CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

07c Toelichting Goenjeweg 6 Sevenum

Gemeenteraad 9 september 2025, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: BIJLAGEN TAM Omgevingsplan Goenjeweg 6 te Sevenum15.122 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.1.5.3

Groepsrisico Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico verantwoord te worden. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloed gebied van een risicobron of transportroute is gelegen. De locatie is gelegen binnen het invloedsgebied van de A67. Echter, er geen is sprake van een ontwikkeling van een (beperkt kwetsbaar object. Het betreft een paardenfokkerij, waarbij reeds een bedrijfswoning is toegestaan. Een nadere analyse is niet noodzakelijk. Conclusie Externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor het bestemmingsplan. Ten aanzien van het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen.

4.1.6

Bodem Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum

28

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Doorwerking projectgebied Bij functiewijzigingen is in de planologische procedure van belang dat de beoogde functiewijziging plaats kan vinden op een locatie waar de milieuhygiënische bodemgesteldheid dit toelaat. De Woningwet staat niet toe dat er gebouwd wordt op verontreinigde grond. Vooraf dient nagegaan te worden of er aanwijzingen zijn voor de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging op de bouwlocatie. Doordat de mens al vele eeuwen gebruikt maakt van de bodem heeft hij overal sporen achtergelaten.

Deze sporen zijn terug te zien in het landschap en terug te vinden op en in de bodem. Om te zorgen dat dit ook in de toekomst mogelijk blijft, is een duurzaam beheer van de bodem belangrijk. Bescherming van de bodem betekent bovendien het voorkomen dat de schone grond verontreinigd raakt en het rekening houden met de eigenschappen van de bodem. Door bodemsanering wordt

Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum

29

de ernstige chemische verontreiniging van de bodem aangepakt. Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is om inzichtelijk te maken of de bodem geschikt is voor de geplande bestemming en of er sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak met financiële consequenties. Op de locatie worden nieuwe gevoelige functies gerealiseerd. Momenteel is hier een varkenshouderij aanwezig waarbij in potentie bodembedreigende activiteiten kunnen hebben plaatsgevonden. Ook zal het grootste gedeelte van de bedrijfsgebouwen gesloopt worden. Om aan te kunnen tonen dat de bodemkwaliteit voldoende is voor de nieuwe functies is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd als bijlage. Concluderend komt daaruit naar voren: Vooronderzoek NEN5725 Uit het verrichte vooronderzoek zijn (voormalige) potentiële bronnen vastgesteld die bodemverontreiniging tot gevolg kunnen hebben. Het betreft de voormalige opslag van afgewerkte olie in een lekbak in loods 1 en een voormalige bovengrondse dieseltank in loods 2. In het kader van beëindiging van bedrijfsactiviteiten worden deze beschouwd als verdachte locatie met een plaatse bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP).

De overige locatie wordt, met het oog op voormalige bedrijfsactiviteiten en sloopactiviteiten, beschouwd als verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming (VED-HE). De loods (1) is voorzien van asbesthoudende dakplaten met goten en hemelwaterafvoer, er is geen sprake van verdachte druppelzones. In de periode 1985-1996 is sprake geweest van enkele sheds met asbestdaken zonder goot. Door verbouwingen en roeren van de bodem door de jaren heen en door recente sloopactiviteiten is de bodem dermate geroerd dat de druppelzones uit die periode niet meer aanwezig zijn. De omheining van het terrein bestond deels (40 strekkende meter) uit ingegraven asbesthoudende golfplaten. Bij recente herinrichting van het terrein is de grond dermate geroerd dat dit deel niet meer herkenbaar aanwezig is. Asbestonderzoek wordt niet zinvol geacht. De overige bodem binnen de onderzoekslocatie wordt op basis van het vooronderzoek en de terreinverkenning niet als asbestverdacht beschouwd. Vanuit de directe omgeving wordt geen beïnvloeding verwacht op de bodemkwaliteit. In de regio worden gehalten aan zware metalen in het grondwater aangetoond. Deze kunnen als regionaal verhoogd worden beschouwd.

Bodemonderzoek verdachte deellocaties NEN5740 Zintuiglijke waarnemingen verkennend bodemonderzoek Tijdens het verrichten van veldwerk zijn geen bijzonderheden aangetroffen in de bodem die duiden op bodemverontreiniging zoals een olie-waterreactie of passieve geurwaarneming. Analyseresultaten (meng-)monsters

Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum

30

In monster BG1, samengesteld uit visueel schone bovengrond ter plaatse van de voormalige bovengrondse dieseltank, is geen gehaltes aan minerale olie aangetoond boven de achtergrondwaarde. In monsters BG2 en BG2a, samengesteld uit visueel schone bovengrond ter plaatse van de olieopslag, zijn geen gehaltes aan minerale olie en PAK aangetoond boven de achtergrondwaarden. Analyseresultaten grondwater In het grondwater ter plaatse van peilbuis 1, gesitueerd ter plaatse van de voormalige bovengrondse dieseltank, is geen gehalte aan minerale olie gemeten boven de streefwaarde. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 3, gesitueerd ter plaatse van de olieopslag zijn geen gehaltes aan minerale olie en PAK gemeten boven de streefwaarde. Conclusie De aanwezigheid van de voormalige bovengrondse dieseltank en de olieopslag hebben niet geleid tot verhoogde gehaltes aan minerale olie en PAK in vaste bodem of grondwater. Bodemonderzoek overig terrein NEN5740 Zintuiglijke waarnemingen verkennend bodemonderzoek Tijdens het verrichte veldwerk zijn geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen in de opgeboorde grond bij de meetpunten. Analyseresultaten (meng-)monsters In mengmonsters BG3, BG4 en BG7, samengesteld uit visueel schone bovengrond, zijn geen gehaltes aan onderzochte stoffen aangetoond boven de achtergrondwaarden.

In mengmonster BG5, samengesteld uit visueel schone bovengrond, is een gehalte aan koper aangetoond boven de achtergrondwaarde. In mengmonster BG6, samengesteld uit visueel schone bovengrond, is een gehalte aan lood aangetoond boven de achtergrondwaarde. In mengmonsters OG1 en OG2, samengesteld uit visueel schone ondergrond, zijn geen gehaltes aan onderzochte stoffen aangetoond boven de achtergrondwaarden. In mengmonster OG3, samengesteld uit visueel schone ondergrond, is een gehalte aan minerale olie aangetoond boven de achtergrondwaarde. De gehaltes aan koper (BG5) en lood (BG6) in de bovengrond en het gehalte aan minerale olie in de ondergrond (OG3) zijn gerelateerd aan het gebruik van de locatie door de jaren heen. De aangetoonde licht verhoogde concentraties vormen geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. Analyseresultaten grondwater In het grondwater ter plaatse van peilbuizen 1, 2 en 3 zijn gehaltes aan zware metalen gemeten boven de streefwaarden. Ter plaatse van peilbuis 2 zijn gehaltes aan

Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum

31

nikkel en cadmium boven tussenwaarde en een gehalte aan zink boven interventiewaarde gemeten. Ter plaatse van peilbuis 3 is een gehalte aan zink boven tussenwaarde gemeten. De aangetoonde gehaltes aan zware metalen kunnen als regionaal verhoogd worden beschouwd. De lagere zuurtegraad van het grondwater in peilbuis 2 en in mindere mate peilbuis 3 gaan gepaard met hogere concentraties aan zware metalen. De gehaltes aan nikkel, cadmium en zink in het grondwater ter plaatse van peilbuis 2 en het gehalte aan zink in het grondwater ter plaatse van peilbuis 3 vormen formeel aanleiding voor nader onderzoek. In de regio worden vaker hoge gehaltes aan zware metalen aangetoond in grondwater op onverdachte locaties. Deze gehaltes worden als natuurlijk verhoogd beschouwd als gevolg van processen in de bodem rond breuklijnen. Conclusie In het grondwater ter plaatse van peilbuizen 2 en 3 zijn gehaltes aan zware metalen aangetoond die formeel aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader bodemonderzoek. Nader onderzoek naar de gehaltes aan zware metalen in het grondwater wordt echter niet zinvol geacht. De overige resultaten van het onderzoek stemmen overeen met de gestelde hypothese. Advies De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de beoogde bestemmingswijziging.

Hiermee kan worden gesteld dat de bodemgesteldheid ter plaatse de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging niet in de weg zal staan.

4.2

NATUUR Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele ecologische waarden in of nabij het projectgebied. De voorgenomen ontwikkelingen mogen geen negatieve effecten hebben op de aanwezige beschermde soorten zoals aangewezen in de Wet natuurbescherming. Indien hiervan sprake is moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Tevens mogen de ontwikkelingen geen negatieve effecten hebben op aangewezen gebieden zoals Natura 2000-gebieden. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming.

4.2.1

Gebiedsbescherming In Nederland is gebiedsbescherming geregeld middels de Wet natuurbescherming, waarin alle gebiedsbeschermende internationale afspraken en richtlijnen zijn geïmplementeerd. Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van Natura 2000-gebieden van belang. Bij negatieve effecten kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling, ed.

Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum

32

Doorwerking projectgebied Gezien de afstand tot de omliggende natuurgebieden, welke ten minste 6,2 kilometer is (Deurnsche Peel & Mariapeel), zijn effecten op gebieden al grotendeels uit te sluiten (door bijvoorbeeld, geluid, licht of trillingen), behalve door stikstofemissie. Om te kijken of er met het plan nadelige effecten zijn op de Natura 2000-gebieden door stikstofemissie, zijn met behulp van het rekenprogramma AERIUS berekeningen gemaakt van de stikstofdepositie van de referentiesituatie en van de gewenste situatie. Uit deze berekeningen blijkt dat er geen nadelige effecten zijn op Natura 2000-gebieden. Deze berekeningen zijn als bijlage bij dit plan gevoegd. De stikstofdepositie van de referentiesituatie is als maximale depositie vastgelegd in de regels behorende bij dit plan. Concluderend kan gesteld worden dat de toekomstige ontwikkeling niet zal leiden tot significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden in de omgeving. Dit blijkt ook uit de bij dit plan gevoegde AERIUS- berekening in bijlage 5.

Figuur 7 Uitsnede Natura 2000gebieden (Bron: natura2000.nl)

f f

k k Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000-gebieden onevenredig worden geschaad. 4.2.2

Soortenbescherming De Omgevingswet regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen, is het verplicht de resterende schade te compenseren. Doorwerking projectgebied

Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum

33

Om uit te sluiten dat voorgenomen ontwikkeling schade toebrengt aan wettelijk beschermde planten- en diersoorten is een quickscan soortenbescherming uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage. Hierna is de conclusie uit dit onderzoek weergegeven: Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Wet natuurbescherming, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen: 1. 2. 3.

Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig?

Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. De voormalige bedrijfsgebouwen dienen bij voorkeur gesloopt te worden buiten het broedseizoen. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De specifieke zorgplicht (artikel 11.27 Bal) blijft onverminderd van toepassing. Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling geen onevenredige nadelige gevolgen zal hebben voor natuurwaarden.

Ten aanzien van broedvogels is het echter niet uit te sluiten of er op het moment voor aanvang van de werkzaamheden broedende vogels aanwezig zijn. Wanneer als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling bomen of struiken gerooid worden, dient dit in principe buiten het broedseizoen plaats te vinden. Het broedseizoen loopt globaal van half april tot half juli. 4.2.2

Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op.

Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum

34

Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Op navolgende luchtfoto is de NNN in de omgeving weergegeven. De voorgenomen wijzing van de bedrijfsvoering grenst aan delen van de NNN. Ondanks dat het plangebied grenst aan de NNN geeft dit geen nadelige gevolgen voor de NNN. Het perceel wordt namelijk landschappelijk ingepast, waar daarvan op dit nauwelijks sprake is. Daarbij is rekening gehouden met de ligging in de nabijheid van de NNN. Daarmee treedt er in vergelijking met de huidige situatie een verbetering op. Tevens valt een aanzienlijk deel van de emissie van stikstof weg en verminderd de uitstoot van geur en fijnstof. Figuur 8 Uitsnede kaart NNN (Bron: Atlasleefomgeving.nl)

f f

5.7

k k

TRILLINGEN Onder de Omgevingswet is het onderdeel ‘trillingen’ geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat in het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (Opa). Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat in het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. Doorwerking projectgebied Bij onderhavige ontwikkeling is sprake van het omzetten van een intensieve veehouderij naar een paardenhouderij. In de nabije omgeving zijn geen bedrijven of andere

Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum

35

activiteiten aanwezig welke in grote mate trillingen veroorzaken. Ook een paardenhouderij veroorzaakt geen trillingen. Hiermee vormt het onderdeel ‘trillingen’ geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.3

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE

4.3.1

Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente West Maas en Waal voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.

De gemeente heeft de archeologische verwachtingswaarde vastgelegd in dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan. Vanuit het bestemmingsplan heeft een deel van de locatie, zoals te zien in de volgende figuur, de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 6' en een deel de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 3”.

Figuur 9 Dubbelbestemming archeologie (Bron: Omgevingsloket.nl)

f f

k k Het gehele plangebied is reeds bebouwd geweest ten behoeve van de nertsenhouderij. Daarmee is de bodem naar verwachting verstoord en is wordt een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht in het kader van de omzetting.

Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum

36

De algemene zorgplicht ten aanzien van archeologie blijft wel van kracht. Mochten er bij werkzaamheden per toeval archeologische relicten of grondsporen worden gevonden op de locatie, dan zal dit – in overeenstemming met de wettelijke meldingsplicht ex artikel 5.10 van de Erfgoedwet – zo spoedig mogelijk worden gemeld bij Onze minister. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten zullen worden geschaad. 4.3.2

Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd.

Figuur 10 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart (Bron: provincie Limburg)

k k

Zoals te zien in de volgende figuur zijn nabij de locatie geen cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen. Gezien de locatie niet nabij cultuurhistorisch waardevolle elementen is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen. 4.3.3

Landschappelijk Voor de nieuwe ontwikkelingen van het agrarische bedrijf is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Hiermee is gegarandeerd dat de veranderingen die plaatsvinden binnen het plangebied op een passende wijze onderdeel uit zullen maken van het omringende landschap.

Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum

37

Figuur 11 Huidig aanwezig groen (Bron: google maps)

k k

Met de ontwikkelign wordt het perceel landschappelijk ingepast. Hiertoe worden nieuwe elementen toegevoegd. Dit wordt in de onderstaande figuur weergegeven. Figuur 12 Toekomstige landschappelijke inpassing

k k

Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum

38

Voor een nadere toelichting op het landschappelijke inpassingsplan wordt verwezen naar het als bijlage opgenomen landschappelijk inpassingsplan.

4.4

VERKEER EN PARKEREN

4.4.1

Infrastructuur en parkeren Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Goenjeweg. De locatie is voorzien van een inrit welke aansluit op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruitrijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur. In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt.

In de Parkeer Nota van gemeente Horst aan de Maas staat dat bij de woning 2 parkeerplaatsen en bij de paardenhouderij 37,6 (94 boxen x 0,4 parkeerplaatsen)parkeerplaatsen berekend dienen te worden. Na realisatie van het project zal op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden. Hierbij is het verwachting dat het aantal personen dat de locatie tegelijkertijd bezoek lager zijn dat in de norm vanuit gegaan wordt, er is sprake van een fokkerij. Dit is minder bezoekersintensief dan een pensionstalling.

4.4.2

Verkeersbewegingen Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen in verband met de paardenhouderij. Dit betreft met name de verkeersbewegingen met personen auto’s voor medewerkers en bezoekers van de paardenhouderij. Gezien het aantal verkeersbewegingen van maximaal 68 aan personenauto’s en busjes, 9 aan middelzwaar verkeer per dag en 92 aan zwaar verkeer is per jaar, kan gesteld worden dat geen spraken zal zijn van negatieve effecten op de verkeersveiligheid en zal geen sprake zijn van een toenemende overlast aan de omgeving. Het zwaar verkeer neemt aanzienlijk af van 950 naar 92 bewegingen per jaar.

4.5

WATERASPECTEN In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundige systeem in het plangebied is opgebouwd en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel

Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum

39

de gemeente Horst aan de Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 4.5.1

Beleidskader Beleid Waterschap Limburg In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 is de strategie van het waterschap voor de genoemde periode vastgelegd. De doelen op hoofdlijnen zijn: •

Hoogwaterbescherming Maasvallei: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas.

•

Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden.

•

Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zijn natuurlijk ingericht.

•

Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken.

De ambitie van het Waterschap is om het afkoppelen van regenwater te stimuleren. Regenwater van nieuwe daken en verharding wordt zo veel mogelijk opgevangen op eigen terrein. Daarnaast beschikt het Waterschap Limburg over Waterschapsverordening. De Waterschapsverordening is een aanvulling op regels uit de Omgevingsweg en is van toepassing op de rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap. Maar ook op alle sloten en watergangen die eigendom zijn van anderen zoals agrariërs. Werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan verordening. 4.5.2

Watercompensatie Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 4.5.1) is er geen sprake van nieuwe bebouwing. Er is derhalve geen extra waterberging nodig voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6

KABELS EN LEIDINGEN Voorafgaand aan het grondverzet voor de oprichting van de woningen en de voorziene grondwerkzaamheden zal een zogenaamde Klic-melding plaatsvinden om duidelijkheid te verkrijgen over de eventueel aanwezige kabels en leidingen. Vooralsnog zijn geen problemen voorzien aangezien voor zover bekend ter plaatse van de betreffende locatie op het perceel geen kabels of leidingen in de ondergrond aanwezig zijn. Bij de realisering van het project zal rekening worden gehouden met eventuele overige feitelijke belemmeringen.

4.7

VOLKSGEZONDHEID Voor toetsing van het aspect volksgezondheid bij initiatieven in relatie tot veehouderijen, wordt de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxinetoetsingskader 1.0’ gehanteerd. Door middel van dit toetsingskader

Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum

40

wordt getoetst of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het toetsingskader heeft alleen betrekking op pluimvee- en varkenshouderijen. De locatie ligt op meer dan 250 meter van andere veehouderijen. Het endotoxinetoetsingskader vormt daarmee geen belemmering. In het kader van het VGO-rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden’ is het tevens van belang of in de nabije omgeving van de locatie zich een geitenhouderij bevindt. Uit het rapport komt naar voren dat een verhoogde kans op longontsteking bestaat voor omwonenden in een straal van 2 kilometer rond geitenhouderijen. In deze straal zijn geen geitenhouderijen gelegen.

Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum

41

5 5.1

UITVOERBAARHEID

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID De kosten verbonden aan de bestemmingswijziging zijn geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Afspraken tussen gemeente en initiatiefnemer over ambtelijke apparaatskosten, planschade en landschappelijke inpassing, zijn vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Voor de gemeente Horst aan de Maas zal het initiatief kostenneutraal verlopen.

5.2

HANDHAVING Sinds 1 april 2005 werkt de gemeente Horst aan de Maas samen met de gemeente Venray als het gaat om handhaving. Onder deze samenwerking valt niet alleen de uitvoering, maar ook alle juridische, administratieve en beleidsmatige ondersteuning. In 2012 is het eerste integraal handhavingsbeleid in werking getreden. Inmiddels is het Beleidsplan VTH Horst aan de Maas 2017-2020 in werking getreden. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: de gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid, waarbij preventief belang voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijk handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient. In dit integrale handhavingsbeleid is één van de speerpunten hoe in de economische situatie van de afgelopen jaren met minder middelen net zo veel of meer aan handhaving gedaan kan worden.

In dit kader zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: 1. appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid; 2. preventie gaat boven repressie; 3. draagvlak creëren; 4. servicegericht handelen, en 5. alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen. Bij handhaving staat de nalevingsstrategie centraal. Hierin is opgenomen welke activiteiten worden ondernomen om te komen tot naleving van de regels. De nalevingsstrategie kan op zijn beurt worden onderverdeeld in de volgende strategieën: 1. 2.

preventiestrategie; toezichtstrategie;

Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum

42

3. 4.

sanctiestrategie, en gedoogstrategie.

Vaak wordt er gekozen voor een combinatie van deze strategieën om het resultaat te vergroten. Bij deze strategieën passen verschillende handhavingsinstrumenten. Onder de preventieve handhavingsinstrumenten vallen onder andere deregulering, kritisch zijn op het formuleren van regels, handhaafbaarheid van de regels en communicatie en voorlichting. De regels moeten bekend zijn bij de doelgroep, er dient dus duidelijk gecommuniceerd te worden over handhavingsactiviteiten en de gemeentelijke prioriteiten.

5.3

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

6.3.1

Algemeen Bij de voorbereiding van een bestemmingswijziging moeten Burgemeester en Wethouders overleg plegen met het waterschap, andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met betrokken rijks- en provinciale diensten. Van dit vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is.

6.3.2

Vooroverleg Op de voorbereiding van een omgevingsvergunning die wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet is artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening van overeenkomstige toepassing. Op grond van artikel 6:18 Besluit omgevings-recht dient de gemeente bij de voorbereiding van een dergelijk plan overleg te voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

6.3.3

Inspraak Aangezien in het vigerende bestemmingsplan reeds de wijzigingsbevoegdheid is opgenomen waar nu gebruik van wordt gemaakt, is het niet noodzakelijk voor deze bestemmingswijziging inspraak te verlenen.

6.3.4

Zienswijze De gemeente heeft het ontwerpbesluit gedurende zes weken ter inzage gelegd. Iedereen kon zienswijzen indienen op het ontwerpbesluit tijdens de terinzagelegging van het ontwerpbesluit. In deze periode zijn er twee zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen hebben niet geleid tot een aanpassing van het plan. Gedeputeerde Staten van Limburg en Rijkswaterstaat hebben bij mail aangegeven dat er geen aanleiding is tot het indienen van een zienswijze.

6.4

PROCEDURE Een wijzigingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze procedure

Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum

43

houdt in dat het ontwerpwijzigingsplan na behandeling in het college van burgemeester en wethouders wordt gepubliceerd in een in de gemeente verspreid huis aan huisblad (Hallo Horst aan de Maas) op en op de gemeentelijke website en zes weken ter inzage wordt gelegd. Eenieder kan in die zes weken zijn of haar zienswijze kenbaar maken bij de gemeente. Binnen acht weken na afloop van de termijn dat het ontwerpwijzigingsplan ter inzage heeft gelegen moet de gemeenteraad het wijzigingsplan vaststellen. Daarbij worden de eventuele zienswijzen meegenomen.

Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum

44

6 6.1

ONDERDELEN VAN EEN BESTEMMINGSPLAN

ALGEMEEN Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan. De omschakeling op deze locatie is in strijd met in het tijdelijke deel onderdeel uitmakende bestemmingsplan waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22c van het omgevingsplan.

6.2

VERBEELDING De verbeelding is opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding wel 'bestemmingen' zijn te zien, en dat specifieke functies als zijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd.

6.3

REGELS Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen. Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan de Goenjeweg 6 te Sevenum (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen. Hoofdstuk 2 - functies en activiteiten. Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl.

Voor onderhavig TAM-omgevingsplan is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan Horst aan de Maas (bestemmingsplan “Buitengebied

Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum

45

Horst aan de Maas”). Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet. Hoofdstuk 3: Algemene regels. Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functie-regels in die gelden voor het gehele grondgebied van de ontwikkellocatie. Hoofdstuk 4: Overgangsrecht. In TAM-omgevingsplannen hoeven geen bepalingen te worden opgenomen voor het overgangsrecht. Echter, in onderhavig voorbeeld TAM-omgevingsplan wordt een bestaande functie wegbestemd (de bestaande nertsenhouderij, waarvoor een paardenhouderij komt). Daarom zijn er overgangsrechtelijke bepalingen opgenomen, zodat de bestaande functies mogen worden voortgezet zolang de nieuwe ontwikkeling nog niet is gerealiseerd.

Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum

46

7 7.1

UITVOERBAARHEID

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID In deze paragraaf wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven. Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een omgevingsplanwijziging voor rekening komen van de initiatiefnemer.

7.1.1

Financieel economische haalbaarheid De omgevingsplanwijziging voorziet in nieuwe bouwmogelijkheden. Artikel 12.1 Ow ‘Verhaal van kosten, verbonden aan grondexploitatie’ is dan ook van toepassing. Dat betekent dat meerkosten voor de planologische procedure als gevolg van particuliere ontwikkelingen dienen te worden verhaald op de initiatiefnemer(s). Het verhaal van deze kosten kan op twee manieren worden geregeld, namelijk via een anterieure overeenkomst of via exploitatieregels / exploitatievoorschriften. De gemeente Bergen heeft de voorkeur om dit via een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer te regelen. Dit plan is een particulier initiatief. Met initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. De kosten die voortvloeien uit het plan zijn voor rekening en risico van initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. In de anterieure overeenkomst is ook vastgelegd dat de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.

7.1.2

Kostenverhaal Daar waar nodig zal op basis van artikel 12.8 Ow het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking. Tevens worden voor het in behandeling nemen van de omgevingsplanwijziging leges in rekening gebracht.

7.1.3

Nadeelcompensatie Voor iedere omgevingsplanwijziging wordt een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten op basis van art. 4.5 Awb, in dit geval zijn de eventuele planschadekosten in de anterieure overeenkomst opgenomen.

7.2

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

7.2.1

Participatie & omgevingsdialoog Het aangeven hoe er geparticipeerd is bij een gebiedsontwikkeling (motiveringsplicht) met een TAM-omgevingsplan is een vereiste onder de Omgevingswet. Dit dient gedaan te worden conform de eisen uit artikel 10.2 uit het Omgevingsbesluit (motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie omgevingsplan). In dit hoofdstuk wordt dit traject en de uitkomst ervan te worden beschreven.

Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum

47

Initiatiefnemer heeft vroegtijdig bij uitwerking van het plan de direct omwonenden benaderd om te horen of er op- of aanmerkingen zijn. Er kon dan worden gekeken of deze verwerkt konden worden in het plan. 7.2.2

Bevoegd gezag en afstemming met ketenpartners De gemeente Bergen betreft het bevoegd gezag voor wijziging van het omgevingsplan. Ter vooroverleg is het ontwerp-omgevingsplan voorgelegd aan de provincie Limburg en het waterschap Limburg.

7.2.3

Vaststellingsprocedure De procedure voor vaststelling van een wijzigingsbesluit op het Omgevingsplan is geregeld in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het wijzigen van een omgevings-plan geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Het ontwerp-omgevingsplan heeft voor iedereen gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Tegelijkertijd is het plan elektronisch beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website en de landelijke website. Iedereen kon zijn zienswijze over het ontwerp omgevingsplan bij de gemeenteraad naar voren brengen tijdens de terinzagelegging. Er is PM zienswijze naar voren gebracht. Het eindverslag van deze zienswijzenprocedure maakt onderdeel uit van het raadsbesluit tot vaststelling van dit omgevingsplan.

Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum

48

8 8.1

BELANGENAFWEGING EN CONCLUSIE

IS SPRAKE VAN EEN EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES? De ontwikkeling voorziet in de beëindiging van de nertsenhouderij op de locatie Goenjeweg 6 te Sevenum waarbij deze in gebruik wordt genomen als paardenhouderij. Dit brengt een verbetering in het woon- en leefklimaat ter plaatse en heeft bovendien een landschappelijke meerwaarde. De oppervlakte een bebouwing neemt hierbij niet toe, deze blijft gelijk aan de huidige situatie. Deze worden ontwikkeld passend in het landschappelijk- en stedenbouwkundig karakter van de omgeving. Sprake is van een goede landschappelijke inpassing. Met inachtneming van hetgeen omschreven in hoofdstuk 4 en de bijbehorende onderzoeksrapportages en resultaten uit eventuele vervolgonderzoeken, is er met uitvoering van voorliggend plan sprake van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving, en daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum

49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15847734/1