08f Inspraaknota Geurverordening met geurgebiedsvisie
Tekst van het document
Inspraaknota conceptgeurverordening met geurgebiedsvisie 1
Bewoner van Horst aan de Maas
1A
Woningen in een lintbebouwing moeten ook onder het regiem van de kern vallen en de norm 2 OU gelden.
Aanpassingen geurgebiedsvisie of verordening/beleidsregel/kaart n.a.v. inspraak blauw gearceerd De bebouwde kom is het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woonen verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid wonen of verblijven. Om te spreken van bebouwde kom, moet er sprake zijn van op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing, die is geconcentreerd tot een samenhangende structuur. Bij de begrenzing van de bebouwde kom in de ontwerp geurverordening is aangesloten bij de begrenzing van de bebouwde kom uit de geurverordening uit 2020, de begrenzing van kernen uit de provinciale omgevingsverordening en actuele bebouwing. Bij de begrenzing van de bebouwde kom in de kaart behorende bij de vast te stellen geurverordening en beleidsregel is aanvullend daaraan gebruik gemaakt van het kerngebied uit de Nota Kostenverhaal van de gemeente Horst aan de Maas en concrete uitbreidingsplannen die voor 1 januari 2024 ter inzage zijn gelegd.
1B
Een geurverordening moet alle facetten van een veehouderij meenemen zoals: Breivoerkeuken Mestopslag Mest be-en verwerking
Voor lintbebouwing buiten deze begrenzing van de bebouwde kom is de voorgestelde geurnorm 5 Ou, conform de GGD-advieswaarde voor het buitengebied De geurverordening zoals die is voorbereid heeft de Wet Geurhinder en veehouderij als basis. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1-12024 zijn deze regels van rechtswege nu onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan (paragraaf 22.3.6) van rechtswege. Deze regels inclusief de mogelijkheid om als gemeente eigen geurnormen op te stellen, gelden alleen voor het beoordelen van geur door het houden van landbouwhuisdieren (geur uit stallen van veehouderijen dus) en niet voor andere activiteiten bij veehouderijen waar geur bij vrijkomt, zoals mestopslag of mestbewerking. Voor geur uit deze andere activiteiten bij veehouderijen zijn regels opgenomen in de uitvoeringsregels van de omgevingswet, zoals de minimumafstand tussen een geurbron en geurgevoelige gebouwen. De wijze waarop de gemeente om wil gaan met de beoordeling van de cumulatie van verschillende geurbronnen (agrarisch en niet-agrarisch) wordt opgenomen in het nieuw omgevingsplan.
Inspraaknota conceptgeurverordening met geurgebiedsvisie 1C
1D
Voor de niet directe stallucht dient een strengere norm te worden aangehouden, mede omdat hier geen sprake is van een landelijke geur maar van industriële activiteiten. Zie voorgaand punt. Een LOG dient met dezelfde normen te worden benaderd als het verdere buitengebied.
1E
Solitaire mest ver- en bewerking dient beoordeeld te worden als een industriële activiteit en hoort op het industrieterrein thuis. Zo niet dan moeten stengere geurnormen gelden.
1F
Op een industrieterrein moeten de zelfde normen gelden als in de bebouwde kom.
1G
Het 99,8 percentiel mag niet hoger zijn dan de norm vermeerderd met 20%.
1H
Latente vergunningen moeten worden ingetrokken en dat uitgangspunt dient als basis te dienen voor het toepassen van de nieuwe geurverordening.
Zie het antwoord bij 1B.
Er is voor gekozen om voor het landbouwontwikkelingsgebied een afwijkende norm te hanteren gezien de functie/aard van dat gebied dat bedoeld is voor de ontwikkeling van veehouderijen. De voorgestelde voorgrondnorm van 10 Ou is afgeleid van het hinderpercentage dat overeenkomt met een achtergrondbelasting van 20 Ou en is strenger dan de huidige wettelijke voorgrondnorm van 14 Ou. Een gemeentelijke geurverordening is niet bedoeld om ruimtelijk beleid juridisch te verankeren. Hiervoor zijn andere instrumenten, zoals het bestemmingsplan en omgevingsplan. Zie verder het antwoord bij 1B Bedrijventerreinen (industrieterreinen) zijn beschouwd als onderdeel van de bebouwde kom. Maar omdat de aard en duur van het verblijf op bedrijventerreinen anders is dan in woongebieden in de bebouwde kom, is het voorstel om woongebieden binnen de bebouwde kom meer te beschermen tegen geur dan bedrijventerreinen. Voor de woonfuncties (woongebieden in de bebouwde kom en woningen in het buitengebied) is in belangrijke mate aangesloten bij de GGDadvieswaarden voor de voorgrondbelasting. Voor de bedrijventerreinen is een soepelere norm voorgesteld, gelet op de aard van het verblijf van mensen op bedrijventerreinen. Voor de bedrijventerreinen Klavertje-4 die worden ontwikkeld in een gebied met veehouderijen, is aangesloten bij de norm die in 2020 voor die bedrijventerreinen is vastgesteld.
De geurnormen en andere regels voor de beoordeling van geur uit stallen van veehouderijen hebben betrekking op de toelaatbare geur (ouE/m3) als 98-percentiel. Deze rijksregels bieden geen ruimte voor gemeenten om normen vast te stellen voor andere percentielwaarden (een andere tijdfractie van het jaar dat een bepaalde geurconcentratie niet wordt overschreden). Het college heeft in 2023 intrekkingsbeleid vastgesteld. Conform het uitvoeringsprogramma bij de visie veehouderij wordt dit in 2024 en daarna verder uitgevoerd. Ook in het beleid voor de gerichte aanpak bij knelgevallen voor geur is opgenomen dat we in bepaalde gevallen (delen van) vergunningen kunnen intrekken.
Inspraaknota conceptgeurverordening met geurgebiedsvisie 1I
Indien bij het ingaan van onderhavige verordening een stal niet binnen 1 jaar is afgebouwd, dient deze aan de nieuwe normen te voldoen door het nemen van extra maatregelen.
De landelijke regels respecteren bestaande vergunde rechten van veehouderijen en wanneer toepassing kan worden gegeven aan de bevoegdheid een vergunning (gedeeltelijk of geheel) in te trekken. Deze regels kennen geen bevoegdheid tot aanpassing van bestaande c.q. vergunde situaties waarbij er sprake is van een overschrijding van standaard wettelijke geurnormen of gemeentelijke geurnormen. De gemeente kan in bepaalde (zwaar) overbelaste situaties maatwerk toepassen. Het in de geurgebiedsvisie beschreven artikel uit de Chw 21e tranche biedt de mogelijkheid om een deel van een vergunning in te trekken omdat de geurbelasting te hoog is. Of en hoe van deze bevoegdheden gebruik wordt gemaakt dient per casus beoordeeld en onderbouwd te worden. Dit hoeft niet vooraf te worden vastgesteld in een geurverordening of beleidsregel. In de Kamerbrief van 7 juli 2023 heeft de staatssecretaris de uitgangspunten voor aanpassing van de landelijke regelgeving geschetst. In deze brief is o.a. aangegeven dat de mogelijkheden worden verkend om, vooruitlopend op de wijziging van de regelgeving, de geurbelasting bij bestaande situaties eerder onder tenminste de hoogste grenswaarde te brengen. Dit is toegelicht in de geurgebiedsvisie. Zie verder de geurgebiedsvisie en het antwoord bij 1H.
1J
Bij bedrijfsontwikkelingen dient eerst de ontwikkeling volledig te worden gebruikt om de geurlast onder de wettelijke grens te brengen. De ruimte tussen de wettelijke waarde en de nieuwe normen kan ingevuld worden met een strengere dan de 50% regeling.
Bij ontwikkelplannen van veehouderijen wil de gemeente rekening gehouden met de (on)mogelijkheden om de geurbelasting te beperken. O.a. door de mogelijkheid toe te passen om in individuele gevallen af te wijken van de standaard 50% regeling bij overschrijding van de (voorgrond) geurnorm. De gemeente wil die mogelijkheid voor het toepassen van de 50% regeling blijven bieden voor de situaties waarin de voorgrond geurbelasting ligt tussen de voorgestelde aangescherpte norm en de huidige (standaard) wettelijke norm. Bij ontwikkeling van veehouderijen zal er dan sprake moeten zijn van een afname van de geurbelasting. Bij overschrijding van de huidige (standaard) wettelijke normen wil de gemeente extra sturen op afname van de geurbelasting op woningen van omwonenden, door in die gevallen af te kunnen wijken van de standaard 50% regeling. Dit omdat
Inspraaknota conceptgeurverordening met geurgebiedsvisie hiermee gestuurd kan worden op afname van (sterk) individueel overbelaste situaties. Dit is nodig gelet op gezondheidskundige advieswaarden en jurisprudentie. 1K
Alle in deze fase en bedoelde geurgevoelige objecten dienen in de nieuwe omgevingswet door de gemeente op dezelfde wijze te worden meegenomen.
Deze geurverordening is nog onder het “oude” recht voorbereid (met o.a. de definitie van een geurgevoelig object uit de Wet geurhinder en veehouderij, nu opgenomen in de rijkregels die onderdeel zijn van het tijdelijk omgevingsplan). Onder een ‘geurgevoelig object’ wordt onder de Wet geurhinder en veehouderij verstaan: een gebouw, bestemd voor en volgens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of verblijf en die daarvoor permanent of regelmatig wordt gebruikt. In de uitvoeringsregels van de Omgevingswet is opgenomen welke geurgevoelige objecten, zoals woningen, scholen en ziekenhuizen, altijd geurgevoelig zijn. Onder een geurgevoelig gebouw wordt ook verstaan een gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning mag worden gerealiseerd. Een gemeentelijk omgevingsplan kan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Dat zal onderdeel (moeten) zijn van besluitvorming over het nieuwe deel van het gemeentelijk omgevingsplan. Tot dan blijft de definitie van een geurgevoelig object zoals die onder de Wet geurhinder en veehouderij is opgenomen, van toepassing.
1L 1M
1N
De kaart moet aangepast worden op eerder vermelde inspraak De afstanden aanpassing van Grandorse dient te worden verwijderd, aangezien het een gelegenheidsargument is.
Zie de beantwoording hiervoor, o.a. het antwoord bij 1A. Grandorse is een hippisch complex. Op de hippische kavels in het gebied Grandorse wonen of verblijven/overnachten alleen mensen die een binding hebben met de hippische bedrijven en hippische activiteiten in het gebied. Een verkleining van de minimale vaste afstand tussen stallen op hippische kavels en gebouwen met een logiesfunctie ten dienste van de hippische bedrijven, biedt meer flexibiliteit bij de onderlinge ruimtelijke inpassing van de hippische kavels en wordt vanwege de specifieke functie van Grandorse aanvaardbaar geacht.
De kaart wordt zodanig gelezen dat de bebouwingscontour geur zoals aangegeven op de kaart op alle onderdelen dezelfde grenzen kent als de bebouwde kom en zoals eerder bij de inspraak aangegeven.
De bebouwingscontour geur is op de kaart aangegeven en is bedoeld als bebouwde kom zoals opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Deze bestaat uit woongebieden en bedrijventerreinen.
Inspraaknota conceptgeurverordening met geurgebiedsvisie Zie verder het antwoord bij 1A. 1O
1P 1Q 1R 1S 1T
1Gg
Ontwerpverordening; Aan artikel 1 toe te voegen dat de geurlast van de mest opslag en verwerking mee inbegrepen wordt en dat voor andere activiteiten met aparte kenmerken (vergisting en breivoerverwerking) een aparte regeling wordt vastgelegd Piekwaarden in de 20% percentiel mogen niet meer dan de norm vermeerderd met 200Zo bedragen. Artikel 3: Toevoegen dat elke lintbebouwing zoals bv de oude en nieuwe Peeldijk en Hofweg en soortgelijke daaraan zullen worden toegevoegd. Art. 4. Uitzondering ontwikkelgebieden om eerder beschreven redenen uit de uitzondering halen. Greenport Venlo beoordelen met zelfde norm als andere gebieden met een grote mensdichtheid (kernen) Art. 5: Voor Grandorse geen afstanden introduceren, maar dezelfde geurnormen aanhouden als in de andere buitengebieden. Kern van het geurbeleid 1 Autonome ontwikkeling veehouderij en monitoring. Gemeente pakt toezicht en handhaving niet voldoende op. Dit geldt ook voor actualisatie vergunningen. Bedrijven zullen niet gaan moderniseren uit zichzelf en zal door overheid op gestuurd moeten worden. Sterker inzetten op intrekken van vergunningen.
Zie het antwoord bij 1B.
Zie het antwoord bij 1G. Zie het antwoord bij 1A. Zie het antwoord bij 1D. Zie het antwoord bij 1F. Zie het antwoord bij 1M.
Een aanscherping van de geurnormen is een van de instrumenten om de bestaande en resterende overschrijdingen te beperken c.q. terug te dringen. Daarnaast zetten we ook andere instrumenten in, zoals inderdaad een adequate uitvoering van VTH taken, actualisatie van vergunningen (IPPCbedrijven), het intrekken van latente ruimte (om ongewenste opvulling te voorkomen en om ongewenste blokkades voor de blijvers te verminderen) en een specifieke aanpak voor de zwaarste geuroverschrijdingen. De gemeente heeft de afgelopen periode geïnvesteerd in uitbreiding van de personele capaciteit voor VTH-zaken. Verder is eind vorig jaar intrekkingsbeleid vastgesteld. De controles voor de IPPC actualisatie worden dit jaar afgerond.
1hh
2 Normering voorgrondbelasting en achtergrondbelasting in de geurverordening en beleid. Stelling is dat GGD normen worden aangehouden. Dit is wb achtergrondbelasting niet het geval. Dit moet worden gecorrigeerd. Geurbelasting kan op plaatsen dus nog steeds toenemen.
De gemeente stuurt op vermindering van de geurbelasting en het voorkomen van nieuwe voor geur overbelaste situaties (overschrijding voorgrondbelasting). Hierbij worden de GGDadvieswaarden ten aanzien van de voorgrondbelasting als belangrijk uitgangspunt genomen. Ook bij ruimtelijke ontwikkelingen in de nabijheid van veehouderijen moet rekening worden gehouden met deze aangescherpte normen. Ook zo kunnen nieuwe knelpunten t.a.v. een te hoge geurbelasting worden voorkomen.
Inspraaknota conceptgeurverordening met geurgebiedsvisie Het onverkort overnemen van de GGD-adviezen m.b.t. de maximale achtergrondbelasting leidt tot een blokkade van plannen in- en rond de kernen en leidt ook tot minder mogelijkheden voor functieveranderingen in het buitengebied. Dit vinden we niet wenselijk.
1Ii
3. Gerichte aanpak sterk overbelaste situaties: - In de gerichte aanpak wordt voorbij gegaan aan de mogelijkheid om het SLA in te zetten.
Een toename van de geurbelasting is mogelijk, maar alleen binnen de (aangescherpte) voorgrondnormen en de normen voor achtergrondbelasting. Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geen toename van de geurbelasting maar een afname van de geurbelasting verwacht. E.e.a. is toegelicht in de geurgebiedsvisie, o.a. in hoofdstuk 3. Zie het antwoord bij 1B, 1H, 1I, 1J en 1Z.
- Bovendien wordt het instrument van actualiseren niet ingezet, wat zich met name richt op veranderingen in normen en milieu ontwikkelingen als ook in technologische ontwikkelingen. En ook als er geen nieuwe ontwikkelingen zijn. - Ook mestbe -en verwerking hierbij betrekken waarbij ook de hedonische waarde moet worden bepaald en betrokken. 1Jj
Aanpassingen zijn nodig voor: Sterk overbelaste situaties Beleid moet worden: Actualiseren van de vergunning (wettelijke plicht) waarbij de oude norm van 14 odeur (of 10 odeur achtergrondbelasting) binnen 5 jaar wordt bereikt. Deze geactualiseerde vergunning dient binnen 2 jaar na het geldig worden van deze verordening gerealiseerd te zijn. Voor andersoortige overlast dient dit binnen 2 jaar onder de 1 odeur te vallen. Overschrijding huidige norm: Actualiseren vergunning zodanig dat binnen 5 jaar aan de oude norm van 14 odeur wordt voldaan en de norm van achtergrondbelasting tevens niet meer wordt overschreden. De versterkte 50% regel kan pas gelden als de situatie onder de wettelijke grens van 14 odeur is gebracht. Overschrijdingen nieuwe norm (zowel voor als achtergrond norm): Toepassen versterkte 50% norm met een plan om binnen 10 jaar de nieuwe normen te hebben bereikt.
Zie het antwoord bij 1H, 1I, 1J en 1Z. Aanvullend hierop wordt opgemerkt dat de afname van de geurbelasting door autonome ontwikkelingen en opkoopregelingen door zal zetten en naast deze geurverordening zal bijdragen aan het verbeteren van het woon-en leefklimaat.
Inspraaknota conceptgeurverordening met geurgebiedsvisie -
-
1kk
1Ll
Voldoet aan normering: Voor de verbeterde achtergrond belasting (zie eerder) mag tav deze normen geen overschrijding plaatsvinden door ontwikkelingen op een bepaald bedrijf. Toevoeging: In zijn algemeenheid dienen de C&HW, ASL en de actualisatie plicht vol ingezet te worden voor de eerder genoemde situaties. De actualisatieplicht, toetsing aan ontwikkelingen, technische mogelijkheden en normeringen van gezondheid en milieu dient standaard elke 4 jaar ingevoerd te worden bij de gemeente.
Geurgebiedsvisie gemeente Horst aan de Maas Op blz 7 wordt de werking van afstanden aangegeven. Horst aan de Maas maakt hier uitzonderingen op, ondanks dat de wettelijke stanknormen worden overschreden. Dit gebruik dient helder en consistent te worden vastgelegd. Op blz 11 wordt in het overzicht een achtergrond van 13-20 odeur als matig aangeduid, op de grens van tamelijk slecht. In de andere stukken van de gemeente wordt 20 odeur als voldoende aangeduid. Hier dient het spel met woorden losgelaten te worden. Voor de achtergrond belasting dient de GGD norm van 10 odeur te worden aangehouden.
Zie het antwoord bij 1M.
Het is een beleidsmatige keuze om bij het beoordelen van nieuwe ruimtelijke initiatieven in het buitengebied een achtergrondbelasting van maximaal 20 Ou als aanvaardbaar aan te merken. Op blz. 11 is de classificatie van de achtergrondbelasting uit de handreiking Wgv geciteerd. Hierin is een achtergrondbelasting tussen 13 Ou en 20 Ou als matig benoemd. Het is aan een gemeente om een afweging te maken over de geaccepteerde geurhinder (zie blz. 13 van de geurgebiedsvisie). Het onverkort overnemen van de GGD-adviezen m.b.t. de maximale achtergrondbelasting leidt tot een ongewenste blokkade van nieuwe ontwikkelingen in de kernen en minder mogelijkheden voor functieveranderingen in het buitengebied (zie blz. 33 van de geurgebiedsvisie).
1Mm
1Nn
Blz 13 Respecteren van rechten: De actualisatie plicht van vergunningen maakt duidelijk dat deze rechten niet oneindig en onbeperkt zijn. Ook hier is de CHW en SLA een instrument naast de verplichting tot actualiseren. Blz 14. De GGD norm gaat uit van max 12 % geurgehinderden als norm. Volgens het overzicht zou dit dan een achtergrond belasting van max. 13 Odeur betekenen. Hiermee wordt duidelijk dat de keuze van de gemeente ver ligt van de GGD norm die gezegd werd aan te houden. Hier is aanpassing noodzakelijk.
Zie verder het antwoord bij 1X. Zie het antwoord bij 1I.
De GGD adviseerde in het kader van de evaluatie van de geurregelgeving (2015-2016) een hinderpercentage van maximaal 12% voor de bebouwde kom en maximaal 20% in het buitengebied, te vertalen als maximaal 5 Ou (bebouwde kom) respectievelijk 10 Ou (buitengebied) achtergrondbelasting.
Inspraaknota conceptgeurverordening met geurgebiedsvisie Het onverkort overnemen van de GGD-adviezen m.b.t. de maximale achtergrondbelasting leidt tot een ongewenste blokkade van nieuwe ontwikkelingen in de kernen en minder mogelijkheden voor functieveranderingen in het buitengebied. 1Oo
1Pp
1Qq
Blz 15: In het katern wordt voor het buitengebied een maximum van 10 odeur achtergrond belasting aan te nemen door de GGD. Ook onderschreven op blz 17. Hier schiet de gemeente weer tekort in haar zorgplicht. Blz 19: De inzet van C&HW en SLA worden hier duidelijk als middel gezien tot verbeteringen. Een onderbouwing van eerdere inspraak deze vol in te zetten. Blz 21 tabel: Het moet duidelijk zijn dat een gemiddelde afname van geur over de hele gemeente nauwelijks effect heeft op lokale situaties.
Zie verder het antwoord bij 1X. Zie het antwoord bij 1X.
Zie het antwoord bij 1H, 1I, 1J en 1Z.
In het kader van de geurgebiedsvisie is onderzoek verricht naar de mogelijke ontwikkeling van de geurbelasting. Op basis van de ontwikkeling in de periode 2018-2022 en de voorziene krimp van het aantal dieren en het aantal veehouderij-locaties, is een afname van de geurbelasting door veehouderijen te verwachten (zie hoofdstuk 3 van de geurgebiedsvisie). De resultaten van het uitgevoerde onderzoek laten zien dat er ook bij een combinatie van stoppende veehouderij-locaties (krimp) en modernisering van stallen op locaties van blijvende (intensieve) veehouderijen, overschrijdingen van de GGDadvieswaarden t.a.v. de voor- en achtergrondbelasting resteren. Daarom kiest de gemeente voor strengere voorgrond geurnormen. Een aanscherping van de geurnormen is een van de instrumenten om de bestaande en resterende overschrijdingen te beperken c.q. terug te dringen. Naast andere instrumenten, zoals een adequate uitvoering van VTH taken, actualisatie van vergunningen (IPPC-bedrijven), het intrekken van latente ruimte (om ongewenste opvulling te voorkomen en om ongewenste blokkades voor de blijvers te verminderen) en een specifieke aanpak voor de zwaarste geuroverschrijdingen.
1Rr
Op blz 23 wordt in de tabel ten onrechte voor de GGD een advieswaarde van 20 odeur aangegeven, Dit is, zie eerdere inspraak, 10 odeur. De plattegrond gekleurd, laat ook de enorme impact zien van de geur op de inwoners.
Inderdaad, de GGD-advieswaarde voor de achtergrondbelasting is voor het buitengebied maximaal 10 Ou, dat is terecht gesignaleerd in de zienswijze. Dit wordt hersteld in de geurgebiedsvisie die wordt bijgevoegd bij de stukken ter vaststelling. In het onderzoek uit de geurgebiedsvisie is overigens uitgegaan van de juiste GGD-advieswaarde.
Inspraaknota conceptgeurverordening met geurgebiedsvisie 1Ss
Vanaf blz 39 wordt aangetoond de enorme latente ruimte. Dit betekent dat hoogstwaarschijnlijk op diverse plaatsen, zeker de achtergrond belasting, lager is dan de nieuwe normen. Dat betekent dan dat deze latente ruimte (niet binnen de vereiste periode afgebouwd hebben van de vergunde stallen) middels het vervallen van de bouwvergunning en de omgevingsvergunning kan en moet worden ingetrokken (opnieuw ook met de C&HW en SLA voor ogen). De nieuwe situatie na het intrekken van deze latente capaciteit dient het uitgangspunt te zijn bij nieuwe ontwikkelingen.
De latente ruimte is in de gemeente Horst aan de Maas inderdaad hoog. De relatief hoge latente ruimte in Horst aan de Maas heeft tot gevolg dat berekeningen op basis van het aantal vergunde/gemelde dierplaatsen een hogere geurbelasting laten zien dan op grond van het werkelijk gehouden aantal dieren. Desalniettemin is het van belang om bij berekeningen van de geurbelasting rekening te houden met de verleende toestemmingen (vergunningen en meldingen) om eventuele knelpunten bij opvulling van de latente ruimte niet te onderschatten. Het is van belang dat de latente ruimte die met zekerheid niet meer gebruikt zal/kan worden naar beneden wordt gebracht door het intrekken of actualiseren van toestemmingen en bestemmingen/functies van veehouderij-locaties. En om toestemmingen die niet meer (kunnen) worden gebruikt, op te schonen in de registratie van vergunningen en meldingen van veehouderijen. Dit opschonen is ook van belang voor de blijvers onder de veehouderijen en nieuwe bestemmingen op locaties van gestopte / stoppende veehouderijen. Bij het berekenen van de achtergrondbelasting wordt immers uitgegaan van de geregistreerde toestemmingen (vergunningen en meldingen). Als toestemmingen kunnen worden verwijderd uit de registratie, zal de achtergrondbelasting in mindere mate een belemmering zijn voor nieuwe ontwikkelingen.
Over het intrekken van latente ruimte: zie het antwoord bij 1H en 1I.
2
Een bewoner van de gemeente Horst aan de Maas
Ten aanzien van het genoemde bedrijf (veehouderij) merken wij in het algemeen op dat er een traject loopt waarbij we werken aan een lange termijn aanpak en oplossing. Dit gebeurt naast de formele procedures rond dit bedrijf.
2A
We zijn van mening dat een lintbebouwing zoals aan de Hofweg, Nieuwe Peeldijk en Hoebertweg onder dezelfde condities moet vallen als dorpskernen. Daarnaast hebben we bezwaar dat u voor het buitengebied niet de GGD normen volgt. De achtergrondbelasting zou onder de 10 Ou moeten blijven.
Zie het antwoord bij 1A.
2B
De gemeente stuurt op vermindering van de geurbelasting en het voorkomen van nieuwe voor geur overbelaste situaties (overschrijding voorgrondbelasting). Hierbij worden de GGDadvieswaarden ten aanzien van de voorgrondbelasting als belangrijk uitgangspunt genomen. Het onverkort overnemen GGD-adviezen m.b.t. de maximale achtergrondbelasting (zoals 10 Ou voor het buitengebied) leidt ongewenst tot minder
Inspraaknota conceptgeurverordening met geurgebiedsvisie mogelijkheden voor functieveranderingen in het buitengebied. Daarom is voor de normstelling van de achtergrondbelasting afgeweken van de GGDadvieswaarden. 2C
2D 2E
3 3A
3B 3C
3D
Latent vergunde ruimte intrekken en alles in het werk stellen om de vergunde stallen maar niet niet gerealiseerde stallen van Willems niet te laten bouwen. De realisatie van deze stallen leidt tot een voorgrondbelasting van meer dan 10 Ou.
Geur van de industriële mestverwerker is niet meegenomen in de geurverordening. De gemeenten moet in de geurverordening een toelichting opnemen waarin zij aangeeft door met de ChW en SLA de BBT voor te schrijven en niet slechts de matig op geur presterende BBT
Een inwoner van Horst aan de Maas namens Werkgroep woonomgevings De Paes Als eerste zijn we van mening dat in de verordening ook de vrijkomende stank van een brijvoerkeuken, de mestopslag en andere vormen van mestbe- en verwerking moet worden meegenomen. De hedonische waarde moet bij de normering betrokken worden Als tweede zijn we van mening dat lintbebouwing standaard gezien moet worden als bebouwingen die dezelfde normen verdienen als de dorpskernen. De 98 percentielwaarde is te ruimhartig genomen. De maximum stankconcentratie zou maximaal
Zie ook het antwoord bij 1X. Zie het antwoord bij 1H en 1I en 1Ss. Aanvullend hierop: Het in de geurgebiedsvisie beschreven artikel uit de Chw 21e tranche biedt de mogelijkheid om een deel van een vergunning in te trekken omdat de geurbelasting te hoog is. Of en hoe van deze bevoegdheden gebruik wordt gemaakt dient per casus beoordeeld en onderbouwd te worden. Dit hoeft niet vooraf te worden vastgesteld in een geurverordening of beleidsregel en daarom gaan we in deze beantwoording niet verder in op de genoemde casus. Zie het antwoord bij 1B. Zie het antwoord bij 1Z. Aanvullend hierop: Via de actualisatie van de voorgrond-geurnormen en het gebruik maken van extra bevoegdheden uit de Crisis- en Herstelwet stuurt de gemeente op de vermindering van geurbelasting en het voorkomen van nieuwe voor geur overbelaste situaties. Dat betekent dat ondernemers met ontwikkelplannen bij voor geur overbelaste situaties vaak gebruik moeten maken van technieken om de geurbelasting te verminderen. De Wet geurhinder en veehouderij of de Omgevingswet bevat geen wettelijke grondslag voor een gemeente om BBT-eisen te stellen t.a.v. de geur uit stallen van veehouderijen, los van de toetsing aan de (maximale) geurbelasting.
Zie het antwoord bij 1B.
Zie het antwoord bij 1G. Zie het antwoord bij 1A.
Zie het antwoord bij 3B en 1G.
Inspraaknota conceptgeurverordening met geurgebiedsvisie
3E
3F
een bepaald klein percentage hoger mogen zijn dan deze eerdere normen. Anders kunnen er ongedefinieerde stankconcentraties optreden. Als derde zijn we van mening dat mestverwerkingen op een industrieterrein plaats dienen te vinden, naast andere industriële activiteiten en dat in ieder geval de huidige mestverwerkingen aan maxima dienen te worden gehouden en geen verdere uitbreiding mogen ondergaan. Als vierde zijn we van mening dat de GGDadvieswaarden voorde achtergrondbelasting de geldende maat moet zijn. In de afbouw moet gelden dat eerst de maximale maatregelen met maatregelen wordt bereikt en daarna pas met de 50% regel mag worden gewerkt.
Een gemeentelijke geurverordening is niet bedoeld om ruimtelijk beleid juridisch te verankeren. Hiervoor zijn andere instrumenten, zoals het bestemmingsplan en omgevingsplan. Zie verder het antwoord bij 3A. De gemeente stuurt op vermindering van de geurbelasting en het voorkomen van nieuwe voor geur overbelaste situaties (overschrijding voorgrondbelasting). Hierbij worden de GGDadvieswaarden ten aanzien van de voorgrondbelasting als belangrijk uitgangspunt genomen. Het onverkort overnemen GGD-adviezen m.b.t. de maximale achtergrondbelasting (zoals 10 Ou voor het buitengebied) leidt ongewenst tot minder mogelijkheden voor functieveranderingen in het buitengebied. Daarom is voor de normstelling van de achtergrondbelasting afgeweken van de GGD-advieswaarden. Zie ook het antwoord bij 1X. Bij ontwikkelplannen van veehouderijen wil de gemeente rekening gehouden met de (on)mogelijkheden om de geurbelasting te beperken. De gemeente wil de standaard 50% regeling blijven toepassen voor de normoverschrijding tussen de voorgestelde aangescherpte norm en de huidige (standaard) wettelijke norm. Bij overschrijding van de huidige (standaard) wettelijke normen (die sinds 2007 gelden) wil de gemeente extra sturen op afname van de geurbelasting op woningen van omwonden door in die gevallen af te kunnen wijken van de 50% regeling.
3F
3G
3H
Als vijfde zijn we van mening dat voor een LOG geen uitzonderingspositie dient te worden aangehouden. De mogelijkheden zijn daar toch al veel groter door de dunne bebouwing Als zesde zijn we van mening dat latente ruimte zo snel mogelijk dient te worden ingenomen, zodat deze bedreiging voor omwonenden wordt weggenomen.
Als zevende zijn we van mening dat de gemeente in haar beleid dient op te nemen dat de ondernemers de best bestaande, bewezen en
Zie het antwoord bij 1D.
Zie het antwoord bij 1H en 1I en 1Ss. Het in de geurgebiedsvisie beschreven artikel uit de Chw 21e tranche biedt de mogelijkheid om een deel van een vergunning in te trekken omdat de geurbelasting te hoog is. Of en hoe van deze bevoegdheden gebruik wordt gemaakt dient per casus beoordeeld en onderbouwd te worden. Dit hoeft niet vooraf te worden vastgesteld in een geurverordening of beleidsregel. Zie het antwoord bij 1Z.
Inspraaknota conceptgeurverordening met geurgebiedsvisie elders toegepaste effectieve technieken dienen toe te passen en niet de best betaalbare technieken. Op die wijze wordt innovatie een begrip met inhoud dat zowel de ondernemer als de inwoner dient.
3I
3J
Als achtste zijn we van mening dat de gemeente in haar verantwoordelijkheid om te zorgen voor een goed woon- en leefklimaat, een actief beleid dient mee te nemen waarbij alle mogelijkheden als de C&HW en SLA ten volle worden gebruikt om situaties versneld te verbeteren. Algemeen geven we als zienswijze mee dat de stukken de geest ademen dat de ontwikkeling/uitbreiding van de intensieve veehouderij ver verheven wordt boven de belangen van de inwoners van de gemeente.
Via de actualisatie van de voorgrond-geurnormen en het gebruik maken van extra bevoegdheden uit de Crisis- en Herstelwet stuurt de gemeente op de vermindering van geurbelasting en het voorkomen van nieuwe voor geur overbelaste situaties. Dat betekent dat ondernemers met ontwikkelplannen bij voor geur overbelaste situaties vaak gebruik zullen moeten maken van technieken om de geurbelasting te verminderen. De Wet geurhinder en veehouderij of de Omgevingswet bevat geen wettelijke grondslag voor een gemeente om BBT-eisen te stellen t.a.v. de geur uit stallen van veehouderijen, los van de toetsing aan de (maximale) geurbelasting. Zie het antwoord bij 3H en 1Z.
De gemeente stuurt op vermindering van geurbelasting en het voorkomen van nieuwe voor geur overbelaste situaties (overschrijding voorgrondbelasting) door de GGD-advieswaarden ten aanzien van de voorgrondbelasting als belangrijk uitgangspunt te hanteren. Door in de vergunningverlening voor veehouderijen de nieuwe aangescherpte normen als toetsingswaarde te hanteren, moet de vergunde geurbelasting bij een overschrijding van die waarde worden verminderd, in de richting van de GGD-advieswaarde. Zo wordt er bij de blijvende veehouderijen die ontwikkeling gestuurd op het verminderen van overbelaste situaties en worden nieuwe overschrijdingen van de GGD-advieswaarde voorkomen. Ook bij ruimtelijke ontwikkelingen in de nabijheid van veehouderijen zal er rekening moeten worden gehouden met deze aangescherpte normen. Zo worden nieuwe knelpunten t.a.v. een te hoge geurbelasting voorkomen. Zie verder het antwoord bij 3I.
4 4A
BV Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo en Driessen Grondwerken BV Ter plaatse van de locatie Sintelweg 4 is een deel van kadastraal perceel Grubbenvorst L 944 buiten het aangeduide gebied "bedrijventerrein Greenport Venlo" gehouden. Inmiddels is deze locatie aangekocht door een werkmaatschappij van Driessen Grondwerken BV. Deze locatie is herbestemd tot bedrijvigheid en de woonbestemming daarmee vervallen. Een en ander heeft tot gevolg dat deze locatie als geheel dient te worden aangemerkt als "bedrijventerrein Greenport Venlo" waar 14 ou van toepassing is.
Met Driessen Grondwerken BV is een anterieure overeenkomst gesloten. Op dit moment is nog niet onderbouwd of nader onderzocht of een omgevingsplanwijziging op deze plek op basis van een evenwichtige toedeling aan locaties mogelijk is. De juridische status van de anterieure overeenkomst is niet voldoende om nu de grens van het bedrijventerrein aan te passen. Indien het (tijdelijk) omgevingsplan wordt gewijzigd en de vestiging van Driessen Grondwerken
Inspraaknota conceptgeurverordening met geurgebiedsvisie
4B
4C
4D
5
5A
Wij verzoeken u daarom de kaart op dit punt aan de passen en het gehele perceel Grubbenvorst L 944 op te nemen binnen de aanduiding "bedrijventerrein Greenport Venlo".
planologisch mogelijk wordt gemaakt, kan/zal dit gepaard gaan met een wijziging van de voorgrond geurnorm conform de norm voor het bedrijventerrein Greenport Venlo en de begrenzing van het normgebied. Die wijziging is dan integraal onderdeel van de wijziging van het omgevingsplan.
De voorliggende ontwerp geurgebiedsvisie maakt ons inziens onvoldoende duidelijk welke activiteiten en gebouwen door u als raad aangemerkt worden als geurgevoelig object. Ons inziens zijn de in klaver 11 bestemde en te vestigen bedrijven in de "agribusiness" niet aan te merken als "geurgevoelig object" zeker indien bij die bedrijven sprake is van een relatief klein kantoorgedeelte in relatie tot de productie en/of opslagfaciliteiten. Wij verzoeken u als gemeenteraad daarom in de geurgebiedsvisie een heldere en duidelijke definitie op te nemen van hetgeen u als gemeenteraad aanmerkt wordt als een "geurgevoelig object" en te bevestigen dat bedrijven in de "agribusiness" niet aan te merken zijn als "geurgevoelig object" zeker indien bij die bedrijven sprake is van een relatief klein kantoorgedeelte in relatie tot de productie-en/of opslagfaciliteiten. Door de gewijzigde geurfactoren voor gecombineerde luchtwassers komt de geurcontour van een veehouderij in de omgeving ver over het plangebied voor de verplaatsing van Driessen grondwerken BV komt te liggen en kunnen op de beoogde locatie geen geurgevoelige objecten worden gerealiseerd. Ook de voorgenomen vestiging van Driessen Grondwerken BV in klaver 11 is ons inziens niet als een geurgevoelige object en/of activiteit aan te merken zoals beschreven in de inspraakbrief.
Wij verzoeken de gemeenteraad om te bevestigen dat deze activiteiten niet geurgevoelig zijn en de ter realiseren gebouwen geen geurgevoelige objecten betreffen. Pijnenburg namens Drissen CV, Struiken 3a/4a Grashoek
Zie het antwoord bij 1K.
Voor de berekeningen is uitgegaan van de KemRegistratie-Dieren (KRD) in 2022. Inmiddels zitten we in bet jaar 2024. Uit de plaatjes valt op te maken dat er in de berekeningen veehouderijen zijn opgenomen waar ondertussen geen sprake meer is van een veehouderij, ook is er sprake van andere afwijkingen.
Zie het antwoord op 4A en 4B.
Zie het antwoord op 4B.
Opmerking in het algemeen. In de omgeving van de intensieve veehouderij liggen meerdere woningen op het grondgebied van Peel en Maas. Deze woningen zijn zeer waarschijnlijk meer bepalend voor de ontwikkelmogelijkheden op het gebied van geur dan geurgevoelige objecten in de gemeente Horst aan de Maas. Het klopt dat er een verschil bestaat tussen de registreerde en vergunde situatie medio 2022, de actueel vergunde situatie en de feitelijke situatie anno 2024. In de geurgebiedsvisie is ingegaan op de zogenaamde latente ruimte binnen de registratie
Inspraaknota conceptgeurverordening met geurgebiedsvisie Kortom de uitgangssituatie die voor de berekeningen is gebruikt is verre van correct. Nu wordt er op basis van onjuiste/achterhaalde gegevens nieuw beleid vastgesteld.
van de vergunde situatie. De latente ruimte is hoog. De relatief hoge latente ruimte in Horst aan de Maas heeft tot gevolg dat berekeningen op basis van het aantal vergunde/gemelde dierplaatsen een hogere geurbelasting laten zien dan op grond van de werkelijk gehouden aantal dieren. Er is echter geen informatie over de latente ruimte per veehouderijlocatie openbaar beschikbaar, waardoor het niet mogelijk is om gericht een correctie uit te voeren voor de “niet-benutte vergunningsruimte”. Daarnaast is het ook van belang om bij berekeningen van de geurbelasting rekening te houden met de verleende toestemmingen (vergunningen en meldingen) omdat eventuele knelpunten bij opvulling van de latente ruimte niet te onderschatten. Het is van belang dat de latente ruimte die met zekerheid niet meer gebruikt zal/kan worden naar beneden wordt gebracht door het intrekken of actualiseren van toestemmingen en bestemmingen/functies van veehouderij-locaties. En om toestemmingen die niet meer (kunnen) worden gebruikt, op te schonen in de registratie van vergunningen en meldingen van veehouderijen. Dit opschonen is ook van belang voor de blijvers onder de veehouderijen en nieuwe bestemmingen op locaties van gestopte / stoppende veehouderijen. Bij het berekenen van de achtergrondbelasting wordt immers uitgegaan van de geregistreerde toestemmingen (vergunningen en meldingen).
Als toestemmingen kunnen worden verwijderd uit de registratie, zal de achtergrondbelasting in mindere mate een belemmering zijn voor nieuwe ontwikkelingen. In het kader van de geurgebiedsvisie is onderzoek verricht naar de mogelijke ontwikkeling van de geurbelasting. Op basis van de ontwikkeling in de periode 2018-2022 en de voorziene krimp van het aantal dieren en het aantal veehouderij-locaties, is een afname van de geurbelasting door veehouderijen te verwachten (zie hoofdstuk 3 van de geurgebiedsvisie). De resultaten van het uitgevoerde onderzoek laten echter zien dat er ook bij een combinatie van stoppende veehouderij-locaties (krimp) en modernisering van stallen op locaties van blijvende (intensieve) veehouderijen, overschrijdingen van de GGD-advieswaarden t.a.v. de voor- en achtergrondbelasting resteren. Daarom kiest de gemeente voor strengere voorgrond geurnormen.
Inspraaknota conceptgeurverordening met geurgebiedsvisie Een aanscherping van de geurnormen is een van de instrumenten om de bestaande en resterende overschrijdingen te beperken c.q. terug te dringen. Naast andere instrumenten, zoals een adequate uitvoering van VTH taken, actualisatie van vergunningen (IPPC-bedrijven), het intrekken van latente ruimte (om ongewenste opvulling te voorkomen en om ongewenste blokkades voor de blijvers te verminderen) en een specifieke aanpak voor de zwaarste geuroverschrijdingen.
5B
Op het grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas ligt bebouwing die als geurgevoelig wordt aangemerkt (politieacademie, turfhoeve en schatberg). Daarvoor geld nu de geurnormen van 14 Ou. De geurbelasting van het bedrijf ligt ruim onder de 14Ou. Door aanscherping van normen wordt het bedrijf in haar uitbreidingen beperkt. Verder liggen de woonkernen ver van deze locatie. Het is daarom niet wenselijk dat het bedrijf beperkt wordt door de geurverordening van de gemeente Horst aan de Maas.
Met uitzondering van strengere voorgrond geurnormen, richten deze instrumenten zich alleen op veehouderijen gelegen in de gemeente Horst aan de Maas en niet op veehouderijen gelegen in buurgemeenten. Het is inderdaad zo dat een aanscherping van de voorgrond geurnormen gevolgen kan hebben voor bedrijven die ontwikkelen. Voor veehouderijen in de gemeente Horst aan de Maas en voor veehouderijen gelegen in buurgemeenten, voor zover deze op korte afstand van geurgevoelige objecten in Horst aan de Maas zijn gelegen. Dat is inherent aan de beleidskeuze om een zwaarder gewicht toe te kennen aan het beschermen en verbeteren van woon- en leefklimaat van omwonenden van veehouderijen. Gezien de afstand van de veehouderijlocatie van de indiener van deze zienswijze tot aan geurgevoelige objecten in de gemeente Horst aan de Maas en de ligging van woningen en anderen geurgevoelige objecten in de directe omgeving van deze veehouderijlocatie (op het grondgebied van de gemeente Peel en Maas) wordt de milieuruimte van deze veehouderij mogelijk niet of maar beperkt beïnvloed door de voorgenomen aanscherping van de voorgrondnorm.
5C
6
Aangezien het hier gaat om een zone waarin geen woningen liggen, maar het gaat om andere functies waar personen verblijven, is het voor de gemeente mogelijk om hier een afwijkende waarde vast te stellen. Pijnenburg namens Görtz Rozendaal B.V.,, Rozendaal 15, Maasbree
Zie verder het antwoord bij 5A. Zie het antwoord bij 5A en 5B.
Op de locatie is een varkenshouderij gevestigd. Op de locatie zijn in de feitelijke situatie 7 stallen aanwezig. Medio 2018 is er een nieuwe vergunning verleend voor het bouwen van 4 varkensstallen, 3 mestsilo’s en sleufsilo’s. Deze zijn o.b.v. actuele luchtfoto’s (PDOK) nog niet gerealiseerd Geuremissie Görtz is hoog vanwege omvang varkenshouderij en aanpassing geur emissiefactoren voor combiwassers. Daarom is er
Inspraaknota conceptgeurverordening met geurgebiedsvisie sprake van een voor geur overbelaste situatie voor de woningen nabij de varkenshouderij (ten noorden van deze locatie), gelegen op het grondgebied van Horst aan de Maas. Ook al bij de huidige geurnorm van 14 Ou Maas 6A
Voor de berekeningen is uitgegaan van de KemRegistratie-Dieren (KRD) in 2022. Inmiddels zitten we in bet jaar 2024. Uit de plaatjes valt op te maken dat er in de berekeningen veehouderijen zijn opgenomen waar ondertussen geen sprake meer is van een veehouderij, ook is er sprake van andere afwijkingen.
Zie het antwoord bij 5A.
Kortom de uitgangssituatie die voor de berekeningen is gebruikt is verre van correct. Nu wordt er op basis van onjuiste/achterhaalde gegevens nieuw beleid vastgesteld. 6B
6C
6D
Verplaatsing uit Baarlo naar voormalig LOG Krabbenborg om nieuw ontwikkelperspectief te geven. Dit wordt met de strengere normering beperkt en strookt niet met de doelstelling om veehouderijen in 2030 op toekomstbestendige locaties te hebben liggen.
Door het bedrijf te verplaatsen heeft men al voor een groot gedeelte invulling gegeven aan de doelstelling om in 2030 een afname van milieuemissies te realiseren. Door nu strenger te normeren voelt men zich hierdoor extra benadeeld. In de kernen is sprake van de meeste geuroverlast. Met de norm 5 Ou in het buitengebied wordt het buitengebied relatief te streng genormeerd terwijl de overbelaste situaties hier minder zijn en toch het hele buitengebied wordt beperkt.
Op deze locatie zijn in de huidige situatie 7 stallen gerealiseerd en is door de gemeente Peel en Maas in 2018 een vergunning verleend voor o.a. de bouw van 4 extra varkensstallen die nog niet is gerealiseerd. De voorgenomen aanscherping van de geurnormen voor het buitengebied van Horst aan de Maas heeft geen gevolgen voor de vergunde situatie van deze varkenshouderij gelegen op het grondgebied van Peel en Maas. De aanscherping heeft mogelijk wel gevolgen indien er een nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt ingediend. Het is dus inderdaad zo dat een aanscherping van de voorgrond geurnormen gevolgen kan hebben voor bedrijven die verder ontwikkelen. Voor veehouderijen in de gemeente Horst aan de Maas en voor veehouderijen gelegen in buurgemeenten, voor zover deze op korte afstand van geurgevoelige objecten in Horst aan de Maas zijn gelegen. Dat is inherent aan de beleidskeuze om een zwaarder gewicht toe te kennen aan het beschermen en verbeteren van woon- en leefklimaat van omwonenden van veehouderijen. Zie het antwoord bij 6B.
Een aanscherping van de geurnormen is een van de instrumenten om de bestaande en resterende overschrijdingen te beperken c.q. terug te dringen. Naast andere instrumenten, zoals een adequate uitvoering van VTH taken, actualisatie van vergunningen (IPPC-bedrijven), het intrekken van
Inspraaknota conceptgeurverordening met geurgebiedsvisie Beter kan gesteld worden dat het doel van de wijziging is om aan te sluiten op de GGD adviesnormen zowel voor de bebouwde kom als het buitengebied. Dan geef je aan waarom er tot de gekozen normen gekomen wordt.
6E
Direct ontstaat er door de verordening geen schade. Indirect zou dat wel het geval kunnen zijn. Bij deze wil client u meegeven dat mocht de situatie ontstaan dat de overbelaste situatie die nu dreigt te ontstaan ongedaan gemaakt moet worden, client de gemeente Horst aan de Maas hiervoor aansprakelijk zal stellen.
latente ruimte (om ongewenste opvulling te voorkomen en om ongewenste blokkades voor de blijvers te verminderen) en een specifieke aanpak voor de zwaarste geuroverschrijdingen. Met uitzondering van strengere voorgrond geurnormen, richten deze instrumenten zich alleen op veehouderijen gelegen in de gemeente Horst aan de Maas en niet op veehouderijen gelegen in buurgemeenten, zoals deze veehouderij. Zie verder het antwoord bij 6C. Waarschijnlijk heeft de bijstelling van de landelijke geuremissiefactoren voor combi-luchtwassers in 2018 (zie de geurgebiedsvisie, paragraaf 2.6) tot gevolg dat de actueel berekende geuremissie van de varkenshouderij hoger is dan geurbelasting waarvan in de vergunningverlening is uitgegaan. Dit leidt er toe dat de mogelijkheden voor het bedrijf om na de realisatie van de vergunde uitbreiding qua geurruimte beperkt zijn, net zoals dat voor veel andere moderne varkensbedrijven in Nederland het geval is. De voorgenomen aanscherping van de geurnormen voor het buitengebied van Horst aan de Maas heeft geen gevolgen voor de vergunde situatie van deze varkenshouderij gelegen op het grondgebied van Peel en Maas. Zie verder het antwoord bij 6C en 6D.
7 7A
Werkgroep behoud de Parel, inlichtingen bij A. Brantsma De inspraak van Werkgroep behoud de Parel zijn identiek aan die van bewoner van Horst aan de Maas (nr 1).
8
Van Buiten adviesbureau Pro-forma en aanvulling daarop van 29-2-2024
8A
De aanpassing van 14Ou naar 5Ou is te drastisch. Ondernemers kunnen niet aan deze norm voldoen en de ontwikkelingsmogelijkheden worden door de aanscherping weggenomen. Aan de hand van een voorbeeld (varkensbedrijf met combi-luchtwassers) is dit geïllustreerd.
Voor de beantwoording van de inspraak van werkgroep behoud de parel verwijzen we naar de antwoorden bij de inspraak van deel 1 (bewoner van de gemeente Horst aan de Maas) De Pro forma zienswijze ontvingen we op de laatste dag dat de stukken ter inzage lagen. In overleg met bestuurders is een week extra de tijd gegeven om aan te vullen met uitloop van max nog één week. De landelijke regels respecteren bestaande vergunde rechten van veehouderijen. Deze regels kennen geen verplichting tot aanpassing van bestaande c.q. vergunde situaties waarbij er sprake is van een overschrijding van standaard wettelijke geurnormen of gemeentelijke geurnormen. De gemeente kan in bepaalde (zwaar) overbelaste situaties maatwerk toepassen. Of en hoe van deze bevoegdheden gebruik wordt gemaakt dient per casus beoordeeld en onderbouwd te worden. Dit hoeft niet vooraf te worden vastgesteld in een geurverordening of beleidsregel. Bij ontwikkelplannen van veehouderijen wil de gemeente rekening gehouden met de
Inspraaknota conceptgeurverordening met geurgebiedsvisie (on)mogelijkheden om de geurbelasting te beperken. O.a. door de mogelijkheid toe te passen om in individuele gevallen af te wijken van de standaard 50% regeling bij overschrijding van de (voorgrond) geurnorm. De gemeente wil die mogelijkheid voor het toepassen van de 50% regeling blijven bieden voor de situaties waarin de voorgrond geurbelasting ligt tussen de voorgestelde aangescherpte norm en de huidige (standaard) wettelijke norm. Bij ontwikkeling van veehouderijen zal er dan sprake moeten zijn van een afname van de geurbelasting. Bij overschrijding van de huidige (standaard) wettelijke normen wil de gemeente extra sturen op afname van de geurbelasting op woningen van omwonden, door in die gevallen af te kunnen wijken van de standaard 50% regeling. Dit omdat hiermee gestuurd kan worden op afname van (sterk) individueel overbelaste situaties. Dit is nodig gelet op gezondheidskundige advieswaarden en jurisprudentie. Tegelijkertijd onderschrijft de gemeente het belang van de veehouderij in Horst aan de Maas als een economisch gezonde sector. En betekent een aanscherping van de (voorgrond)norm niet dat die norm op korte termijn gehaald moet of kan worden.
Veel veehouders hebben in het verleden in goed vertrouwen geïnvesteerd in emissiearme stalsystemen en technieken die de uitstoot van ammoniak, geur en fijn stof beperken. Door tegenvallende prestaties in de praktijk zijn emissiefactoren voor geur naar boven bijgesteld. Dit heeft geleid tot normoverschrijdingen omdat de berekende geurbelasting nu anders is dan tijde van de vergunningverlening. Terwijl de toegepaste technieken juist gevraagd of vereist waren. Daar zal de gemeente rekening mee (moeten) houden. Ook met het feit dat op veehouderij-locaties waar alle stallen al zijn gemoderniseerd, de praktische en financiële mogelijkheden begrensd zijn om de overbelasting op te heffen. De voorgestelde voorgrond voor de woongebieden en voor het buitengebied zijn strenger dan de standaard wettelijke waarden voor het concentratiegebied in Nederland. 8B 8C
Als bedrijven niet kunnen ontwikkelen, zal de geurbelasting niet afnemen. Het onderzoek dat heeft geleid tot de GGDadvieswaarden is gedateerd en niet gevalideerd in andere regio’s.
Zie het antwoord bij 8A. Het onderzoek dat in de geurgebiedsvisie is genoemd is in 2014 uitgevoerd in Noord- en Middel
Inspraaknota conceptgeurverordening met geurgebiedsvisie Limburg en in Oost-Brabant, dus de regio waarin Horst aan de Maas is gelegen. Het onderzoeksrapport Geurbelasting en geurhinder van veehouderijen (uit november 2023) bevestigt de uitkomst van het onderzoek uit 20142015. Er treedt veel meer geurhinder op dan verwacht volgens de Handreiking wet geurhinder en veehouderij. Het onderzoek “geurbelasting en geurhinder van veehouderijen (november 2023) ” werd uitgevoerd door de GGD’en Brabant en de Universiteit Utrecht. Zie de website van de Academische Werkplaats Gezonde Leefomgeving (AWGL). https://awgl.nl/projecten/geur-van-de-veehouderij 8D
Strengere normen beperken de ontwikkeling van veehouderijen en kunnen een kostprijsverhogende werking hebben.
Het is inderdaad zo dat een aanscherping van de voorgrond geurnormen gevolgen kan hebben voor bedrijven die verder ontwikkelen. Dat is inherent aan de beleidskeuze om een zwaarder gewicht toe te kennen aan het beschermen en verbeteren van woon- en leefklimaat van omwonenden van veehouderijen. Tegelijkertijd betekent een aanscherping van de (voorgrond)norm niet dat die norm op korte termijn gehaald moet- of kan worden. Veel veehouders hebben in het verleden in goed vertrouwen geïnvesteerd in emissiearme stalsystemen en technieken die de uitstoot van ammoniak, geur en fijn stof beperken. Door tegenvallende prestaties in de praktijk zijn emissiefactoren voor geur naar boven bijgesteld. Dit heeft geleid tot normoverschrijdingen omdat de berekende geurbelasting nu anders is dan tijde van de vergunningverlening. Terwijl de toegepaste technieken juist gevraagd of vereist waren. Daar zal de gemeente rekening mee (moeten) houden. Ook met het feit dat op veehouderij-locaties waar alle stallen al zijn gemoderniseerd, de praktische en financiële mogelijkheden begrensd zijn om de overbelasting op te heffen. Daarom wil de gemeente de mogelijkheid voor het toepassen van de 50% regeling blijven bieden voor de situaties waarin de voorgrond geurbelasting ligt tussen de voorgestelde aangescherpte norm en de huidige (standaard) wettelijke norm.
Bij overschrijding van de huidige (standaard) wettelijke normen wil de gemeente extra sturen op afname van de geurbelasting op woningen van omwonden, door in die gevallen af te kunnen wijken van de standaard 50% regeling.
Inspraaknota conceptgeurverordening met geurgebiedsvisie 8E
Strengere normen kunnen ook leiden tot extra beperkingen van functieveranderingen.
Het onverkort overnemen van de GGD-adviezen m.b.t. de maximale achtergrondbelasting leidt tot een ongewenste blokkade van nieuwe ontwikkelingen in de kernen en minder mogelijkheden voor functieveranderingen in het buitengebied. De gemeente stuurt daarom op vermindering van geurbelasting en het voorkomen van nieuwe voor geur overbelaste situaties (overschrijding voorgrondbelasting) door de GGDadvieswaarden ten aanzien van de voorgrondbelasting als belangrijk uitgangspunt te hanteren. Door in de vergunningverlening voor veehouderijen de nieuwe aangescherpte normen als toetsingswaarde te hanteren, moet de vergunde geurbelasting bij een overschrijding van die waarde worden verminderd, in de richting van de GGDadvieswaarde. Zo wordt er bij de blijvende veehouderijen die ontwikkeling gestuurd op het verminderen van overbelaste situaties en worden nieuwe overschrijdingen van de GGDadvieswaarde voorkomen. Ook bij ruimtelijke ontwikkelingen in de nabijheid van veehouderijen zal er rekening moeten worden gehouden met deze aangescherpte normen. Zo worden nieuwe knelpunten t.a.v. een te hoge geurbelasting voorkomen. As de geurbelasting uit stallen afneemt, zullen beperkingen voor functieveranderingen door een te hoge achtergrondbelasting, kleiner worden.
8F
Hoe gaat de gemeente om met bedrijven die voldoen aan de norm van 14 Ou, maar na aanscherping van de norm niet meer? Is er een mogelijkheid om af te wijken van de 50% regeling?
Bij ontwikkelplannen van veehouderijen wil de gemeente rekening gehouden met de (on)mogelijkheden om de geurbelasting te beperken. Een aanscherping van de (voorgrond)norm betekent niet dat die norm op korte termijn gehaald moet of kan worden. Veel veehouders hebben in het verleden in goed vertrouwen geïnvesteerd in emissiearme stalsystemen en technieken die de uitstoot van ammoniak, geur en fijn stof beperken. Door tegenvallende prestaties in de praktijk zijn emissiefactoren voor geur naar boven bijgesteld. Dit heeft geleid tot normoverschrijdingen omdat de berekende geurbelasting nu anders is dan ten tijde van de vergunningverlening. Terwijl de toegepaste technieken juist gevraagd of vereist waren. Daar zal de gemeente rekening mee (moeten) houden. Ook met het feit dat op veehouderij-locaties waar alle stallen al zijn gemoderniseerd, de praktische en financiële mogelijkheden begrensd zijn om de overbelasting op te heffen. Maar ook heeft dat geleid tot een situatie waarbij een eenmaal zo ontstane normoverschrijding op basis van de standaard wettelijke bepalingen
Inspraaknota conceptgeurverordening met geurgebiedsvisie (inclusief de zogenaamde 50% regeling) mag blijven bestaan. Ook als er wel mogelijkheden zijn om de geurbelasting te beperken. Het aanscherpen van de voorgrondnorm leidt bij de toepassing van de 50% tot meer reductie van de geurbelasting dan in een situatie met soepelere geurnormen. De gemeente wil die mogelijkheid van de 50% regeling blijven bieden voor de normoverschrijding tussen de voorgestelde aangescherpte norm en de huidige (standaard) wettelijke norm. In enkele recente rechterlijke uitspraken is het onverkort toepassen van de 50% regeling ter discussie gesteld (zie AbRS 21 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2418, Horst aan de Maas en Rechtbank Oost-Brabant 16 juni 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:2931, Reusel-De Mierden). De gemeente Horst aan de Maas wil bij ontwikkeling van veehouderijen gebruik maken van de bevoegdheid om in individuele gevallen af te kunnen wijken van de zogenaamde 50%-regeling. Namelijk in die situaties waarbij er sprake is van overschrijding van de wettelijke voorgrondnorm en waarbij concrete mogelijkheden zijn om via de inzet van beschikbare en betaalbare technieken de geuremissie en geurbelasting te beperken.
Vooral bij overschrijdingen van de standaard norm van het buitengebied (14 Ou) en in situaties waarin er voor een groot aantal woningen sprake is van een overschrijding van de standaard norm voor woongebieden in de bebouwde kom. Veehouderijen die de geurnorm overschrijden zullen bij ontwikkeling inspanningen moeten leveren om de geurbelasting op geurgevoelige objecten te verminderen. Dat kan door middel van inzet van emissie reducerende stallen en technieken zoals emissiearme stallen en luchtwassers, maar ook door het verplaatsen van het uitstroompunt, verhogen van de uitstroomhoogte en/of verhogen van de uitstroomsnelheid. Veel veehouderijen hebben op deze wijze nog mogelijkheden om de geurbelasting verder te verlagen en kunnen bij een overschrijding van de norm nog steeds ontwikkelen, maar zullen daarvoor de geurbelasting wel verder moeten beperken. Dat is een gewenst effect. Daar waar er geen mogelijkheden meer zijn om de geurbelasting te beperken en er wel sprake is van een overschrijding van de geurnorm, is verdere
Inspraaknota conceptgeurverordening met geurgebiedsvisie ontwikkeling/schaalvergroting op die locatie niet meer mogelijk. 8G
De documenten die ter inzag zijn gelegd zijn moeilijk vindbaar en moeilijk raadpleegbaar. Alleen via de website van officiële bekendmakingen raadpleegbaar
De conceptstukken lagen 8 weken ter inzage en zijn bekendgemaakt via het Gemeenteblad, en kon inspraak geleverd worden. Dit is twee weken langer dan gebruikelijk. Omdat de feestdagen ertussen zaten en het een belangrijk onderwerp is heeft het college hiervoor gekozen. Aanvullend aan de inspraak is nog overleg gevoerd met enkele partijen om verdiepende vragen te kunnen beantwoorden of de conceptreactie op inspraak te bespreken.
9 9A
Van Buiten adviesbureau, namens VOF Geerts Agri, gevestigd op Bergsteeg 1, 5964 NJ te Meterik, De belangen van de veehouderij zijn onvoldoende meegenomen. Nu is er nog ontwikkelruimte, uitgaande van de huidige norm voor het buitengebied (14Ou). Bij de voorgenomen aanscherping van de geurnorm wordt de veehouderij beperkt in de ontwikkelingsmogelijkheden.
Het is inderdaad zo dat een aanscherping van de voorgrond geurnormen gevolgen kan hebben voor bedrijven die verder ontwikkelen. Dat is inherent aan de beleidskeuze om ten opzichte van de huidige situatie bij ontwikkeling van veehouderijen een zwaarder gewicht toe te kennen aan het beschermen en verbeteren van woon- en leefklimaat van omwonenden van veehouderijen. Tegelijkertijd betekent een aanscherping van de (voorgrond)norm niet dat die norm op korte termijn gehaald moet- of kan worden. Veel veehouders hebben in het verleden in goed vertrouwen geïnvesteerd in emissiearme stalsystemen en technieken die de uitstoot van ammoniak, geur en fijn stof beperken. Door tegenvallende prestaties in de praktijk zijn emissiefactoren voor geur naar boven bijgesteld. Dit heeft geleid tot normoverschrijdingen omdat de berekende geurbelasting nu anders is dan tijde van de vergunningverlening. Terwijl de toegepaste technieken juist gevraagd of vereist waren. Daar zal de gemeente rekening mee (moeten) houden. Ook met het feit dat op veehouderij-locaties waar alle stallen al zijn gemoderniseerd, de praktische en financiële mogelijkheden begrensd zijn om de overbelasting op te heffen.
Daarom wil de gemeente de mogelijkheid voor het toepassen van de 50% regeling blijven bieden voor de situaties waarin de voorgrond geurbelasting ligt tussen de voorgestelde aangescherpte norm en de huidige (standaard) wettelijke norm. Veehouderijen die de geurnorm overschrijden zullen bij ontwikkeling inspanningen moeten leveren om de geurbelasting op geurgevoelige objecten te verminderen. Dat kan door middel van
Inspraaknota conceptgeurverordening met geurgebiedsvisie inzet van emissie reducerende stallen en technieken zoals emissiearme stallen en luchtwassers, maar ook door het verplaatsen van het uitstroompunt, verhogen van de uitstroomhoogte en/of verhogen van de uitstroomsnelheid. Veel veehouderijen hebben op deze wijze nog mogelijkheden om de geurbelasting verder te verlagen en kunnen bij een overschrijding van de norm nog steeds ontwikkelen, maar zullen daarvoor de geurbelasting wel verder moeten beperken. Daar waar er geen mogelijkheden meer zijn om de geurbelasting te beperken en er wel sprake is van een overschrijding van de geurnorm, is verdere ontwikkeling/schaalvergroting op die locatie niet meer mogelijk. 9B 9C