11A.c5 Bijlage 5 Archeologisch bureauonderzoek De Steegh
Tekst van het document
Door ploegen, plant- en rooiwerkzaamheden, bouw- en sloopactiviteiten alsook door de stroming van de beek kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden mogelijk verloren zijn gegaan. 2.9
Conclusie bureauonderzoek
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Uit de landschappelijke ligging blijkt dat het plangebied in het Paleolithicum ongunstig is geweest voor jagers en verzamelaars maar in het Mesolithicum wel geschikt was. Het plangebied heeft voor archeologische resten uit het Paleolithicum dien ten gevolge een lage verwachting terwijl het voor archeologische resten uit het Mesolithicum een hoge verwachting heeft. Voor de perioden Neolithicum tot en met Late-Middeleeuwen zal het plangebied ongeschikt zijn geweest als vestigingsplaats voor landbouwers. Wel kunnen er in deze perioden rituele deposities in het plangebied terecht gekomen zijn waardoor deze perioden een middelhoge verwachting krijgen. Voor de Late-Middeleeuwen is de verwachting laag, de slechte afwatering zal het plangebied geen gunstige vestigingslocatie hebben gemaakt. Voor de Nieuwe tijd is de verwachting middelhoog aangezien niet uitgesloten kan worden dat het erf van bebouwing ten noordoosten van het plangebied uit de tweede helft van de 19e eeuw, doorliep tot in het plangebied. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen.
Gezien de omvang van het plangebied, de aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond in een deel van het plangebied en de te verwachten resten (puntlocaties) is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.
40
Kars & Smit, 2003.
Rapport 14074.002 versie 1
Pagina 14 van 20
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 11 november 2020 door drs. A.H. Schutte (Senior KNA Prospector) een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) zes boringen tot maximaal 2,2 meter -mv gezet (Figuur 10). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. 41 De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden) en de maaiveldhoogte is afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 3.3
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 8 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kunnen de hoofdlijnen van de opbouw van de bodemde bodemopbouw als volgt worden weergegeven. In het gehele plangebied komt geen hoge bruine enkeerdgronden voor, de A-horizont is niet dikker dan 30 centimeter (bij boring 6 is deze zelfs 20 centimeter dik). Onder de bouwvoor is bij alle boringen een verstoorde laag aangetroffen van 10 (boring 6) tot 45 (boring 1) centimeter dik. Bij boringen 4 en 5 is deze laag zwak baksteenhoudend. Bij boringen 1, 2, 3 en 6 ligt hieronder de Cg-horizont, die grindhoudend is. Bij boring 3 is onder de Cg-horizont nog een gleyloze C-horizont aangetroffen. Boringen 4 en 5 hadden een geheel afwijkende bodemopbouw, deze liggen op de plaats van de oude beek die door het plangebied heen liep en tussen 1927 en 1936 op zijn huidige plek is komen te liggen. Bij boring 4 is onder een 80 centimeter dik geroerd pakket een 15 centimeter dik laagje veen aangetroffen, mogelijk de oude beekbodem, met hieronder een 15 centimeter dik laagje zand. Onder dit laagje zand ligt een 90 centimeter dik pakket veen met daaronder grindig zand. Bij boring 5 is onder een 45 centimeter dik geroerd pakket een 10 centimeter dikke laag verstoord veen aangetroffen met hieronder een 35 centimeter dikke laag verstoord zand.
Onder het verstoorde zand ligt een 130 centimeter dik pakket veen. 41
Bosch, 2005.
