10c Toelichting
Tekst van het document
8 M-tech Nederland BV, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai ingevolge de Wet geluidhinder in het kader van een planologische procedure
voor het bouwplan op de hoek van de Venloseweg en Van Douverenstraat te Horst, rapportnummer: Ven21.Hor.20.AO BP-02, d.d. 30 juli 2021.
Hoofdstuk 5
30
Mits middels een geluidweringberekening aangetoond wordt dat aan de vereiste geluidwering voldaan wordt en daarmee het binnenniveau gerespecteerd wordt, kan een goed woon- en verblijfsklimaat gegarandeerd worden. 5.2.3
Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: a.
Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM (artikel 4, lid 1, van het Besluit NIBM); b. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Voor woningbouwlocaties gelden op basis van de Regeling NIBM de volgende grenswaarden.
NIBM-grens woningbouwlocaties: 3% criterium: ≤ 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en ≤ 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Hoofdstuk 5
31
Het voorliggende project betreft de realisatie van 38 woningen. Dit betekent dat binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. Het project draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden In het kader van de voorgenomen ontwikkeling dient daarnaast te worden beschouwd of de luchtkwaliteit in het plangebied voldoende is om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De grenswaarde voor fijn stof (PM2,5) is een jaargemiddelde concentratie van 25 µg/m³. Voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ als grenswaarde. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie PM2,5 in 2020 ter plaatse gelegen tussen de 10 en 12 µg/m³, de concentratie PM10 beneden de 18 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen de 15 en 20 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Conclusie De ontwikkeling van de woningen is niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. 5.2.4
Geur
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in de geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij. De gemeente Horst aan de Maas beschikt niet over een geurverordening. Voor het bepalen van de toe te passen normen is het eveneens van belang of het gebied is gelegen binnen een concentratiegebied als bedoeld in bijlage l van de Meststoffenwet, hetgeen voor de gemeente Horst aan de Maas van toepassing is.
Dit betekent dat de onderstaande wettelijke normen en afstanden van toepassing zijn binnen het grondgebied van de gemeente: • De norm van 3 ouE/m3 voor de maximale geurbelasting op geurgevoelige objecten gelegen in de bebouwde kom; • De norm van 14 ouE/m3 voor de maximale geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen het buitengebied;
Hoofdstuk 5
32
Een vaste afstand van 100 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten gelegen in de bebouwde kom; • Een vaste afstand van 50 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten gelegen in het buitengebied. Woningen zijn geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv. Het voorliggende bestemmingsplan maakt hierdoor nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk. Dit betekent dat toetsing aan de geurnormen van nabijgelegen veehouderijen noodzakelijk is. •
In de wijde omgeving rond het plangebied zijn geen intensieve veehouderijen gelegen De meest dichtbij gelegen veehouderij is gelegen op circa 750 meter ten zuiden van het plangebied. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de vaste afstand van 100 meter tot geurgevoelige objecten. Daarnaast blijkt uit de kaart ‘Huidige situatie geur’ bij de plan-MER 9 die is uitgevoerd in het kader van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ dat het woon- en leefklimaat in het plangebied wordt beoordeeld als ‘zeer goed’ (0,0-3,0 OU/m3). Vanuit het aspect geurhinder van veehouderijen zijn er hiermee geen belemmeringen voor de beoogde woningbouw. In de appartementen zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Tevens worden veehouderijen in de omgeving niet in hun bedrijfsvoering beperkt als gevolg van de ontwikkeling, vanwege de grote tussenliggende afstand en omdat reeds woningen dichter bij zijn gelegen. 5.2.5
Bedrijven en milieuzonering
Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. De beoogde woningen vormen geen functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ een richtafstand hebben ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Medewerking aan dit project is echter pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de woningen gegarandeerd is, alsmede dat bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden gefrustreerd.
9 BugelHajema, PlanMER bestemmingsplan buitengebied Horst, projectnummer 934.00.00.01.00, 24 november 2017, te raadplegen
via https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPV1/b_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIEDBPV1_tb4.pdf
Hoofdstuk 5
33
Op circa 100 meter ten zuidoosten van het plangebied, ligt een bedrijfsbestemming waar bedrijven van milieucategorie 1 en 2 zijn toegestaan. Voor dit bedrijf wordt ruimschoots aan de geadviseerde richtafstand voldaan. Op circa 30 meter ten zuidwesten van het plangebied ligt een bestemming ‘Dienstverlening’. Ter plaatse zijn volgens het vigerende bestemmingsplan onder andere reis- en uitzendbureaus, stomerijen, wasserettes, makelaars, kappers en pedicures toegelaten. In de huidige situatie is een reisbureau aanwezig op deze locatie. Dergelijke activiteiten vallen in milieucategorie 1, waarvoor op basis van de ligging in gemengd gebied een richtafstand van 0 meter wordt geadviseerd. De ligging van de nieuwe woningen ten opzichte van deze bestemming vormt hiermee geen belemmering. Verder in noordwestelijke richting, op circa 90 meter van het plangebied, begint het centrum van Horst. Deze gronden kennen een gemengde bestemming, waar onder andere kantoren, dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, bedrijven van categorie 1 en 2 en wonen zijn toegelaten. Deze activiteiten vallen in milieucategorie 1 en 2, waarvoor een maximale richtafstand van 10 meter wordt geadviseerd. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. Aan de Venloseweg 22, op circa 20 meter van het plangebied, is een bedrijf gevestigd.
