11A.c Toelichting en Regels De Steegh ong.Lottum Americaanseweg 99 Meterik
Tekst van het document
Spoorweglawaai In de nabijheid van de plangebieden is geen spoorlijn gesitueerd. De spoorlijn Venlo-Eindhoven bevindt zich op een afstand van ruim 1,6 km van het plangebied.
5.2.4
Luchtkwaliteit
Kleine en grote projecten De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en grote' projecten. Kleine projecten
| bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 36
dragen niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in het Besluit “Niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten - die jaarlijks meer dan 3 procent van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2 bijdragen- een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing.
Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Dit is een Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 31 oktober 2007, nr. DJZ2007004707, houdende regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer (Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)). Het gaat hierbij om de volgende categorieën: 1. inrichtingen 2. infrastructuur 3. kantoorlocaties 4. woningbouwlocaties
Voor woningbouw geldt dat woningbouwprojecten van netto niet meer dan 1500 woningen (in geval van één ontsluitingsweg) niet in betekende mate bedragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 4 lid 1 Besluit NIBM jo. art. 4 lid 2, bijlage 3B.2 Regeling NIBM). Het onderhavige project is met één nieuwe woning aan De Steegh en één woning aan de Americaanseweg 99 dusdanig beperkt van omvang dat de conclusie kan worden getrokken dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De nieuwe woningen zijn echter ook objecten die moeten voldoen aan het blootstellingscriterium. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen. Voor de concentratie van NO2, PM10 en PM2,5 is voor beide delen van het plangebied gebruik gemaakt van de 'Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland'. De concentratie NO2 bedraagt minder dan 15 microgram/m3 , PM10 minder dan 18 microgram/m3 en de concentratie PM2,5 bedraagt minder dan 10 microgram/m3. Hieruit blijkt dat de concentraties voor de verschillende stoffen een goede luchtkwaliteit tot gevolg hebben en er dus sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
| bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 37
Luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor het project.
5.2.5
Bedrijven en milieuzoneringen
Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woongebieden. Om milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals die is opgenomen in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering', van maart 2009.
Bedrijven en milieuzonering De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd een Staat van bedrijfsactiviteiten die is opgenomen in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering', van maart 2009. In deze Staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met toenemende potentiële milieuemissies. Op grond van deze Staat kan een beleidsmatige selectie worden gemaakt van de op het plangebied toe te laten bedrijfsactiviteiten. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI-codes) in deze Staat gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elk ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven die in beginsel moet worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen;
de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstype 'rustige woonwijk' , 'rustig buitengebied' of vergelijkbare omgevingstypen;
de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten.
De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q. bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype 'gemengd gebied', dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. In zo'n geval is het ruimtelijk aanvaardbaar dat de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd.
| bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 38
Invloed milieuhinder op het plangebied Het plangebied aan De Steegh te Lottum ligt enerzijds tegen de woonkern van Lottum aan en anderzijds in het buitengebied. Ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich het bedrijventerreintje van Lottum met bedrijven in de milieucategorie 1 en 2 of daarmee gelijk te stellen. Deze bedrijven hebben een richtafstand van maximaal 30 meter, terwijl de afstand tot het plangebied ruim 250 meter bedraagt. Hiervoor staan deze bedrijfsactiviteiten niet aan de realisatie van de nieuwe woning in de weg en andersom belemmert de nieuwe woning de bedrijvigheid niet. Binnen een straal van 200 meter rondom het plangebied bevinden zich drie agrarische bedrijven: adres
bedrijf
feitelijke afstand
richtafstand
De Steegh 3-3a
teelt sierplanten
43 m
30 m
De Steegh 12
teelt sierplanten
184 m
30 m
Horsterdijk 49
bestemd als grondgebonden
180 m
30 m
agrarisch bedrijf Het bestemmings- en bouwvlak voor de nieuw te realiseren woning valt buiten de richtafstanden van 30 meter. Er zijn in de omgeving ook geen veehouderijen die mogelijk een belemmering zouden kunnen vormen voor het initiatief.
Het plangebied aan de Americaanseweg 99 te Meterik ligt in het buitengebied, doch zodanig omringd door woningen en (agrarische) bedrijven, dat er sprake is van een gemengd gebied. Binnen een straal van 200 meter rondom het plangebied bevinden zich zeven bedrijven: adres
bedrijf
feitelijke afstand
richtafstand
Americaanseweg 61
viskwekerij (beëindigd)
aangrenzend
50 m
Americaanseweg 57
glastuinbouw (beëindigd)
85 m
30 m
Oude Peeldijk 25
agrarisch (beëindigd)
65 m
50 m
Speulhofsbaan 34
groothandel (pallets)
160 m
30 m
Americaanseweg 108 c hovenier
160 m
50 m
Americaanseweg 105
horeca
100 m
10 m
Speulhofsbaan
agrarisch (gekoppeld bouwvlak
115 m
50 m
Hazenkampweg) paarden Het plangebied deel B is gelegen binnen de richtafstand van 50 meter vanuit het agrarisch bedrijf aan de Americaanseweg 61. De bestemming Wonen maakt maar een deel uit van het plangebied. Doordat er sprake is van een sterke functiemenging, kan één afstandsstap lager worden gehanteerd,
| bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 39
hetgeen neer komt op een onderlinge afstand van 30 meter tussen de bestemming Wonen en de agrarische bedrijfsfunctie. Derhalve zal de nieuwe bestemming Wonen op een afstand van minimaal 30 meter van het agrarische bouwvlak worden gelegd.
Er kan derhalve worden gesteld dat qua milieuzonering wordt voldaan aan de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' en dat er over en weer geen belemmeringen zijn.
5.2.6
Geurhinder
Deelgebied A: De dichtstbijzijnde (intensieve) veehouderij (Zandterweg 2, varkenshouderij) ligt op een afstand van 250 meter. Gezien de beperkte geuremissie van dit bedrijf (4.324 ouE/s) vormt deze veehouderij geen belemmering voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ook is het niet mogelijk dat de veehouderij in eventuele uitbreidingsmogelijkheden wordt geschaad, omdat reeds andere woningen dichterbij zijn gelegen. Overige intensieve veehouderijen liggen op een afstand van meer dan 550 meter vanuit het plangebied en hebben hierdoor geen invloed op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Veehouderijen in de omgeving vormen dus geen belemmering voor het initiatief.
