CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

10c Toelichting

Gemeenteraad 10 mei 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Venloseweg Horst (Disselhof).18.524 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Disselhof Horst Bestemmingsplan (Ontwerp) NL.IMRO.1507.HODISSELHOF-BPO1

Bestemmingsplan ‘Disselhof Horst’ Gemeente Horst aan de Maas Ontwerp

Identificatienummer:

NL.IMRO.1507.HODISSELHOF-BPO1

Rapportnummer:

P03141

Datum:

3 december 2021

Opdrachtgever:

Gemeente Horst aan de Maas

Projectteam BRO:

MOo, SSh, IMo

Concept:

augustus 2021

Voorontwerp: Ontwerp:

2 november 2021, 3 december 2021

Vastgesteld: Trefwoorden:

Woningbouw, Venloseweg 21/ Van Douverenstraat, Horst, gemeente Horst aan de Maas

Beknopte inhoud:

Bestemmingsplan ten behoeve van de ontwikkeling van de woningbouwlocatie aan de Venloseweg 21 te Horst. BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl

TOELICHTING

Inhoudsopgave pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

4 4 5 6 7

2. BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 2.1 Algemeen 2.2 Ruimtelijke en functionele structuur 2.3 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie

8 8 8 9

2.3.1 Historische ontwikkeling 2.3.2 Cultuurhistorie

9 9

3. BELEID 3.1 Inleiding 3.2 Rijksbeleid

10 10 10

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.2.4 Wet milieubeheer 3.3 Provinciaal beleid

10 11 12 13 13

3.3.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 3.3.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.3.3 Ontwerp Provinciale omgevingsvisie 3.4 Regionaal beleid

13 14 15 17

3.4.1 Regionale Woonvisie 2020-2024 3.5 Gemeentelijk beleid

17 19

3.5.1 Structuurvisie Horst aan de Maas 3.5.2 Masterplan Wonen Horst aan de Maas 3.5.3 Welstandsnota 3.5.4 Nota Parkeernormen Horst aan de Maas 3.6 Conclusie

19 22 24 24 24

4. PLANBESCHRIJVING 4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan

25 25

Inhoudsopgave

1

4.2 Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten

26

5. SECTORALE ASPECTEN 5.1 Inleiding 5.2 Milieuaspecten

28 28 28

5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit 5.2.2 Geluid 5.2.3 Luchtkwaliteit 5.2.4 Geur 5.2.5 Bedrijven en milieuzonering 5.2.6 Externe veiligheid 5.2.7 M.e.r.-beoordeling 5.3 Waterparagraaf

28 29 31 32 33 35 37 42

5.3.1 Ligging plangebied in relatie tot waterbelangen 5.3.2 Waterhuishoudkundige situatie 5.3.3 Planvoornemen in relatie tot waterhuishoudkundige aspecten 5.3.4 Wateradvies 5.4 Kabels en leidingen 5.5 Ecologie 5.6 Archeologie en cultuurhistorie 5.7 Verkeer en parkeren 5.8 Gezondheid

42 43 43 45 45 45 48 49 50

5.8.1 Endotoxinen 5.8.2 Geitenhouderij 5.9 Spuitzones 5.10 Bezonning

50 50 51 51

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Handhaving 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

53 53 53 54

6.3.1 Omgevingsdialoog 6.3.2 Wettelijk vooroverleg 6.3.3 Zienswijzenprocedure 6.3.4 Procedure bestemmingsplan

54 54 54 54

Inhoudsopgave

2

7. JURIDISCHE TOELICHTING 7.1 Planstukken 7.2 Toelichting op de verbeelding 7.3 Toelichting op de regels

56 56 56 56

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Ladderonderbouwing Bijlage 2: Parkeeronderzoek Bijlage 3: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 4: Aanvullend bodemonderzoek Bijlage 5: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 6: Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 7: Quickscan externe veiligheid Bijlage 8: Waterparagraaf Bijlage 9: Quickscan Flora en fauna Bijlage 10: Archeologisch onderzoek Bijlage 11: Programma van Eisen Bijlage 12: AERIUS-berekening Bijlage 13: Bezonningsstudie Bijlage 14: Omgevingsdialoog

59 59 59 59 59 59 59 59 59 59 59 59 59 59 59

Inhoudsopgave

3

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Het voornemen bestaat om woningbouw mogelijk te maken op een locatie op de hoek van de Venloseweg en Van Douverenstraat. In de huidige situatie staan er een aantal loodsen op het terrein van het voormalig timmerbedrijf en ligt er een bestaand woonhuis aan de Venloseweg nr. 21. De loodsen zullen worden gesloopt en er zal nieuwbouw plaatsvinden t.b.v. een woningbouwlocatie. Het bestaand woonhuis aan de Venloseweg nr. 21 zal verbouwd worden tot twee appartementen. De gewenste ontwikkeling is binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Peelkernen’ niet mogelijk. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is daarom besloten een nieuw bestemmingsplan op te stellen.

Topografische kaart met globale ligging plangebied (rode pijl)

Hoofdstuk 1

4

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt ten zuidoosten van het centrum in de kern Horst, in de gemeente Horst aan de Maas. Aan de westzijde wordt de locatie begrensd door de Venloseweg en aan de noordwestzijde door de Van Douverenstraat. Ten westen van het plangebied ligt een rotonde. Het plangebied is omsloten door reeds aanwezige woningen met tuinen. Het plangebied zelf is in de huidige situatie grotendeels verhard met aan de Venloseweg 21 een burgerwoning. Verspreid over het plangebied liggen enkele loodsen van het voormalig timmerbedrijf. Het plangebied omvat de percelen kadastraal bekend als Horst, sectie C, nrs. 4351, 4893, 4894 en 4997. Het plangebied omvat circa 6.500 m2.

Uitsnede kadastrale kaart met ligging plangebied (blauw omlijnd)

Hoofdstuk 1

5

In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk woningen gelegen. Verder richting het noordwesten ligt het centrum van Horst, waar een mix van diverse functies aanwezig is. Ten zuiden en oosten van het plangebied is sprake van een mix van wonen met enkele verspreid gelegen bedrijfslocaties.

1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied is gelegen binnen het plangebied van het bestemmingsplan ‘Peelkernen’, zoals dat op 10 november 2009 door de gemeenteraad van Horst aan de Maas is vastgesteld. Binnen dit bestemmingsplan zijn de gronden bestemd tot ‘Bedrijf’. Binnen deze bestemming zijn een aantal bouwvlakken opgenomen met ter plaatse maatvoeringen voor de goot- en bouwhoogte. Tevens is er ter plaatse van de aanduiding ‘bw’ een bedrijfswoning toegestaan. Aangezien het voorliggende initiatief de nieuwbouw van woningen betreft, is deze ontwikkeling niet toegestaan volgens het vigerende bestemmingsplan.

Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Peelkernen' met ligging plangebied

Hoofdstuk 1

6

Het vigerende bestemmingsplan bevat geen afwijkingsbevoegdheden of wijzigingsbevoegdheden waarmee de beoogde woningbouw mogelijk kan worden gemaakt. Daarom is besloten om het voorliggende nieuwe bestemmingsplan op te stellen, waarmee de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt. Daarnaast is het ontwerp bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Parkeren’ van toepassing op het plangebied. Middels dit plan is de ‘Nota Parkeernormen Horst aan de Maas’ (vastgesteld op 3 juli 2019) van toepassing verklaard op het gehele grondgebied van de gemeente. De voorliggende ontwikkeling moet dan ook getoetst worden aan deze gemeentelijke parkeernomen. In de paragrafen 3.5.4 en 5.7 wordt nader ingegaan op het aspect parkeren bij deze ontwikkeling. Vooruitlopend op de vaststelling van dit paraplubestemmingsplan zijn in het voorliggende bestemmingsplan de van toepassing zijnde parkeerregels opgenomen overeenkomstig dit parapluplan.

1.4 Leeswijzer Deze toelichting is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader beschreven en in hoofdstuk 4 het beoogde woningbouwplan. Hoofdstuk 5 gaat in op de relevante milieu- en onderzoeksaspecten en tot slot komen in de hoofdstukken 6 en 7 respectievelijk de uitvoerbaarheid en de juridische toelichting aan de orde.

Hoofdstuk 1

7

2.

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 2.1 Algemeen Het plangebied ligt in de kern Horst, ten zuidoosten van het centrum, in de gemeente Horst aan de Maas. In de huidige situatie is het plangebied grotendeels verhard en in deels in gebruik als bedrijfswoning met een aantal loodsen van het voormalig timmerbedrijf.

2.2 Ruimtelijke en functionele structuur In de huidige situatie is het plangebied grotendeels verhard. Aan de zijde van de Venloseweg ligt ter hoogte van huisnummer 21 in de huidige situatie een bedrijfswoning. Ten noorden van de bedrijfswoningen zijn een aantal loodsen gelegen.

Uitsnede luchtfoto met ligging plangebied (rood omlijnd)

Hoofdstuk 2

8

Het plangebied is gelegen op een transformatielocatie nabij het centrum van Horst. Aangrenzend aan het plangebied en in de omgeving zijn hoofdzakelijk woningen gelegen. Het voorliggende woningbouwplan past daarmee functioneel goed binnen de bestaande woonomgeving.

2.3 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie 2.3.1

Historische ontwikkeling

Het dorp Horst is in de middeleeuwen (ca. 500 tot ca. 1500 NC) ontstaan op de hogere zandgronden tussen de Peel en de Groote Molenbeek. De oorspronkelijke naam was Berkele. In de 11e eeuw was er in Berkele al een kapel. Rondom deze kapel vestigden zich winkeliers en handelaren. Van de gehuchten Berkele, Hegelsum, Meldersloo, Meterik, Middelijk, Oostenrijk en Schadijk was Berkele door zijn centrale ligging het belangrijkste. Door het ontstaan van het kasteel Huys ter Horst (ca. 1300) neemt de centrale nederzetting Berkele waarschijnlijk de naam Horst aan. Horst en de andere dorpen van de gemeente Horst aan de Maas behoorden tot het Overkwartier van Gelre of Spaans Opper-Gelre. Tijdens de Spaanse Successieoorlog werd het door Staatse troepen bezet, waarna het in 1713 werd overgedragen aan de Pruisische bondgenoot. Zo bleef het als deel van Pruisisch Opper-Gelre ongeveer een eeuw lang Duits (tot 1814). Volgens divers historisch kaartmateriaal (bron: topotijdreis.nl) was het plangebied tot medio 20e eeuw onbebouwd en in agrarisch gebruik. In de directe omgeving waren enkele verspreid gelegen boerderijen aanwezig. Ter plaatse van de Van Douverenstraat, Doolgaardstraat en de Venloseweg zijn reeds vanaf medio 19e eeuw wegen gelegen. In de jaren ’50 en ’60 is het merendeel van de bebouwing in de langs deze doorgaande wegen rond het plangebied opgericht.

Het plangebied zelf is eind jaren ’70 bebouwd met de huidige bebouwing. 2.3.2 Cultuurhistorie Binnen het plangebied zelf zijn geen monumenten of karakteristieke c.q. beeldbepalende elementen aanwezig. De Van Douverenstraat is op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg aangewezen als ‘andere weg ouder dan 1806’. Aan deze weg vindt geen wijzigingen plaats. Het woningbouwproject heeft dan ook geen negatieve invloed op de cultuurhistorische waarden van dit wegtracé. Daarnaast zijn diverse panden in de omgeving geïnventariseerd in het kader van het Monument Inventarisatie Project (MIP). Op deze gebouwen wordt evenmin invloed uitgeoefend als gevolg van de voorliggende ontwikkeling.

Hoofdstuk 2

9

3.

BELEID 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante ruimtelijke beleidsaspecten voor de ontwikkeling van het plangebied.

3.2 Rijksbeleid 3.2.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio’s; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1.

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Afweging Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie.

Hoofdstuk 3

10

3.2.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. 1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde ladder in werking getreden.

Hierin is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Het voorliggende bestemmingsplan maakt de toevoeging van 38 woningen mogelijk. Het toevoegen van maximaal elf woningen is in lijn met de uitspraak 2 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2017 een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Bij het voorliggende initiatief wordt deze ondergrens overschreden, waardoor sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook vereist. Door BRO is een laddertoets 3 uitgevoerd. Onderstaand wordt de conclusie uit deze toets weergegeven.

Het volledig rapport is als separate bijlage bij onderhavige toelichting toegevoegd. Geconcludeerd kan worden dat het initiatief waarin 38 nultredenwoningen worden beoogd in diverse prijssegmenten, nadrukkelijk voorziet in een behoefte: • Door de grote tekorten staat de landelijke woningmarkt in algemene zin onder druk. Ook in de gemeente Horst aan de Maas is er door de enorme krapte behoefte aan nieuwe woningen om in de vraag te kunnen voorzien. Daarnaast is de verwachting dat het aantal huishoudens de komende jaren gaat toenemen, waardoor de vraag naar woningen eveneens verder toeneemt. Indicatief is

1 O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016

(ECLI:NL:RVS:2016:2319).

2 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Uitspraak 201608869/1/R3, ECLI:NL:RVS:2017:1724, 28 juni 2017

3 BRO, Quickscan behoefte woningbouwplan Venloseweg 21 te Horst aan de Maas, projectnr.: P03141, d.d. 29 april 2021.

Hoofdstuk 3

11

•

•

er tot 2030 daardoor behoefte aan 1.206 nieuwe woningen in de gemeente Horst aan de Maas. De huidige planvoorraad in de gemeente voorziet in 357 woningbouwplannen, waarvan 98 met de status hard. Hierdoor bestaat er een restopgave aan 1.108 woningen tot 2030 in de gemeente Horst aan de Maas. Ook inclusief de zachte planvoorraad zijn er onvoldoende plannen voorradig om in de behoefte te kunnen voorzien. Regionaal bestaat de restopgave uit 2.658 woningen tot 2030. Naast de kwantitatieve opgave ligt er ook een nadrukkelijke kwalitatieve opgave. De landelijke trend van vergrijzing is namelijk ook sterk zichtbaar in de gemeente Horst aan de Maas en de regio Noord-Limburg. Het aandeel ouderen (75+) stijgt hier respectievelijk met +8,8% en +9,1% tot 2040. Het gevolg van deze demografische verschuiving is dat er op provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau een aanzienlijke behoefte bestaat aan woningen die geschikt zijn voor ouderen, zoals nultredenwoningen (zoals appartementen met lift en patiowoningen). Regionaal lag het tekort van dit type woningen op 5.500 tot 2030. Ook in de gemeente Horst aan de Maas wordt door de verwachte vergrijzing nadrukkelijk ingezet op het toevoegen van nultredenwoningen aan de woningvoorraad. Het toevoegen van geschikte woningen voor senioren heeft bovendien als gevolg dat de doorstroming op gang komt, waardoor er ook woningen vrijkomen voor starters.

De omvang van de vraag naar nultredenwoningen is dermate groot dat er in beginsel behoefte is aan toevoeging in alle segmenten en oppervlakteklassen. Door de krapte staat daarnaast de betaalbaarheid onder druk, waardoor specifiek aandacht is voor toevoeging in de sociale- en middeldure huursector. Op provinciaal niveau zijn deze segmenten bijvoorbeeld aangeduid als urgent te realiseren en regionaal bleek hierin een tekort aan respectievelijk 1.000 en 2.000 woningen. Daarnaast blijft er ook regionaal behoefte aan nultredenwoningen in de koopsector (2.500). Doordat er vraag is naar nultredenwoningen in ieder segment zet de gemeente Horst aan de Maas in op een gevarieerd nieuwbouwprogramma van 30% sociale huur, 30% vrijesectorhuur en 40% koop om in de behoefte te kunnen voorzien.

3.2.3

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden. Hierna zijn nog enkele wijzigingen in werking getreden. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nationaal Natuurnetwerk (NNN), erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Vanuit het Barro zijn er voor wat betreft de genoemde onderwerpen en gezien de aard en schaal van het project, geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

Hoofdstuk 3

12

3.2.4

Wet milieubeheer

In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a. Die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b. Ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b.

van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: ‘op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben’. De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plicht van dit plan is opgenomen in paragraaf 5.2.7.

3.3 Provinciaal beleid 3.3.1

Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014

Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten van de provincie Limburg het Provinciaal Omgevingsplan 2014 (POL2014) ‘Voor de kwaliteit van Limburg’ vastgesteld. In het POL2014 is onderscheid gemaakt in acht soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Volgens de kaart ‘Zonering Limburg’ ligt het plangebied binnen de zone ‘overig bebouwd gebied’. Overige bebouwde gebieden zijn gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen met deels een stedelijk karakter en deels een dorps karakter. Woningbouw dient bij uitstek binnen deze zone plaats te vinden.

Hoofdstuk 3

13

Op het gebied van wonen is de provinciale ambitie een voortreffelijk woon- en leefklimaat, waar mensen zich prettig voelen. De Limburgse woningmarkt biedt voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek. De woningvoorraad biedt voldoende mogelijkheden voor doorstromingen, is toekomstbestendig en kan flexibel inspelen op (veranderende) woonwensen. In het POL2014 worden de ambities, opgaven en aanpak voor de thema's benoemd waarop de provincie een rol heeft of wil vervullen. Voor woningen, bedrijventerreinen, kantoren en winkels geldt dat er daarvan in Limburg genoeg zijn, in toenemende mate zelfs te veel. Maar tegelijkertijd liggen er op al deze gebieden nog grote kwalitatieve opgaven. Blijvende vernieuwing en innovatie zijn dan ook van groot belang. De uitdaging is om een omslag te maken 'van kwantiteit naar kwaliteit' en meer schaarste te creëren. De sleutel ligt in dynamisch voorraadbeheer. Op basis van een goede visie en een actueel overzicht van de voorraad worden per regio afspraken gemaakt. Deze afspraken gaan over het verbeteren van de kwaliteit van de bestaande voorraad, het schrappen van plannen en ideeën maar ook van harde plancapaciteit of nog uitgeefbare terreinen waar achteraf minder behoefte aan blijkt te bestaan en mogelijk ook de aanpak van leegstand.

Er is onder voorwaarden ruimte voor het toevoegen van goede nieuwe voorraad, maar dan wel in combinatie met het schrappen van bestaande voorraad. 3.3.2

Omgevingsverordening Limburg 2014

Naast het POL2014 is ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 op 12 december 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding te geven. Woningbouw In artikel 2.2.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening houdt met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Voor de toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking wordt verwezen naar paragraaf 3.2.2. In de verordening zijn tevens regels opgenomen ten aanzien van woningbouw. Volgens artikel 2.4.2 van de Omgevingsverordening voorziet een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio NoordLimburg niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Verder geldt dat de toelichting van een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, een verantwoording dient te bevatten van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bovenstaande.

De toelichting bij het ruimtelijk plan dient tevens een verantwoording te bevatten van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen.

Hoofdstuk 3

14

De gemeente Horst aan de Maas heeft een regionale structuurvisie vastgesteld in de vorm van de ‘Regionale Woonvisie 2020-2024’. In paragraaf 3.4.1 wordt hier nader op ingegaan. Milieubeschermingsgebieden Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied niet binnen beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap of (milieu)beschermingsgebieden ligt. Wel ligt het plangebied binnen de boringsvrije zone Venloschol. Het is in de boringsvrije zone Venloschol verboden om beneden 5 meter boven NAP een boorput of een gesloten bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren. Daarnaast is het verboden om beneden 5 meter boven NAP werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Aangezien geen grondboringen van een dergelijke diepte voorzien zijn, vormt de ligging in de Venloschol geen belemmering. Wel zijn de regels uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 vertaald in dit bestemmingsplan middels de aanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ die is opgenomen voor het gehele plangebied. 3.3.3

Ontwerp Provinciale omgevingsvisie

Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt na vaststelling van deze Omgevingsvisie, het huidige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De vaststelling van deze omgevingsvisie is beoogd in het eerste kwartaal van 2021. Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2022. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht.

Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: • Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijkals in het bebouwde gebied; • Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); • Klimaatadaptatie en energietransitie.

Hoofdstuk 3

15

Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: • Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; • Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden welke bijdragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader.

Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en nietcourante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt.

Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil.

Hoofdstuk 3

16

Leefomgeving Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogtes) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit.

3.4 Regionaal beleid 3.4.1 Regionale Woonvisie 2020-2024 De ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2040’ geeft richting aan het woonbeleid voor de komende vier jaar. Uitgangspunt daarbij is dat de huidige samenwerking en afstemming tussen verschillende partijen, waaronder corporaties, ontwikkelaars, zorginstellingen etc., wordt voortgezet. Op basis van een analyse over de huishoudensontwikkeling, de link tussen de (toekomstige) bevolkingssamenstelling en de bestaande woningvoorraad en enkele trends en ontwikkelingen zijn er in de visie enkele opgaven geformuleerd die als volgt zijn samen te vatten: • Mismatch woningbehoefte en woningvoorraad: Het gaat hierbij om zowel de bestaande woningvoorraad, als nieuwbouw. De samenstelling van de bevolking verandert en dit brengt een andere woonvraag met zich mee. Deze vraag sluit maar deels aan op de bestaande voorraad. De opgave ligt dan ook bij het aanpassen van de bestaande voorraad. De nieuwbouw die wordt toegevoegd, dient toegespitst te worden op de toekomstige woningbehoefte. Hierbij wordt nog meer dan voorheen gekeken naar de kwalitatieve vraag en het bevorderen van de doorstroming op de regionale woningmarkt. Bij nieuwbouw is de kwalitatieve toets daarom leidend en in mindere mate de kwantitatieve toets.

• Zoektocht om alle doelgroepen een plek te geven binnen onze woningmarkt: In de regio komen de verschillende doelgroepen nadrukkelijker naar voren. Die moeten allemaal een plek krijgen binnen onze woningmarkt en maatschappij. Denk hierbij aan zorgdoelgroepen (vanuit beschermd wonen naar de reguliere woningmarkt) en internationale werknemers de zich hier voor langere tijd willen vestigen. Maar ook woonwagenbewoners. Voor een deel zijn bijzondere doelgroepen afhankelijk van de sociale huursector. De druk op dit segment lijkt dan ook toe te nemen. Niet alleen qua aantallen, maar juist door een concentratie van mensen die door allerlei oorzaken hun weg maar moeilijk kunnen vinden in onze maatschappij. Dit brengt druk op de leefbaarheid met zich mee. Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. In de regio hebben we uitgangspunten geformuleerd waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen.

Hoofdstuk 3

17

Uitgangspunten voor de kwalitatieve richtlijn: • Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen • Koppelkansen • Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot • Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte • De regio streeft sociaal duurzame woonconcepten na • De regio zoekt aansluiting op de duurzaamheidsdoelen die landelijk, regionaal en lokaal gesteld zijn. Kwantitatieve opgave Volgens de Limburgse Woonmonitor van 2020 4 van de provincie Limburg dient er in heel Limburg 10.000 tot ruim 12.000 extra woningen te worden gerealiseerd in 7-11 jaar tijd. In Noord-Limburg ligt de woonopgave tussen de 2.372 en 7.975 woningen.

De dorpen in Noord-Limburg, waaronder Horst, zullen derhalve nog flink moeten groeien. Volgens de bevolkingsprognose van Etil groeit het aantal huishoudens in Horst aan de Maas nog tot 2040 met 1.741. Tot 2030 dienen er in de gemeente Horst aan de maas nog 58 woningen te worden gerealiseerd. Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van 38 woningen. Dit past binnen de behoefte van de gemeente en binnen de behoefte van Noord-Limburg. Kwalitatieve opgave Uit de Woonmonitor blijkt ook dat er in Noord-Limburg een tekort aan appartementen (met lift) en levensloopbestendige woningen bestaat in verschillende type woningen, zoals sociale huurssector, vrije

4 Provincie Limburg, ‘Limburgse Woonmonitor van 2020’ d.d. 2020.

Hoofdstuk 3

18

huursector en in de koopsector. Onderhavig planvoornemen voorziet in levensloopbestendige woningen in verschillende types. Er zijn levensloopbestendige huurwoningen en koopwoningen voorzien. Daarnaast verschillen de omvangen van de woningen.

3.5 Gemeentelijk beleid 3.5.1

Structuurvisie Horst aan de Maas

Op 9 april 2013 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Structuurvisie Horst aan de Maas vastgesteld. De doelstelling die de gemeente heeft met de voorliggende structuurvisie is drieledig: • De structuurvisie vormt een integraal beeld van de ontwikkelingen die de gemeente voor ogen heeft voor de langere termijn; • De gemeente verschaft hiermee inzicht hoe zij nieuwe initiatieven afweegt en welke randvoorwaarden hier eventueel bij gelden; • De structuurvisie biedt kansen optimaal gebruik te maken van mogelijkheden voor het plegen van bovenplans kostenverhaal, zoals die zijn opgenomen in de Wro en de Grex-wet. In deze integrale op uitvoering gerichte structuurvisie heeft de gemeente haar ruimtelijk beleid gebundeld. De gemeente streeft ernaar om de omgevingskwaliteiten te behouden en te ontwikkelen conform nationaal en provinciaal beleid. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente Horst aan de Maas (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners. Om de speerpunten tot een succes te maken, is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het landschap (de omgevingskwaliteit) gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk versterkt wordt.

Bestaande plannen die in het gemeentelijk beleid een belangrijke plaats innemen/krijgen zijn: de ontwikkeling van ecologische verbindings- en bufferzones, landschapspark De Peelbergen en natuurontwikkeling in het kader van de Maascorridor. Daarnaast is en wordt ingespeeld op de dynamiek in de land- en tuinbouw, onder meer in het kader van de reconstructie. Dit wordt gedaan door in te zetten op een nieuw te ontwikkelen eigen kwaliteit, in relatie tot de ruimtelijke eisen van de sector. Dit speelt met

Hoofdstuk 3

19

name in de landbouwontwikkelings- en glastuinbouwgebieden rondom Horst, Meterik, Hegelsom, Melderslo en Grubbenvorst. Ook zet de gemeente in op de verfraaiing van het boerenlandschap en het vergroten van de beleving van het landschap, het realiseren van particulier groen en het beschermen van beschermingswaardige houtopstanden. Bijdrage ruimtelijke ontwikkelingen (Gemeentelijk kwaliteitsmenu) De gemeente Horst aan de Maas is voornemens investeringen te doen die bijdragen aan een algemene verbetering van de woon-, leef-, en werkkwaliteiten van de gemeente. Deze investeringen hebben daarmee een positieve uitwerking op de waardeontwikkeling van bestaand alsook nieuw te realiseren onroerend goed. De gemeente vindt het daarom gerechtvaardigd om bij het aangaan van een overeenkomst inzake de grondexploitatie waar nodig en mogelijk ook een kwaliteitsbijdrage te vragen ten behoeve van deze gemeentelijke investeringen. Het vormt een tegenprestatie voor de verdere verdichting en verstening van locaties binnen en buiten de 'rode contouren'. De doorvertaling van het Limburg kwaliteitsmenu naar een gemeentelijk instrument voor ontwikkelingsplanologie zorgt daarbij voor de opbouw van financiële middelen voor maatschappelijk-ruimtelijke projecten die de kwaliteit van de dorpen en het buitengebied de komende jaren gaan versterken.

Ten behoeve van behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied, stelt de gemeente in de structuurvisie een fonds in voor het landelijk gebied. Om de omgevingskwaliteit in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas te vergroten, investeert de gemeente ten laste van dit fonds o.a. in natuurontwikkelingen, landschapsversterking, recreatieve voorzieningen, cultuurhistorie en in de concentratie, revitalisering en sloop van intensieve veehouderijen en glastuinbouw (IV en glas). De kwaliteitsverbeterende projecten zijn in de structuurvisie weergegeven in de uitvoeringsagenda. Deze uitvoeringsagenda zal jaarlijks door het college worden geactualiseerd en vastgesteld. Het fonds zal zoveel mogelijk worden gevoed met de opbrengsten van het kostenverhaal dat zal worden gepleegd bij initiatieven die plaatsvinden in het buitengebied. Het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu is van toepassing indien de ontwikkeling mogelijk moet worden gemaakt middels een bestemmingsplanwijziging. De locatie van de beoogde ontwikkeling is bepalend voor de planologische toelaatbaarheid en de manier waarop kwaliteitsverbeterende maatregelen ingezet kunnen worden. Per type ontwikkeling is aangegeven in hoeverre deze past binnen het betreffende deelgebied. Er zijn vier mogelijkheden: 1.

De gemeente heeft een positieve grondhouding (ja) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 2. De gemeente heeft een meedenkende grondhouding (ja, mits) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 3. De gemeente heeft een voorwaardelijke grondhouding (nee, tenzij) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 4. De gemeente heeft een negatieve grondhouding (nee) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied. Enkel via maatwerk is medewerking aan het initiatief denkbaar.

Hoofdstuk 3

20

Het plangebied is gelegen binnen deelgebied 6A ‘Centrumdorpen’. Voor projectmatige woningbouw in uitleggebieden geldt hiervoor een positieve grondhouding (ja). Een positieve grondhouding betekent dat de gemeente in principe de potentiële ontwikkeling wenst en stimuleert. Dit betekent dat volgens de structuurvisie en het Gemeentelijk kwaliteitsmenu daarin, sprake dient te zijn van een kwaliteitsbijdrage van € 5,- per m² plangebied ten behoeve van de realisering van groen, natuur, landschap en herstel landschappelijke cultuurhistorie. Vanwege de ligging binnen gebied met een positieve grondhouding dient dit bedrag te worden vermenigvuldigd met een factor 1. Dit betekent een kwaliteitsbijdrage van € 5,- per m² plangebied. Middels het afsluiten van een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt de afdracht van deze kwaliteitsbijdrage geregeld. Evaluatie structuurvisie Bij de vaststelling van de structuurvisie is besloten om deze na een jaar te evalueren. Deze evaluatie heeft plaatsgevonden in de periode augustus 2014 – juli 2015 en heeft op onderdelen geleid tot een aanpassing van de structuurvisie. De module 'Projectmatige woningbouw' is daarbij gewijzigd in de module 'woningbouw in exploitatiegebieden'.

Afwegingskader toevoegen woningen Op 26 november 2019 is een herziening van de structuurvisie vastgesteld, waarbij onder andere het afwegingskader ‘Het toevoegen van een woning in de kern’ is toegevoegd aan de structuurvisie. Door middel van dit afwegingskader wordt op basis van ruimtelijke en volkshuisvestelijke criteria bepaald of woningbouwplannen voorzien in een type woningen waar op basis van het Masterplan Wonen behoefte aan is. Indien een plan 8 of meer punten scoort, dan is sprake van een juiste woning op de juiste plek. Ten aanzien van het ruimtelijke kader blijkt dat het planvoornemen scoort op de navolgende aspecten: • Inbreiding of uitbreiding: score 2 Het plangebied betreft een transformatielocatie binnen bestaand stedelijk gebied nabij het centrum van Horst. • Hergebruik bestaand vastgoed: score 0 Het plangebied betreft een verouderde bedrijfslocatie. De reeds aanwezige bebouwing zal worden gesloopt. Op het plangebied is tevens een woning aanwezig die wordt getransformeerd naar twee appartementen. Er wordt slechts gedeeltelijk bestaand vastgoed hergebruikt. Er is derhalve geen sprake van volledig hergebruik van bestaand vastgoed. • Herontwikkelingslocatie: score 4 Het plangebied betreft een verouderde bedrijfslocatie met in de omgeving voornamelijk woningen.

Hoofdstuk 3

21

Ten aanzien van het volkshuisvestelijk kader scoort het planvoornemen op de navolgende aspecten: • Levensloopbestendige woning: score 2 Het voorliggende plan voorziet volledig in de realisatie van levensloopbestendige woningen. • Huurwoning: score 2 Het voorliggende plan bestaat uit (middel dure) huurappartementen, 9 sociale huurappartementen en patiowoningen. • Kleine huisvesting (eenpersoonshuishoudens): score 0 Het plan voorziet deels in de realisatie van appartementen voor kleine huishoudens, aangezien de gebruiksoppervlakte van de appartementen tussen 100 en 140 m2 ligt. • Bijzondere doelgroepen: score 0 Onderhavig plan voorziet niet in de huisvesting van bijzondere doelgroepen. • Flexibel: score 0 Het voorliggende plan voorziet niet in een woningbouwconcept dat op termijn zonder veel kosten is te transformeren naar een behoefte op termijn. • Gevarieerde wijkopbouw: score 2 De realisatie van de beoogde levensloopbestendige appartementen zorgt voor een gedifferentieerde wijkopbouw, aangezien de appartementen een andere doelgroep hebben dan de in de omgeving gelegen grondgebonden (eengezins)woningen. • Duurzaamheid: score 1 De appartementen worden duurzaam en zeer energiezuinig uitgevoerd. In totaliteit scoort het planvoornemen 13 punten, waardoor op basis van het afwegingskader positief geadviseerd worden ten aanzien van de uitvoering van dit woningbouwplan.

In het afwegingskader is daarnaast bepaald welke GKM-bijdrage van toepassing is op het betreffende woningbouwplan. Bij woningbouwplan waarbij 8 of meer punten worden gescoord, geldt een GKMbijdrage van € 0,-. Bij het voorliggende woningbouwplan is dat het geval. De GKM-bijdrage voor dit initiatief bedraagt kortom € 0,-. Afweging Het plangebied is gelegen binnen gebied waarvoor een positieve grondhouding (ja) geldt volgens de structuurvisie. Aan de voorwaarden in het gemeentelijk kwaliteitsmenu voor de module 'woningbouw in exploitatiegebieden' wordt voldaan. Daarnaast scoort het plan meer dan 8 punten op basis van het afwegingskader voor woningbouw. Hierdoor bedraagt de vereiste kwaliteitsbijdrage conform het GKM € 0,-. Het plan past daarmee binnen de uitgangspunten van de gemeentelijke structuurvisie. 3.5.2

Masterplan Wonen Horst aan de Maas

Het Masterplan Wonen (lokale woonvisie) 2016-2021, dat in juni 2016 door de gemeente Horst aan de Maas is vastgesteld, is een uitwerking van de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. De beleidsopgaven voor Horst aan de Maas die gebaseerd zijn op het regionale beleid, zijn als volgt: 1. Een nieuwbouwprogramma met toekomstwaarde;

Hoofdstuk 3

22

2. Een sluitend netwerk van wonen, zorg en welzijn; 3. Aantrekkelijk houden van de bestaande woningvoorraad en dorpen door verduurzaming in brede zin. De genoemde beleidsopgaven resulteren in de volgende speerpunten in het Masterplan Wonen (2016-2021): • Streven naar een kwalitatief gedifferentieerd woningaanbod, dat aansluit op de vraag van de huidige en toekomstige inwoners van de gemeente Horst aan de Maas. Een gedifferentieerd woningaanbod biedt de mogelijkheid om een gewenste wooncarrière te maken binnen de gemeente (doorstroming) en draagt bij aan een evenwichtige bevolkingsopbouw. • Ter bevordering van een evenwichtige bevolkingsopbouw besteedt gemeente in haar programma wonen extra aandacht aan woningen (huur en koop) voor jongeren, starters en senioren. • Voor senioren is het van belang dat de woning zorggeschikt is en dat zij daar kunnen blijven wonen ook als ze zorg behoeven. • In de bestaande particuliere woningvoorraad kan nog een flinke slag gemaakt worden op het gebied van duurzaamheid en het toekomstbestendig maken. Met name woningen uit de periode 1950-1985 vragen om (energetische) verduurzaming om deze toekomstbestendig en courant te houden. • Realiseren van de nieuwbouw hoofdzakelijk binnen de bestaande bebouwing en in vrijkomend vastgoed in de woonkernen om de groene en landelijke omgeving tussen de woonkernen te behouden.

• Het stimuleren van de starters naar de bestaande voorraad, de realisatie van tijdelijke huurwoningen en de bewustwording van langer zelfstandig wonen. Volgens de bevolkingsprognose van Etil groeit het aantal huishoudens in Horst aan de Maas nog tot 2040 met 1.741. Het woningbouwprogramma is daarop afgestemd. De bestaande plancapaciteit wordt tegen het licht gehouden voor wat betreft de kwalitatieve invulling. Er dient met name aandacht te zijn voor levensloopbestendige woningen. Voor de gemeente Horst aan de Maas is de woningbouwopgave tot 2030 om 58 woningen te realiseren. De voorliggende locatie aan de is weliswaar niet aangewezen als woningbouwlocatie in het Masterplan Wonen, maar het voorliggende plan draagt wel bij aan het invullen van de kwalitatieve en kwantitatieve woningbouwopgave voor de kern Horst. De ontwikkeling vindt plaats op een transformatielocatie nabij het centrum van Horst, en voorziet in de groeiende behoefte aan levensloopbestendige woningen. Het plan voldoet dan ook aan het gemeentelijk woningbouwkader zoals opgenomen in het Masterplan Wonen Horst aan de Maas. In paragraaf 3.2.2 is de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte verder besproken.

Hoofdstuk 3

23

3.5.3

Welstandsnota

De gemeente Horst aan de Maas heeft op 20 november 2012 de ‘Welstandsnota gemeente Horst aan de Maas’ vastgesteld. Deze nota is opgesteld om een welstandstoets te kunnen uitvoeren bij aanvragen om omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen. De vereenvoudigde welstandsnota bevat de basisvoorwaarden waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden. De gemeente onderscheid twee niveaus van welstand: ‘normaal’ en streng’. Voor het plangebied zal het welstandsniveau ‘normaal’ gaan gelden. Bij het normaal niveau van welstand wordt getoetst op aspecten die te maken hebben met de situering van het bouwwerk, de hoofdvormen van het bouwwerk, de schaal en geleding van het gebouw, het materiaalgebruik en de gebruikte kleurstelling. Ook de gevelaanzichten worden beoordeeld. De toets is vooral gericht op het gebouw als geheel en het welstandstoezicht is in deze gebieden beperkt tot het handhaven van basiskwaliteiten. Het plan is al diverse keren getoetst aan de welstandsnota. In het kader van de concrete bouwplannen voor deze locatie zal nog eens een welstandstoets plaatsvinden. 3.5.4

Nota Parkeernormen Horst aan de Maas

Op 3 juli 2019 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas vastgesteld. In deze Nota zijn de nieuwste richtlijnen ten aanzien van het aantal benodigde parkeerplaatsen bij diverse typen voorzieningen opgenomen. Voor het merendeel zijn deze richtlijnen gebaseerd op landelijke kencijfers (CROW publicatie 317 Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). In afwijking van de CROW-publicatie is in de Nota Parkeernormen voor alle type appartementen en woonhuizen, ongeacht de prijsklasse en eigendomssituatie, één parkeernorm opgenomen. Vanwege de landelijke ‘setting’ van de gemeente Horst aan de Maas heeft het type woning en prijsklasse van de woning nauwelijks invloed op het autobezit. Wel is onderscheid gemaakt tussen woonhuizen en appartementen. Op het voorliggende initiatief is de categorie ‘woning en ‘appartement’ van toepassing. Basis blijft dat ontwikkelingen moeten voorzien in voldoende parkeerruimte op eigen terrein. Door Buiten-Ruimte is een parkeeronderzoek 5 uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd.

3.6 Conclusie De gewenste woningbouwontwikkeling binnen het plangebied past, met uitzondering van de kaders van het vigerende bestemmingsplan, binnen de beleidskaders van zowel het Rijk, de provincie, de regio als de gemeente Horst aan de Maas zelf.

5 Buiten-Ruimte, Parkeeronderzoek Disselhof, Horst, projectnr.: 2021STI01, d.d. 21 september 2021.

Hoofdstuk 3

24

4.

PLANBESCHRIJVING 4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan Binnen het plangebied worden 26 nieuwbouw appartementen ontwikkeld en 10 levensloopbestendige patiowoningen. De bestaande woning aan de Venloseweg 21 zal worden getransformeerd naar 3 appartementen. Het nieuwe appartementengebouw aan de Venloseweg zal bestaan uit drie bouwlagen met een setback. Daarnaast zal een nieuw appartementengebouw aan de Van Douverenstraat worden gerealiseerd met twee bouwlagen en een setback. Het parkeren voor de bewoners van de appartementen zal aan de achterzijde van de complexen plaatsvinden. In het oosten van het plangebied worden 10 patiowoningen gerealiseerd. Hiervoor geld dat de parkeerplaatsen aan de voorzijde van de woningen zijn gesitueerd. Tot slot zal het bestaande woonhuis aan de Venloseweg 21 worden getransformeerd naar 2 appartementen. De parkeerplaatsen voor deze appartementen zullen ter hoogte van de Venloseweg worden gesitueerd.

Hoofdstuk 4

25

Door de appartementencomplexen op te knippen in twee gebouwen en in kleinschalige bouwblokken oogt het niet als één grote bouwmassa. Qua hoogte wordt aangesloten bij de naastgelegen woningen, waarvoor een maximum goothoogte van 7 meter en een maximum bouwhoogte van 11 meter geldt. De ligging van de naar de weg gekeerde gevellijnen zijn eveneens in lijn met de naastgelegen woningen. In de navolgende afbeelding is een impressie van de beoogde bebouwing opgenomen.

4.2 Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een woningbouwlocatie met circa 38 woningen mogelijk. Vanuit functioneel opzicht is woningbouw passend op deze locatie, gezien de ligging nabij het centrum van Horst binnen een gebied waar voornamelijk woningen zijn gelegen. Middels deze ontwikkeling wordt een transformatielocatie te midden van de bestaande woningen op een passende manier ingevuld. Verder sluit de bebouwing qua hoogte en ligging van de gevellijnen in grote mate aan bij de woningen in de omgeving.

Hoofdstuk 4

26

De bestaande, verouderde bedrijfsbebouwing in het plangebied wordt gesloopt en vervangen voor moderne, kwalitatief hoogwaardige bebouwing. Dit heeft een positieve invloed op het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. De nieuwbouw die ervoor in de plaats komt is van hogere kwaliteit en past beter in het straatbeeld. Er zijn dan ook geen negatieve stedenbouwkundige of ruimtelijke effecten voor de omgeving te verwachten en de appartementen worden goed ingepast in de omgeving.

Hoofdstuk 4

27

5.

SECTORALE ASPECTEN 5.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende onderzoeks- en milieuaspecten (bodem- en grondwaterkwaliteit, geluid, luchtkwaliteit, geur, bedrijven en milieuzonering, externe veiligheid, milieueffectrapportage, waterparagraaf, kabels en leidingen, ecologie, archeologie en cultuurhistorie en verkeer en parkeren).

5.2 Milieuaspecten 5.2.1

Bodem- en grondwaterkwaliteit

Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. Door Klijn Bodemonderzoek is een verkennend bodem- en asbestonderzoek 6 uitgevoerd. Het hele rapport is als separate bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Hieronder volgt een samenvatting. Verkennend asbestonderzoek NEN 5707 Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese “onverdachte locatie”, deels juist is. Er zijn immers in de bodem ter plaatse van RE1 en RE2 op het perceel, op basis van analytische waarnemingen, geen verhoogde gehalten aan asbest aangetroffen. Echter is ter plaatse van RE3 een licht verhoogde gehalte aan asbest aangetroffen, waardoor de gestelde hypothese verworpen kan worden voor RE3. De geconstateerde gehalten ter plaatse van RE1, RE2 en RE3 liggen ver onder de grens van 0,5 maal de interventiewaarde van 100 mg/kg ds (= 50 mg/kg ds) en vormen géén aanleiding tot het instellen van een nader bodemonderzoek.

Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 NEN-pakket Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese “verdachte locatie”, voor het Overige terreindeel, juist is. Er zijn immers op de locatie enkele licht verhoogde gehalten aangetroffen. Aangaande de voormalige bovengrondse brandstoftank 6 Klijn Bodemonderzoek, Verkennend bodem- en asbestonderzoek Venloseweg 21 te Horst, projectnummer: 20KL160, d.d. 17 april 2020.

Hoofdstuk 5

28

en de bovengrondse brandstoftank zijn er geen verhoogde gehalten aangetroffen en kan de opgestelde hypothese “verdachte locaties” verworpen worden. PFAS In de onderzochte grond worden geen overschrijdingen voor PFAS en PFOS ten opzichte van de achtergrondwaarden (klasse landbouw en natuur) uit het tijdelijk handelingskader van het Besluit bodemkwaliteit (29 november 2019) vastgesteld. De geconstateerde verhoogde gehalten liggen onder de indexwaarde van 0,5 en/of interventiewaarde en vormen géén aanleiding tot het instellen van een nader bodemonderzoek. In het verkennend bodem- en asbest onderzoek is geen steekbus monster genomen ter plaatse van de bovengrondse brandstoftank. Derhalve is een aanvullend bodemonderzoek 7 uitgevoerd. Het hele rapport is als separate bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Hieronder volgt een samenvatting. Zintuiglijk zijn er geen verontreiniging aangetroffen in de bodem. In het steekbusmonster M7(0,0-0,2 m-mv) is het gehalte aan minerale verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarde. De gehalten aan vluchtige aromaten zijn niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarden. Het geconstateerde verhoogde gehalte aan minerale olie ligt onder de indexwaarde van 0,5 en/of interventiewaarde en vormt géén aanleiding tot het instellen van een nader bodemonderzoek.

Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten bestaan er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, geen belemmeringen ten aanzien van het gebruik van het terrein, de voorgenomen aankoop van het terrein en de eventuele toekomstige afgifte van een omgevingsvergunning ten behoeve van de geplande bouwactiviteiten op het terrein wonen met tuin. 5.2.2

Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van wegen, spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchthavens. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidgevoelige objecten (zoals woningen) dient toetsing aan geluid van wegrail en industrielawaai plaats te vinden. Wat betreft wegverkeerslawaai geldt dat voor 30 km/h wegen en woonerven in het kader van de Wet geluidhinder geen akoestisch onderzoek naar de gevelbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai noodzakelijk is. Vanuit een goede ruimtelijke ordening kan een dergelijk onderzoek wel worden vereist. In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen of gezoneerde industrieterreinen gelegen die geluidhinder kunnen veroorzaken in het plangebied. Het plangebied is wel gelegen binnen de wet-

7 Klijn Bodemonderzoek, Aanvullend bodemonderzoek Venloseweg 21 te Horst, rapportnr.: 20KL160AO, d.d. 26 november 2021.

Hoofdstuk 5

29

telijke onderzoekszone van omliggende 50 km/uur-wegen. Daarom is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai 8 uitgevoerd, waarin tevens de omliggende 30 km/uur-wegen worden meegenomen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De onderzoeksresultaten zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. De geluidbelasting vanwege de Venloseweg bedraagt ten hoogste 62 dB op de voorgevel van het appartementen complex. De geluidbelasting vanwege de Doolgaardstraat bedraagt ten hoogste 57 dB op de voorgevel van het westelijk gelegen appartementencomplex. De geluidbelasting vanwege de Docter van Meerendonkstraat is maximaal 51 dB. Hiermee wordt ten gevolge van alle 3 de wegen, de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden, de maximale ontheffingswaarde wordt gerespecteerd. Reductie van de geluidbelasting ten gevolge van de wegen zou gerealiseerd kunnen worden door geluidafscherming, vervanging van het wegdek of verlaging van de maximum snelheid. Afscherming tussen de betreffende wegen en de woningen wordt niet realistisch geacht vanwege de benodigde hoogte tot en met de 3e verdieping. Het van toepassing zijnde wegdek (referentie) is akoestisch reeds vrij gunstig. Aanvullende geluidreductie zou bewerkstelligd kunnen worden door vervanging van het wegdek door bijvoorbeeld W12: ‘’dunne deklagen B’’.

Dit zal voor circa 2 dB reductie kunnen zorgen. Het verlagen van de maximum snelheid naar bijvoorbeeld 30 km/uur levert ook een reductie van circa 2 dB op, dit is echter niet voldoende om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Wel valt de Doolgaardstraat dan buiten het regime van de Wet geluidhinder, waardoor het aanvragen van een hogere grenswaarde niet noodzakelijk is. Indien maatregelen om de berekende gevelbelasting terug te dringen stuiten op praktische, stedenbouwkundige en financiële bezwaren zullen hogere grenswaarden, als bedoeld in artikel 83 van de Wet geluidhinder, aangevraagd moeten worden. Tevens dient een geluidwering berekening overlegd te worden, hiervoor is gecumuleerde geluidbelasting van alle wegen inclusief 30 km/uur wegen bepalend in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De cumulatieve geluidbelasting zonder 110g-correctie bedraagt ten hoogste 66 dB. Het bevoegd gezag wordt verzocht hogere waarden te verlenen op basis van bovenstaande resultaten. In het kader van het Bouwbesluit dient aangetoond te worden dat aan de gestelde eisen voor geluidwering van de buitengevels voldaan wordt en hiermee het binnenniveau wordt gerespecteerd. Hiervoor dient een geluidwering berekening uitgevoerd te worden. Uitgaande van een binnenniveau van 33 dB dient de minimale vereiste geluidwering van de buitengevels van de woningen minimaal 66 – 33 = 33 dB te zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11391730/1