07c Toelichting
Tekst van het document
Duurzaamheid en publieke participatie zijn daarom volgens het POL 2014 belangrijke uitgangspunten. Waterschap Limburg Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap Limburg beschrijft de uitwerking van het Nationale Waterprogramma en het Provinciaal Waterprogramma. Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Met dit waterbeheerprogramma geeft Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 2022-2027. De taken van het waterschap, welke doelen zij per taak wil bereiken en welke maatregelen zij daarvoor inzet, is beschreven in het Waterbeheerprogramma. Daarbij is onderscheid gemaakt in de taken hoogwaterbescherming, klimaatadaptatie, waterkwaliteit en zuiveren. Ten aanzie nvan het planvoornemen schrijft het beleid van Waterschap Limburg de afhandeling van regenwater de trits 'opvangen, bergen en infiltreren' voor. Dit beleid is opgenomen in de Keur van het waterschap. Per 1 april 2019 geldt als norm voor Noord- en Midden-Limburg dat 100 mm/24 uur per m2 aan toename van verhard oppervlak aan hemelwater geborgen dient te worden binnen het plangebied. Gemeente Horst aan de Maas benoemt in het GRP (2022 – 2026) nog een aantal specifieke eisen.
Ten aanzien van infiltratiesystemen streeft de gemeente naar systemen die bij voorkeur zichtbaar zijn, eenvoudig zijn aan te leggen
31
en te monitoren, makkelijk zijn te reinigen en die goed functioneren. Wegens toegankelijkheid en onderhoud gaat hierbij de voorkeur uit naar: 1. Wadi's, 2. Infiltratievelden, 3. Greppels met overstort, 4. Infiltratiebuizen. Bij nieuwbouw of herinrichting wordt in eerste instantie gekozen voor het niet aansluiten van hemelwater. Het afvalwater en hemelwater worden hierbij gescheiden van elkaar gehouden. Per locatie wordt bekeken op welke wijze het hemelwater kan worden verwerkt, waarbij infiltratie de voorkeur heeft. Wanneer dit niet mogelijk is, wordt het hemelwater vastgehouden en vertraagd afgevoerd. De gemeente hanteerde voorheen een bergingseis van 30 mm, maar dat blijkt niet voldoende te zijn. De bergingseis is sterk afhankelijk van de lokale gebiedseigenschappen. Samen met Waterpanel Noord wordt momenteel gewerkt aan een gebiedsgerichte aanpak. Tot die tijd hanteert de gemeente een bergingseis van 53 mm/24 uur en indien afstroming kan plaats vinden naar probleemlocaties 100 mm.
5.2.2 Inleiding In het kader van voorliggend planvoornemen is een watertoets opgesteld met een onderbouwing van het wateraspect. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 4 bij de toelichting te raadplegen. Na een beschrijving van het waterrelevant beleid wordt ingegaan op de conclusie uit het onderzoek.
5.2.3 Watersysteem 5.2.3.1
Bodem
Maaiveldniveau Met behulp van het AHN4 is het maaiveldniveau van het terrein in beeld gebracht, zie . Het maaiveldniveau varieert tussen de circa NAP +24,1 m en de NAP +23,6 m. Hierbij ligt de Westsingel hoger dan de Schoolstraat. Ter plekke van de A-watergang en de waterpoelen ligt het maaiveld lager.
AFBEELDING: MAAIVELDNIVEAU.