Rapport 14074.002 versie 1
Pagina 15 van 20
Het aangetroffen veen kan zijn ontstaan in de oude beekloop, maar omdat beeklopen vaak in oude Maasarmen lopen kan het ook zijn ontstaan in de periode dat de Maas (periodiek) door het plangebied heen stroomde. Het kan ook zijn dat het onderste veenpakket is ontstaan in de oude Maasarm, daarna bedekt is geraakt met zand en vervolgens dat er in de beek veen is gevormd. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. 3.4
Conclusie veldonderzoek
Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Uit de boringen blijkt dat het plangebied een verstoorde bodemopbouw heeft van wisselende diepte onder maaiveld (boring 1 tot 75 centimeter, boring 2 tot 45 centimeter, boring 3 tot 60 centimeter, boring 4 tot 80 centimeter, boring 5 tot 90 centimeter en boring 6 tot 30 centimeter). Bij boringen 1, 2, 4 en 6 ligt hieronder direct een grindige Cg-horizont (Maasafzettingen) maar bij boringen 4 en 5 ligt hieronder veen (beek en/of Maasafzettingen).
4
CONCLUSIE EN ADVIES
Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de aanwezigheid van een oude Maasgeul en een beek de kans daarop. Daarnaast blijkt uit historisch kaartmateriaal dat mogelijk een erf ten noordoosten van het plangebied doorloopt in het plangebied. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De aangetroffen bodemopbouw is van dien aard dat de verwachting voor het Mesoilithicum kan worden bijgesteld naar laag. De bodem van het plangebied is dermate verstoord dat resten uit deze periode, die zich vooral kenmerken door vuursteenstrooiingen aan het oppervlak, verstoord zullen zijn. In het veen dat bij boringen 4 en 5 is aangetoond kunnen nog wel rituele deposities voorkomen uit het Neolithicum tot en met Vroege-Middeleeuwen, de middelhoge verwachting blijft hierdoor voor deze perioden gehandhaafd (zie figuur 11). Deze resten liggen echter wel op grote diepte, op 80 centimeter bij boring 4 en op 90 centimeter bij boring 5. Daarnaast gaat het hier om puntlocaties die alleen opgespoord kunnen worden door middel van een proefsleuvenonderzoek (variant archeologische begeleiding) en dit zal alleen noodzakelijk zijn als er grootschalige ontwikkelingen gaan plaats vinden ter plaatsen van de oude beek.
Deze zijn hier niet gepland dus voor dit deel van het plangebied adviseert Econsultancy een dubbelbestemming archeologie waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden bewaard. Hiertoe dienen beschermende regels in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Over de middelhoge verwachting voor resten uit de Nieuwe tijd kan het booronderzoek geen duidelijkheid verschaffen; dat kan een verkennend booronderzoek zelden doordat bodemverstoringen kunnen wijzen op sporen en de kans op aantreffen van vondsten klein is. De vraag blijft of de bebouwing in de laatste helft van de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw, zoals weergegeven op de historische kaarten van 1895 tot 1936, inderdaad doorliep tot in het plangebied of dat dit een cartografische
Rapport 14074.002 versie 1
Pagina 16 van 20
fout is en het erf altijd op de plek heeft gelegen waar het nu ligt. Om dit te kunnen vaststellen zou een karterende vervolg fase noodzakelijk zijn, ons advies is dit door middel van een karterend booronderzoek te doen. Dit karterend booronderzoek zou zich dan alleen hoeven te richten op dat deel van het plangebied aansluitend op het historische erf (zie figuur 11), wat ongeveer 100 m 2 is. Bij het karterend booronderzoek dienen vijf boringen te worden gezet waarna het opgeboorde materiaal bodemkundig wordt beschreven en de archeologisch relevante bodemlagen worden gezeefd met behulp van een zeef met een maaswijdte van 4 mm. Het zeefresidu wordt geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem, bot etc. Door middel van het karterend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn. Voor de rest van het plangebied wordt vrijgave geadviseerd. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit.
Mochten tijdens de graafwerkzaamheden in die delen van het plangebied waar vrijgave voor is geadviseerd toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed42).
