08c Toelichting
Tekst van het document
Voor onderhavige planlocatie kan derhalve uitgegaan worden van een gemengd gebied, gezien de ligging aan een lintbebouwing in het buitengebied en een matige tot sterke functiemenging gezien de aanwezigheid van onder andere de functies wonen, agrarisch veehouderij, agrarisch grondgebonden, agrarisch glastuinbouw en diverse soorten bedrijvigheid. De milieuruimte van bestaande bedrijven in de omgeving van het plangebied is geïnventariseerd aan de hand van SBI-code en grootste bijbehorende VNG-afstand voor stof, geur, geluid en gevaar.
Bestemmingsplan “Steeg 70 en ongenummerd Sevenum”
23
Bedrijf
Adres
Timmerbedrijf Glastuinbouw
Steeg 65 Steeg 71
Intensieve veehouderij Agrarisch grondgebonden Agrarisch grondgebonden
Steeg 75 Steeg 76 Steeg 60
Richtafstand woonwijk’ Geur Stof
VNG
‘rustige
Geluid
Gevaar
162 011, 012, 013 0146
0 10
30 10
50 30
0 10
Werkelijke afstand in nieuwe situatie 24 100
200
30
50
0
185
011, 012, 013 011, 012, 013
10
10
30
10
170
10
10
30
10
300
SBI-2008
Onderzocht is of de richtafstanden van nabijgelegen bedrijven het bouwvlak in de beoogde situatie overlappen. Op basis van bovenstaande tabel blijkt dat enkel ten aanzien van het timmerbedrijf aan de Steeg 65 en de intensieve veehouderij aan de Steeg 75 niet voldaan kan worden aan alle richtafstanden. Vanwege de ligging in gemengd gebied mogen de afstanden in de tabel echter met een stap verkleind worden. Daarmee worden de richtafstanden voor het timmerbedrijf als volgt; geur 0 meter, stof 10 meter, geluid 30 meter en gevaar 0 meter. De richtafstanden voor de intensieve veehouderij worden dan; geur 100 meter, stof 10 meter, geluid 30 meter en gevaar 0 meter. Daarmee is enkel nog sprake van een overschrijding ten aanzien van de richtafstand voor het aspect geluid van het Timmerbedrijf aan de Steeg 65. De geluidproducerende activiteiten van het timmerbedrijf aan de Steeg 65 vinden plaats achter op het terrein (in / bij de loods, achter de woning Steeg 65). De afstand, van waar deze geluidproducerende activiteiten plaats kunnen vinden tot de bestaande burgerwoningen aan de noordelijke en noordoostelijke richting (Frankrijkweg 4 en 6), is kleiner dan de afstand tot de nieuwe woningen aan de Steeg.
Daarmee kan dus enerzijds gesteld worden dat het timmerbedrijf niet verder in haar ontwikkelmogelijkheden wordt beperkt, daar andere woningen eerder beperkend zijn voor dit bedrijf dan de nieuwe woningen, gezien de afstand. Anderzijds is ter plaatse van de omliggende bestaande woningen bij het timmerbedrijf sprake van een goed woon- en leefklimaat. Daar de afstand van de geluidproducerende activiteiten van het timmerbedrijf tot de nieuwe woningen groter is dan de afstand tot de bestaande woningen, mag verwacht worden dat ter plaatse van de nieuwe woningen ook een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden. Uitsluitend het wegrijden en het dichtslaan van portieren van personenauto’s/ busjes, welke voor aan de straat (Steeg) geparkeerd kunnen worden geparkeerd, vindt dichterbij de nieuwe woningen plaats, dan bij reeds bestaande omliggende burgerwoningen. Auto’s/ busjes op de openbare weg veroorzaken vergelijkbare geluiden en deze rijden op kortere afstand van de nieuwe woningen, dan de parkerende auto’s/busjes aan de overzijde van de weg. Dit betekent dus dat er sprake is van een redelijk tot goed woon- en leefklimaat. Er kan enerzijds gesteld worden dat ten aanzien van het aspect milieuzonering de andere bedrijven geen beperkingen opleveren voor onderhavig planvoornemen.
Anderzijds worden door onderhavig planvoornemen deze andere bedrijven niet in hun bedrijfsvoeringen c.q. activiteiten beperkt.
Bestemmingsplan “Steeg 70 en ongenummerd Sevenum”
24
5.2.6 Externe veiligheid Het algemene beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor (beperkte) kwetsbare objecten vanwege: het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichting), het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen) en het gebruik van luchthavens. Het beleid is onder andere verankerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichting (Revi) en verder uitgewerkt / toegelicht in o.a. de Handleiding Externe Veiligheid Inrichtingen en de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het beleid gebaseerd op de Nota Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (RNVGS). Op basis van deze nota geldt het Basisnet Vervoer voor zowel wegen, spoorlijnen als vaarwegen. Hiermee moet voorkomen worden dat zich externe veiligheidsknelpunten zullen gaan voordoen langs spoor- en waterwegen en het hoofdwegennet. Het transport van gevaarlijke stoffen middels buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dit besluit verplicht gemeenten en provincies om buisleidingen op te nemen in het bestemmingsplan, inclusief een belemmerende zone.
Het Bevb gaat niet uit van bebouwings-, veiligheids- of toetsingsafstanden, maar van grenswaarden voor plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor groepsrisico, vergelijkbaar met het Bevi. De opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik is gereguleerd in de circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Hierin worden veiligheidsafstanden gegeven ten opzichte van inrichtingen waar dergelijke stoffen opgeslagen worden. De gemeente is verplicht deze afstanden binnen het bestemmingsplan aan te houden. Dit geldt ook voor veiligheidsafstanden ten behoeve van de opslag van vuurwerk, welke in het Vuurwerkbesluit zijn vastgelegd. In het externe veiligheidsbeleid staan twee doelen centraal: de bescherming van individuen tegen de kans op overlijden als gevolg van een ongeluk en de bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een ramp met een groter aantal slachtoffers; respectievelijk het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico van een bepaalde activiteit is de kans per jaar op een bepaalde plaats, dat een continu daar aanwezig gedacht persoon die onbeschermd is, komt te overlijden als gevolg van een mogelijk ongeluk met die activiteit. Het groepsrisico is de kans per jaar dat in één keer een groep mensen van een bepaalde omvang komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Voor het groepsrisico is geen norm gesteld. Uit het vigerende beleid, zoals onder andere vastgelegd in het Bevi, geldt een verantwoordingsplicht. Plaatsgebonden risico Bij het inventariseren van de aanwezige risicobronnen in de omgeving van het plangebied is, tenzij anders vermeld, gebruik gemaakt van de risicokaart (www.risicokaart.nl). Volgens deze risicokaart liggen in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen. Wat dat betreft bestaan vanuit het aspect plaatsgebonden risico geen belemmeringen. Groepsrisico In dit geval geldt er geen verantwoordingsplicht in het kader van het groepsrisico. Uit artikel 8 lid 1 van het Bevt wordt namelijk gesteld dat geen verantwoording afgelegd hoeft te worden in het kader van het groepsrisico indien het plangebied op meer dan 200 meter van een risicovolle transportroute gelegen is. Dat is voor onderhavig initiatief het geval. De dichtstbijzijnde daarvoor aangemerkte route is namelijk de A67 op een afstand van circa 1,8 kilometer.
Bestemmingsplan “Steeg 70 en ongenummerd Sevenum”
25
5.2.7 M.e.r.-beoordeling Het besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is een algemene maatregel van bestuur. Het Besluit m.e.r. is essentieel om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit een m.e.r.(beoordelings)procedure moet worden doorlopen. Het besluit m.e.r. bestaat uit een hoofddeel en vier bijlagen. De vier bijlagen staan aangeduid als de onderdelen A, B, C en D: A. Onderdeel A bevat de omschrijving van diverse begrippen die in het Besluit m.e.r. genoemd worden; B. Onderdeel B is reeds vervallen; C. Onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r. verplicht is; D. Onderdeel D bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. beoordeling verplicht is. In onderdeel D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. In kolom 2 ‘gevallen’ staan drempelwaarden waar in kolom 1 benoemde activiteiten aan moeten voldoen. In het plangebied wordt een woning gebouwd. Het realiseren daarvan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen.
Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. Een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. Een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen bevat, of 3. Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r. kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om ‘bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan’. Aangezien in dit geval sprake is van een woning is er geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. In het Besluit me.r. is aangegeven dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. In feite zijn daarmee de geval definities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst) indicatief gemaakt. Dit betekent dat niet meer kan worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde ligt en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk is.
Onder de geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij de m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Gemeenten en provincies moeten nu dus ook bij kleinere bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Die beoordeling is vormvrij. Uit deze toelichting blijkt dat het plangebied niet is gelegen in een gevoelig gebied en geen negatieve effecten heeft op elders gelegen gevoelige gebieden. Er is geen risico op verontreiniging en de ontwikkeling leidt niet tot hinder voor omliggende functies. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/of technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Deze toelichting kan beschouwd worden als een vormvrije m.e.r. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Conclusie
Bestemmingsplan “Steeg 70 en ongenummerd Sevenum”
26
1. De bouw van twee woningen komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; 2. De activiteit (bouw van een woning) valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er geldt echter geen m.e.r.-beoordelingsplicht omdat de in kolom 2 bij deze categorie genoemde ‘drempelwaarden’ niet worden overschreden; 3. Omdat de activiteiten wel worden genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, dient in beginsel voor dit plan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd; 4. Uit onderhavige toelichting blijkt dat de activiteiten op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu leiden en dus geen aanleiding vormen om op grond hiervan alsnog een m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Kortom, voor de ontwikkeling van de nieuwe woning bestaan er vanuit dit kader geen belemmeringen. 5.2.7 Spuitzone In een ruimtelijk plan dient te worden beoordeeld of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient ook rekening gehouden te worden met spuitzones ten behoeve van het gebruik van bestrijdingsmiddelen.
Hoewel er voor het gebruik en de introductie van bestrijdingsmiddelen diverse wetten, besluiten en regels van toepassing zijn, zijn er geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt en nabijgelegen gevoelige functies, waaronder woningen. In de praktijk is een vuistregel ontstaan die aangeeft dat er ten minste een afstand van 50 meter tussen een gevoelige functie en agrarische bedrijvigheid in de fruitsector, de boomteelt en de glastuinbouw in acht moet worden genomen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State acht het niet onredelijk dat als vuistregel wordt gehanteerd dat tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid in de fruitsector, de boomteelt en de glastuinbouw in het algemeen een afstand van 50 meter dient te worden aangehouden in verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Bij deze afstand wordt er enerzijds van uitgegaan dat de bedrijfsvoering van de kweker niet wordt belemmerd, en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor een goed woonen leefklimaat. Een keuze voor een kortere afstand kan volgens de Afdeling in een concreet geval redelijk zijn. Daaraan dient dan wel een deugdelijke belangenafweging en motivering ten grondslag te liggen.
Het meest dichtbij gelegen perceel met een agrarische bestemming waarop gewasbeschermingsmiddelen zouden kunnen worden toegepast ligt op een afstand van ca. 20 meter van de achtergevel van de nieuw te realiseren woning aan de Steeg. Voor de bestaande woning is in de huidige situatie sprake van een afstand van circa 10 meter. Deze afstand neemt door het oprichten van de nieuwe woning toe tot ongeveer 38 meter. Het betreffende perceel landbouwgrond is al jarenlang in gebruik ten behoeve van akkerland / vollegrondsteelten. Op basis van de volgende argumenten is een kortere afstand dan genoemde 50 meter te rechtvaardigen: • De achterliggende gronden zijn al jarenlang in gebruik als akkerland / vollegrondsteelt van gewassen. Bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op dergelijke gronden is, anders dan in de bomenen fruitteelt nauwelijks sprake van een spuitnevel. Zie hiervoor ook de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2342); • Ander gebruik van de achterliggende akker dan akkerland voor de vollegrondsteelt is onwaarschijnlijk. De akker heeft in het bestemmingsplan de gebiedsaanduiding “overige zone – velden”. Het betreft een oud akkercomplex. In het bestemmingsplan is geregeld dat deze gebieden open dienen te blijven.
Bestemmingsplan “Steeg 70 en ongenummerd Sevenum”
27
•
•
•
Voor het gebruik van deze gronden ten behoeve van de bomen- en fruitteelt (waarin meer gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt) is op grond van de planregels dan ook een omgevingsvergunning noodzakelijk. Gelet op de gewenste openheid van dit waardevolle gebied zal een dergelijke vergunning niet verleend worden. In dit geval wordt ook verwezen naar bovengenoemde uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2016; In verband met de mogelijke verwaaiing van spuitvloeistof is de overheersende windrichting tevens van belang. De meest voorkomende windrichting in Nederland is de wind uit zuidwestelijke richting. De wind waait daarmee overwegend van de nieuw te bouwen woning af; In 2014 is door de Gezondheidsraad het onderzoek ‘Gewasbescherming en omwonenden’ gepubliceerd. Daarin wordt gesteld dat langs watergangen een smalle spuitvrije zone geldt en dat daarmee eveneens de invoering van een vrije zone langs scholen en woonhuizen e.d. voor de hand ligt. LTO Nederland heeft dit onderschreven en acht bij vollegrondteelt middels een veldspuit een afstand van 1,5 meter redelijk. Aan deze afstandseis wordt in dit geval ruimschoots voldaan; Sinds 1 januari 2018 is een wijziging van het Activiteitenbesluit doorgevoerd waardoor voor open teelten een driftreductie van tenminste 75% dient te worden gerealiseerd. Hier dient op de achterliggende akkers rekening mee gehouden te worden.
Gelet op bovenstaande argumenten kan gemotiveerd van de afstandsmaat van 50 meter worden afgeweken en kan worden geconcludeerd dat voor dit onderdeel sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 5.2.7 Gezondheid In de onderhavige situatie is sprake van een nieuw te bouwen woning aan de Steeg en het wijgien van een bestaande bedrijfswoning naar een woonbestemming. De beoogde aanpassing van de vigerende agrarische gebiedsbestemming naar wonen heeft geen invloed op de endotoxine belasting. Horst aan de Maas kent 3 veehouderijbedrijven waar geiten worden gehouden. Het meest dichtbij gelegen geitenhouderijbedrijf aan de Losbaan 42-44 in Lottum ligt op ruim 6,5 km afstand van de locatie aan de Steeg. In het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III, longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 2014-2016’ van september 2018, wordt een correlatie bevestigd tussen het wonen in de nabijheid van 37 geitenhouderijen en een verhoogd risico op longontsteking. Om dit risico per direct te beperken voor de inwoners van Limburg is er door de provincie Limburg voor gekozen om hiervoor rechtstreeks werkende regels in de Omgevingsverordening te stellen. Uit bovengenoemd onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 km rondom geitenhouderijen wonen een grotere kans hebben op een longontsteking.
Wat deze toename veroorzaakt is nog onduidelijk. Er loopt onderzoek naar de oorzaken van de longontstekingen. Uitkomsten worden nog verwacht. Aangezien de planlocatie op ruim 6,5 km van een geitenhouderijbedrijf is gelegen vormt het aspect gezondheid geen belemmering voor de voorgestelde bestemmingswijziging.
5.3 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem.
Bestemmingsplan “Steeg 70 en ongenummerd Sevenum”
28
Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Horst aan de Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.3.1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. De meest relevante beleidsstukken zijn hieronder verder toegelicht. Het waterbeleid in het POL2014 sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan.
Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur; ▪ schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. De waterkundige waarden zijn in het POL2014 weergegeven op de kaarten ‘Regionaal Water’ en ‘Ondergrond’. Conform de kaart ‘Regionaal water’ zijn geen bijzondere waarden aanwezig ter plaatse van het plangebied. Conform de kaart ‘Ondergrond’ ligt het plangebied in een grondwaterlichaam zonder verdere bijzonderheden. 5.3.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater De bodem in het plangebied is tamelijk vlak. De maaiveldhoogte varieert tussen 28,8 en 29,2 meter +NAP. De originele bodem bestaat volgens de digitale bodemkaart van Nederland uit een hoge zwarte enkeerdgrond, die voornamelijk is opgebouwd uit lemig fijn zand.
Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt het plangebied een redelijke bodemdoorlatendheid te hebben van 0,45 tot 0,75 m/dag. Ter plaatse van het plangebied bedraagt de grondwatertrap VI. De hoogste grondwaterstand bevindt zich op 40-80 centimeter beneden maaiveld, de laagste grondwaterstand bevindt zich op meer dan 120 centimeter beneden maaiveld. Oppervlaktewater In en in de directe nabijheid van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Afvalwater / riolering Het vuilwater is/wordt aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem.
Bestemmingsplan “Steeg 70 en ongenummerd Sevenum”
29
Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied. 5.3.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Dit bestemmingplan heeft tot doel een agrarische bedrijfsbestemming te wijzigen in een woonbestemming. Daarnaast wordt de mogelijkheid voor de bouw van een extra woning gerealiseerd. Iedere toename van verhard oppervlak dient zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden. Het waterschap hanteert hiervoor vuistregels waarmee op basis van de toename van verharding een wateropgave kan worden bepaald. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra bebouwd oppervlak en / of verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem. Bij de laatste optie mag de bestaande landbouwkundige afvoernorm van 1 l/s/ha niet worden overschreden. Bij een hydrologisch neutrale ontwikkeling wordt dus geborgd dat extra afvloeiend hemelwater niet wordt afgewenteld op de omgeving. Daarnaast is het van belang dat bestaande waterhuishoudkundige functies niet mogen worden geschaad of beperkt. Eveneens mag, als gevolg van een ontwikkeling, geen sprake zijn van een structurele verlaging van de grondwaterstand.
Ten aanzien van de bestaande bedrijfswoning met bijgebouwen geldt dat hier het verhard (dak)oppervlak niet toeneemt. Voor dit deel van het plangebied is het planvoornemen vanuit waterhuishoudkundig oogpunt niet relevant. Ten aanzien van de nieuwe woning geldt het hemelwater op eigen perceel zal moeten kunnen infiltreren. De nieuwe erfverharding zal aangelegd worden onder afschot of als halfverharding, het water dat op deze (half)verharding valt loopt automatisch uit op de naastgelegen gronden en kan aldaar infiltreren. De nieuwe woning en bijgebouwen zullen een gezamenlijke oppervlakte krijgen van circa 300 m2. In totaal dient de voorziening een capaciteit te hebben zodat een bui van T=100 (100 mm) op eigen terrein opgevangen kan worden. Bij een oppervlakte van de nieuwe woning en bijgebouwen van circa 300 m2 dient de opvang een minimale inhoud van 30 m3 te hebben. De gemiddeld hoogste grondwaterstand bevindt zich op circa 0,8 tot 1,2 meter beneden maaiveld volgens de GHG kaart van het Nieuw Limburgs Peil. Voor de diepte van de infiltratievoorziening wordt derhalve uitgegaan van een gemiddelde effectieve diepte van 1,0 meter benden maaiveld. De infiltratievoorziening zal aangelegd worden in de vorm van een infiltratiekoffer, welke gevuld wordt met grind.
Het hemelwater dat op de nieuwe daken valt, wordt naar de infiltratiekoffer geleid en kan van daaruit ter plaatse infiltreren. Bij een infiltratiekoffer kan per m3 inhoud effectief 0,5 m3 water opgevangen worden. Bij een gemiddelde effectieve diepte van 1,0 meter beneden maaiveld dient de infiltratiekoffer dus een minimale oppervlakte van 60 m2 te hebben. Daarvoor is binnen het plangebied van de nieuw beoogde woning ruim voldoende ruimte. Bij de bouw van de woning en de verdere inrichting van de omliggende tuin zal een definitieve locatie voor deze infiltratiekoffer gekozen worden. Daarmee wordt voldaan aan de eisen en normen van het Waterschap Limburg. De gemeente Horst aan de Maas streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Van de initiatiefnemer wordt verwacht, voor zover relevant, geen gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen. Concluderend kan gesteld worden dat door de ontwikkeling geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding.
Bestemmingsplan “Steeg 70 en ongenummerd Sevenum”
30
5.4 Kabels en leidingen Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de directe nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.
5.5 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wn). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. Flora en fauna Bij elke ontwikkeling dienen de effecten van de beoogde ontwikkelingen op het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten onderzocht te worden. Derhalve is voor onderhavig planvoornemen een quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie bijlage 5. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat door onderhavig planvoornemen geen verblijfs- en/of broedmogelijkheden van beschermde soorten verloren gaan. Verder zijn de afstanden tot ecologische verbindingszones en waardevolle natuurgebieden voldoende groot om te kunnen stellen dat de ontwikkelingen in het plangebied geen negatieve invloed zullen hebben op deze gebieden. Bij de werkzaamheden dient niettemin aandacht te worden besteed aan eventuele verstoring van natuurwaarden in het algemeen. Door extra zorg hieraan te besteden tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden, wordt vermeden dat de dieren hiervan teveel hinder zullen ondervinden. Op grond van de inventarisatie gelden er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden.
Natura2000 Binnen een straal van 10 km rondom het plangebied is alleen de Deurnsche Peel & Mariapeel gelegen op een afstand van ongeveer 5,4 kilometer. De Wet natuurbescherming voorziet in een verplichte ecologische Natura2000-toets voor alle ruimtelijke plannen. De wet verplicht om de gevolgen van een ontwikkeling voor het van toepassing zijnde Natura2000gebied te boordelen. Gezien de forse onderlinge afstand heeft onderhavig planvoornemen geen directe nadelige gevolgen (bijvoorbeeld door oppervlakteverlies, verstoring door licht, etc.) voor de Natura2000gebieden. Wel kan realisatie van het planvoornemen schadelijke effecten veroorzaken in de vorm van stikstofdepositie. Het planvoornemen kan opgesplitst worden in de aanlegfase en de gebruiksfase. Ten aanzien van de aanlegfase geldt dat sinds inwerkingtreding van de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering bouw- en sloopactiviteiten vrijgesteld zijn, in het kort de bouwvrijstelling. Dit betekent dat voor het aspect stikstof alleen nog de neerslag (depositie) in de gebruiksfase een rol speelt. Ten aanzien van de gebruiksfase worden in de ‘Handreiking woningbouw en AERIUS’ indicaties en aandachtspunten gegeven om de mogelijke stikstofdepositie van woningbouw in kaart te brengen.
Uit de tabel ‘Indicatieve depositie (mol/ha/jaar) als functie van de afstand tussen de woningen en het natuurgebied’ behorende bij deze handreiking blijkt dat bij het gebruik van 50 woningen op een afstand van 5 kilometer de
Bestemmingsplan “Steeg 70 en ongenummerd Sevenum”
31
indicatieve depositie op Natura2000-gebieden 0,00 mol per hectare per jaar bedraagt. Onderhavig initiatief behelst het gebruik van 2 woningen (waarvan 1 reeds bestaand) op een afstand van meer dan 5 kilometer afstand van Natura2000-gebieden. Als het gebruik van 50 woningen niet tot een indicatieve depositie leidt, dan kan gesteld worden dat dit voor het gebruik van 2 woningen zeker niet geldt. Een verder onderzoek naar de eventuele stikstofdepositie ter plaatse van Natura2000-gebieden is dan ook niet aan de orde. Conclusie Het aspect natuur vormt geen beperking voor onderhavig initiatief.
5.6 Archeologie en cultuurhistorie 5.6.1 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het POL2014 is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen. Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in het POL2014 is weergegeven, is gestoeld op de Nota Belvédère. Het POL2014 schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen. Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ liggen er binnen of in de directe nabijheid van het plangebied geen cultuurhistorische waarden. Met de ontwikkeling gaan derhalve geen cultuurhistorische waarden verloren. 5.6.2 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem.
Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Horst aan de Maas heeft voor haar grondgebied een Archeologische Maatregelenkaart ontwikkeld welke op 26 mei 2015 is vastgesteld. Conform deze kaart is het plangebied overwegend gelegen in een gebied van archeologische waarde. In gebieden van archeologische waarde geldt een onderzoeksverplichting indien een gebied van meer dan 100 m2 dieper dan 30 centimeter geroerd wordt. Ten aanzien van de functiewijziging van de huidige bedrijfswoning naar een burgerwoning bestaan geen beperkingen vanuit archeologie daar hier geen bouw- en/of sloopactiviteiten plaatsvinden. De woning met bijgebouwen blijven onveranderd in stand. Ten aanzien van de nieuwe woning geldt dat de genoemde ondergrenzen wel overschreden worden. Derhalve is een archeologisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 6. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat op basis van het bureauonderzoek zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de ligging van het plangebied op een dekzandrug de kans daarop. Daarom is er aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd.
Bestemmingsplan “Steeg 70 en ongenummerd Sevenum”
32
Op basis van de waargenomen (lichte) bodemverstoringen en de aanwezigheid van bebouwing op een deel van het plangebied welke teruggaat tot in ieder geval de 19e eeuw, kan de gespecificeerde archeologische verwachting worden bijgesteld naar laag voor archeologische waarden uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum en middelhoog voor archeologische waarden uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Op basis van het behoud van een deels middelhoge trefkans blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn. Indien zich inderdaad archeologische waarden binnen het plangebied bevinden, bevinden deze zich in ieder geval onder het verstoord pakket grond bestaande uit de bouwvoor/eerddek en een 10-50 cm dik verstoord pakket. De top van de onverstoorde dekzandafzettingen, met daarin de eventuele aanwezige archeologische waarden, bevindt zich op 50-70 cm beneden maaiveld. Ter plaatse van de nieuw beoogde woning bevindt deze top zich op 60-70 centimeter beneden maaiveld. Het peil van de grond ter plaatse van de beoogde tweede woning bevindt zich nu op circa 10 centimeter beneden het peil van de Steeg. Omliggende woningen liggen qua peil allemaal op een hoogte van circa 10-30 centimeter boven het peil van de Steeg. Initiatiefnemer wil qua peil van de woning graag aansluiten bij omliggende woningen om te voorkomen dat hij de woning in een ‘gat’ bouwt.
Daarvoor zal het peil opgehoogd worden tot circa 20 centimeter boven het peil van de Steeg. Daarmee komt de onverstoorde dekzandafzetting te liggen op een afstand van circa 90-100 centimeter beneden maaiveld. De fundering van de woning is beoogd op een diepte van circa 50-70 centimeter beneden (nieuw) maaiveld. Daarmee wordt de onverstoorde dekzandafzetting dan ook niet verstoord. Bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning ‘bouwen’ kan en zal hier op worden toegezien. Om dit te borgen zullen de huidige dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ gehandhaafd worden. Indien toch noodzakelijk zal tijdens de procedure voor de omgevingsvergunning alsnog een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd worden.
Afbeelding 9. Uitsnede archeologische waardenkaart
Bestemmingsplan “Steeg 70 en ongenummerd Sevenum”
33
Het aspect archeologie vormt derhalve vooralsnog geen beperking voor onderhavig initiatief.
5.8 Verkeer en parkeren Het plangebied is en blijft ontsloten via de Steeg. Ten behoeve van de tweede woning zal gebruik worden gemaakt van dezelfde ontsluiting als de bestaande woning, of er wordt gebruik gemaakt van de huidige ontsluiting van het landbouwperceel welke reeds aanwezig is. Er hoeven dus geen nieuwe ontsluitingen gerealiseerd te worden. Via de Steeg is het plangebied uitstekend bereikbaar. Parkeren geschiedt volledig op eigen terrein. Daarvoor is meer dan voldoende ruimte aanwezig. Op basis van de Nota parkeernormen van de gemeente Horst aan de Maas geldt voor een woning een eis van (uitgaande van gebied buiten bebouwde kom) 2 parkeerplaatsen per woning. Dat betekent dat voor beide woningen minimaal 2 parkeerplaatsen aanwezig dienen te zijn. Hieraan zal initiatiefnemer zich conformeren.
Bestemmingsplan “Steeg 70 en ongenummerd Sevenum”
34
6 UITVOERBAARHEID
6.1 Economische uitvoerbaarheid De kosten verbonden aan het bestemmingsplan zijn geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Afspraken tussen gemeente en initiatiefnemer over ambtelijke apparaatskosten, planschade en landschappelijke inpassing, zijn vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Voor de gemeente Horst aan de Maas zal het initiatief kostenneutraal verlopen.
6.2 Handhaving Sinds 1 april 2005 werkt de gemeente Horst aan de Maas samen met de gemeente Venray als het gaat om handhaving. Onder deze samenwerking valt niet alleen de uitvoering, maar ook alle juridische, administratieve en beleidsmatige ondersteuning. In 2012 is het eerste integraal handhavingsbeleid in werking getreden. Inmiddels is het Beleidsplan VTH Horst aan de Maas 2017-2020 in werking getreden. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: de gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid, waarbij preventief belang voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijk handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient. In dit integrale handhavingsbeleid is één van de speerpunten hoe in de economische situatie van de afgelopen jaren met minder middelen net zo veel of meer aan handhaving gedaan kan worden.
In dit kader zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: 1. appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid; 2. preventie gaat boven repressie; 3. draagvlak creëren; 4. servicegericht handelen, en 5. alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen. 1. “Appelleren aan eigen verantwoordelijkheid” wil zeggen dat de verantwoordelijkheid bij de burgers, bedrijven en instellingen terecht komt, dit is ten slotte ook waar hij thuishoort. Dit vergt wel een bepaald vertrouwen van de gemeente over de burgers, bedrijven en instellingen binnen hun gemeente. Wordt dit vertrouwen geschaad dan treedt de gemeente consequent hard op. Er kan nu meer op risicogroepen of zwakke schakels ingezet worden, de capaciteit van de handhaving is dus beter in te delen en kan efficiënter gebruikt worden. 2. ''Preventie gaat boven repressie'' wil zeggen dat meer aandacht besteedt wordt aan het voorkomen van overtredingen dan het aanpakken van bestaande overtredingen. Hierdoor hoeven er niet zoveel tijdrovende en geldverslindende, bestuursrechtelijke procedures doorlopen te worden. Er wordt dus met zo min mogelijk inzet zoveel mogelijk resultaat behaald. 3. Verder is “draagvlak creëren” een van de uitgangspunten. Dit houdt in dat er duidelijk over handhaving wordt gecommuniceerd en dat er ook daadwerkelijk gedaan wordt wat er gezegd wordt. Belangrijk is ook
Bestemmingsplan “Steeg 70 en ongenummerd Sevenum”
35
om dingen die spelen bij burgers, ondernemers, instellingen, scholen en verenigingen mee te nemen in het uitvoeringsprogramma en dat rechtsgelijkheid wordt nagestreefd. 4. Het vierde uitgangspunt is “servicegericht handelen”. Dit houdt in dat de overheid zich dienstbaar opstelt. De gemeente denkt mee en speelt in op ongewenste situaties. Ook is de gemeente 24 uur per dag bereikbaar. Zo wordt een gevoel van veiligheid en een leefbare omgeving gecreëerd. Er is dus meer aandacht nodig voor de aanpak van overlastfeiten in de openbare ruimte. 5. Het laatste uitgangspunt is “alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen”. Er worden dus alleen besluiten genomen en regels ingesteld die ook daadwerkelijk handhaafbaar zijn. Overbodige regels worden geschrapt om alles overzichtelijk te houden en er wordt zorg gedragen voor voldoende deskundige capaciteit, op deze manier kan gedogen geminimaliseerd worden. Bij handhaving staat de nalevingsstrategie centraal. Hierin is opgenomen welke activiteiten worden ondernomen om te komen tot naleving van de regels. De nalevingsstrategie kan op zijn beurt worden onderverdeeld in de volgende strategieën: 1. preventiestrategie; 2. toezichtstrategie; 3. sanctiestrategie, en 4. gedoogstrategie. Vaak wordt er gekozen voor een combinatie van deze strategieën om het resultaat te vergroten.
Bij deze strategieën passen verschillende handhavingsinstrumenten. Onder de preventieve handhavingsinstrumenten vallen onder andere deregulering, kritisch zijn op het formuleren van regels, handhaafbaarheid van de regels en communicatie en voorlichting. De regels moeten bekend zijn bij de doelgroep, er dient dus duidelijk gecommuniceerd te worden over handhavingsactiviteiten en de gemeentelijke prioriteiten. Naast de preventieve handhavingsinstrumenten zijn er ook nog de repressieve handhavingsinstrumenten. Dit zijn onder andere het betalen van een dwangsom, bestuursdwang en intrekking van begunstigde beschikking. Bij een dwangsom wordt er een geldbedrag per overtreding of tijdseenheid dat de overtreding voortduurt betaald aan de gemeente. Bestuursdwang houdt in dat een overtreding op kosten van de overtreder ongedaan gemaakt wordt. Als laatste kan een begunstigde beschikking worden ingetrokken, op deze manier wordt een activiteit juridisch onmogelijk gemaakt. Het kan hierbij ook gaan om een gedeeltelijke ontheffing. Vaak volgt op het intrekken van een begunstigde beschikking nog het opleggen van een dwangsom of bestuursdwang. Naast bestuursrechtelijk aanpakken van overtreders kan het soms ook de voorkeur hebben om een overtreder strafrechtelijk aan te pakken.
Op deze manier kunnen de vaak langdurende juridische procedures die gemoeid zijn met de bestuursrechtelijk aanpak ontlopen worden. Bij strafrechtelijke aanpak moet gedacht worden aan bestuurlijke strafbeschikking en een proces-verbaal. Wanneer er een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente is aangegaan kan ook voor de privaatrechtelijke worden gekozen. Hierbij gaat, wanneer het mogelijk is, de bestuursrechtelijke aanpak wel voor. Ten slotte kan er voor een gedoogbeschikking gekozen worden. Dit gebeurt uitsluitend voor gevallen die veroorzaakt zijn door onvoorziene omstandigheden of overgangssituaties.
6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de
Bestemmingsplan “Steeg 70 en ongenummerd Sevenum”
36
gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit geeft aan dat het college van Burgemeester van Wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg dienen te plegen met betrokken instanties. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 14 april 2022 voor een periode van 6 weken voor eenieder ter inzage gelegen. Er zijn tegen het ontwerpbestemmingsplan geen zienswijzen ingediend. Omgevingsdialoog Onderhavig planvoornemen is door initiatiefnemer voorgelegd aan en besproken met de direct omwonenden aan de Steeg 65, 66, 67 en 72 en de Frankrijkweg 4.
6.4 Procedure De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: ▪ Vooroverleg met betrokken instanties; ▪ Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; ▪ Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; ▪ Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; ▪ Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; ▪ Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; ▪ Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; ▪ Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij
de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Bestemmingsplan “Steeg 70 en ongenummerd Sevenum”
37
7 JURIDISCHE TOELICHTING 7.1 Planstukken In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied in dit bestemmingsplan juridisch is vertaald. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van het bestemmingsvlak. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het planvoornemen.
7.2 Toelichting op de verbeelding Op de verbeelding is het nieuwe bouwvlak weergegeven en zijn de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Agrarisch’ aan het plangebied toegekend. Alle overige dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen zoals die in het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” gelden voor het plangebied zijn eveneens overgenomen op de verbeelding.
7.3 Toelichting op de regels De regels zijn standaard als volgt opgebouwd: − Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en een bepaling over de wijze van meten; deze worden opsommingsgewijs in alfabetische volgorde gegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels. − Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen. − Hoofdstuk 3 bevat enkele algemene regels, zoals de antidubbeltelbepaling, de procedurebepaling en algemene regels ten aanzien van omgevingsvergunningen. − Hoofdstuk 4 tenslotte bevat het overgangsrecht en de slotregels met daarin de titel van het bestemmingsplan. De bestemmingen vangen steeds aan met de bestemmingsbenaming. Daarna wordt in de bestemmingsomschrijving weergegeven voor welke doeleinden de betreffende gronden bestemd zijn. Vervolgens wordt in de bouwregels aangegeven welke bouwwerken bij recht mogen worden opgericht en welke situerings- en maatvoeringseisen hiervoor gelden. In sommige bestemmingen wordt bovendien nader ingegaan op de toegestane voorzieningen. Vervolgens is een gebruiksbepaling opgenomen waarin wordt aangegeven dat gronden en opstallen niet in strijd met de bestemming mogen worden gebruikt. Voor de duidelijkheid is een aantal situaties aangegeven die in ieder geval in strijd met de bestemming worden geacht.
Om bepaalde ontwikkelingen te sturen, respectievelijk in de hand te houden, is bij sommige bestemmingen tevens gekozen voor het opnemen van omgevingsvergunnings- en wijzigingsbepalingen. Na het doorlopen van een in het bestemmingsplan nader uiteengezette procedure, kan aan deze ‘flexibliteitsbepalingen’ medewerking worden verleend.
Bestemmingsplan “Steeg 70 en ongenummerd Sevenum”
38