Deelgebied B: De dichtstbijzijnde (intensieve) veehouderijbestemming (Kranestraat 106) ligt op een afstand van 450 meter. Volgens de gegevens van de Kamer van Koophandel heeft hier een handelsbedrijf gezeten (groothandel in akkerbouwproducten en veevoeder algemeen assortiment) maar is dit bedrijf in 2014 uitgeschreven. De feitelijke situatie op dit bedrijfsperceel is momenteel ook zodanig dat hier geen actuele bedrijfsactiviteiten verwacht worden welke planologisch passend zijn. Ingeval van nieuwvestiging van een intensieve veehouderij op deze locatie, zal er getoetst moeten worden of ter plaatse van omliggende burgerwoningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Als dat het geval is, dan is er automatisch sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van deelgebied B. Overige intensieve veehouderijen liggen op een afstand van meer dan 550 meter vanuit het plangebied en hebben hierdoor geen invloed op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Ook voor overige (niet-intensieve) veehouderijbedrijven geldt dat deze zich op voldoende afstand van het nieuwe geurgevoelige object bevinden.
| bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 40
Voor wat betreft de viskwekerij aan de Americaanseweg 61 wordt deze afstand niet gehaald. Echter, voor viskwekerijen geldt het volgende. Geurhinder wordt gecreëerd door de uitstoot van ammoniak. Bij een viskwekerij is geen sprak van ammoniakemissie, omdat het door de vissen uitgescheiden ammonium wordt opgelost in het water. Door het natuurlijke zuiveringsproces van het water wordt het ammonium geoxideerd tot nitraat (nitrificatie) en vervolgens zal het nitraat in het denitrificatieproces worden afgebroken tot stikstofgas (bron: Advies RUD Zuid-Limburg, zaaknummer 2017-201531). Ammoniakemissie door het kweken van de vis vindt derhalve niet plaats. Daarnaast wordt er binnen de inrichting geen vis verwerkt. Het slachten/schoonmaken van de vissen is een activiteit waarbij geurhinder ontstaat, echter dit gebeurt buiten de inrichting bij een externe verwerker in Urk (aldus de website van betreffende viskwekerij). De op 30 meter afstand te realiseren burgerwoning zal geen geurhinder van deze viskwekerij ondervinden. Opgemerkt wordt dat aan de Americaanseweg 61 reeds enige tijd geen bedrijfsmatige activiteiten meer plaatsvinden. Van een viskwekerij is op dit moment daardoor geen sprake meer, evenals van eventuele geurhinder.
De kans op het hervestigen van een nieuwe viskwekerij op deze locatie is minimaal, vanwege de ligging van burgerwoningen op kortere afstand van die bedrijfslocatie.
Veehouderijen in de omgeving vormen dus geen belemmering voor het initiatief.
5.2.7
Geiten
Het aantal geiten is in Limburg is toegenomen van ca. 46.000 in 2016 naar 61.000 dieren in 2018. In 2018 gaat het daarbij om 44.000 melkgeiten (72%). Het aantal gespecialiseerde melkgeitenhouderijen nam toe van 22 in 2016 naar 25 in 2018. Ook Horst aan de Maas herbergt gespecialiseerde geitenhouderijen. Uit de studies Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden blijkt dat mensen die binnen 2 km rondom geitenhouderijen wonen een grotere kans hebben op een longontsteking. Wat deze toename veroorzaakt is nog onduidelijk. Er loopt onderzoek naar de oorzaken van de longontstekingen. De provincie Limburg heeft gelet op die gezondheidseffecten in mei 2019 een voorbereidingsbesluit genomen op basis waarvan het verboden is om het direct aan de inwerkingtreding van dat voorbereidingsbesluit voorafgaande bestaande gebruik van bouwwerken of gronden binnen het gehele grondgebied van de provincie Limburg te wijzigen in gebruik ten behoeve van het houden van geiten. Onder wijzigen wordt ook verstaan een uitbreiding van het direct aan de inwerkingtreding van dit voorbereidingsbesluit voorafgaande aanwezige aantal geiten binnen een inrichting. Dit verbod is niet van toepassing op inrichtingen waar minder dan tien geiten zullen worden gehouden. In een straal van circa 4 km rondom onderhavige delen van het plangebied bevinden zich geen geitenhouderijen.
| bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 41
5.2.8
Endotoxinen
De effecten die veehouderijen op de volksgezondheid kunnen hebben, moeten worden betrokken bij besluiten in het kader van ruimtelijke ordening en milieu. Een van de effecten op de volksgezondheid ziet op endotoxinen. De Gezondheidsraad hanteert in het rapport ‘Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen’ (2012) een advieswaarde van 30 EU/m3 voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht. De Gezondheidsraad gaat ervan uit dat met deze advieswaarde de gezondheid van omwonenden van veehouderijen tegen te veel aan endotoxinen kan worden beschermd. De rijksoverheid ontwikkelt een landelijk toetsingskader voor endotoxinen. Dit toetsingskader is momenteel nog niet beschikbaar. Daarom heeft het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid (team van provincie Noord-Brabant, de GGD en verschillende Brabantse omgevingsdiensten en gemeenten) vooruitlopend op de ontwikkeling van een landelijk toetsingskader de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld.
Uit bijlage N: 'figuren overschrijdingsafstanden uit modelberekeningen' behorende bij het rapport ‘Emissies van endotoxinen uit de veehouderij: emissiemetingen en verspreidingsmodellering’ van WUR (2016) (endotoxinerapport) valt af te lezen dan in de regio Noord-Limburg op een afstand van meer dan 550 meter gemeten vanuit welke intensieve veehouderijtak dan ook, geen overschrijding van de norm voor endotoxinen plaatsvindt. Gelet op het feit dat binnen deze afstand vanuit deelgebied A slechts één actieve intensieve veehouderij (zij het van beperkte omvang) is gelegen, en er binnen een afstand van 550 meter geen nieuwe intensieve veehouderijactiviteiten kunnen worden ontplooid vanwege de aanwezigheid van vele burgerwoningen en het ontbreken van een intensieve veehouderijbestemming, is er geen belemmering te verwachten voor de nieuwe woning binnen onderhavig plangebied deel A. Binnen deze afstand tot aan plangebied deel B is eveneens slechts één actieve intensieve veehouderij (Kranestraat 106; afstand van 450 meter tot aan het plangebied) gelegen, en kan er binnen een afstand van 550 meter evenmin een nieuwe intensieve veehouderijactiviteit ontplooid worden vanwege de aanwezigheid van vele burgerwoningen en het ontbreken van een intensieve veehouderijbestemming, waardoor er ook geen belemmering te verwachten is voor de nieuwe woning binnen onderhavig plangebied deel B.
5.2.9
Spuitzones
Voor wat betreft het spuiten van gewassen zijn geen wettelijke voorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt, en nabijgelegen gevoelige objecten. Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen
| bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 42
akkerbouwgronden en gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat toepassing van de vuistregel om een afstand aan te houden van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk is (uitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr. 201410309/1/R6). Dit brengt echter niet reeds met zich dat een kortere afstand in dit geval niet redelijk zou kunnen zijn. Dit hangt mede samen met de hoogte van de gewassen (hoe hoger, des te meer sprake er kan zijn van drift), windrichting, soort bestrijdingsmiddelen en frequentie van spuiten. De heersende windrichting ter plaatse is zuid-west. Ten zuiden van plangebied deel A bevindt zich een akker voor het telen van gewassen. Een hoekje van dit perceel (circa 800 m2) ligt binnen een zone van 50 meter uit de nieuwe woonbestemming. Doordat de buitenruimten bij de nieuwe woning van de akker af zijn gekeerd en uitgaande van een te verwachten invulling van het achtererf waarbij ook de privacy voor de nieuwe bewoners wordt gewaarborgd, vallen zullen gewasbeschermingsmiddelen niet doordringen tot de plaatsen welke voor menselijk verblijf bedoeld zijn, zonder dat deze afgeschermd worden door een muur of dichte haag.
Binnen 50 meter vanuit plangebied deel B bevinden zich geen agrarische gronden waarop met bestrijdingsmiddelen wordt gespoten.
5.2.10 Externe veiligheid Risicovolle inrichtingen (bevi) De veiligheid rond bedrijven wordt gereguleerd in de vigerende milieuvergunning (of een geldende Algemene Maatregel van Bestuur) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen van 21 oktober 2004 (Bevi). In het Bevi worden specifieke regels opgenomen voor specifieke risicovoIle inrichtingen. In het Bevi heeft iedere risicovolle inrichting een veiligheidszone gekregen. Dit heet de plaatsgebonden risicocontour (PR-contour). Binnen deze contour mogen nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, grootschalige kantoren, hotels, winkelcentra, campings) of beperkt kwetsbare objecten (zoals verspreid liggende woningen, bedrijfswoningen dan wel bedrijfsgebouwen van derden, kleinere kantoren, hotels en winkels, sporthallen, zwembaden) niet of niet zonder meer worden opgericht. Het Bevi gaat uit van een PR-contour 10-6/jr. Het kan gaan om inrichtingen waarbij door middel van een vaste afstand wordt voldaan aan deze contour (zogenaamde “categoriale inrichtingen”) en inrichtingen waarbij deze contour individueel moet worden berekend (Quantitative Risk Assement (QRA)). Dit is geregeld in Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi).
| bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 43
Bij het nemen van een planologische besluit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan) moet het bevoegd gezag deze contour in acht nemen voor kwetsbare objecten. Hierbij geldt de PR-contour 10-6/jr. als grenswaarde. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de contour als richtwaarde, d.w.z. in principe moet PR 10-6/jr. aangehouden worden, maar er mag gemotiveerd van worden afgeweken. Naast het plaatsgebonden risico kent het Bevi ook het groepsrisico (GR). Het groepsrisico geeft aan wat de kans is op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde bron. Het aantal personen dat in de omgeving van de bron verblijft bepaalt daardoor mede de hoogte van het groepsrisico. Voor het GR geldt geen harde juridische norm (zoals de PR-contour 10-6/jr. wel is) maar een zogenaamde oriënterende waarde. Het berekende groepsrisico wordt weergegeven in een curve, waarbij de kans op een ongeval wordt uitgezet tegen het aantal mensen dat daarbij omkomt. In dezelfde grafiek wordt de oriënterende waarde uitgezet. Als die wordt overschreden door een ruimtelijke ontwikkeling moet dat worden verantwoord. Hiermee wordt in beeld gebracht of en in welke mate het bevoegd gezag het GR wel of niet aanvaardbaar vindt, al dan niet na het nemen van maatregelen.
Volgens de Risicokaart van de provincie Limburg liggen in de directe omgeving (in een straal van 300 m) van het plangebied aan De Steegh te Lottum geen risicovolle inrichtingen. In de directe omgeving (in een straal van 90 m) van het plangebied aan de Americaanseweg 99 te Meterik liggen evenmin risicovolle inrichtingen. Aan de Americaanseweg 57 ligt een inrichting met een bovengrondse propaantank, met een risico-afstand (PR 10-6) van 25 meter; de feitelijke afstand tot het plangebied bedraagt 90 m.
Vervoer gevaarlijke stoffen Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Daarmee wordt de opdracht aan het bevoegd gezag voor ruimtelijke besluiten nadrukkelijk vastgelegd om rekening te houden met de risico's van transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. In het basisnet is de omvang voor de verschillende transportmodaliteiten vastgelegd. Voor zover het gaat om het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn met name de rijks-, provinciale- en spoorwegen en rivieren van belang. Nabij het plangebied deel A zijn dit de Maas en de N271. De PRcontour 10-6/jr bedraagt 0 m; het plangebied ligt op een afstand van bijna 1 km vanuit de oever van de Maas en ruim 1 km vanaf de N271, zodat deze transportroutes geen belemmering vormen voor het aspect externe veiligheid (plaatsgebonden- noch groepsrisico). Nabij het plangebied deel B zijn dit de A73 en de N556. De PR-contour 10-6/jr bedraagt 0 m; het plangebied ligt op een afstand van ruim 2,5 km vanuit de A73 en bijna 1,5 km vanuit de N556, zodat deze transportroutes geen belemmering vormen voor het aspect externe veiligheid (plaatsgebonden- noch groepsrisico).
| bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 44
Het plangebied deel A bevindt zich verder circa 2,5 km verwijderd van de spoorlijn Nijmegen-Venlo. Volgens de ‘Risicoatlas Spoor, Vervoer van gevaarlijke stoffen over de vrije baan‘ vindt over de spoorlijn Venray-Venlo geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Deze spoorlijn heeft derhalve geen invloed op het plaats- of groepsgebonden risico in het plangebied. De spoorlijn VenloEindhoven ligt op een afstand van ruim 7,5 km van het plangebied. Ten aanzien van het plaatsgebonden risico blijkt dat de PR-contour 10 -6/jr. is gelegen op 10 meter van de as van de spoorlijn. Het plangebied ligt hier ruim achter. Dit houdt in dat voor dit aspect geen knelpunt aanwezig is. Het plangebied deel B bevindt zich op een afstand van circa 1,6 km van de spoorlijn EindhovenVenlo. Ten aanzien van het plaatsgebonden risico blijkt dat de PR-contour 10 -6/jr. is gelegen op 10 meter van de as van de spoorlijn. Het projectgebied ligt hier ruim achter. Dit houdt in dat voor dit aspect geen knelpunt aanwezig is.
Er is binnen een straal van 1 km rondom plangebied deel A, en binnen een straal van 1,5 km rondom plangebied deel B, geen sprake van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen.
5.3
Waterparagraaf
Waterbeleid Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Horst aan de Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt. Vanuit het waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten: 1. Circa 10% van het plangebied reserveren voor water. Doorgaans zijn lager gelegen gebiedsdelen het meest geschikt. Nagaan of plangebied nodig is voor wateropgave van omliggende gebieden; zorgen dat geen logische waterstructuren worden geblokkeerd. 2. Rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving. Voorkomen van wateroverlast en erosie door afstromend water vanuit de omgeving naar het plangebied en andersom. 3. Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand. Input voor ontwerpen van het hemelwatersysteem. Denk ook aan bodemverontreinigingen. 4. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit. Schoonhouden, scheiden, zuiveren.
| bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 45
5. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit. Hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool. 6. Toepassen voorkeurstabel afkoppelen. Verantwoorde systeemkeuze conform voorkeurstabel; maatwerk per situatie. Bij voorkeur toepassen van bovengrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. Bij diepte-infiltratie gelden zeer strenge randvoorwaarden; liever geen diepte-infiltratie toepassen. 7. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per etmaal voor Noord Limburg (ten noorden van Sittard) en 80 mm per twee uur ten zuiden van Sittard met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur. Voldoende opvangcapaciteit en een duurzame leegloop realiseren. 8. Beheer en onderhoud regelen. Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid.
Hergebruik Hierbij kan gedacht worden aan de aanleg van gescheiden watercircuits door het hergebruik van bijvoorbeeld regenwater (drinkwater, grijswater, huishoudwater). De ervaringen met bestaande proefprojecten leert echter dat deze pas rendabel zijn bij projecten met 1000 of meer te bouwen woningen. Het onderhavige project is dan ook te kleinschalig om deze voorziening toe te passen.
Infiltratie, buffering en afvoer Onderstaand is aangegeven hoe met deze aspecten wordt omgegaan.
Waterhuishoudkundige situatie plangebied Afvoerend verhard oppervlak en riolering Binnen het plangebied deel A vindt een verwachte toename van het afvoerend verhard oppervlak plaats ten belope van ongeveer 600 m2 (bebouwing én erfverharding). Binnen het plangebied deel B zal alle bebouwing worden gesloopt. De nieuwbouw inclusief nieuwe erfverharding zal hier eveneens een omvang hebben van ongeveer 600 m2 .
Grondwater De bodem binnen deelgebied A bestaat volgens BIS uit een associatie van gronden in oude Maasmeanders. De gemiddelde hoogste grondwaterstand zit boven de 40 cm -mv en de gemiddelde laagste grondwaterstand tussen de 80-120 cm -mv. Het maaiveld ligt op een hoogte van ruim 17 meter boven NAP. Op onderstaande uitsnede uit het Actueel Hoogtebestand Nederland is te zien dat
| bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 46
het plangebied het laagste punt betreft. Al het afstromend hemelwater zal zich hier verzamelen. Hiervoor is het noodzakelijk het peil van de woning en bijbehorende bouwwerken op te hogen, zodanig dat dit ten minste gelijk ligt aan de hoogte van de kruin van de weg, om op deze manier overlast van hemelwater in de gebouwen te voorkomen.
Figuur 10: algemeen hoogtebestand
De bodem binnen deelgebied B bestaat volgens BIS uit veldpodzolgronden en lemig fijn zand. De gemiddelde hoogste grondwaterstand zit tussen 40 -80 cm -mv en de gemiddelde laagste grondwaterstand onder de 120 cm -mv. Het maaiveld ligt op een hoogte van 25 à 26 meter boven NAP, evenals de kruin van Americaanseweg zelf.
Oppervlaktewater In de omgeving van het plangebied deel A bevindt zich een primaire waterloop in de vorm van de Siebersbeek, welke aan de noordzijde langs het plangebied stroomt, zoals ook uit onderstaande uitsnede van de legger van het waterschap blijkt.
| bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 47
Figuur 11: uitsnede legger waterschap
De afstand van het plangebied tot aan de Siebersbeek bedraagt circa 14 meter en tot de aanduiding 'Waterstaat - Profiel van vrije ruimte' ruim 9 meter. De ontwikkeling en bescherming van de ecologische waarden van de waterloop worden gewaarborgd door deze afstand ruim genoeg te houden. Hierdoor heeft het project geen substantieel nadelige effecten op deze waterloop.
In de omgeving van het plangebied deel B bevinden zich een primaire waterlopen in de vorm van de Nieuwe Peeldijk en Voor America, welke aan de noordwestzijde en de zuidzijde langs het plangebied stromen zoals ook uit onderstaande uitsnede van de legger van het waterschap blijkt.
| bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 48
Figuur 12: uitsnede legger waterschap
De afstand van het plangebied tot aan deze waterlopen bedraagt ruim 100 meter (gemeten vanuit de nieuwe bestemming Wonen is dit zelfs ruim 150 meter). Door deze ruime afstand en een beperktere impact van het voorgenomen project in relatie tot de vigerende planologische mogelijkheden, heeft het project geen nadelige effecten op deze waterloop.
HemeI- en afvalwater Infiltratie van hemelwater: Binnen het plangebied deel A vindt een toename van het afvoerend verhard oppervlak plaats van circa 600 m2. Gelet op het feit dat het gaat om nieuwbouw zal deze geheel afgekoppeld dienen te worden. De K-waarde (geeft de mate van infiltratiegeschiktheid aan) van het plangebied bedraagt volgens de kaart inzake de bodemdoorlatendheid (K-waarde) van de gemeente Horst aan de Maas van het waterschap 0,15 - 0,45 m/dag. Deze gronden zijn matig/slecht geschikt voor hemelwaterinfiltratie. Binnen het plangebied deel B vindt een substantiële afname van het afvoerend verhard oppervlak plaats (circa 4000 m2) maar zal binnen de nieuwe bestemming Wonen circa 600 m2 nieuw worden bebouwd/verhard. Gelet op het feit dat het gaat om nieuwbouw zal deze geheel afgekoppeld dienen te worden. De K-waarde (geeft de mate van infiltratiegeschiktheid aan) van het plangebied bedraagt volgens de kaart inzake de bodemdoorlatendheid (K-waarde) van de gemeente Horst aan de Maas van het waterschap 0,45 - 0,75 m/dag. Deze gronden zijn redelijk geschikt voor hemelwaterinfiltratie.
Bij de bepaling van de capaciteit/kwantiteit van de infiltratievoorziening dient voor beide delen van het plangebied zonder meer te worden uitgegaan van een neerslaggebeurtenis van 100 mm.
| bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 49
Kwantiteitsberekening per deelgebied Neerslag T=100
-> 100 mm neerslag/m2
Te verwerken
-> 600 m2 x 0,1 m = 60 m3
Voor deze hoeveelheid hemelwater zal binnen het plangebied deel A en deel B een infiltratievijver of wadi worden gerealiseerd, welke op nader te bepalen wijze onderdeel zal gaan uitmaken van de landschappelijke inpassing/tuin.
Voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater zal aangesloten worden op de gemeentelijke riolering.
Bouwmaterialen De gemeente Horst aan de Maas streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Van de initiatiefnemer wordt, voor zover relevant, daarom gevraagd geen gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen.
Concluderend kan gesteld worden dat door onderhavig project, mits rekening gehouden wordt met de lage ligging van het perceel, geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding.
5.4
Kabels en leidingen
Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Dit besluit is gebaseerd op de Wet milieubeheer (artikelen 5.1 lid 1, 5.2 lid 1, 5.3 lid 1 en 2 en 9.2.2.1) en de Wet ruimtelijke ordening (artikelen 3.37 en 4.3 lid 1 en 2). Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Bevi en bevat, analoog aan het Bevi, normen voor het plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico. In de nabijheid van de plangebieden bevinden zich geen buisleidingen. De plangebieden zijn niet gelegen binnen een (hinder)zone of werkstrook van hoofdleidingen voor olie of water en hoogspanningsleidingen. Voordat met eventuele (lichte) graafwerkzaamheden een aanvang wordt gemaakt, zal initiatiefnemer een Klic-melding doen, zodat ook rekening gehouden kan worden met de ligging van de gebruikelijke leidingen en kabels.
| bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 50
De plangebieden zijn verder niet gelegen binnen een obstakelbeheer- of radarverstoringsgebied van een civiel of militair luchtvaartterrein en over het plangebied loopt geen straalpad van telecomaanbieders.
5.5
Gebiedsbescherming
De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet Natuurbescherming. Om een mogelijk effect op stikstofgevoelige habitattypen inzichtelijk te maken kan onderzoek naar de neerslag van stikstof noodzakelijk gesteld worden. Voor de doorgang van een initiatief dient te worden aangetoond dat er geen significant negatieve effecten worden voorzien op een omliggend Natura 2000-gebied. Met de uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) is besloten dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet als toestemmingsbasis mag gelden voor nieuwe activiteiten. Er dient te worden aangetoond dat met het plan geen negatieve effecten worden voorzien op de omliggende Natura 2000-gebieden. In het stikstofonderzoek zal met het programma Aerius Calculator de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebieden inzichtelijk worden gemaakt. Bij een projectbijdrage van 0,00 mol/ha/jaar zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten.
Het ten op zichte van deelgebied A dichtstbijgelegen Natura 2000 gebied (Maasduinen) bevindt zich op een afstand van ongeveer 1,6 km vanaf het plangebied. Verstorende effecten van de nieuw te realiseren woning op dit gebied zijn allerminst te verwachten, omdat er geen oppervlakteverlies of verontreiniging plaatsvindt, geen mechanische effecten zijn en geen sprake is van verstoring door licht en geluid. Ook een significante optische verstoring is niet voorstelbaar. Op basis van het nieuwe Aerius-rekenprogramma (oktober 2020) is de depositie op de Maasduinen berekend; ook hieruit blijkt dat de depositie niet hoger is dan 0,00 mol/ha/j.
Het ten op zichte van deelgebied B dichtstbijgelegen Natura 2000 gebied (Deurnsche- en Mariapeel) bevindt zich op een afstand van ongeveer 6,6 km vanaf het plangebied. Verstorende effecten van de nieuw te realiseren woning op dit gebied zijn allerminst te verwachten, omdat er geen oppervlakteverlies of verontreiniging plaatsvindt, geen mechanische effecten zijn en geen sprake is van verstoring door licht en geluid. Ook een significante optische verstoring is niet voorstelbaar. Eerder zal er sprake zijn van een positief effect op dit Natura 2000-gebied vanwege het feit dat een agrarisch bedrijf wordt gestaakt en hiervoor een activiteit in de plaats komt welke minder effect op de natuur heeft.
| bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 51
Op basis van het nieuwe Aerius-rekenprogramma (oktober 2020) is de depositie op de Deurnsche- en Mariapeel berekend; ook hieruit blijkt dat de depositie niet hoger is dan 0,00 mol/ha/j.
NB: beide Aeriusberekeningen zijn uitgevoerd voordat het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering in werking trad; hierdoor had reeds een beoordeling plaatsgevonden van de stikstofdepositie als gevolg van de aanlegfase, welke noodzaak inmiddels is komen te vervallen.
5.6
Soortenbescherming
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wn) in werking getreden. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. De gebiedsbescherming wordt geregeld in hoofdstuk 2 van de Wn. Met de Wn wordt een eind gemaakt aan de discussies over de implementatie van de Europese richtlijnen. In artikel 3.1 Wn wordt direct een link gelegd met de Vogelrichtliijn. Alle vogels die beschermd zijn op grond van artikel 1 Vogelrichtlijn vallen onder het beschermingsregime van de artikel 3.1 Wn, voor zover deze vogels van nature in Nederland voorkomen. Artikel 3.1 eerste lid Wn ziet op het verbod om vogels te doden of vangen. De verboden in de Wn zijn vrijwel letterlijk overgenomen uit de artikelen 5 en 6 Vogelrichtlijn. Net als de in de Vogelrichtlijn zijn de verboden beperkt tot opzettelijke handelingen. Het beschermingsregime voor vogels is iets versoepeld ten opzichte van het systeem onder de Flora en faunawet. Het verbod op het opzettelijk verstoren van vogels is beperkt tot verstoringen die van “wezenlijke invloed” zijn op de staat van instandhouding van de soort. Onder wezenlijke invloed wordt verstaan: “een wezenlijke negatieve invloed op een beschermde soort”. Of daar sprake van is hangt af van de populatie van de diersoort. Hoe zeldzamer de soort hoe groter de kans dat naar bijvoorbeeld een lokale populatie moet worden gekeken.
Daarnaast is van belang of de populatie een negatief effect zelf teniet kan doen, bijvoorbeeld of er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn naar een volwaardig leefgebied elders. Als een populatie het effect niet zelf teniet kan doen is de kans groter dat het effect als wezenlijke invloed kan worden aangemerkt. Bij vogels is verstoring tijdens het broedseizoen niet langer verboden als de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar is. De wet voorziet in ruime mogelijkheden voor het verlenen van vrijstellingen, ook voor vogels en strikt beschermde soorten. Bij het verlenen van de vrijstelling moet aan dezelfde voorwaarden worden voldaan als bij het verlenen van de vroegere ontheffing. Een ontheffing van een verbod ex artikel 3.1 Wn kan slechts worden verleend indien:
| bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 52
er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is;
er geen sprake is van verslechtering van de staat van instandhouding van de soort;
en er een limitatief opgesomde ontheffingsgrond aan de ontheffing ten grondslag kan worden gelegd.
Quickscan flora en fauna Het plangebied deel A is op dit moment in gebruik als weiland en wordt met enige regelmaat gemaaid en geploegd, zodat het geen geschikte verblijfplaats is voor broedvogels. Water is binnen het plangebied niet aanwezig. Door de reguliere maaiwerkzaamheden worden overige diersoorten en plantensoorten verstoord dan wel gaan deze verloren. Uit de natuurgegevens van het gebied 'Lottum' welke zijn in te zien op www.limburgsevogels.nl valt op te maken dat zich binnen het plangebied geen beschermenswaardige dier- en plantensoort bevinden, althans dat over het afgelopen kalenderjaar (oktober 2019 - oktober 2020) geen soorten zijn waargenomen. Gelet op het bovenstaande is een verstoring van flora en fauna van in de omgeving voorkomende broedvogelsoorten door onderhavig project niet te verwachten.
Het plangebied deel B is op dit moment bebouwd met glasopstanden en kleinere agrarische bedrijfsgebouwen, waarin (beschermenswaardige) diersoorten een verblijfplaats hebben kunnen vinden. Water is binnen het plangebied niet aanwezig. Uit de natuurgegevens van het gebied 'Hegelsom - Tuinbouwgebied Reindonk' welke zijn in te zien op www.limburgsevogels.nl valt op te maken dat zich binnen dit deel van het plangebied geen beschermenswaardige dier- en plantensoort bevinden, althans dat over het afgelopen kalenderjaar (januari 2020 - januari 2021) geen soorten zijn waargenomen. Als gevolg van het slopen van de oude bebouwing, is het echter zeker niet uit te sluiten dat zich toch beschermde soorten in dit plangebied bevinden en er een verstoring van vogels of zoogdieren plaatsvindt. Gelet op het bovenstaande is een verstoring van flora en fauna van in de omgeving voorkomende broedvogelsoorten door onderhavig project niet onaannemelijk en is op 29 maart 2021 een ecologisch onderzoek (inclusief veldwerk) verricht dor FaunaConsult. Tijdens dit onderzoek is het volgende geconstateerd: 'Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd.
Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten
| bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 53
altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Vogels In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen en de sloopwerkzaamheden buiten deze periode uit te voeren. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan.'
Het ecologisch onderzoek is als bijlage aan de planstukken toegevoegd.
5.7
Archeologie en cultuurhistorie
Ten aanzien van archeologie is het uitgangspunt dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Gezien dit uitgangspunt mogen bekende archeologische monumenten niet aangetast worden en moet in geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde, in principe een inventariserend en waarderend vooronderzoek plaatsvinden. Eventueel aangetroffen waarden dienen primair ter plekke (in situ) beschermd te worden dan wel - indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is- door een opgraving (ex situ) te worden veilig gesteld. In gebieden met een lage indicatieve archeologische waarde is er een geringe kans op het aantreffen van archeologische waarden.
De raad van Horst aan de Maas heeft op 26 mei 2015 de 'Archeologische Maatregelenkaart Horst aan de Maas' vastgesteld. Het gemeentelijk grondgebied wordt hier opgedeeld in verschillende categorieën. Per categorie maakt het gemeentelijk archeologie beleid inzichtelijk of, en zo ja waar en wanneer archeologisch (voor)onderzoek nodig is bij ruimtelijke planvorming en bodemingrepen, en welke onderzoekseisen en ontheffingen daarbij gelden.
| bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 54
Figuur 13: Archeologische Maatregelenkaart plangebied De Steegh Lottum
Figuur 13a: Archeologische Maatregelenkaart plangebied Americaanseweg 99 Meterik
Uit bovenstaande uitsnede van de maatregelenkaart blijkt dat het plangebied deel A is gelegen in het gebied aangeduid als categorie 3, met een hoge archeologische verwachting en categorie 7, onbekende verwachting. Plangebied deel B valt, voorzover het het te nieuw te bebouwen deel betreft, binnen categorie 4 (gematigde archeologische verwachting). Een klein deel, waarop zich het agrarisch bouwvlak met de kas uitstrekt, is aangeduid als categorie 3 met een hoge archeologische verwachting.
| bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 55
Figuur 14: tabel met maatregelen per categorie
Voor zowel categorie 3 als categorie 7 is een maximaal verstoringsoppervlak van 500 m2 opgenomen, en een maximale verstoringsdiepte van 50 cm. Nu het plangebied deel A groter is dan 500 m2 zal hier een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Op 30 november 2020 is het archeologisch onderzoek uitgevoerd door Econsultancy BV. Uit deze (integraal als bijlage bij de planstukken toegevoegde) rapportage blijkt het volgende: 'Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek
| bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 56
Uit de landschappelijke ligging blijkt dat het plangebied in het Paleolithicum ongunstig is geweest voor jagers en verzamelaars maar in het Mesolithicum wel geschikt was. Het plangebied heeft voor archeologische resten uit het Paleolithicum dientengevolge een lage verwachting terwijl het voor archeologische resten uit het Mesolithicum een hoge verwachting heeft. Voor de perioden Neolithicum tot en met Late-Middeleeuwen zal het plangebied ongeschikt zijn geweest als vestigingsplaats voor landbouwers. Wel kunnen er in deze perioden rituele deposities in het plangebied uitgevoerd zijn waardoor deze perioden een middelhoge verwachting krijgen. Voor de Late-Middeleeuwen is de verwachting laag, de slechte afwatering zal het plangebied geen gunstige vestigingslocatie hebben gemaakt. Voor de Nieuwe tijd is de verwachting middelhoog aangezien niet uitgesloten kan worden dat bebouwing die vanaf de tweede helft van de 19e eeuw ten noordoosten van het plangebied heeft gestaan of het erf doorliep tot in het plangebied. Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit de boringen blijkt dat het plangebied een verstoorde bodemopbouw heeft van wisselende diepte onder maaiveld (boring 1 tot 75 centimeter, boring 2 tot 45 centimeter, boring 3 tot 60 centimeter, boring 4 tot 80 centimeter, boring 5 tot 90 centimeter en boring 6 tot 30 centimeter).
Bij boringen 1, 2, 4 en 6 ligt hieronder direct een grindige Cg-horizont (Maasafzettingen) maar bij boringen 4 en 5 ligt hieronder veen (beek en/of Maasafzettingen). Het aangetroffen veen kan zijn ontstaan in de oude beekloop, maar omdat beeklopen vaak in oude Maasarmen lopen kan het ook zijn ontstaan in de periode dat de Maas (periodiek) door het plangebied heen stroomde. Het kan ook zijn dat het onderste veenpakket is ontstaan in de oude Maasarm, daarna bedekt is geraakt met zand en vervolgens dat er in de beek veen is gevormd. Conclusie en Advies De aangetroffen bodemopbouw is van dien aard dat de verwachting voor het Mesoilithicum kan worden bijgesteld naar laag. De bodem van het plangebied is dermate verstoord dat resten uit deze periode, die zich vooral kenmerken door vuursteenstrooiingen aan het oppervlak, verstoord zullen zijn. In het veen dat bij boringen 4 en 5 is aangetoond kunnen nog wel rituele deposities voorkomen uit het Neolithicum tot en met Vroege-Middeleeuwen, de middelhoge verwachting blijft hierdoor voor deze perioden gehandhaafd (zie figuur 11). Deze resten liggen echter wel op grote diepte, op 80 centimeter -mv bij boring 4 en onverstoord op 90 centimeter -mv bij boring 5.
Daarnaast gaat het hier om puntlocaties die alleen opgespoord kunnen worden door middel van een proefsleuvenonderzoek (variant archeologische begeleiding) en dit zal alleen noodzakelijk zijn als er grootschalige ontwikkelingen gaan plaats vinden ter plaatsen van de oude beek. Deze zijn hier niet gepland, dus voor dit deel van het plangebied adviseert Econsultancy een dubbelbestemming archeologie waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden bewaard. Hiertoe dienen beschermende regels in het bestemmingsplan te worden opgenomen. | bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 57
Over de middelhoge verwachting voor resten uit de Nieuwe tijd kan het booronderzoek geen duidelijkheid verschaffen; dat kan een verkennend booronderzoek zelden doordat bodemverstoringen kunnen wijzen op sporen en de kans op aantreffen van vondsten klein is. De vraag blijft of de bebouwing in de laatste helft van de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw, zoals weergegeven op de historische kaarten van 1895 tot 1936, inderdaad doorliep tot in het plangebied of dat dit een cartografische fout is en het erf altijd op de plek heeft gelegen waar het nu ligt. Om dit te kunnen vaststellen zou een karterende vervolg fase noodzakelijk zijn, ons advies is dit door middel van een karterend booronderzoek te doen. Dit karterend booronderzoek zou zich dan alleen hoeven te richten op dat deel van het plangebied aansluitend op het historische erf (zie figuur 11), wat ongeveer 100 m2 is. Bij het karterend booronderzoek dienen vijf boringen te worden gezet waarna het opgeboorde materiaal bodemkundig wordt beschreven en de archeologisch relevante bodemlagen worden gezeefd met behulp van een zeef met een maaswijdte van 4 mm. Het zeefresidu wordt geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem, bot etc.
Door middel van het karterend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn. Voor de rest van het plangebied wordt vrijgave geadviseerd. Bovenstaand betreft een advies, opgesteld door Econsultancy. Het advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas). Na beoordeling wordt door de bevoegde overheid een besluit genomen. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden in die delen van het plangebied waar vrijgave voor is geadviseerd toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden ge-maakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).
Cultuurhistorische waarden van een gebied worden bepaald door de aanwezigheid van historisch bouwkunst (rijks - en/of gemeentelijke monumenten), historische stedenbouw (historische ruimtelijke structuren), oude of jonge cultuurlandschappen, archeologische vindplaatsen en/of archeologische verwachtingswaarden. Volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Limburg is het plangebied te typeren als cultuurland (geperceleerd grasland) met een sinds 1830 weinig veranderd verkavelingspatroon.'
| bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 58
Op 7 mei 2021 heeft Econsultancy BV het aanvullend karterend booronderzoek uitgevoerd. Dit inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, karterende fase) heeft tot doel antwoorden te vinden op de vraag of er archeologische vondsten en/of sporen en/of lagen aanwezig zijn, in welke mate de resultaten overeen stemmen met de verwachtingen en indien er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig is, wat zijn dan de gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen voor de vindplaats? Tevens wordt getracht om een eerste indruk te verkrijgen van de kwaliteit (gaafheid en conservering), aard, datering, omvang en diepteligging hiervan. Uit de resultaten van het karterend booronderzoek kan, gezien het ontbreken van archeologische indicatoren, de conclusie getrokken worden dat er in het plangebied geen archeologische vindplaats aanwezig is.
Deze rapportage is eveneens als bijlage bijgevoegd.
Plangebied deel B heeft, voorzover het de nieuwe bestemming Wonen betreft, na gebruikmaking van afwijkingsmogelijkheden van de bouwregels, een maximale roering van de bodem tot gevolg van circa 700 m2, hetgeen kleiner is dan het maximale verstoringsoppervlak van 2500 m2 (categorie 4). Het deel van de bestemming Wonen welke de dubbelbestemming Waarde Archeologie - 3 heeft (en zal behouden) en waarvoor een maximaal verstoringsoppervlak geldt van 500 m2, zal nimmer voor meer dan deze drempel van 500 m2 bebouwd (en dus geroerd) gaan worden. Het overige deel van dit plangebied deel B zal een agrarische hoofdbestemming (zonder bouwvlak) krijgen. De dubbelbestemmingen Waarde Archeologie 3 en 4 voor deelgebied B zullen conform het vigerende bestemmingsplan Buitengebied 2017 worden overgenomen, om ervoor te zorgen dat eventueel aanwezige archeologische waarden op gelijke wijze zullen worden beschermd als op dit moment het geval is.
5.8
Verkeer en parkeren
5.8.1
Verkeer
Deelgebied A: Het plangebied ligt ten zuidwesten van de kern Lottum, net buiten de kern. De Steegh verbindt de Horsterdijk en de Hoofdstraat met elkaar; het plangebied bevindt zich midden tussen beide ontsluitingswegen in. Aan De Steegh is een snelheid van 60 km/u toegestaan. Voor langzaamverkeer is er een rechtstreekse ontsluiting in noordoostelijke richting naar het centrum van Lottum (doodlopende weg).
| bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 59
In de omgeving van het plangebied zijn ook openbaar vervoersmogelijkheden. Zowel aan de Hoofdstraat als aan de Horsterdijk zijn bushaltes gelegen, respectievelijk van lijn 88 en 789 (onder andere naar NS-station Venlo). De bushaltes bevinden zich beiden op loopafstand (circa 300 meter). Verder kan gebruik worden gemaakt van het treinstation Horst-Sevenum (treinverkeer VenloEindhoven), dat op een afstand van ruim 11 km ligt. Het plan leidt niet tot substantieel extra verkeersbewegingen. De verkeersbewegingen zullen beperkt blijven tot bewoners- en bezoekersverkeer. Het project heeft geen wezenlijke consequenties voor de wegenstructuur en verkeersveiligheid.
Deelgebied B: Het plangebied is gelegen in het buitengebied ten westen van de kern Horst, midden tussen de kernen Meterik (noorden) en Hegelsom (zuiden). De Americaanseweg is (samen met de Nieuwe Peeldijk) de ontsluitingsweg voor langzaam verkeer tussen de kernen Horst en America. De Americaanseweg is voorzien van 2 verkeerssluizen, welke deze weg ongeschikt maken om als sluiproute te dienen voor gemotoriseerd verkeer. Gemotoriseerd verkeer wordt ontsloten via de Oude Peeldijk. Aan de Americaanseweg is ter hoogte van het plangebied deel B een snelheid van 60 km/u toegestaan. In de omgeving van het plangebied zijn geen openbaar vervoersmogelijkheden. De meest nabijgelegen bushalte is gelegen aan de Westsingel (Kranestraat) te Horst, op een afstand van 1,6 km; betreffende bushaltes worden aangedaan door lijn 87, 289 en 789 (onder andere naar NS-station Horst-Sevenum). Ook kan gebruik worden gemaakt van het treinstation Horst-Sevenum (treinverkeer Venlo-Eindhoven), dat op een afstand van (hemelsbreed) bijna 2,5 km ligt. Het plan leidt niet tot extra verkeersbewegingen; per saldo zal er, in vergelijking met agrarische bedrijfsactiviteiten, sprake zijn van een afname van aantal en zwaarte van verkeersbewegingen. De verkeersbewegingen als gevolg van de nieuwe bestemming Wonen zullen beperkt blijven tot bewoners- en bezoekersverkeer.
Het project heeft hierdoor geen dan wel uitsluitend positieve consequenties voor de wegenstructuur en verkeersveiligheid.
5.8.2
Parkeren
De parkeernorm op basis van de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas 2019 betreft voor woningen met dubbele oprit naast elkaar minimaal 2 parkeerplaatsen op eigen terrein met welke per stuk minimaal 6 meter diep en 2,5 breed zijn. Gelet op de omvang van het nieuwe bouwperceel in beide deelgebieden, kunnen en zullen de beide benodigde parkeergelegenheden geheel op eigen terrein worden aangelegd.
| bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 60
5.9
Duurzaamheid
Bij de realisatie van de woning zullen duurzame materialen worden gebruikt. Ook het hergebruik van hemelwater, afkoppelen van hemelwater, gebruik van zonne-energie ten behoeve van elektriciteit en warm water, gasloos bouwen, gebruik van aardwarmte en warmte-terugwin-installaties en het optimaal rekening houden met de lichtinval op en in de woning zijn duurzaamheidsmaatregelen welke in de bouwplannen aandacht zullen hebben.
| bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 61
HOOFDSTUK 6 UITVOERBAARHEID
6.1
Economische uitvoerbaarheid
De realisatie van het project geschiedt voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. De gronden zijn in eigendom van de initiatiefnemer. Kostenverhaal zal geregeld worden in een tussen de gemeente Horst aan de Maas en de initiatiefnemer af te sluiten anterieure overeenkomst. Door de vaststelling van deze anterieure overeenkomst is het verhaal van de gemeentelijke kosten van de grondexploitatie over de in dit plan begrepen gronden afdoende verzekerd. Tenslotte wordt ook een planschadeverhaalsovereenkomst zoals bedoeld in art. 6.4a Wro met initiatiefnemer afgesloten. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Horst aan de Maas komt maar voor rekening van de initiatiefnemer.
6.2
Handhaving
De doelstellingen van het ruimtelijke beleid kunnen slechts verwezenlijkt worden, indien de regels van het bestemmingsplan worden nageleefd. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray hebben hun handhavingscapaciteit gebundeld. Beleidsuitgangspunten voor toezicht en handhaving zijn vastgelegd in de Nota integraal Handhavingsbeleid Horst aan de Maas en Venray (2012-2015). Het beleidsplan bevat naast een visie, doelstellingen en prioriteiten ook de werkwijze hoe met geconstateerde overtredingen wordt omgegaan en welke strategieën daarbij worden gevolgd. Ook wordt invulling gegeven aan de vele eisen die wet- en regelgeving aan de gemeentelijke taakuitvoering stelt. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: De gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar gestructureerd en integraal handhavingsbeleid waarbij preventief beleid voorop staat. De betrokkenheid en eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt, volgt daadwerkelijk handhavend optreden (repressieve inzet).
| bestemmingsplan De Steegh ong/Americaanseweg 99 Meterik | status: vastgesteld |
Pagina | 62
De uit deze visie voortvloeiende doelstellingen en beleidsuitgangspunten van het handhavingsbeleid zijn: 1. Appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid. 2. Preventie gaat boven repressie; 3. Draagvlak creëren. 4. Klantgericht handelen. 5. Alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen.
Concreet betekent dit dat nadrukkelijk wordt ingezet op preventie. Leidend uitgangspunt is dat burgers, bedrijven en instellingen worden vertrouwd in een rechtmatige uitoefening van hun activiteiten. Er wordt daarbij ervan uitgegaan dat men, met gerichte voorlichting en communicatie, verantwoordelijk kan worden gemaakt (en gehouden) voor de naleving van geldende wet- en regelgeving. Daarbij past een bewuste differentiatie van de handhavingsinzet. In een jaarlijks op te stellen handhavingsuitvoeringsprogramma (HUP) worden de prioriteiten vertaald naar actie.
6.3
Maatschappelijk uitvoerbaarheid
Procedure Elk nieuw bestemmingsplan ontstaat uit een initiatief. De totstandkoming begint met de beslissing dat een bestemmingsplan zal worden opgesteld. Conform artikel 3.1.1. Bro worden de provincie Limburg, de VROM-inspectie, de wegbeheerder en Waterschap Limburg in het kader van dit bestemmingsplan betrokken in het vooroverleg. Artikel 3.8 Wro regelt de procedure van het bestemmingsplan. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Hierbij zijn een aantal aanvullingen: 1. kennisgeving, zoals bedoeld in artikel 3:12 Awb, dient tevens te worden gepubliceerd in de Staatscourant en langs elektronische weg te worden verzonden; 2. het ontwerpbestemmingsplan dient te worden verstuurd aan het Rijk, provincie, waterschappen en aan de besturen van bij het plan een belang hebbende gemeenten; 3. kennisgeving aan de eigenaren van percelen welke de bestemming in de naaste toekomst zal worden verwezenlijkt; 4. door een ieder kunnen zienswijzen naar voren worden gebracht; 5. de gemeenteraad beslist binnen 12 weken, na de ter inzage termijn omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan (termijn van orde).