Bodemopbouw Met behulp van de Bodematlas is het bodemtype van de ondiepe bodem in beeld gebracht. Het grootste deel van het projectgebied heeft de code “zEZ23” en een deel van het gebied heeft de code “|h BEBOUW”. Dit laatste houdt in dat dit deel van de bodemkaart gekarteerd is als bebouwing en dat de bovengrond naar verwachting sterk geroerd is. Het is het meest voor de hand liggend dat de oorspronkelijke bodem ook bestaat uit “zEZ23”. Dit zijn hoge zwarte enkeerdgronden die bestaan uit lemig fijn zand. Dit bodemtype staat bekend om zijn matige waterdoorlatendheid. Aangezien de lokale bodem in hoge mate geroerd is, kan niet met zekerheid vastgesteld worden of deze gronden daadwerkelijk aanwezig zijn in het projectgebied. In het begin van 2023 zijn voor projecten in de directe omgeving van deze rotonde meerdere infiltratieonderzoeken uitgevoerd. Uit die boringen is gebleken dat de bovenlaag van de bodem voornamelijk bestaat uit zeer tot matig fijn
32
zand dat matig tot sterk siltig is.
AFBEELDING: BODEMKAART
Met behulp van Dinoloket is de bodemopbouw van de projectomgeving in beeld gebracht. Het geohydrologische model REGIS II v.2.2 biedt inzicht in de verschillende lagen in de ondergrond. Een doorsnede is opgenomen in onderstaande afbeelding.
AFBEELDING GEOHYDROLOGISCHEDOORSNEDE MET DE GLOBALE LOCATIE VAN HET PROJECTGEBIED BIJ DE VERTICALE GRIJZEN LIJNEN
De bovenste circa 3 m bestaat uit de zandige Formatie van Boxtel. Hieronder bevindt zich nog een zandlaag van de Formatie van Beegden van circa 12 m dik. Vervolgens is er een kleilaag uit de Formatie van Waalre van circa 3 m dik. Deze kleilaag sluit het watervoerend pakket niet af omdat deze kleilaag ten oosten en ten westen niet meer aanwezig is. Vervolgens is er een zandlaag van de Formatie van Peize en de Formatie van Waalre van circa 4 m dik. Hieronder ligt de Venloklei (Kiezeloöliet Formatie) die hier circa 2 m dik is en hieronder ligt een zandlaag uit de Kiezeloöliet Formatie die meer dan 20 m doorloopt.
33
Infiltratieonderzoek In het begin van 2023 zijn voor projecten in de directe omgeving van deze rotonde meerdere infiltratieonderzoeken uitgevoerd. De metingen die het dichtst bij dit projectgebied liggen worden gebruikt. Tijdens deze onderzoeken zijn handmatig boringen geplaatst (B202 en B026) en zijn infiltratiemetingen uitgevoerd (I001 t/m I003 en I02). De locaties zijn weergegeven in onderstaande afbeelding.
AFBEELDING: LOCATIES BORINGEN EN INFILTRATIEMETINGEN
Aan de hand van de boringen is de bodemopbouw inzichtelijk gemaakt en de textuur uit de te onderscheiden horizonten geclassificeerd. Uit de boringen is gebleken dat de bovenlaag van de bodem voornamelijk bestaat uit zeer tot matig fijn zand dat matig tot sterk siltig is. De horizontale waterdoorlatendheid van de ondergrond ter plaatse van I001 en I003 is gemeten met behulp van de omgekeerde boorgatmethode. Bij deze methode worden de boorgaten (tijdelijk) afgewerkt met een meetbuis. Vervolgens is de meetbuis gevuld met water waarna de zaksnelheid is geregistreerd met behulp van een digitale drukopnemer (Diver-meetsysteem). Aan de hand van zaksnelheid van het water in de boringen is de horizontale waterdoorlatendheid herleid van de bodem boven de grondwaterstand. De metingen zijn uitgevoerd op verschillende diepten. Bij locaties I02 en I002 is de infiltratiemeting onder de grondwaterstand uitgevoerd. De horizontale waterdoorlatendheid van de ondergrond is hier gemeten met behulp van de boorgatmethode. Bij deze methode wordt in plaats van de zaksnelheid de stijgsnelheid na onttrekking van water geregistreerd met behulp van een digitale drukopnemer (Diver-meetsysteem). Aan de hand van de stijgsnelheid van het water in de boringen is de horizontale waterdoorlatendheid van de bodem onder de grondwaterstand herleid.