42 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 14074.002 versie 1
Pagina 17 van 20
LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Berg, M.W. van den, 1996: Fluvial sequences of the Maas; a 10 Ma record of neotectonics and climate change at various time-scales. Thesis, Landbouw Universiteit Wageningen. Boots, G.J., 2013: Archeologisch bureauonderzoek Hoofdstraat 38 te Lottum in de gemeente Horst aan de Maas. Econsultancy rapport HOR.ARV.ARC 13071557. Swalmen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Doesburg, J. van (red.), et al., 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. Amersfoort 2007. Fontijn, D.R., 2002: Sacrificial Landscapes. Cultural biographies of persons, objects and ‘natural’ places in the Bronze Age of the Southern Netherlands, c. 2300-600 BC. Analecta Praehistorica Leidensia 33/34. Heeringen, R.M. van & R. Schrijvers, 2009: Toelichting op de archeologische maatregelenkaart van de gemeente Horst aan de Maas (Vestigiarapport V585). Heeringen R.M. van & R.
Schrijvers, 2015: Actualisatie van de archeologische maatregelenkaart van de gemeente Horst aan de Maas. Vestigia rapport V1188. Amersfoort. Isarin, R., E. Rensink, R. Ellenkamp & E. Heunks 2015: Archeologische Verwachtingskaart Maasdal tussen Mook en Eijsden. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Kars, H. & A. Smit (red.), 2003: Handleiding Fysiek Behoud Archeologisch Erfgoed. Degradatiemechanismen in sporen en materialen. Monitoring van de conditie van het bodemarchief. Amsterdam (Geoarchaeological and Bioarchaeological Studies, 1). Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen.
Rapport 14074.002 versie 1
Pagina 18 van 20
Paulussen, R., 2011: Zandterweg, Lottum. Gemeente Horst aan de Maas. Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O); Bureauonderzoek, oppervlaktekartering en verkennend/karterend booronderzoek. ArcheoPro Archeologisch rapport Nr. 11044. Maastricht. RACM, 2008: Beekdalen en archeologie. Brochure Cultuurhistorie 12. Renes, J., 1999: Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg. Eisma, Leeuwarden. Stichting voor Bodemkartering, 1975: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 52 Oost/Venlo. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
Rapport 14074.002 versie 1
Pagina 19 van 20
BRONNEN AHN; internetsite, november 2020. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, november 2020. https://archis.cultureelerfgoed.nl Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG), internetsite, november 2020. http://bagviewer.kadaster.nl Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureelerfgoed; internetsite, november 2020 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Beeldbank Vrije Universiteit; internetsite, november 2020. http://imagebase.ubvu.vu.nl/cdm/compoundobject/collection/krt/id/5629/rec/1 Dinoloket; internetsite, november 2020. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, november 2020. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, november 2020. http://www.topotijdreis.nl/ Provinciaal Omgevingsplan Limburg; internetsite, november 2020. https://www.limburg.nl/onderwerpen/cultuur/erfgoed/archeologie/arch-onderzoek/ Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, november 2020. https://pdokviewer.pdok.nl Ruimingskaart; internetsite, november 2020. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, november 2020. https://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, november 2020. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/
Rapport 14074.002 versie 1
Pagina 20 van 20
Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland43
De Steegh te Lottum. Situering van het plangebied binnen Nederland Legenda Plangebied
43 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)
Rapport 14074.002 versie 1
Figuur 2. Detailkaart van het plangebied44
De Steegh te Lottum. Detailkaart van het plangebied Legenda Plangebied
44 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)
Rapport 14074.002 versie 1
Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied45
De Steegh te Lottum. Luchtfoto van het plangebied Legenda Plangebied
45 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)
Rapport 14074.002 versie 1
Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de maatregelenkaart46
De Steegh te Lottum. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart gemeente Horst aan de Maas Legenda Plangebied
46
Heeringen & Schrijvers, 2015.
Rapport 14074.002 versie 1
Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart47
De Steegh te Lottum. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart
Plangebied
47
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 14074.002 versie 1
Figuur 6. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) 48
De Steegh te Lottum. Situering van het plangebied binnen Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Legenda Plangebied
48
AHN
Rapport 14074.002 versie 1
Figuur 7. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart49
De Steegh te Lottum. Situering van het plangebied binnen de bodemkaart Legenda Plangebied
49
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 14074.002 versie 1
Figuur 8. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied 50
De Steegh te Lottum. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN) Plangebied
50
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 14074.002 versie 1
Figuur 9. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten
Situatie 1805 (bron: Beeldbank Vrije Universiteit)
Situatie 1821(bron: Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)
Situatie 1895 (bron: Kadaster Topotijdreis)
Situatie 1927 (bron: Kadaster Topotijdreis)
Situatie 1936 (bron: Kadaster Topotijdreis)
Situatie 1958 (bron: Kadaster Topotijdreis)
De Steegh te Lottum. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Legenda Plangebied
Rapport 14074.002 versie 1
Situatie 1967 (bron: Kadaster Topotijdreis)
Situatie 1979 (bron: Kadaster Topotijdreis)
Situatie 1994 (bron: Kadaster Topotijdreis)
Situatie 1999 (bron: Kadaster Topotijdreis)
Situatie 2006 (bron: Kadaster Topotijdreis)
De Steegh te Lottum. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Legenda Plangebied
Rapport 14074.002 versie 1
Figuur 10. Boorpuntenkaart
De Steegh te Lottum. Boorpuntenkaart Legenda Plangebied Boorpunt met nummer
Rapport 14074.002 versie 1
Figuur 11. Advieskaart
De Steegh te Lottum. Advieskaart Legenda Plangebied Enkelbestemming wonen (vrijgave geadviseerd) Enkelbestemming agrarisch met waarden (vrijgave geadviseerd) Bouwvlak voor hoofdgebouw (20 x 20 meter) buiten het bouwvlak mag maximaal 600 m2 aan bijgebouwen worden gerealiseerd Advies vervolgonderzoek karterend booronderzoek erf Advies behoud in situ beekloop
Rapport 14074.002 versie 1
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 14074.002 versie 1
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
1950
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
Atlanticum warm vochtig
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 14074.002 versie 1
Bijlage 2 AMK nr. 16288
16291
AMK-terreinen
Locatie
Datering
Waarde en omschrijving
250 meter ten oosten van het plangebied Lottum te Lottum Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 208839/385979
Middeleeuwen laat Nieuwe tijd
275 meter ten zuidoosten van het plangebied Den Hoek; Wielder te Lottum Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 208402/385257
Middeleeuwen laat Nieuwe tijd
Complex: Kasteel, Nederzetting Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde Terrein met de oude dorpskern van Lottum. Op de AMK zijn historische dorpskernen en clusters oude bebouwing als gebieden van hoge archeologische waarde aangegeven. Dit is op grond van het belang van deze locaties, waar de wortels van de huidige dorpen of steden kunnen liggen. De begrenzing van deze kernen is gebaseerd op 19e-eeuwse en vroeg 20e-eeuwse kaarten. Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300 AD) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn. Bedacht dient echter te worden dat de bewoning in de Vroege en Volle Middeleeuwen (tot circa 1300 AD) een meer dynamisch karakter gehad kan hebben en dat de plaats en grens ervan niet perse hoeft samen te vallen met die van de latere bewoning. Complex: Nederzetting Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde Terrein met de oude dorpskern van Den Hoeck . Op de AMK zijn historische dorpskernen en clusters oude bebouwing als gebieden van hoge archeologische waarde aangegeven. Dit is op grond van het belang van deze locaties, waar de wortels van de huidige dorpen of steden kunnen liggen. De begrenzing van deze kernen is gebaseerd op 19e-eeuwse en vroeg 20e-eeuwse kaarten.
Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300 AD) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn. Bedacht dient echter te worden dat de bewoning in de Vroege en Volle Middeleeuwen (tot circa 1300 AD) een meer dynamisch karakter gehad kan hebben en dat de plaats en grens ervan niet perse hoeft samen te vallen met die van de latere bewoning.
