10c Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan Sportpark ‘t HAM Gemeente Horst aan de Maas Vast te stellen
Bestemmingsplan Sportpark ‘t HAM Gemeente Horst aan de Maas Vast te stellen
Rapportnummer:
P04037
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.1507.MTSPORTPARKHAM-BPV1
Datum:
8 maart 2022
Opdrachtgever:
Gemeente Horst aan de Maas
Projectteam BRO:
SSh, RGr
Concept:
oktober 2021
Ontwerp:
november 2021
Vaststelling:
maart 2022
Bron foto kaft:
BRO
Beknopte inhoud:
Amoveren van de huidige kantine en kleedkamers en de realisatie van een sporthal, de uitbreiding van de parkeerplaats en fietsenstalling en de realisatie van een kunstgrasveld en een wadi aan de Speulhofsbaan 45 te Meterik.
BRO Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl www.bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
1
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
3 3 3 4 5
2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige ontwikkeling 2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten
5 6 7 8
3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid
9 9
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid
9 11 11 12
3.2.1 Provinciaal omgevingsplan Limburg 2014 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 3.3 Gemeentelijk beleid
12 14 16
3.3.1 Structuurvisie Horst aan de Maas 3.4 Afweging beleidskader
16 17
4. PLANOLOGISCHE ASPECTEN 4.1 Luchtkwaliteit
18 18
4.1.1 Toetsingskader 4.1.2 Onderzoek 4.1.3 Conclusie 4.2 Geluid
18 18 19 20
4.2.1 Toetsingskader 4.2.2 Doorwerking plangebied 4.2.3 Conclusie 4.3 Bodem
20 20 21 21
4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Doorwerking plangebied 4.3.3 Conclusie 4.4 Externe veiligheid
21 21 21 21
4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie 4.5 Bedrijven en milieuzonering
21 23 24 24
4.5.1 Toetsingskader
Inhoudsopgave
24
1
4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6 Geur
25 25 25
4.6.1 Toetsingskader 4.6.2 Onderzoek 4.6.3 Conclusie 4.7 Water 4.8 Ecologie
25 26 27 27 30
4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.9 Cultuurhistorie
30 31 33
4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Archeologie
33 34 34 34
4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie 4.11 Verkeer en parkeren
34 34 35 35
4.11.2 Parkeren 4.12 Duurzaamheid 4.13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling
36 38 40
4.13.1 Toetsingskader 4.13.2 Aanmeldingsnotitie m.e.r.
40 40
5. JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING 5.1 Algemene opzet 5.2 Toelichting op de regels
41 41 41
6. FINANCIEEL-ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 6.1 Kostenverhaal
44 44
7. MAATSCHAPPELIJKE HAALBAARHEID 7.1 Wettelijk (voor)overleg 7.2 Inspraak 7.3 Terinzagelegging
45 45 45 45
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Stikstofdepositie onderzoek Bijlage 2: Quickscan flora en fauna Bijlage 3: Resultaten vervolgonderzoek vleermuizen Bijlage 4: Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding De gemeente Horst aan de Maas is voornemens om het sportpark HAM te Meterik opnieuw in te richten. Het gaat bij de herinrichting om het amoveren van de huidige kantine en kleedkamers om ruimte te creëren voor de realisatie van een nieuwe sporthal. In de sporthal zullen tevens enkele ondersteunende ruimtes aanwezig zijn zoals kleedkamers en een kantine. Ook zal de huidige parkeerplaats worden herontwikkeld en uitgebreid en zal er een nieuwe fietsenstalling worden opgericht. Daarnaast zal er aan de zuidzijde van voetbalveld 1 en voetbalveld 2 een wadi worden gerealiseerd.
1.2 Plangebied Het plangebied omvat de locatie gelegen aan de Speulhofsbaan 45. Het plangebied grenst aan de noord- oost en zuidzijde aan agrarische gronden. Aan de westzijde grenst het plangebied aan de Speulhofsbaan. Rondom het plangebied zijn enkele woningen gelegen. Daarnaast is er een watergang gelegen aan de oost- en zuidzijde van het plangebied. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied weer.
Figuur 1 Ligging plangebied
Hoofdstuk 1
3
Het plangebied staat kadastraal bekend als Horst, sectie M, nummers 1330, 1685 en 1686 en kent een totaal oppervlak van circa 44.240 m². Het plangebied is in de huidige situatie in gebruik als sportpark.
1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan buitengebied Horst aan de Maas’, vastgesteld door de gemeenteraad van Horst aan de Maas op 19 december 2017. Het plangebied heeft in dit bestemmingsplan de bestemming ‘Sport’ en de gebiedsaanduidingen ‘sportveld’. De voor 'Sport' aangewezen gronden ter plaatse van de Speulhofsbaan 45 te Meterik zijn uitsluitend bestemd voor een sportveld en detailhandel en horeca als nevenactiviteit en uitsluitend ten behoeve van de betreffende functie met daarbij behorende: tuinen, erven en terreinen; paden, wegen, ontsluitings- en (al dan niet verharde) parkeervoorzieningen; voorzieningen van openbaar nut; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; groenvoorzieningen, natuur en landschapselementen. Binnen de bestemming ‘Sport’ met de functieaanduiding ‘sportveld’ is het oprichten van een sporthal niet toegestaan. Om de toevoeging van de sporthal binnen het plangebied mogelijk te maken dient een bestemmingsplan te worden opgesteld. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan weer.
