07c Toelichting
Tekst van het document
Ontwerp bestemmingsplan “Vondersestraat 57-59 Horst” NL.IMRO.1507.HOVondersest57en59-BPO1
Bestemmingsplan ‘Vondersestraat 57-59 Horst’ Gemeente Horst aan de Maas Ontwerp
Identificatienummer:
NL.IMRO.1507.HOVondersest57en59-BPO1
Rapportnummer BRO:
P03766
Datum:
28 september 2021
Opdrachtgever:
Gemeente Horst aan de Maas
Projectteam BRO:
SSh, RGr
Ontwerp:
7 oktober 2021
Vaststelling: Trefwoorden:
Bestemmingsplan, Vondersestraat, herontwikkeling, verleggen, gemeente Horst aan de Maas.
Bron foto kaft:
Hollandse Hoogte 14
Beknopte inhoud:
Bestemmingsplan ten behoeve van het herbestemmen van de locatie Vondersestraat en realisatie van één vrijstaande woning in de gemeente Horst aan de Maas.
BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl
TOELICHTING
2
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging en grens van het plangebied 1.3 Vigerend juridisch-planologisch kader 1.4 Leeswijzer
3 3 4 6 7
2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige ontwikkeling 2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten
8 8 8 9
3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid
11 11
3.1.1 Nationale omgevingsvisie 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid
11 11 12 12 13
3.2.1 Provinciaal omgevingsplan Limburg 2014 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 3.2.3 Ontwerp Provinciale omgevingsvisie en omgevingsverordening 3.3 Regionaal beleid
13 16 18 20
3.3.1 Gebiedsvisie Maasgaard 3.4 Gemeentelijk beleid
20 21
3.4.1 Structuurvisie Horst aan de Maas 3.4.2 Masterplan Wonen 3.4.3 Duurzaamheidsprogramma Horst aan de Maas 2020-2050 3.5 Afweging beleidskader
21 23 24 25
4. UITVOERINGSASPECTEN 4.1 Economische uitvoerbaarheid 4.2 Milieuaspecten
26 26 26
4.2.1 Bodem 4.2.2 Geluidhinder 4.2.3 Luchtkwaliteit 4.2.4 Externe veiligheid 4.2.5 Bedrijven en Milieuzonering
Inhoudsopgave
26 27 30 31 33
1
4.2.6 M.e.r.-plicht 4.3 Ecologie
35 36
4.3.1 Natuurwetgeving 4.3.2 Gebiedsbescherming 4.3.3 Beschermde houtopstanden 4.3.4 Soortenbescherming 4.3.5 Conclusie 4.4 Waterhuishouding 4.5 Verkeer en parkeren 4.6 Leidingen en infrastructuur 4.7 Archeologie en cultuurhistorie
36 36 37 37 38 38 42 43 43
4.7.1 Archeologie 4.7.2 Cultuurhistorie
43 44
5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemeen 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de regels
45 45 45 45
5.3.1 Inleidende regels 5.3.2 Bestemmingsregels 5.3.3 Algemene regels 5.3.4 Overgangs- en slotregels
45 46 48 48
6. PROCEDURE 6.1 Procedure 6.2 Vooroverleg en inspraak 6.3 Zienswijzen
50 50 50 50
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Rapportage Externe Veiligheid Bijlage 2: Quickscan Flora en Fauna Bijlage 3: Akoestisch onderzoek Bijlage 4: Bodemonderzoek Bijlage 5: Wateraspect
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING
1.1 Aanleiding en doel De gemeente Horst aan de Maas is voornemens om een grote natuurontwikkeling te realiseren in/aan de Groote Molenbeek. Dit bestemmingsplan heeft enkel betrekking op de locaties Vondersestraat 57 en 59 te Melderslo (tuinbouwkas, waterbassin en twee bedrijfswoningen). Voor de locatie aan de Vondersestraat 57 en 59 zal de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling zich richten op het creëren van natuur met mogelijkheden voor een waterbuffer en recreatie. Daarnaast zal een deel van plangebied de bestemming wonen krijgen, waarbij twee bedrijfswoningen worden omgezet naar burgerwoningen en er daarnaast eveneens de realisatie van een nieuwe vrijstaande burgerwoning mogelijk wordt gemaakt.
2
Figuur 1 Uitsnede projectlocatie (rood omlijnd)
Hoofdstuk 1
3
In het plan voor het verleggen van het verloop van de Groote Molenbeek ter hoogte van de Vondersestraat wordt er ten opzichte van de huidige situatie een deel van de bestaande beek gedempt en krijgt de waterloop een meanderend karakter, wordt er natuur gecreëerd en zal er een nevengeul worden aangelegd. Voor deze ontwikkeling zal de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ worden herbestemd naar ‘Natuur’. Daarnaast zal de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ deels worden omgezet naar ‘Wonen’. Binnen de bestemming wonen zullen twee bedrijfswoningen worden omgezet naar twee twee-onder-een-kap woningen en zal er een nieuwe vrijstaande woning mogelijk worden gemaakt aan de oostzijde van de om te zetten bedrijfswoningen. De beoogde ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan op basis van het vigerend bestemmingsplan, aangezien het toekomstige tracé van de Groote Molenbeek en het wonen in een reguliere burgerwoning in strijd is met de geldende bestemming. Daarnaast is de aanduiding ‘Maatvoering, maximum aan wooneenheden: 2’ opgenomen. Het ruimtelijk initiatief voorziet in het mogelijk maken van in totaal drie burgerwoningen. De gemeente Horst aan de Maas is voornemens deze ontwikkeling mogelijk maken door middel van een herziening van het juridisch-planologisch kader.
In voorliggend bestemmingsplan wordt zowel de meanderende waterloop als de te dempen waterloop, de natuurontwikkeling en het omzetten van de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ naar ‘Natuur’ (voor de locatie van de verlegging van de waterloop van de Groote Molenbeek) en ‘Wonen’ (in drie burgerwoningen) juridisch-planologisch geregeld en vastgelegd binnen de juiste bestemmingen waarbinnen de beoogde ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt.
1.2 Ligging en grens van het plangebied Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas, ten oosten van Horst en ten westen van Melderslo. Het plangebied wordt gevormd door (gedeeltelijk) percelen kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie C, nummers 159, 160, 161 368 (deels) en 1104 met een oppervlak van circa 32.000 m². Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’ is gelegen op een afstand van circa 7.500 meter. Voor een onderbouwing van de ontwikkeling ten opzichte van de Natura 2000-gebieden wordt verwezen naar paragraaf 4.3 en 4.4.
Hoofdstuk 1
4
Figuur 2 Uitsnede leggerkaart Waterschap Limburg (plangebied rood omlijnd)
Hoofdstuk 1
5
1.3 Vigerend juridisch-planologisch kader Voor het plangebied gelden de volgende bestemmingsplannen: Buitengebied Horst aan de Maas, vastgesteld op 19 december 2017; Paraplubestemmingsplan Parkeren, vastgesteld op 24 januari 2020; Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas, herziening 2020, vastgesteld op 8 september 2020; Parapluplan Internationale werknemers Horst aan de Maas 2021, vastgesteld op 8 december 2020. Binnen deze (paraplu)bestemmingsplannen zijn meerdere enkelbestemmingen gelegen: ‘Agrarisch met waarden’; ‘Water’.
Figuur 3 Uitsnede vigerende bestemmingsplannen (projectlocaties rood omlijnd)
Hoofdstuk 1
6
Doordat het plangebied uit meerdere bestemmingsplannen bestaat, zijn er naast de enkelbestemmingen, eveneens verschillende dubbelbestemmingen aanwezig. Binnen het plangebied zijn de volgende dubbelbestemmingen gelegen: ‘Waarde – Archeologie 6’; ‘Waarde – Zone bronsgroene landschapszone’; Waterstaat – Profiel van vrije ruimte’. Daarnaast zijn er binnen op de locatie van de Vondersestraat de volgende gebiedsaanduidingen gelegen: Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol; Overige zone – beekdal; Reconstructiewetzone – extensiveringsgebied; Vrijwaringszone – weg 2. De beoogde ontwikkeling is strijdig met de geldende bestemmingen. De beoogde nieuwe waterloop is strijdig met de bestemmingen ‘Agrarisch met waarden’. Ter plaatse van deze bestemming zijn alleen ondergeschikte waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Daarnaast is het dempen van de waterloop niet rechtstreeks toegestaan conform het vigerende bestemmingsplan. Ook het realiseren van drie burgerwoningen is volgens het vigerende bestemmingsplan niet toegestaan. Derhalve dient de voorliggende ontwikkeling juridisch-planologisch te worden verankerd in een nieuw bestemmingsplan.
1.4 Leeswijzer Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan wordt gevormd door de regels en de verbeelding tezamen. De toelichting is een beschrijving van hetgeen middels het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Daarnaast onderbouwt het de haalbaarheid van de planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt allereerst een beschrijving van zowel de bestaande situatie als de toekomstige ontwikkeling gegeven. De hoofdlijnen van beleid zijn vervolgens beschreven in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de uitvoeringsaspecten, waarna in hoofdstuk 5 de juridische planopzet wordt beschreven. In hoofdstuk 6 vindt tot slot een beschrijving van de procedure plaats.
Hoofdstuk 1
7
2.
PLANBESCHRIJVING
2.1 Bestaande situatie Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas, ten westen van de kern Melderslo, aangrenzend aan de kern Horst. De omgeving van het plangebied bestaat voornamelijk uit agrarische weilanden, natuur, de snelweg A73 en water. Aan de oostzijde zijn kassen gelegen.
2.2 Toekomstige ontwikkeling De gemeente Horst aan de Maas is voornemens om de waterloop van de Groote Molenbeek te ontwikkelen naar een meer meanderende watergang en de beek hiermee klimaatbestendig in te richten, en daarnaast een recreatieve functie toe te voegen aan het plangebied. Het verleggen van de Groote Molenbeek maakt onderdeel uit van het overkoepelende (her)inrichtingsplan voor de Groote Molenbeek. Het inrichtingsplan heeft als doel een natuurlijk karakter te creëren voor de Groote Molenbeek
Hoofdstuk 2
8
door middel van een beekdalverplaatsing, waardoor de waterkwaliteit in de beek verbeterd en de beek bestand is tegen het veranderende klimaat. Hiervoor wordt de Groote Molenbeek op een aantal locaties gedempt/dicht gemaakt en verlegd om een meandering te creëren in de waterloop van de beek. Naast de aanpassingen aan de waterloop zullen twee bedrijfswoningen worden omgezet naar burgerwoningen en zal er een nieuwe vrijstaande reguliere burgerwoning worden gerealiseerd. Ter illustratie, zie onderstaande afbeelding.
Figuur 4 Uitsnede kaart totale tracé (plangebied rood omlijnd)
Met het aanbrengen van de meandering in de waterloop van de Groote Molenbeek wordt getracht om de waterloop van de beek in oude glorie te herstellen, meer ruimte te creëren voor het opvangen van overtollig water en de waterkwaliteit te verbeteren. In het plan voor het verleggen van de Groote Molenbeek wordt er ten opzichte van de huidige situatie een deel van de bestaande beek gedempt en krijgt de waterloop een meanderend karakter. Door een deel van de watergang te dempen en te verleggen, wordt getracht om de natuur en de waterkwaliteit in het gebied te stimuleren.
2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten Het aanpassen van de waterloop van de Groote Molenbeek past zowel vanuit ruimtelijk, functioneel als stedenbouwkundig oogpunt in de omgeving, aangezien sprake is van ligging in het landelijk gebied. De omgeving van het plangebied bestaat voornamelijk uit natuurgronden en agrarische (waardevolle) weilanden. In het kader van het planvoornemen wordt gepoogd natuur- en landschapskwaliteiten te behouden en te versterken, waardoor deze waarden blijven behouden voor de toekomst.
Hoofdstuk 2
9
In het kader van het planvoornemen worden negatieve ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten voor de omgeving zoveel mogelijk beperkt. Daarnaast leidt het planvoornemen tot een kwaliteitsverbetering van de bestaande situatie. Door het aanbrengen van de meandering in de waterloop van de Groote Molenbeek wordt getracht de waterkwaliteit van het gebiedseigen water zoveel mogelijk te verbeteren om de beek in oude glorie te herstellen. Als gevolg hiervan worden voet- en fietspaden aangelegd en zal er een kanoaanlegplaats worden gerealiseerd. Daarnaast worden de twee bedrijfswoningen omgezet naar burgerwoningen en wordt de realisatie van een derde reguliere vrijstaande burgerwoning mogelijk gemaakt. De kassen worden geamoveerd waardoor er een open landschap wordt gecreëerd. In de toekomstige situatie zal het plangebied een opener karakter hebben en daarmee zorgen voor een kwaliteitsimpuls van het plangebied.
Hoofdstuk 2
10
3.
BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale omgevingsvisie In de nationale omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie aan voor de toekomstige ontwikkelingen van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal gelden zoals klimaatverandering, de energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een perspectief om voort te bouwen op bestaande landschappen en historische steden. In de NOVI zijn vier prioriteiten opgesteld: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Afweging Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige en lokale ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 juni 2011 zijn alle ontwerpstukken van de AMvB als bijlage bij de SVIR gepubliceerd.
Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Natuurnetwerk Nederland, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Afweging Geen van de bovengenoemde belangen is bij de ontwikkeling in het plangebied in het geding. Wel ligt er in de omgeving van het plangebied het Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’. Voor een onderbouwing van de ontwikkeling ten opzichte van de Natura 2000-gebieden wordt verwezen naar paragraaf 4.3 en paragraaf 4.4.
Hoofdstuk 3
11
De beoogde ontwikkeling is voor wat betreft de overige onderwerpen niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Rarro is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende gebieden en objecten worden aangewezen, waar gemeenten bij vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Er is een vrijwaringszone opgenomen in het vigerende bestemmingsplan ‘Werkgelegenheidsgebieden II’ ten aanzien van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg. Echter worden er binnen deze zone geen kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten in de zin van de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen gerealiseerd. Afweging Vanuit het Rarro bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ geïntroduceerd. Deze ladder is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten, waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. De ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 oktober 2012 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
In artikel 3.1.6, lid 2 Bro is vastgelegd dat de toelichting bij een bestemmingsplan die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de systematiek van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Het begrip ‘stedelijke ontwikkeling is daarbij als volgt gedefinieerd: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Per 1 juli 2017 is een nieuwe versie van de ladder van kracht. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro).
Afweging Voorliggend initiatief betreft geen stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 1.1.1 lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waardoor er gehandeld kan worden in lijn van de uitspraak van de ABRvS. Dit betekent dat artikel 3.1.6, lid 2 Bro niet van toepassing is. Een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is niet noodzakelijk.
Hoofdstuk 3
12
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciaal omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten van Limburg het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL 2014) vastgesteld. In het plan staat de toekomst van Limburg beschreven op het gebied van wonen, werken, recreatie, natuur. Echter gaat het plan ook over zaken als milieu en water, en hoe bijvoorbeeld de waterkwaliteit kan worden verbeterd en overstromingen te voorkomen. Op de zoneringenkaart van het POL2014 ligt het plangebied gedeeltelijk in de zone ‘Bronsgroene landschapszone’. In de bronsgroene landschapszone staat de kwaliteit en het functioneren van het watersysteem centraal, met bijzondere aandacht voor de grote variatie aan functies en in hoge mate beeldbepalende karakter voor het Limburgse landschap. De ontwikkeling van de landbouw dient in balans te zijn met de omgeving. Gestreefd wordt naar het versterken van de kernkwaliteiten van het landschap en de cultuurhistorie en het recreatief medegebruik van het gebied.
Figuur 5 Uitsnede zoneringskaart POL Limburg 2014 (plangebied rood omlijnd)
Volgens artikel 2.7.2 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 dient de toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Bronsgroene landschapszone een beschrijving te bevatten van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. De kernkwaliteiten binnen de Bronsgroene landschapszone zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. Voor de kernkwaliteiten in de
Hoofdstuk 3
13
regio Noord-Limburg wordt verwezen naar het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg. Het plangebied en de directe omgeving bestaat volgens het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg uit het landschapstype ‘beekdal’, dat wordt gekenmerkt door een overwegend halfopen kleinschalig landschap met afwisselend hooilanden, weilanden, bosjes en kleine landschapselementen. De kernkwaliteiten van dit landschapstype zijn als volgt. Landschapsecologie Een belangrijke kwaliteit van dit landschapstype wordt gevormd door de doorgaande natte structuur, waardoor de beekdalen voor veel organismen functioneren als ecologische verbindingszone. Daarnaast vormen de vele gradiënten, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van oude geulen, maar vooral het hoogteverschil loodrecht op de beek van de lage beek naar de verder weg gelegen hogere gronden, een belangrijke kwaliteit. Met name de beekbegeleidende – veelal – natte gronden zijn bijzonder. Hier treffen we hooilanden, diverse moerastypen en moerasbossen aan. Cultuurhistorie De delen waar weide, oude hooi- en graslanden en geriefhout (hout voor gebruik als brandstof of bouwmateriaal) voorkomen zijn zeer waardevol. Op dit moment komt relatief veel grasland voor. De randen van de beekdalen op de hogere gronden zijn cultuurhistorisch en archeologische zeer waardevol. Deze randen waren de eerste bewoningsplaatsen in het gebied.
In het verleden werden de gronden door gecontroleerde bevloeiing vruchtbaar gemaakt. Deze oude bevloeiingssystemen zijn cultuurhistorisch zeer waardevol. De beekdalen spelen vandaag de dag nog steeds een belangrijke rol bij de waterhuishouding van het gebied. Dit zijn dan ook de uitgelezen plekken om de verdrogingsproblematiek (deels) aan te pakken door hier water vast te houden en vertraagd af te voeren. Visueel-ruimtelijk De beekdalen zijn belangrijke structuurdragers van het landschap, met name op de zandgronden. Als gevolg van latere egaliseringen, ontwateringen en ontginningen zijn de beekdalen echter in veel gevallen nog nauwelijks herkenbaar. Een typisch beekdal wordt gekenmerkt door een overwegend halfopen kleinschalig landschap met afwisselend hooilanden, weilanden, bosjes en kleine landschapselementen. In het beekdal bevindt zich meestal weinig tot geen bebouwing. Daar waar de karakteristieke kleinschaligheid bewaard is gebleven, is het landschap visueel-ruimtelijk nog aantrekkelijk en waardevol. Er worden drie typen beekdalen onderscheiden. Het halfopen kamertjes type, het besloten bostype en het open grazige type. De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door landbouwgronden (met name kassen), de Rijksweg A73 en enkele woningen. De Groote Molenbeek is gelegen aan de westzijde van het plangebied.
Het ruimtelijk initiatief voorziet in het amoveren van kassen en het aanbrengen van een meandering in de Groote Molenbeek zodat de beek klimaatbestendig wordt ingericht. De meandering en de herinrichting van de omgeving van de Groote Molenbeek draagt tevens bij aan het stimuleren van de recreatieve waarden van het plangebied. De kernkwaliteiten van het landschap worden met de voorgenomen ontwikkeling gestimuleerd. Daarnaast worden er twee bedrijfswoningen omgezet naar burgerwoningen en wordt het mogelijk gemaakt om een nieuwe vrijstaande reguliere burgerwoning te re-
Hoofdstuk 3
14
aliseren. Parkeergelegenheden zullen op eigen terrein worden gerealiseerd. De twee om te zetten bedrijfswoningen zijn reeds aanwezig binnen het plangebied en veranderen het visueel-ruimtelijk karakter op deze plek niet. De nieuwe reguliere vrijstaande burgerwoning zal wel een verandering teweeg brengen in het visueel-ruimtelijke karakter van het landschap. Momenteel is er op de locatie van de nieuw te realiseren vrijstaande burgerwoning een waterbassin gelegen voor de bewatering van de achterliggende kassen. Het waterbassin en de kassen zullen worden geamoveerd om ruimte te creeren voor de realisatie van de nieuwe reguliere vrijstaande burgerwoning. Het aanbrengen van de meandering aan de Groote Molenbeek en het inrichten van de oevers zal plaatsvinden op de locatie van de huidige kassen. Door het amoveren van de kassen wordt het ruimtelijk-visuele aspect positief bevordert. Het realiseren van een nieuwe reguliere vrijstaande burgerwoning zorgt ook voor een verandering van het ruimtelijk-visuele aspect maar is minder massief als de kassen in de huidige situatie waardoor er kan worden gesproken van een verbetering van het ruimtelijk-visuele aspect ten opzichte van de huidige situatie.
Als de nieuw te realiseren vrijstaande burgerwoning omsloten worden door een groene aankleding, zal dit deel van het plangebied het visueel-ruimtelijk karakter bevorderen ten opzichte van de huidige situatie.
Figuur 6 Uitsnede POL 2014 kaart Regionaal watersysteem (plangebied rood omlijnd)
Hoofdstuk 3
15
Het plangebied ligt daarnaast binnen de zone ‘Beekdal’. De beekdalen vervullen een cruciale functie als strategische waterberging. Die functie mag niet aangetast worden. De bescherming van de beekdalen is opgenomen in de omgevingsverordening via de aanduiding en regelgeving voor de bronsgroene landschapszones. Afweging Dit bestemmingsplan voorziet in de aanleg van een meandering in de waterloop evenals het dempen van een deel van de bestaande waterloop en het omzetten van een deel van het plangebied naar de bestemming ‘Wonen’. Een dergelijke functie past goed bij een landelijk gebied / buitengebied. Door een deel van de watergang te dempen en een meandering aan te leggen in de waterloop van de Groote Molenbeek, wordt getracht om zowel de natuur als de klimaatbestendigheid van de beek te stimuleren. Doordat huidige kassen worden geamoveerd om ruimte te creëren voor de realisatie van de meandering in de waterloop van de Groote Molenbeek en overige maatregelen rondom de meandering ten behoeve van de stimulatie van toerisme, wordt de beek in oude glorie hersteld. Deze ontwikkeling past eveneens in de ligging in de bronsgroene landschapszone doordat het natuurlijke karakter van het gebied wordt versterkt. Door de ontwikkeling worden de kernkwaliteiten behorend bij een beekdal verder versterkt doordat er ruimte wordt geboden aan het meanderen van de Groote Molenbeek.
Daarnaast wordt de functionaliteit van de Groote Molenbeek versterkt en uitgebreid. In het kader van onderhavig bestemmingsplan is een ecologisch onderzoek uitgevoerd naar de impact van het planvoornemen op de aanwezige ecologische en landschappelijke waarden. Voor meer informatie wordt verwezen naar paragraaf 4.3. De met dit bestemmingsplan beoogde ontwikkeling is verder niet van invloed op de overige beleidsdoelstellingen zoals opgenomen in het POL 2014. 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de 'Omgevingsverordening Limburg 2014' vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven. De Omgevingsverordening is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. Sinds december 2014 is de Omgevingsverordening uitgebreid met een nieuw hoofdstuk Ruimte. Dit hoofdstuk bevat een aantal instrumenten die gericht zijn op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van het POL2014. Omdat het plangebied in de bronsgroene landschapszone ligt, dient dit bestemmingsplan conform artikel 2.7.2 van de Omgevingsverordening een beschrijving te bevatten hoe er wordt omgegaan met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten van het gebied en hoe negatieve effecten worden gecompenseerd.
De kernkwaliteiten zijn nader uitgewerkt in de bijlage bij dit artikel. Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied niet gelegen is binnen een (milieu)beschermingsgebied. Hierdoor vormt de ligging van het plangebied geen belemmering ten aanzien van het aspect (milieu)beschermingsgebieden.
Hoofdstuk 3
16
Uit de kaart ‘Intensieve veehouderijen, glastuinbouwbedrijven en zilvergroene natuurzone’ blijkt dat het plangebied gelegen is in een extensiveringsgebied. Hierin is het niet mogelijk om een bouwvlak van intensieve veehouderij te vergroten. Daarnaast is het plangebied gelegen binnen de Grondwaterontrekkingskaart in de aanduiding Venloschol. In de keur is beschreven dat het verboden is grondwater te onttrekken of water te infiltreren beneden de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei in het gebied Roerdalslenk en beneden 5 meter +NAP. De voorgestelde ruimtelijke ontwikkeling zorgt niet voor onttrekking van grondwater en zal geen water infiltreren in het grondwater. Het initiatief zorgt uitsluitend voor een verbetering van de waterkwaliteit in de Groote Molenbeek en creëert een klimaatbestendige beek. De burgerwoningen zullen eveneens geen grondwater onttrekken of overtollig water laten infiltreren richting het grondwater. Provinciaal Natuurbeheerplan De provincie Limburg heeft op 1 september 2020 het ‘Natuurbeheerplan Limburg 2021’ vastgesteld. Het natuurbeheerplan vormt het beleidskader voor de realisatie van het Europese, rijks- en provinciale natuur- en landschapsbeleid.
Dit plan vormt tevens het kader voor subsidieverlening vanuit het Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer (SNL) en enkele natuur-, landschaps-, milieu- en wateronderdelen van de Subsidieverordening Inrichting Landelijk Gebied (SILG). Het plangebied is volgens de ‘Ambitiekaart 2021’ van het natuurbeheerplan niet gelegen binnen een beheergebied. Wanneer de ‘Ambitiekaart van 2020 geraadpleegd wordt, is het plangebied gelegen in een Botanisch waardevol grasland. Wel is de locatie van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling gelegen binnen het ‘zoekgebied water 2021’ van het Natuurbeheerplan 2021. Het zoekgebied water 2021 bevat zoekgebieden waarbinnen vanuit de subsidieverordening Natuur en Landschapsbeheer subsidie mogelijk is voor agrarisch waterbeheer dat van invloed is op natuurgebieden of waterlopen. In het planvoornemen worden echter geen werkzaamheden mogelijk gemaakt waarbij er uitspoeling van (agrarisch) afvalwater naar de beek wordt geleid en vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig initiatief.
Hoofdstuk 3
17
Figuur 7 Uitsnede 'Ambitiekaart' Natuurbeheerplan 2021 (projectlocaties in rood omlijnd)
Afweging Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief past binnen de beleidsuitgangspunten zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. 3.2.3 Ontwerp Provinciale omgevingsvisie en omgevingsverordening Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg’. Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt na vaststelling van deze Omgevingsvisie, het huidige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De vaststelling van deze omgevingsvisie is beoogd op 1 oktober 2021. Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening staat vooralsnog gepland op 17 december 2021. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht.
Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:
Hoofdstuk 3
18
het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijkals in het bebouwde gebied; een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); klimaatadaptatie en energietransitie.
Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s. Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Het thema dat in het kader van onderhavig geval hoofdzakelijk van toepassing is betreft het aspect ‘Wonen en leefomgeving’. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader.
Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen
Hoofdstuk 3
19
toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Leefomgeving Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogtes) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. Conclusie De provinciale Omgevingsvisie is het richtinggevende kader op hoofdlijnen omtrent wonen. Omdat de woonbehoeften snel veranderen, en omdat er lokale en regionale verschillen zijn in de opgaven wat betreft wonen en leefomgeving, zijn er meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s en instrumenten (zie hiertoe de uiteenzetting in paragraaf 3.3 en 3.4). Na vaststelling van de nieuwe Omgevingsvisie wordt, op basis van die inhoud, ook de volgende stap voor de Omgevingsverordening gezet.
Tervisielegging en vaststelling zal 1 oktober 2021 plaatsvinden. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is vooralsnog 17 oktober 2021. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht. De beoogde ontwikkeling zal in overeenstemming plaatsvinden met het toekomstige provinciale beleidskader.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Gebiedsvisie Maasgaard De gemeente Horst aan de Maas, de gemeente Venray, Waterschap Limburg en de Provincie Limburg hebben de handen ineen geslagen om de kwaliteit van het buitengebied in Horst aan de Maas en in Venray (gezamenlijk benoemd als het gebied “Maasgaard”) te vergroten. Door samen te werken en verschillende doelstellingen te combineren krijgen projecten meerwaarde en worden er zaken gerealiseerd die één partij alleen niet had kunnen uitvoeren. Voor de Maasgaard hebben de vier partijen een visie en uitvoeringsprogramma opgesteld, waarin zij aangeven op welke locaties zij willen investeren in groen, water, recreatie en toerisme, en ook waar zij dat niet doen. Door groen en water duidelijk te begrenzen, weet ook de landbouw beter waar zij aan toe is. De partijen voorzien een betere situatie voor de landbouw, omdat nu gezamenlijk de ambities voor natuurontwikkeling bepaald worden, zowel in omvang als in plaats. Belangrijke beken in het buitengebied van Horst aan de Maas en Venray (Loobeek, Groote Molenbeek en Lollebeek) worden natuurlijker ingericht en er worden recreatieve routes aangelegd. Daarmee krijgen de beken hun oorspronkelijke ecologische functie terug en verbetert de waterhuishouding in het gebied.
Hoofdstuk 3
20
Afweging De herinrichting van de Grote Molenbeek is benoemd als project B.3 in het uitvoeringsprogramma. De herinrichting van de Groote Molenbeek draagt hiermee bij aan de uitvoering van de Gebiedsvisie Maasgaard. Daarnaast worden er twee bedrijfswoningen omgezet naar reguliere burgerwoningen en wordt er een nieuwe reguliere vrijstaande burgerwoning mogelijk gemaakt. Twee van de drie woningen zijn bestaande woningen. Met het toevoegen van de nieuwe vrijstaande woning wordt een open ruimte benut ten behoeve van woningbouw. De ontwikkeling heeft daarmee een positief effect op de omgevingswaarden. De burgerwoningen hebben daarnaast geen negatief effect op de waterkwaliteit van de Groote Molenbeek.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Horst aan de Maas Op 26 november 2019 heeft de gemeente Horst aan de Maas de ‘Structuurvisie Horst aan de Maas’ vastgesteld. Deze structuurvisie heeft betrekking op het gehele grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas, met uitzondering van het gebied van de Structuurvisie Klavertje 4 gebied. De Structuurvisie Horst aan de Maas geeft de gemeente handvatten voor een regie op de uitvoering van het ruimtelijk beleid. De structuurvisie is opgebouwd op basis van vijf thema’s: 1. Wonen en woonomgeving; 2. Economie en werkgelegenheid; 3. Zorg en Welzijn; 4. Omgevingskwaliteit 5. Mobiliteit. In de structuurvisie is aangegeven dat het landschap binnen het grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas verdeeld kan worden in drie hoofdcategorieën: Hoogveenontginningslandschap; Zandgrondenlandschap; Rivierdallandschap. De kern Horst (en daarmee ook de locatie van het plangebied) is gelegen in het zandgrondenlandschap. Het zandgrondenlandschap ligt tussen het hoogveenlandschap en het rivierdallandschap. Het landschap is opgebouwd uit beekdalen, waaraan in het verleden de dorpen en akkercomplexen zijn ontstaan. Daarnaast zijn er jonge heideontginningen en bosgebieden aanwezig. In dit gebied is de meeste bebouwing geconcentreerd en het gebied wordt het meest intensief gebruikt. Ook ligt hier de snelweg A73.
Het zandgrondenlandschap heeft kortom een sterke menging van landschapselementen, functies en gebruikers. Tussen de verschillende functies door liggen verbindingsstructuren en –elementen. Natuurontwikkeling, landschapsversterking, ruimte voor water(berging en –retentie) vinden plaats in de zones in het oosten en het westen van de gemeente. Om de samenhang en de verbanden tussen deze zones aan
Hoofdstuk 3
21
weerszijden van de gemeente te versterken, wordt ingezet op het creëren van dwarsverbanden, op ieder niveau: van (ecologische) verbindingszone, beekversterking en landschapsontwikkeling tot recreatieve en infrastructurele verbindingen. Daarnaast is er een (samenvattende) integrale beleidskaart opgesteld voor agrarische gemeente Horst aan de Maas, met een sterke focus op (agro- en toeristisch-gelieerde) bedrijvigheid, maakindustrie, natuurontwikkeling en een leefbare gemeenschap met een eigen identiteit, waarbij de ontwikkelingen in hoge mate aansluiten op bestaande (ruimtelijke) structuren en activiteiten en gestreefd wordt naar: “Kwaliteit van wonen, werken en leven in Horst aan de Maas”. De integrale beleidskaart is te zien op onderstaande uitsnede. Op deze integrale beleidskaart valt op te merken dat de projectlocaties gelegen zijn in het zoekgebied voor het versterken van de beken en gelegen is in een bos en natuurgebied.
Figuur 8 Integrale beleidskaart (plangebied rode cirkel)
Afweging Onderhavig initiatief voorziet in het verleggen van de waterloop van de Groote Molenbeek. Daarnaast worden twee bedrijfswoningen omgezet naar reguliere burgerwoningen en wordt het realiseren van
Hoofdstuk 3
22
een nieuwe reguliere vrijstaande burgerwoning mogelijk gemaakt. Doordat er met het ruimtelijk initiatief kan worden gesproken van een kwalitatieve impuls qua recreatieve waarden en klimaatbestendigheid van de Groote Molenbeek, wordt de kwaliteit van de Groote Molenbeek versterkt. Daarnaast wordt wonen in burgerwoningen mogelijk gemaakt. Door de ligging van de burgerwoningen aan de rand van de toekomstige meandering van de Groote Molenbeek kan worden gesproken van een hoge kwaliteit van wonen waardoor onderhavig ruimtelijk initiatief in lijn is met de uitgangspunten van de Structuurvisie Horst aan de Maas. 3.4.2 Masterplan Wonen Het Masterplan Wonen geeft de hoofdlijnen van het gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid. Deze visie is een uitwerking van de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. In het masterplan zijn drie beleidsopgaven geformuleerd: Een nieuwbouwprogramma met toekomstwaarde; Een sluitend netwerk van wonen, zorg en welzijn; Aantrekkelijk houden van de bestaande woningvoorraad en bestaande wijken door verduurzaming in brede zin. Het voorliggende initiatief betreft het omzetten van twee bedrijfswoningen naar twee regulier burgerwoningen en het mogelijk maken van één nieuwe vrijstaande burgerwoning in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas.
De voorkeur binnen het Masterplan Wonen gaat niet uit naar het ontwikkelen van nieuwe woningen in het buitengebied. Onderhavig plan voorziet in het toevoegen van een nieuwe woning. De bedrijfswoningen zijn reeds aanwezig binnen het plangebied. Voor nieuwbouw is de ambitie van de gemeente om een goed woon- en leefklimaat te hebben en te houden voor de inwoners en dient er voldoende aanbod te zijn voor alle doelgroepen. Er wordt gebouwd naar de concrete behoefte. Deze behoefte wordt samen met het dorp en door eventuele initiatieven uit het dorp bepaald. De gemeente zet sterk in op woningbouw binnen de huidige bebouwingsgrenzen van de kernen. In het voorliggende geval is sprake van woningbouw in het buitengebied van de kern Horst aan de Maas, op een perceel dat reeds een agrarische bestemming heeft. De initiatiefnemer is voornemens de nieuwe reguliere burgerwoning te realiseren voor eigen gebruik, waardoor sprake is van een concrete behoefte. Bovendien wordt met de nieuwe vrijstaande burgerwoning een open plek ingevuld. Daarnaast zal voor de nieuwe reguliere vrijstaande burgerwoningen zoveel mogelijk aan worden gesloten bij de geldende wetten en regelgeving ten aanzien van het aspect duurzaamheid. Dit betekent dat de nieuwe reguliere vrijstaande burgerwoning zal voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG) en volledig gasloos gerealiseerd zal worden.
Het plan is hierdoor passend binnen het masterplan Wonen. Ten aanzien van de bedrijfswoningen geldt dat onderhavig plan enkel voorziet in het omzetten naar reguliere burgerwoning. Dit is een gewenste ontwikkeling aangezien er ter plaatse geen agrarische activiteiten meer zullen worden ondernomen waarvoor een bedrijfswoning noodzakelijk zal zijn. De ontwikkeling past binnen het Masterplan Wonen.
Hoofdstuk 3
23
3.4.3 Duurzaamheidsprogramma Horst aan de Maas 2020-2050 Het ‘Duurzaamheidsprogramma Horst aan de Maas 2020-2050 is op 18 februari 2020 vastgesteld door de gemeenteraad. In het duurzaamheidsprogramma worden de te nemen acties beschreven ten aanzien van duurzaamheid, de lange termijn doelstellingen en de strategie om een duurzame gemeente te bewerkstelligen. In dit beleidsdocument wordt de nadruk gelegd op vier doelen: 1. Klimaatneutraliteit: In 2050 stoten wij netto geen broeikasgassen meer uit; 2. In 2050 is onze gemeente klimaatbestendig en water robuust ingericht; 3. In 2050 hebben we een duurzaam gedreven, volledig circulaire economie; 4. Biodiversiteit: In 2030 hebben we een natuur-inclusieve economie. Het verlies aan biodiversiteit is omgebogen naar herstel. Het doel is om een klimaatneutraal, klimaatbestendig, circulair en natuur-inclusief Horst aan de Maas te creëren in 2050. Voor 2030 streeft de gemeente Horst aan de Maas er naar om al drie jaar te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water die in 2027 in gaan. Het beleidsinstrument richt zich voornamelijk op klimaatadaptatie in de gebouwde omgeving en de opwekking van duurzame energie. Echter is er ook aandacht voor het klimaatadaptief inrichten van de beken en het landschap.
Zo wordt aangegeven dat het veranderende klimaat er voor heeft gezorgd dat de waterkwaliteit van de beken achteruit is gegaan met algenbloei en vissterfte tot gevolg. De veranderende biodiversiteit en/of landbouwproductie zijn effecten die direct in verbinding staan met klimaatverandering. Hierdoor heeft de gemeente de volgende doelstelling voor 2050 met betrekking tot de beken en het landschap binnen het beheersgebied van de gemeente Horst aan de Maas als volgt gedefinieerd: ‘’In het buitengebied zijn tijdig aanpassingen gedaan aan het veranderend klimaat, zowel in natuurgebieden als binnen de agrarische sector. Beken hebben weer een natuurlijk, meanderend karakter gekregen waardoor er meer ruimte is voor water en biodiversiteit. Het beregenen van landbouwpercelen komt niet meer voor, gewassen worden nu met druppelirrigatie of van onderaf van vocht voorzien. Er is een manier gevonden om grote hoeveelheden water snel af te voeren en vervolgens in het buitengebied te bufferen voor tijden van droogte. Daardoor floreren zowel onze natuurgebieden als de agrarische sector‘’. Voor de periode 2020-2022 heeft de gemeente een twaalftal maatregelen opgesteld.
Een van de deze maatregelen heeft direct betrekking op de projectlocaties van onderhavig initiatief: ‘In 2020 pakken we samen met DCGV en Waterschap de voorbereiding op van het waterhuishoudkundig project “Westelijke staander Grote Molenbeek”. Doel hiervan is het verbeteren van het waterhuishoudkundig systeem (berging en infiltratie), onder andere door de verbinding te leggen met natuurinclusief beheer en landbouw’. Afweging Met de voorliggende ontwikkeling wordt aangesloten op de doelstellingen en concrete ruimtelijke projecten uit het ‘Duurzaamheidsprogramma Horst aan de Maas’. In het plan voor het verleggen van de
Hoofdstuk 3
24
Groote Molenbeek wordt er ten opzichte van de huidige situatie een deel van de bestaande beek gedempt en de waterloop een meanderend karakter. Het doel hiervan is om de waterkwaliteit in de beek te verbeteren en de natuurontwikkeling te stimuleren. De nieuwe waterloop zal worden begeleid door begroeiing en kent een aantal plas-dras gebieden: droogstaande gebieden welke onder water komen te staan wanneer het waterlevel in de beek stijgt. Hierdoor wordt de Groote Molenbeek een klimaatadaptieve beek. Door een deel van de watergang te dempen, wordt getracht om de bestaande aanwezige natuur- en landschappelijke waarden te behouden en te versterken. Voor wat betreft de burgerwoningen zal zoveel mogelijk aan worden gesloten bij de geldende wetten en regelgeving ten aanzien van het aspect duurzaamheid. Dit betekent dat de nieuwe reguliere vrijstaande burgerwoning zal voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG) en volledig gasloos gerealiseerd zal worden. Het initiatief past hiermee binnen de streefbeelden zoals beschreven in het ‘Duurzaamheidsprogramma Horst aan de Maas’.
3.5 Afweging beleidskader Het plan is in lijn met de beleidskaders van het Rijks-, provinciale- en gemeentelijke beleid. Onderhavige ontwikkeling is opgenomen in het Duurzaamheidsprogramma en is onderdeel van de maatregel welke in het Duurzaamheidsprogramma wordt benoemd. Echter, de beoogde ontwikkeling is strijdig met het vigerend bestemmingsplan en de ter plaatse geldende bestemmingen. De beoogde nieuwe waterloop is strijdig met de bestemmingen ‘Groen’, ‘Bedrijventerrein’ en ‘Agrarisch met waarden’, waar geen nieuwe waterloop is toegestaan, echter alleen ondergeschikte waterhuishoudkundige voorzieningen. Daarnaast is de te dempen waterloop strijdig met de geldende bestemming ‘Water’. Ook is het wonen in een burgerwoning niet toegestaan. Derhalve is het planvoornemen niet rechtstreeks toegestaan conform het vigerende bestemmingsplan en wordt de voorliggende ontwikkeling planologisch te worden geregeld middels een herziening van het bestemmingsplan.
Hoofdstuk 3
25
4.
UITVOERINGSASPECTEN
4.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Deze verplichting vervalt indien de gronden volledig in eigendom zijn van de gemeente. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, dan kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar het kostenverhaal minimaal is, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2.1a Bro). Het voorliggende initiatief heeft betrekking op het verleggen van de Groote Molenbeek. Ten opzichte van de huidige situatie wordt een deel van de bestaande beek gedempt en wordt een meandering aangelegd in de waterloop. De gemeente Horst aan de Maas is de initiatiefnemer van onderhavig ruimtelijk initiatief. Enkele gronden zijn recentelijk gepacht.
Hierdoor zijn de gronden behorende bij het projectgebied volledig in eigendom van de gemeente Horst aan de Maas.
4.2 Milieuaspecten 4.2.1 Bodem Toetsingskader Formeel gezien dient in het kader van een bestemmingswijziging (over het algemeen middels een bodemonderzoek) aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Aangezien het gebruik niet wijzigt naar een voor de bodem gevoeliger gebruik, wordt het uitvoeren van een bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op
Hoofdstuk 4
26
schone grond te worden gerealiseerd. Voor onderhavig ruimtelijk initiatief is een bodemonderzoek uitgevoerd en een vooronderzoek conform NEN 5725 uitgevoerd. 1 Navolgend worden de belangrijkste conclusies weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar de bijlagen van voorliggend bestemmingsplan. Toetsing Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek kan de onderzoekslocatie grotendeels als “onverdacht” worden beschouwd op het voorkomen van bodemverontreiniging (woning en waterbassin). De bedrijfsruimte met de opslag van bestrijdingsmiddelen en de bovengrondse olietank zijn als verdacht te beschouwen. Ter plaatse is een bodemonderzoek naar het voorkomen van zware metalen, organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’s) en minerale olie in de bovengrond geadviseerd. Gezien het nog in gebruik zijn van de onderzoekslocatie als tuinbouwkas met waterbassin wordt geadviseerd om na de bedrijfsbeëindiging (voorafgaand aan grondwerkzaamheden/nieuwbouw op het perceel) een verkennend bodemonderzoekconform de NEN 5740 uit te voeren. Het perceel is reeds sinds 1958 in gebruik. De bestaande tuinbouwkas dateert van 1999. Gezien de recente bouw van de tuinbouwkas en de toekomstige nieuwbouw ter plaatse van het bestaand waterbassin wordt ter plaatse hiervan in de bodem geen asbestverdacht materiaal in de bodem verwacht (onverdacht).
Om de aanwezigheid van asbest in de bodem (bovengrond)te onderzoeken, kan een verkennend onderzoek asbest in bodem conform de NEN 5707 uitgevoerd worden. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Geadviseerd wordt om vrijkomende grond te keuren conform het Besluit Bodemkwaliteit. Conclusie Vanuit de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem zijn er vooralsnog geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Voorafgaand aan de realisatie van het ruimtelijk initiatief dient nog een booronderzoek plaats te vinden op het moment dat de huidige kassen zijn geamoveerd. Geadviseerd wordt om vrijkomende grond te keuren conform het Besluit Bodemkwaliteit. 4.2.2 Geluidhinder Toetsingskader Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet inzicht worden geboden in de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling vanuit akoestisch oogpunt. Het geluidsaspect is relevant in relatie tot industrielawaai, wegverkeerslawaai en/of spoorweglawaai. Toetsingskader is de Wet geluidhinder en enkele uitvoeringsbesluiten.
1
Aeres Milieu, ‘Vooronderzoek NEN5725 Vondersestraat 57-59 te Horst’, projectnr.:AM20600, d.d. 19 juli 2021.
Hoofdstuk 4
27
Wegverkeerslawaai Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe reguliere vrijstaande burgerwoning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Onderhavig ruimtelijk initiatief is gelegen aan de Vondersestraat en op relatief korte afstand van de Rijksweg A73.
Derhalve is een akoestisch onderzoek uitgevoerd.2 Navolgend zullen de belangrijkste conclusies worden weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar de bijlagen van voorliggend bestemmingsplan. Toetsing Het toevoegen van drie burgerwoningen (waarvan twee reeds bestaande bedrijfswoningen) aan de Vondersestraat 57 en 59 zorgt voor het toevoegen van geluidsgevoelige functies. In de huidige situatie zijn er twee bedrijfswoningen toegestaan in het plangebied. Deze zullen worden omgezet naar reguliere burgerwoningen. In het plangebied is hiermee reeds sprake van een gevoelige functie. In de toekomstige situatie zal er één extra reguliere burgerwoning worden toegevoegd aan het plangebied. Deze nieuwe reguliere vrijstaande burgerwoning zal ten oosten van de bestaande bedrijfswoningen worden gerealiseerd.. Uit dit onderzoek blijkt dat de maximale geluidsbelasting ten gevolge van de A73 maximaal 59 dB bedraagt. Daarnaast wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op alle beoordelingspunten overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt op twee plaatsen overschreden. Dit betekend een ruime overschrijding van de geluidsbelasting. Er zijn maatregelen nodig om de geluidbelasting vanwege de A73 terug te brengen tot onder de maximale ontheffingswaarde van 53 dB.
Na het nemen van maatregelen moeten voor zowel de A73 als de Vondersestraat verdere bron- en overdrachtsmaatregelen beschouwd worden om te onderzoeken of een grotere reductie in geluid mogelijk is tot onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
2
De Roever, ‘Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Vondesestraat 59 Horst’, referentie: 20210636.v01, d.d. 16 juni 2021.
Hoofdstuk 4
28
Bronmaatregelen Het toepassen van geluidreducerend wegdek, het verlagen van verkeersintensiteiten of het aanpassen van de maximale snelheid kan leiden tot lagere geluidniveaus. Over het algemeen is het vervangen van het wegdektype voor de realisatie van een burgerwoning niet reëel (financieel). Of het aanpassen van het wegdektype een doelmatige investering is, is een afweging voor de wegbeheerder (gemeente voor de Vondersestraat, Rijkswaterstaat voor de Rijksweg A73). Daarnaast wordt opgemerkt dat de A73 al over een zeer stil wegdek beschikt (ZOAB, W1). Maatregelen die de verkeersstromen wijzigen (zoals het verlagen van de verkeersintensiteiten of de maximumsnelheid) zullen niet ad hoc worden genomen, maar zijn een onderdeel van een uitgebreide verkeersstudie. Het realiseren van een burgerwoning vormt doorgaans geen aanleiding voor een uitgebreide verkeersstudie. Overdrachtsmaatregelen Een afschermende voorziening of het vergroten van de afstand van de burgerwoning tot de weg kan leiden tot lagere geluidniveaus. Om de geluidsbelasting te beperken is er reeds een afschermende schutting van 2 meter hoog gemodelleerd tussen de burgerwoning en het bijgebouw. Een extra afschermende wand tussen de gewenste burgerwoning en de Vondersestraat is uit stedenbouwkundig oogpunt niet mogelijk.
Het scherm zal daarnaast dermate hoog moeten zijn (overschrijdingen worden ook berekend op een hoogte van 4,5 meter) dat dit niet inpasbaar is. Een scherm verder van de burgerwoning dat puur ter afscherming dient van de A73 zou daarbij zeer breed moeten worden uitgevoerd om de geluidbelasting op de burgerwoning beduidend te verminderen. Daarnaast zullen in beide gevallen de kosten voor een scherm niet opwegen tegen het gewenste effect bij het realiseren van één burgerwoning. Of het realiseren van een scherm een doelmatige investering is, is een afweging voor de wegbeheerder (gemeente voor de Vondersestraat, Rijkswaterstaat voor de Rijksweg A73). Gezien de afstand tussen de beoogde burgerwoning en de A73 zal een verplaatsing verder naar achteren slechts een zeer kleine geluidreductie geven, aangezien de relatieve toename in afstand relatief klein zou zijn. Eventueel zou hiermee wel de geluidbelasting van de Vondersestraat beperkt kunnen worden, echter wordt opgemerkt dat in het huidig ontwerp de burgerwoning al ver naar achter op het perceel is gesitueerd waardoor dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt geen wenselijke maatregel zou zijn.
Maatregelen bij de ontvanger Bij het ontwerp van de nieuwe reguliere vrijstaande burgerwoning zal ervoor moeten worden gekozen om aan de gevels waar de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden geen te openen delen te plaatsen of om hier geen verblijfsruimtes te realiseren. In dit geval hoeft de geluidsbelasting op deze gevels niet te worden getoetst. Er wordt opgemerkt dat er in dat geval ook geen sprake meer zou zijn
Hoofdstuk 4
29
van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde als gevolg van de geluidbelasting van de Vondersestraat. Bouwbesluit en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 62 dB ter plaatse van de voorgevel van de gewenste woning. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal 62 – 33 = 29 dB. Het bevoegd gezag zal bepalen of een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels nodig is. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘Redelijk’ tot ‘Slecht’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de woningen kan evenwel als acceptabel worden aangemerkt. Op basis van de toelichting in paragraaf 3.6.1 en 3.6.2 uit het onderzoeksrapport kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat. Conclusie Bij het ontwerp van de nieuwe reguliere vrijstaande burgerwoning zal ervoor gekozen dienen te worden om aan de gevels waar de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden geen te openen delen te plaatsen of om hier geen verblijfsruimtes te realiseren. Na het nemen van maatregelen is er alsnog een hogere waarde nodig voor de gevels waar de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden.