09c.19 AAA B19 - Ecologische beoordeling (51030041 D4) Broekhuizenvorst
Tekst van het document
Effectbeschrijving stikstofdepositie Vanwege de geringe buffering van H3130 kan stikstofdepositie indirect en direct leiden tot verzuring. Bij daling van de pH beneden de 5 verdwijnen zuurintolerante zachtwatersoorten en nemen ondergedoken veenmossen in aandeel toe. Op den duur verdwijnen alle waterplanten uit verzuurde vennen als gevolg van koolstoflimitatie. Atmosferische depositie van stikstof leidt tot een verrijking van H3130 met ammonium en/of nitraat. Onder zuurstofrijke omstandigheden Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepostie Broekhuizenvorst - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51030041 Datum 23-06-2025 Versie D4 Document referentie Ecologische beoordeling (51030041 D4) Broekhuizenvorst. docx
76/91
wordt ammonium omgezet in nitraat. Onder zuurstofloze omstandigheden ontstaan verhoogde niveaus van ammonium die leiden tot een hogere productiviteit van soorten die ammonium snel kunnen benutten en snel kunnen groeien. Beide processen leiden tot versnelde successie. Voor het leefgebied van VHR en/of typische diersoorten geldt dat de effecten van stikstofdepositie via de volgende factoren doorwerken: afname van voortplantingsgelegenheid afname van de kwaliteit voedselplanten fysiologische problemen en afname van prooibeschikbaarheid. (Natura 2000-herstelstrategiedocument) ,
,
,
H3160 - Zure vennen Beschrijving van het habitattype Het habitattype Zure vennen omvat natuurlijke poelen en meren met zuur water en veenmodder op de bodem. In ons land betreft het zo goed als uitsluitend door regenwater gevoede heidevennen en vennen in de randzone van hoogveengebieden. In die vennen kan lokaal invloed van grondwater doordringen en van essentieel belang zijn voor de variatie van levensgemeenschappen maar de regenwaterinvloed is zo groot dat men meestal spreekt van ‘uitsluitend door regenwater gevoed’. Daarbij gaat het zowel om de open waterbegroeiingen als om jonge verlandingsstadia drijvend of op de oever. Het water van deze poelen en meren is van nature zeer voedselarm en kan door humuszuren bruin gekleurd zijn. In de randzones van deze poelen kunnen ijle begroeiingen van wat hogere schijngrassen zoals Snavel- en Draadzegge of Veenpluis het aanzien bepalen. Deze begroeiingen maken deel uit van habitattype H3160. (Natura 2000-profieldocument) ,
,
Abiotische randvoorwaarden van het habitattype Het onderstaande overzicht bevat de abiotische randvoorwaarden van het habitattype H3160 op basis van het Natura 2000-profielendocument.
Figuur 6. 3:
De abiotische randvoorwaarden van H3160 afkomstig van het Natura 2000profielendocument. Kleuren indiceren de geschiktheid van de van de standplaats: optimaal (groen) , suboptimaal (oranje) en ongeschikt (blanco). Met de toevoegingen -a en -b wordt aangegeven dat de betreffende standplaatsconditie respectievelijk alleen in de boven- of ondergrond optreedt (figuur uit: Natura 2000-profielendocument).
Effectbeschrijving stikstofdepositie Depositieniveaus boven de KDW leiden in zure vennen vooral tot vermesting waarbij stikstof zich voornamelijk ophoopt in de vorm van ammonium. In de waterlaag bevordert stikstofdepositie de algengroei in het bodemvocht van drijftillen en hoogveenvegetaties op de oever komt de stikstof beschikbaar voor algen en hogere planten. Voor het leefgebied van VHR en/of typische diersoorten geldt dat de effecten van stikstofdepositie via de volgende factoren doorwerken: afname van nestgelegenheid fysiologische problemen en afname ,
,
,
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepostie Broekhuizenvorst - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51030041 Datum 23-06-2025 Versie D4 Document referentie Ecologische beoordeling (51030041 D4) Broekhuizenvorst. docx
77/91
van prooibeschikbaarheid.
(Natura 2000-herstelstrategiedocument)
H4010A - Vochtige heiden (hogere zandgronden) Beschrijving van het habitattype Het habitattype vochtige heiden komen voor op voedselarme zeer natte tot zeer vochtige matig zure tot zure standplaatsen op de hogere zandgronden en in het heuvelland en het laagveengebied. Kenmerkend is de hoge bedekking van gewone dophei. Kwalitatief goede vochtige heiden kunnen goed samen voorkomen met rompgemeenschap met Pijpenstrootje en Veenmos. Deze grazige delen mogen echter niet overheersen en komen alleen in een mozaïekvorm voor. Vochtige heide komt in ons land zowel op zandgronden voor als in het laagveen waardoor het habitattype is onderverdeeld in twee subtypen: H4010A en H4010B. De begroeiingen van het subtype vochtige heide op hogere zandgronden (H4010A) variëren afhankelijk van de waterhuishouding de ouderdom en het leemgehalte van de bodem. Landschappelijk gezien komen natte heiden op zandgrond o. a. voor op de oevers van vennen op beekdalflanken in laagten met een ondoorlaatbare ondergrond en in tot op het zand afgegraven voormalige hoogveengebieden. ,
,
,
,
,
(Natura 2000-profieldocument) Abiotische randvoorwaarden van het habitattype Het onderstaande overzicht bevat de abiotische randvoorwaarden van het habitattype H4010A op basis van het Natura 2000-profielendocument.
Figuur 6. 4:
De abiotische randvoorwaarden van H4010A afkomstig van het Natura 2000profielendocument. Kleuren indiceren de geschiktheid van de van de standplaats: optimaal (groen) , suboptimaal (oranje) en ongeschikt (blanco). Met de toevoegingen -a en -b wordt aangegeven dat de betreffende standplaatsconditie respectievelijk alleen in de boven- of ondergrond optreedt (figuur uit: Natura 2000-profielendocument).
Effectbeschrijving stikstofdepositie Vochtige heiden hebben een optimale zuurgraad beneden 55 waardoor verzuring alléén niet gemakkelijk leidt tot het verdwijnen van het habitattype. Wel kunnen kenmerkende vegetaties afnemen of verdwijnen wat leidt tot kwaliteitsvermindering. Het voor het habitattype bepalende vegetatietype is het meest gevoelig voor vermesting. Het verdwijnen van dit vegetatietype (Associatie van Gewone dophei) leidt hiermee dus ook tot het verdwijnen van het habitattype. Bij een pH < 45 kan ammoniumtoxiciteit optreden wat nadelig is voor de kenmerkende soorten terwijl pijpenstrootje daar (in combinatie met vermesting) van profiteert. Voor het leefgebied van VHR en/of typische diersoorten geldt dat de effecten van stikstofdepositie via de volgende factoren doorwerken: koeler en vochtiger microklimaat afname van voortplantingshabitat afname van de kwantiteit van voedselplanten en afname ,
,
,
,
,
,
,
,
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepostie Broekhuizenvorst - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51030041 Datum 23-06-2025 Versie D4 Document referentie Ecologische beoordeling (51030041 D4) Broekhuizenvorst. docx
78/91
van prooibeschikbaarheid.
(Natura 2000-herstelstrategiedocument)
H4030 - Droge heiden Beschrijving van het habitattype Het habitattype Droge Heiden betreft struikheibegroeiingen in het laagland en gebergte van Europa. Ze worden gedomineerd door struikhei al dan niet in combinatie met andere dwergstruiken grassen en mossen. Droge heides komen in Nederland voor op matig droge tot droge kalkarme zure bodems waarin zich meestal een podzolprofiel heeft gevormd (mineraalarm en niet vruchtbaar). Het habitattype komt het meest voor op –al dan niet lemigedekzanden en op stuwwallen maar ze strekken zich ook uit op stuwwallen rivierterrassen en tertiaire (mariene) zandafzettingen. In de stuifzandheiden overheerst doorgaans struikhei (Calluna vulgaris). Andere dwergstruiken kunnen ook een belangrijke rol spelen bijvoorbeeld blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus) of rode bosbes (Vaccinium vitis-idaea). Andere soorten die algemeen voorkomen zijn fijn schapegras (Festuca filiformis) en de mossen heideklauwtjesmos (Hypnum jutlandicum) gewoon gaffeltandmos (Dicranum scoparium) en bronsmos (Pleurozium schreberi). Struwelen met brem (Cytisus scoparius) solitaire jeneverbes (Juniperus oxycedrus) of gaspeldoorn (Ulex europaeus) maken in veel gebieden deel uit van het heidelandschap en worden dan ook bij dit habitattype gerekend. (Natura 2000-profieldocument) ,
,
,
,
,
,
,
Abiotische randvoorwaarden van het habitattype Het onderstaande overzicht bevat de abiotische randvoorwaarden van het habitattype H4030 op basis van het Natura 2000-profielendocument.
Figuur 6. 5:
De abiotische randvoorwaarden van H4030 afkomstig van het Natura 2000profielendocument. Kleuren indiceren de geschiktheid van de van de standplaats: optimaal (groen) , suboptimaal (oranje) en ongeschikt (blanco). Met de toevoegingen -a en -b wordt aangegeven dat de betreffende standplaatsconditie respectievelijk alleen in de boven- of ondergrond optreedt (figuur uit: Natura 2000-profielendocument).
Effectbeschrijving stikstofdepositie De bodems onder droge heiden hebben van nature een zuur karakter. Verzuring door stikstofdepositie kan leiden tot het verdwijnen van minder kenmerkende vegetaties en een achteruitgang van soorten die gevoelig zijn voor een hoog gehalte van ammonium en/of aluminium. Vermesting van H4030 leidt initieel tot een versnelde groei van struikhei en een afname van mossen en korstmossen waarna na een accumulatieperiode grassen toenemen ten opzichte van struikhei. Korstmossen zijn daarbij vooral gevoelig voor de directe effecten van stikstofdepositie met name in de vorm van ammonium. Voor het leefgebied van Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten en/of typische diersoorten geldt dat de effecten van stikstofdepositie via de volgende factoren doorwerken: ,
,
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepostie Broekhuizenvorst - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51030041 Datum 23-06-2025 Versie D4 Document referentie Ecologische beoordeling (51030041 D4) Broekhuizenvorst. docx
79/91
koeler en vochtiger microklimaat afname van voortplantingshabitat afname van de kwaliteit en kwantiteit van voedselplanten en afname van prooibeschikbaarheid. (Natura 2000-herstelstrategiedocument) ,
,
H6120 - Stroomdalgraslanden Beschrijving van het habitattype Het habitattype Stroomdalgraslanden betreft soortenrijke relatief open tot tamelijk gesloten grazige begroeiingen op droge relatief voedselarme zandige tot zavelige en meestal kalkhoudende standplaatsen langs de grote en kleinere rivieren. Zij komen voor op stroomruggen oeverwallen rivierduinen en op dijken en soms op erosie-steilrandjes terrasranden of langs de winterbedrand. De plantengemeenschappen van de stroomdalgraslanden zoals die in ons land voorkomen zijn beperkt tot het laagland van Noordwest-Europa (oostelijk tot in de Baltische Staten). (Natura 2000-profieldocument) ,
,
,
,
,
,
,
,
Abiotische randvoorwaarden van het habitattype Het onderstaande overzicht bevat de abiotische randvoorwaarden van het habitattype H6120 op basis van het Natura 2000-profielendocument.
Figuur 6. 6:
De abiotische randvoorwaarden van H6120 afkomstig van het Natura 2000profielendocument. Kleuren indiceren de geschiktheid van de van de standplaats: optimaal (groen) , suboptimaal (oranje) en ongeschikt (blanco). Met de toevoegingen -a en -b wordt aangegeven dat de betreffende standplaatsconditie respectievelijk alleen in de boven- of ondergrond optreedt (figuur uit: Natura 2000-profielendocument).
Effectbeschrijving stikstofdepositie Stroomdalgraslanden verzuren zonder bufferende processen van nature. Verhoogde stikstofdepositie versnelt dit proces. De afname van kwaliteit van de stroomdalgraslanden uit zich vooral in een toename van stikstofindicerende soorten en verschuiving naar voedselrijkere associaties. De invloed van stikstofdepositie op de vermesting van stroomdalgraslanden hierop is in relatie tot veranderingen in frequentie van overstroming nutriënten in het sediment grondgebruik en beheer echter onbekend. Voor het leefgebied van Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten en typische diersoorten geldt dat de effecten van stikstofdepositie via de volgende factor doorwerkt: een afname van voedselaanbod en verandering van het microklimaat. (Natura 2000,
,
,
,
herstelstrategiedocument) H6430C - Ruigten en zomen (droge bosranden) Beschrijving van het habitattype Het habitattype betreft enerzijds natte veel biomassa producerende strooiselruigten op voedselrijke standplaatsen en anderzijds zomen langs vochtige tot droge bossen. Daarbij gaat het alleen om elatief soortenrijke ruigten ,
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepostie Broekhuizenvorst - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51030041 Datum 23-06-2025 Versie D4 Document referentie Ecologische beoordeling (51030041 D4) Broekhuizenvorst. docx
80/91
met bijzondere soorten (soortenarme ruigten met uitsluitend zeer algemene soorten vallen buiten de definitie van het habitattype). Binnen dit habitattype worden drie subtypen onderscheiden die aansluiten bij de indeling in drie verbonden die tot het habitattypen behoren; H6430A H6430B en H6430C. Het habitattype H6430C Ruigten en zomen (droge bosranden) hebben relatief stikstofrijke standplaatsen die in meerdere of mindere mate worden beschaduwd. Ze komen bijvoorbeeld voor langs heggen en langs bosranden. De standplaatsen worden zelden of nooit door oppervlaktewater overspoeld waarmee deze begroeiingen zich onderscheiden van de natte strooiselruigten van de eerste twee subtypen. (Natura 2000-profieldocument) ,
,
,
Abiotische randvoorwaarden van het habitattype Het onderstaande overzicht bevat de abiotische randvoorwaarden van het habitattype H6430C op basis van het Natura 2000-profielendocument.
Figuur 6. 7:
De abiotische randvoorwaarden van H6430C afkomstig van het Natura 2000profielendocument. Kleuren indiceren de geschiktheid van de van de standplaats: optimaal (groen) , suboptimaal (oranje) en ongeschikt (blanco). Met de toevoegingen -a en -b wordt aangegeven dat de betreffende standplaatsconditie respectievelijk alleen in de boven- of ondergrond optreedt (figuur uit: Natura 2000-profielendocument).
Effectbeschrijving stikstofdepositie Er zijn geen aanwijzingen voor verzurende effecten op dit habitattype. Vermestende effecten kunnen ervoor zorgen dat het aandeel stikstofminnende soorten groeit. Met name kenmerkende paddenstoelensoorten van de matig voedselrijke subtypen zijn vrij gevoelig voor de effecten van vermesting. Voor leefgebied van VHR en/of typische soorten geldt dat de effecten van stikstofdepositie doorwerken in een afname van kwaliteit van voedselplanten.
(Natura 2000-herstelstrategiedocument) H7110B - Actieve hoogvenen (heideveentjes) Beschrijving van het habitattype Het habitattype Actieve hoogvenen betreft hoogveensystemen waar sprake is van een goed functionerende toplaag (acrotelm) met actieve hoogveenvorming. We spreken van actief hoogveen als er veenvorming optreedt de kern uitsluitend door regenwater wordt gevoed en door het vasthouden van dat regenwater in het veen een hogere grondwaterspiegel heeft dan zijn omgeving. Hiervoor is het noodzakelijk dat weinig ( < 40 mm/jaar) of geen wegzijging naar de ondergrond optreedt en dat ondanks verschillen in neerslag en verdamping de grondwaterstand ten opzichte van het veenoppervlak weinig fluctueert. Actieve hoogveenvorming houdt in dat de door veenmossen gedomineerde vegetatie meer organisch materiaal vormt dan er wordt afgebroken. Het levende hoogveen houdt veel regenwater vast en in het natte zure hoogveenmilieu verteren afgestorven plantendelen heel erg langzaam waardoor deze ophopen. ,
,
,
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepostie Broekhuizenvorst - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51030041 Datum 23-06-2025 Versie D4 Document referentie Ecologische beoordeling (51030041 D4) Broekhuizenvorst. docx
81/91
Het systeem groeit omhoog en houdt als een spons water vast. Kenmerkend zijn dominantie van veenmossen een microreliëf met tot circa 50cm hoge bulten en slenken en permanent hoge waterstanden. Een compleet levend hoogveen is een groot systeem met een stabiele waterhuishouding in een hoogveenlandschap. Hoogvenen hebben een markante lensvorm met aan de randen vaak een zogenoemde lagg-zone met open water die de overgang vormt met het omringende minerale landschap. Hoogveenontwikkeling van hoogveen kom voor in het laagveenlandschap maar voorlopig alleen in de vorm van vochtige heide (H4010B). Mogelijk vormt zich hieruit op lange termijn actief hoogveen. Binnen dit habitattype worden twee subtypen onderscheiden: H7110A en H7110B. De indeling is gebaseerd op de verschillende schaalniveaus van het actief hoogveen. Het subtype H7110B betreft heideveentjes (inclusief hellingveentjes) met levend hoogveen. Dit subtype komt voor als hoogveenkernen in verlande vennen en als hellinghoogveen. Bij voortgaande successie van zure vennen (het eerste verlandingsstadium in vennen) kunnen hoogveenvegetaties ontstaan die behoren tot de Associatie van Gewone dophei en veenmos en die samen met de Associatie van veenmos en Witte snavelbies gerekend worden tot actief hoogveen (H7110B). (Natura ,
,
,
2000-profieldocument) Abiotische randvoorwaarden van het habitattype Het onderstaande overzicht bevat de abiotische randvoorwaarden van het habitattype H7110B op basis van het Natura 2000-profielendocument.
Figuur 6. 8:
De abiotische randvoorwaarden van H7110B afkomstig van het Natura 2000profielendocument. Kleuren indiceren de geschiktheid van de van de standplaats: optimaal (groen) , suboptimaal (oranje) en ongeschikt (blanco). Met de toevoegingen -a en -b wordt aangegeven dat de betreffende standplaatsconditie respectievelijk alleen in de boven- of ondergrond optreedt (figuur uit: Natura 2000-profielendocument).
Effectbeschrijving stikstofdepositie Op locaties in heideveentjes waar sprake is (of zou moeten zijn) van voeding met (zwak) gebufferd grondwater kan verzuring de standplaatscondities negatief beïnvloeden. Hier kan de plantensoortensamenstelling en de kwaliteit van plantenmateriaal veranderen. De effecten van vermesting door stikstofdepositie zijn groot en leiden tot een sneeuwbaleffect. Bij een te hoge stikstofdepositie kan de veenmosvegetatie niet alle stikstof vastleggen ,
waardoor dit beschikbaar komt voor vaatplanten. Deze nemen daardoor toe wat tot gevolg heeft dat de veenmosgroei afneemt waardoor meer stikstof vrijkomt en vaatplanten de overhand krijgen. Voor het leefgebied van Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten en typische diersoorten geldt dat de effecten van stikstofdepositie via de volgende factoren doorwerken: koeler en vochtiger ,
,
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepostie Broekhuizenvorst - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51030041 Datum 23-06-2025 Versie D4 Document referentie Ecologische beoordeling (51030041 D4) Broekhuizenvorst. docx
82/91
microklimaat afname van voortplantingsgelegenheid afname van kwaliteit en kwantiteit van voedselplanten fysiologische problemen en afname van prooibeschikbaarheid. (Natura 2000-herstelstrategiedocument) ,
,
,
H7150 - Pioniervegetaties met snavelbiezen Beschrijving van het habitattype Dit habitattype betreft pioniergemeenschappen op kale zandgrond in natte heiden. De kale plekken waar de pioniervegetaties met snavelbiezen kunnen ontwikkelen ontstaan in natte heide op natuurlijke wijze door langdurige waterstagnatie in laagten. Dat gebeurt tegenwoordig nog maar zelden. Meestal ontstaan ze onder invloed van menselijk handelen bijvoorbeeld na het steken van plaggen of na intensieve betreding. Op geplagde plekken en eidepaadjes zijn de pioniervegetaties van het habitattype doorgaans slechts kortstondig aanwezig. Ze gaan daar al snel over in gesloten vochtige heidebegroeiingen die deel uitmaken van habitattype H4010. In de internationale literatuur worden deze pionierbegroeiingen meestal beschouwd als behorend tot één plantensociologisch verbond dat de veenslenken beschrijft het Rhynchosporion albae. In ons land wordt een deel van de begroeiingen de gemeenschappen van de plagplekken in de natte heide gerekend tot het verbond dat de natte heide beschrijft het Ericion tetralicis. Pioniergemeenschappen in natte heiden zijn gebonden aan open minerale grond. Die komt op natuurlijke wijze beschikbaar na langdurige stagnatie van regenwater.
In ons land ontwikkelen deze pioniergemeenschappen zich echter meestal op de natte minerale zandbodem die blootgelegd wordt door het steken van plaggen of die ontstaat als gevolg van intensieve betreding. De pioniervegetaties met snavelbiezen komen voor op zeer natte tot vochtige bodems die zuur tot matig zuur zijn en die zeer voedselarm tot voedselarm (oligotroof tot mesotroof) zijn. (Natura ,
,
,
,
,
,
,
,
2000-profieldocument) Abiotische randvoorwaarden van het habitattype Het onderstaande overzicht bevat de abiotische randvoorwaarden van het habitattype H7150 op basis van het Natura 2000-profielendocument.
Figuur 6. 9:
De abiotische randvoorwaarden van H7150 afkomstig van het Natura 2000profielendocument. Kleuren indiceren de geschiktheid van de van de standplaats: optimaal (groen) , suboptimaal (oranje) en ongeschikt (blanco). Met de toevoegingen -a en -b wordt aangegeven dat de betreffende standplaatsconditie respectievelijk alleen in de boven- of ondergrond optreedt (figuur uit: Natura 2000-profielendocument).
Effectbeschrijving stikstofdepositie Verzuring van H7150 kan leiden tot suboptimale condities voor het kenmerkende vegetatietype en kan eveneens gevolgen hebben voor de vegetatietypen die in mozaïek kunnen voorkomen binnen het habitattype.
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepostie Broekhuizenvorst - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51030041 Datum 23-06-2025 Versie D4 Document referentie Ecologische beoordeling (51030041 D4) Broekhuizenvorst. docx
83/91
Vermesting heeft een groot effect op H7150 aangezien de kenmerkende vegetatietypen alleen voorkomen onder zeer voedselarme condities. Stikstof komt met name beschikbaar in de vorm van ammonium en bij voldoende fosfaatbeschikbaarheid heeft dit een stimulerende invloed op de plantaardige productie van met name pijpenstrootje. Andere soorten kunnen een toxische invloed ondervinden van ammonium. Er zijn geen typische diersoorten waarvoor effecten van stikstofdepositie zijn te verwachten. Verder komen er geen Vogel- of Habitatrichtlijnsoorten voor waarvoor de stikstofgevoeligheid van het type een probleem kan vormen voor de kwaliteit van het leefgebied. (Natura ,
2000-herstelstrategiedocument) H9190 - Oude eikenbossen Beschrijving van het habitattype het habitattype Oude eikenbossen betreft eiken-berkenbossen op leemarme zandbodems waarvan de boomlaag en/of de bosgroeiplaats oud is. Het habitattype komt voor op kalkarme zeer voedselarme vochtige tot droge zandgronden vaak met een duidelijk podzolprofiel (mineraal arm bodemprofiel). In de boomlaag van Oude eikenbossen domineren zomereik (Quercus robur) en ruwe berk (Betula pendula). In de ijle struiklaag vallen vooral wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia) sporkehout (Rhamnus frangula) en ratelpopulier (Populus tremula) op. De Oude eikenbossen zijn in het algemeen ontstaan in het heideen stuifzandlandschap en hebben nu vaak de vorm van strubbenbossen. Oude eikenbossen van de duinen zijn onderdeel van het habitattype Duinbossen ,
,
,
,
,
(H2180). (Natura 2000-profieldocument) Abiotische randvoorwaarden van het habitattype Het onderstaande overzicht bevat de abiotische randvoorwaarden van het habitattype H9190 op basis van het Natura 2000-profielendocument.
Figuur 6. 10:
De abiotische randvoorwaarden van H9190 afkomstig van het Natura 2000profielendocument. Kleuren indiceren de geschiktheid van de van de standplaats: optimaal (groen) , suboptimaal (oranje) en ongeschikt (blanco). Met de toevoegingen -a en -b wordt aangegeven dat de betreffende standplaatsconditie respectievelijk alleen in de boven- of ondergrond optreedt (figuur uit: Natura 2000-profielendocument).
Effectbeschrijving stikstofdepositie Verzuring van de bodem door atmosferische depositie van stikstof heeft in H9190 een negatief effect op het bodemleven en de strooiselvertering. Het resultaat is een versnelling van het natuurlijk proces van strooiselophoping. Door de bodemverzuring kan de zuurgraad sterk dalen spoelen basische kationen versneld uit en komen vooral Al3+ maar ook andere toxische metalen vrij. Vermesting heeft een direct effect op korstmossen wat vooral voor de korstmosrijke variant van dit bostype een probleem oplevert. Voor het ,
,
,
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepostie Broekhuizenvorst - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51030041 Datum 23-06-2025 Versie D4 Document referentie Ecologische beoordeling (51030041 D4) Broekhuizenvorst. docx
84/91
leefgebied van VHR- en/of typische diersoorten geldt dat de effecten van stikstofdepositie via de volgende factoren doorwerken: veranderingen in de strooisel- kruid- en struiklagen en daardoor een koeler en vochtiger microklimaat afname van de kwaliteit en kwantiteit van voedselplanten en afname van de prooibeschikbaarheid en -kwaliteit. (Natura 2000,
,
herstelstrategiedocument) H91D0 - Hoogveenbossen Beschrijving van het habitattype Het habitattype Hoogveenbossen betreft relatief laag blijvende berkenbossen met dominantie van Zachte berk (Betula pubescens) in de boomlaag en een ondergroei die vooral bestaat uit veenmossen (Sphagnum soorten). Het zijn natte bossen ofwel zogenoemde berkenbroekbossen op veenbodems. Deze hoogveenbossen komen hier en daar voor in laagveengebieden in hoogveengebieden in beekdalen van de hogere zandgronden en in het rivierengebied. (Natura 2000-profieldocument) ,
,
Abiotische randvoorwaarden van het habitattype Het onderstaande overzicht bevat de abiotische randvoorwaarden van het habitattype H91D0 op basis van het Natura 2000-profielendocument.
Figuur 6. 11:
De abiotische randvoorwaarden van H91D0 afkomstig van het Natura 2000profielendocument. Kleuren indiceren de geschiktheid van de van de standplaats: optimaal (groen) , suboptimaal (oranje) en ongeschikt (blanco). Met de toevoegingen -a en -b wordt aangegeven dat de betreffende standplaatsconditie respectievelijk alleen in de boven- of ondergrond optreedt (figuur uit: Natura 2000-profielendocument).
Effectbeschrijving stikstofdepositie
Verzuring in het habitattype H91D0 wordtdeels door de vegetatie zelf bepaald omdat de veenmossen waterstofionen uitwisselen tegen andere kationen waardoor de directe omgeving van het veenmos verzuurt. Bij verhoogde stikstofdepositie wordt dit effect door uitwisseling met ammonium nog versterkt. Bij hogere depositieniveaus wordt de resterende stikstof niet meer door het veenmospakket opgenomen en komt dan beschikbaar voor hogere planten. Vooral bomen profiteren hiervan zoals berken (althans in combinatie met de hoge fosfaatconcentraties in Nederlandse hoogvenen) evenals Pijpenstrootje. Ook speelt verdroging een rol. Het lijkt erop dat de effecten van stikstofdepositie en verdroging zichzelf en elkaar zelfs versterken. Een dichtere boomlaag die het gevolg is van verdroging zorgt waarschijnlijk voor een grotere toevoer van fosfor via het bladstrooisel. Daarnaast wordt hierdoor (co-)limitatie van fosfaat mogelijk verminderd waardoor het vermestend effect van stikstofdepositie ,
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepostie Broekhuizenvorst - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51030041 Datum 23-06-2025 Versie D4 Document referentie Ecologische beoordeling (51030041 D4) Broekhuizenvorst. docx
85/91
sterker zou kunnen worden. Dit laatste is nog niet bewezen. (Natura 2000-
herstelstrategiedocument) H91E0C - Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) Beschrijving van het habitattype Het habitattype Vochtige alluviale bossen omvat bossen die groeien op beek- of rivierafzettingen (van het zogenoemde alluvium of alluviaal) en die direct of indirect onder invloed staan van beek- of rivierwater. De verschijningsvorm loopt sterk uiteen. Ze kunnen zeer soortenrijk zijn en zeldzame typische soorten bevatten. De grote variatie aan bostypen wordt binnen het habitattype verdeeld over drie subtypen twee subtypen voor het rivierengebied (H91E0A en H91E0B) en één voor de beken en kleine riviertjes van de hogere zandgronden en het heuvelland (H91E0C). Het subtype H91E0C betreft beekbegeleidende essenbossen in beekdalen en langs kleinere rivieren van de hogere zandgronden en het heuvelland die veel overeenkomst vertonen met het vochtige hardhoutooibos. Ze bezitten echter een typische ondergroei met een bijzonder uitbundig voorjaarsaspect. In het rivierengebied komt dit subtype (ondanks wat de verkorte naam kan suggereren) soms ook voor in de vorm van Vogelkers-Essenbos. In brongebieden van beekdalen wisselen deze bossen af met natte bossen waarin zwarte els op de voorgrond treedt. Ook deze zogenoemde elzenbroekbossen worden tot dit habitattype H91E0C gerekend. (Natura 2000-profieldocument) ,
,
,
Abiotische randvoorwaarden van het habitattype Het onderstaande overzicht bevat de abiotische randvoorwaarden van het habitattype H91E0C op basis van het Natura 2000-profielendocument.
Figuur 6. 12:
De abiotische randvoorwaarden van H91E0C afkomstig van het Natura 2000profielendocument. Kleuren indiceren de geschiktheid van de van de standplaats: optimaal (groen) , suboptimaal (oranje) en ongeschikt (blanco). Met de toevoegingen -a en -b wordt aangegeven dat de betreffende standplaatsconditie respectievelijk alleen in de boven- of ondergrond optreedt (figuur uit: Natura 2000-profielendocument).
Effectbeschrijving stikstofdepositie Het habitattype is onder goede hydrologische omstandigheden weinig gevoelig voor verzuring aangezien de basenvoorziening wordt aangestuurd door hoge grondwaterstanden in de winter basenrijke kwel en eventueel door aanvoer van basenrijk beekwater via inundaties. Vermesting door stikstofdepositie speelt in het habitattype met name als er sprake is van verdroging. Grote hoeveelheden stikstof en fosfor kunnen dan leiden tot een sterke toename van brandnetels hoewel de fosfaatbeschikbaarheid hierin limiterend kan zijn. Voor het leefgebied van Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten en/of typische diersoorten geldt dat de effecten van stikstofdepositie doorwerken in een afname van de kwantiteit van ,
,
,
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepostie Broekhuizenvorst - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51030041 Datum 23-06-2025 Versie D4 Document referentie Ecologische beoordeling (51030041 D4) Broekhuizenvorst. docx
86/91
voedselplanten. (Natura 2000-herstelstrategiedocument) H91F0 - Droge hardhoutooibossen Beschrijving van het habitattype Dit habitattype betreft de hardhoutooibossen op oeverwallen en andere hoge en droge delen van het rivierengebied waar enige aanvoer van basenrijk water optreedt en tot in de wortelzone doordringt. Het zijn rivierbegeleidende bossen met een aspect van boomsoorten met hard hout. De struiklaag en de kruidlaag zijn doorgaans soortenrijk met plaatselijk veel zeldzame bolgewassen. Op iets vochtigere gronden komen hardhoutooibossen voor met een deels gelijke en deelsafwijkende soortensamenstelling. In overeenstemming met de afbakening in België en Duitsland worden deze hardhoutooibossen ingedeeld bij habitattype H91E0. (Natura 2000-profieldocument) Abiotische randvoorwaarden van het habitattype Het onderstaande overzicht bevat de abiotische randvoorwaarden van het habitattype H91F0 op basis van het Natura 2000-profielendocument.
Figuur 6. 13:
De abiotische randvoorwaarden van H91F0 afkomstig van het Natura 2000profielendocument. Kleuren indiceren de geschiktheid van de van de standplaats: optimaal (groen) , suboptimaal (oranje) en ongeschikt (blanco). Met de toevoegingen -a en -b wordt aangegeven dat de betreffende standplaatsconditie respectievelijk alleen in de boven- of ondergrond optreedt (figuur uit: Natura 2000-profielendocument).
Effectbeschrijving stikstofdepositie Overstroming van H91F0 kan in een oppervlakkig verzuurd droog ooibos (met matige habitatkwaliteit) een pH sprong opleveren van 25 eenheid: van 4 naar 65. Overstroming beperkt daarmee het optreden van verzuring. Vermesting lijkt beperkt aan de orde maar het is niet duidelijk of dit in vegetatiekundig goed ,
,
,
ontwikkelde situaties een probleem oplevert. Er zijn geen typische diersoorten waarvoor effecten van stikstofdepositie zijn te verwachten. Er komen wel Vogelof Habitatrichtlijnsoorten voor waarvoor de stikstofgevoeligheid van het habitattype een probleem kan vormen voor de kwaliteit van het leefgebied.
(Natura 2000-herstelstrategiedocument)
Habitatsoorten In de volgende paragrafen worden de algemene kenmerken van de habitatsoorten met een relevant effect beschreven. Deze gegevens vormen de ecologische basis van de effectbeoordeling in de voorliggende rapportage.
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepostie Broekhuizenvorst - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51030041 Datum 23-06-2025 Versie D4 Document referentie Ecologische beoordeling (51030041 D4) Broekhuizenvorst. docx
87/91
H1042 - Gevlekte witsnuitlibel Beschrijving van de Habitatrichtlijnsoort De Gevlekte witsnuitlibel is vergeleken met andere witsnuitlibellen relatief fors gebouwd. Het mannetje is onmiskenbaar door de grote gele vlek op het zevende segment; het vrouwtje is te herkennen aan de grote vlekken op het achterlijf. De Gevlekte witsnuitlibel vliegt tussen begin mei en eind juli. De larven leven in ondiep water met veel waterplanten waar ze twee jaar verblijven. De mannetjes bezetten een territorium dat ze verdedigen vanaf een uitkijkpost die ze veelvuldig opzoeken. Na de paring begint het vrouwtje meestal direct met het afzetten van de eieren. Vaak wordt ze daarbij begeleid door het mannetje. Soms verlaat ze echter het water om aan andere mannetjes te ontkomen en keert ze terug als de dichtheid van de mannetjes kleiner is. De Gevlekte witsnuitlibel is een kenmerkende libel van ongestoorde verlandende laagveenmoerassen. Op de zandgronden komen kleine populaties voor in gebufferde rijk begroeide vennen en plassen. In sommige jaren kunnen zwervers van de soort ‘invasie-achtig’ in Nederland voorkomen. (Natura 2000,
profielendocument) H1166 - Kamsalamander Beschrijving van de Habitatrichtlijnsoort De Kamsalamander is de grootste inheemse watersalamander. Vrouwtjes kunnen 18 cm lang worden mannetjes 16 cm. De Kamsalamander heeft een bruine of blauwzwarte rug de flanken zijn wit gespikkeld en de onderzijde van de dieren is oranjerood tot geel met een zwart vlekkenpatroon. Dit vlekkenpatroon is voor elk dier uniek. In de paartijd wanneer de dieren in het water verblijven zijn de volwassen mannelijke exemplaren gemakkelijk te herkennen aan een hoge getande rugkam die met een onderbreking aan de staartbasis doorloopt tot aan het einde van de staart. Daarnaast hebben ze midden op de staart aan beide kanten een opvallende witte band. Vrouwelijke dieren missen deze kenmerken. Na de voortplantingstijd trekken de meeste Kamsalamanders naar het land. De mannetjes verliezen dan hun kenmerkende kam. De tot 7 cm grote larven van de soort zijn te herkennen aan de zwarte vlekken op de staartzoom en aan de extreem lange dunne tenen. (Natura 2000,
,
,
,
,
,
profielendocument) H1831 - Drijvende waterweegbree Beschrijving van de Habitatrichtlijnsoort Drijvende waterweegbree is een zeldzame waterplant uit de Waterweegbreefamilie (Alismataceae). De plant heeft een isoëtide groeivorm. De isoëtide planten zijn gekenmerkt door een rozet van stevige holle lijn- of priemvormige bladeren. Ze zijn aangepast aan standplaatsen die een groot deel van het jaar onder water staan en zo nu en dan droogvallen. Drijvende waterweegbree heeft een wortelrozet met ondergedoken lijnvormige bladen (56 cm lang 5-8 mm breed) en ijle stengels met lang gesteelde drijvende of in het water zwevende 1-3 cm grote bladeren die ovaal tot elliptisch van vorm zijn. De bloeistengels die aan de wortelrozet ontspringen dragen lang gesteelde bloemen. De bloemen spreiden zich boven het water uit en hebben drie witte kroonbladen met een gele nagel. De planten bloeien van juni tot september. De bloeiwijze vormt zich in eerste instantie onder water maar gaat vervolgens drijven waarna bestuiving kan plaatsvinden. Soms blijft de bloem gesloten onder water; dan vindt zelfbestuiving plaats. (Natura 2000,
,
,
,
,
,
,
,
,
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepostie Broekhuizenvorst - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51030041 Datum 23-06-2025 Versie D4 Document referentie Ecologische beoordeling (51030041 D4) Broekhuizenvorst. docx
88/91
profielendocument)
Broedvogels In de volgende paragrafen worden de algemene kenmerken van de broedvogels met een relevant effect beschreven. Deze gegevens vormen de ecologische basis van de effectbeoordeling in de voorliggende rapportage. A004 - Dodaars Beschrijving van de Vogelrichtlijnsoort De dodaars is onze kleinste fuutachtige vogel. Het is een broedvogel van ondiepe zoetwaterplassen die leeft van vis en andere kleine waterdieren. De dodaars broedt in grote delen van Europa het zuiden van Azië en Afrika. Men onderscheidt bij deze soort tien ondersoorten. Negen van die ondersoorten hebben zuidelijke broedgebieden die verspreid zijn over geheel Afrika ten zuiden van de Sahara grote delen van zuidelijk Azië tot in Indonesië. In Nederland behoort de dodaars tot één (‘nominate’) ondersoort: T. r. ruficollis. De broedgebieden van deze ondersoort ruficollis zijn verspreid over Noord-Afrika Midden en Zuid-Europa tot in Turkije en Israël. De vogels van de ondersoort ruficollis overwinteren binnen hetzelfde gebied waarin de broedgebieden liggen. Uit de meest continentale Euraziatische delen trekken echter alle vogels in het najaar weg. In Nederland is de dodaars het gehele jaar aanwezig. Buiten het broedseizoen is deze soort zowel in zoete als brakke wateren aanwezig.
Waarschijnlijk blijft de Nederlandse broedpopulatie deels ’s winters in Nederland en trekt het overige deel in de winter naar het zuiden of zuidwesten. ,
,
,
,
,
(Natura 2000-profielendocument) A008 - Geoorde fuut Beschrijving van de Vogelrichtlijnsoort De geoorde fuut is een kleine fuutachtig die in de broedtijd een donker verenkleed heeft en een opvallend contrasterende gele oorpluim. Het is een broedvogel van ondiepe wateren die vaak broedt in heidevennen met een kokmeeuwenkolonie of in duinmeren. De geoorde fuut heeft een zeer ruim broedgebied: het strekt zich uit over het centrale deel van geheel Eurazië en over Noord- en Oost-Afrika (ondersoort nigricollis) west- en centraal NoordAmerika en Zuid Afrika. De geoorde futen die in Nederland verblijven als broedvogel doortrekker of overwinteraar behoren tot de ondersoort nigricollis. Die ondersoort overwintert in West- en Zuid-Europa het Midden-Oosten Japan en Zuid-China. In Nederland is hij het gehele jaar aanwezig. Buiten het broedseizoen blijft de verspreiding vrijwel geheel beperkt tot brakke en zoute wateren. De broedplaatsen worden in de nazomer verlaten. De Nederlandse geoorde futen verzamelen zich dan op de grotere wateren samen met de vogels die uit o. a. Denemarken Duitsland en waarschijnlijk in toenemende mate ook uit Oost-Europa komen. (Natura 2000-profielendocument) ,
,
,
,
,
,
,
,
,
A224 - Nachtzwaluw Beschrijving van de Vogelrichtlijnsoort De nachtzwaluw is een door zijn perfecte schutkleur en nachtelijke leefwijze onopvallende vogel van de zandgronden. De nachtzwaluw is gebonden aan droge zandgebieden zoals randen van zandverstuivingen zandige heidevelden open plekken in het bos ontstaan door houtkap storm of brand en open bossen ,
,
,
,
,
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepostie Broekhuizenvorst - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51030041 Datum 23-06-2025 Versie D4 Document referentie Ecologische beoordeling (51030041 D4) Broekhuizenvorst. docx
89/91
(incl. dichtgegroeide zandverstuivingen en brandgangen door oud dennenbos). De soort foerageert op grote vliegende insecten (nachtvlinders kevers). Het is een trekvogel die in Afrika overwintert. (Natura 2000-profielendocument) ,
A236 - Zwarte Specht Beschrijving van de Vogelrichtlijnsoort De zwarte specht is onze grootste spechtensoort. Het is een opvallend grote zwarte vogel met een rode plek op de kop die zijn aanwezigheid vaak verraadt door zijn luide klaaglijke roep. De zwarte specht heeft een voorkeur voor rustige grote en vrij oude bossen. Zijn voedsel bestaat uit insecten en insectenlarven die vooral uit omgevallen en aangetaste bomen worden gehakt. ,
,
,
,
(Natura 2000-profielendocument) A246 - Boomleeuwerik Beschrijving van de Vogelrichtlijnsoort Een korte staart en een zachte zang onderscheiden de boomleeuwerik van de veldleeuwerik. Wat meer opvalt is dat boomleeuweriken tijdens de zang in grote kringen boven hun territoria vliegen eindigend in een spiraalvlucht naar beneden. De boomleeuwerik broedt op droge zandige bodems met een schaarse begroeiing en verspreide opslag van bomen of struiken. Zulke broedplekken vindt hij vooral op heidevelden zandverstuivingen schrale duinen en brandvlaktes. De Nederlandse populatie trekt weg naar het zuiden en overwintert tot in Zuidwest -Europa. (Natura 2000-profielendocument) ,
,
,
,
,
A249 - Oeverzwaluw Beschrijving van de Vogelrichtlijnsoort Kenmerkend voor de oeverzwaluw is het bruine verenkleed met een witte hals en buik. In de vlucht is de oeverzwaluw goed te onderscheiden van andere zwaluwen door de slechts licht gevorkte staart. De oeverzwaluw broedt in koloniën. De vogels nestelen in zelfgegraven holen in steilwanden die in open gebieden liggen vaak in de buurt van open water. De soort foerageert al vliegend op insecten die zowel boven water als boven land worden gevangen. De Nederlandse oeverzwaluwbroedvogels zijn trekvogels en overwinteren in de Sahelzone ten zuiden van de Sahara. (Natura 2000-profielendocument) ,
,
A276 - Roodborsttapuit Beschrijving van de Vogelrichtlijnsoort De roodborsttapuit lijkt sterk op het paapje maar bij de roodborsttapuit ontbreken echter de wenkbrauwstreep en de zwarte keel. De roodborsttapuit is een broedvogel van open gebieden met een ruige vegetatie en verspreide opslag van struiken of bomen. De Nederlandse broedvogels zijn trekvogels en overwinteren tot in Noord-Afrika. (Natura 2000-profielendocument) A338 - Grauwe Klauwier Beschrijving van de Vogelrichtlijnsoort Het mannetje van de grauwe klauwier is een opvallende vogel en goed herkenbaar door zijn grijze kop roodbruine rug en zwarte oogstreep. De grauwe klauwier is een broedvogel van halfopen landschappen met een rijk voedselaanbod. De Nederlandse broedvogels overwinteren in zuidelijk Afrika. ,
(Natura 2000-profielendocument)
Sweco | Ecologische beoordeling stikstofdepostie Broekhuizenvorst - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51030041 Datum 23-06-2025 Versie D4 Document referentie Ecologische beoordeling (51030041 D4) Broekhuizenvorst. docx
90/91