Figuur 2 Uitsnede vigerend bestemmingsplan
Hoofdstuk 1
4
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de wijze van bestemmen aangegeven. In de laatste hoofdstukken komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.
Hoofdstuk 1
5
2.
PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Momenteel wordt het plangebied gebruikt als sportpark voor de Voetbalvereniging Meterik. Het sportpark bestaat uit twee trainingsvelden en twee wedstrijdvelden. De kantine en de kleedkamers bevinden zich in hetzelfde gebouw. Het sportpark is te bereiken via de Speulhofsbaan en kent één in- en uitrit voor motorvoertuigen. Fietsers en voetgangers kunnen daarnaast gebruik maken van de noordelijk entree. In de huidige situatie is er eveneens een skatebaan gelegen naast het parkeerterrein, aan de Speulhofsbaan. Onderstaande afbeeldingen geven een impressie weer van de huidige situatie ter plaatse van Voetbalvereniging Meterik. Op de achtergrond zijn de huidige kantine en de kleedkamers zichtbaar.
Figuur 3 Sfeerimpressies huidige situatie plangebied (Bron QS Flora en Fauna, BRO)
Hoofdstuk 2
6
2.2 Toekomstige ontwikkeling Het voornemen bestaat om de huidige kantine en kleedkamers te amoveren om ruimte te creëren voor de realisatie van een sporthal met ondersteunende ruimtes en voorzieningen. De sporthal zal deels op de gronden van de huidige kantine en kleedkamers worden gerealiseerd en deels op gronden ten noorden/noordoosten van de huidige kantine en kleedkamers. Daarnaast zal de parkeerplaats opnieuw worden ingericht en uitgebreid ten het noorden en oosten van het plangebied. Ook zullen er twee nieuwe fietsenstalling worden gerealiseerd. In het oosten van het plangebied wordt een zogenaamd ‘pannaveld’ aangelegd met daaromheen een BMX-track en een half-pipe. Aan de zuidzijde van het plangebied (ten zuiden van voetbalvelden 1 en 2) zullen wadi’s worden aangelegd waar overtollig (hemel)water tijdelijk opgeslagen kan worden. Onderstaande afbeelding geeft een indicatie van de indeling toekomstige inrichting van het sportpark HAM. Het ontwerp zoals hieronder is indicatief voor de inrichting van de buitenomgeving waarbij de parkeernorm op het terrein gehaald wordt. Daarnaast zal voetbalveld 2 worden voorzien van kunstgras. De mogelijkheid bestaat om in de toekomst ook voetbalveld 1 te voorzien van kunstgras. Rondom de nieuwe sporthal worden groene elementen toegevoegd.
Figuur 4 Toekomstige situatie
Hoofdstuk 2
7
2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten Het opnieuw inrichten van het sportpark HAM van Voetbalvereniging Meterik past zowel vanuit ruimtelijk, functioneel als stedenbouwkundig oogpunt in de omgeving, aangezien sprake is van de ligging in het landelijk gebied. De omgeving van het plangebied bestaat voornamelijk uit agrarische gronden en agrarische (waardevolle) weilanden. Daarnaast zijn er enkele woningen gelegen in de omgeving van het plangebied. In het kader van het planvoornemen wordt gepoogd natuur- en landschapskwaliteiten te behouden en te versterken, waardoor deze waarden blijven behouden voor de toekomst. In het kader van het planvoornemen worden negatieve ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten voor de omgeving zoveel mogelijk beperkt. Daarnaast leidt het planvoornemen tot een kwaliteitsverbetering van de bestaande situatie.
Hoofdstuk 2
8
3.
BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Ook worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen.
Figuur 4 Afweging met de NOVI (bron: Nationale Omgevingsvisie)
Hoofdstuk 3
9
De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio's 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen.
Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: Combineren boven enkelvoudig Kenmerken & identiteit Afwentelen voorkomen Doorwerking plangebied In de NOVI zijn de volgende nationale belangen genoemd die het project raken: Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; Beperken van klimaatverandering; Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); Voor wat betreft de volgende nationale belangen “Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit” en “Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving” wordt verwezen naar paragraaf 2.2 en de milieuonderzoeken, zoals die in Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten aan de orde komen. Daarnaast bevordert de sporthal een gezonde leefomgeving.
Het nationale belang ‘’Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur’’ is gericht op de energietransitie en het verminderen van de uitstoot en het duurzaam opwekken van energie. De toekomstige sporthal
Hoofdstuk 3
10
wordt voorzien van een plat dak. Hierdoor bestaan er mogelijkheden voor het opwekken van duurzame energie. Daarnaast dient de sporthal volledig gasloos te worden gerealiseerd. Voor het nationale belang “Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid wordt verwezen naar paragraaf 4.7 Water. Gelet op het bovenstaande staat de Nationale Omgevingsvisie de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.
Doorwerking plangebied Met onderhavig bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die in strijd zijn met één van de nationale belangen. Onderhavige ontwikkeling is dus in overeenstemming met het Barro. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.
Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand
Hoofdstuk 3
11
stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro).
Figuur 5 Uitsnede POL2014 (plangebied rood omlijnd)
Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkeling wordt de realisatie van een sporthal mogelijk gemaakt, waarbij de parkeerplaats eveneens opnieuw wordt ingericht en er ruimte wordt geboden aan tijdelijke opslag van overtollig water middels een wadi. Onderhavig initiatief wordt niet gezien als zijnde een stedelijke ontwikkeling en is derhalve niet ladderplichtig waardoor een toetsing van het initiatief aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk wordt geacht.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciaal omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten van Limburg het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL 2014) vastgesteld. In het plan staat de toekomst van Limburg beschreven op het gebied van wonen, werken, recreatie, natuur. Echter gaat het plan ook over zaken als milieu en water, en hoe bijvoorbeeld de waterkwaliteit kan worden verbeterd en overstromingen voorkomen.
Hoofdstuk 3
12
Op de zoneringenkaart van het POL2014 ligt het plangebied in de zone ‘Buitengebied’. In het buitengebied staat ruimte voor doorontwikkelen van agrarische bedrijven centraal. De accenten worden gelegd op de ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties, het terugdringen van milieubelasting vanuit de landbouw en de kwaliteit en het functioneren van de ondergrond. De ontwikkeling van de landbouw dient in balans te zijn met de omgeving. Gestreefd wordt naar het versterken van de kernkwaliteiten van het landschap en de cultuurhistorie en het recreatief medegebruik van het gebied. Het plangebied ligt daarnaast aan de rand van het ‘Beekdal’ en ligt tegen een beek met een algemeen ecologische functie. De beekdalen vervullen een cruciale functie als strategische waterberging. Deze functie mag niet aangetast worden. De bescherming van de beekdalen is opgenomen in de omgevingsverordening via de beekdalaanduiding, regelgeving voor de bronsgroene landschapszones en artikel 7.4 Regionaal water.
Figuur 6 Uitsnede POL2014 (plangebied rood omlijnd)
Hoofdstuk 3
13
Doorwerking plangebied Dit bestemmingsplan voorziet in het amoveren van de huidige kantine en kleedkamers en het realiseren van een sporthal met ondersteunende functies. Een dergelijke functie past goed bij een landelijk gebied / buitengebied. Door het aanleggen van een wadi wordt getracht om de natuur te stimuleren. In het kader van onderhavig bestemmingsplan is een ecologisch onderzoek uitgevoerd naar de impact van het planvoornemen op de aanwezige ecologische en landschappelijke waarden. Voor meer informatie wordt verwezen naar paragraaf 4.3. De voorgestelde ruimtelijke ontwikkeling vindt plaats in het buitengebied. In het kader van het initiatief wordt aangesloten bij de beleidsuitgangspunten van het POL2014. Daarnaast vindt het ruimtelijk initiatief plaats op een locatie waar al een sportpark gelegen is. Het bebouwingsoppervlak zal licht toenemen evenals het oppervlak van het parkeerterrein, maar een wezenlijke verandering van het plangebied zal dit niet opleveren. De met dit bestemmingsplan beoogde ontwikkeling is verder niet van invloed op de overige beleidsdoelstellingen zoals opgenomen in het POL 2014. 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de 'Omgevingsverordening Limburg 2014' vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven.
De Omgevingsverordening is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. Sinds december 2014 is de Omgevingsverordening uitgebreid met een nieuw hoofdstuk Ruimte. Dit hoofdstuk bevat een aantal instrumenten die gericht zijn op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van het POL2014. Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied niet gelegen is binnen een (milieu)beschermingsgebied. Wel grenst het aan de boringsvrijezone Venloschol. Doordat het plangebied gelegen is buiten de boringsvrijezone vormt de ligging van het plangebied geen belemmering ten aanzien van het aspect (milieu)beschermingsgebieden. Uit de kaart ‘Intensieve veehouderijen, glastuinbouwbedrijven en zilvergroene natuurzone’ blijkt dat het plangebied gelegen is in een ontwikkelingsgebied glastuinbouw. In deze gebieden wordt gestreefd om een clustering van glastuinbouw te bewerkstelligen. Doorwerking plangebied Onderhavig initiatief is in lijn met de Omgevingsverordening Limburg 2014. Het plangebied is gelegen buiten (milieu)beschermingsgebieden en kent geen belemmeringen vanuit overige kaarten zoals aangegeven in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Provinciaal Natuurbeheerplan De provincie Limburg heeft op 1 september 2020 het ‘Natuurbeheerplan Limburg 2021’ vastgesteld.
