10c Toelichting
Tekst van het document
Hoofdstuk 4
31
Ten aanzien van vleermuizen3 is een nader onderzoek uitgevoerd ten aanzien van het voorkomen van rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Binnen het plangebied zijn geen rust- en verblijfplaatsen van een vleermuissoort waargenomen. Er gaan bij werkzaamheden geen rust- en verblijfplaatsen, essentieel leefgebied of vliegroutes verloren. Overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming met betrekking tot een vleermuissoort is uitgesloten. Andere diersoorten als vogels, zoogdieren en amfibieën kunnen in het plangebied aanwezig zijn. Hiervoor geldt de zorgplicht. Dit houdt in dat men zorg moet dragen voor aanwezige individuen, ook algemene soorten. Men moet deze dieren de tijd geven om het plangebied te verlaten. Weinig mobiele soorten als egel of pad kunnen met beleid naar buiten het plangebied worden verplaatst. Daarnaast zijn broedende vogels en hun nesten tijdens het broedseizoen beschermd. Geadviseerd wordt om het opgaand groen binnen het plangebied buiten het broedseizoen te verwijderen, om verstoring van broedende vogels te voorkomen. Het broedseizoen loopt gemiddeld van half maart tot half augustus. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval.
3
Resultaten vervolgonderzoek vleermuizen, 7 oktober 2021
Hoofdstuk 4
32
Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen: Bij de werkzaamheden wordt een onderdeel van een houtopstand gekapt. Indien het plangebied buiten de bebouwde kom houtopstanden is gelegen dient een kapmelding gedaan te worden bij de provincie, ook dienen de bomen in dat geval conform het onderdeel houtopstanden te worden herplant; Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op opgaand groen te worden vermeden; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Stikstofdepositie Er is door BRO een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de separate bijlagen.
De afstanden tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Deurnsche Peel & Mariapeel, bedraagt ca. 6,4 km. Uit de rekenresultaten blijkt dat er in de aanlegfase en de gebruiksfase geen sprake is van depositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Conclusie stikstof Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van onderhavig ruimtelijk initiatief.
4.9 Cultuurhistorie 4.9.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan.
Hoofdstuk 4
33
De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.9.2 Onderzoek De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op mogelijk aanwezige rijksmonumenten. Het plangebied is gelegen in de cultuurhistorische elementen cultuurlandschap bestaande uit grasland en enkeerdgrond. De dichtstbijzijnde gelegen waardevol element betreft de Speulhofsbaan. Dit is een weg ouder dan 1806. Doordat het tracé van de Speulhofsbaan intact blijft, en er verder geen cultuurhistorisch waardevolle elementen en monumenten aanwezig zijn binnen het plangebied is nader onderzoek voor wat betreft cultuurhistorie niet vereist. 4.9.3 Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
4.10 Archeologie 4.10.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. 4.10.2 Onderzoek Volgens het vigerende bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan buitengebied Horst aan de Maas’ geldt er voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Op en in de gronden als bedoeld in lid 31.1 mag niet worden gebouwd, met uitzondering van: a. het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bebouwing minder diep reikt dan 50 centimeter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst; b. bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte met niet meer dan 2.500 m² wordt uitgebreid;
Hoofdstuk 4
34
c. de bestaande bebouwing wordt vergroot met een oppervlakte van ten hoogste 2.500 m²; d. gebouwen en/of bouwwerken die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning. Het ruimtelijk initiatief voorziet in het amoveren van de huidige kantine en kleedkamers en het oprichten van een sporthal met ondersteunende functies. De sporthal zal op vrijwel dezelfde locatie als de huidige bebouwing worden gerealiseerd en zal een totaaloppervlak kennen van 1.008 m². Hierdoor blijft het oppervlak van de sporthal onder de genoemde grens van 2.500 m². Daarnaast is het de verwachting dat de werkzaamheden niet dieper zullen gaan dan 0,5 m-mv. Hierdoor is een archeologisch onderzoek vooralsnog niet noodzakelijk. 4.10.3 Conclusie Afhankelijk van het oppervlak van de sporthal vormt het aspect archeologie geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.11 Verkeer en parkeren De beoogde ontwikkeling dient niet te leiden tot verkeerskundige knelpunten en er dient in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien. Hierbij wordt voor het aspect parkeren getoetst aan het gemeentelijk Parkeerbeleidsplan. De verkeersaantrekkende werking wordt beoordeeld aan de hand van CROW-kengetallen. 4.11.1 Verkeer Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie voor het plangebied is berekend volgens de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren – Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Hierbij is uitgegaan van de stedelijkheidsgraad ‘niet stedelijk’ met de ligging ‘buitengebied’. Op basis van de normen zal het nieuwbouwplan voor het oprichten van de sporthal 252 motorvoertuigen per etmaal genereren voor een gemiddelde weekdag (zie onderstaande tabel). De toekomstige sporthal kent een oppervlak van circa 2.259 m². Echter dient het oppervlak van de functies behorende bij de voetbalvereniging (bergingen, etc.) (circa 308 m²) niet meegenomen te worden in de berekening van de verkeersgeneratie doordat deze functies reeds aanwezig zijn. Hierdoor bedraagt het oppervlak van de nieuwe sporthal 1.951 m². De verkeersgeneratie van een sportveld is niet aangegeven in de CROW-publicatie en is daardoor niet meegenomen in onderstaande tabel.
Daarnaast betreft de ruimtelijke ontwikkeling slechts het toevoegen van een sporthal; de voetbalvereniging zal blijven bestaan. In onderstaande tabel zijn dus alleen de extra verkeersbewegingen voor het plangebied berekend.
Hoofdstuk 4
35
Categorie
Sporthal
Oppervlak in m²
1.951
Verkeersgene-
Verkeersgenera-
Verkeersgene-
Verkeersgenera-
ratie per 100 m²
tie per 100 m²
ratie minimaal
tie maximaal
minimaal
maximaal
11,2
12,9
218,5
251,7
In de huidige situatie heeft het plangebied reeds een sportbestemming. De huidige bebouwing doet dienst als kleedkamers en kantine van de voetbalvereniging. De kantinefunctie en de kleedkamers zullen in de toekomstige situatie worden gerealiseerd in de nieuwe sporthal. De activiteiten die momenteel plaatsvinden genereren ook een bepaalde verkeergeneratie. Deze verkeersbewegingen zijn niet meegenomen in de berekening van de verkeersgeneratie, omdat er geen veranderingen optreden binnen de voetbalvereniging waardoor er wordt aangenomen dat er geen verandering plaatsvindt in de verkeersgeneratie voor de voetbalvereniging. Als de ‘nieuwe’ verplaatsingen van de sporthal worden toegedeeld aan de Speulhofsbaan, dan wordt verwacht dat deze weg dit extra verkeer goed kan verwerken. 4.11.2 Parkeren Op basis van de parkeernormen, zoals vervat in de ‘Nota Parkeernormen’ vastgesteld op 11 juli 2019, is het aantal benodigde parkeerplaatsen voor het plangebied bepaald. Op basis van de normen dienen er in het plan 107 parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden (zie onderstaande tabel). Dit is inclusief het aandeel parkeerplaatsen voor de huidige voetbalvereniging. Voor de voetbalvereniging is uitgegaan van het netto oppervlak in hectare van twee wedstrijdvelden. Oefenvelden, kantine, kleedkamers en toiletten zijn hierbij niet meegenomen. Categorie
Oppervlak in m²
Parkeernorm
Parkeerbehoefte
Sporthal
1.951
3,5 (per 100 m²)
68,3
Voetbalvereniging
18.650 (1,9 ha)
20,0 (per hectare, 1.000
38
m²) Totaal
106,3
Echter is dit aantal parkeerplaatsen gezien de huidige situatie op het sportpark relatief hoog. Hierdoor wordt er gekeken naar mogelijkheden tot afwijken van de parkeernormen zoals deze zijn opgenomen in de ‘Nota Parkeernormen’ van de gemeente Horst aan de Maas. Om gemotiveerd af te wijken van de gemeentelijke parkeernorm wordt er aangesloten bij de normen zoals deze zijn opgenomen in de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren – Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Op basis van de parkeernormen, zoals vervat in de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren – Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ is het aantal benodigde parkeerplaatsen voor het plangebied bepaald. Hierbij is uitgegaan van de stedelijkheidsgraad ‘niet stedelijk’ met de ligging ‘buitengebied’ en is uitgegaan van de minimale parkeernorm. Op basis van de normen dienen er in het plan 88 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden (zie onderstaande tabel). Dit is inclusief het aandeel parkeerplaatsen voor de huidige voetbalvereniging. Voor de voetbalvereniging is uitgegaan van het netto oppervlak in hectare van twee wedstrijdvelden. Oefenvelden, kantine, kleedkamers en toiletten zijn hierbij niet meegenomen.
Hoofdstuk 4
36
Categorie
Oppervlak in m²
Parkeernorm
Parkeerbehoefte
Sporthal
1.951
3,2 (per 100 m²)
62,4
Voetbalvereniging
18.650 (1,9 ha)
13,0 (per hectare, 1.000
24,7
m²) Totaal
87,1 (afgerond 88)
Parkeren in plan Het parkeren zal plaatsvinden op het daarvoor ontworpen parkeerterrein. Dit parkeerterrein wordt via twee ontsluiting ontsloten op de Speulhofsbaan. Uitgaande van de parkeernormen uit de ‘Nota parkeernormen’ zijn er 107 parkeerplaatsen noodzakelijk voor onderhavig ruimtelijk initiatief. Doordat dit aantal parkeerplaatsen relatief hoog is, wordt er eveneens gekeken naar de parkeerbehoefte wanneer deze is berekend aan de hand van de minimale normen van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren – Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Uitgaande van de CROW-publicatie 381 betekend dit dat er maximaal 88 parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden. Voor onderhavig ruimtelijk initiatief wordt aangesloten bij de minimale parkeernormen zoals deze in de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren – Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ zijn opgenomen. Voor onderhavig ruimtelijk initiatief zal worden voorzien in het realiseren van 91 parkeerplaatsen. Daarnaast worden voor het parkeren worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: In het eerste jaar na realisatie zal er een monitoring plaatsvinden van de parkeerdruk middels parkeerdrukmetingen (meetmoment i.o.v.
met gemeente); Voor de parkeerplaatsen die in eerste instantie niet worden gerealiseerd wordt ruimte en aanlegbudget gereserveerd; Bij blijk van een te hoge parkeerdruk worden niet-aangelegde parkeerplaatsen alsnog aangelegd op de daarvoor gereserveerde ruimte (107 parkeerplaatsen, conform gemeentelijke ‘Nota Parkeernormen’); A.d.h.v. de parkeerdrukmetingen bepaald de gemeente wat onder een ‘te hoge parkeerdruk’ verstaan wordt. Het is uiterst onwaarschijnlijk dat alle parkeerplaatsen tegelijkertijd bezet zijn doordat er verschillende tijden zijn waarop trainingen of wedstrijden plaatsvinden. Ook is het sportpark op maximaal 2,5 kilometer afstand gelegen van het centrum van Horst aan de Maas. Sporters zullen door de relatief korte afstand tot het sportpark regelmatig gebruik maken van de fiets in plaats van de auto. Om te stimuleren dat (lokale) sporters en toeschouwers te voet of met de fiets naar het sportpark komen, kiest de gemeente voor een gefaseerde uitvoering van het aantal parkeerplaatsen. In eerste instantie zullen 91 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Indien dit aantal parkeerplaatsen onvoldoende blijkt te zijn zullen er parkeerplaatsen worden toegevoegd conform de ‘Nota Parkeernormen’ van de gemeente Horst aan de Maas. Hiertoe is voldoende ruimte in of nabij het plangebied aanwezig.
Door het hanteren van de lagere parkeernorm is er meer ruimte voor natuur binnen het plangebied waardoor negatieve effecten van klimaatverandering (bijvoorbeeld het hitteeilandeffect) wordt tegengegaan.
Hoofdstuk 4
37
Het aspect verkeer en parkeren vormt derhalve vooralsnog geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie Het ruimtelijk initiatief voorziet in het amoveren van de huidige kleedkamers en kantine om ruimte te maken voor de realisatie van een sporthal waarin eveneens een kantine en kleedkamers gerealiseerd worden. Daarnaast zal de parkeerplaats opnieuw worden ingericht en uitgebreid. De voetbalvereniging zal blijven bestaan waardoor de huidige verkeer- en parkeersituatie ten opzichte van de voetbalvereniging zelf niet veranderd. De toevoeging van de sporthal zorgt hier wel voor. De verkeersintensiteit en de parkeerbehoefte voor de sporthal zijn berekend en verwacht wordt dat het aspect verkeer en parkeren geen belemmering vormt voor de realisatie van onderhavig ruimtelijk initiatief. In eerste instantie zullen 91 parkeerplaatsen worden gerealiseerd (conform minimale parkeernormen CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren – Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’). Na realisatie van de parkeerplaatsen vind er een monitoring plaats om de werkelijke parkeerbehoefte te onderzoeken. Indien blijkt dat de parkeerbehoefte groter is dan waarin is voorzien, is ruimte en budget vrijgemaakt om de overige parkeerplaatsen te realiseren (conform gemeentelijke parkeernota).
Hierdoor kan worden geconcludeerd dat het aspect verkeer en parkeren geen belemmering vormt voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
4.12 Duurzaamheid Nederland staat voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten er steeds meer mensen gehuisvest worden, ook moet er rekening gehouden worden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Nederland krijgt volgens de meest recente KNMI-modellen in de toekomst te maken met meer extreme weersomstandigheden zoals langere droge periodes, heftigere buien (met mogelijk meer onweer, neerslag, hagel en wind) en gemiddeld zal de temperatuur stijgen. De gemeente Horst aan de Maas heeft op 18 februari 2020 een ‘Duurzaamheidsprogramma ‘Horst aan de Maas 2020 – 2050’ opgesteld. Het duurzaamheidsprogramma is de opvolger van het Actieplan Duurzaamheid 2014-2018, dat op initiatief van de gemeenteraad is opgesteld. De uitvoering van dat Actieplan heeft geleid tot vele goede initiatieven en maatregelen. Met als kroon op het werk de toekenning van de Europese Green Leaf Award. Die erkenning kreeg Horst aan de Maas vanwege de grote rol die inwoners spelen bij duurzaamheidsinitiatieven. In de Duurzaamheidsagenda zijn vier hoofddoelen aangegeven: 1. Klimaatneutraliteit: Het beperken van de uitstoot van broeikasgassen om verdere opwarming van de aarde te voorkomen. De energietransitie is onderdeel van de aanpak om klimaatneutraal te worden. In 2050 stoot de gemeente netto geen broeikasgassen meer uit en is daarmee klimaatneutraal; 2.
Klimaatbestendigheid: Het treffen maatregelen tegen de negatieve effecten van het veranderend klimaat. Hiermee verbeterd de gemeente het leefklimaat. In 2050 is Horst aan de Maas volledig klimaatbestendig.
Hoofdstuk 4
38
3. Circulariteit: De gemeente werkt toe naar een circulaire economie met een maximalisatie met betrekking tot hergebruik en het sluiten van kringlopen, zowel voor technische materialen als voor materiaal van biologische oorsprong. Het streven naar een moderne kringlooplandbouw valt eveneens onder circulariteit. De voedselproductie en overige agrarische bedrijvigheid wordt eveneens toekomstbestendig ingericht, zowel in ecologisch als in sociaal en economisch opzicht. In 2050 hebben we een duurzaam gedreven, volledig circulaire economie. 4. Biodiversiteit: De gemeente werkt toe naar een natuurinclusieve economie. In alle beslissingen wegen de gevolgen voor de natuur en de biodiversiteit mee. Het verlies aan biodiversiteit in Horst aan de Maas wordt tot stilstand gebracht en er wordt actief ingezet op het beschermen en versterken van de verscheidenheid aan plant- en diersoorten die leven in Horst aan de Maas. De gemeente Horst aan de Maas heeft naast het duurzaamheidsprogramma ook een Kadernota Opwekken Duurzame Elektriciteit (KODE) opgesteld. KODE geeft de kaders die het mogelijk maken lokaal duurzame energieprojecten te realiseren. De gemeente Horst aan de Maas wil in 2050 volledig zijn overgestapt naar duurzame energie en hiermee klimaatverandering tegengaan.
Hierbij is het belangrijk dat wij als gemeente grip hebben op de realisatie van een duurzame energievoorziening en dat de opbrengsten hieruit zoveel mogelijk lokaal worden ingezet. De KODE biedt inzicht in hoe de gemeente Horst aan de Maas om gaat met de realisatie van grootschalige opwek van zonne- en windenergie. De ambitie voor de opwekking van duurzame energie tot 2030 is ingedeeld middels vier sporen: spoor 1: Meervoudig ruimtegebruik, zoals zon-op-dak en reststroken, en kleinschalige zonneweides tot 0,5 hectare. Deze zijn nu al mogelijk en worden ook verder gestimuleerd met voorlichting en advies. Met spoor 1 wekken we ongeveer 255 TJ op; Spoor 2: Middelgrote zonneweides. We willen maximaal zes zonneweides, met een totale grootte van 75 hectare, vergunnen. De grootte van de zonneweides zijn indicatief 5-15 hectare. In verband met de exploitatieperiode van zonneweides en de potentieel tijdelijke rol van zonneweides in het landschap zullen we een vergunningsperiode van maximaal 25 jaar inbouwen. Bij het toetsen van de plannen worden strikte landschappelijke criteria en stellen we eisen om te waarborgen dat onze inwoners, via een energiecoöperatie, kunnen meeprofiteren van de opbrengsten. Met spoor 2 gaan we ongeveer wekken 133 TJ opwekken; Spoor 3: Energielandschappen.
We willen een gebiedsverkenning starten naar de mogelijkheden tot twee grootschalige energieprojecten in de vorm van een energielandschap (wind- en/of zonneenergie). Een onafhankelijke gebiedsverkenner gaat de mogelijkheden hiervoor verkennen. Bij de ontwikkeling van een energielandschap zetten wij nadrukkelijk in op een bredere gebiedsontwikkeling, waarbij ook wordt ingezet op de transitie in de landbouw, natuurontwikkeling en klimaatadaptatie. Met spoor 3 willen we ongeveer 713 TJ gaan opwekken. Dat is 223 TJ aan windenergie (indicatief 7 windturbines) en 275 hectare zonnepanelen; Spoor 4: Innovatie, netwerken en opslag. In dit spoor focussen we op de ontwikkeling van nieuwe technologieën voor energie-opwek en de opslag daarvan. Daarbij werken we nauw samen met andere overheden in RES-verband.
Hoofdstuk 4
39
Doorwerking plangebied Het ruimtelijk initiatief voorziet in het amoveren van de huidige bebouwing van de kantine en de kleedkamers om ruimte te creëren voor de realisatie van een nieuwe sporthal inclusief kleedkamers en kantine. Onderhavig ruimtelijk initiatief betreft een ontwikkeling in spoor 1: meervoudig ruimtegebruik. Op het dak van de sporthal zullen in ieder geval 40 zonnepanelen worden gerealiseerd. In het planvoornemen voorziet daarnaast in het realiseren van een wadi ten zuiden van sportveld 1. De wadi voorziet in het tijdelijk opslaan van afstromend overtollig hemelwater dat op de sportvelden valt. De wadi zorgt voor een vertraagde afvoer van het hemelwater en draagt daarmee bij aan het klimaatbestendig inrichten van de openbare ruimte.
4.13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.13.1 Toetsingskader Bij het besluit van 21 februari 2011 is het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer in lijn brengen van het besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling). Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang. Vanaf 16 mei 2017 is de Herziening van de m.e.r- wetgeving in werking getreden. Als een project (activiteit die voorkomt in Bijlage D van het Besluit m.e.r.) nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet dan binnen 6 weken beslissen of een m.e.r.-plicht geldt. 4.13.2 Aanmeldingsnotitie m.e.r. Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld.
Het bevoegd gezag beslist of er een m.e.r.-plicht geldt. De conclusie van de m.e.r.-beoordeling is dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor de kenmerken van het gebied en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Er worden geen negatieve effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden. Geconcludeerd wordt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht en dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk wordt geacht. In de notitie wordt het bevoegd gezag geadviseerd te besluiten dat er geen MER behoeft te worden vastgesteld.
Hoofdstuk 4
40
5.
JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING 5.1 Algemene opzet Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels). Bij het opstellen van de regels is aangesloten bij de systematiek van het bestemmingsplan ‘Gelderakkers’. Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: De toelichting Een planbeschrijving, beleidsverantwoording en een toets aan de relevante milieuhygiënische en ruimtelijke aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet en een korte beschrijving van de handhavings- en uitvoeringsaspecten. De regels De regels geven aan wat de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn binnen het plangebied. Uitgegaan is van de standaarden, die de gemeente hanteert. De verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemming(en) en aanduidingen weergegeven, zoals beschreven wordt in paragraaf 5.2.
5.2 Toelichting op de regels De regels zijn onderverdeeld in drie hoofdstukken: in hoofdstuk 1 zijn de inleidende regels opgenomen; hoofdstuk 2 omvat de bestemmingsregels; hoofdstuk 3 omvat de algemene regels en het overgangsrecht. Hierna wordt een toelichting gegeven op de voornoemde hoofdstukken en daarin opgenomen artikelen. Hoofdstuk 1. Inleidende regels Begrippen Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen.
Hoofdstuk 5
41
Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken worden gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels Sport De bestemming Sport is gegeven aan die gronden, welke onderdeel uitmaken van de voetbalvereniging. Binnen deze bestemming zijn eveneens parkeervoorzieningen, in- en uitritten, voet- en fietspaden en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Binnen de bestemming ‘Sport’ zijn ook detailhandel en horeca ten behoeve van de betreffende functie toegestaan. Binnen de bestemming ‘Sport’ zijn daarnaast de volgende aanduidingen opgenomen: ‘Sporthal’ ‘Sportveld’ Pannaveld, BMX en halfpipe’ Binnen de bestemming ‘water’ is daarnaast de aanduiding ‘Wadi’ opgenomen. Verlichting mag een maximale hoogte van 12 meter hebben, sport- en spelattributen een hoogte van 8 meter. Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen maximaal 20 meter hoog zijn. Archeologie De voor 'Waarde - Archeologie 3', 'Waarde - Archeologie 4', 'Waarde - Archeologie 6' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden. Verkeer De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor verkeersdoeleinden, met dien verstande dat: 1.
daar waar wegen en primaire wateren/hoofdwatergangen elkaar kruisen, de gronden mede zijn bestemd voor de waterhuishouding met bijbehorende voorzieningen; 2. daar waar wegen en spoorwegen elkaar kruisen, de gronden mede zijn bestemd voor het railverkeer met de bijbehorende voorzieningen, het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de waarden en belangen ter plaatse van de aanduidingen zoals die zijn opgenomen in artikel 12; met de daarbij behorende voorzieningen, zoals groenvoorzieningen, geluidswerende voorzieningen en verkeersregulerende voorzieningen bermen en wegbeplantingen, wandel- en/of fietspaden, faunapassages, voorzieningen van openbaar nut, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Waterstaat De voor 'Waterstaat - Profiel van vrije ruimte' aangewezen gronden zijn, behalve voor de aan de andere aan de grond gegeven bestemmingen, primair bestemd voor het beheer en onderhoud van de
Hoofdstuk 5
42
binnen het plangebied gelegen waterloop, alsmede voor de ontwikkeling en bescherming van de ecologische waarden van de waterloop. Hoofstuk 3. Algemene regels In dit onderdeel van de regels komen algemene regels aan de orde die gelden voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan. Deze bestaan uit de volgende onderdelen: Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels Hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. Ook is hierin geregeld wanneer overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan. Specifiek is een regeling opgesteld voor erkers. Algemene gebruiksregels In deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd. Algemene afwijkingsregels Deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van niet-ingrijpende bouwactiviteiten.
De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. Algemene wijzigingsregels Deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. Overige regels In deze regels is opgenomen welke parkeernormen gelden en dat voldoende parkeerruimte dient te worden gerealiseerd en in stand moet worden gehouden. Onder voorwaarden is het mogelijk om van de parkeernormen af te wijken, mits voldaan wordt aan de gestelde criteria. Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.
Hoofdstuk 5
43
6.
FINANCIEEL-ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 6.1 Kostenverhaal Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is dat deze voor de overheid budgetneutraal wordt ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met artikel 6.12 lid 4 Wro is de overheid verplicht om de kosten te verhalen in de gevallen die zijn aangewezen in het Besluit ruimtelijke ordening. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is kostenverhaal verplicht in geval van: de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Als sprake is van een bouwplan en kostenverhaal dus verplicht is, moet gelijktijdig met het besluit een exploitatieplan vastgesteld worden.
Deze plicht vervalt als het gemeentelijk kostenverhaal anderszins is verzekerd. Artikel 6.12 lid 2 Wro bepaalt dat de gemeenteraad kan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: a. het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld via gronduitgifte of een anterieure overeenkomst over grondexploitatie) b. het niet noodzakelijk is een tijdvak voor de exploitatie, dan wel een fasering in de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen vast te stellen c. het stellen van eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied, dan wel het stellen van regels omtrent het uitvoeren van die werkzaamheden, dan wel een uitwerking van de regels met betrekking tot de uitvoerbaarheid niet nodig is. In voorliggend geval is sprake van een bouwplan en is kostenverhaal dus verplicht. De gemeente Horst aan de Maas is eigenaar van alle gronden in het plangebied en is ook de initiatiefnemer. Derhalve is er geen anterieure overeenkomst noodzakelijk.
Hoofdstuk 6
44
7.
MAATSCHAPPELIJKE HAALBAARHEID 7.1 Wettelijk (voor)overleg Het Besluit ruimtelijke ordening geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan worden geïnformeerd. Te zijner tijd zullen de uitkomsten van het vooroverleg en de consequenties voor het bestemmingsplan worden beschreven in deze paragraaf.
7.2 Inspraak De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. De gemeente Horst aan de Maas heeft besloten dat dit plan voor inspraak in procedure wordt gebracht. Te zijner tijd zullen de uitkomsten van de inspraakprocedure en de consequenties voor het bestemmingsplan worden beschreven in deze paragraaf.
7.3 Terinzagelegging De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure wordt het ontwerp bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen. Binnen deze termijn heeft een ieder de gelegenheid om schriftelijk of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Te zijner tijd zullen de uitkomsten van de terinzagelegging en de consequenties voor het bestemmingsplan worden beschreven in deze paragraaf.
Hoofdstuk 7
45
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Stikstofdepositie onderzoek Bijlage 2: Quickscan flora en fauna Bijlage 3: Resultaten vervolgonderzoek vleermuizen Bijlage 4: Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling
Hoofdstuk 7
1
Regels
Hoofdstuk 7
2
BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl