CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

07c Toelichting

Gemeenteraad 8 februari 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van bestemmingsplan Vondersestraat 57-59 Horst.15.194 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.2.3 Luchtkwaliteit Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1). Als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;  het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3).

Hoofdstuk 4

30

Toetsing De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling voorziet in het aanpassen van de waterloop van de Groote Molenbeek (meandering aanbrengen) waardoor de beek klimaatbestendig wordt ingericht en de recreatieve waarden van de beek worden verbeterd. Daarnaast zullen er drie burgerwoningen mogelijk worden gemaakt met het planvoornemen (waarvan twee reeds bestaand als bedrijfswoning). Deze zorgen voor (mogelijk extra) motorvoertuigbewegingen. De nieuwe reguliere burgerwoning zal gerealiseerd worden in het zuidoosten van het plangebied. Het glastuinbouwbedrijf zorgt reeds voor een verkeersaantrekkende werking van haar werknemers en mogelijk ook logistieke verkeersbewegingen. Wanneer het glastuinbouwbedrijf wordt omgezet naar reguliere burgerwoningen, zullen er minder verkeersbewegingen plaatsvinden van en naar de locatie aan de Vondersestraat 57 en 59. Hiermee daalt dus de te verwachten verkeersaantrekkende werking van het plangebied aan de Vondersestraat 57 en 59 en zal het aantal verkeersbewegingen afnemen. Dit heeft een positief effect op de luchtkwaliteit. Daarnaast behoort het ruimtelijk initiatief tot een project op de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM (woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg).

Hierdoor kan worden verondersteld dat het aspect luchtkwaliteit niet-in-betekenende-mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van het ruimtelijk initiatief. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. 4.2.4 Externe veiligheid Toetsingskader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Toetsing Met het planvoornemen worden drie reguliere burgerwoningen mogelijk gemaakt. Een woning is een kwetsbare object waardoor er een toetsing aan de veiligheidseisen dient te worden uitgevoerd. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van risicovolle objecten.

Hoofdstuk 4

31

Figuur 9 Uitsnede risicokaart (noordelijke projectlocatie blauw omlijnd)

Risicovolle transportroutes In de nabijheid van plangebied zijn drie risicovolle transportroutes gelegen:  Rijksweg A73, wegvak L2 tussen afrit 9 (Venray) en afrit 11 (Horst), gelegen op circa 105 meter afstand van het plangebied.  Provinciale weg Meldersloseweg (N556), gelegen op circa 850 meter afstand van het (noordelijke) plangebied.  Spoorlijn 12BM.4 tussen Helmond en Venlo, gelegen op circa 3.500 meter van het plangebied. De provinciale weg en de spoorlijn zijn op dermate grote afstand gelegen van het project dat deze geen belemmering vormen voor de ontwikkeling van onderhavig initiatief. De rijksweg A73 is de meest nabijgelegen risicovolle transportroute. Over de A73 worden de stoffen LF1, LF2, LT1, LT2 en GT4 vervoerd. Het grootste invloedsgebied met een 1% letaliteitsafstand behoord tot de stof GT4. Deze bedraagt meer dan 4.000 meter. Gezien de afstand tot het projectgebied is het noodzakelijk om een berekening uit te voeren ten aanzien van het groepsrisico. M-Tech heeft op 11 februari 2021 een berekening opgesteld ten aanzien van het groepsrisico (zie bijlage 13). Hieruit blijkt dat het toevoegen van drie burgerwoningen (waarvan twee woningen worden omgezet van bedrijfswoning naar burgerwoning) geen significant effect heeft op het groepsrisico. Hierdoor vormt het groepsrisico geen belemmering voor de ontwikkeling van onderhavig initiatief. 3

M-Tech, ‘Beschouwing externe veiligheid van een ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van de uitwerking van twee deellocaties gelegen aan de Vondersestraat in Horst aan de Maas’, rapportnr.: VON.HOR.21. EV01, d.d. 11 februari 2021.

Hoofdstuk 4

32

Risicovolle buisleidingen Op meer dan 3.500 meter afstand van het plangebied is een buisleiding gelegen van de N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij. Door de relatief grote afstand van de buisleiding naar het projectgebied vormt deze buisleiding geen belemmering voor onderhavig initiatief. Risicovolle inrichtingen Er bevinden zich twee risicovolle inrichtingen in de omgeving van de ontwikkeling aan de Vondersestraat, namelijk een Bevi-inrichting Vissers en een LPG tankstation. De Bevi-inrichting Vissers is een inrichting voor opslag van gevaarlijke stoffen (LPG) met een invloedsgebied van circa 1,2 kilometer. Het plangebied is gelegen op meer dan 2 kilometer waardoor de activiteiten van de Bevi-inrichting geen invloed hebben op onderhavig initiatief. Het Texaco LPG-tankstation De Kamp aan de Venrayseweg ligt op meer dan 1,3 kilometer van het plangebied. Hiermee ligt het plangebied buiten het invloedsgebied van het tankstation en vormt het LPG-tankstation daarmee geen belemmering voor onderhavig ruimtelijk initiatief.. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. 4.2.5 Bedrijven en Milieuzonering Toetsingskader Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd.

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’.4 Twee omgevingstypen De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functie-

4

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

33

menging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Toetsing Vondersestraat 57 en 59 De ontwikkeling van drie wooneenheden omhelst de toevoeging van een milieugevoelige functie waardoor er voor deze locatie wel gekeken dient te worden naar het aspect bedrijven en milieuzonering. De projectlocatie van de Vondersestraat is gelegen in een ‘rustig buitengebied’. Het plangebied is niet gelegen in een gemengd gebied waardoor het niet mogelijk is om de afstandstrap met één trede te verkleinen. Onderstaande afbeelding is een uitsnede van de locatie van de Vondersestraat 57 en 59 ten opzichte van de vigerende bestemmingsplannen.

Figuur 10 uitsnede vigerende bestemmingsplannen met globale aanduiding van de ligging van de (nieuwe) woningen (Omlijnd)

Afweging Nutsvoorziening Op circa 100 meter afstand, ten westen van de A73 aan de Vondersestraat is een bedrijf gelegen waar een maximale milieucategorie van niveau 2 is toegestaan. Hiervoor bedraagt de richtafstand 30 meter. Deze afstand wordt ruimschoots behaald.

Hoofdstuk 4

34

Studio Bovenwijs Op circa 120 meter afstand,, aan de Slooierweg 4 te Melderslo, is Studio Bovenwijs gelegen. Het betreft een praktijk voor kinderen met gedrags- en/of leerproblemen. Studio Bovenwijs kan worden gezien als een consultatiebureau/kliniek/dagverblijf en persoonlijke dienstverlening. De milieucategorie behorende bij deze functie bedraagt milieucategorie 1, waarbij de maximale richtafstand 10 meter bedraagt. Gezien de afstand van de Vondersestraat 57 en 59 tot Studio Bovenwijs kan worden geconcludeerd dat de bedrijfsactiviteiten van Studio Bovenwijs geen belemmering vormen voor het woonen leefklimaat ter plaatse van de Vondersestraat 57 en 59. Daarnaast vormt de toevoeging van drie burgerwoningen aan de Vondersestraat 57 – 59 geen belemmering voor de bedrijfsactiviteiten van Studio Bovenwijs. Overige activiteiten Op meer dan 500 meter afstand van de noordelijke projectlocatie zijn nog twee milieugevoelige activiteiten gelegen: 1. Paardenbak (tegenover Sint Odastraat 43, Melderslo) 2. Henraath VOF Metaalrecycling (Heuvelweg 23, Melderslo) Voor de paardenbak valt onder de categorie manege waarvoor milieucategorie 3.1 geldt met een bijbehorende maximale richtafstand van 50 meter. Deze afstand wordt ruimschoots gehaald. De metaalrecycling valt onder de categorie ‘Overige metaalbewerkende industrie met een bijbehorende milieucategorie van 3.2 (of 4.2).

De bijbehorende richtafstand voor deze bedrijfsactiviteiten bedragen maximaal 100 (of 300) meter. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. 4.2.6 M.e.r.-plicht Toets directe m.e.r.-plicht Het voorliggende initiatief heeft betrekking op het verleggen van de Groote Molenbeek en het toevoegen van drie burgerwoningen. Deze ontwikkeling komt niet voor in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. Er is hiermee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In onderdeel D van de bijlage bij het besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. Deze ontwikkeling komt niet voor in lijst D van de bijlage van het Besluit m.e.r. en kan niet worden gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject. Er is hiermee geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht.

Hoofdstuk 4

35

Conclusie Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat voor het verleggen van de Groote Molenbeek en het dempen van delen van de waterloop geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld.

4.3 Ecologie 4.3.1 Natuurwetgeving De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. 4.3.2 Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied.

Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Maasduinen”, bevindt zich op circa 7,1 kilometer afstand ten oosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. In juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking waarbij een vrijstelling geldt voor stikstofuitstoot tijdens de bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten waardoor het makkelijker is een vergunning te krijgen voor de bouw van initiatieven waarbij in de gebruiksfase weinig stikstofuitstoot plaatsvindt. Derhalve dient uitsluitend het effect van de gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden berekend te worden. Daar de voorgenomen ontwikkeling de sloop van een tuinbouwkas, het herinrichten dan van een beekloop en het realiseren van één nieuwe reguliere vrijstaande burgerwoning (plus omzetten van twee bestaande bedrijfswoningen naar reguliere burgerwoningen) betreft, is een toename aan stikstofuitstoot tijdens de gebruiksfase te verwachten. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is niet uit te sluiten.

Vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening dient uit te wijzen of er een toename van stikstofdepositie plaatsvindt.

Hoofdstuk 4

36

Uit het vervolgonderzoek met een AERIUS-berekening zijn bij de gebruiksfase geen depositieresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Het plangebied is gelegen binnen de bronsgroene landschapszone. Gezien binnen de voorgenomen plannen de bebouwing binnen dit deelgebied grotendeels wordt geamoveerd en plaats maakt voor een natuurlijke stromende beek, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van de bronsgroene landschapszone niet worden aangetast. De voorgenomen plannen zullen juist de kwaliteit van zowel het landschap als de natuur verhogen, en meer in lijn brengen met inpassingen zoals gewenst binnen de bronsgroene landschapszone. Vervolgonderzoek in het kader van de bronsgroene landschapszone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. 4.3.3 Beschermde houtopstanden Het plangebied is gelegen buiten de bebouwde kom. Binnen het plangebied zijn geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig. 4.3.4 Soortenbescherming

Tabel 2 Gebiedsbescherming

Tabel 1 Soortenbescherming

Hoofdstuk 4

37

In het kader van de beoogde ontwikkeling is door Econsultancy een quickscan flora en fauna uitgevoerd.5 Onderstaand worden de conclusies uit deze quickscan weergegeven. Het volledig rapport is opgenomen als separate bijlage bij onderhavig bestemmingsplan. Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen: 

 

Ten aanzien van de bever is vervolgonderzoek waarbij voortplantingsplaatsen, rustplaatsen en (essentieel) leefgebied van de bever langs geheel tracé noord van de Groote Molenbeek in kaart wordt gebracht noodzakelijk; Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op opgaand groen en de Groote Molenbeek te worden vermeden; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van opgaand groen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

4.3.5 Conclusie Er dient een vervolgonderzoek uitgevoerd te worden ten aanzien van het voorkomen van de bever. Het verdiepend onderzoek ten aanzien van het voorkomen van de bever moet uitwijzen voor welke functies de bever het plangebied en de omliggende gronden/oevers gebruikt. Tijdens een veldbezoek moeten de functies van het gebied, o.a. voortplantingsplaatsen, dammen en functioneel leefgebied, in kaart wordt gebracht om de mate van verstoring te bepalen. De benodigde inspanning voor het aantonen van de aan- of afwezigheid van voortplantingsplaatsen, rustplaatsen en exemplaren van de bever is sterk afhankelijk van het gebied en het moment in het jaar dat de inventarisatie gehouden wordt. De optimale periode van het inventariseren loopt van begin maart tot eind april, buiten deze periode zal meer onderzoeksinspanning moeten worden verricht. In de regels van voorliggend bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin is aangegeven dat het nader onderzoek naar de aanwezigheid van de bever voorafgaand aan de werkzaamheden van het ruimtelijk initiatief uitgevoerd dient te zijn.

4.4 Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem.

5

Econsultancy, ‘Quickscan flora en fauna Groote Molenbeek Noord te Horst, rapportnr.: 10438.004, d.d. 5 november 2019.

Hoofdstuk 4

38

Beschrijving van waterrelevant beleid Nationaal beleid In december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Provinciaal beleid De opgave in het POL2014 inzake het regionale water, is te komen tot robuuste en natuurlijk functionerende, veerkrachtige watersystemen, waardoor risico’s op wateroverlast en watertekort verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel blijven. Er dient voldaan te worden aan de regionale normering voor wateroverlast. Daarnaast is de opgave het ontwikkelen van regionale, gebiedsgerichte adaptatiestrategieën en het treffen van effectieve maatregelen voor het omgaan met huidige én toekomstige watertekorten, waarbij beschikbaarheid van voldoende water van de juiste kwaliteit een belangrijke voorwaarde is.

Op die manier zijn problemen op gebied van watertekort in tijden van schaarste, beheersbaar en maatschappelijk acceptabel. Een van de provinciale doelen is om wateroverlast en watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies afgestemd te worden. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties. Waterschap Limburg In het Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 (PWP) en het Waterbeheerplan Limburg 2016-2021 (WBP) spelen de beekdalen een belangrijke rol voor allerlei watergebonden functies.

Doelstelling van het provinciaal beleid is te komen tot een beekdalbrede aanpak bij de ontwikkeling van een ecologisch gezond functionerend en klimaatbestendig watersysteem. In het beleid van zowel provincie als waterschap is een nadere uitwerking van beekdalontwikkeling, als ook de functietoekenning van oppervlaktewateren, aangekondigd.

Hoofdstuk 4

39

Het doel van het PWP en het WBP is het realiseren van klimaat robuuste en veerkrachtige beekdalen van de Natuurbeken in Limburg, teneinde problemen op het gebied van wateroverlast en droogte, waterkwaliteit en ecologie in relatie tot de aanwezige functies op een integrale wijze aan te pakken. Dit als een van de antwoorden op klimaatadaptatie. Klimaat robuuste en veerkrachtige beekdalen willen de Provincie Limburg en Waterschap Limburg realiseren door samen met de omgeving (eigenaren blijven beheerder) het beekdal te ontwikkelen tot klimaatbuffer. Deze doelstellingen zijn vastgelegd in de visie ‘Beekdalontwikkeling in Limburg’ van het waterschap Limburg en de Provincie Limburg (d.d. 12-12-2018). Gemeente Horst aan de maas In het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2017-2021 van de gemeente Horst aan de Maas is het beleid ten aanzien van riolering en stedelijk water binnen de gemeente vastgelegd. Het afval- en hemelwater dienen gescheiden van elkaar te worden. Per locatie wordt bekeken op welke wijze het hemelwater kan worden verwerkt, waarbij infiltratie de voorkeur heeft. Wanneer dit niet mogelijk is, wordt het hemelwater vastgehouden en vertraagd afgevoerd. De gemeente hanteert vooralsnog een bergingseis van 30 mm voor een voorziening met een overloopvoorziening en 50 mm voor een voorziening zonder overloopvoorziening.

De gemeente is verantwoordelijk voor de verwerking en infiltratie van het hemelwater van het openbare terrein. Ten aanzien van infiltratiesystemen streeft de gemeente naar systemen die, bij voorkeur zichtbaar zijn, eenvoudig zijn aan te leggen en te monitoren, makkelijk zijn te reinigen en die goed functioneren. Toetsing De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, ecosysteem, hemel- en afvalwater. Grondwater Om grondwateroverlast te voorkomen, wordt gestreefd naar een minimale ontwateringsdiepte van 0,7 m-mv voor bebouwing en 0,5 meter ter plaatse van de tuinen. Het plangebied ligt binnen de Centrale Slenk op een beekdalbodem die gevormd is door de Groote Molenbeek. Ter plaatse is een beekeerdgrond met lemig fijn zand te verwachten (BRO bodemkaart 2018). Naar verwachting zal deze bodem een slechte tot matige doorlatendheid hebben en volgens de bodemdoorlatendheidskaar van het waterschap Limburg zal de infiltratiesnelheid tussen de 0,45 en 0,75 m/d liggen. De toplaag van de bodem behoort tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Singraven en heeft een dikte van circa 4,5 meter.

Dit laagpakket wordt gekenmerkt door grijs tot geel zeer fijn tot zeer grof zand (105-420 μm), lokaal siltig of grindig. Volgens gegevens uit het DINO-loket en de gekende gegevens bij waterschap Limburg ligt de gemiddelde grondwaterstand op circa 20,4 m +NAP en de verwachte GHG op circa 20,8 m +NAP.

Hoofdstuk 4

40

De freatische grondwaterstroming is globaal noordelijk gericht, maar wegens de ligging van de Groote Molenbeek zal lokaal het grondwater in westelijke richting stromen. Het plangebied ligt niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied en zover bekend zijn er geen (grond)waterverontreinigingen aanwezig. Oppervlaktewater De westkant van het plangebied wordt begrenst door de Groote Molenbeek, deze wordt beheerd door het waterschap Limburg en heeft een beschermingszone. Binnen deze beschermingszone mag niet zonder vergunning gebouwd worden en dient te worden aangevraagd bij het waterschap Limburg. Parallel aan de Vondersestraat en de Zandweg liggen kleine watergangen die in het beheer zijn van de gemeente Horst aan de Maas. Deze watergangen functioneren voor de afvoer van (hemel)water. Deze watergangen worden vanaf de straat onderhouden. Binnen het plangebied zijn twee waterreservoirs aanwezig, die gebruikt worden als watervoorziening voor de teelt in de kassen. Afvalwater Er zijn twee bedrijfswoningen aanwezig binnen het plangebied welke op het gemeentelijk rioolstelsel aangesloten zijn. Bij de nieuwbouw worden de waterstromen op eigen terrein 100% gescheiden gehouden. Het afvalwater van de nieuwe reguliere vrijstaande burgerwoning wordt op het gemeentelijk stelsel aangesloten.

Voor de wijzigingen aan de rioolaansluiting op het gemeentelijk stelsel dient te zijner tijd een aanvraag gedaan te worden bij de gemeente Horst aan de Maas. Het hemelwater wordt bij voorkeur op eigen terrein verwerkt. Hemelwater De bestaande verharding van de kassen loopt af naar de waterbassins. Zover bekend zijn de woningen aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. De omliggende verharding stroomt af naar de bestaande sloot nabij de Vondersestraat. Bij de herontwikkeling wordt een gescheiden stelsel aangelegd. Dit dient op eigen terrein verwerkt te worden. Door de sloop van de bestaande kassen, bedrijfsruimte en waterbassins neemt het verhard oppervlak af. Vanuit het geldend beleid is het geadviseerd om bij ontwikkelingen 100 mm hemelwaterverwerking op eigen perceel in te passen. Dit kan op het toekomstige perceel ingepast worden middels een kleine waterloop of door de bestaande greppel nabij de weg te vergroten. Hierin wordt dan bovengronds het hemelwater verwerkt en kan bij excessieve buien eenvoudig overloop naar de Groote Molenbeek plaatsvinden. Op de toekomstige percelen is afdoende ruimte aanwezig om het hemelwater te verwerken gezien de bestaande verharde situatie. Conclusie De nieuw te realiseren reguliere vrijstaande burgerwoning dient aangesloten te worden op het gemeentelijke rioolstelsel.

Door inpassing van een kleine waterloop of uitbreiding van de bestaande greppel kan worden voorzien in een hemelwaterverwerking van 100 mm. Vanuit het aspect water worden geen belemmeringen verwacht voor de ontwikkeling van onderhavig ruimtelijk initiatief.

Hoofdstuk 4

41

4.5 Verkeer en parkeren Toetsingskader De beoogde ontwikkeling dient niet te leiden tot verkeerskundige knelpunten en er dient in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien. Hierbij wordt voor het aspect parkeren getoetst aan het gemeentelijk Parkeerbeleidsplan. De verkeersaantrekkende werking wordt beoordeeld aan de hand van CROW-kengetallen. Toetsing Aan de Vondersestraat 57 en 59 zullen drie burgerwoningen (waarvan twee reeds bestaande bedrijfswoningen) mogelijk worden gemaakt. Deze ontwikkeling heeft een effect op de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte ter plaatse van deze burgerwoningen. In onderstaande tabel is de verkeersintensiteit weergegeven. Voor de berekening van de verkeersintensiteit is uitgegaan van een omgevingsdichtheid ‘weinig stedelijk’ (omgevingsadressendichtheid van 545) in het ‘buitengebied’ van de CROW publicatie 381. Voor de berekening zal worden uitgegaan van een worst-case scenario en is de maximale bandbreedte gebruikt. Op basis van de normen zal het planvoornemen 25 motorvoertuigbewegingen per etmaal genereren voor een gemiddelde weekdag. Woningtype

Aantal

Verkeersgeneratie

2

Verkeersgeneratie per woning 8,2

Koop, huis, twee-onder-een-kap Koop, huis, vrijstaand Totaal

1

8,6

8,6 25

16,4

In de huidige situatie heeft het plangebied een bedrijfsfunctie. De glastuinbouw wordt gebruikt voor de productie van groenten. De activiteiten die plaatsvinden in de glastuinbouw genereren een bepaalde verkeergeneratie. Deze verkeersbewegingen mogen afgetrokken worden van de toekomstige verkeersgeneratie. Het is echter moeilijk te bepalen hoeveel de verkeersgeneratie van de glastuinbouw bedraagt. Daarnaast genereert de glastuinbouw ook zwaardere verkeersbewegingen ten behoeve van de transport van de agrarische producten. Ook de twee huidige bedrijfswoningen kennen een verkeersgeneratie. Na omzetting van de twee bedrijfswoningen naar reguliere burgerwoning zal er geen verandering optreden ten aanzien van de verkeersgeneratie van deze twee woningen. Per saldo zal de toekomstige verkeersgeneratie daarom niet 25 motorvoertuigen per etmaal bedragen, maar lager zijn vanwege de aftrek van de huidige verkeersgeneratie. Daarnaast zorgt de activiteiten gerelateerd aan de glastuinbouw voor verkeersbewegingen op afwijkende tijdstippen ten opzichte van een woonbestemming. Als de ‘nieuwe’ verplaatsingen worden toegedeeld aan de Vondersestraat, dan wordt verwacht dat deze wegen de motorvoertuigbewegingen goed kunnen verwerken. De burgerwoningen zullen aansluiten op de Vondersestraat. Verder vinden er geen wijzigingen plaats ten aanzien van de ontsluiting en de omliggende wegenstructuur.

Hoofdstuk 4

42

Parkeren Zoals bovenstaand aangegeven zal de glastuinbouw worden geamoveerd om ruimte te maken voor natuurontwikkeling en de oprichting van drie reguliere burgerwoningen (waarvan twee reeds bestaande bedrijfswoningen). De glastuinbouw genereert verkeersbewegingen welke parkeergelegenheid behoeven. De glastuinbouw zal echter worden geamoveerd en de agrarische bestemming zal komen te vervallen. Er zullen minder parkeerplaatsen nodig zijn om in de parkeerbehoefte van de reguliere burgerwoningen te voorzien. Volgens de gemeentelijk nota parkeernormen dient in het buitengebied voldaan te worden aan 2 parkeerplaatsen per woning. Gezien de voorgenomen ontwikkeling en daarbij in achtneming van de huidige situatie wordt verondersteld dat het planvoornemen kan voorzien in het de realisatie van de benodigde parkeervoorzieningen. De parkeerplaatsen kunnen op eigen terrein worden voorzien. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig ruimtelijk initiatief.

4.6 Leidingen en infrastructuur Er zijn blijkens het geldende bestemmingsplan en de risicokaart op of rond het besluitgebied geen kabels of leidingen gelegen met een bestemmingsplanplichtige beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

4.7 Archeologie en cultuurhistorie 4.7.1 Archeologie Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Onderzoek Op de locatie van de Vondersestraat geldt volgens de Maatregelenkaart Categorie 6: Specifieke archeologische verwachting (beek)dalen en oude maasgeulen, met een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 2.500 m² en een verstoringsdiepte vanaf 50 cm –mv.

Hoofdstuk 4

43

Vanuit de gemeente is aangegeven dat er op de kavels van de huidige bedrijfswoningen geen graafwerkzaamheden plaats gaan vinden. Feitelijk treedt er derhalve alleen een omzetting van bedrijfswoning naar burgerwoning op aan de percelen van de huidige bedrijfswoningen. Hierdoor is uitsluitend het perceel waarop de nieuwe reguliere vrijstaande burgerwoning is voorzien mogelijk onderzoeksplichtig evenals het gebied van de loop van de aangepaste Groote Molenbeek. Het oppervlak van het perceel waarop de nieuwe vrijstaande woning is voorzien kent een oppervlak van circa 1.500 m². De burgerwoning zelf zal echter worden voorzien op een klein deel van het perceel. Een archeologisch onderzoek wordt noodzakelijk geacht wanneer bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 2.500 m² en een verstoringsdiepte vanaf 50 cm –mv te verwachten zijn. Het oppervlak van het perceel van de nieuwe reguliere vrijstaande burgerwoning is kleiner dan het oppervlak waarvoor een onderzoeksplicht geldt. De dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 6’ zal middels voorliggend bestemmingsplan worden gehandhaafd. 4.7.2 Cultuurhistorie De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op mogelijk aanwezige rijksmonumenten. Het dichtstbijzijnde gelegen cultuurhistorisch waardevolle element betreft de Vondersestraat, een weg uit de periode 1806-1890.

De Groote Molenbeek is ook aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg als zijnde een ‘natte waterloop onderbroken’. Daarnaast liggen kleine delen van het plangebied in cultuurhistorische elementen (vlak), te weten enkeerdgrond en cultuurhistorisch landschap: grasland. Doordat het tracé van de Vondelsestraat intact blijft, en er verder geen cultuurhistorisch waardevolle elementen en monumenten aanwezig zijn binnen, of in de omgeving van het plangebied, is nader onderzoek voor wat betreft cultuurhistorie niet noodzakelijk. Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor onderhavig initiatief.

Hoofdstuk 4

44

5.

JURIDISCHE PLANOPZET

5.1 Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en planregels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De regels en verbeelding zijn opgesteld op basis van de landelijk geldende standaarden (SVBP 2012) en het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’ van de gemeente Weert.

5.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen aanduidingen zijn aangegeven, waaraan in de regels voorwaarden zijn verbonden. De opgenomen verklaring is niet juridisch bindend en is op de verbeelding opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding.

5.3 Toelichting op de regels De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:  Hoofdstuk 1: Inleidende regels;  Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels;  Hoofdstuk 3: Algemene regels;  Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. 5.3.1 Inleidende regels De inleidende regels behelzen de begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn.

Hoofdstuk 5

45

Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. 5.3.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd:  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel.

De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten. Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. Binnen het plangebied liggen diverse enkelbestemmingen:  ‘Waarde – Zone bronsgroene landschapszone’;  ‘Natuur’;  ‘Wonen’. Voor deelgebied 2 van het bestemmingsplan gelden de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 6’ en ‘Waarde – Zone bronsgroene landschapszone’. Voor deelgebied 1 gelden geen dubbelbestemmingen.

Hoofdstuk 5

46

Waarde – Archeologie 6 De voor 'Waarde – Archeologie 6' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden. Op en in de gronden als bedoeld in lid 8.1 mag niet worden gebouwd, met uitzondering van: a. het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bebouwing minder diep reikt dan 50 centimeter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst; b. bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte met niet meer dan 2.500 m² wordt uitgebreid; c. de bestaande bebouwing wordt vergroot met een oppervlakte van ten hoogste 2.500 m²; d. gebouwen en/of bouwwerken die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning. Waarde – Zone bronsgroene landschapszone De voor 'Waarde - Zone bronsgroene landschapszone' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) mede bestemd voor het behoud en bescherming van de landschappelijke waarden, waarbij de kernkwaliteiten zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. Natuur Overeenkomstig het geldende bestemmingsplan is binnen het plangebied de bestemming ‘Natuur’ opgenomen.

Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd ten behoeve van a) de instandhouding, herstel en ontwikkeling van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden; b) instandhouding of ontwikkeling van een (half)natuurlijke vegetatie, waarin kruiden en/of struiken aspectbepalend zijn; c) bestrijding en voorkoming van bodemerosie en wateroverlast; d) agrarisch gebruik voorzover noodzakelijk voor de instandhouding of ontwikkeling van de natuurlijke kwaliteiten; e) waterhuishoudkundige voorzieningen; f) bestaande verkeersvoorzieningen; g) recreatief medegebruik; Wonen Ten aanzien van de nieuwe burgerwoningen is de bestemming ‘Wonen’ opgenomen. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd ten behoeve van wonen met onder voorwaarden aan huis verbonden beroepen. Op deze gronden mogen niet meer woningen worden opgericht dan ter plaatse op de verbeelding is toegestaan. Ten aanzien van gebouwen, bouwwerken en bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn nadere bouwregels opgenomen in de bestemming ‘Wonen’.

Hoofdstuk 5

47

5.3.3 Algemene regels In de algemene regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de antidubbeltelregel, algemene bouw-, gebruiks- en afwijkingsregels en overige regels. Anti-dubbeltelregel In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande maten en ondergeschikte bouwonderdelen. Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is een bepaling omtrent strijdig gebruik opgenomen en zijn enkele bevoegdheden om af te wijken van de gebruiksregels opgenomen. Algemene aanduidingsregels In de algemene aanduidingsregels is een bepaling opgenomen omtrent de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' en 'reconstructiewetzone – verwevingsgebied’. Algemene afwijkingsregels In deze bepaling zijn enkele algemene afwijkingsbevoegdheden opgenomen om te kunnen afwijken van de bouwregels. Algemene wijzigingsregels In deze bepaling zijn enkele algemene wijzigingsbevoegdheden opgenomen om te kunnen afwijken van de bouwregels.

Overige regels In de overige regels zijn de wettelijke regelingen opgenomen en voorrangsregels. 5.3.4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn. De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen. Overgangsrecht In deze regel wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht.

Hoofdstuk 5

48

Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze regel bevat de titel van het plan.

Hoofdstuk 5

49

6.

PROCEDURE

6.1 Procedure Een bestemmingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. De wettelijke procedure start met de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit:  Vooroverleg met betrokken instanties;  Openbare kennisgeving van het ontwerpbestemmingsplan;  Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten;  Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht;  Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken;  Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling;  Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden  Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om

een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2 Vooroverleg en inspraak Het ontwerp bestemmingsplan zal in het kader van het vooroverleg worden toegestuurd aan belanghebbende instanties.

6.3 Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan zal gedurende zes weken ter inzage worden gelegd. Gedurende deze periode heeft eenieder de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen.

Hoofdstuk 6

50

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.BRO.nl

Hoofdstuk 6

1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11025738/1