07c Toelichting Goenjeweg 6 Sevenum
Tekst van het document
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6 Sevenum
29-10-2024
Colofon Rapport: Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum Rapportnummer: 2522BS05 Datum: oktober 2024
Opdrachtnemer Geling Advies Postbus 12 5845 ZG Sint Anthonis www.gelingadvies.nl
Contactpersoon Geling Advies Drs. S. de Crom Adviseur ruimtelijke ontwikkeling 0493 – 597 500 sdecrom@gelingadvies.nl
© OKTOBER 2024
GELING ADVIES
ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN. NIETS UIT DEZE UITGAVE MAG WORDEN VERVEELVOUDIGD DOOR MIDDEL VAN DRUK, FOTOKOPIE, MICROFILM, GELUIDSBAND, ELEKTRONISCH OF OP WELKE ANDERE WIJZE DAN OOK, EN EVENMIN IN EEN GEAUTOMATISEERD GEGEVENSBESTAND WORDEN OPGESLAGEN, ZONDER VOORAFGAANDE SCHRIFTELIJKE TOESTEMMING VAN GELING ADVIES. AAN DE INHOUD VAN DIT RAPPORT KUNNEN GEEN RECHTEN WORDEN ONTLEEND. G&O CONSULT VERWERPT ELKE AANSPRAKELIJKHEID VOOR EEN ANDER GEBRUIK VAN DEZE TEKST DAN VOOR DE SITUATIE WAARVOOR DEZE WORDT UITGEBRACHT. DE INFORMATIE IN DEZE TEKST IS ONDER VOORBEHOUD EN KAN VERANDERD WORDEN ZONDER VOORAFGAANDE KENNISGEVING.
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum
2
INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING 1.1 Achtergrond 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend omgevingsplan 1.4 Leeswijzer
5 5 5 6 7
2 PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.1.1 Gebiedsprofiel 2.1.2 Ruimtelijke structuur 2.2 Toekomstige situatie
8 8 8 8 9
3 BELEIDSKADERS 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Omgevingswet 3.1.2 Omgevingsbesluit 3.1.3 Nationale omgevingsvisie 3.1.4 Instructieregels (AMvB’s) 3.1.4.1 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.1.4.2 Besluit activiteiten leefomgeving 3.1.4.3 Besluit bouwwerken leefomgeving 3.1.4.4 Omgevingsregeling 3.1.5 Conclusie rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Limburg 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Horst aan de Maas (2019) 3.4.2 Omgevingsplan Buitengebied Horst aan de Maas
10 10 10 11 11 12 12 13 13 14 14 14 14 16 18 18 19
4 OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Milieuaspecten 4.1.1 Bedrijven en Milieuzonering 4.1.2 Geur 4.1.3 Luchtkwaliteit 4.1.3.1 Luchtkwaliteit vanuit de inrichting 4.1.3.2 Luchtkwaliteit vanuit verkeersbewegingen 4.1.4 Geluid 4.1.4.1 (Spoor)Wegverkeerslawaai 4.1.4.2 Industrielawaai 4.1.5 Externe veiligheid 4.1.5.1 Risicovolle inrichtingen 4.1.5.2 Transport (spoor-, vaar en autowegen) en buisleidingen 4.1.5.3 Groepsrisico 4.1.6 Bodem 4.2 Natuur 4.2.1 Gebiedsbescherming 4.2.2 Soortenbescherming 4.2.2 Natuurnetwerk Nederland
20 20 20 20 21 22 22 23 24 27 27 27 28 28 28 32 32 33 34
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum
3
5.7 4.3 4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.4 4.4.1 4.4.2 4.5 4.5.1 4.5.2 4.6 4.7
Trillingen Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Cultuurhistorie Landschappelijk Verkeer en parkeren Infrastructuur en parkeren Verkeersbewegingen Wateraspecten Beleidskader Watercompensatie Kabels en leidingen Volksgezondheid
35 36 36 37 37 39 39 39 39 40 40 40 40
5 UITVOERBAARHEID 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Handhaving 5.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.3.1 Algemeen 6.3.2 Vooroverleg 6.3.3 Inspraak 6.3.4 Zienswijze 6.4 Procedure
42 42 42 43 43 43 43 43 43
6 ONDERDELEN VAN EEN BESTEMMINGSPLAN 6.1 Algemeen 6.2 Verbeelding 6.3 Regels
45 45 45 45
7UITVOERBAARHEID 7.1 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 7.1.1 Financieel economische haalbaarheid 7.1.2 Kostenverhaal 7.1.3 Nadeelcompensatie 7.2 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 7.2.1 Participatie & omgevingsdialoog 7.2.2 Bevoegd gezag en afstemming met ketenpartners 7.2.3 Vaststellingsprocedure
47 47 47 47 47 47 47 48 48
8 BELANGENAFWEGING EN CONCLUSIE 8.1 Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
49 49
Bijlagen Bijlage 1 Situatietekeningen Bijlage 2 Bodemonderzoek Bijlage 3 Akoestisch onderzoek Bijlage 4 Quickscan flora en fauna Bijlage 5 Aeriusberekeningen met toelichting Bijlage 6 Landschappelijke inpassing.
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum
4
1 1.1
INLEIDING
ACHTERGROND Op dit moment is de locatie nog bestemd als pelsdierhouderij. Vanwege het verbod pelsdierhouderijen heeft het bedrijf per 08-01-2021 haar bedrijfsvoering gestaakt. In totaal werden er op de locatie 7.621 fokteven gehouden. De voorzieningen voor het houden van nertsen zijn momenteel nog aanwezig. Het voornemen is om de locatie verder te ontwikkelen en hier een nieuw bedrijf op te richten. Bij het bepalen van de nieuwe invulling voor de locatie speelden een aantal voorwaarden een rol. Zo wil de eigenaar geen intensieve veehouderij meer op locatie. Een niet agrarische functie is ook niet gewenst gezien de omgevingskenmerken. De locatie is gelegen in de nabijheid van de hippische zone Grandorse, waar internationale, aan paarden gerelateerde economische activiteiten zich sterk ontwikkelen. Ook zijn er reeds meerdere grote paardenhouderijen aanwezig in de omgeving. De paardenhouderij is een sector die profiteert van een concentratie van bedrijven. Het voornemen is om op het adres Goenjeweg 6 te Sevenum een paardenhouderij/fokkerij te gaan ontwikkelen. In de toekomstige situatie zijn er 94 boxen voor volwassen paarden aanwezig, daarnaast is er ruimte voor 115 opfokpaarden. In het hoofdstuk “Planomschrijving” (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht. De huidige functie van de locatie staat het gebruik van de locatie met een paardenhouderij niet toe.
Een wijziging van de functie is noodzakelijk om de gewenste bedrijfsvoering mogelijk te maken. Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas “. Dit ten behoeve van het herbestemmen van het bedrijf aan de Goenjeweg 6 te Sevenum. De beoogde situatie is voorgelegd aan de gemeente doormiddel van een gesprek en een principeverzoek. De gemeente heeft een positieve grondhouding aangenomen ten opzichte van dit plan.
1.2
PLANGEBIED Het plangebied zoals weergegeven in navolgend figuur, omvat de percelen aan de Goenjeweg 6, kadastraal bekend gemeente Horst aan de Maas, sectie V, nummer
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum
5
260 en 356. Onderhavig plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas, ten zuidwesten van de kern van Sevenum. Figuur 1 Plangebied (Bron: www.pdok.nl)
1.3
VIGEREND OMGEVINGSPLAN In het vigerende omgevingsplan is aan de locatie de functie “Agrarisch met Waarden” met de nadere aanduiding “Intensieve veehouderij”. Daarnaast geldt voor het plangebied de ‘’Waarde – Archeologie 3’’ en Waarde – Zone bronsgroene landschapszone. Ook gelden voor het plangebied de beperkingen ‘’milieuzone – hydrologische beschermingszone’’, ‘’overige zone – beekdal’’ en ‘’reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’’. Navolgend is het plangebied binnen het vigerend omgevingsplan weergegeven. Figuur 2 Ligging binnen omgevingsplan met in het oranje de functie ‘Agrarisch met waarden’ (Bron: omgevingsloket.nl)
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum
6
1.4
LEESWIJZER In hoofdstuk 2 van onderhavige onderbouwing is een omschrijving van de huidige en gewenste situatie opgenomen. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders en wordt het plan hieraan getoetst. Hoofdstuk 4 omvat een toetsing van het plan aan de milieutechnische aspecten. De uitvoerbaarheid van het plan is opgenomen in hoofdstuk 5 en hoofdstuk 6 beschrijft de wijze van bestemmen.
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum
7
2
PLANBESCHRIJVING
2.1
HUIDIGE SITUATIE
2.1.1
Gebiedsprofiel De planlocatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Horst aan de Maas. De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit landbouwgrond. De verkavelingsstructuur betreft een blokverkaveling met een relatief grootschalige opzet, de kavels worden gescheiden door watergangen, houtwallen en/of lijnen in het landschap. In de nabije omgeving zijn enkele agrarische bedrijven, niet-agrarische bedrijven en burgerwoningen gelegen.
2.1.2
Ruimtelijke structuur Momenteel is op de planlocatie een gestaakte nertsenhouderij aanwezig. Hoewel er op dit moment geen dieren meer aanwezig zijn,. De sheds voor het houden van nertsen zijn inmiddels gesloopt. De sheds hadden een totale oppervlakte van 7.909 m2. De pelserij met kantoor en kantine (329 m2), een opslagloods (198 m2) blijven aanwezig. De mestopslag (333 m2) is eveneens verwijderd. In totaal was er 8.769 m2 aan gebouwen aanwezig. Onderstaand is een huidig bovenaanzicht van de planlocatie weergegeven. Daarnaast mag op de locatie een bedrijfswoning gerealiseerd worden waar de gemeente planologische medewerking aan verleent.
Figuur 3 Huidig bovenaanzicht (Bron: Google Maps)
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum
8
2.2
TOEKOMSTIGE SITUATIE
Ten behoeve van de ontwikkeling wordt het perceel geheel herontwikkeld. De sheds voor de nertsen en de mestopslag worden gesloopt. De pelserij en de opslagloods blijven behouden. In de gewenste situatie worden twee nieuwe paardenstallen gerealiseerd voorzien van een uitloopruimte met een oppervlakte van 791 en 633 m 2, een binnenrijbak van 20 bij 40 meter, met daaromheen paardenstallen, een kantoor, kantine en een berging met een totale oppervlakte van 2.860 m2. Daarnaast komt er een overdekte rijbak van 50 bij 30 meter (1.500 m2). Ook komen er een overdekte longeercirkel en een overdekte tredmolen van beiden 113 m2. De pelserij met kantoor en kantine wordt in gebruik genomen als machineberging, met kantoor en kantine (329 m2). De bestaande loods wordt gebruikt voor de opslag van hooi en stro (198 m2). Aan de westzijde van het perceel komen paddocks en weides. Met de ontwikkeling neemt het totale oppervlakte aan gebouwen af van 8.769 m2 naar 6.653 m2. Tot slot is het de wens om ten behoeve van de paardenhouderij gebruik te maken van de mogelijkheid voor de bouw van een bedrijfswoning. Onderstaand figuur laat de oude en nieuwe situatie zien. Figuur 4 Huidige en nieuwe situatie
Op de locatie zullen in de toekomstige situatie 94 boxen voor volwassen paarden aanwezig zijn. Daarnaast is er ruimte voor het huisvesten van rond de 115 opfokpaarden, het precieze aantal is afhankelijk van de leeftijd van het paard. In totaal worden maximaal 209 paarden gehuisvest. Voor de uitvergrootte situatietekening wordt verwezen naar de bijlagen bij deze toelichting.
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum
9
3
BELEIDSKADERS
3.1
RIJKSBELEID
3.1.1
Omgevingswet De Omgevingswet is per 1 januari 2024 in werking getreden. De Omgevingswet moet leiden tot meer ruimte voor duurzame ontwikkelingen, meer rekening houden met regionale verschillen, meer ruimte bieden voor maatwerkoplossingen en belanghebbenden vroegtijdig betrekken in de besluitvorming. Daarnaast is het doel van de Omgevingswet om de tientallen vormen van wet- en regelgeving onder het oude omgevingsrecht van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), te bundelen in één wet die toeziet op het omgevingsrecht en daarmee te voorkomen dat initiatiefnemers rekening moeten houden met veel verschillende wetten met elk hun eigen procedures, planvormen en regels. Met de Omgevingswet en bijbehorende uitvoeringsregelgeving streeft de regering vier verbeterdoelen na: -
het vergroten van de inzichtelijkheid, de voorspelbaarheid en het gebruiksgemak van het omgevingsrecht;
-
het bewerkstelligen van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving;
-
het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte door een actieve en flexibele aanpak mogelijk te maken voor het bereiken van doelen voor de fysieke leefomgeving;
-
het versnellen en verbeteren van besluitvorming over projecten in de fysieke leefomgeving.
De wet bundelt wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Daarmee vormt de wet de basis voor de samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Om de Omgevingswet uit te voeren, hebben overheden de beschikking over 6 'kerninstrumenten': -
-
-
de omgevingsvisie: op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau kan een omgevingsvisie worden opgesteld; een samenhangend, strategisch plan dat rekening houdt met alle ontwikkelingen in de leefomgeving. het programma: maatregelen om de leefomgeving te beschermen, te beheren, te gebruiken en te ontwikkelen. Het programma richt zich op een onderwerp, een bepaalde bedrijfssector of een gebied. Verschillende overheden kunnen ook samen een programma opstellen. decentrale regels: decentrale overheden hebben ieder 1 regeling voor de fysieke leefomgeving voor hun hele grondgebied. Dit zijn het gemeentelijk omgevingsplan, de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Hierin staan verschillende soorten regels. Bijvoorbeeld decentrale regels voor activiteiten van burgers en bedrijven. En kaders om vergunningen te toetsen. Ook worden er gebieden in aangewezen die een bepaalde functie hebben.
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum
10
-
-
-
algemene rijksregels: dit zijn het Bkl, Bal, Bbl en de Omgevingsregeling. Deze ‘Algemene Maatregelen van Bestuur’ (AMvB’s) worden in de onderstaande paragrafen nader toegelicht. de omgevingsvergunning: veel initiatieven van burgers en bedrijven hebben gevolgen voor de leefomgeving. Voor de meeste daarvan gelden algemene regels. Soms is een vergunning nodig. Bijvoorbeeld voor het verbouwen van een rijksmonument. De overheid toetst vooraf of dat mag. het projectbesluit. Het projectbesluit is een uniforme procedure voor besluitvorming over complexe projecten van het Rijk, een provincie of een waterschap. Bijvoorbeeld de aanleg van een weg, windmolenpark of natuurgebied. Een projectbesluit regelt in dezelfde procedure de afwijking van het omgevingsplan. Het projectbesluit kan ook gelden als een omgevingsvergunning.
In dit geval is er gekozen om de ontwikkeling mogelijk te maken middels een TAMIMRO procedure. Daarmee maakt het onderdeel uit van het kerninstrument decentrale regels, specifiek het gemeentelijk omgevingsplan. 3.1.2
Omgevingsbesluit Het Omgevingsbesluit richt zich tot alle partijen die in de fysieke leefomgeving actief zijn: burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage. Concreet bevat het Omgevingsbesluit bepalingen over de volgende onderwerpen: -
Bevoegdheden, handhaving en beheer Procedurele regels Projectprocedure Milieueffectrapportage Financiële bepalingen Digitale voorzieningen
In dit geval gaat het om het toepassen van een wijziging van het omgevingsplan door middel van een TAM-IMRO plan. Er is sprake van een concreet initiatief. Hiervoor is de uitgebreide procedure van toepassing. 3.1.3
Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De belangrijkste speerpunten uit de NOVI zijn: Een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; De verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsen;
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum
11
De overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied; De ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland. Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; Het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies; Het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen. Met dit plan wordt de omschakeling van een veehouderij naar paardenhouderij mogelijk gemaakt. Dit sluit aan bij het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied.
Door beëindiging van de veehouderij ontstaat een beter woon- en leefklimaat in de omgeving. De ontwikkeling staat daarnaast in goede verbinding met het landschap. Door de beëindiging van de nertsenhouderij is sprake van een afname van het bebouwd oppervlak. Daarnaast wordt de locatie stevig landschappelijk ingepast met beplanting. 3.1.4
Instructieregels (AMvB’s) Het Besluit kwaliteit leefomgeving stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. Het Bkl is opgebouwd uit de volgende onderwerpen: In de instructieregels staan onder andere de normen en regels die gelden voor omgevingsplannen, omgevingsverordeningen en waterschapsverordeningen. In de omgevingswaarden van het Rijk staan in het Bkl, zoals luchtkwaliteit en de kwaliteit van oppervlaktewater, grondwater en zwemwater. Het Bkl bevat de regels voor het toetsen en verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. En regels over monitoring en gegevensverzameling. Deze regels hebben betrekking op de onderdelen waterkwaliteit, externe veiligheid, luchtkwaliteit en het behoud van cultureel erfgoed.
3.1.4.1
Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De toelichting bij een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het omgevingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum
12
motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Artikel 5.129 g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een nieuwe stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van de ontwikkeling in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. In artikel 5.129 g Bkl is geen ondergrens vastgelegd. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel ‘in beginsel’ grenzen. Bij nieuwbouw en uitbreiding van overige stedelijke functies ligt de ondergrens in beginsel bij een ruimtebeslag van 500 m2 (per functie). Stedelijke ontwikkelingen zijn bijvoorbeeld een bedrijventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen zoals maatschappelijke functies, cultuur, leisure of recreatie. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Dit zijn ontwikkelingen die een nieuw of groter planologisch beslag op de ruimte leggen dan het geldende omgevingsplan toestaat. Of, als er alleen een wijziging van de gebruiksfunctie is, op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten hebben. Het is niet relevant of het plangebied binnen of buiten het stedelijk gebied ligt.
In beide gevallen moet rekening worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Voor dit plan wordt de ladder duurzame verstedelijking niet doorlopen daar het geen stedelijke ontwikkeling maar een agrarische ontwikkeling betreft. 3.1.4.2
Besluit activiteiten leefomgeving In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan rijksregels voor burgers en bedrijven. De regels gelden voor bijvoorbeeld milieubelastende activiteiten, activiteiten in een beperkingengebied of activiteiten met gevolgen voor de natuur. Het Bal bevat algemene regels, meldingsplichten, vergunningplichten, maatwerkmogelijkheden en specifieke zorgplichten, om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen en cultureel erfgoed te beschermen. Wanneer het noodzakelijk is dat het bevoegd gezag een activiteit voorafgaand beoordeelt, voorschriften daarvoor opstelt en expliciet instemt met de uitvoering daarvan, is een omgevingsvergunning vereist. Doorgaans gaat het om complexere activiteiten met potentieel grote gevolgen. Met de ontwikkeling worden geen specifieke nieuwe activiteiten mogelijk gemaakt welke onder het Bal vallen. Indien op de locaties nieuwe activiteiten verricht worden, mogen deze niet in strijd zijn met het Omgevingsplan en dient getoetst te worden aan de algemene regels, meldingsplichten, vergunningplichten, maatwerkmogelijkheden en specifieke zorgplichten.
3.1.4.3
Besluit bouwwerken leefomgeving In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan rijksregels voor burgers en bedrijven. Het zijn allemaal regels die met bouwwerken te maken hebben. Ofwel het bouwen, in stand houden, gebruiken of slopen van bouwwerken. De regels gaan over onderwerpen als veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid. Het Bbl bevat: - algemene regels, - meldingsplichten,
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum
13
-
vergunningplichten, maatwerkmogelijkheden, specifieke zorgplichten.
Bij de ontwikkeling is sprake van de realisatie van een nieuwe paardenstal. Na vaststelling van het omgevingsplan zullen voor de paardenstal omgevingsvergunningen worden aangevraagd waarbij getoetst wordt aan het Bbl. 3.1.4.4
Omgevingsregeling In de Omgevingsregeling heeft het Rijk alle technische details van de andere regelgeving uitgewerkt. Denk aan aanvraagvereisten voor omgevingsvergunningen en rekenregels voor geluid.
3.1.5
Conclusie rijksbeleid Voorliggend plan is, gelet op het voorgaande in deze paragraaf, passend binnen de kaders die geschept worden in het rijksbeleid. De ontwikkeling draagt bij aan de transitie van het landelijk gebied. Het betreft geen stedelijke ontwikkeling.
3.2
PROVINCIAAL BELEID
3.2.1
Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 is de Provinciale Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. De Omgevingsvisie is een strategische en lange termijn (2030-2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarnaast worden ook de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving in de Omgevingsvisie meegenomen. De Omgevingsvisie stelt op strategisch niveau de kaders voor het provinciaal handelen bij toekomstige ontwikkelingen en activiteiten. De Omgevingsvisie bevat daarmee belangrijke keuzes ten aanzien van het te voeren beleid en vormt de basis voor verdere uitwerkingen en plannen en programma’s. Limburgse principes en algemene zonering De Omgevingswet gaat uit van het zoeken naar de balans tussen het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving waarin we leven, wonen, werken, leren en onze vrije tijd besteden. De Omgevingsvisie is geen blauwdruk voor de toekomst. Bij (nieuwe) ontwikkelingen kunnen nog keuzes worden gemaakt. Daarbij wordt gekozen voor maatwerk en wordt rekening gehouden met het karakter en mogelijkheden van een gebied en de afweging van belangen op lokale schaal. Dat gebeurt op basis van de volgende principes: a. We streven naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving b.
De kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal c. Meer stad, meer land d. We gaan zorgvuldig om met onze ruimte en voorraden; boven- én ondergronds Het toekomstbeeld voor Limburg kan worden gevangen in een indicatieve zonering. Die zonering bouwt voort op de ‘tijdloze’ karakteristiek van de ondergrond; de geomorfologie en het watersysteem en de typering en ontwikkeling van het ruimtegebruik in deelgebieden binnen Limburg in de afgelopen decennia. De locatie is gelegen
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum
14
binnen het landelijk gebied en dan specifiek het buitengebied. Het buitengebied betreft de landelijke gebieden op de Zuid-Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg, samen zo’n 85.000 hectaren groot. Vergeleken met Noord- en Midden-Limburg zijn er in Zuid-Limburg minder mogelijkheden voor intensieve vormen van grondgebruik op de plateaus. Dit komt door de aard van de ondergrond en de aanwezige omgevingskwaliteiten. Op de hogere zandgronden van Noord- en Midden-Limburg is, rekening houdend met de natuurlijke omstandigheden en de ruimteclaims vanuit verschillende transitieopgaven, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk. Wonen en leefomgeving Op het gebied van wonen en leefomgeving liggen regionaal bepaalde uitdagingen en kansen. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Conjuncturele ontwikkelingen en migratiestromen beïnvloeden vraag en aanbod op de woningmarkt. Daarnaast zien we dat de woonvraag verandert waardoor het woningaanbod niet altijd aansluit op de vraag. Ook de betaalbaarheid van woningen blijft een belangrijk aandachtspunt. Invulling van de woningmarkt is onlosmakelijk verbonden met de sociaal-economische- en gezondheidssituatie van de inwoners in de steden en dorpen.
Door het in balans brengen van vraag en aanbod kan een tekort aan woningen voor bepaalde doelgroepen worden voorkomen. Daarnaast heeft dit een positief effect op ongewenste leegstand met de bijbehorende ondermijnings- en leefbaarheidsproblemen. Woningbouwontwikkelingen worden benaderd vanuit een brede maatschappelijke context. Dit vraagt een integrale aanpak van locaties en gebieden in de vorm van herstructurering en transformatie/herbestemming in centra, buurten, wijken, dorpen en het buitengebied. Bij de te maken keuzes speelt mee dat leegstand moet worden tegengegaan en dat ontwikkelingen altijd in samenhang met veiligheid en leefbaarheid plaatsvinden. Met het stimuleren van natuurinclusief en circulair bouwen, de verduurzamingsopgave en het levensloopbestendig maken van bestaande en nieuwe woningen, vragen we om gebruik te maken van meekoppelkansen voor een klimaatbestendige en adaptieve woonomgeving. Land- en tuinbouw Meer dan de helft van het Limburgse grondgebied is landbouwgrond. Daarmee is de land- en tuinbouwsector de belangrijkste functiedrager van Limburg en bepaalt de agrarische bedrijfsvoering in zeer belangrijke mate het beeld van Limburg. Agrariërs staan echter voor de uitdaging hun bedrijf en de internationale concurrentiekracht toekomstbestendig te houden.
Het landelijk gebied is steeds minder een productieruimte en steeds meer een consumptieruimte waar gewoond, gewerkt en gerecreeerd wordt. Deze verwevenheid vraagt maatregelen om de omgevingskwaliteit te verbeteren en ruimtelijke keuzes over vestiging, uitbreiding, herbestemming en sanering van leegstaand agrarisch vastgoed. Een groot gedeelte van de agrarisch ondernemers zal stoppen. Daardoor is sprake van een toename aan vrijkomende agrarische bebouwing. Een passende herbestemming vinden voor de locaties is wenselijk, anders ontstaat meer risico op criminele activiteiten en verval, waardoor de landschappelijke kwaliteit en leefbaarheid van het gebied achteruitgaan. Als ambities worden daarnaast gegeven dat wordt gestreefd naar het terugdringen van emissies en het verbeteren van de omgevingskwaliteit en leefbaarheid rondom intensieve veehouderijen. In sommige situaties kan geur tot overlast in de omgeving leiden en een aandachtspunt vormen en breder ook gezondheid van bewoners. Er wordt gestreefd naar het verbeteren van de omgevingskwaliteit.
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum
15
Doorwerking projectgebied De ontwikkeling sluit goed aan op de genoemde principes en ambities binnen het thema landelijk gebied van de omgevingsvisie. In voorliggend plan is er sprake van een nieuwe ontwikkeling van een bestaande bedrijfslocatie. Door deze ontwikkeling zal de bebouwde oppervlakte afnemen. De locatie aan de Goenjeweg is gelegen in het buiten gebied tussen de kernen van Maasbree en Sevenum. De huidige plannen passen goed bij de kenmerken en identiteit van het gebied. Waarbij het omzetten van nertsenhouderij naar een paardenhouderij wel zorgt voor een verbetering van de milieukwaliteit in de omgeving. De emissie van stikstof daalt aanzienlijk. Het beeindigen van de pelsdierhouderij draagt daarmee positief bij aan de instandhoudingsdoelstelling van naastgelegen Natuur Netwerk Nederland en 6,2 km verderop ook Natura 2000 gebied Deurnsche Peel en Mariapeel. Het slopen van de bedrijfsbebouwing zorgt ervoor dat geen verloedering plaatsvindt en er in potentie geen andere, niet wenselijke activiteiten plaats zullen vinden. Daarmee past het voorliggende plan binnen de kaders van de omgevingsvisie. 3.2.2
Omgevingsverordening Limburg In de Omgevingsverordening Limburg staan de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen, (grond-)water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Deze Omgevingsverordening geldt sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Op de verbeelding van de vastgestelde omgevingsverordening “Gemeente Horst aan de Maas”, vastgesteld op 01-01-2024, heeft het plangebied de gebiedsaanwijzingen “bufferzones grondwaterafhankelijke natuur”, “extensiveringsgebied intensieve veehouderij”, “groenblauwe mantel”, “overstromingskansgebied B” en “uitzonderingsgebied uitbreiding glastuinbouw”. Bufferzone grondwaterafhankelijke natuur Betreft “Bufferzone grondwaterafhankelijke natuur” vindt met de toekomstige activiteiten geen grondwateronttrekking plaats. Daarmee blijft de bufferzone onaangetast. Extensiveringsgebied intesieve veehouderij Het omgevingsplan laat betreffende “Extensiveringsgebied intensieve veehouderij” geen vormverandering van het bouwvlak voor intensieve veehouderij toe binnen het extensiveringsgebied intensieve veehouderij. De intensieve veehouderij wordt omgevormd naar paardenhouderij. Dus van een omvorming naar intensieve veehouderij is geen sprake. Groenblauwe mantel Het plangebied ligt in de groenblauwe mantel welke de verbinding vormt tussen het Natuur Netwerk Nederland.
De kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel zijn; Het groene karakter Het visueel-ruimtelijk karakter Het cultuurhistorisch erfgoed Het reliëf
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum
16
Ruimte voor water en waterberging in de laagten en beekdal Goenjeweg 6 is onderdeel van het rivierengebied en bevindt zich op de Peelhorst. De bodem valt onder de Veldpodzolgronden met leemarm en zwak lemig fijn zand. Het perceel ligt gemiddeld op een hoogte van 28,30m, kent de grondwatertrap VII en VI. Het bestaat deels uit dekzandvlakte (M51) met een reliëf < 0,5m en deels uit een complex van dekzandwelvingen (L51) met een reliëf tussen 0,25m-1,5m. Rekening houdend met het groene karakter en de historie van het plangebied worden hagen en bomenrijen ingepast. De vegetatie is zorgvuldig gekozen met plantmateriaal welk niet giftig is voor de paarden. Deze vegetatie heeft een positieve invloed op de insectenstand en is in combinatie met het aangrenzend struweel vooral van waarde voor nestgelegenheid en dekking voor vogels. Met name de boomsingel komt o.a. ten goede van de nachtzwaluw. De aanwezigheid wat geboomte als zangen schuilplaats is voor deze soort gewenst. Ook bevindt zich voedsel (grote insecten) in bomen. Het plaatsen van veel beplanting draagt positief bij aan het voorkomen van hittestress maakt het microklimaat gunstiger voor waterberging in het gebied. Figuur 5 Het visueel ruimtelijk groene karakter inclusief plantmateriaal.
Overstromingskansgebied B Voor overstromingskansgebied B geldt een gemiddelde overstromingskans is 1:10 per jaar als omgevingswaarde. De ontwikkeling zorgt niet voor een grotere kans op overstroming. Hiermee past de ontwikkeling binnen de kaders van de Omgevingsverordening. Uitzonderingsgebied uitbreiding glastuinbouw
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum
17
kaders Een omgevingsplan laat een uitbreiding van het bouwvlak voor een glastuinbouwbedrijf toe. Dit is voor het huidige plan niet relevant.
3.3
GEMEENTELIJK BELEID
3.3.1
Structuurvisie Horst aan de Maas (2019) De structuurvisie geeft een integraal beeld van de ruimtelijke en sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen die de gemeente op haar grondgebied voor ogen heeft voor de lange termijn. Verder is er een integrale structuurvisie opgesteld om maximaal gebruik te maken van de mogelijkheid tot het plegen van kostenverhaal dat de nieuwe wet ruimtelijke ordening biedt. De structuurvisie bestaat uit een beleidskader en een uitvoeringsparagraaf waarin het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) wordt geïmplementeerd in een Gemeentelijk Kwaliteitsmenu (GKM) en is op 9 april 2013 vastgesteld door de gemeenteraad.
Figuur 5 Uitsnede kaart structuurvisie
De tweede evaluatie van de werking van de structuurvisie heeft inmiddels plaatsgevonden. De aangepaste structuurvisie is vastgesteld op 26 oktober 2019. Eén van de speerpunten van het gemeentelijk beleid is het versterken van de concurrentiepositie van duurzame agribusiness, door gebruik te maken van het innovatief vermogen van bedrijven en door in te zetten op de praktische toepassing van wetenschappelijk onderzoeken haar structuurvisie heeft de gemeente haar beleid uitgangspunt vastgelegd ten aanzien van de vestiging van nieuwe grondgebonden agrarische bedrijven. Omdat de ontwikkelingsmogelijkheden niet overal hetzelfde zijn en de omgevings(kwaliteit) ook van gebied tot gebied verschilt, is het grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas opgedeeld in 21 deelgebieden, geclusterd onder 8 hoofdcategorieën. Onderhavige locatie is in de structuurvisie gelegen in de ruimtelijke structuur ‘’Zandgrondenlandschap’’, meer specifiek ’Agrarisch gebied Sevenum-Zuid en MeterikNoord’. Voor dit deelgebied is grondhouding van de gemeente positief voor de ontwikkeling van grondgebonden agrarische bedrijven. Het provinciale Limburgs Kwaliteitsmenu is nader uitgewerkt in het Gemeentelijk Kwaliteits-menu dat onderdeel uitmaakt van de gemeentelijke structuurvisie. De gemeente Horst aan de Maas staat open voor nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied.
De gemeente kiest voor een benadering waar ontwikkelingen binnen flexibele kaders worden toegestaan indien de kwaliteiten van dorpen en het buitengebied er
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum
18
ook mee vooruit gaan. Vanwege de ligging buiten de contour is voor onderhavig initiatief het Kwaliteitsmenu van toepassing. Er vindt dan ook een kwalitatieve tegenprestatie plaats in de vorm van een landschappelijke inpassing van het plangebied. Wat dat betreft wordt aangesloten bij de doelstellingen van het deelgebied. 3.4.2
Omgevingsplan Buitengebied Horst aan de Maas Het plangebied is in het omgevingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas”, vastgesteld op 19-12-2017, aangewezen voor de volgende bestemmingsvlakken: “Waarde – Archeologie 6”, “Waarde – Zone bronsgroene landschappen”, “Waarde – Archeologie 3”, “Natuur”, “Verkeer”, “Agrarisch met waarde”. Het voorgenomen initiatief past niet binnen de bepalingen van het vigerende omgevingsplan. Daar de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ niet meer van toepassing is en plaats moet maken voor de functieaanduiding ‘paardenhouderij’. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en getoetst aan de vigerende Wet- en regelgeving.
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum
19
4
OMGEVINGSASPECTEN
4.1
MILIEUASPECTEN
4.1.1
Bedrijven en Milieuzonering De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient erop toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken en anderzijds functies die daar last van hebben. Die afstand moet ook weer niet onnodig groot zijn, omwille van een efficiënt ruimtegebruik. De VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009 wordt onder andere bij bestemmingsplanprocedures als handreiking gebruikt voor het toetsen van ruimtelijke ontwikkelingen. In deze publicatie worden per bedrijfstype minimale richtafstanden aangegeven voor wat betreft geur, stof, gevaar en geluid die bij voorkeur dienen te worden aangehouden tot hindergevoelige functies (gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht, of een gedeelte daarvan) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Als aan de richtafstanden wordt voldaan, is op die punten sprake van een goede ruimtelijke ordening.
De richtafstanden zijn enerzijds gekoppeld aan de milieucategorie van de te beoordelen inrichting en anderzijds de karakterisering van de omgeving waarin de inrichting is gelegen. De VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” geeft aan dat voor een paardenhouderij een grootste afstand aangehouden moet worden van 50 meter. Dit voor het aspect geur. Voor het aspect geluid geldt een richtafstand van 30 meter. Voor stof geldt een richtafstand van 30 meter. Voor een veehouderij moet een grootste afstand aangehouden worden van 50 meter. Het dichtstbijzijnde gevoelige object betreft een woning aan de Goenjeweg 2 te Sevenum, gelegen op een afstand van circa 190 meter (bouwvlak-bouwvlak). Hiermee wordt ruimschoots aan de gestelde richtafstanden voldaan. Op de aspecten geur, stof, geluid en gevaar worden daarmee geen belemmeringen verwacht. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object. Hiermee zullen geen van de omliggende bedrijven, functies en bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
4.1.2
Geur De regels met betrekking geur staan in paragraaf 5.1.4.6 van het BKL. Deze regels zijn, tezamen met het tijdelijk deel van het omgevingsplan en de regels van de bruidsschat, het toetsings- en beoordelingskader voor geur bij omgevingsplanactiviteiten en wijzigingen van het omgevingsplan.
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum
20
Geur door activiteiten Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniek-principe; de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De bruidsschat maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. Het omzetten van nertsenhouderij naar paardenhouderij zorgt voor een flinke daling in de emissie van geur. De afstand die voor geur aangehouden moet worden wordt kleiner.
Voor paarden wordt deze afstand 50 meter (artikel 22.101 van het Omgevingsplan Horst aan de Maas), terwijl deze voor de nertsen 200 meter bedroeg. De nieuw op te richten bedrijfswoning is onderdeel van een veehouderij. Om deze reden is artikel 22.101 van het Omgevingsplan Host aan de Maas van toepassing. Er geldt dat binnen een afstand van 50 meter van de woning geen andere veehouderijen voor mogen komen. Binnen 50 meter rondom het bouwvlak komen geen andere veehouderijen voor. De woning kan worden opgericht. Ook wordt ruimschoots aan de gestelde afstanden voldaan ten opzichte van geurgevoelige objecten in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt hiermee geen belemmeringen voor de voor- en achtergrondbelasting van het aspect geur. Industriële geur In de omgeving zijn geen bedrijven gelegen welke industriële geur veroorzaken, waardoor dit geen probleem vormt voor de ontwikkeling. Ook binnen het plangebied vindt er geen emissie plaats van industriële geur. Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Ter plaatse is sprake van een redelijk goed woon- en leefklimaat. 4.1.3
Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum
21
die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals omgevingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Omgevingswet. De wet bevat grenswaarden voor de stoffen zoals zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM5) voor toetsing of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. NIBM projecten De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit ‘niet in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). Het gaat dan over woningen, kantoren, combinatie hiervan, telen van gewassen, het aanleggen van een spoorwegemplacement. Het Bkl geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-project is. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een rekenmodel. 4.1.3.1
Luchtkwaliteit vanuit de inrichting De voorgenomen ontwikkeling betreft geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling. Er is alleen sprake van het her ontwikkelen van de locatie van een nertsen- naar paardenhouderij. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een uitbreiding van de veestapel, sterker deze neemt af, daar de emissie van fijnstof vanuit de pelsdierhouderij komt te vervallen. De uitstoot van fijn stof zal met de voorgenomen ontwikkeling daarmee afnemen, waarmee sprake is van een zogenaamde NIBM-ontwikkeling. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.
4.1.3.2
Luchtkwaliteit vanuit verkeersbewegingen Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. De activiteiten met betrekking tot de nertsenhouderij zullen in de nieuwe situatie afnemen. Met de verdere ontwikkeling van paardenhouderij zal er sprake zijn van een beperkte toename van verkeersbewegingen. Er wordt uitgegaan van maximaal 60 per dag. Waarschijnlijk is dat aantal verkeersbewegingen aan te merken als Niet in Betekenende Mate (NIBM). Om te bepalen of dit aantal verkeersbewegingen daadwerkelijk aan ter merken is als NIBM, is de NIBM-tool van het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum Infomil. Voor dit plan is de versie van 22 april 2022 gebruikt. De resultaten zijn als in navolgende figuur.
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum
22
Figuur 6 NIBM-tool
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2024
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
60
Aandeel vrachtverkeer
0,0%
NO2 in μg/m3
0,03
3
0,01
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer
PM10 in μg/m Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Zoals uit blijkt uit de NIBM-tool is het project aan te merken als Niet in Betekenende Mate. Een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. 4.1.4
Geluid Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en specifieke activiteiten (windturbines etc.). In de Omgevingswet vormt geluid vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen zijn regels via het Aanvullingsspoor geluid geïntegreerd in de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: −
het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties;
−
het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen;
−
het bevorderen van bronmaatregelen;
−
het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels:
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum
23
−
het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.
Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Geluidsgevoelige gebouwen Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van bronnen afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen bij geluidsgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In een omgevingsplan is in de bruidsschat het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). 4.1.4.1
(Spoor)Wegverkeerslawaai Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen. Met dit plan blijft de mogelijkheid om een bedrijfswoning te realiseren gehandhaafd, deze mogelijkheid zit ook in het vigerende bestemmingsplan. De locatie van de woning is nog niet bekend, net als het ontwerp van de woning. Op het moment dat voor
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum
24
een woning wordt aangevraagd zal in het kader van de omgevingsvergunningsaanvraag aangetoond worden dat ter plaatse van de woning voldaan wordt aan de weten regelgeving. Hiertoe is een onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze woning. De resultaten en conclusie is als volgt: BESPREKING RESULTATEN EN AANBEVELINGEN WGH In opdracht van de initiatiefnemer is een berekening wegverkeerslawaai uitge-voerd voor de realisatie van een nieuwbouw woning, gelegen aan de Goenje-weg 6 te Sevenum. De locatie bevindt zich binnen de kadastrale gemeente Se-venum, sectie V op het perceel 260 en is gelegen in de gemeente Horst aan de Maas. Op basis van de beschikbare verkeersgegevens is er een rekenmodel opgezet en is de gevelbelasting berekend als gevolg van de Goenjeweg, de Saarweg, de Hazenhorstweg en de A67. Van deze wegen vallen de Goenjeweg, de Saarweg, de Hazenhorstweg en de A67 in een geluidaandachtsgebied, derhal-ve is de gevelbelasting afkomstig van bovenstaande wegen getoetst aan het Besluit kwaliteit leefomgeving. Ter plaatse van de gevels van de beoogde woning aan de Goenjeweg 6 te Se-venum bedraagt de geluidbelasting afkomstig van de Rijksweg ten hoogste 59 dB. Derhalve niet wordt voldaan aan de standaardwaarde van 50 dB, echter wordt wel voldaan aan de grenswaarde van 60 dB. De geluidbelasting afkom-stig van de gemeentelijke weg(en) bedraagt ten hoogste 53 dB.
Derhalve wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB. BESPREKING GELUIDSBELASTING BBL Binnen het Besluit bouwwerken leefomgeving, Artikel 4.103. is geregeld dat een waarde van 33 dB in de woning als gevolg van omgevingslawaai moet zijn gewaarborgd. Tevens wordt in het Besluit bouwwerken leefomgeving, Artikel 4.102. vermeld dat de karakteristieke geluidwering van geveldelen (GA;k) voor woningen ten minste 20 dB dient te bedragen. De gezamenlijke geluidbelasting bij de beoogde woning bedraagt ten hoogste 59 dB. Om het binnenniveau met een waarde van 33 dB, volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving, te waarborgen dient de benodigde gevelwering ten minste 26 dB te bedragen. MAATREGELEN Omdat niet kan worden voldaan aan de standaardwaarde, van de Rijksweg, ter hoogte van het de beoogde woning dienen maatregelen onderzocht te worden om de geluidbelasting te laten dalen tot de voorkeursgrenswaarde. Bij maatregelen aan de geluidbron wordt bekeken of het geluidniveau van de veroorzaker van het geluid gereduceerd kan worden. Dit kan o.a. door stillere voertuigen, verlaging van de maximum snelheid of een stiller wegdek. Bronmaatregelen kunnen genomen worden door het verlagen van de ver-keersintensiteit en de maximale snelheid van de maatgevende weg.
De A67 betreft echter een doorgaande weg, het verlagen van de verkeersintensiteit lijkt daarmee niet realistisch en roept bezwaren op van verkeerskundige aard. Een vermindering van mechanische geluiden kan alleen door de ontwikkeling van nieuwe technieken en is zodoende niet realistisch.
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum
25
Een vermindering van het geluid dat de banden op het wegdek veroorzaken is te realiseren door het toepassen van een geluid reducerend wegdek. Hierbij dient opgemerkt te worden dat het één woonhuis betreft, derhalve zullen de bijkomende kosten ter vervanging van een wegdek niet in verhouding staat tot de gewenste vermindering van het geluid. Het vervangen van het asfalt wordt met inachtneming van bovenstaande dan ook niet realistisch geacht. Bij overdrachtsmaatregelen wordt bekeken of tussen geluidbron en ontvanger de geluidoverdracht belemmerd kan worden. Dit kan o.a. door een geluid-scherm. Wanneer een scherm gemoduleerd wordt van 5,0 meter hoog (2 woonlagen) op de kadastrale grens voor het huis langs naar de overdekte rij-bak met een totale lengte van 26 meter vinden er nog steeds overschrijdingen plaats van de standaardwaarde aan de zuidoost gevel. De kosten van een ge-luidscherm variëren van € 200,-- per m2 bij zelf montage tot € 1.000,-- of hoger per m2 bij professionele aanleg door derden. Uitgaande van 130 m2 worden de kosten al snel minimaal € 130.000,--. Echter zal met een scherm van dergelijk formaat nog niet voldaan worden aan de standaardwaarde voor Rijkswegen.
Mede gezien de korte ligging van de gebouwen aan de wegen brengt het aanleggen van een geluidscherm gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting in de onder-havige situatie tevens bezwaren van stedenbouwkundige en landschappelijke aard danwel uit verkeersveiligheid. Een andere mogelijkheid zou kunnen zijn de afstand tussen de bron (wegen) en ontvanger (woningen). De geplande woningbouw is gesitueerd voor het be-drijf, langs de doorlopende weg (Goenjeweg). De woning is gelokaliseerd in de noordoostelijke hoek van het beoogde projectgebied tussen de Goenjeweg en de Saarweg in. De geplande bebouwing is dusdanig beoogd dat deze als af-schermende werking dient ten aanzien van het geluid afkomstig van de A67. Verschuivingen van de gebouwen geeft dan ook geen lagere geluidbelasting op de beoogde woning. Omdat uit het bovenstaande blijkt dat maatregelen bij de bron of in de over-dracht op diversen bezwaren stuiten dient gekeken te worden naar maatrege-len bij de ontvanger. Hierbij valt te denken aan een dove gevel. Een dove ge-vel betreft een gevel die geen te openen delen bevat, derhalve mogen de ra-men in zulk soort gevels niet te openen zijn. De dove gevel zou in onderhavig geval bij de beoogde woning de gehele noordoost én zuidoost gevel gereali-seerd moeten worden.
Twee gevels vrij houden van te openen delen danwel verblijfruimtes wordt als niet gewenst geacht. Derhalve wordt de realisatie van een dove gevel niet realistisch geacht. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere grenswaarde te verlenen con-form Artikel 5.78u. (overschrijding standaardwaarde), van het Besluit kwaliteit leefomgeving. CONCLUSIE Ter plaatse van de gevels van de beoogde woning aan de Goenjeweg 6 te Se-venum bedraagt de geluidbelasting afkomstig van de Rijksweg ten hoogste 59 dB. Derhalve niet wordt voldaan aan de standaardwaarde van 50 dB, echter wordt wel voldaan aan de grenswaarde van 60 dB. De geluidbelasting afkom-stig van de gemeentelijke weg(en) bedraagt ten hoogste 53 dB. Derhalve wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB.
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum
26
De gezamenlijke geluidbelasting bij de beoogde woning bedraagt ten hoogste 59 dB. Om het binnenniveau met een waarde van 33 dB, volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving, te waarborgen dient de benodigde gevelwering ten minste 26 dB te bedragen. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere grenswaarde te verlenen conform Artikel 5.78u. (overschrijding standaardwaarde), van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Concluderend kan gesteld worden er geen sprake is van een belemmering vanuit het aspect geluid. 4.1.4.2
Industrielawaai Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het omschakelen van een nertsenhouderij naar paardenhouderij. Gezien de afstand tot de omliggende gevoelige functies, meer dan 175 meter, dan dat het bedrijf naar qua geluiduitstraling gelijk blijft aan de huidige bedrijfsvoering, is het aannemelijk dat ter plaatse van de omliggende woning sprake blijft van een acceptabel woon- en leefklimaat. Temeer omdat ook ruimschoots voldaan wordt aan de richtafstand voor geluid bij aan paardenhouderij, welke 30 meter bedraagt. Het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) niet in onevenredige mate toenemen. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving.
4.1.5
Externe veiligheid Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen.
4.1.5.1
Risicovolle inrichtingen Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Goenjeweg 6, Sevenum
27
welke vallen onder Bevi. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn. Figuur 6 Uitsnede risicokaart (Bron: www.nl.ev-signaleringskaart.nl)
4.1.5.2
Transport (spoor-, vaar en autowegen) en buisleidingen Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Bevt zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloed gebied van een transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het water of over het spoor.