Het natuurbeheerplan vormt het beleidskader voor de realisatie van het Europese, rijks- en provinciale
Hoofdstuk 3
14
natuur- en landschapsbeleid. Dit plan vormt tevens het kader voor subsidieverlening vanuit het Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer (SNL) en enkele natuur-, landschaps-, milieu- en wateronderdelen van de Subsidieverordening Inrichting Landelijk Gebied (SILG). Het plangebied is volgens de ‘Ambitiekaart 2021’ van het natuurbeheerplan niet gelegen binnen een beheergebied. Ook wanneer de ‘Ambitiekaart van 2020’ geraadpleegd wordt, is het plangebied niet gelegen binnen een natuurbeheerplan. Wel is het plangebied gelegen in het ‘zoekgebied water 2021’ en het zoekgebied ‘Agrarisch’ van het Natuurbeheerplan 2021. Het ‘zoekgebied water 2021’ bevat zoekgebieden waarbinnen vanuit de subsidieverordening Natuur en Landschapsbeheer subsidie mogelijk is voor agrarisch waterbeheer dat van invloed is op natuurgebieden of waterlopen. In het planvoornemen worden echter geen werkzaamheden mogelijk gemaakt waarbij er uitspoeling van (agrarisch) afvalwater naar de beek wordt geleid en vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
Figuur 7 Ligging plangebied in Natuurbeheerplan 2021 (plangebied rood omlijnd)
Doorwerking plangebied Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief past binnen de beleidsuitgangspunten zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014.
Hoofdstuk 3
15
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Horst aan de Maas Op 26 november 2019 heeft de gemeente Horst aan de Maas de ‘Structuurvisie Horst aan de Maas’ vastgesteld. Deze structuurvisie heeft betrekking op het gehele grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas, met uitzondering van het gebied van de Structuurvisie Klavertje 4 gebied. De Structuurvisie Horst aan de Maas geeft de gemeente handvatten voor een regie op de uitvoering van het ruimtelijk beleid. De structuurvisie is opgebouwd op basis van vijf thema’s: 1. Wonen en woonomgeving; 2. Economie en werkgelegenheid; 3. Zorg en Welzijn; 4. Omgevingskwaliteit 5. Mobiliteit. In de structuurvisie is aangegeven dat het landschap binnen het grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas verdeeld kan worden in drie hoofdcategorieën: Hoogveenontginningslandschap; Zandgrondenlandschap; Rivierdallandschap. De kern Meterik (en daarmee ook de projectlocatie van onderhavig initiatief) is gelegen in het zandgrondenlandschap. Het zandgrondenlandschap ligt tussen het hoogveenlandschap en het rivierdallandschap. Het landschap is opgebouwd uit beekdalen, waaraan in het verleden de dorpen en akkercomplexen zijn ontstaan. Daarnaast zijn er jonge heideontginningen en bosgebieden aanwezig. In dit gebied is de meeste bebouwing geconcentreerd en het gebied wordt het meest intensief gebruikt.
Het zandgrondenlandschap heeft kortom een sterke menging van landschapselementen, functies en gebruikers. Tussen de verschillende functies door liggen verbindingsstructuren en –elementen. Natuurontwikkeling, landschapsversterking, ruimte voor water(berging en –retentie) vinden plaats in de zones in het oosten en het westen van de gemeente. Om de samenhang en de verbanden tussen deze zones aan weerszijden van de gemeente te versterken, wordt ingezet op het creëren van dwarsverbanden, op ieder niveau: van (ecologische) verbindingszone, beekversterking en landschapsontwikkeling tot recreatieve en infrastructurele verbindingen. Daarnaast is er een (samenvattende) integrale beleidskaart opgesteld voor agrarische gemeente Horst aan de Maas, met een sterke focus op (agro- en toeristisch-gelieerde) bedrijvigheid, maakindustrie, natuurontwikkeling en een leefbare gemeenschap met een eigen identiteit, waarbij de ontwikkelingen in hoge mate aansluiten op bestaande (ruimtelijke) structuren en activiteiten en gestreefd wordt naar: “Kwaliteit van wonen, werken en leven in Horst aan de Maas”. De integrale beleidskaart is te zien op figuur 11. Op deze integrale beleidskaart valt op te merken dat de projectlocaties gelegen zijn in het zoekgebied voor het versterken van de beken en gelegen is in een bos en natuurgebied.
Hoofdstuk 3
16
Figuur 8 Integrale beleidsvisie (plangebied rood omlijnd)
Doorwerking plangebied Het ruimtelijk initiatief voorziet slechts in het amoveren van de huidige kantine en kleedkamers om ruimte te creëren voor de realisatie van een nieuwe sporthal met bijbehorende functies (waaronder een kantine en kleedkamers). Er treden geen wezenlijke veranderingen op binnen het plangebied. Onderhavig initiatief is derhalve in lijn met de uitgangspunten van de Structuurvisie Horst aan de Maas.
3.4 Afweging beleidskader Het plan is in lijn met de beleidskaders van het Rijks-, provinciale- en gemeentelijke beleid. Echter, de beoogde ontwikkeling is strijdig met het vigerend bestemmingsplan en de ter plaatse geldende functieaanduiding ‘sportveld’. Derhalve is het planvoornemen niet rechtstreeks toegestaan conform het vigerende bestemmingsplan en wordt de voorliggende ontwikkeling juridisch-planologisch vastgelegd middels een herziening van het bestemmingsplan. .
Hoofdstuk 3
17
4.
PLANOLOGISCHE ASPECTEN 4.1 Luchtkwaliteit 4.1.1 Toetsingskader Hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. De nieuwe regels maken onderscheid in projecten die wel en ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Als een project NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. In het Besluit NIBM is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling een project altijd NIBM is. Wanneer een categorie eenmaal is aangewezen, mag er zonder meer van worden uitgegaan dat deze bijdrage NIBM is. Echter zijn sportparken (of sportaccommodaties) niet opgenomen in een van de categorieën van de Regeling NIBM. 4.1.2 Onderzoek Onderzoek NIBM toets De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt niet onder een van de categorieën zoals opgenomen in de Regeling NIBM opgenomen lijst.
Hierdoor is in het kader van dit bestemmingsplan een luchtkwaliteitsonderzoek in de vorm van een ‘NIBM’ toets uitgevoerd. Hiermee is bepaald in hoeverre de ontwikkeling in betekenende mate zal bijdragen aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Als basis voor de berekening zijn de volgende uitgangspunten genomen: 252 motorvoertuigen per etmaal (gebaseerd op paragraaf 4.11 Verkeer en parkeren). Aandeel vrachtverkeer van 2%. Met deze uitgangspunten is de NIBM-toets uitgevoerd, waarbij is uitgegaan van realisatie in 2022 (worstcasescenario):
Hoofdstuk 4
18
Figuur 9 NIBM-toets
Berekend is dat de bijdrage van het plan aan de concentraties voor NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) mogelijk in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De berekening laat zien dat het extra verkeer ten gevolge van het plan maximaal 0,19 µg/m³ bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie NO2. Voor de concentratie PM10 zal het verkeer maximaal 0,04 µg/m³ bijdragen. Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland Om te beschouwen of de gecumuleerde concentraties voldoen aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit wordt het planeffect opgeteld bij de heersende concentraties. Dit is inzichtelijk gemaakt door middel van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland. Voor het jaartal 2020 bedraagt de hoogste totale concentratie NO2 tussen de 15 en 20 µg/m³ en voor PM10 <18 µg/m³. Voor PM2,5 geldt een hoogste totale concentratie tussen de 10 - 12 µg/m³. 4.1.3 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer ten gevolge van de beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Daarnaast is onderzoek uitgevoerd met gebruikmaking van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland. Hieruit blijkt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het plan.
Hoofdstuk 4
19
4.2 Geluid 4.2.1 Toetsingskader Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet inzicht worden geboden in de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling vanuit akoestisch oogpunt. Het geluidsaspect is relevant in relatie tot industrielawaai, wegverkeerslawaai en/of spoorweglawaai. Toetsingskader is de Wet geluidhinder en enkele uitvoeringsbesluiten. Wegverkeerslawaai Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden.
Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. 4.2.2 Doorwerking plangebied In het plangebied worden geen geluidsgevoelige functies mogelijk gemaakt. Daarnaast betreft de ontwikkeling slechts het amoveren van de huidige kantine en kleedkamers ten behoeve van de ontwikkeling van een sporthal. De sporthal wordt gerealiseerd op een reeds bestaand sportcomplex. Echter is de functieaanduiding op de locatie van het plangebied uitsluitend sportveld. Een sporthal is hierin niet toegestaan. Doordat het plangebied reeds bestaat uit een sportgerelateerde functie en er geen geluidsgevoelige functie mogelijk wordt gemaakt binnen het plangebied, wordt een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Uit hoofdstuk 4.5 ‘Bedrijven en milieuzonering’ valt op te maken dat zowel voor een sportveld als voor een sporthal, een milieucategorie van 3.1 geldt. Een activiteit met milieucategorie 3.1 is derhalve reeds toegestaan op de locatie waardoor er kan worden verondersteld dat de ontwikkeling van de sporthal geen belemmering vormt.
Hoofdstuk 4
20
4.2.3 Conclusie Vanuit het aspect geluid zijn geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
4.3 Bodem 4.3.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is normaliter een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.3.2 Doorwerking plangebied Het ruimtelijk initiatief voorziet in het amoveren van de huidige kantine en de kleedkamers om ruimte te maken voor de realisatie van de sporthal met de kantine en de kleedkamers. De sporthal zal naast de gronden van de huidige kantine ook een deel van de gronden ten noorden/noordoosten in gebruik nemen. Op deze locatie is momenteel een trainingsveld gelegen. Hierdoor worden geen noemenswaardige bodemverontreinigingen verwacht. Daarnaast is het realiseren van een sporthal geen gevoelige functie.
Het uitvoeren van een bodemonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. 4.3.3 Conclusie Vanuit het aspect bodem zijn geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing.
Hoofdstuk 4
21
In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen (Bevi); transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen (Bevb); transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water (Bevt). Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens tegenwoordig ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Afhankelijk van de ruimtelijke ontwikkeling en beschikbare gegevens is deze beperkt of ruim van opzet. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het PR kan op de kaart van een gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.
Via het PR wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Bij het GR wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het GR geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Verantwoordingsplicht groepsrisico Voor het bevoegd gezag geldt een verantwoordingsplicht, wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten via het bestemmingsplan worden toegelaten. Dit betreft ook de al bestaande (beperkt) kwetsbare objecten, zoals al gebouwde woningen. Een risicobron is bijvoorbeeld een buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Met het invloedsgebied wordt gedoeld op het gebied waarbinnen minimaal 1% van de aanwezige personen overlijdt als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen ter plaatse van de risicobron.
Het invloedsgebied van een risicobron is soms vastgelegd in de wet. In de andere gevallen kan het worden berekend aan de hand van vastgelegde rekenregels. De verantwoording van het groepsrisico is één van de onderdelen van een goede ruimtelijke ordening. De omvang en diepgang van de verantwoording is daarbij afhankelijk van de gevolgen voor het groepsrisico. Dit wordt per ruimtelijk plan beoordeeld.
Hoofdstuk 4
22
4.4.2 Onderzoek De externe veiligheidsrisico's voor het plangebied zijn met behulp van de risicokaart geïnventariseerd.
Figuur 9 Uitsnede risicokaart (ligging plangebied rood omlijnd)
Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart is er ten noordwesten van het plangebied een risicovolle inrichting gelegen. Het gaat hierbij om een propaantank met een inhoud van 8.000 liter. De risicoafstand (PR 10-6) voor de propaantank bedraagt 25 meter. Het plangebied is gelegen op circa 200 meter afstand van de propaantank. Ten zuidoosten van het plangebied is eveneens een propaantank met een inhoud van 8.000 liter gelegen. Deze propaantank heeft eveneens een risicoafstand (PR 10-6) van 25 meter. De afstand tot deze propaantank bedraagt minimaal 390 meter. Hierdoor kan worden gesteld dat de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen (propaantanks) geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van onderhavig ruimtelijk initiatief. Daarnaast worden er eveneens geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt binnen het plangebied. Buisleidingen Op een afstand van meer dan 1.800 meter is een buisleiding gelegen. Voor deze buis betreft de 100% letaliteitsafstand 150 meter. De 1% letaliteitsafstand bedraagt 360 meter. Deze afstanden worden daarmee ruimschoots behaald. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig ruimtelijk initiatief.
Hoofdstuk 4
23
Transportroutes gevaarlijke stoffen De A73 is gelegen op meer dan 2.600 meter. De spoorlijn tussen Venlo en Helmond is gelegen op meer dan 1.800 meter. Daarnaast is de N556 eveneens aangewezen als zijnde een transportroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Voor de N556 geldt een risicoafstand (PR 10-6) van 0 meter. Aan deze afstand wordt vanzelfsprekend voldaan. Door de grote afstand ten opzichte van transportroutes van gevaarlijke stoffen kan worden verondersteld dat transportroutes voor gevaarlijke stoffen geen belemmering vormt voor onderhavig ruimtelijk initiatief. 4.4.3 Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid zijn geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
4.5 Bedrijven en milieuzonering 4.5.1 Toetsingskader Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’.1 Twee omgevingstypen De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor.
Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid.
1
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
24
4.5.2 Onderzoek Het plangebied kan worden getypeerd als een ‘rustig buitengebied. In de directe omgeving van het plangebied komen – naast enkele woonfuncties – de volgende functies voor: Pieter Litjensweg 5: bestemming Bedrijf (Spreeuwenberg Meubelfabriek, productie en verkoop van meubels). Milieucategorie 3.1 met een bijbehorende richtafstand van maximaal 50 meter voor geluid. De afstand van het plangebied tot de perceelsgrens bedraagt meer dan 70 meter. Donkstraat 6a, bestemming Bedrijf (Holding Taco Meterik BV) Milieucategorie 3.2. De bijbehorende maximale richtafstand van 100 meter voor het aspect geur. De afstand tot het plangebied bedraagt meer dan 230 meter waardoor de richtafstand ruimschoots wordt behaald. Donkstraat 24: Bestemming Bedrijf (Walkro Horst mestverwerking) Milieucategorie 3.2. De maximale richtafstand voor door dit bedrijf bedraagt 100 meter voor het aspect geluid. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 240 meter. De richtafstand wordt hierdoor ruimschoots behaald Overige bedrijven gelegen op meer dan 300 meter afstand. De bedrijfsbestemmingen aan de Pieter Litjensweg en de Donkstraat liggen op voldoende afstand van het plangebied. Andersom is aan een sporthal en sportveld ook een milieucategorie toegekend.
Zowel de sporthal als een voetbalvereniging (aangegeven als sportveld in de lijst van bedrijfsactiviteiten) worden aangemerkt als milieucategorie 3.1, met een bijbehorende maximale richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid. Rondom het plangebied zijn enkele woonbestemmingen gelegen. Aan de richtafstand van het sportveld en de sporthal ten opzichte van de omliggende woonbestemmingen wordt niet voldaan. Echter, het sportveld is al langere tijd gelegen aan de Speulhofsbaan 45. Hierdoor kan worden verondersteld dat het toevoegen van een sporthal vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor onderhavige ruimtelijke ontwikkeling, daar het dezelfde milieucategorie betreft als het al ter plaatse zijnde sportveld. 4.5.3 Conclusie Er wordt voldaan aan de geldende richtafstanden ten opzichte van omliggende bedrijven. Aan de richtafstanden van de sporthal en het sportveld ten opzichte van omliggende gevoelige functies wordt echter niet voldaan. De locatie van de voetbalvereniging is echter al langere tijd gelegen aan de Speulhofsbaan 45 waardoor aangenomen kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.6 Geur 4.6.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet
Hoofdstuk 4
25
ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Bij de ontwikkeling van een woning is sprake van een geurgevoelig object. Derhalve dient gekeken te worden naar de geurhinder veroorzaakt door omliggende veehouderijen. De geurhinder wordt bepaald op basis van de achtergrondbelasting en de voorgrondbelasting. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van die veehouderij die de meeste geurbelasting op een voor geurhinder gevoelig object veroorzaakt. De achtergrondbelasting wordt veroorzaakt door alle veehouderijen die rondom een geurgevoelig object zijn gelegen.
De achtergrondbelasting is een goede maat om de effecten van geurhinder op het woon- en leefmilieu te kunnen beoordelen. 4.6.2 Onderzoek Een sporthal is volgens het Activiteitenbesluit geen geurgevoelig object. Het plangebied is echter gelegen in het buitengebied van Meterik (gemeente Horst aan de Maas) waardoor er mogelijk hinder kan zijn vanuit het aspect geur. In de omgeving van het plangebied zijn vier agrarische bedrijven gelegen (volgens het vigerend bestemmingsplan): Monaghan Champignons gelegen op circa 190 meter; Holding Taco Meterik (agrarisch hulpbedrijf), gelegen op circa 230 meter; Walkro Horst (mestverwerking), gelegen op circa 240 meter; Springstal John Steeghs (manege), gelegen op circa 410 meter. Voor de bedrijven Walkro Horst en Holding Taco Meterik geldt een milieucategorie van 3.2. De maximale richtafstand ten aanzien van het aspect geur bedraagt 100 meter. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Voor Monaghan Champions geldt milieucategorie 2 met een bijbehorende richtafstand voor het aspect geur van 30 meter. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Voor Springstal John Steeghs geldt milieucategorie 3.1 met een bijbehorende richtafstand van 50 meter voor het aspect geur. Aan deze richtafstand wordt eveneens ruimschoots voldaan.
Omdat de agrarische bedrijven op grote afstand van het plangebied zijn gelegen (meer dan 100 meter) kan worden gesteld dat ten aanzien van de afstanden van het plangebied tot bovengenoemde bedrijven, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierdoor kan worden gesteld dat, vanuit een goede ruimtelijke ordening, het aspect geur geen belemmering vormt voor onderhavig initiatief.
Hoofdstuk 4
26
4.6.3 Conclusie Vanuit het aspect geur zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
4.7 Water In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beschrijving van waterrelevant beleid Nationaal beleid In december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Provinciaal beleid De opgave in het POL2014 inzake het regionale water, is te komen tot robuuste en natuurlijk functionerende, veerkrachtige watersystemen, waardoor risico’s op wateroverlast en watertekort verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel blijven. Er dient voldaan te worden aan de regionale normering voor wateroverlast.
Daarnaast is de opgave het ontwikkelen van regionale, gebiedsgerichte adaptatiestrategieën en het treffen van effectieve maatregelen voor het omgaan met huidige én toekomstige watertekorten, waarbij beschikbaarheid van voldoende water van de juiste kwaliteit een belangrijke voorwaarde is. Op die manier zijn problemen op gebied van watertekort in tijden van schaarste, beheersbaar en maatschappelijk acceptabel. Een van de provinciale doelen is om wateroverlast en watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies afgestemd te worden. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten
Hoofdstuk 4
27
behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties. Waterschap Limburg Het Waterbeheerplan 2016-2021 ‘Water in beweging’ van het Waterschap Limburg beschrijft de uitwerking van het provinciale (oppervlakte)waterbeleid door het waterschap, zoals is vastgelegd in het POL2014 en het Provinciaal Waterplan 2016-2021. Het plan is richtinggevend voor het te voeren beleid en beheer van het waterschap gedurende de planperiode 2016-2021. Dit plan was, vooruitlopend op de fusie in 2017 tot Waterschap Limburg, een gezamenlijk plan van beide waterschappen. Met dit waterbeheerplan zet het waterschap de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe men invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Keur waterschap Limburg Op waterstaatswerken en watergangen (waterlopen) is de Keur van het Waterschap Limburg van toepassing. In de Keur worden enkele handelingen in het watersysteem beperkt, waaronder het lozen van water in het watersysteem en het realiseren van werken c.q.
bebouwing binnen de keurzones van een waterstaatswerk of watergang. Het sportpark is gelegen aan de Rotvensche Loop en de Houfslang. Echter, de voorgestelde ruimtelijke ontwikkeling zelf vindt plaats op circa 110 meter van de Rotvensche Loop en circa 150 meter van de Houfslang. Het voornemen bestaat om een wadi aan te leggen ten zuiden van voetbalveld 1. Het doel is om in de wadi het overtollige hemelwater tijdelijk op te slaan en vertraagd af te voeren in de grond. Het ruimtelijk initiatief voorziet zodoende in een zorgvuldige afhandeling van het hemelwater wat binnen het plangebied valt, waardoor er minder hemelwater wordt afgevoerd naar beide watergangen. Hierdoor heeft het ruimtelijk initiatief een positieve invloed op voorgenoemde oppervlaktewateren. Gemeentelijk beleid De gemeente Horst aan de Maas volgt zo veel mogelijk het beleid zoals dit is vastgelegd door het waterschap Limburg. Belangrijke aandachtspunten in het beleid zijn het scheiden van vuil- en schoonwaterstromen, het vasthouden van gebiedseigen (regen)water, het doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering – afvoer’ en het zichtbaar en aantrekkelijk maken van water in de gemeente. Voor dit plan zijn alle genoemde onderwerpen relevant.
Infiltratie, buffering en afvoer In principe is het de bedoeling dat al het hemelwater in het plangebied wordt vastgehouden en infiltreert in de grond.
Hoofdstuk 4
28
Doorwerking plangebied Gezien de schetsontwerpen van het ruimtelijk initiatief is de verwachting dat er een toename in verharding optreedt van meer dan 500 m². Hierdoor is het noodzakelijk om het ruimtelijk initiatief voor te leggen aan het Waterschap Limburg. Navolgend is een inschatting gemaakt van de te verwachten verhardingsoppervlaktes ten aanzien van de sporthal en de parkeerplaats en de te verwachte bergingsopgave. De verhardingspercentages en de te verwachte bergingsopgave is berekend op basis van schetsvariant 1 en 2. Voor deze schetsvarianten is het verhardingsoppervlak vrijwel gelijk. Indien het definitieve schetsontwerp en daarmee ook de exacte hoeveelheden aan verhard oppervlak in de huidige situatie en de toekomstige situatie bekend zijn, dient onderstaande tabel en berekening aangepast te worden. In de berekening is er tevens van uitgegaan dat het kunstgrasveld eveneens waterdoorlatend is en is hierdoor niet meegenomen als zijnde verhard oppervlak. Bruto verhard oppervlak Dak oppervlakte, totaal, circa Overige verharde oppervlakten (ontsluitingsweg/paden, verkeren), circa Verhard oppervlak totaal, circa
Huidige situatie in m² 468 2.480
Toekomstige situatie in m² 2.259 4.931
2.948
7.190
Voor een bui van T = 60 bedraagt de benodigde waterberging zonder aanvullende maatregelen circa 431,4 m³ (7.190 m² x 0,06 m). In de toekomstige situatie zullen er twee wadi’s worden aangelegd ten zuiden van sportveld 1 en 2. De wadi’s zullen afstromend water van de sportvelden tijdelijk opvangen. Op de toekomstige sporthal en de parkeerplaats na zal er verder geen verhard oppervlak worden toegevoegd. De sportvelden zullen blijven bestaan waardoor overtollig hemelwater wat op de sportvelden valt vrijwel direct infiltreert in de grond. Er bestaat een mogelijkheid om het hemelwater af te laten stromen naar de omliggende sportvelden. Daarnaast is het mogelijk om de parkeerplaatsen semi-waterdoorlatend aan te leggen. Hierdoor kan het hemelwater direct infiltreren in de ondergrond. Gezien het feit dat er rondom het verhard oppervlak een grote hoeveelheid aan grasland (sportvelden) gelegen zijn is de verwachting dat het aspect water geen belemmering vormt voor onderhavig ruimtelijk initiatief. Wel dient aangetoond te worden dat er aan de bergingseis voldaan kan worden en dient het ruimtelijk initiatief besproken te worden met het waterschap Limburg. Conclusie Het aspect water dient te worden besproken met het waterschap Limburg.
Hoofdstuk 4
29
4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.
Hoofdstuk 4
30
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden.
Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2 Onderzoek Quickscan flora en fauna Er is door BRO een quickscan flora en fauna2 uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de separate bijlagen. In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten.
In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
2
BRO, Quickscan flora en fauna Sportpark Meterik te Horst aan de Maas, d.d. 4 februari 2021