Volgens de richtafstandenlijst van de VNG valt dit bedrijf onder SBI-2008 categorie “27,28,33”, het “vervaardigen van machines en apparaten” met een productieoppervlak dat kleiner is 2000 m². Voor dit bedrijf geldt een bedrijfscategorie van 3.2 en een richtafstand van 50 meter voor het milieuaspect geluid. Aan deze richtafstand kan (gemeten vanaf de bestemmingsgrens van het bedrijf tot de gevel van de beoogde woning) niet worden voldaan. Een akoestisch onderzoek is daarom noodzakelijk om aan te tonen dat ter plaatse van de beoogde woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, en dat het bestaande bedrijf te Venloseweg 22 niet in zijn werkzaamheden wordt belemmerd. Door M-tech is een akoestisch onderzoek industrielawaai 10 uitgevoerd. Het bestaande tegenoverliggende bedrijf mag niet beperkt worden in zijn vergunde activiteiten. Daarnaast is in het kader van een goede ruimtelijk ordening akoestisch onderzoek uitgevoerd naar een algeheel goed woon- en leefklimaat in de beoogde nieuwbouw woningen in het bestaand bouw en het eventuele effect op de bestaande bedrijven. Uit de tabel blijkt dat de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) vanwege de omliggende bedrijvigheid ten hoogste 47 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. Hiermee wordt de 45 dB(A) etmaalwaarde volgens stap 2 B5.3 uit de VNG-brochure voor rustige woonwijk overschreden.
Aan stap 3 wordt wel voldaan. Deze waarden komen overeen met de geluideisen uit het Besluit algemene regels voorinrichtingen milieubeheer (het Activiteitenbesluit, artikel 2.17) dat op het bedrijf van toepassing is. Deze hogere geluidbelasting worden eveneens acceptabel geacht omdat het plan gelegen is aan de drukke weg en hierdoor het wegverkeer ruimschoots maatgevend is. De richtwaarden uit de
10
M-tech Nederland BV, Akoestisch onderzoek industrielawaai in het kader van een ruimtelijke onderbouwing voor de realisatie van een nieuwbouwplan aan het Venloseweg te Horst, rapportnr.: Ven21.Hor.21.AO IL-02, d.d. 30 november 2021.
Hoofdstuk 5
34
VNG-brochure geven een voorbeeld-toetsingskader voor geluidgevoelige bestemmingen. Omliggende bedrijven worden niet beperkt in hun rechten. Uit het rapport is gebleken dat de piekgeluid (LAmax) ten hoogte 62 bedraagt en daarmee eveneens ruimschoots voldaan aan bovenstaande toetsingskader en daarnaast als akoestisch niet herkenbaar worden geacht vanwege de maatgevende geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 67 dB ter plaatse van de noordzijde van de beoogde nieuwbouw woningen. Voor de beoordeling van de geluidbelasting kan getoetst worden aan de classificering van de milieukwaliteitsmaat behorende bij de “methode Miedema”. Een geluidbelasting van 67 dB behoort volgens de classificering tot de milieukwaliteit “slecht”. Geluidreducerende maatregelen aan de bron zijn erg kostbaar of niet gewenst, derhalve zullen maatregelen aan de gevel van het plan moeten voorzien in een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Daarnaast wordt tevens vanwege de kleinschaligheid van het plan de oplossing gezocht in het binnenniveau/gevelwering, Om een goed akoestisch klimaat te kunnen waarborgen wordt normaliter voor woningen een binnenniveau van 35 dB(A) aangeraden vanwege industrielawaai en 33 dB vanwege wegverkeerslawaai.
Als men uitgaat van een aanvaardbaar binnenniveau van 33 dB (vanwege woonfunctie met wegverkeer als maatgevende bron) dan dient de gevelwering ten hoogste 67 - 33 = 34 dB te bedragen. Nader onderzoek naar de bouwkundige opzet en de gevelwering is benodigd om aan te tonen dat een binnenniveau van 33 dB gerespecteerd wordt. 5.2.6
Externe veiligheid
Beleid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van 38 woningen mogelijk. Op basis van paragraaf 1, artikel 1 van het Bevi zijn woningen kwetsbare objecten. In het kader van dit plan moet daarom bekeken worden of er sprake is van risicovolle activiteiten in de nabijheid (zoals Bevi-inrichtingen, BRZO-bedrijven en/of transportroutes) of dat in het plangebied zelf risicovolle activiteiten worden toegestaan.
Hoofdstuk 5
35
M-tech B.V. heeft in het kader van het planvoornemen het aspect externe veiligheid. 11 Onderstaand wordt de conclusie uit deze quickscan weergegeven. Het volledig rapport is als separate bijlage bij onderhavige toelichting toegevoegd. Het meest recente gebruik van de locatie is als voormalig industrieterrein evenals een bedrijfswoning met bijbehorende tuin. Het voorgenomen plan houdt in dat het voormalige industrieterrein wordt herontwikkeld naar meerdere woningen en de bestaande bedrijfswoning naar 2 appartementen te wijzigen. In het plan zijn de bouw van 26 appartementen voorzien en de bouw van 10 patiowoningen. De bestaande woning aan de Venloseweg 21 wordt omgebouwd tot 2 appartementen. De bestemming moet worden omgezet naar wonen en de populatiedichtheid voor deze ontwikkeling gaat toenemen met circa 90 personen. Uit de analyse van eventueel relevante risicobronnen komen de Basnetweg A73 en de Bevi-inrichting Mertens BV uit voor verder onderzoek omdat de planlocatie in het invloedsgebied van deze ligt. Voor de Basisnetweg A73 blijkt dat de planlocatie wel in het invloedsgebied van de planlocatie ligt, maar wel buiten de 200 meter zone. Daardoor kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Vanwege de ligging in het invloedsgebied van de A73 moet wel advies van de veiligheidsregio (Veiligheidsregio Limburg-Noord) worden gevraagd.