Rapport 14074.002 versie 1
Bijlage 3 Zaaknummer (OMnummer) 2414556100 (57890)
Onderzoeksmeldingen
Locatie
Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek
175 meter ten zuidoosten van het plangebied Hoofdstraat 38 te Lottum Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 208545/385687
Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 12-8-2013 Resultaat: De archeologische verwachting voor het Laat-Paleolithicum is laag. De archeologische verwachting voor het Mesolithicum tot en met de Nieuwe tijd is hoog. Econsultancy adviseert om bij toekomstige bodemingrepen inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een verkennend booronderzoek, teneinde de op basis van het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde verwachting aan te vullen en te toetsen. Tevens is het inventariserend veldonderzoek bedoeld om kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek en kansarme zones ervan uit te sluiten. Ook dient het verkennend booronderzoek om een betrouwbaar beeld te krijgen van de mate van intactheid van het bodemprofiel. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Archeopro Datum: 28-1-2009 Resultaat: Het verloren gaan van de oorspronkelijke bodem en het ontbreken van archeologische indicatoren, betekent dat het verrichte onderzoek geen aanleiding geeft om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten Datum: 12-11-2007 Resultaat: Vrijgeven.
Een groot deel van het oude plangebied ligt vermoedelijk in een oud beekdal, dat in vroegere tijden niet aantrekkelijk was voor bewoning. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Archeopro Datum: 1-5-2011 Resultaat: Op 26 april 2011 is door ArcheoPro een Inventariserend Veldonderzoek Overig (IVO-O) uitgevoerd op een terrein aan de Zandterweg te Lottum. Het archeologisch onderzoek betrof een Inventariserend Veldonderzoek Overig (IVO-O) met bureaustudie. Bureauonderzoek heeft tot doel om op basis van beschikbare informatie te komen tot een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel. Het Inventariserend Veldonderzoek heeft vervolgens tot doel om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen door middel van veldwaarnemingen. Hiermee kan de vraagstelling beantwoord worden of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of deze vervolgonderzoek en/of planaanpassing vereisen. Het plangebied ligt ten zuidwesten van Lottum, op een dalvlakteterras langs de rand van een Laat-Glaciale stroomgeul van de Maas. De betreffende geul is niet watervoerend.
Op basis van de bekende gegevens omtrent archeologische waarden in het gebied en de landschappelijke situering moet worden geconcludeerd dat voor het met name het noordelijke deel van het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt voor archeologische resten daterend uit alle perioden vanaf het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen. Op basis van het vondstenspectrum binnen het onderzoeksgebied geldt een bijzondere verwachting geldt ten aanzien van nederzettingen uit de IJzertijd. Om de kans op het aantreffen van archeologische indicatoren zo groot mogelijk te maken is een vlakdekkende oppervlaktekartering uitgevoerd. Aanvullend zijn binnen het plangebied zeven grondboringen gezet met behulp van een edelmanboor met een diameter van vijftien centimeter. Tijdens de oppervlaktekartering zijn op twee plaatsen archeologische indicatoren aangetroffen waaronder twee artefacten (schrabbers) van Rijckholtvuursteen. Uit het verrichte booronderzoek blijkt dat de bodem ondanks het ontbreken van een esdek met name binnen het oostelijke deel van het plangebied niet of slechts in zeer geringe mate is verstoord. Tevens zijn in vier boringen onder de ploegvoor archeologische indicatoren aangetroffen bestaande uit verbrande leem, houtskool en twee stuks natuursteen, vermoedelijk fragmenten van kookstenen.
De resultaten van het onderzoek geven voldoende aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Binnen het plangebied kunnen behoudenswaardige resten van nederzettingssporen voorkomen. Aanbevolen wordt om door middel van proefsleuven na te gaan of er binnen het oostelijke deel van het plangebied nederzettingssporen aanwezig zijn en zo ja, in hoeverre deze behoudenswaardig zijn. Het proefsleuvenonderzoek dient enkel te worden uitgevoerd op basis van een vooraf door de gemeente Horst aan de Maas goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).
2230086100 (33110)
270 meter ten zuidoosten van het plangebied te Lottum Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 208572/385576
2173646100 (25076)
315 meter ten noordoosten van het plangebied Horst Aan De Maas, Lottum, Horsterdijk te Lottum Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 208507/386201
2326939100 (46410)
360 meter ten zuidwesten van het plangebied te Lottum Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207961/385577
2446640100 (61990)
390 meter ten oosten van het plangebied Dijkversterking Lottum te Lottum
Rapport 14074.002 versie 1
Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Buro de Brug BV Datum: 10-6-2014
4016939100
4552243100
Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 209137/386124 455 meter ten oosten van het plangebied te Lottum Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 209233/386021
455 meter ten oosten van het plangebied te Horst aan de Maas Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 209262/386014
Rapport 14074.002 versie 1
Resulaat: Niet vermeld in Archis Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 12-9-2016 Resultaat: Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om de onverstoorde delen van het plangebied waar een terrasrug is aangetroffen nader te onderzoeken door middel van een IVO karterende en waarderende fase, proefsleuven (IVO-P). Behoud van de archeologische vindplaats bij een niet aangepaste uitvoering van de huidige plannen is, gezien de geringe diepteligging en de kwetsbaarheid van de archeologische resten, niet mogelijk. Voor de gebieden in de Holocene restgeul waar archeologische waarden worden verwacht die samenhangen met natte gebieden (overgangen, rituele dumps etc.) is een proefsleuvenonderzoek of archeologische begeleiding geen geschikte onderzoeksmethode vanwege het voorkomen in puntslocaties. Voor deze gebieden wordt geadviseerd om een archeologische inspectie uit te voeren nadat de te ontgraven vlakken zijn aangelegd. Tevens wordt geadviseerd om voorafgaand aan de graafwerkzaamheden in een toolboxmeeting de uitvoerders in het veld in te lichten over de mogelijkheid voor het aantreffen van archeologische waarden en hoe ze daar mee om moeten gaan. Voor de overige, sterk verstoorde gebieden, wordt geadviseerd om deze vrij te geven.
Binnen het vrijgegeven deel van het plangebied, waar het bodemprofiel is verstoord en waar dus geen archeologische waarden worden verwacht, wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 10-7-2017 Resultaat: In totaal zijn er 12 proefsleuven aangelegd in beide deelgebieden (Grubbenvorst: werkputten 1-5 en 18; Lottum: werkputten 5-11). Hierbij zijn bij Grubbenvorst enkele sporen uit de Volle-Middeleeuwen aangetroffen (vindplaats 1), terwijl bij Lottum een nederzetting uit de Vroege-Middeleeuwen is gevonden (vindplaats 2). Aangezien het hier om een behoudenswaardige vindplaats ging, is besloten om deze binnen de grenzen van het plangebied verder te onderzoeken door middel van een opgraving. Een eerste deel van de opgraving heeft plaatsgevonden meteen aansluitend aan de tweede fase van het proefsleuvenonderzoek in februari 2018. Een laatste (derde) fase van het onderzoek heeft ten slotte plaatsgevonden in mei 2018. In totaal is circa 3350 m² onderzocht. Tenslotte, zijn er tijdens werkzaamheden nabij de kerk van Grubbenvorst bij toeval nog enkele muurresten aangetroffen.. Het selectieadvies luidt: binnen de grenzen van het plangebied worden geen archeologische resten meer verwacht.
Het plangebied kan daarom worden vrijgegeven en de archeologische verwachting kan komen te vervallen. Wel wordt geadviseerd om gezien de grote waarde en gaafheid van de vindplaats te Lottum en het feit dat de vindplaats buiten de grenzen van het plangebied doorloopt, de directe omgeving van de als gemeentelijk monument aan te wijzen.
Bijlage 4
Vondstmeldingen
Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 2861896100 (29135)
Locatie
Omschrijving
250 meter ten noordwesten van het plangebied Schaapsweg te Onbekend Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 208000/386000
Neolithicum : - 2 fragmenten van stenen beitels
2861871100 (29132)
2173646100 (430519)
2326939100
2932779100 (40617)
3269974100 (430515)
3091457100 (15614)
2849681100 (27308)
2692621100 (1417)
4552243100
300 meter ten westen van het plangebied Zwanenheike te Lottum Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 207925/385800 350 meter ten noordoosten van het plangebied te Lottum Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 208530/386215 400 meter ten zuidwesten van het plangebied Zandterweg te Lottum Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 207963/385563 550 meter ten noordoosten van het plangebied Kerk te Lottum Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 208860/386170 550 meter ten oosten van het plangebied te Lottum Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 208880/386050 600 meter ten noordoosten van het plangebied Kerkhof te Lottum Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 208870/386170 850 meter ten noorden van het plangebied Homberg te Lottum Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 208000/386750
900 meter ten oosten van het plangebied De Bengelt te Lottum Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 209250/385710 950 meter ten oosten van het plangebied te Lottum Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 209288/386031
Neolithicum - IJzertijd : - 2 fragmenten van maalstenen Neolithicum - Romeinse tijd : - handgevormd aardewerk - kuil, - crematieresten - houtskool Neolithicum : - fragment van een vuursteen bijl
Vroege-Middeleeuwen : - handgevormd aardewerk Nieuwe tijd : - 10 fragmenten van gedraaid aardewerk PREH : - 2 fragmenten van vuursteen schrabbers Neolithicum - Nieuwe tijd : - fragment van huttenleem/verbrande leem Romeinse tijd : - koperen munt, aes 3 of 4:(halve) centenionalis?
Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - waterput
Neolithicum - Bronstijd : - fragment van een stenen bijl
Paleolithicum - IJzertijd : - vuursteen afslagen - fragment van een vuursteen schrabber Neolithicum : - fragment van een vuursteen kling Vroege-Middeleeuwen : - fragment van gedraaid aardewerk
Romeinse tijd : - 3 greppels/sloten Romeinse tijd – Vroege-Middeleeuwen : - 16 kuilen, - 5 fragmenten van hutkommen - 128 paalgaten - spieker/graanschuur Vroege-Middeleeuwen : - huisplattegrond - 3 greppels/sloten - spieker/graanschuur - waterput
2060650100 (411695)
Rapport 14074.002 versie 1
1000 meter ten oosten van het plangebied Zomerbedverdieping Stuwpanden Sambeek te Lomm Gemeente Venlo Coördinaat: 209346/385483
Nieuwe tijd : - 2 kuilen, meilerkuil/houtskoolmeiler - 4 greppels/sloten Nieuwe tijd : - fragment van een metalen plaat/strip - 2 plantaardig, hout scheepsonderdelen
Bijlage 5
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 v. Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 v. Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van
Rapport 14074.002 versie 1
bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het LaatNeolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 v. Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields'). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden.
In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 n. Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd.
Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden.
Een gezagheb-
Rapport 14074.002 versie 1
bende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen.
Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.
Rapport 14074.002 versie 1
Bijlage 6
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Rapport 14074.002 versie 1
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Rapport 14074.002 versie 1
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)
► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).
* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.
Rapport 14074.002 versie 1
Bijlage 7
Rapport 14074.002 versie 1
Planontwerp
Bijlage 8
Rapport 14074.002 versie 1
Boorprofielen
Rapport 14074.002 versie 1
Legenda (conform NEN 5104) grind
klei
geur
Grind, siltig
Klei, zwak siltig
Grind, zwak zandig
Klei, matig siltig
Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
Grind, uiterst zandig
Klei, zwak zandig
geen geur zwakke geur matige geur sterke geur uiterste geur
olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig
Klei, sterk zandig
zand
uiterste olie-water reactie
p.i.d.-waarde >0
Zand, kleiïg
>1 >10 Zand, zwak siltig
>100
leem
>1000
Zand, matig siltig
Leem, zwak zandig
>10000
Zand, sterk siltig
Leem, sterk zandig
monsters geroerd monster
Zand, uiterst siltig
overige toevoegingen zwak humeus
veen Veen, mineraalarm
matig humeus
Veen, zwak kleiïg
sterk humeus
Veen, sterk kleiïg
zwak grindig
Veen, zwak zandig
matig grindig
Veen, sterk zandig
sterk grindig
ongeroerd monster volumering
overig bijzonder bestanddeel Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand Gemiddeld laagste grondwaterstand slib
water
Rapport 14074.002 versie 1