CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

10c.1 Bijlage 1 Veegplan 2021 04-07-2022

Gemeenteraad 20 september 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Veegplan 2021.24.861 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.3

Geur

Toetsingskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op geurgevoelige objecten. Gemeenten kunnen bij verordening van deze normen afwijken. De gemeente Horst aan de Maas beschikt over een dergelijke geurverordening. In deze verordening is voor verschillende gebieden de normstelling odour units/m³ weergegeven. Onderzoek Veelal worden de varkenshouderijen omgezet naar niet -vee gerelateerde activiteiten in de vorm van akkerbouw/fruitteelt of lichte bedrijfsactiviteiten. Wat betreft deze bedrijven gaat de emissie van geur fors omlaag. Voor een aantal bedrijven wordt het mogelijk gemaakt om door te gaan als grondgebonden veehouderij. Daarbij maken de varkenshouderijen plaats voor een melkrundveehouderij en/of een paardenhouderij. Dit zijn dieren zonder geuremissiefactor waarbij een vaste afstand tot geurgevoelige gebouwen aangehouden dient te worden. De wettelijke afstanden voor deze dieren (50 m buiten en 100 m binnen de bebouwde kom) worden daarbij niet overschreden. Campagneweg 28, Meterik

26

bestemmingsplan Veegplan 2021

Wijziging: Bestemmingswijziging van 'Agrarisch met waarden' naar 'Wonen'. Toetsing: Voor dit initiatief is een separate ruimtelijke onderbouwing opgesteld (bijlage 1). Geconcludeerd wordt dat wordt voldaan aan het bepaalde in de Wet geurhinder en veehouderij en er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het onderdeel geur. Wevertweg 7, Horst Wijziging: Het bouwvlak wordt aangepast, zodat de bebouwing binnen het bestemmingsvlak valt. Toetsing: Voor dit initiatief is een separate ruimtelijke onderbouwing opgesteld (bijlage 2). Het aspect geur vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. Herenbosweg 37, Melderslo Wijziging: Varkenshouderij wordt deels omgezet in deels 'Wonen', deels in een parkeerterrein voor het naastgelegen transportbedrijf. Toetsing: Wat betreft geur wordt opgemerkt dat binnen een straal van 1 km een aantal intensieve veehouderijen aanwezig zijn die voor hinder kunnen zorgen voor de te realiseren burgerwoning. De locatie ligt buiten de bebouwde kom en kent derhalve een norm van 14 ouE/m3 . Met behulp van het verspreidingsmodel V-Stacks gebied zijn de contouren berekend van de in de nabijheid gelegen bedrijven. Onderstaand is het resultaat van de berekening weergegeven.

Kaart verspreidingsmodel V-Stacks gebied Herenbosweg 37, Melderslo Uit deze berekening blijkt dat de geurbelasting van de te realiseren woning lager is dan de norm van 14 ouE/m3. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. Herenbosweg 38, Melderslo Wijziging: Varkenshouderij wordt omgezet in een grondgebonden veehouderij. Het akkerbouwbedrijf wordt voortgezet.

27

bestemmingsplan Veegplan 2021

Toetsing: Door het omzetten van de veehouderij neemt de geurbelasting in de omgeving fors af. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. Hogeweg 8, Swolgen Wijziging: Varkenshouderij wordt deels omgezet in een grondgebonden veehouderij, deels in 'Wonen'. De bestaande kwekerij en akkerbouwactiviteiten worden voortgezet. Toetsing: Door het omzetten van de veehouderij neemt de geurbelasting in de omgeving fors af. Daar staat tegenover dat in het zuidelijk gelegen deel een grondgebonden veehouderij kan worden gerealiseerd. Het betreft hier een bedrijf met dieren met een vaste geurafstand. De woningen in de omgeving liggen buiten deze afstanden. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. Legert 6, Swolgen Wijziging: Varkenshouderij wordt omgezet in een grondgebonden veehouderij. De akkerbouwtak wordt gecontinueerd en uitgebreid. Toetsing: Door het omzetten van de veehouderij neemt de geurbelasting in de omgeving fors af. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. Reindonkerweg 11, Meterik Wijziging: Varkenshouderij wordt omgezet in een grondgebonden veehouderij. De bestaande akkerbouwtak wordt voortgezet. Toetsing: Door het omzetten van de veehouderij neemt de geurbelasting in de omgeving fors af. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.

Romerweg 21, Sevenum Wijziging: Varkenshouderij wordt opgeheven. Toetsing: Door het opheffen van de varkenshouderij neemt de geurbelasting in de omgeving fors af. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. Vinkepas 16, Sevenum Wijziging: Varkenshouderij wordt omgezet in een grondgebonden veehouderij. Voortzetting melkvee- en paardenhouderij. Toetsing: Door het omzetten van de veehouderij neemt de geurbelasting in de omgeving fors af. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. Wertemerweg 4, Evertsoord Wijziging: Varkenshouderij wordt omgezet in grondgebonden veehouderij. Voortzetting akkerbouwtak. Toetsing: Door het omzetten van de veehouderij neemt de geurbelasting in de omgeving fors af. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. Mgr. Jenneskensstraat 28, Meerlo Wijziging: Varkenshouderij wordt omgezet in deels een grondgebonden veehouderij, deels een zonneweide van maximaal 0,5 ha, deels tuinbouwbedrijf. Daarnaast zet de ondernemer zijn akkerbouwactiviteiten voort. Toetsing: Door het omzetten van de veehouderij neemt de geurbelasting in de omgeving fors af. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.

28

bestemmingsplan Veegplan 2021

4.4

Luchtkwaliteit

Toetsingskader Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (hierna: NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Deze programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (hierna: nibm) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe wet geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3%) ten opzichte van de grenswaarde; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL. Onderzoek Veelal worden de varkenshouderijen omgezet naar niet-vee gerelateerde activiteiten in de vorm van akkerbouw/fruitteelt of lichte bedrijfsactiviteiten. Dit houdt in dat de huidige emissie van fijn stof fors omlaag zal gaan. Voor een aantal bedrijven wordt het mogelijk gemaakt om door te gaan als grondgebonden veehouderij. Daarbij maken de varkenshouderijen plaats voor een melkrundveehouderij en/of een paardenhouderij. De omschakeling van een intensieve veehouderij naar een grondgebonden agrarisch bedrijf betekent niet per saldo dat de emissie van fijn stof vermindert. Onderzocht dient te worden in hoeverre in de huidige situatie de emissie van fijn stof hoger is dan de emissie van het voornemen. Daarbij moet worden bedacht dat het achtergrondniveau van fijn stof in de gemeente relatief laag is (15-20 µg /m3 op grond van de Grootschalige concentratiekaarten 2021).

Dit houdt in dat indien sprake zou zijn van een kleine toename van de fijn stof emissie er geen sprake zal zijn van de overschrijding van de jaargemiddelde concentratie van 40 µg /m3 of een 24-uursgemiddelde concentratie van 50 µg /m3 op maximaal 35 dagen. Voor alle ontwikkelingen geldt dat deze kunnen worden geschaard onder de kleine projecten die de luchtkwaliteit ‘niet in betekende mate (NIBM)’ verslechteren.

4.5

Externe veiligheid

Toetsingskader Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. De wet- en regelgeving rond het thema externe veiligheid zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, waterwegen) en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit).

29

bestemmingsplan Veegplan 2021

Om voldoende ruimte te scheppen tussen de risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten), moeten vaak veiligheidsafstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). De initiatieven maken geen nieuwe risicobronnen en transport van gevaarlijke stoffen mogelijk. Daarom wordt in het navolgende enkel de invloed van de omgeving (extern) op het initiatief (intern) getoetst. Onderzoek Campagneweg 28, Meterik Wijziging: Bestemmingswijziging van 'Agrarisch met waarden' naar 'Wonen'. Toetsing: Voor dit initiatief is een separate ruimtelijke onderbouwing opgesteld (bijlage 1). Volgens de risicokaart liggen er binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied geen risicovolle inrichtingen. Een verantwoording in het kader van het groepsrisico is niet aan de orde, er vindt namelijk geen verandering plaats in het aantal woonachtigen binnen het plangebied. Wevertweg 7, Horst Wijziging: Het bouwvlak wordt aangepast, zodat de bebouwing binnen het bestemmingsvlak valt. Toetsing: Voor dit initiatief is een separate ruimtelijke onderbouwing opgesteld (bijlage 2).

In de omgeving van het plangebied zijn blijkens de risicokaart geen risicovolle inrichtingen, transportlijnen of buisleidingen gelegen. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Herenbosweg 37, Melderslo Wijziging: Varkenshouderij wordt deels omgezet in deels 'Wonen', deels in een parkeerterrein voor het naastgelegen transportbedrijf. Toetsing: Volgens de risicokaart (risicokaart.nl) ligt het plangebied niet in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, spoor-, water- en wegtransportroutes voor gevaarlijke stoffen of buisleidingen. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de risicokaart opgenomen, waarop het plangebied blauw is omkaderd.

Herenbosweg 38, Melderslo Wijziging: Varkenshouderij wordt omgezet in een grondgebonden veehouderij. Het akkerbouwbedrijf wordt voortgezet. Toetsing: Volgens de risicokaart (risicokaart.nl) ligt het plangebied niet in het invloedsgebied van risicovolle

30

bestemmingsplan Veegplan 2021

inrichtingen, spoor-, water- en wegtransportroutes voor gevaarlijke stoffen of buisleidingen. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de risicokaart opgenomen, waarop het plangebied blauw is omkaderd.

Hogeweg 8, Swolgen Wijziging: Varkenshouderij wordt deels omgezet in een grondgebonden veehouderij, deels in 'Wonen'. De bestaande kwekerij en akkerbouwactiviteiten worden voortgezet. Toetsing: Volgens de risicokaart (risicokaart.nl) ligt het plangebied niet in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, spoor-, water- en wegtransportroutes voor gevaarlijke stoffen of buisleidingen. Op circa 280 meter ten noorden van het plangebied is een bovengrondse propaantank aangeduid, maar de bijbehorende stallen zijn recentelijk verkocht. Dit ligt op voldoende afstand. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de risicokaart opgenomen, waarop het plangebied blauw is omkaderd.

Legert 6, Swolgen Wijziging: Varkenshouderij wordt omgezet in een grondgebonden veehouderij. De akkerbouwtak wordt

31

bestemmingsplan Veegplan 2021

gecontinueerd en uitgebreid. Toetsing: Volgens de risicokaart (risicokaart.nl) ligt het plangebied niet in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, spoor-, water- en wegtransportroutes voor gevaarlijke stoffen of buisleidingen. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de risicokaart opgenomen, waarop het plangebied blauw is omkaderd.

Reindonkerweg 11, Meterik Wijziging: Varkenshouderij wordt omgezet in een grondgebonden veehouderij. De bestaande akkerbouwtak wordt voortgezet. Toetsing: Volgens de risicokaart (risicokaart.nl) ligt het plangebied niet in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, spoor-, water- en wegtransportroutes voor gevaarlijke stoffen of buisleidingen. Op circa 290 meter ten zuidoosten van het plangebied ligt Claessens A.J.M. (propaantank). Op circa 200 meter ligt ten zuidwesten van het plangebied een buisleiding (K1-leiding). Dit ligt op voldoende afstand. Het aantal personen neemt in onderhavig geval niet toe. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de risicokaart opgenomen, waarop het plangebied blauw is omkaderd.

32

bestemmingsplan Veegplan 2021

Romerweg 21, Sevenum Wijziging: Varkenshouderij wordt opgeheven. Toetsing: Het bouwvlak wordt opgeheven. Externe veiligheid is niet in het geding. Vinkepas 16, Sevenum Wijziging: Varkenshouderij wordt omgezet in een grondgebonden veehouderij. Voortzetting melkvee- en paardenhouderij. Toetsing: Volgens de risicokaart (risicokaart.nl) ligt het plangebied niet in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, spoor-, water- en wegtransportroutes voor gevaarlijke stoffen of buisleidingen. Op circa 415 meter ten zuiden van het plangebied ligt Keunen Plantenkwekerij (bovengrondse propaantank). Dit ligt op voldoende afstand. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de risicokaart opgenomen, waarop het plangebied blauw is omkaderd.

Wertemerweg 4, Evertsoord Wijziging: Varkenshouderij wordt omgezet in grondgebonden veehouderij. Voortzetting akkerbouwtak. Toetsing: Volgens de risicokaart (risicokaart.nl) ligt het plangebied niet in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, spoor-, water- en wegtransportroutes voor gevaarlijke stoffen of buisleidingen. Op circa 500 meter ligt ten noorden van het plangebied De Patrijs (bovengrondse propaantank). Ten zuiden van het plangebied ligt Recreatiecentrum de Schatberg BV op circa 860 meter afstand (bovengrondse propaantank). In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de risicokaart opgenomen, waarop het plangebied blauw is omkaderd.

33

bestemmingsplan Veegplan 2021

Mgr. Jenneskensstraat 28, Meerlo Wijziging: Varkenshouderij wordt omgezet in deels een grondgebonden veehouderij, deels een zonneweide van maximaal 0,5 ha, deels tuinbouwbedrijf. Daarnaast zet de ondernemer zijn akkerbouwactiviteiten voort. Toetsing: Volgens de risicokaart (risicokaart.nl) ligt het plangebied niet in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, spoor-, water- en wegtransportroutes voor gevaarlijke stoffen of buisleidingen. Camping 't Karrewiel ligt op circa 445 meter ten noorden van het plangebied (bovengrondse propaantank). Op circa 915 meter ten westen van het plangebied ligt Mts Cornelissen-Peelen (bovengrondse propaantank). Dit ligt op voldoende afstand. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de risicokaart opgenomen, waarop het plangebied blauw is omkaderd.

4.6

Water

Toetsingskader

34

bestemmingsplan Veegplan 2021

Op grond van artikel 3.1.6 uit het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin moet worden ingegaan op de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding en hoe in de plannen wordt omgegaan met aspecten van water. Het plangebied van het veegplan ligt binnen het beheersgebied van waterschap Limburg. Onderzoek Het verhard oppervlak zal bij de varkenshouderijsaneringen niet toenemen, slechts beperkt toenemen binnen de huidige bestemmingsplanregels omtrent bouwen dan wel afnemen. Ook verandert de afwatering van het hemelwater en rioolwater niet bij de varkenshouderijsaneringen. De kleinschalige initiatieven worden navolgend besproken. Campagneweg 28, Meterik Wijziging: Bestemmingswijziging van 'Agrarisch met waarden' naar 'Wonen'. Toetsing: Voor dit initiatief is een separate ruimtelijke onderbouwing opgesteld (bijlage 1). Het aspect water is getoetst in de ruimtelijke onderbouwing. Er zijn geen wateraspecten in het geding. Wevertweg 7, Horst Wijziging: Het bouwvlak wordt aangepast, zodat de bebouwing binnen het bestemmingsvlak valt. Toetsing: Voor dit initiatief is een separate ruimtelijke onderbouwing opgesteld (bijlage 2). Het aspect water is getoetst in de ruimtelijke onderbouwing. Er zijn geen wateraspecten in het geding.

4.7

Archeologie en cultuurhistorie

Toetsingskader De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Vooruitlopend hierop zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, moet op grond van het voorgaande dan ook worden aangegeven op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden rekening wordt gehouden. Onderzoek De gronden met een archeologische dubbelbestemming zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden. Afhankelijk van de archeologische dubbelbestemming gelden bouwregels, waarbij bouwen boven een bepaalde vrijstellingsgrens vergunningsplichtig is.

Indien deze vrijstellingsgrens wordt bereikt, zal voor de verlening van deze benodigde vergunning (verkennend) archeologisch onderzoek moeten worden verricht. Daarnaast geldt ter plaatse van de archeologische dubbelbestemmingen een vergunning- en onderzoeksplicht voor het uitvoeren van een aantal werken, geen bouwwerk zijnde, en van werkzaamheden. De vigerende archeologische dubbelbestemmingen worden overgenomen op de verbeelding van het veegplan. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt bekeken of het initiatief vergunning- en onderzoeksplichtig is.

35

bestemmingsplan Veegplan 2021

4.8

Ecologie

4.8.1

Toetsingskader

Wet natuurbescherming Onderdeel van de Wet natuurbescherming (Wnb) is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (artikel 3.1-3.4 Wnb); dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5-3.9 Wnb); nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (artikel 3.10-3.11 Wnb). Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (artikel 3.11 Wnb). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb. Ook de bescherming van specifieke natuurgebieden is in de Wnb geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid.

Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. 4.8.2

Ecologische inventarisatie

Campagneweg 28, Meterik Wijziging: Bestemmingswijziging van 'Agrarisch met waarden' naar 'Wonen'. Toetsing: Voor dit initiatief is een separate ruimtelijke onderbouwing opgesteld (bijlage 1). Het initiatief heeft geen effecten op de bescherming van flora en fauna en N2000/NNN-gebieden. Wevertweg 7, Horst Wijziging: Het bouwvlak wordt aangepast, zodat de bebouwing binnen het bestemmingsvlak valt. Toetsing: Voor dit initiatief is een separate ruimtelijke onderbouwing opgesteld (bijlage 2). Omdat er geen fysieke wijzigingen plaatsvinden, heeft het initiatief geen effecten op de bescherming van flora en fauna en N2000/NNN-gebieden. Varkenshouderijsaneringen De bebouwing ter plaatse van de varkenshouderijen die worden gesaneerd, is al gesloopt. 4.8.3

Stikstofdepositie

Veelal worden de varkenshouderijen omgezet naar niet -vee gerelateerde activiteiten in de vorm van akkerbouw/fruitteelt of lichte bedrijfsactiviteiten. Dit houdt in dat de huidige emissie van ammoniak fors omlaag zal gaan. Voor een aantal bedrijven wordt het mogelijk gemaakt om door te gaan als grondgebonden veehouderij. Daarbij maken de varkenshouderijen plaats voor een melkrundveehouderij en/of een paardenhouderij. De omschakeling van een intensieve veehouderij naar een grondgebonden agrarisch bedrijf betekent niet per

36

bestemmingsplan Veegplan 2021

saldo dat de emissie van ammoniak vermindert. Derhalve is in de regels van dit veegplan een stikstofregeling opgenomen waarin staat dat ten opzichte van de bestaande situatie de stikstofdepositie van het betreffende agrarisch bouwperceel op de maatgevende voor stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden niet mag toenemen. Op deze manier wordt een toename aan stikstofdepositie voorkomen en is het voornemen uitvoerbaar.

4.9

Ladder van duurzame verstedelijking

Toetsingskader De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Bij besluit van 28 augustus 2012 is de Ladder toegevoegd aan artikel 3.1.6 van het Bro en vervolgens op 1 oktober 2012 in werking getreden. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. De Ladder staat als instrument niet op zichzelf, maar geeft mede vorm aan de systeemverantwoordelijkheid van de minister van Infrastructuur en Milieu voor een goede ruimtelijke ordening. Deze verantwoordelijkheid brengt met zich mee, dat de minister er voor zorgt dat decentrale overheden over de juiste instrumenten kunnen beschikken voor een zorgvuldige benutting van de ruimte. Hieronder wordt begrepen het voorkomen van overprogrammering, het faciliteren van groei, het anticiperen op stagnatie en het leefbaar houden van krimpregio's. De Ladder is onder andere van toepassing op bouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast zijn de volgende aspecten van belang: 1. 2. 3. 4. 5.

Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?

Onderzoek Ad 1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Bij overige functies wordt er vaak vanuit gegaan dat bij een toename of wijziging van meer dan 500 m2 aan bvo een ontwikkeling gezien dient te worden als stedelijke ontwikkeling. Het voornemen voorziet in het wijzigen van agrarische functies, het toevoegen van een aantal woningen en de realisatie van een parkeerterrein, behorende bij het naastgelegen transportbedrijf. Tevens wordt een zonnepark mogelijk gemaakt. Voor alle saneringslocaties geldt dat de aanduiding 'intensieve veehouderij' wordt geschrapt op de verbeelding. De aanduiding 'intensieve veehouderij' is bestemd voor niet-grondgebonden veehouderijen en/of grondgebonden veehouderijen. De meeste intensieve veehouderijen schakelen over naar een grondgebonden veehouderij en krijgen hiervoor de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch veehouderij'. Deze aanduiding is bestemd voor geheel of overwegend grondgebonden veehouderijen.

Ondanks dat de bedrijfsomschakeling nieuw is ten opzichte van de feitelijke situatie, was de omschakeling op basis van het vigerende planologische kader al mogelijk en wordt het agrarisch bedrijf beperkt (intensieve veehouderijen worden geschrapt, een grondgebonden veehouderij blijft mogelijk.) Ook wordt omgeschakeld naar agrarisch bedrijfsmatig grondgebruik en grondgebonden agrarische bedrijven, niet zijnde grondgebonden veehouderijen. Dit betreffen ook functies die al bij recht mogelijk waren en bij recht mogelijk blijven. De toe te voegen bebouwing binnen de agrarische bestemmingen overschrijdt evenals de vigerende

37

bestemmingsplan Veegplan 2021

bouwregels niet. Op de locaties Herenbosweg 37 en Mgr. Jenneskensstraat 28 is sprake van de toevoeging van een nieuwe, nog niet planologisch toegestane functie, te weten een parkeerterrein behorende bij een bestaand transportbedrijf respectievelijk een zonnepark. Wat betreft het toevoegen van de woningen kan het volgende worden gesteld. Op de locaties aan de Herenbosweg 37 en de Campagneweg 28 is sprake van de omzetting van een (voormalige) bedrijfswoning in een reguliere woning. Op de locatie Hogeweg 8 is sprake van het 'splitsen' van de twee bedrijfsgedeelten, waarbij het noordelijk gelegen bedrijfsgedeelte een woonbestemming krijgt en daarmee de bedrijfswoning een reguliere woning wordt. Het zuidelijk gelegen bedrijfsgedeelte gaat door als agrarische (grondgebonden) veehouderij en richt een bedrijfswoning op. Het wijzigen van de agrarische functies en de realisatie van een zonnepark wordt niet gezien als een stedelijke ontwikkeling. Voor het toevoegen van woningen kan worden gekeken naar jurisprudentie. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is (ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921). In totaal worden 3 bedrijfswoningen omgeschakeld naar een reguliere woning en wordt 1 nieuwe bedrijfswoning toegevoegd.

De toevoeging van de woningen worden daarom niet als stedelijke ontwikkeling aangemerkt. Desalniettemin worden de woningen wel meegenomen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Gelet op de omvang van de overige wijzigingen in het buitengebied is het plan aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Ad 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? De vervolgvraag is of de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. De Laddertoets geldt immers alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Het plangebied is onderdeel van het bestemmingsplan 'Buitengebied Horst aan de Maas', zoals vastgesteld op 19 december 2017. Ten opzichte van het geldende bestemmingsplan wordt met onderhavig plan meer bebouwing van woningen en het aanleggen van een parkeerplaats bij een (bestaand) transportbedrijf mogelijk gemaakt. Er is aldus sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Ad 3.

Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied?

Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de behoefte aan die ontwikkeling worden gemotiveerd. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Voor wonen kan dit schaalniveau de gemeentegrens overstijgen. Verhuisbewegingen geven hiervoor een goede indicatie. Voor het parkeerterrein is het verzorgingsgebied niet relevant, aangezien deze ontwikkeling wordt gerealiseerd voor het naastgelegen (bestaande) bedrijf. Het ruimtelijk verzorgingsgebied is in onderhavig plan beperkt tot de gemeente Horst aan de Maas. Het gros van de verhuisbewegingen vindt namelijk binnen de gemeentegrenzen plaats. Uit CBS-cijfers blijkt dat bewoners van Horst aan de Maas sterk zijn georiënteerd op de eigen gemeente. Een vergelijking laat het volgende zien; in 2021 verhuisden binnen de gemeente Horst aan de maas 2.207 personen. Daartegen over stonden 1.141 vetrokken personen en 1.501 gevestigde personen. De jaren 2019-2020 laten zelfs een periode zien waarbij het aantal verhuisde personen binnen de gemeente in verhouding nog hoger ligt. Ad 4.

Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling?

Zoals hiervoor al staat vermeld, dient de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, te worden beschreven. Daarbij is het niet relevant of het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. Kort gezegd is de 'behoefte' het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling

38

bestemmingsplan Veegplan 2021

verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als dit aanbod feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). Ten aanzien van de behoefte aan woningen is reeds in paragraaf 3.3.2 aandacht besteed. Uit deze paragraaf volgt dat in de gemeente Horst aan de Maas behoefte bestaat aan nieuwe woningbouw. Bovendien wordt met de omschakeling van de (voormalige) bedrijfswoningen naar reguliere woningen een herinvulling aan de locatie gegeven. De toevoeging van de bedrijfswoning voor het zuidelijk gelegen bedrijfsgedeelte aan Hogeweg 8 is noodzakelijk ten behoeve van het daar gelegen bedrijf. De behoefte aan de nieuwe parkeerplaats heeft de basis in de aanvraag van het naastgelegen bedrijf. Ad 5.

Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?

In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Het plangebied is niet gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied en omvat delen van het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. Wel vinden de ontwikkelingen plaats op reeds bestaande, bebouwde (bedrijfs)locaties in het buitengebied. Op deze locaties vindt een herontwikkeling plaats. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het veegplan voldoet aan de Ladder van duurzame verstedelijking. De ruimtelijke ontwikkeling is niet gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied. Echter, het voornemen voorziet in de realisatie van een aantal woningen en een parkeerplaats die grotendeels onderdeel uitmaken van de Subsidieregeling sanering varkenshouderij. Derhalve zijn deze ontwikkelingen alleen in het buitengebied mogelijk. Daarnaast is de behoefte aan de parkeerplaats en de woningen in het kader van het woonbeleid en het specifiek ingediende verzoek onderbouwd.

Naast de ladder voor duurzame verstedelijking is in het kader van een goede ruimtelijke ordening het noodzakelijk om de behoefte van de wijziging van de agrarische percelen aan te tonen. Belangrijk hierbij te vermelden is dat de omschakeling van de varkenshouderijen naar andere (al dan niet agrarische) bedrijven voortvloeit uit de Subsidieregeling sanering varkenshouderij (Srv). Dit ten behoeve van onder andere mestvermindering en minder varkensrechten. Zoals eerder vermeld, voorziet de Srv slechts voor een deel in een tegemoetkoming van kosten. Een deel zal op een andere manier moeten worden bekostigd. Daar komt het flankerend beleid van de gemeente (en provincie) bij kijken. In het kader van een goede ruimtelijke ordening toont deze toelichting aan dat de ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een zorgvuldige benutting van de ruimte en in die zin in overeenstemming is met de Ladder.

4.10 M.e.r.-beoordeling Inleiding Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor projecten met grote milieugevolgen een plan-m.e.r. op te stellen. Onderdeel D in het Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect. Wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, mag deze beoordeling beknopt zijn. Door te toetsen aan de drempelwaarden van het Besluit m.e.r. wordt bepaald of de ontwikkelingen in het kader van dit bestemmingsplan m.e.r.-plichtig zijn of dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling voldoende is. Dit

39

bestemmingsplan Veegplan 2021

plan voorziet in het wijzigen van de bestemming, in feite het legaliseren van de feitelijk situatie. Deze activiteit komt niet voor in onderdeel C en D van de bijlage bij het besluit m.e.r. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure, dan wel m.e.r. beoordelingsprocedure te doorlopen. Onderzoek Het voornemen bestaat uit verschillende projecten en wijzigingen, zie hoofdstuk 2. Het veegplan maakt twee kleinschalige ontwikkelingen mogelijk, waarbij 1 extra woning wordt toegevoegd. En heeft betrekking op 9 saneringslocaties. De overige wijzigingen zijn kleine ambtshalve wijzigingen die betrekking hebben op omissies. De saneringslocaties hebben betrekking op het stopzetten van de varkenshouderijen en het mogelijk voortzetten van een andere agrarische bedrijfstak. Een uitgebreide beschrijving van de wijzigingen is opgenomen in hoofdstuk 2. Het veegplan valt in de categorieën D11.2 en D14 van bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage. Categorie D11.2 bevat: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Binnen deze categorie gelden de volgende drempelwaarden: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Categorie D14 bevat: 'De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren'. Binnen deze categorie zijn per diersoort specifieke aantallen genoemd. Aangezien het veegplan geen grootschalige ontwikkelingen mogelijk maakt geldt voor het plan geen m.e.r.-beoordelingsplicht. Een vormvrije m.e.r.- beoordeling is derhalve voldoende. Uit de verrichte milieuonderzoeken, zoals verwoord in dit hoofdstuk, blijkt voorts dat het planvoornemen geen significante effecten op de omgeving heeft. Gezien de afwezigheid van die effecten is een m.e.r.-beoordeling dan ook niet nodig.

40

bestemmingsplan Veegplan 2021

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische vormgeving

Algemeen

Een bestemmingsplan bestaat uit de juridisch bindende verbeelding en regels en gaat vergezeld van een toelichting. Op de verbeelding worden de verschillende bestemmingen en aanduidingen gevisualiseerd. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. De toelichting heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

5.2

Opzet regels veegplan

Het veegplan is opgesteld op basis van de landelijke standaarden (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan '' is een gedeeltelijke herziening van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Horst aan de Maas' en alle bestemmingsplannen die sindsdien zijn vastgesteld tot aan de vaststelling van 'Veegplan 2021', Het besluit van de gemeenteraad heeft dus niet betrekking op het gehele plan, maar uitsluitend op die delen die worden gewijzigd met voorliggend plan. Het bestemmingsplan 'Buitengebied Horst aan de Maas' (2017) en alle bestemmingsplannen die sindsdien zijn vastgesteld tot aan de vaststelling van 'Veegplan 2021', blijven voor het overige van kracht. Voor de juridische regeling is aangesloten bij de huidige bestemmingsplannen. De regeling van voorliggend veegplan is van toepassing verklaard op het plan 'Buitengebied Horst aan de Maas' en alle plannen die zijn vastgesteld sinds het plan 'Buitengebied Horst aan de Maas' tot aan de vaststelling van 'Veegplan 2021' en die gelden op de locaties die worden herzien. Wat in dit veegplan wordt geregeld, komt in de plaats van en/of ter aanvulling op deze regeling te gelden Andersom blijft voor het overige de regeling van het bestemmingsplan 'Buitengebied Horst aan de Maas' en de regeling van de bestemmingsplannen die sindsdien zijn vastgesteld tot aan de vaststelling van 'Veegplan 2021' van toepassing.

41

bestemmingsplan Veegplan 2021

42

bestemmingsplan Veegplan 2021

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

6.1

Economische uitvoerbaarheid

6.1.1

Kleinschalige initiatieven

Conform artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) moet de gemeenteraad een exploitatieplan vaststellen, tenzij het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. Met initiatiefnemers wordt een anterieure overeenkomst aangegaan waarin het kostenverhaal is geregeld. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd. De economische uitvoerbaarheid van deze projecten is hiermee voldoende gewaarborgd. 6.1.2

Varkenshouderijsaneringen

In de periode 25 november 2019 tot en met 15 januari 2020 is de Subsidieregeling sanering varkenshouderij (Srv) opengesteld. Varkenshouderijen binnen de concentratiegebieden Zuid en Oost waaronder ook binnen gemeente Horst aan de Maas - konden zich binnen deze periode aanmelden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Met initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst aangegaan waarin het kostenverhaal is geregeld. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd. De economische uitvoerbaarheid van deze projecten is hiermee voldoende gewaarborgd. 6.1.3

Ambtshalve wijzigingen

De ambtshalve wijzigingen hebben betrekking op het vastleggen van feitelijk bestaande situaties of ontwikkelingsmogelijkheden die reeds middels eerdere planologische herzieningen waren vastgelegd. De wijzigingen zijn van dusdanige aard dat beperkt gemeenschapsgelden moeten worden aangesproken.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Vooroverleg

In het kader van het wettelijke verplichte overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt de toelichting van dit bestemmingsplan kortgesloten met de gebruikelijke partners. 6.2.2

Omgevingsdialoog

Er zijn verschillende omgevingsdialogen gevoerd. Zo zijn er voor de saneringslocaties omgevingsdialogen gevoerd in de vorm van keukentafelgesprekken. Het doel van een omgevingsdialoog is het mogelijk maken van een goede belangenafweging. De afweging blijft een verantwoordelijkheid van de gemeente. Als een initiatiefnemer de buren en andere belanghebbenden betrekt, dan levert dat informatie op die het mogelijk maakt een goede afweging te maken. De gemeente neemt vervolgens zelfstandig een autonoom besluit. De uitkomst van de omgevingsdialoog wordt daarin meegewogen, maar is niet bepalend. 6.2.3

Inspraak

Gelet op de aard van het voorliggende veegplan wordt afgezien van het houden van inspraak. 6.2.4

Zienswijzen

Gelet op het bepaalde in artikel 3.8 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening, heeft het ontwerp bestemmingsplan vanaf 29 oktober 2021 gedurende een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen voor het indienen van schriftelijke of mondelinge zienswijzen bij de gemeenteraad. De binnengekomen zienswijzen zijn samengevat en van een antwoord voorzien in het zienswijzenrapport 'Veegplan 2021'. Het rapport is opgenomen als bijlage 7. Naar aanleiding van de zienswijzen die zijn binnengekomen op het ontwerp veegplan 2021, is door het

43

bestemmingsplan Veegplan 2021

College van Burgemeester en Wethouders besloten het veegplan 2021 op te knippen en er meerdere kleinere plannen van te maken. Het veegplan 2021 wordt opgesplitst in de volgende 7 onderdelen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Sanering varkenshouderij Poels, Hogenbos 14 te Meerlo; Sanering varkenshouderij Maas, Donkerhoek 4 / Gun 13 te Swolgen; Sanering varkenshouderij Verhaegh, St. Maartensweg 24 te Meterik; Overige saneringen varkenshouderijen; Herontwikkeling De Hees; Herbegrenzing glastuinbouwontwikkelingsgebieden; Kleinschalige initiatieven en/of wijzigingen.

De onderdelen 4 en 7 gaan verder als onderhavig Veegplan 2021. Voor de rest van de onderdelen wordt per onderdeel een separaat bestemmingsplan opgesteld, zodat deze onderdelen nader onderbouwd en gemotiveerd kunnen worden.

44

bestemmingsplan Veegplan 2021

Bijlagen toelichting

45

bestemmingsplan Veegplan 2021

46

bestemmingsplan Veegplan 2021

Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing Campagneweg 28, Meterik

47

Ruimtelijke onderbouwing “Campagneweg 28 te Meterik” Concept

Document:

Ruimtelijke onderbouwing “Campagneweg 28 te Meterik”

Status:

Concept

Datum:

14-4-2021

Aanvrager:

De heer J. Claessens

Auteur:

De heer ing. L.M. Heesen

INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE ................................................................................................................................. 1

1. INLEIDING........................................................................................................................................... 3 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 3 1.2 Doel ................................................................................................................................................ 4 1.3 Plangebied en begrenzingen ......................................................................................................... 4 1.4 Overzicht vigerende bestemmingsplannen.................................................................................... 4

2. BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE ......................................................................................... 5 2.1 Gebiedsbeschrijving ....................................................................................................................... 5 2.2 Huidig planologisch kader .............................................................................................................. 5

3. BELEIDSKADER ................................................................................................................................ 7 3.1 Rijksbeleid ...................................................................................................................................... 7 3.2 Provinciaal beleid ........................................................................................................................... 7 3.3 Gemeentelijk beleid ....................................................................................................................... 9

4. PLANBESCHRIJVING ...................................................................................................................... 12 4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ........................................................................... 12 4.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten ................................................................................. 12 4.3 Landschappelijke inpassing ......................................................................................................... 13 4.4 Toetsing aan wijzigingsvoorwaarden ........................................................................................... 13

5. RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN .......................................................... 16 5.1 Milieu ............................................................................................................................................ 16 5.1.1 Geluid .................................................................................................................................... 16 5.1.2 Lucht ...................................................................................................................................... 16 5.1.3 Bodem en grondwaterkwaliteit .............................................................................................. 17 5.1.4 Externe veiligheid .................................................................................................................. 17 5.1.5 Bedrijven en milieuzoneringen .............................................................................................. 18 5.2 Kabels, leidingen en straalpaden ................................................................................................. 19 5.3 Geurhinder en veehouderijen ...................................................................................................... 19 5.4 Wet natuurbescherming ...............................................................................................................

21 5.5 Waterhuishouding ........................................................................................................................ 21 5.6 Archeologie en cultuurhistorie ..................................................................................................... 21

1

5.7 Verkeer en parkeren .................................................................................................................... 22

6. UITVOERBAARHEID ........................................................................................................................ 23 6.1 Economische uitvoerbaarheid ..................................................................................................... 23 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................................... 23

BIJLAGEN 1. Landschappelijk inpassingsplan 2. Berekening V-stacks vergunning

2

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer, dhr. J. Claessens is eigenaar van de locatie Campagneweg 28 te Meterik. De locatie is samen met de locatie Campagneweg 26 voorzien van een agrarische bestemming met een bijbehorend bouwvlak. Door initiatiefnemer zijn er op de locatie tot op heden geen agrarische activiteiten ontplooid. Formeel gezien is het gebruik van de woning daarmee strijdig met het bestemmingsplan Buitengebied. Initiatiefnemer heeft bij de gemeente Horst aan de Maas een principeverzoek ingediend voor het wijzigen van de bestemming naar de bestemming “Wonen”. De gemeente heeft bij brief van 27 oktober 2020 aangegeven onder voorwaarden mee te willen werken aan de wijziging van het bestemmingsplan. Middels deze ruimtelijke onderbouwing wordt er getoetst aan de voorwaarden zoals benoemd in de reactie op het principeverzoek.

Afbeelding 1. Ligging locatie Campagneweg 28 te Meterik

Onderhavig initiatief maakt onderdeel uit van het “Veegbestemmingsplan 2021” van de gemeente Horst aan de Maas. Middels deze ruimtelijke onderbouwing wordt aan het agrarische bouwvlak (het plangebied) een woonbestemming toegekend, waardoor het gebruik voor woondoeleinden is toegestaan.

3

1.2 Doel Het doel van dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch-juridisch mogelijk maken van: ▪ ▪ ▪

Het aanbrengen van de bestemming “Wonen” op de locatie Campagneweg 28 te Meterik. Het wegnemen van de bestemming “Agrarisch met waarden” ter plaatse van Campagneweg 28. Het wegnemen van de functieaanduiding “glastuinbouw” ter plaatse van de Campagneweg 28.

Bij het opstellen van onderhavige ruimtelijke onderbouwing zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ De ruimtelijke onderbouwing bevat een adequate, duidelijke en flexibele regeling voor bestaande en nieuwe bebouwing en gebruik van de gronden. ▪ De ruimtelijke onderbouwing is digitaal raadpleegbaar, conform wettelijke eisen.

1.3 Plangebied en begrenzingen De gemeente Horst aan de Maas ligt in het noordwesten van de provincie Limburg. De gemeente wordt aan de westzijde begrensd door de gemeenten Deurne (Noord-Brabant), in het noorden door de gemeente Venray, in het zuiden door de gemeente Peel en Maas en in het oosten (aan de overzijde van de Maas) door de gemeenten Venlo en Bergen. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Meterik, circa 1.5 km meter ten zuidoosten van de kern Meterik en op circa 1 kilometer van de kern Hegelsom. De omgeving van het plangebied bestaat uit een mengeling van agrarische gronden, agrarische bedrijvigheid en woonfuncties in het buitengebied. Het plangebied bestaat uit het kadastrale perceel gemeente Horst, Sectie L, nummer 890.

1.4 Overzicht vigerende bestemmingsplannen Het plangebied maakt onderdeel uit van de Bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas, vastgesteld op 19 december 2017. Het plangebied maakt onderdeel uit van het agrarische bedrijf aan de Campagneweg 26-28 en vormt één van de 2 toegestane bedrijfswoningen. Het perceel heeft de bestemming “Agrarisch met waarden”, met daarbij een bouwvlak, de functieaanduidingen “maximum aantal wooneenheden: 2”, “glastuinbouw” en de gebiedsaanduidingen “overige zone - kampen” en “overige zone - glastuinbouwgebied”. Tenslotte is er sprake van de dubbelbestemming “WaardeArcheologie 4”. Het bouwvlak heeft een oppervlak van 13.200 m2, waarvan 1.175 m2 toebehoord aan de locatie Campagneweg 28.

4

2. BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE 2.1 Gebiedsbeschrijving Het plangebied is gelegen aan de Campagneweg 28 te Meterik. De Campagneweg ontsluit in oostelijke richting op de Speulhofsbaan en in westelijke richting op de Dwarsweg. De omgeving van het plangebied kenmerkt zich door de mengeling van functies. Van oudsher was er sprake van diverse vormen van agrarische bedrijfsvoering. Vanaf eind jaren zeventig zijn steeds meer agrarische bedrijven gestopt met hun bedrijfsvoering en zijn de woningen in gebruik genomen als burgerwoningen. In het blok Americaanseweg-Dwarsweg-Speulhofsbaan- Hazenkampweg is vandaag de dag nog slechts één actief agrarisch bedrijf, zijnde de Campagneweg 26. Het plangebied maakt volgens het bestemmingsplan uit van het glastuinbouwgebied “de Reindock”. Grootschalige kassen zijn echter veel meer richting het westen gelegen. Rond het plangebied (500 meter) liggen een aantal relatief kleine glastuinbouwbedrijven. Het grondgebruik rond het plangebied is in hoofdzaak agrarisch van aard waarbij de verkaveling van percelen kleinschalig van aard is.

Afbeelding 2: Luchtfoto plangebied en omgeving (2019) locatie Campagneweg 28 te Meterik (pdokviewer.pdok.nl)

2.2 Huidig planologisch kader Het plangebied maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’, vastgesteld op 19 december 2017. Ter plaatse is de bestemming “Agrarisch met waarden” opgenomen, waarbij de locaties Campagneweg 26 en 28 samen voorzien zijn van een bouwvlak met de functieaanduiding “glastuinbouw”. Daarnaast ligt er op het perceel een dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 4”.

5

Tenslotte zijn de gebiedsaanduidingen “overige zone - kampen” en “overige zone - glastuinbouwgebied” opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Het bouwvlak heeft een oppervlak van 13.200 m2, waarvan 1.175 m2 toebehoord aan de locatie Campagneweg 28. Binnen het huidige planologische kader is het toegestaan om op deze locatie een glastuinbouwbedrijf te runnen en te wonen in de bijbehorende agrarische bedrijfswoning.

Afbeelding 3: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” (ruimtelijkeplannen.nl)

Omdat er op de locatie Campagneweg 28 geen sprake is van bedrijfsmatige agrarische activiteiten is bewoning van de bedrijfswoning feitelijk in strijd met het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas”. Mede om die reden wenst initiatiefnemer nu dan ook om de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ te wijzigen in de bestemming ‘Wonen’. Het bedrijf aan de Campagneweg 26 kan verder zelfstandig functioneren.

6

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze Structuurvisie staan de (rijks)plannen voor ruimte en mobiliteit. Het rijk zet zich voor wat betreft het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. In de SVIR worden drie hoofddoelen genoemd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028). Slechts één nationaal belang heeft betrekking op het plangebied. Voor een goede milieukwaliteit moet de kwaliteit van bodem, water en lucht minimaal voldoen aan de (internationaal) geldende norm(en). De gezondheid van de burgers dient te worden beschermd tegen negatieve milieueffecten. Gevolgen en effecten op de kwaliteit van bodem, water en lucht zijn afgewogen in het licht van de ontwikkelingen (zie hoofdstuk 5). Uit de beoordeling blijkt dat de ontwikkeling geen nadelige effecten heeft op het gebied van bodem, water en lucht. Verder heeft het gestelde in dit bestemmingsplan betrekking op provinciale en gemeentelijke belangen. De functiewijziging tot burgerwoning met caravanstalling is van een dusdanige beperkte omvang op nationaal schaalniveau dat er vanuit de SVIR geen belemmeringen bestaan.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. In het Barro wordt vanuit het rijk ruimte gevraagd voor enkele grote nationale plannen zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en rond de grote rivieren. Ook is het onderwerp duurzame verstedelijking in regelgeving opgenomen. Voor onderhavig initiatief zijn geen van deze belangen van toepassing. Ladder duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ daaraan toegevoegd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. Onderhavige ontwikkeling behelst enkel een functiewijziging waarbij de bestaande woning behouden blijft. Er is dan ook geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de ladder voor duurzame verstedelijking. De bestemmingswijziging is dan ook niet in strijd met de vereisten van de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 hebben Gedeputeerde Staten het POL2014, met bijbehorend plan-MER, de omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal verkeers- en vervoersprogramma vastgesteld. Allemaal als onderdeel van een integrale omgevingsvisie. Deze documenten zijn op 16 januari 2015 in werking getreden.

7

In het POL2014 is het provinciale grondgebied onderverdeeld in zeven soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor elk gebied liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Het plangebied is gelegen in de zone ‘buitengebied’. Deze zone biedt de meest ruimte voor ontwikkeling van agrarische bedrijvigheid. Toch komen er ook diverse andere functies voor als ‘Wonen’, ‘niet agrarische bedrijvigheid’ en ‘recreatie’.

Afbeelding 4: Zonering Limburg POL2014 locatie Campagneweg19 10 te Meterik (ligging in buitengebied)

Onderhavig initiatief behelst enkel een functiewijziging van bestaande bebouwing, waarbij de bedrijfswoning aan de Campagneweg 28 voorzien zal worden van de bestemming “Wonen”. Het agrarische bedrijf aan de Campagneweg 26 kan verder ongewijzigd voortgezet worden. De bestemmingswijziging tot woondoeleinden past binnen de provinciale uitgangspunten zoals gesteld in het POL2014. Omgevingsverordening Limburg 2014 Tezamen met het POL2014 is de Omgevingsverordening Limburg 2014 in werking getreden. In hoofdstuk 2 van deze verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening moet houden met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder duurzame ontwikkeling) waarbij tevens de mogelijkheid tot herbenutting van monumentale en beeldbepalende gebouwen onderzocht moet worden. Met onderhavige ontwikkeling is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Tevens is geen sprake van een beeldbepalend gebouw. De bestemmingswijziging is daarmee niet in strijd met de Omgevingsverordening Limburg 2014.

8

Ontwerp Omgevingsvisie Limburg Conform de ontwerp omgevingsvisie Limburg ligt het plangebied binnen de ‘landelijk gebied’. De groenblauwe mantel is ontstaan uit de zilvergroene en bronsgroene natuurzone. Het zijn gebieden waar vanuit de Provincie Limburg goede combinatiemogelijkheden gezien worden voor duurzame vormen (kringloop)land- en tuinbouw en andere economische functies. Verder gelden nagenoeg dezelfde uitgangspunten en accenten zoals in het POL. De bestemmingswijziging tot woondoeleinden past binnen de provinciale uitgangspunten zoals gesteld in de ontwerp omgevingsvisie.

Afbeelding 5: uitsnede verbeelding Ontwerp omgevingsvisie Limburg (ligging in landelijk gebied)

3.3 Gemeentelijk beleid Structuurvisie Horst aan de Maas In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn gemeenten verplicht om, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, een structuurvisie vast te stellen voor het gehele grondgebied van de gemeente. Een structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van een gebied, evenals de hoofdlijnen van het door de gemeente te voeren beleid. De gemeente Horst aan de Maas heeft haar regie op de uitvoering van het ruimtelijk beleid vormgegeven in de Structuurvisie Horst aan de Maas. De structuurvisie is op 9 april 2013 vastgesteld. Een evaluatie van de structuurvisie is op 9 juli 2015 vastgesteld.

9

Afbeelding 6: uitsnede kaart Structuurvisie Buitengebied (ligging in gemengd gebied 7E)

De structuurvisie biedt het kader voor de gemeente om uitspraken te doen over de wenselijkheid van (ruimtelijke) ontwikkelingen. Het gemeentelijke grondgebied is om die reden ingedeeld in diverse deelgebieden. Het plangebied is gelegen in deelgebied 7E ‘Gemengd gebied’. De bouwvlak voor onderhavige locatie heeft een oppervlakte van 1.175 m 2. De bestemming van dit perceelsdeel wordt omgezet van “Agrarisch met waarden” naar de bestemming “Wonen”. Het wijzigen van deze bestemming is niet in strijd met de uitgangspunten van de gemeentelijke structuurvisie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11765645/1