Mertens BV is voor het werkveld externe veiligheid een PGS15 opslag loods, waar de installatie een kleine PR 10-6 contour veroorzaakt van 20 meter, welke wel binnen het eigen perceel gelegen is (zelfs binnen de bebouwing). Verder blijkt dat de afstand verantwoording groepsrisico 90 meter is. De geplande ontwikkeling ligt op circa 1200 meter, en daarmee vervalt voor deze inrichting de plicht tot het verantwoorden van het groepsrisico. Door het toevoegen van circa 90 personen door het her-ontwikkelen van de planlocatie aan de Van Douverenstraat/Venloseweg in Horst op circa 1200 meter van het bedrijf, zal het groepsrisico niet significant verhogen, en daarmee zal de voorgenomen herontwikkeling geen belemmering zijn ten opzichte van het werkveld externe veiligheid. Verantwoording van het groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Hierdoor wordt het externe veiligheidsaspect meegewogen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen.
Ook bestaat er een adviesplicht voor de Veiligheidsregio Noord-Limburg. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.
11 M-tech B.V., ‘Beschouwing externe veiligheid van een ruimtelijke onderbouwing t.b.v. herontwikkeling van bedrijventerrein Venloseweg – Van
Douverenstraat Horst aan de Maas, rapportnr.: VEN.HOR.21.EV-04, d.d. 22 november 2021.
Hoofdstuk 5
36
Bij een beperkte verantwoording van het groepsrisico hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheid voor personen om zichzelf in veiligheid te brengen bestaan uit schuilen en ontvluchten. Kijkend naar de geplande ontwikkelingen op de planlocatie waar allemaal zelfstandige wooneenheden worden ontwikkeld kunnen we de zelfredzaamheid van de toekomstige bewoners als voldoende beschouwen. Bestrijdbaarheid Gekeken wordt naar de mogelijkheden bestrijdbaarheid van een calamiteit. De bestrijdbaarheid wordt op twee aspecten beoordeeld: 1. Is het rampscenario te bestrijden? 2. Is de omgeving voldoende ingericht om bestrijding te faciliteren? De mate van bestrijdbaarheid van een calamiteit is afhankelijk van de opkomsttijd brandweer, de bereikbaarheid van de locatie calamiteit en de bluswatervoorziening in de omgeving van de calamiteit. Verdere uitdieping van dit onderwerp zal deel uitmaken van het advies van de Veiligheidsregio. 5.2.7
M.e.r.-beoordeling
Toets m.e.r.-plicht In het plangebied vindt woningbouw plaats in de vorm van drie appartementengebouwen met daarin 28 appartementen en 10 patiowoningen. Deze activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. De voorgenomen ontwikkeling van twaalf appartementen valt onder onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. in de categorie D11.2: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Deze activiteit is m.e.r.beoordelingsplichtig indien sprake is van een oppervlakte van 100 hectare of meer, de ontwikkeling een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer omvat, of een bedrijfsoppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. Deze drempelwaarden worden bij de voorliggende ontwikkeling bij lange na niet overschreden.
Hoofdstuk 5
37
Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect.
Hoofdstuk 5
38
Tabel: Criteria bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling Kenmerken van het project • • • • • •
Omvang van het project Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën
Plaats van het project • • •
Bestaand grond gebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Kenmerken van het potentiële effect • • • •
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het effect Waarschijnlijkheid van het effect Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
Omdat het plan wel voorziet in een stedelijk ontwikkelingsproject, maar het aantal woningen ruimschoots onder de drempelwaarde valt zoals aangegeven in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria
Toets
Omvang van het project
De ontwikkeling heeft betrekking op de bouw twee appartementengebouwen, transformatie van woonhuis naar appartementengebouw en 10 patiowoningen. Ten behoeve van de nieuwe woningen worden op eigen terrein parkeerplaatsen gerealiseerd.
Cumulatie met andere projecten
Nee. Het betreft uitsluitend de voorliggende ontwikkeling van een woningbouwlocatie.
Gebruik van natuurlijke grondstoffen
N.v.t.
Productie van afvalstoffen
N.v.t.
Verontreiniging en hinder
Luchtkwaliteit: zowel met als zonder ontwikkeling wordt aan alle grenswaarden voldaan (zie par. 5.2.3).
Hoofdstuk 5
39
Geluid: De geluidbelasting vanwege de Venloseweg bedraagt ten hoogste 62 dB op de voorgevel van het appartementen complex. De geluidbelasting vanwege de Doolgaardstraat bedraagt ten hoogste 57 dB op de voorgevel van het westelijk gelegen appartementencomplex. De geluidbelasting vanwege de Docter van Meerendonkstraat is maximaal 51 dB. Hiermee wordt ten gevolge van alle 3 de wegen, de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden, de maximale ontheffingswaarde wordt gerespecteerd (zie par. 5.2.2). Geur: er is geen sprake van geurhinder van veehouderijen in het plangebied, gezien de grote afstand tot omliggende veehouderijen (zie par. 5.2.4). Milieuzonering: De berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus vanwege de omliggende bedrijvigheid bedraagt ten hoogste 47 dB(A) etmaalwaarde. Hiermee wordt de 45 dB(A) etmaalwaarde volgens stap 2 B5.3 uit de VNG-brochure voor rustige woonwijk overschreden. Aan stap 3 wordt wel voldaan. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 67 dB ter plaatse van de noordzijde van de beoogde nieuwbouw woningen. Om een goed akoestisch klimaat te kunnen waarborgen wordt normaliter voor woningen een binnenniveau van 35 dB(A) aangeraden vanwege industrielawaai en 33 dB vanwege wegverkeerslawaai.
Als men uitgaat van een aanvaardbaar binnenniveau van 33 dB (vanwege woonfunctie met wegverkeer als maatgevende bron) dan dient de gevelwering ten hoogste 67 - 33 = 34 dB te bedragen. Nader onderzoek naar de bouwkundige opzet en de gevelwering is benodigd om aan te tonen dat een binnenniveau van 33 dB gerespecteerd wordt. (zie par. 5.2.5). Risico van ongevallen
Het voorliggend plan maakt geen risicovolle activiteiten mogelijk. Daarnaast zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het plangebied vanwege risicovolle inrichtingen en transportroutes in de omgeving.
Conclusie Vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. In de nieuwe woningen is daarnaast sprake van een goed woon- en leefklimaat. Plaats van het object Criteria Bestaand grondgebruik
Toets Het perceel is momenteel bebouwd en grotendeels verhard. Deze bestaande bebouwing wordt gesloopt en de bodem ter plaatse wordt gesaneerd. De aanwezige woning zal worden getransformeerd naar twee appartementen.
Hoofdstuk 5
40
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regene-
N.v.t.
ratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder dacht voor: •
Gevoelige gebieden (wetlands, kustgebie-
Het plangebied is niet gelegen in een gevoelig gebied als bedoeld in
den, berg- en bosgebieden, reservaten en
artikel 1 van de Bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.
natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) Gebieden waarin bij communautaire wet-
Er is geen sprake van gebieden waarin bij communautaire wetgeving
geving vastgestelde normen inzake mili-
vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschre-
eukwaliteit reeds worden overschreden
den.
Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid
N.v.t.
Landschappen van historisch, cultureel of ar-
Het plangebied maakt geen deel uit van een landschap van histo-
cheologisch belang
risch of cultureel belang (zie par. 5.6). Uit het uitgevoerde archeolo-
•
gisch onderzoek is geconcludeerd dat vervolgonderzoek noodzakelijk is. Dit onderzoek zal worden uitgevoerd nadat de bovengrondse sloop van de huidige bebouwing heeft plaatsgevonden (zie par. 5.6).
Conclusie Vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Gevoelig gebied 12 (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied Toets Beschermd natuurmonument
Het plangebied is niet gelegen in of in de nabijheid van een beschermd natuurmonument.
Habitat en vogelrichtlijngebieden
Het plangebied is niet gelegen binnen een Habitat en Vogelrichtlijngebied (zie par. 5.5). Gezien de aard van de ontwikkeling en de ligging binnen bestaand bebouwd gebied worden geen negatieve effecten verwacht op Natura 2000-gebieden in de omgeving. Door middel van een Aerius-berekening is aangetoond dat negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie op voorhand zijn uitgesloten.
Watergebied van internationale
Het plangebied is niet gelegen in of in de nabijheid van een waterge-
betekenis
bied van internationale betekenis.
NNN
Het plangebied is niet gelegen in het NNN.
Landschappelijk waardevol gebied
Nee. Het gebied is niet als zodanig bestemd.
Waterwinlocaties, waterwingebieden en
Het plangebied niet gelegen binnen dergelijke gebieden.
grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument
Er is geen sprake van een beschermd monument.
Belvédère-gebied
Er is geen sprake van een Belvédère gebied.
12 In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn ge-
bieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden.
Hoofdstuk 5
41
Conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Kenmerken van het potentiële effect Criteria Toets Bereik van het effect (geografische zone en
Er zijn geen effecten te verwachten die uit te drukken zijn in
grootte van de getroffen bevolking)
geografische zone en/of grootte van de getroffen bevolking.
Grensoverschrijdende karakter van het effect
Er is sprake van een kleinschalig initiatief dat geen grensoverschrijdend karakter heeft.
Waarschijnlijkheid van het effect
Geen effecten te verwachten.
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid
Geen effecten te verwachten.
van het effect
Conclusie 1. De ontwikkeling van woningen komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; 2. De activiteiten vallen wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De in kolom 2 bij categorie D11.2 genoemde drempelwaarde wordt bij lange na niet overschreden; 3. Omdat de activiteiten wel worden genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, dient voor dit plan wel een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd; 4. Uit de uitgevoerde m.e.r.-beoordeling is gebleken dat de activiteiten op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu leiden en dus geen aanleiding vormen om op grond hiervan alsnog een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
5.3 Waterparagraaf In het kader van de voorgenomen plannen heeft Aeres Milieu een onderbouwing van het wateraspect opgesteld. De belangrijkste bevindingen hieruit zijn samengevat in de voorliggende waterparagraaf. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage 13. 5.3.1
Ligging plangebied in relatie tot waterbelangen
Het plangebied ligt volgens de Omgevingsverordening Limburg 2014 binnen de boringsvrije zone Venloschol. Het is in de boringsvrije zone Venloschol verboden om beneden 5 meter boven NAP een boorput of een gesloten bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren. Daarnaast
13 Aeres Milieu, Onderbouwing wateraspect Herontwikkeling Venloseweg 21 Horst, projectnummer AM20221, d.d. 18 november 2021.
Hoofdstuk 5
42
is het verboden om beneden 5 meter boven NAP werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Aangezien geen grondboringen van een dergelijke diepte voorzien zijn, vormt de ligging in de Venloschol geen belemmering. Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied. Binnen het plangebied en de omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig waarvan de beschermingszone tot binnen het plangebied reikt. 5.3.2
Waterhuishoudkundige situatie
Grondwater Het plangebied ligt op een dekzandvlakte in het landschap binnen de Centrale Slenk. Ter plaatse zijn hoge zwarte enkeerdgronden te verwachten (bodemloket Nederland). Oostelijk van Horst bevindt zich een lager gelegen beekdal van de Groote Molenbeek. Het verwachte bodemtype ter plaatse van het plangebied is een fijne, zwak tot sterk lemige, zandgrond. Bodemopbouw Dit bodemtype heeft een verwachte diepe grondwatertrap VII of VII (GHG dieper dan 0,8 m-mv; GLG dieper als 1,2 m-mv). Tot ca. 1,6 m-mv is de Formatie van Boxtel te verwachten. Hieronder bevindt zich tot ca. 11 meter de goed doorlatende midden tot grof zandige grindhoudende Formatie van Beegden. Op basis van de gekende bodemdata en een recent uitgevoerd infiltratie onderzoek westelijk van de onderzoekslocatie (IWP Van Douverenstraat 5A, Horst; Aeres Milieu; AM20228 d.d. 26-05-2020) is een slechte tot matige doorlatendheid van de bodem te verwachten. De freatische grondwaterstroming is oostelijk gericht. Volgens gegevens van het DINO-loket is het grondwater op en nabij het plangebied op gemiddeld 22,7 meter +NAP te verwachten. Een groot deel van het plangebied blijkt ca. 0,5-1 meter hoger te liggen dan de weg waardoor ter plaatse geen grondwateroverlast te verwachten (1-2 m-mv).
Om instroom van hemelwater bij excessieve buien te vermijden, is een vloerpeil van 20 centimeter boven de kruin van de nabijgelegen weg geadviseerd. Dit is ter plaatse van het plangebied reeds aanwezig. 5.3.3
Planvoornemen in relatie tot waterhuishoudkundige aspecten
Hemelwater Het verhard oppervlak zal door het planvoornemen op basis van de gekende planinvulling toenemen met circa 661 m2. Vanuit de gemeente is aangegeven dat het verhard oppervlak van de uitgeefbare percelen op eigen terrein verwerkt dient te worden. Bij een voorziening met een overloop naar het gemeentelijk stelsel wordt een eis gesteld van 30 mm. De totale voorziening voor het uitgeefbaar gebied dient een capaciteit te hebben van 129,5 m3. Daarnaast dient voor de openbare verharding een totale capaciteit van 98,4 m3 ingepast te worden (compensatie eis openbaar gebied 100 mm).
Hoofdstuk 5
43
In eerste instantie dient nieuwe dichte verharding zoveel mogelijk beperkt te worden. Aanvullend kan hemelwater hergebruikt worden of een plat dak voorzien worden van een groendak. Voorts kan een waterdoorlatende bestrating of vergelijkbaar zoals grasbetontegels gebruikt worden bij de overige verharding om de afstroomsnelheid in te perken. Zover bekend wordt dit vooralsnog niet toegepast. Gezien de planinvulling wordt voor de verwerking van het hemelwater van de uitgeefbare percelen geadviseerd om onder de parkeervakken een hemelwatervoorziening aan te leggen. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van IT-kratten. Rockflow of grondkoffers. Onder de openbare weg kan een HWA- of IT-riool worden aangelegd (Ø0,6 m) waarin het hemelwater van de openbare verharding verwerkt kan worden. De voorkeur gaat uit naar een infiltratievoorziening als dit toepasbaar is. Ter plaatse is geen infiltratieonderzoek uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde infiltratieonderzoek tegenover de planlocatie (IWP Van Douverenstraat 5A, Horst; Aeres Milieu; AM20228 d.d. 25-05-2020) is gezien de ligging aan de overzijde en een verwachte zelfde bodemopbouw een slechte tot matige doorlatendheid van de bodem te verwachten. Naar verwachting is derhalve infiltratie beperkt tot niet toepasbaar geacht.
Indien een infiltratievoorziening aangelegd wordt, wordt geadviseerd om voorafgaand een infiltratieonderzoek uit te voeren om de lokale doorlatendheid van de bodem vast te stellen. Afvalwater De bestaande verharding (bebouwing en omliggende verharding) is aangesloten op het gemeentelijk gemengd rioolstelsel onder de Van Douverenstraat en de Venloseweg (woning nr. 21). Bij de nieuwbouw zal een gescheiden stelsel aangelegd worden zodat bij een toekomstige scheiding van het gemeentelijk stelsel eenvoudig aangesloten kan worden. Door de voorgenomen nieuwbouw van appartementen en woningen is een toename aan afvalwater uit het plangebied te verwachten. De verwachte afvoerhoeveelheid bedraagt ca. 1,1 m3/u (11 m3/dag). Hiervoor zal op eigen perceel een geschikt DWA-stelsel aangelegd worden waarop de nieuwbouw aangesloten wordt. Het DWA-stelsel zal via de nieuwe ontsluitingsweg worden aangesloten op het rioolstelsel van de Venloseweg. Hierbij is het noodzakelijk om voldoende uitleggers voor de woningen en appartementencomplex te realiseren en dat op 0,5 m van de erfgrens een ontstoppingsstuk ingebouwd wordt. Gezien de bestaande verharde situatie en de gemeentelijke verplichting tot aanleg van een hemelwatervoorziening op eigen perceel zal deze lichte toename zonder aanpassingen via het bestaande rioolstelsel verwerkt kunnen worden.
