11A.c5 Bijlage 5 Archeologisch bureauonderzoek De Steegh
Tekst van het document
ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND BOORONDERZOEK DE STEEGH TE LOTTUM GEMEENTE HORST AAN DE MAAS
archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek De Steegh te Lottum Opdrachtgever
Agro America Hoebertweg 15 5966 NC America
Rapportnummer
14074.002
Versienummer1
1
Datum
30 november 2020
Vestiging
Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl
Opsteller
De heer drs. A.H. Schutte Senior KNA prospector (reg. nr. 43842407)
Paraaf
Kwaliteitscontrole
De heer drs. M. Stiekema
Paraaf
© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1
Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode
14074.002
Toponiem
De Steegh
Opdrachtgever
Agro America
Gemeente
Horst aan de Maas
Plaats
Lottum
Provincie
Limburg
Kadastrale gegevens
Gemeente Grubbenvorst, sectie H, nummer 468
Omvang plangebied
circa 7.155 m2
Kaartblad
52G (1:25.000)
Coördinaten centrum plangebied
X: 208.307/Y: 385.862
Bevoegde overheid
Gemeente Horst aan de Maas Postbus 6005 5960 AA Horst
T: 077 – 4779777 E: gemeente@horstaandemaas.nl
Deskundige namens de bevoegde overheid
Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie Spoorstraat 5 3811 MN Amersfoort
T: 033 - 2779200
ARCHIS3 Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)
4918778100
Archeoregio NOaA
Brabants zandgebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Swalmen/Provinciaal Archeologisch Depot Limburg
Uitvoerders
Econsultancy, De heer drs. A.H. Schutte Senior KNA prospector (reg. nr. 43842407) en dhr. drs. M. Stiekema Senior KNA prospector (reg. nr. 32138595)
Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Agro America in november 2020 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan De Steegh te Lottum in de gemeente Horst aan de Maas. In de zuidoosthoek van het plangebied zal een woning met een groot bijgebouw worden gerealiseerd (zie figuur 11). Om deze ontwikkeling mogelijk te maken moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd voor het gehele perceel. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Uit de landschappelijke ligging blijkt dat het plangebied in het Paleolithicum ongunstig is geweest voor jagers en verzamelaars maar in het Mesolithicum wel geschikt was. Het plangebied heeft voor archeologische resten uit het Paleolithicum dien ten gevolge een lage verwachting terwijl het voor archeologische resten uit het Mesolithicum een hoge verwachting heeft. Voor de perioden Neolithicum tot en met Late-Middeleeuwen zal het plangebied ongeschikt zijn geweest als vestigingsplaats voor landbouwers. Wel kunnen er in deze perioden rituele deposities in het plangebied uitgevoerd zijn waardoor deze perioden een middelhoge verwachting krijgen.
Voor de Late-Middeleeuwen is de verwachting laag, de slechte afwatering zal het plangebied geen gunstige vestigingslocatie hebben gemaakt. Voor de Nieuwe tijd is de verwachting middelhoog aangezien niet uitgesloten kan worden dat bebouwing die vanaf de tweede helft van de 19e eeuw ten noordoosten van het plangebied heeft gestaan of het erf doorliep tot in het plangebied. Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit de boringen blijkt dat het plangebied een verstoorde bodemopbouw heeft van wisselende diepte onder maaiveld (boring 1 tot 75 centimeter, boring 2 tot 45 centimeter, boring 3 tot 60 centimeter, boring 4 tot 80 centimeter, boring 5 tot 90 centimeter en boring 6 tot 30 centimeter). Bij boringen 1, 2, 4 en 6 ligt hieronder direct een grindige Cg-horizont (Maasafzettingen) maar bij boringen 4 en 5 ligt hieronder veen (beek en/of Maasafzettingen). Het aangetroffen veen kan zijn ontstaan in de oude beekloop, maar omdat beeklopen vaak in oude Maasarmen lopen kan het ook zijn ontstaan in de periode dat de Maas (periodiek) door het plangebied heen stroomde. Het kan ook zijn dat het onderste veenpakket is ontstaan in de oude Maasarm, daarna bedekt is geraakt met zand en vervolgens
Rapport 14074.002 versie 1
dat er in de beek veen is gevormd. Conclusie en Advies De aangetroffen bodemopbouw is van dien aard dat de verwachting voor het Mesoilithicum kan worden bijgesteld naar laag. De bodem van het plangebied is dermate verstoord dat resten uit deze periode, die zich vooral kenmerken door vuursteenstrooiingen aan het oppervlak, verstoord zullen zijn. In het veen dat bij boringen 4 en 5 is aangetoond kunnen nog wel rituele deposities voorkomen uit het Neolithicum tot en met Vroege-Middeleeuwen, de middelhoge verwachting blijft hierdoor voor deze perioden gehandhaafd (zie figuur 11). Deze resten liggen echter wel op grote diepte, op 80 centimeter -mv bij boring 4 en onverstoord op 90 centimeter -mv bij boring 5. Daarnaast gaat het hier om puntlocaties die alleen opgespoord kunnen worden door middel van een proefsleuvenonderzoek (variant archeologische begeleiding) en dit zal alleen noodzakelijk zijn als er grootschalige ontwikkelingen gaan plaats vinden ter plaatsen van de oude beek. Deze zijn hier niet gepland, dus voor dit deel van het plangebied adviseert Econsultancy een dubbelbestemming archeologie waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden bewaard. Hiertoe dienen beschermende regels in het bestemmingsplan te worden opgenomen.
Over de middelhoge verwachting voor resten uit de Nieuwe tijd kan het booronderzoek geen duidelijkheid verschaffen; dat kan een verkennend booronderzoek zelden doordat bodemverstoringen kunnen wijzen op sporen en de kans op aantreffen van vondsten klein is. De vraag blijft of de bebouwing in de laatste helft van de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw, zoals weergegeven op de historische kaarten van 1895 tot 1936, inderdaad doorliep tot in het plangebied of dat dit een cartografische fout is en het erf altijd op de plek heeft gelegen waar het nu ligt. Om dit te kunnen vaststellen zou een karterende vervolg fase noodzakelijk zijn, ons advies is dit door middel van een karterend booronderzoek te doen. Dit karterend booronderzoek zou zich dan alleen hoeven te richten op dat deel van het plangebied aansluitend op het historische erf (zie figuur 11), wat ongeveer 100 m 2 is. Bij het karterend booronderzoek dienen vijf boringen te worden gezet waarna het opgeboorde materiaal bodemkundig wordt beschreven en de archeologisch relevante bodemlagen worden gezeefd met behulp van een zeef met een maaswijdte van 4 mm. Het zeefresidu wordt geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem, bot etc.
Door middel van het karterend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn. Voor de rest van het plangebied wordt vrijgave geadviseerd. Bovenstaand betreft een advies, opgesteld door Econsultancy. Het advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas). Na beoordeling wordt door de bevoegde overheid een besluit genomen. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden in die delen van het plangebied waar vrijgave voor is geadviseerd toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed2).
2 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 14074.002 versie 1
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 15 3.1 3.2 3.3 3.4
4
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 3 Archeologische waarden .................................................................................................. 6 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 9 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 11 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 14
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 15 Methoden ........................................................................................................................ 15 Resultaten ....................................................................................................................... 15 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 16
CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 16
LITERATUUR ...................................................................................................................................... 18 BRONNEN .......................................................................................................................................... 20
Rapport 14074.002 versie 1
LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11.
Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de maatregelenkaart Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Boorpuntenkaart Advieskaart
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp Boorprofielen
Rapport 14074.002 versie 1
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Agro America een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan De Steegh te Lottum in de gemeente Horst aan de Maas (zie figuur 1). De initiatiefnemer heeft de intentie om binnen het plangebied een woning met een groot bijgebouw te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 0). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in november 2020 door drs. A.H. Schutte (Senior KNA Prospector (reg. nr. 43842407)) en drs. M. Stiekema (Senior KNA prospector (reg. nr. 32138595)). Het rapport is gecontroleerd door drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector).
2
BUREAUONDERZOEK
2.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2
Methoden
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06.3 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:
3
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
SIKB.
Rapport 14074.002 versie 1
Pagina 1 van 20
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: 2.3
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Horst aan de Maas; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging. Afbakening en huidige situatie van het plangebied
Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter rondom het plangebied.4 Het plangebied, circa 7.155 m2, ligt aan de De Steegh, ongeveer 50 meter ten zuidwesten van de kern van Lottum in de gemeente Horst aan de Maas (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 17,3 meter +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als Gemeente Grubbenvorst, sectie H, nummer 468. Volgens de topografische kaart van Nederland, 52G (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X: 208.307/Y: 385.862. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel in gebruik als akkerland (zie figuur 3). De eigenaar/gebruiker is onbekend.
Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Volgens de maatregelenkaart van de gemeente Horst aan de Maas (Figuur 4) ligt het plangebied grotendeels in een zone met een specifieke archeologische verwachting (beek)dalen en oude Maas4
Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.
Rapport 14074.002 versie 1
Pagina 2 van 20
geulen (categorie 6) en voor een klein deel in de bebouwde kom met een onbekende verwachting (categorie 7).5 In gebieden met categorie 6 is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij een verstoringsoppervlak groter dan 2.500 m 2 en dieper dan 50 centimeter. In gebieden met categorie 7 is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij een verstoringsoppervlak groter dan 500 m2 en dieper dan 50 centimeter. Bij plangebieden met verschillende verwachtingen geldt de laagste ondergrens voor het gehele plangebied. Huidig milieuonderzoek Gelijktijdig met het archeologisch bureauonderzoek is er voor de zuidoosthoek van het plangebied een milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd door Econsultancy (rapportnummer: 14074.001). De aangetoonde verontreinigingen vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 2.4
Toekomstige situatie
Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. De initiatiefnemer heeft de intentie om binnen de zuidoosthoek van het plangebied een woning met een groot bijgebouw van 600 m2 te realiseren (zie figuur 11). Het exacte oppervlak en de diepte van verstoring ten behoeve van de nieuwbouw is onbekend. De toekomstige gebruiker gebruikers zijn onbekend. De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. 2.5
Aardwetenschappelijke gegevens
Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie6
Formatie van Beegden; rivierzand- en grind (Be3)
Geomorfogenetische kaart Maasvallei7
Terrasvlakte (T), al dan niet bedekt met dekzand
Van den Berg8
Allerød Interstadiaal terras
Geomorfologie9
Niet gekarteerd vanwege de ligging in de bebouwde kom.
Bodemkunde10
Zuidoostelijke rand, hoge bruine enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (code bEZ21) rest van het plangebied gronden in oude maasmeanders (code AMm).
Grondwatertrap
Hoge bruine enkeerdgronden VII, oude maasmeanders III.
Landschappelijke ontwikkeling Het terrassenlandschap langs de Maas is ontstaan gedurende de verschillende koude en warme perioden van het Kwartair. Tijdens koude perioden heeft de Maas een vlechtend karakter gehad met een brede riviervlakte en een opeenhoping van sedimenten. Gedurende de overgang van een koude naar een warme periode sneed de rivier zich in het rivierterras in. Daarna begon de Maas te meande5
Heeringen & Schrijvers, 2015. De Mulder et al., 2003. 7 Isarin e.a., 2015 8 Berg, 1996. 9 Altera, 2003. 10 Stichting voor Bodemkartering, 1975. 6
Rapport 14074.002 versie 1
Pagina 3 van 20
ren, waarbij de rivier zich concentreerde in één geul en er verschillende sedimenten in de bedding, op de oever en in de naastgelegen komgronden werden afgezet. De oudste terrassen liggen hoog, de jongere lager. Vanaf hun ontstaan zijn de Maasterrassen aantrekkelijk geweest voor bewoning. In eerste instantie voor tijdelijke kampementen van jagers en verzamelaars en later voor sedentaire agrarische nederzettingen. Mensen vestigden zich op de hoogste en als gevolg droge delen van het terras, met name op oeverwallen en rivierduintjes. Het plangebied ligt op de rand van een Allerød Interstadiaal terras (gevormd 13.900 tot 12.850 jaar geleden), en heeft het dien ten gevolgen geen holoceen dek.11 Het Maasterras uit het Pleniglaciaal is afgedekt met afzettingen behorende tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. Deze afzettingen zijn afgezet gedurende de laatste ijstijd, toen de wind vrij spel had in het verplaatsen van zand en silt. 12 Over een groot deel van Nederland werd een pakket dekzand afgezet.13 Mogelijk is ook het Allerød terras (deels) afgedekt met dekzandafzettingen. Er ontstonden duidelijke hoogteverschillen, waarbij reliëfverschillen kleiner dan 1,5 meter dekzandplateaus worden genoemd en grotere hoogteverschillen dekzandruggen of dekzandkopjes. DINO14 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO).
Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. 15 Hieruit blijkt dat de ondergrond zo’n 200 meter ten zuidoosten van het plangebied bestaat uit een 2,3 meter dik pakket matig fijn zand op grind. Langs de beek ten noordoosten van het plangebied bestaat de ondergrond uit matig fijn tot matig grof naar onderen toe grindhoudend zand, waarvan de bovenste 50 centimeter humeus is. Uit deze boringen blijkt dat de ondergrond bestaat uit Maasafzettingen afgedekt door dekzand. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Op de geomorfologische kaart staat het plangebied gekarteerd als bebouwd (zie figuur 5). Uit extrapolatie van geomorfologische gegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het plangebied ligt op een dalvlakteterras en laaggelegen reliëf of in een geul, vlechtend/meanderend afwater stelsel.
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)16 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het gehele plangebied in een geul tussen hoger gelegen vlaktes (zie figuur 6). Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is de zuidoostelijke rand van het plangebied gekarteerd als hoge bruine enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (code bEZ21). De rest van het plangebied zijn gronden in oude maasmeanders (code AMm) (zie figuur 7).
11
Van de Berg, 1996. De Mulder et al., 2003. 13 Berendsen, 2008. 14 Dinoloket. 15 DINO boornummers B52G2701 & B52G2711. 16 AHN. 12
Rapport 14074.002 versie 1
Pagina 4 van 20
Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late-Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de jaren ‘80 van de 20e eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden-Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9e en de 12e eeuw naast de essen kwamen te liggen.
De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen.17 Aan beide zijden van de Maas treft men veel oude meanders aan, die zijn ingesneden in het laatglaciale riviergebied. Omdat ze vrij laag liggen ten opzichte van de omgeving, zijn ze gemakkelijk te onderscheiden. De loop van deze geulen is vrij grillig; ze hebben zich herhaaldelijk verplaatst. Soms treft men midden in het dal kopjes of ruggen (erosieresten) van het oudere landschap aan. De geulen zijn gedeeltelijk weer opgevuld met jongere sedimenten, soms sterk gevarieerd samengesteld. Geulen die zijn opgevuld met vrij homogene kleiafzettingen, zijn ingedeeld bij de poldervaaggronden. Zeer smalle geulen zijn op de bodemkaart alleen met een signatuur aangegeven. Een aanzienlijk deel van de Maasgeulen is echter in deze associatie ondergebracht. Naast jonge kleiafzettingen (poldervaaggronden) komen ook zandgronden (beekeerdgronden) voor. Plaatselijk zijn min of meer dikke pakketten veen ontstaan waarop later hier en daar een bezandingsdek is aangebracht. Sommige lage gronden zijn opgehoogd, op andere plaatsen is klei afgegraven voor de baksteenindustrie.
In de omgeving van de dorpen hebben enkele percelen een dik humushoudend zanddek (enkeerdgronden).18 Boringen en/of sonderingen In het zuidoostelijke deel van plangebied (het toekomstige bouwkavel) zijn in het kader van andere bodemonderzoeken boringen gezet. Uit deze boringen blijkt dat er een halve meter dik humeus dek aanwezig is (waarschijnlijk de hoge bruine enkeerdgrond).19 Hieronder is zeer fijn zand aangetroffen dat plaatselijk grindhoudend is. Onder het fijne zand is plaatselijk een 20 cm dikke kleilaag aangetroffen, met hieronder grind. Bij een andere boring ligt het grind gelijk onder het fijne zand. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk
17
Doesburg et al., 2007. Stichting voor Bodemkartering, 1975. 19 Een kanttekening hierbij is dat bij milieuhygiënisch booronderzoek er vaak lagen van 50 centimeter dik worden beschreven waarbij de overheersende laag leidend is. 18
Rapport 14074.002 versie 1
Pagina 5 van 20
extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Grondwatertrappenindeling20
Tabel II. Grondwatertrap
I
II'
III'
IV
V'
VI
VII"
VIII
GHG (cm -mv)
-
<40
<40
>40
<40
40-80
>80
> 140
GLG (cm -mv)
<50
50-80
80-120
80-120
>120
>120
>120
-
') ")
Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld
Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VII bij de hoge bruine enkeerdgronden en grondwatertrap III bij oude maasmeander gronden. Grondwatertrap VII wordt veroorzaakt door de ophoging aan de zuidoostrand van het plangebied; voor deze ophoging zal ook dit deel van het plangebied een veel lagere grondwatertrap hebben gehad. Omdat het plangebied op zand ligt en de toekomstige bebouwing maar op een beperkt deel van het plangebied zal plaatsvinden wordt niet verwacht dat het toekomstig grondwaterpeil zal worden beïnvloed. 2.6
Archeologische waarden
Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).21 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 8. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 500 meter weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Provinciale archeologische aandachtsgebieden provincie Limburg De Provincie Limburg heeft in maart 2008 besloten haar verantwoordelijkheid voor archeologie te gaan beperken tot waarden van provinciaal belang. Daartoe heeft ze een aantal zgn. archeologische aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met een groot potentieel aan archeologische waarden. De Provincie wil zich inzetten voor het behoud en onderzoek van archeologische waarden in deze gebieden.
Het betreft zes soorten gebieden, verspreid over 16 verschillende gemeenten. Het uitgangspunt hierbij is niet de bescherming van het gehele aandachtsgebied. Het is immers niet van te voren bekend welke waarden aanwezig zijn en waar de vindplaatsen exact liggen. Basisprincipe voor het beleid is een hoge kwaliteit van het archeologisch onderzoek. Omdat niet alle vindplaatsen even belangrijk zijn en niet alle waardevolle vindplaatsen behouden kunnen blijven, zullen in het gehele archeologische onderzoekstraject keuzes gemaakt moeten worden. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen dus wel plaatsvinden in de geselecteerde gebieden, maar alleen als er in een vroegtijdig stadium adequaat archeo-
20 21
Locher & De Bakker, 1990. Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 14074.002 versie 1
Pagina 6 van 20
logisch onderzoek wordt verricht. Er worden immers waarden verwacht die van provinciaal belang zijn. Volgens de Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg ligt het plangebied in Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied Maasdal.22 De Maas is een typische regenrivier met sterk wisselende afvoeren. Door het gezamenlijke effect van opheffing van de Ardennen en Zuid-Limburg en door de afwisseling van enkele tientallen ijstijden en warmere perioden heeft de Maas zich ingesneden waardoor een terrassensequentie is ontstaan. Het Maasdal zoals het hier is gedefinieerd, wordt gevormd door de holocene riviervlakte en enkele terrassen uit het Laat-Glaciaal, te weten het Jonge Dryas terras en het iets hoger gelegen zgn. meanderbogenterras uit het Allerød-Bølling interstadiaal. Het Jonge Dryas stadiaal is een korte koude periode aan het einde van de laatste ijstijd. De Maas was een verwilderde rivier met een relatief smalle (ca. 1 km) en rechte dalbodem, met vele geulen en zand- en grindbanken. Het Allerød-Bølling interstadiaal is een warme periode aan het einde van de laatste ijstijd toen de Maas met zeer grote meanderbochten haar weg zocht in het Maasdal. In de Centrale Slenk is de holocene riviervlakte vrij breed. Op de Peelhorst en in de Venlo Slenk is de holocene riviervlakte smal, maar is het meanderbogenterras breed.
Deze regio heeft voor alle perioden verreweg het meeste onderzoekspotentieel van alle aandachtsgebieden. AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied23 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein. Binnen het onderzoeksgebied liggen twee AMKterreinen (zie bijlage 2 en figuur 8). De AMK-terreinen betreffen twee nederzettingen, namelijk Lottum en Den Hoeck, waarvan één met een kasteel (Lotum). Binnen deze terreinen kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300 AD) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn. Beide terreinen liggen op een dalvlakterras en Den Hoeck wordt doorsneden door een geul.
In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied 24 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal zeven archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken (verkennend/karterend) en één proefsleufonderzoeken (zie bijlage 3 en figuur 8). De resultaten van de onderzoeken die rondom het plangebied zijn uitgevoerd laten zien dat na bureauonderzoeken er meestal booronderzoeken worden uitgevoerd, bij één bureauonderzoek is dat wel geadviseerd maar is dit (nog) niet uitgevoerd. Van één bureauonderzoek staan de resultaten niet vermeld in Archis. Bij twee booronderzoeken heeft dit geleidt tot een advies voor een proefsleuvenonderzoek. Één daarvan is uitgevoerd en heeft geleidt tot het ontdekken van twee vindplaatsen uit de Middeleeuwen die gelijk zijn opgegraven. Bij twee andere booronderzoeken heeft dit geleidt tot advies voor vrijgave vanwege een verstoorde bodemopbouw en het ontbreken van archeologische indicatoren danwel de vaststelling dat een groot deel van het plangebied vermoedelijk in een oud beekdal ligt, dat in vroegere tijden niet aantrekkelijk was voor bewoning.
22
Provinciaal Omgevingsplan Limburg. Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 24 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 23
Rapport 14074.002 versie 1
Pagina 7 van 20
Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied25 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan vier vondstmeldingen geregistreerd, binnen een straal van 1000 meter rondom het plangebied staan nog eens zeven vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en figuur 8). De vondsten die in het onderzoeksgebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in de perioden Neolithicum (twee schrabbers zouden ouder kunnen zijn) tot en met Vroege-Middeleeuwen. Veel van deze vondsten liggen op een dalvlakterras en één in een geul. Binnen een straal van 1000 meter rondom het plangebied zijn ook resten van menselijke activiteiten uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd waargenomen. Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn twee beschikbare relevante publicaties van archeologische onderzoeken die in het onderzoeksgebied zijn uitgevoerd geraadpleegd.26 Er heeft in het kader van dit bureauonderzoek geen archiefonderzoek plaats gevonden (m.u.v. het archief van de gemeente Horst aan de Maas voor bouwdossiers) en er is geen contact gezocht met het provinciaal depot van Limburg aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben.
Voor een plangebied op 175 meter ten zuidoosten van het huidige plangebied heeft Econsultancy in 2013 een bureauonderzoek uitgevoerd.27 Gezien de ligging van het plangebied op een Maasterras in de nabijheid (200 meter) van de Maasgeul, is het een gunstige leefomgeving voor jagers en verzamelaars. Het Maasterras is echter ontstaan aan het einde van het Pleistoceen. Resten van jagers en verzamelaars uit het LaatPaleolithicum worden daarom niet meer in het plangebied verwacht. De archeologische verwachting voor het Mesolithicum is echter hoog. Op het Maasterras, waar het plangebied deel van uitmaakt, bevinden zich opvallend veel waarnemingen uit het Neolithicum. Dit betekent dat de omgeving ook een gunstig vestigingsgebied voor landbouwers was, ook gezien de aanwezigheid van een esdek. De archeologische verwachting voor het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd is daarom hoog. Gezien de ligging van het plangebied aan twee historische kernen, is de kans groot dat er archeologische resten uit de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd in het plangebied aanwezig zijn. Econsultancy adviseert om bij toekomstige bodemingrepen inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een verkennend booronderzoek, teneinde de op basis van het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde verwachting aan te vullen en te toetsen.
Voor een plangebied 360 meter ten zuidwesten van het huidige plangebied heeft Archeopro in 2013 en bureauonderzoek en een booronderzoek uitgevoerd.28 Het plangebied ligt ten zuidwesten van Lottum, op een dalvlakteterras langs de rand van een LaatGlaciale stroomgeul van de Maas. De betreffende geul is niet watervoerend. Pal ten zuiden van het plangebied ligt een hoge dekzandrug. Op basis van de bekende gegevens omtrent archeologische waarden in het gebied en de landschappelijke situering moet worden geconcludeerd dat voor met name het noordelijke deel van het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt voor archeologische resten daterend uit alle perioden vanaf het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen. Op basis van het vondstenspectrum binnen het onderzoeksgebied geldt een bijzondere verwachting ten aanzien van nederzettingen uit het Neolithicum en de IJzertijd. Vanwege een afstand van meer dan
25
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Verdere beschikbare publicaties van onderzoeken in het onderzoeksgebied waren een booronderzoek van Econsultancy en van een proefsleuvenonderzoek van RAAP. Het betroffen hier onderzoeken naar een plangebied aan de Maas. Gezien de unieke landschappelijke situatie daar zijn deze rapporten niet geraadpleegd aangezien vermoed werd dat dit niet relevant was voor het plangebied. 27 Boots, 2013. 28 Paulussen, 2011. 26
Rapport 14074.002 versie 1
Pagina 8 van 20
vijfhonderd meter tot een beek- of rivierdal, worden resten uit het Paleo- en Mesolithicum niet specifiek verwacht; voor resten uit deze perioden geldt een lage verwachting. Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat de bodem binnen het plangebied uit dekzand bestaat waarin plaatselijk onder de ploegvoor een zwak ontwikkelde podzol-B horizont is aangetroffen. In geen enkele boring is een esdek, dat wil zeggen een humusrijke A-horizont van minimaal vijftig centimeter dik aangetroffen. Tijdens het zeven van het vrijgekomen bodemmateriaal en de oppervlaktekartering zijn archeologische indicatoren aangetroffen. Het gaat om verbrande leem, een brokje houtskool en gebroken fragmenten natuursteen. Alle drie de gevonden fragmenten natuursteen vertonen overeenkomstige kenmerken. Het is een lichtbruine kwartsietische zandsteen zonder enige gelaagdheid. De stukken zijn hoekig en het zijn derhalve geen natuurlijke rolstenen afkomstig uit Maasgrindafzettingen. Op twee van de drie fragmenten komen wel nog afgeronde vlakken voor die er op wijzen dat het oorspronkelijk rolstenen zijn geweest. Één fragment vertoont daarnaast nog enkele bijzondere kenmerken. In het fragment is een haarscheurtje zichtbaar en zijn plaatselijk rode verkleuringen (vlekken) herkenbaar.
Gedeeltelijk loopt deze rode verkleuring in de vorm van een circa 4 mm brede band parallel aan het oppervlak van de oorspronkelijke rolsteen. Op basis van de bovengenoemde kenmerken lijkt het waarschijnlijk dat de drie aangetroffen fragmenten natuursteen delen van voormalige kookstenen zijn. Met name de rode verkleuringen en het haarscheurtje kunnen zijn veroorzaakt door intense verhitting gevolgd door een plotselinge afkoeling. De drie stukken lagen ook op een dusdanige afstand van elkaar dat het onwaarschijnlijk is dat ze van één rolsteen afkomstig zijn. Ook de geringe verschillen in textuur wijzen op drie verschillende moederstenen. Deze typische kwartsietische kookstenen zijn bekend van diverse nederzettingscomplexen daterend vanaf het Paleolithicum tot en met de IJzertijd. De resultaten van het onderzoek geven voldoende aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Binnen het plangebied kunnen behoudenswaardige resten van nederzettingssporen voorkomen. Aanbevolen wordt om door middel van proefsleuven na te gaan of er binnen het oostelijke deel van het plangebied nederzettingssporen aanwezig zijn en zo ja, in hoeverre deze behoudenswaardig zijn. 2.7
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Korte bewoningsgeschiedenis van Lottum29 In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5. Lottum wordt voor het eerst vermeld rond 1100 als Lutmo. Volgens een overlevering stond een voorganger van de huidige kerk van Lottum meer naar het oosten, in de omgeving van het veer. Het is echter ook mogelijk dat naar het klooster Barbaraweerd uit de 15e eeuw werd verwezen. De eerste bekende kerk in het huidige Lottum stamt uit 1400.
29
Heeringen & Schrijvers, 2009.
Rapport 14074.002 versie 1
Pagina 9 van 20
Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Tranchot und v. Müffling kaart30
1805
26 Velden
1:20.000
Weiland
Ten noorden loopt een beek. Ten noordoosten staat bebouwing. Huidige wegen De Steegh ten zuiden en oosten van het plangebied reeds aanwezig. Gronden in de omgeving in gebruik als grasland en akker.
Kadastrale minuut31
1821
Gemeente Grubbenvorst, Sectie A, Blad 04
1:2.500
Noordwesthoek doorsneden door de beek, ten noorden van de beek bouwland en ten zuiden weiland.
Nu ook ten zuiden van het plangebied bebouwing.
Militaire topografische kaart32 (nettekening)
1850-1864
52 Venlo
1:50.000
Geen veranderingen.
Geen grootschalige veranderingen.
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1895
674
1:50.000
Gronden rondom beek (de Leigraaf) grasland.
Direct ten noordoosten van het plangebied staat bebouwing (een randje hiervan kan doorlopen in het plangebied).
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1915
674
1:50.000
Geen veranderingen.
Geen grootschalige veranderingen.
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1927
674
1:50.000
Zuidrand plangebied groenstrook
Geen grootschalige veranderingen.
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1936
674
1:50.000
De beek ligt aan de rand van het plangebied.
Geen grootschalige veranderingen.
Topografische kaart
1954
52G
1:25.000
Geen veranderingen.
Geen grootschalige veranderingen.
Topografische kaart
1958
52G
1:25.000
Plangebied geheel grasland
Geen grootschalige veranderingen.
Topografische kaart
1967
52G
1:25.000
In de noordoosthoek staat een gebouw.
Geen grootschalige veranderingen.
Topografische kaart
1979
52G
1:25.000
Akkerland en rondom het gebouw grasland.
Bebouwde kom Lottum nadert het plangebied.
Topografische kaart
1987
52G
1:25.000
Geen veranderingen.
Geen grootschalige veranderingen.
Topografische kaart
1994
52G
1:25.000
Boomgaard, aan de westzijde doorsneden door een weg. Bebouwing verdwenen.
Meerdere percelen voorzien van bomen.
Topografische kaart
1999
52G
1:25.000
Weg is verdwenen, westzijde grasland.
Geen grootschalige veranderingen.
Topografische kaart
2006
52G
1:25.000
Zuidelijk deel boomgaard, noordelijke deel onduidelijk (niet ingekleurd), waarschijnlijk grasland.
Geen grootschalige veranderingen.
Topografische kaart
2011
52G
1:25.000
Huidige situatie
Geen grootschalige veranderingen.
30
Beeldbank Vrije Universiteit Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 32 Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel). 31
Rapport 14074.002 versie 1
Pagina 10 van 20
Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal blijkt dat het plangebied vanaf in ieder geval het begin van de 19e eeuw in agrarisch gebruik is (zie figuur 9). Het merendeel van de tijd is het in gebruik als weiland (eerste kwart 19e eeuw deels bouwland) tot en met 1967. Tussen 1915 en 1958 ligt aan de zuidzijde van het plangebied (langs de weg De Steegh) een groenstrook. In 1967 staat er een gebouw in de noordoosthoek van het plangebied dat in 1994 is verdwenen. Tussen 1967 en 1979 verandert een deel van het plangebied in akkerland en tussen 1987 en 1994 verandert dit in een boomgaard. De omvang van de boomgaard verschilt in de loop der tijd maar in 2011 is het verdwenen en is de huidige situatie ontstaan. Tot en met 1927 loopt een deel van een beek door de noordwesthoek van het plangebied, tussen 1927 en 1936 lijkt deze verlegd te zijn naar de rand van het plangebied (huidige ligging). Vanaf het begin van de 19e eeuw tot heden ligt het plangebied aan beide takken van de weg De Steegh. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw staat aan de noordoostkant van het plangebied bebouwing dat in de loop van de tijd van vorm en ligging verandert. Een rand van deze bebouwing kan mogelijk hebben doorgelopen in het plangebied maar echt duidelijk is dat niet.
Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 meter attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als MIP monumenten. Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Horst aan de Maas is bij het gemeentelijk archief een aanvraag gedaan tot inzage van bouwdossiers voor de bebouwing binnen het plangebied. Er waren geen dossiers van de locatie bekend. Volgens de BAG-viewer is het huis naast het plangebied uit 1880.33 Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd.34 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Er zijn rondom het plangebied wel explosieven geruimd (granaten en mijnen). Het kan niet uitgesloten worden dat deze ook in het plangebied voorkomen. Stellingen worden niet verwacht. Aanvullende informatie Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Heemkundevereniging Historische Kring Grubbenvorst-Lottum. De heer Bergs wist het volgende te melden: “Over deze kavels is weinig te vinden. In de kadasterdata uit 1832 staan de percelen beschreven als weiland en ik denk dat daar weinig verandering in is geweest.
Het huis naast het plangebied is van latere datum (circa 1857).” 2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel IV.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum
Laag
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en
Zuidoostelijke rand van het plangebied:
33
Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) Amersfoort & Kamphuis, 1990/Jong, 1969 – 1994/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 34
Rapport 14074.002 versie 1
Pagina 11 van 20
vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen Rest van het plangebied: Onder maaiveld en in de top van de dekzandafzettingen
Mesolithicum
Hoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Zuidoostelijke rand van het plangebied: Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen Rest van het plangebied: Onder maaiveld en in de top van de dekzandafzettingen
Neolithicum
Middelhoog
Rituele plaatsen/rituele deposities.
Zuidoostelijke rand van het plangebied: Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen Rest van het plangebied: Onder maaiveld en in de top van de dekzandafzettingen
Bronstijd
Middelhoog
Rituele plaatsen/rituele deposities.
Zuidoostelijke rand van het plangebied: Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen Rest van het plangebied: Onder maaiveld en in de top van de dekzandafzettingen
IJzertijd
Middelhoog
Rituele plaatsen/rituele deposities.
Zuidoostelijke rand van het plangebied: Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen Rest van het plangebied: Onder maaiveld en in de top van de dekzandafzettingen
Romeinse tijd
Middelhoog
Rituele plaatsen/rituele deposities.
Zuidoostelijke rand van het plangebied: Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen Rest van het plangebied: Onder maaiveld en in de top van de dekzandafzettingen
Vroege-Middeleeuwen
Middelhoog
Rituele plaatsen/rituele deposities.
Zuidoostelijke rand van het plangebied: Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen Rest van het plangebied: Onder maaiveld en in de top van de dekzandafzettingen
Late-Middeleeuwen
Laag
Sporen van agrarisch gebruik
Zuidoostelijke rand van het plangebied: Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen Rest van het plangebied: Onder maaiveld en in de top van de dekzandafzettingen
Nieuwe tijd
Middelhoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Zuidoostelijke rand van het plangebied: Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen Rest van het plangebied: Onder maaiveld en in de top van de dekzandafzettingen
Uit de landschappelijke ligging in een geul op een Allerød Interstadiaal terras (gevormd 13.900 tot 12.850 jaar geleden), blijkt dat het plangebied in het Paleolithicum ongunstig is geweest voor jagers en verzamelaars maar in het Mesolithicum wel geschikt was. Voor de perioden Neolithicum tot en met Late-Middeleeuwen zal het plangebied ongeschikt zijn geweest als vestigingsplaats voor landbouwers. Wel kunnen er in deze perioden rituele deposities in het plangebied terecht zijn gekomen. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen in de perioden Neolithicum (twee schrabbers zouden ouder kunnen zijn) tot en met de Nieuwe tijd.
Rapport 14074.002 versie 1
Pagina 12 van 20
Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefden van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar.35 Aangezien het plangebied gedurende het Paleolithicum onderdeel uit maakten van het stroomgebied van de Maas is de verwachting voor deze periode laag. In het Mesolithicum lag het plangebied op het terras in een geul, die waarschijnlijk nog wel (veelvuldig) watervoerend is geweest, de verwachting voor de periode Mesolithicum is daarom hoog. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor.
Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.36 Door de verwachtte slechte ontwatering in het plangebied wordt de kans op resten van bewoning uit het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen laag geschat. Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13 e eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen.37 Voor de Late-Middeleeuwen is de verwachting laag, de slechte afwatering zal het plangebied geen gunstige vestigingslocatie hebben gemaakt. Voor de Nieuwe tijd is de verwachting middelhoog aangezien niet uitgesloten kan worden dat bebouwing en/of het erf ten noordoosten van het plangebied, vanaf de tweede helft van de 19e eeuw, doorloopt tot in het plangebied. Bepaalde zones in beekdalen hebben voor bepaalde type vondsten een hogere trefkans. Voordes komen bijvoorbeeld vooral voor op plaatsen waar het beekdal smal en het water niet te diep was. Veel voordes zijn later vervangen door bruggen.
Bruggen kunnen op dergelijke plaatsen verwacht worden omdat de plaats bepaald werd door de al bestaande wegen naar de (voormalige) voorde toe.38 Voordes worden in het plangebied niet verwacht, gezien de ligging van een brug 45 meter ten noordoosten van het plangebied die in ieder geval al terug gaat tot het begin van de 19 e eeuw. Beekdalen werden in het Neolithicum, Bronstijd, IJzertijd, Romeinse tijd en Vroege-Middeleeuwen gebruikt voor rituele doeleinden, zoals deposities. Rituele deposities betreffen ‘losse’ vondsten die een sociale of rituele betekenis hebben gehad. Dit soort deposities werden op een specifieke locatie in het landschap gedeponeerd, zoals bijvoorbeeld het samenvloeien van twee beeklopen, beekovergangen en vennen/moerassen. Dit soort vondsten zijn puntlocaties. 39 Aangezien er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen in de perioden Neolithicum (twee schrabbers zouden ouder kunnen zijn) tot en met de Vroege-Middeleeuwen is er een kans dat er rituele handelingen in het plangebied hebben plaats gevonden en daarom heeft het plangebied voor deze perioden een middelhoge verwachting. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden.
Deze archeologische resten worden aan de zuidoostelijke rand van het plangebied verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in 35
Louwe Kooijmans et al., 2005. Louwe Kooijmans et al., 2005. 37 Renes, 1999. 38 RACM, 2008. 39 Fontijn, 2002. 36
Rapport 14074.002 versie 1
Pagina 13 van 20
het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond. Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan circa 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen worden verwacht in de top van de Chorizont. De archeologische resten in de rest van het plangebied worden direct aan of onder het maaiveld verwacht. De vondstenlaag wordt verwacht in de eerste 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) worden direct beneden het maaiveld verwacht. De te verwachten archeologische resten bestaan hoofdzakelijk uit metalen voorwerpen, aardewerk- en/of vuursteenstrooiïngen. Organische resten en metaal zullen door de natte en zuurstofloze condities over het algemeen goed zijn geconserveerd. 40 Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als weiland, akkerland, en boomgaard. Daarnaast is het doorsneden geweest door een beekloop.