CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

12c.3 Archeologisch verkennend onderzoek

Gemeenteraad 10 mei 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Oude Holstraat, Hegelsom.19.742 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK OUDE HOLSTRAAT TE HEGELSOM GEMEENTE HORST AAN DE MAAS

archeologisch onderzoek Oude Holstraat te Hegelsom Opdrachtgever

Peters Bouw en Onderhoud Expeditiestraat 5 5961 PX Horst

Rapportnummer

15010.001

Versienummer1

1

Datum

Vestiging

2 maart 2021

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl

Opsteller

De heer dr. A.C. Mientjes (reg. nr. 91455703)

Paraaf

Kwaliteitscontrole

De heer drs. A.H. Schutte (reg. nr. 43842407)

Paraaf

© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen. Bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

15010.001

Toponiem

Oude Holstraat

Opdrachtgever

Peters Bouw en Onderhoud

Gemeente

Horst aan de Maas

Plaats

Hegelsom

Provincie

Limburg

Kadastrale gegevens

Gemeente Horst, sectie M, perceelnummers 1991, 3223 en 3797

Omvang plangebied

Circa 47.700 m2

Kaartblad

52 G (1:25.000)

Coördinaten centrum plangebied

X: 200.846 / Y: 383.314

Bevoegde overheid

Gemeente Horst aan de Maas Postbus 6005 5960 AA Horst T: 077-4779777 E: gemeente@horstaandemaas.nl

Deskundige namens de bevoegde overheid

Vestigia Spoorstraat 5 3811 MN Amersfoort

Contactpersoon: De heer drs. W. Hessing T: 033-2779200 E: w.hessing@vestigia.nl

ARCHIS3 Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)

4954790100

Archeoregio NOaA

Brabants zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Swalmen en Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Limburg

Uitvoerders

Econsultancy, de heer dr. A.C. Mientjes (reg. nr. 91455703) en de heer drs. A.H. Schutte (reg. nr. 438424407)

Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Peters Bouw en Onderhoud in februari 2021 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-Overig), uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Pastoor Debijestraat 64 te Hegelsom in de gemeente Horst aan de Maas. In het plangebied zal nieuwbouw worden gerealiseerd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Meer precies is de initiatiefnemer voornemens om het bestaande agrarisch opleidingscentrum her te bestemmen naar wonen/detailhandel. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied verwacht kunnen worden. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting kunnen archeologische resten uit het (Laat-)Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd aanwezig zijn. De trefkans op archeologische waarden uit genoemde perioden is hoog. Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-Overig), blijkt dat de bodemopbouw bestaat uit een bouwvoor met een (sub)recent opgebracht zandpakket of plaggendek op de C-horizont van het dekzand (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel). Als zodanig is sprake van AC-profielen.

In enkele boringen lag boven het dekzand een gebioturbeerde toplaag, die mogelijk als een cultuur- of akkerlaag geïnterpreteerd kan worden. Verder was het opvallend dat boringen met een plaggendek en de sterk gebioturbeerde toplaag allen in het westen van het plangebied liggen. In de boringen zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Conclusie Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek kan geconcludeerd worden dat in het westelijke deel van het plangebied nog een relatief intacte bodemopbouw aanwezig is. De bodemopbouw hier vertoont sterke gelijkenissen met de bodemopbouw zoals aangetroffen bij het verkennend booronderzoek en proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in respectievelijk 2015 en 2017 door SOB Research ter plekke van de ‘Uitbreiding Hegelsom Fase 1’, grenzend aan de zuidwest zijde van het on-

Rapport 15010.001 versie 1

derhavige plangebied. Binnen dit onderzoeksgebied zijn sporen (kuilen, paalkuilen en haardkuilen) en vondsten uit het Mesolithicum, de Midden-Bronstijd tot en met de Vroege-IJzertijd, en de VroegeMiddeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd aangetroffen. Advies Op grond van de onderzoeksresultaten wordt geadviseerd om proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, uit te voeren in het westelijke deel van het plangebied. Het proefsleuvenonderzoek kan het beste uitgevoerd worden op het moment dat de bovengrondse sloop van de bestaande bebouwing in dit deel van het plangebied is uitgevoerd. Er zijn geen aanwijzingen dat de bestaande bebouwing aanwezige archeologisch relevante bodemlagen hebben verstoord. Bovenstaand betreft een advies, opgesteld door Econsultancy. Het advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas). Na beoordeling wordt door de bevoegde overheid een besluit genomen.

Rapport 15010.001 versie 1

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 19 3.1 3.2 3.3

4

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 4 Archeologische waarden .................................................................................................. 7 Beschrijving van het historische gebruik ........................................................................ 12 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 17 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 19

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 19 Resultaten ....................................................................................................................... 20 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 21

CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 22

LITERATUUR ...................................................................................................................................... 23 BRONNEN .......................................................................................................................................... 28

Rapport 15010.001 versie 1

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel V. Tabel VI. Tabel VII. Tabel VIII.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Verleende bouwvergunningen Gespecificeerde archeologische verwachting Hoofdlijn bodemopbouw Hoofdlijn bodemopbouw Hoofdlijn bodemopbouw

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13. Figuur 14. Figuur 15. Figuur 16. Figuur 17. Figuur 18. Figuur 19. Figuur 20.

Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische maatregelenkaart Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen Tranchot und v. Müffling kaart uit 1801-1828 Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 1823-1829 Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 1850 Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 1899 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1955 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1970 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1980 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 2015 Boorpuntenkaart Verspreiding (sub)recent opgebracht zandpakket en plaggendek Verspreiding gebioturbeerde laag Advieszone vervolgonderzoek

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen AMZ-cyclus Boorprofielen

Rapport 15010.001 versie 1

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Peters Bouw en Onderhoud een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Pastoor Debijestraat 64 te Hegelsom in de gemeente Horst aan de Maas (zie figuur 1 en 2). Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd.2 Meer precies is de initiatiefnemer voornemens om het bestaande agrarisch opleidingscentrum her te bestemmen naar wonen/detailhandel. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied verwacht kunnen worden. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-Overig) (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in februari 2021 door dr. A.C. Mientjes (Senior KNAarcheoloog en Senior KNA-prospector; reg. nr. 91455703) en drs. A.H. Schutte (Senior KNAarcheoloog en Senior KNA-prospector; reg. nr. 43842407). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte.

2 2.1

BUREAUONDERZOEK Doelstelling en onderzoeksvragen

Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2

Methoden

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, d.d. 24 mei 2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, d.d. 24 mei 2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. 3

2

Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas, gemeente Horst aan de Maas; deels onherroepelijk in werking (vastgesteld 2017-12-19); enkelbestemming: agrarisch met waarden - agrarisch onderzoekscentrum. Bron: Portaal voor ruimtelijke plannen. 3 SIKB.

Rapport 15010.001 versie 1

Pagina 1 van 29

Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:     

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:             

2.3

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (Dinoloket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg; de archeologische verwachtings- en beleidskaarten van de gemeente Horst aan de Maas; plaatselijke (amateur-)archeoloog, c.q. heemkundevereniging.

Afbakening en huidige situatie van het plangebied

Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter rondom het plangebied.4 Het plangebied (circa 47.700 m²) ligt aan de Pastoor Debijestraat 64 aan de oostzijde van de kern van Hegelsom in de gemeente Horst aan de Maas en is omgeven door de Pastoor Debijestraat, Stationsstraat, Bakhuuske en Dingstraat (zie figuur 1, 2 en 3). Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie M, nummers 1991, 3223 en 3797. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 52 G, (schaal 1:25.000), zijn de centrumcoördinaten X = 200.846, Y = 383.314. Op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich van oost naar west op een hoogte van circa 25 meter tot circa 26,5 meter +NAP.

4

Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.

Rapport 15010.001 versie 1

Pagina 2 van 29

Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is deels bebouwd en verhard (toegangswegen en parkeerplaatsen) en deels in gebruik als grasland en plantsoenen (zie figuur 3). Een deel van de voormalige bebouwing van het agrarisch opleidingscentrum is reeds gesloopt. De gebruikers zijn Herberg Hegelsom en PETC+. Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures.

Het plangebied valt binnen het Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas (deels onherroepelijk in werking; vastgesteld 2017-12-19; enkelbestemming: agrarisch met waarden - agrarisch onderzoekscentrum).5 Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 50 centimeter beneden het maaiveld. De dubbelbestemming is afgeleid van de Archeologische maatregelenkaart Horst aan de Maas (Kaart 1). Volgens deze kaart (Figuur 4) ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting (Categorie 3).6 Huidig milieuonderzoek Voortijdig aan het archeologisch bureauonderzoek (augustus 2020) is er voor het plangebied een milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd door HMB B.V. (kenmerk HMB B.V. 20202901A).7 Enige bodemvervuiling is vastgesteld. Dit betreft vooral de locaties van de gesloopte bebouwing in het westelijke deel van het plangebied waar mogelijk bodemverontreiniging aanwezig is met asbest, metalen, minerale olie, PAK en PCB. Het betreft o.a. asbesthoudende dakbedekking die ook op andere locaties binnen het plangebied is aangetroffen.

Daarnaast zijn licht verhoogde gehalten kobalt en PAK vastgesteld in de bovengrond, licht verhoogde gehalten koper, lood, zink en PAK in de ondergrond, en licht verhoogde gehalten barium, zink en naftaleen in het grondwater. De resultaten van het milieuonderzoek geven echter geen aanleiding om nader bodemonderzoek (asbest) te adviseren. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de herinrichting van het terrein. 2.4

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde.

5 6

Portaal voor ruimtelijke plannen. Van Heeringen en Schrijvers, 2014.

7 Aarts, 2020.

Rapport 15010.001 versie 1

Pagina 3 van 29

In het plangebied zal nieuwbouw worden gerealiseerd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Meer precies is de initiatiefnemer voornemens om het bestaande agrarisch opleidingscentrum her te bestemmen naar wonen/detailhandel. Het oppervlak en de diepte van verstoring ten behoeve van de nieuwbouw is onbekend. Tevens is niet bekend wie de toekomstige gebruiker(s) wordt/worden. De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. 2.5

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie8

Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden; dekzand (code Bx5)

Geomorfologie9

Westelijke en centrale deel plangebied: dekzandrug of kopje (code 4K14) Oostelijke grens plangebied: beekdalglooiing (code 4H11)

Bodemkunde10

Hoge zwarte enkeerdgronden; lemig fijn zand (code zEZ23)

Grondwatertrap

VI en VII

Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied bevindt zich binnen een gebied waar voornamelijk afzettingen van de Formatie van Boxtel aan het oppervlak worden aangetroffen. De afzettingen van de Formatie van Boxtel zijn afgezet gedurende de laatste ijstijd, het Weichselien (circa 116.000 tot 11.700 jaar geleden).11 Gedurende de laatste ijstijd had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en silt. Over een groot deel van Nederland werd een pakket dekzand afgezet.12 Er ontstonden duidelijke hoogteverschillen, waarbij reliëfverschillen kleiner dan 1,5 meter dekzandplateaus worden genoemd en grotere hoogteverschillen dekzandruggen of dekzandkopjes genoemd worden. Dekzandafzettingen die zijn afgezet tijdens het Laat-Glaciaal zorgden voor nivellering van het landschap door laagtes in het landschap op te vullen. Het dekzand, dat in het plangebied aan het oppervlak wordt aangetroffen, wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, welke behoort tot de Formatie van Boxtel. 13 Circa 350 meter ten oosten van het plangebied bevindt zich het beekdal van de Groote Molenbeek. Tijdens het Holoceen nam de water afvoer sterk af, waardoor er meer sedimentatie plaats vond. De afzettingen komen meestal alleen in een zone langs de beek voor en bestaan uit vaak humusrijk grind, zand, klei en leem.

Tevens vond er langs de beek veenvorming plaats.14 Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven, welke tevens behoort tot de Formatie van Boxtel.

8

De Mulder et al., 2003. Altera, 2003. 10 Stichting voor Bodemkartering, 1975. 11 De Mulder et al., 2003. 12 Berendsen, 2008. 13 De Mulder et al., 2003. 14 Berendsen 2008. 9

Rapport 15010.001 versie 1

Pagina 4 van 29

DINO15 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn zeven boringen bestudeerd in de omgeving van het plangebied. Hieruit blijkt dat de ondergrond bestaat uit een dik pakket matig fijn zand. Deze afzettingen behoren tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wieren.16 In hoofdlijnen laten de boringen een bodemopbouw zien van een matig humeus pakket zwart zand tot een diepte variërend tussen de 0,5 en 1 meter beneden het maaiveld. Hieronder is matig fijn zand aanwezig, dat van boven naar onderen van een (donker)bruine naar een lichtbruine naar een licht geelgrijze kleur gaat. Deze bodemopbouw is ook ten oosten van het plangebied waargenomen binnen het beekdal van de Groote Molenbeek.17 De in de boringen waargenomen bodemopbouw kan hoogstwaarschijnlijk geïnterpreteerd worden als een plaggendek (hoge zwarte enkeerdgronden) met hier onder nog een (deels) intact podzolprofiel in de top van de dekzandafzettingen.

Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Op de geomorfologische kaart is het grootste deel van het plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging in de bebouwde kom van Hegelsom (zie figuur 5). Het zuidwestelijke deel van het plangebied valt binnen een zone van een dekzandrug of -kopje (code 4K14). Op basis van extrapolatie ligt het grootste deel van het plangebied waarschijnlijk op een dekzandrug. Het uiterst oostelijke deel van het plangebied ligt binnen een zone van een beekdalglooiing (code 4H11). Het betreft het beekdal van de Groote Molenbeek. Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)18 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied op de oostelijke rand van een dekzandrug, met globaal een zuidwest-noordoost oriëntatie (zie figuur 6). Het plangebied heeft een NAP-hoogte van tussen de circa 25 meter en circa 26,5 meter +NAP. Naar het oosten loopt het landschap af naar het beekdal van de Groote Molenbeek naar een NAP-hoogte van circa 23,5 meter +NAP. In het plangebied is dus sprake van een hoogteverschil van circa 1,5 meter.

Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgronden; lemig fijn zand (zEZ23) (zie figuur 7).

15

Dinoloket. DINO boornummers B52G0222, B52G1360, B52G2392, B52G2393, B52G2396, B52G2397 en B52G2400. 17 DINO boornummer B52G2400. 18 AHN. 16

Rapport 15010.001 versie 1

Pagina 5 van 29

Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late-Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de jaren ‘80 van de 20e eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden-Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9e en de 12e eeuw naast de essen kwamen te liggen.

De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen.19 Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken boringen, proefgaten en peilbuizen gezet.20 Uit deze boringen, proefgaten en peilbuizen blijkt dat de bodem tot circa 5 meter beneden het maaiveld uit zwak siltig, matig fijn zand bestaat. Dit zand wordt gerekend tot de Formatie van Boxtel. In de boringen wordt alleen een onderscheid gemaakt tussen de overgang van bruin/beige zand naar geel(bruin) zand op een diepte van tussen de 50 en 150 centimeter beneden het maaiveld. Waarschijnlijk kan dit onderscheid vertaald worden naar de aanwezigheid van een plaggendek in de bovengrond naar dekzand in de ondergrond. De grondwaterstand ligt op een diepte van tussen de circa 2,6 en 3,6 meter beneden het maaiveld. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald.

Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Grondwatertrappenindeling21

Tabel II.

19

Grondwatertrap

I

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

VIII

GHG (cm -mv)

-

<40

<40

>40

<40

40-80

>80

> 140

GLG (cm -mv)

<50

50-80

80-120

80-120

>120

>120

>120

-

Doesburg et al., 2007.

20 Aarts, 2020. 21

Locher en De Bakker, 1990.

Rapport 15010.001 versie 1

Pagina 6 van 29

') ")

Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Omdat het grootste deel van het plangebied binnen de bebouwde kom van Hegelsom ligt, is de grondwatertrap niet gekarteerd. Alleen het zuidwestelijke deel van het plangebied is gekarteerd als grondwatertrap VII. Op basis van extrapolatie lijkt het grootste deel van het plangebied grondwatertrap VI te hebben. Deze grondwatertrappen geven aan dat het om relatief droge bodems gaat, en daardoor in het verleden een gunstige vestigingslocatie was voor landbouwsamenlevingen. Door de lage grondwaterstand wordt wel verwacht dat organisch materiaal en paleo-ecologische resten over het algemeen slecht bewaard zijn in de ondergrond. Omdat het plangebied op zand ligt en de toekomstige bebouwing maar op een beperkt deel van het plangebied zal plaatsvinden wordt niet verwacht dat het toekomstig grondwaterpeil zal worden beïnvloed. 2.6

Archeologische waarden

Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).22 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 8. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 1000 meter weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Provinciale archeologische aandachtsgebieden provincie Limburg De Provincie Limburg heeft in maart 2008 besloten haar verantwoordelijkheid voor archeologie te gaan beperken tot waarden van provinciaal belang. Daartoe heeft ze een aantal zogenaamde archeologische aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met een groot potentieel aan archeologische waarden.

De Provincie wil zich inzetten voor het behoud en onderzoek van archeologische waarden in deze gebieden. Het betreft zes soorten gebieden, verspreid over 16 verschillende gemeenten. Het uitgangspunt hierbij is niet de bescherming van het gehele aandachtsgebied. Het is immers niet van te voren bekend welke waarden aanwezig zijn en waar de vindplaatsen exact liggen. Basisprincipe voor het beleid is een hoge kwaliteit van het archeologisch onderzoek. Omdat niet alle vindplaatsen even belangrijk zijn en niet alle waardevolle vindplaatsen behouden kunnen blijven, zullen in het gehele archeologische onderzoekstraject keuzes gemaakt moeten worden. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen dus wel plaatsvinden in de geselecteerde gebieden, maar alleen als er in een vroegtijdig stadium adequaat archeologisch onderzoek wordt verricht. Er worden immers waarden verwacht die van provinciaal belang zijn. Volgens de Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg ligt het plangebied niet binnen een Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied. 23

22 23

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. Provinciaal Omgevingsplan Limburg.

Rapport 15010.001 versie 1

Pagina 7 van 29

AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied24 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt niet binnen een Archeologisch Monument. Wel is op circa 90 meter ten zuiden en van het plangebied een AMK-terrein aanwezig (zie bijlage 2 en figuur 8). Het betreft de oude dorpskern van Hegelsom (AMK nummer 16542). Binnen deze oude dorpskern kunnen bewonings- en andere archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd aanwezig zijn. In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied 25 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal 33 archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken (verkennend) en proefsleufonderzoeken (zie bijlage 3 en figuur 8).

De resultaten van de onderzoeken, en met name de verkennende booronderzoeken, die rondom het plangebied zijn uitgevoerd laten zien dat de bodemopbouw merendeels bestaat uit een plaggendek (hoge zwarte enkeerdgronden) op dekzand. Vaak is de bodemopbouw verstoord tot in de C-horizont van het dekzand, waardoor geen vervolgonderzoek is geadviseerd na uitvoering van het verkennend booronderzoek. In enkele gevallen is nog een E-, B, en/of BC-horizont van het podzolprofiel in de top van het dekzand aangetroffen. Naar het oosten toe richting de Groote Molenbeek - geomorfologisch gezien binnen de beekdalglooiing (code 4H11) - zijn ook gooreerd- en beekeerdgronden aangetroffen. Een verkennend booronderzoek (Archis3 onderzoeksmeldingsnummer 2475691000) 26 wordt hier uitgelicht, omdat het onderzoeksgebied direct grenst aan de zuidwest zijde van het onderhavige plangebied. Het booronderzoek, uitgevoerd in maart 2015 door SOB Research in het kader van de ontwikkeling ‘Uitbreiding Hegelsom Fase 1’, heeft aangetoond dat de bodemopbouw hier bestaat uit een plaggendek op dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). Het plaggendek bestond uit een Aan1-horizont (donkerbruin, matig fijn zand) op een Aan2-horizont (bruingrijs, matig fijn zand, licht gevlekt). Het plaggendek had een dikte van circa 65 à 90 centimeter.

Beneden het plaggendek is het dekzand aangetroffen, bestaande uit een lichtbruine B-horizont op een (licht)gele C-horizont met roestvlekken. De top van de B-horizont lijkt in alle boringen te zijn verploegd (mogelijk oude ploegsporen), terwijl aan de onderzijde gley-verschijnselen aanwezig waren tot in de C-horizont. De resultaten van dit verkennende booronderzoek, inclusief bureauonderzoek, hebben geleid tot het advies om een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. De resultaten van het proefsleuvenonderzoek worden hieronder gepresenteerd. Uit de relevante publicaties van de omliggende proefsleufonderzoeken is de volgende informatie beschikbaar. Uitbreiding Hegelsom Fase 1 (Archis3 onderzoeksmeldingsnummer 4025816100) In januari 2017 is door SOB Research een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd binnen het ontwikkelingsgebied ‘Uitbreiding Hegelsom Fase 1’, dat aan de zuidwest zijde grenst aan het onderhavige

24

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 26 Ras, 2017. 25

Rapport 15010.001 versie 1

Pagina 8 van 29

plangebied.27 Binnen het onderzoeksgebied is een bodemopbouw aangetroffen van een bouwvoor, op een plaggendek uit de Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd, op een ouder akkerdek uit de Vroege/Late-Middeleeuwen, op dekzandafzettingen. Boven het dekzand was een sterk gebioturbeerde toplaag aanwezig op een diepte van tussen de circa 95 centimeter en 1,35 meter beneden het maaiveld. Plaatselijk was in de top van het dekzand nog een (deel van de) B-horizont van een podzolbodem bewaard gebleven. Een tweede vaststelling ten aanzien van de bodemopbouw betreft het verloop van de top van de natuurlijke ondergrond, die duidelijk in oostelijke, zuidoostelijke en zuidelijke richting in hoogte toeneemt. In mindere mate is dit ook het geval in westelijke richting. Hierdoor lijkt het betreffende onderzoeksgebied binnen een zeer flauwe kom in het landschap te liggen. Tevens was sprake van een ander bodemtype ter plaatse van het laagst gelegen, centrale deel, bestaande uit een wat verkitte B-horizont en ijzerconcreties in het moedermateriaal. Vermoedelijk waren ter plaatse van deze iets lager gelegen kom ten tijde van de ontginning veldpodzolgronden aanwezig, terwijl naar de randen van het plangebied (met name de oostzijde, richting het onderhavige plangebied), in de oorspronkelijke situatie eerder sprake was van moderpodzolgronden.

In het onderste deel van het plaggendek werden enkele aardewerkfragmenten uit de LateMiddeleeuwen en Vroege-Nieuwe tijd (15e-17e eeuw) aangetroffen. In een plaatselijk sterk uitgeloogde oudere akkerlaag, beneden het plaggendek, werden meer aardewerkfragmenten aangetroffen, bestaande uit handgevormd aardewerk uit de Late-Bronstijd en IJzertijd en de 8e tot en met 13e eeuw na Chr. Op basis hiervan is geconcludeerd dat het terrein al in de Prehistorie voor diverse (agrarische?) activiteiten werd gebruikt en dat het terrein vanaf de Karolingische periode (doorlopend?) als landbouwgrond in gebruik is geweest. Binnen de proefsleuven zijn meerdere sporen, kuilen en paalkuilen, aangetroffen die in de Prehistorie en Middeleeuwen gedateerd kunnen worden. Op een enkele sporenconcentratie na, gaat het voornamelijk om verspreid liggende sporen en is er geen sprake van een hoge sporendichtheid. Op basis 14C-dateringen van houtskoolmonsters uit kuilen lijkt het terrein met name gedurende het Mesolithicum herhaaldelijk en gedurende een lange periode bezocht te zijn door middel van tijdelijke of eenmalige kampementen. De betreffende kuilen zijn haardkuilen met een vulling vermengd met houtskool, waarvan drie 14C-dateringen wijzen op het Vroeg-Mesolithicum, de overgang Vroeg- naar Midden-Mesolithicum, en het Laat-Mesolithicum.

Vervolgens lijken met name gedurende een deel van de periode van de Midden-Bronstijd tot en met de Vroege-IJzertijd activiteiten binnen het onderzoeksgebied te hebben plaatsgevonden in de nabijheid van of als onderdeel van een nederzetting uit deze periode. Een 14C-datering van houtskool uit een haardkuil wijst op het midden van de MiddenBronstijd. Tot slot lijkt er vanaf de Vroege-Middeleeuwen sprake te zijn van een min of meer continu agrarisch gebruik van het gebied als bouwland. Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek is geadviseerd om in die zones van het onderzoeksgebied waar bodemverstorende graafwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 70 centimeter beneden het maaiveld een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een opgraving, variant archeologische begeleiding. Voor het gehele plangebied is geadviseerd om de dubbelbestemming (Waarde Archeologie) te handhaven. Het is niet bekend of een vervolgonderzoek daadwerkelijk is uitgevoerd. Reysenbeckstraat (Archis3 onderzoeksmeldingsnummers 2153939100 en 2190591100) Circa 450 meter ten noordwesten van het plangebied is een bureau- en booronderzoek uitgevoerd. Op basis van de gegevens in het bureauonderzoek worden er archeologische resten verwacht uit alle periodes. De kans op het aantreffen van sporen/vondsten is hoog. Aanvullend is er een booronderzoek uitgevoerd.

De top van de bodem bestaat uit een grijsbruine of bruingrijze zandlaag die is geïn27

Benerink, 2019.

Rapport 15010.001 versie 1

Pagina 9 van 29

terpreteerd als een plaggendek. Deze horizont heeft een dikte van circa 65 tot 120 centimeter. Bij een deel van de boringen is onder de A-horizont een overgangslaag naar de C-horizont aangetroffen. Deze overgangslaag was circa 5 à 20 centimeter dik. De C-horizont bestaat uit donkergele dekzandafzettingen. Er zijn geen verstoringen waargenomen. Er is geadviseerd om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren.28 Bij het proefsleuvenonderzoek zijn geen sporen of vondsten aangetroffen. De afwezigheid van sporen/vondsten is te verklaren aan de hand van de bodemopbouw. De top van de het profiel bestaat uit de huidige bouwvoor. Hieronder bevindt zich een plaggendek met vermoedelijk een oude akkerlaag. De top van plaggendek is opgenomen in de huidige bouwvoor. Op een diepte van circa 80 centimeter is de C-horizont van de dekzandafzettingen aangetroffen. De aanwezigheid van een plaggendek wijst op het agrarisch gebruik. Buiten het plaggendek zijn geen sporen aangetroffen, die duiden op menselijke activiteiten in het verleden.29 Hoogveld-Oost (Archis3 onderzoeksmeldingsnummers 2035257100 en 2075652100) Circa 1000 meter ten noordoosten van het plangebied is een bureau-, boor- en proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. De locatie ligt op een hoge dekzandrug dat tijdens het Pleistoceen is gevormd. Ten westen en noordwesten van het plangebied bevindt zich de Groote Molenbeek.

Op basis van het bodemkundige gegevens wordt er een plaggendek verwacht dat sinds de Late-Middeleeuwen is opgebracht. De overgang van het beekdal naar de dekzandrug was zichtbaar als een helling waarbij het natuurlijke reliëf afgezwakt is omdat ook op de helling sprake is van een plaggendek. In het plaggendek zijn verschillende ophogingslagen te onderscheiden. De aangetroffen oude akkerlagen zouden kunnen wijzen op de aanwezigheid van een nederzetting. De oude akkerlaag is voornamelijk aanwezig in het noordelijk deel van de dekzandrug. Wanneer de oude akkerlaag ontbreekt, kan dit bekteken dat deze is opgenomen in de bouwvoor of dat de ophoging van jongere datum is. In de boringen en bij de oppervlaktekartering zijn enkele archeologische indicatoren aangetroffen, namelijk vuursteen, basaltlava, handgevormd aardewerk uit de IJzertijd of Romeinse tijd, Romeinse aardewerk en middeleeuws aardewerk. De verspreiding van het aardewerk uit de IJzertijd/Romeinse tijd vertoont een verdichting aan het noordwestzijde van het plangebied. Mogelijk wijst dit op de aanwezigheid van een nederzetting. Het middeleeuws aardewerk beneden het plaggendek in de oude akkerlaag kan in verband gebracht worden met de aanleg van het plaggendek. Huishoudelijk afval, zoals gebroken potten, werd vermengd met het mest uit de potstal dat vervolgens op het akker werd verspreid.

Het is ook mogelijk dat de schermen duiden op een nederzetting voorafgaand aan de aanleg van het plaggendek. Vanwege de aanwezigheid van twee mogelijke vindplaatsen, is geadviseerd om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren.30 In het zuidelijk deel van het plangebied is tijdens het proefsleuvenonderzoek een mesolithische vindplaats aangetroffen. De mesolithische vindplaats bestaat uit vuursteen, natuursteen en houtskool. De aardewerkscherven dateren uit de IJzertijd of Romeinse tijd. De vuursteen vondsten bestaan uit een klein aantal werktuigen, zoals spitsen, stekers, schrabbers, afslagen en klingen. Slechts 3% van het totaal aantal vuursteenvondsten betreft een werktuig. De meeste vondsten zijn afval van vuursteen bewerking. De vindplaats wordt geïnterpreteerd als een kortstondig bewoond open lucht kampje. Er is één haardkuil aangetroffen waar rondom vuursteenbewerking heeft plaatsgevonden. Er zijn geen sporen van hutten aangetroffen. De vindplaats bevindt zich op een typische locatie voor de jagers en verzamelaars tijdens het Mesolithicum, namelijk op de zuidoostelijke flank van een dekzandrug, vlakbij een beek.

28

Stiekema, 2007. De Ridder, 2008. 30 Polman, 1999. 29

Rapport 15010.001 versie 1

Pagina 10 van 29

Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn ook sporen van Romeinse bewoning aangetroffen. In één van de werkputten is een kringgreppel aangetroffen. De kringgreppel had een diameter van circa 9,25 meter en had aan de noordzijde een opening van circa 1 meter breed. De diepte van de greppel varieerde tussen 8-15 centimeter. In de greppel waren fragmenten handgemaakt aardewerk uit de IJzertijd of Romeinse tijd aanwezig. Er zijn geen resten van inhumatie of crematie aangetroffen. Verder zijn er twee erven uit de Romeinse tijd aangetroffen. Het zuidelijk gelegen erf bestaat uit een huisplattegrond van een woonstalboerderij (Alphen-Ekerentype) en een bijgebouw, mogelijk een schuur. De boerderij was 27,7 meter lang en 8 meter breed. Het woongedeelte had een lengte van circa 17 meter. Tussen het woongedeelte en de stal was een tussenwand geplaatst. De schuur had een lengte van 16,7 en was 7,8 meter breed. Op het erf waren ook nog enkele kleine paalgaatjes aanwezig. Deze behoren tot een aantal spiekers die door elkaar heen liggen. Ten noorden van het huis en de schuur is een 8- of 10-palige spieker aangetroffen. In de sporen van de boerderij, schuur en spiekers zijn fragmenten van Romeins aardewerk aangetroffen. Het tweede erf bestond uit een huisplattegrond met een breedte van circa 7,8 meter. De lengte is onbekend.

Ook deze plattegrond betreft een woonstalboerderij (Alphen-Ekerentype) met een tussenwand tussen het woon- en stalgedeelte. Op het erf zijn een mogelijke afvalkuil, een hutkom en een waterput aangetroffen. Tevens is er een schuur aangetroffen. De schuur had een afmeting van circa 14,5 bij 4,5 meter. Op basis van het aardewerk dat is aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek dateert deze nederzetting uit de tweede helft van de Midden-Romeinse tijd tot mogelijk het begin van de Laat-Romeinse tijd. De nederzetting bevindt zich op de hoogste delen van de dekzandrug. Bij het gravend onderzoek is een goed beeld van de bodemopbouw verkregen. In het profiel zijn vier pakketten aangetroffen. De onderste laag bestaat uit een oud dekzandoppervlakte. In dit dekzand heeft zich een podzolbodem ontwikkeld. De podzol bestaat uit een zwarte Ah-horizont, een lichtgrijze E-horizont en een bruine Bh-horizont, die vervolgens overgaat naar een C-horizont, de dekzandafzetttingen. Op de podzol is een pakket stuifzand afgezet. In het stuifzand heeft zich wederom een bodem ontwikkeld. Er is een Ah-horizont in het stuifzand zichtbaar. Onder de Ah-horizont bevindt zich een E- en B-horizont. Vervolgens heeft een zandverstuiving plaatsgevonden. Wederom is er een podzol gevormd, bestaande uit een Ah-, E-, en B-horizont.

De Mesolithische vindplaats is aangetroffen in de lichtgrijze E-horizont, de uitspoelingslaag, dat behoort tot het podzolprofiel dat zich heeft gevormd in het dekzand, op circa 1 meter beneden het maaiveld. De sporen uit de Romeinse tijd bevinden zich circa 50 tot 70 centimeter beneden het maaiveld.31 Conclusie Op basis van de resultaten van eerder uitgevoerd archeologische onderzoeken is het duidelijk welke delen van de omgeving van het plangebied aantrekkelijk waren voor bewoning. De Mesolithische vindplaatsen bevindt zich op een typische locatie op een rand van een beekdal of laagten (gradiënt zones) in het dekzandlandschap. Op de hoge dekzandrug zijn (bewonings)resten uit de LateBronstijd, IJzertijd, Romeinse tijd, Vroege-Middeleeuwen, Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd aangetroffen. De locatie van de vindplaatsen komt overeen met de landschappelijke situatie van het plangebied, namelijk op een hoge dekzandrug met een plaggendek, en vaak met een gradiënt zone of een glooiing naar een lager gelegen beekdal. In het plangebied wordt dan ook een plaggendek met hieronder dekzandafzettingen verwacht. Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied32 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan 15 vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en figuur 8). 31 32

Verhoeven, 2002. Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort.

Rapport 15010.001 versie 1

Pagina 11 van 29

De meeste vondsten zijn aangetroffen tijdens de proefsleuvenonderzoeken ter plekke van het ontwikkelingsgebied ‘Uitbreiding Hegelsom, Fase1’ (direct ten zuidwesten van het onderhavige plangebied), Hoogveld-Oost en Reysenbeckstraat. De vondsten zijn te relateren aan tijdelijke kampementen, permanente bewoning en andere activiteiten, die bijvoorbeeld met landbouw samenhangen. De vuursteen werktuigen, afval en (haard)kuilen uit het Mesolithicum wijzen op de aanwezigheid van tijdelijk kampementen. De vondsten uit de Romeinse tijd wijzen niet alleen op bewoning, maar kunnen ook enige informatie over de economie/handel geven. Op de erven uit de Romeinse tijd, die in bovenstaande paragraaf zijn beschreven, zijn vondsten van onder andere terra sigillata, Belgisch/GalloBelgisch aardewerk en dikwandige amforen aangetroffen. Dit wordt als import aardewerk gezien, wat betekend dat de inwoners van de nederzetting aan Hoogveld-Oost toegang hadden tot een handelsnetwerk. De overige registreerde vondsten zijn gerelateerd aan agrarisch gebruik. Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek is een aantal wetenschappelijke publicaties geraadpleegd. De resultaten van deze onderzoeken zijn beschreven in bovenstaande paragraaf.

In het kader van dit bureauonderzoek is het archief van de gemeente Horst aan de Maas (bouwhistorische gegevens/bouwdossiers) geraadpleegd (zie paragraaf 2.7). Er is geen contact gezocht met het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Limburg. Er is contact gezocht met de het LGOG Ter Horst en de Stichting Heemkunde Hegelsom (zie onderstaande paragraaf). 2.7

Beschrijving van het historische gebruik

In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Korte bewoningsgeschiedenis van Hegelsom Hegelsom werd aan het eind van de 19e eeuw gesticht als heide-ontginningsdorp. Begin van de 20e eeuw ontstond de dorpskern. Meer precies is het dorp Hegelsom ontstaan in de periode 1929 tot 1933 uit de buurtschappen Voor-America (“De Hei”) en Hegelsom (omgeving Stationsstraat en “D’n Diek”). Een lagere school werd in 1930 en de kerk in 1933 gebouwd. Het dorp kende hoofdzakelijk een agrarische economie met veel kippenbedrijven en bonenteelt (staakbonen). Omstreeks 1965 werd aan de Stationsstraat een pluimveevakschool gesticht. Dit is de voorloper van het voormalige agrarische opleidingscentrum dat zal worden her bestemd voor wonen/detailhandel. Het agrarisch opleidingscentrum is circa drie jaar geleden gesloten.

Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt (zie figuur 9 tot en met 16):

Rapport 15010.001 versie 1

Pagina 12 van 29

Tabel III.

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal

Bron

Periode

Kaartblad

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Tranchot und v. Müffling kaart33

1801-1828

25 Horst

1:20.000

Heidegebied

Oude Holstraat loopt van zuid naar noord door het plangebied

Kadastrale minuut34

1821

Oostelijk deel plangebied = minuutplan Horst, Limburg, sectie C, blad 04 (MIN11043C0 4)

1:2.500

Heidegebied (?), hoewel binnen plangebied kleinere, mogelijk landbouwpercelen worden aangegeven

Oude Holstraat loopt van zuid naar noord door het plangebied; direct ten westen langs de Oude Holweg en in het zuidoostelijke deel van het plangebied staan twee gebouwen weergegeven

Westelijk deel plangebied = minuutplan Horst, Limburg, sectie D, blad 02 (MIN11043D0 2) Militaire topografische kaart35 (nettekening)

1823-1829

1:50.000

Heidegebied

Voorloper Stationsstraat tussen Sevenum en Horst reeds weergegeven; Hegelsom als nederzetting bestaat nog niet

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1850

1:50.000

Heidegebied

Wegenpatroon van voorloper Stationsstraat, Oude Holstraat en voorloper Pastoor Debijestraat reeds weergegeven; Oude Holstraat loopt door plangebied van zuid naar noord; gebouwen aanwezig in centraal en zuidoostelijke deel van plangebied; gebouw aanwezig direct ten noorden van plangebied en Pastoor de Bijestraat, en gebouw in zuidelijke deel van plangebied langs Oude Holstraat; Hegelsom als dorp nog niet tot ontwikkeling gekomen

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1899

1:50.000

Landbouwgebied, waarschijnlijk akkerland

Wegenpatroon van Stationsstraat, Oude Holstraat en voorloper Pastoor Debijestraat weergegeven; Oude Holstraat loopt door plangebied van zuid naar noord; gebouw aanwezig in zuidoostelijke deel van plangebied langs Oude Holstraat; gebouwen aanwezig direct ten noorden van plangebied en Pastoor Debijestraat; Hegelsom als dorp nog niet tot ontwikkeling gekomen

33

Beeldbank Vrije Universiteit. Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het kadastrale minuutplan is niet afgebeeld in deze rapportage. 35 Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel). 34

Rapport 15010.001 versie 1

Pagina 13 van 29

Topografische kaart

1955

1:50.000

Landbouwgebied, waarschijnlijk akkerland; aan noordwest zijde waarschijnlijk weidegrond

Wegenpatroon van Stationsstraat, Oude Holstraat en Pastoor Debijestraat weergegeven; Oude Holstraat loopt door plangebied van zuid naar noord; gebouwen aanwezig in zuidoostelijke deel van plangebied; gebouwen aanwezig direct ten noorden van plangebied en Pastoor Debijestraat.

Topografische kaart

1970

1:50.000

Landbouwgebied aan zuidwest zijde; grasland; pluimveevakschool/agrarische opleidingscentrum

Wegenpatroon van Stationsstraat, Oude Holstraat en Pastoor Debijestraat weergegeven; Oude Holstraat loopt door plangebied van zuid naar noord; meerdere gebouwen gerealiseerd binnen plangebied (pluimveevakschool; voormalige agrarische opleidingscentrum)

Topografische kaart

1980

1:25.000

pluimveevakschool/agrarische opleidingscentrum

Wegenpatroon van Stationsstraat, en Pastoor Debijestraat weergegeven; Oude Holstraat verdwenen; nieuw wegenpatroon binnen plangebied (toegangswegen tot gebouwen); meerdere gebouwen gerealiseerd binnen plangebied (pluimveevakschool; voormalig agrarische opleidingscentrum)

Topografische kaart

2015

1:25.000

pluimveevakschool/agrarische opleidingscentrum

Wegenpatroon van Stationsstraat, en Pastoor Debijestraat weergegeven; oorspronkelijke Oude Holstraat verdwenen; nieuw wegenpatroon binnen plangebied (toegangswegen tot gebouwen); meerdere gebouwen gerealiseerd binnen plangebied (voormalig agrarische opleidingscentrum)

Uitgaande van de Tranchot und v. Müffling kaart uit 1801-1828 bestond het plangebied aan het eind van de 18e en het begin van de 19e eeuw uit heide. Wel liep de Oude Holstraat door het plangebied, die een verbinding vormde tussen Sevenum en Horst. In het noordelijke deel van het plangebied vormde deze weg een kruising van een oostwest lopende straat, op de locatie van de huidige Pastoor Debijestraat. Op het Kadastrale Minuutplan uit 1821 is een identiek wegenpatroon zichtbaar. Wel is het plangebied ingedeeld in meerdere percelen. Op de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel (OAT) worden deze als bouwland aangegeven. 36 Tevens worden aan de zuidoost zijde van het plangebied, direct grenzend aan de westkant van de Oude Holstraat twee gebouwen weergegeven. Mogelijk dat één van de gebouwen de langgevelboerderij is op basis van de informatie ontvangen van de Stichting Heemkunde Hegelsom (zie paragraaf hieronder: aanvullende informatie). Ten noorden van het plangebied en de huidige Pastoor Debijestraat zijn ook enkele gebouwen zichtbaar. Op de Militaire Topografische kaart uit 1823-1829 lijkt het plangebied uit heidegebied te bestaan, en wordt de voorloper van de Stationsstraat, die waarschijnlijk ter hoogte van het plangebied de Oude Holstraat volgde weergegeven. Deze kaart is echter relatief onnauwkeurig.

Op de Militaire Topografische kaart uit 1850 worden de Oude Holstraat en de kruising van op de locatie van de huidige Pastoor Debijestraat weergeven. In het zuidoostelijke en centrale deel van het plangebied is bebouwing zichtbaar, en te36 Kadastrale Minuutplan: oorspronkelijke aanwijzende tafel (OAT) Horst, Limburg, sectie D, blad 029 (OAT11043D029).

Rapport 15010.001 versie 1

Pagina 14 van 29

vens direct ten noorden van het plangebied. De kaart is te onnauwkeurig om uitspraken te doen over typen landgebruik binnen het plangebied. Op de Militaire Topografische kaart uit 1899 is een gebouw weergegeven in het zuidoostelijke deel van plangebied, langs de Oude Holstraat. Tevens staan meerdere gebouwen weergegeven direct ten noorden van plangebied en de Pastoor Debijestraat. Het centraal gelegen gebouw is in 1899 verdwenen. De loop van de huidige Stationsstraat, direct te oosten van de Oude Holstraat, is dan ook gerealiseerd. Mogelijk dat het plangebied voor akkerbouw in gebruik was. Op de Topografische kaart uit 1955 kan een onderscheid gemaakt worden tussen akkerland en weidegrond in het noordwestelijke deel van het plangebied. De Oude Holstraat is nog aanwezig en twee gebouwen worden weergegeven in het zuidoostelijke deel van het plangebied langs de Oude Holstraat. Vanaf 1970 verschijnen meerdere gebouwen binnen het plangebied. Deze gebouwen behoren tot de pluimveevakschool, de voorloper van het voormalige agrarische opleidingscentrum. In 1980 zijn er weer meerdere gebouwen binnen het plangebied bijgekomen en is een nieuw stratenpatroon aangelegd tussen de gebouwen. De Oude Holstraat is dan verdwenen, waarschijnlijk als gevolg van het nieuwe stratenpatroon dat toegang geeft tot de verschillende gebouwen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11391767/1