Voor deze wijziging zal te zijner tijd een rioolaanvraag worden ingediend bij de gemeente Horst aan de Maas.
Hoofdstuk 5
44
5.3.4
Wateradvies
Op 1 april 2019 is de nieuwe Keur van Waterschap Limburg vastgesteld. Sinds deze nieuwe Keur geldt geen ondergrens meer voor het aanvragen van een wateradvies. Alle ruimtelijke plannen waarbij het aspect water een rol kan spelen, komen in aanmerking voor een wateradvies.
5.4 Kabels en leidingen Binnen het plangebied komen geen leidingen of kabels met een dusdanige planologisch-juridische beschermingszone voor dat deze gevolgen hebben voor dit bestemmingsplan. Vanuit dit aspect zijn er dan ook geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling.
5.5 Ecologie Beleid De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. De provinciale groenstructuur is vastgelegd in het POL2014 en de Omgevingsverordening Limburg 2014.
Beschermde houtopstanden vanuit de Wet natuurbescherming De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.
Hoofdstuk 5
45
Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Stappenplan soortenbescherming Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten.
Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Toetsing Om te kunnen beoordelen of de voorliggende ontwikkeling in overeenstemming met de Wet natuurbescherming en het natuurbeleid kan worden uitgevoerd, heeft BRO een quickscan flora en fauna 14 uitgevoerd in het plangebied. De resultaten van de quickscan zijn hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage. Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘Maasduinen’, bevindt zich op circa 8,1 kilometer ten oosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof.
Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling het amoveren van de huidige loodsen en de realisatie van 28 appartementen en 10 patiowoningen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Om de effecten omtrent stikstofdepositie inzichtelijk te maken is door
14 BRO, Quickscan flora en fauna ‘Venloseweg 21’ te Horst, projectnummer P03141, d.d. 8 juli 2020.
Hoofdstuk 5
46
BRO een AERIUS berekening 15 gemaakt. De AERIUS calculator maakt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebied inzichtelijk. Met de recente uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) is beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet zondermeer als toestemmingsbasis mag gelden voor nieuwe activiteiten. In lijn met de recente uitspraak van de Raad van State geldt derhalve dat binnen onderhavig planvoornemen een projectbijdrage van 0,00 mol/ha/jaar als aanvaardbaar wordt geacht. In juli 2021 de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden waarbij een vrijstelling geldt voor stikstofuitstoot tijdens de bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten. In het kader van onderhavig bestemmingsplan heeft derhalve enkel een stikstofdepositie berekening plaatsgevonden voor de gebruiksfase. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij de gebruiksfase geen depositieresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Wat betreft gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid is het plangebied niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone, zilvergroene natuurzone of bronsgroene landschapszone.
Het dichtstbijzijnde onderdeel van het deze natuur- en landschapszones ligt ongeveer 500 meter ten noordoosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de natuur- of landschapszones niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Beschermde houtopstanden Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom. Bovendien zijn er geen bomen binnen het plangebied aanwezig. Hierdoor is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Soortenbescherming Het plangebied bevat geen essentieel leefgebied of geschikte rust- of verblijfplaatsen voor beschermde soorten. De voorgenomen plannen hebben hierdoor geen negatieve invloed op beschermde soorten. Het vogelhuisje op de bovenverdieping dient buiten het broedseizoen of na een controle op een actief nest te worden verwijderd. Tot slot dient ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten de algemene zorgplicht in acht te worden genomen. Conclusie Op basis van deze quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soortgroepen of effecten op beschermde gebieden niet noodzakelijk geacht.
Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag voor overtreding van verbodsbepalingen in de
15 BRO, AERIUS-berekening Venloseweg 21/Van Douverenstraat, projectnummer: P03141, d.d. 18 november 2021.
Hoofdstuk 5
47
Wet natuurbescherming ten aanzien van soorten dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. Het onderdeel houtopstanden is bij dit plan niet aan de orde. • Ten aanzien van broedvogels dient het bouwrijp maken van het terrein buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; • Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op het woonhuis en de verstoring van de houten raamluiken te worden vermeden; • Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Op grond van de AERIUS-berekening kan worden geconcludeerd dat de realisatie van 38 woningen geen negatief effect zal hebben op Natura 2000-gebieden. Vervolgonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag ten aanzien van houtopstanden dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming.
5.6 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie In het kader van het beoogde planvoornemen is door Aeres een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. 16 Onderstaand worden de conclusies uit dit onderzoek weergegeven. Het volledig rapport is als separate bijlage bij onderhavige toelichting toegevoegd. Gezien de hoge archeologische verwachting voor alle perioden en met name vanwege de aanwezigheid van meerdere historische bebouwing in het westelijke en zuidelijke deel evenals de verwachte beperkte bodemverstoring, is in samenspraak met de extern archeologisch adviseur van de bevoegde overheid kortgesloten om in elk geval voor deze delen van het plangebied direct over te gaan tot een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Hiermee wordt de tussenfase van een booronderzoek overgeslagen. Tijdens dit proefsleuvenonderzoek kan ter plaatse van het noordoostelijke deel (huidige bedrijfsgebouwen) zo nodig eerst enkele boringen worden gezet na sloop tot maaiveld van de huidige bedrijfsbebouwing en verwijdering van de aanwezige erfverharding. Op basis van deze boringen kan deze zone ofwel in het proefsleuvenonderzoek worden meegenomen ofwel archeologisch worden vrijgegeven. Een proefsleuvenonderzoek kan alleen plaatsvinden op basis van een Programma van Eisen (PvE) 17. Het programma van eisen is door de gemeente reeds goed gekeurd.
De resultaten van dit onderzoek dienen te worden getoetst door de bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas), dat op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen.
16 Aeres Milieu, ‘Archeologisch bureauonderzoek Venloseweg 21 te Horst’, rapportnr,: AM20221, D.D. 18 juni 2020. 17 Aeres Milieu, Programma van Eisen, Venloseweg 21 te Horst, projectnr.: AM20221-2, d.d. 16 juni 2021.
Hoofdstuk 5
48
In afwachting van het vervolgonderzoek zijn de archeologische waarden binnen het plangebied beschermd middels een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Cultuurhistorie Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn er binnen het plangebied zelf zijn geen monumenten of karakteristieke c.q. beeldbepalende elementen aanwezig. De nabijgelegen wegen Doolgaardstraat en Van Douverenstraat zijn op de cultuurhistorische waardenkaart aangewezen als ‘andere weg ouder dan 1806’. Aan deze wegen vinden geen wijzigingen plaats. Het woningbouwproject heeft dan ook geen negatieve invloed op de cultuurhistorische waarden van deze wegtracés. Daarnaast zijn diverse panden in de omgeving geïnventariseerd in het kader van het Monument Inventarisatie Project (MIP). Op deze gebouwen wordt evenmin invloed uitgeoefend als gevolg van de voorliggende ontwikkeling.
5.7 Verkeer en parkeren Parkeren Voor de woningbouwlocatie geldt op basis van de op 3 juli 2019 vastgestelde Nota Parkeernormen Horst aan de Maas een parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per appartement en 2 parkeerplaatsen per woning. Hierbij is uitgegaan van de categorie in de rest van de bebouwde kom. Voor de nadere onderbouwing van het aspect ‘Parkeren’ wordt verwezen naar paragraaf 3.5.4. Verkeersaantrekkende werking De realisatie van de woningbouwlocatie binnen het plangebied zal een bepaalde verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben. Het plangebied wordt ontsloten via de Venloseweg, die aan de zuidzijde van het plangebied is gelegen. Aan deze zijde wordt een inrit naar de parkeerplaatsen gerealiseerd. Op basis van de CROW-rekentool ‘Verkeersgeneratie en Parkeren’ is de verkeersgeneratie voor de beoogde woningbouwlocatie berekend. Hierbij is voor de 28 appartementen uitgegaan van de categorie ‘huur, etage, midden/goedkoop’. Wat betreft het gebiedstype is de rest van de bebouwde kom van de gemeente Horst aan de Maas (nietstedelijke gemeente) als uitgangspunt genomen. Volgens de CROW-rekentool heeft hebben de appartementen een verkeersgeneratie van 126 motorvoertuigbewegingen per etmaal op een gemiddelde weekdag tot gevolg. Voor de tien patiowoningen is uitgegaan van de categorie ‘koop, tussen/hoek’.
Wat betreft het gebiedstype is de rest van de bebouwde kom van de gemeente Horst aan de Maas (niet-stedelijke gemeente) als uitgangspunt genomen. Volgens de CROW-rekentool hebben de patiowoningen een verkeersgeneratie van 78 motorvoertuigbewegingen per etmaal op een gemiddelde weekdag tot gevolg. In totaal heeft de nieuwe woningbouwlocatie in een worst-case scenario een verkeersgeneratie van 200 motorvoertuigbewegingen per etmaal op een gemiddelde weekdag tot gevolg.
Hoofdstuk 5
49
Vergeleken met de verkeersgeneratie van de bestaande bedrijfsbestemming is slechts sprake van een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen. De Venloseweg, de Van Douverenstraat en overige omliggende wegen kunnen dit aantal verkeersbewegingen zonder problemen verwerken. Omdat slechts sprake is van een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen, zal er geen sprake zijn van een toename van geluidhinder op omliggende bestaande woningen. Vanuit verkeerskundige aspecten zijn er dan ook geen belemmeringen voor de beoogde woningbouw.
5.8 Gezondheid 5.8.1
Endotoxinen
In de onderhavige situatie is sprake van de realisatie van 38 woningen aan de Venloseweg te Horst. De beoogde realisatie heeft geen invloed op de endotoxine belasting en dit vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Daarbij is gekeken of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aan de hand van het ‘Endotoxinen toetsingskader 1.0’ kan een afstandscontour worden berekend rondom veehouderijen, waarbinnen sprake is van een overschrijding van de norm van de Gezondheidsraad (30 EU/m3) en dus sprake kan zijn van verhoogde gezondheidsrisico’s. In onderhavig geval kan worden gesteld dat er geen overschrijdingen plaatsvinden van de gestelde norm van Gezondheidsraad, doordat de dichtstbijzijnde varkens- of pluimveehouderij op meer dan 1 kilometer van het plangebied is gelegen. Zodoende kan ook geconcludeerd worden dat er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.8.2
Geitenhouderij
In het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III, longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 2014-2016’ van september 2018, wordt een correlatie bevestigd tussen het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en een verhoogd risico op longontsteking. Om dit risico per direct te beperken voor de inwoners van Limburg is er door de provincie Limburg voor gekozen om hiervoor rechtstreeks werkende regels in de Omgevingsverordening te stellen. Uit bovengenoemd onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 km rondom geitenhouderijen wonen een grotere kans hebben op een longontsteking. Wat deze toename veroorzaakt is nog onduidelijk. Er loopt onderzoek naar de oorzaken van de longontstekingen. Uitkomsten worden nog verwacht.
Hoofdstuk 5
50
Aangezien de planlocatie op ruim 2 km van een geitenhouderij is gelegen vormt het aspect gezondheid geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
5.9 Spuitzones Voor wat betreft het spuiten van gewassen zijn geen wettelijke voorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt, en nabijgelegen gevoelige objecten. Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen akkerbouwgronden en gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat toepassing van de vuistregel om een afstand aan te houden van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk is (uitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr. 201410309/1/R6). Dit brengt echter niet reeds met zich dat een kortere afstand in dit geval niet redelijk zou kunnen zijn. Dit hangt mede samen met de hoogte van de gewassen (hoe hoger, des te meer sprake er kan zijn van drift), windrichting, soort bestrijdingsmiddelen en frequentie van spuiten. De heersende windrichting ter plaatse is zuid-west.
Binnen de afstand van 50 m rondom onderhavig plangebied bevinden zich geen agrarische productiegronden welke besproeid worden, zodat deze geen belemmering kunnen vormen voor onderhavig plan.
5.10 Bezonning In het kader van onderhavig bestemmingsplan heeft een bezonningsstudie 18 plaatsgevonden. Het volledige rapport is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hier wordt volstaan met een korte samenvatting. Als gevolg van de voorgenomen nieuwbouw van het appartementencomplex zal er extra schaduwhinder ontstaan voor de percelen van Douverenstraat 14 en 16. De verslechtering van de situatie ten opzichte van de huidige situatie doet zich echter alleen in de wintermaanden voor. Daarnaast veroorzaakt het appartementencomplex in de overige perioden van het jaar extra schaduw in de ochtend en avondperiode. Als gevolg van de realisatie van patiowoningen ontstaat ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden niet meer schaduwhinder.
18 BRO, ‘Bezonningsstudie Venloseweg 21 te horst’, projectnr.: P03141, d.d. 2 juli 2021.
Hoofdstuk 5
51
In beide gevallen (appartementen en patiowoningen) is de verandering van de bezonning als gevolg van de nieuwbouw niet dermate verslechterd dat dit afbreuk doet aan de woon- en leefkwaliteit op de genoemde percelen. Vanuit de optiek van bezonning is de nieuwbouw derhalve aanvaardbaar.
Hoofdstuk 5
52
6.
UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar de verhaalbare kosten uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2, lid 1 Bro). Een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt onder andere aangewezen als het een bouwplan betreft voor de bouw van een of meer woningen. Er is in dit geval dus sprake van een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waardoor een verplichting tot kostenverhaal geldt.
Tussen de initiatiefnemer en de gemeente zal hiertoe een anterieure overeenkomst en een planschadeovereenkomst afgesloten worden.
6.2 Handhaving Sinds 1 april 2005 werkt de gemeente Horst aan de Maas samen met de gemeente Venray als het gaat om handhaving. Onder deze samenwerking valt niet alleen de uitvoering, maar ook alle juridische, administratieve en beleidsmatige ondersteuning. In 2017 is het Beleidsplan VTH Horst aan de Maas 2017-2020 in werking getreden. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: de gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid, waarbij preventief belang voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijk handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient.
Hoofdstuk 6
53
6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.3.1
Omgevingsdialoog
Initiatiefnemer heeft de directe omwonende van het plangebied geïnformeerd over de plannen voor de woningbouw. De directe omwonende zijn telefonisch en per brief geïnformeerd en tot slot heeft een inloopavond plaatsgevonden waar de omwonenden voor waren uitgenodigd. De plannen zijn tijdens deze inloopavond gepresenteerd en door de architect, makelaar en ontwikkelaar is nadere uitleg gegeven. Een verslaglegging 19 van de omgevingsdialoog is toegevoegd in een separate bijlage. De inloopavond is als zeer positief ervaren. Naar aanleiding van de inloopavond zijn een aantal suggesties kenbaar gemaakt. Zo is aandacht gevraagd voor de privacy, de verkeersveiligheid en de bouwstof die vrij komt tijdens de sloop. 6.3.2
Wettelijk vooroverleg
In het kader van het wettelijk vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening zal het ontwerp bestemmingsplan voorgelegd aan de daartoe in aanmerking komende instanties 6.3.3
Zienswijzenprocedure
Het ontwerp bestemmingsplan wordt gedurende een periode van 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn wordt eenieder in de gelegenheid is gesteld om een zienswijze in te dienen. 6.3.4
Procedure bestemmingsplan
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De wettelijke procedure voor het bestemmingsplan ziet er als volgt uit:
Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen