa 1 meter breed gedocumenteerd tot minimaal 30 centimeter beneden de top van de natuurlijke afzettingen. Voor de documentatie van de profielen zijn in de meeste proefsleuven kijkgaten aangelegd beneden het vlak (Vlak 1). De profielen zijn met een GPS gemeten, gefotografeerd, getekend (analoog, schaal 1:20), beschreven en geïnterpreteerd door een Senior KNA-archeoloog. Alle foto’s van het vlak en de profielen zijn voorzien van een noordpijl, een schaalstok en een fotobordje met het projectnummer en objectgegevens. Het vlak en de profielen zijn lithologisch beschreven conform de NEN 5104 23 en bodemkundig24 geïnterpreteerd.

22 Mientjes, 2021b. 23 NEN 5104, 1989. 24 Bakker en Schelling, 1989.

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 13 van 44

In de aanlegde proefsleuven zijn 12 sporen aangetroffen. Het betreft (sub)recente (paal)kuilen, kabelen leidingsleuven, restanten van de Oude Holstraat (weg), en verstoring(svlakken) die samenhangen met gebouwen van de voormalige pluimveevakschool en het latere agrarisch onderzoekscentrum (PETC+) en de afbraak hiervan in recente tijden. De sporen zijn getekend in het vlak (Vlak 1) met een GPS, beschreven en geïnterpreteerd. Ter ondersteuning van de interpretatie is een selectie van de sporen gecoupeerd. De coupes zijn gemeten met een GPS en fotografisch gedocumenteerd, voorzien van een noordpijl, een schaalstok en een fotobordje met het projectnummer en objectgegevens. Er zijn geen coupetekeningen vervaardigd, omdat het (sub)recente of natuurlijke, niet behoudenswaardige sporen betrof. Alleen de resten van de Oude Holstraat, aangetroffen in Werkput 1, zijn als Spoor 1 binnen Profiel 2 gedocumenteerd. Tijdens het onderzoek zijn geen archeologische vondsten aangetroffen. Vanwege het ontbreken van behoudenswaardige archeologische resten in de proefsleuven in de primaire zone, is het proefsleuvenonderzoek niet uitgebreid naar de twee niet-primaire zones. De voorbereiding van het onderzoek heeft plaatsgevonden op 19 april 2021. Het veldwerk is uitgevoerd op 20, 21, 22 en 23 april 2021. De uitwerking en eindrapportage is uitgevoerd op 22, 25, 26 en 27 mei 2021.

Figuur 5

Overzichtsfoto Werkput 2, Vlak 1 (foto genomen naar het westen)

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 14 van 44

Figuur 6

Overzichtsfoto Werkput 3, Vlak 1 (foto genomen naar het westen)

Figuur 7

Overzichtsfoto Werkput 5, Vlak 1 (foto genomen naar het noorden)

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 15 van 44

Figuur 8

Overzichtsfoto Werkput 7, Vlak 1 (foto genomen naar het oosten)

Figuur 9

Overzichtsfoto Werkput 9, Vlak 1 (foto genomen naar het noorden)

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 16 van 44

Figuur 10

Overzichtsfoto Werkput 11, Vlak 1 (foto genomen naar het zuiden)

Figuur 11

Overzichtsfoto Werkput 12, Vlak 1 (foto genomen naar het oosten)

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 17 van 44

Figuur 12 4.3

Overzichtsfoto Werkput 15, Vlak 1 (foto genomen naar het noordwesten)

Onderzoeksvragen

In het Programma van Eisen is een aantal onderzoeksvragen opgenomen.25 4.3.1 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11.

Algemeen Zijn er archeologische resten in de bodem aanwezig? Zo ja, wat is de aard, omvang (mogelijk ook buiten de primaire zone), ouderdom, herkomst, kwaliteit en locatie van de archeologische resten (horizontaal en verticaal)? Zijn meerdere archeologische niveaus aanwezig? Op welke diepte ligt/liggen het/de archeologische niveau(s)? Hebben de archeologische waarden een relatie met uit de omgeving bekende archeologische of historische locaties en welke is dat? Welke gegevens over de aangetroffen vindplaatsen kunnen de archeologische kennis van de regio en Hegelsom aanscherpen? Is sprake van (een) behoudenswaardige vindplaats, conform waardering volgens bijlage IV van de KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018)? Wat is het belang van de vindplaats voor de lokale, regionale en nationale geschiedschrijving? Wat kunnen de uitkomsten van het onderzoek zeggen over vergelijkbare terreinen in de omgeving? Welke methoden zouden hierbij kunnen worden ingezet? Kunnen eventueel dieper liggende archeologische niveaus in situ bewaard blijven, of worden deze verstoord door de geplande civieltechnische graafwerkzaamheden?

25 Mientjes, 2021b.

Rapport 15010.003 versie 1

Pagina 18 van 44

12. 13.

Indien er geen archeologische resten worden aangetroffen, wat is de reden voor de afwezigheid van archeologisch resten? In welke mate zijn de bodemopbouw en archeologisch relevante niveau(s) verstoord?

De mogelijke aanwezige vindplaatsen worden aan de hand van de gestelde vragen gewaardeerd conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018), bijlage IV Waarderen van vindplaatsen. Aanbevolen wordt ook om de methodiek uit de SIKB leidraad Standaard Archeologische Monitoring te volgen voor het bepalen van de fysieke kwaliteit. 4.3.2 14. 15. 16. 17.

Periode en sites Zijn er aanwijzingen voor landgebruik (off-site patronen) in de zin van wegen, perceelindeling, akkers, grondstofwinning, etc.? Zijn er aanwijzingen voor agrarische en/of ambachtelijke activiteiten? Zo ja, waaruit blijkt dat en welke kenmerken zijn hieraan naar analogie van vraag 9 te geven? Kunnen meerdere bewoningsfasen (relatief en absoluut) onderscheiden worden? Wanneer en waarom zijn de sites en de vindplaats in zijn geheel verlaten of in onbruik geraakt?

4.3.3 Landschap en bodem Dit aspect van het onderzoek omvat de bestudering van de landschappelijke context van de vindplaats in historisch perspectief. Dit leidt tot de volgende vragen: 18. Wat is de bodemopbouw binnen het plangebied? 19. Waar bevindt zich binnen het plangebied een plaggendek? Als een plaggendek afwezig is, komt dat doordat het er waarschijnlijk niet ontwikkeld is of omdat het in een later stadium weer verwijderd is? 20. Indien een plaggendek wordt aangetroffen. Wat is de dikte en wanneer is dit plaggendek mogelijk aangelegd? 21. Is in de top van het dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden) nog een (gedeeltelijk intact) podzolprofiel aanwezig? En zo ja, welke specifieke horizonten kunnen worden herkend en hoe verhouden deze zich tot het mogelijk aanwezige en leesbare archeologische sporen- en vondstenvlak? 22. Hoe kan de bioturbatielaag geduid en verklaard worden? En hoe verhoudt de bioturbatielaag zich tot het mogelijk nog (gedeeltelijk intact) aanwezige podzolprofiel en het mogelijk aanwezige en leesbare sporen- en vondstenvlak? 23. Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaats (geologie, bodemkunde en geomorfologie)? Zijn er aanwijzingen voor stratigrafische hiaten, d.w.z. erosie of non-depositie, in de geologische profielopbouw ter plekke van de vindplaatsen? 24.

Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Liggen in het plangebied locaties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden (licht dit toe)? 25. In hoeverre zijn de aangetroffen bodemlagen geschikt voor een palynologische reconstructie van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het terrein? 4.3.4 Vraagstelling specialistisch onderzoek Het specialistisch onderzoek dient zich te richten op het vaststellen van de geschiktheid van de vindplaats voor archeobotanisch, archeozoölogisch, fysisch-antropologisch, fysisch-geografisch, geofysisch en dateringsonderzoek. De monsters dienen hiervoor gewaardeerd te worden tijdens de evaluatiefase, na uitvoering van het archeologisch veldonderzoek.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11391771/1