De resultaten van het infiltratieonderzoek zijn weergegeven in onderstaande tabel. Locatie
Meting
K-waarde (m/dag)
I001
1
0,05
I002
1 2 3 4 5 1
0,09 0,08 0,05 0,05 0,06 0,03
1,20 – 1,70
1 2 3 4
0,3 0,2 0,2 0,2
1,30 – 1,80
I003 I02
34
Meettraject (m beneden maaiveld) 0,20 – 0,70
0,00 – 0,50
Bodemlaag Zand, zeer fijn, matig siltig Zand, zeer fijn, matig siltig Onder GWS
Zand, matig fijn, matig siltig Zeer fijn zand, sterk siltig Onder GWS
TABEL RESULTATEN INFILTRATIEONDERZOEK
Het is opvallend dat bodemlagen die bestaan uit zeer fijn zand dat sterk siltig is (I02) beter doorlatend zijn dan bodemlagen die bestaan uit matig tot zeer fijn zand dat matig siltig is (I001 t/m I003). Dit kan verklaard worden doordat de hoeveelheid silt en type fijn zand toch varieert per locatie Ervan uitgaande dat locatie I003 representatief is voor de ondergrens van fijn zand dat matig siltig is, zal de gemiddelde doorlatendheid circa 0,03 m/d zijn. Dit komt overeen met literatuurwaarden en kan gekwalificeerd worden als slecht doorlatend (zie onderstaande tabel). Ervan uitgaande dat de overige locaties (behalve I02) representatief zijn voor het gemiddelde van fijn zand dat matig siltig is, zal de gemiddelde doorlatendheid circa 0,06 m/d zijn. Dit komt overeen met literatuurwaarden en kan gekwalificeerd worden als slecht doorlatend. Ervan uitgaande dat locatie I02 representatief is voor de bovengrens van fijn zand dat sterk siltig is, zal de gemiddelde doorlatendheid circa 0,2 m/d zijn. Dit komt overeen met literatuurwaarden en kan gekwalificeerd worden als matig doorlatend. Doorlatendheid [m/d] < 0,001 0,01 – 0,1 0,1 – 0,5 0,5 – 1,0 1,0 – 10 10 <
Kwalificatie Zeer slecht doorlatend Slecht doorlatend Matig doorlatend vrij goed doorlatend goed doorlatend zeer goed doorlatend
TABEL: KWALIFICATIE DOORLATENDHEIDBODEM (BRON: CULTUURTECHNISCH VADEMECUM, PAGINA 504)
Om de rekenwaarde van de k-waarde voor een infiltratievoorziening te bepalen wordt conform het voorschrift van Stichting RioNED een factor 0,5 op de gemiddelde k-waarde toegepast. De k-waarde waarmee voor een eventuele infiltratievoorziening in fijn zand dat matig siltig is rekening gehouden dient te worden is: Ondergrens (0,03 m/d * 0,5 =) 0,02 m/d Gemiddelde (0,06 m/d * 0,5 =) 0,03 m/d Bovengrens (0,2 m/d * 0,5 =) 0,1 m/d Conclusie infiltratieonderzoek De doorlatendheid van het fijne zand dat matig tot sterk siltig is, is slecht tot matig. Bij het bepalen van de leegloop van een bergingsvoorziening zal de ondergrens meegenomen worden en deze is erg laag (0,02 m/d) waardoor het wandoppervlak van de voorziening erg groot moet zijn om eisen voor de leegloop te realiseren. Voor de verwerking van hemelwater is infiltratie dus niet optimaal en dient er aan alternatieve methoden gedacht te worden. Diepere grondboringen kunnen inzicht geven in de ondergrond. Wanneer er beter doorlatende lagen dieper in de ondergrond zitten, zoals grindlagen, dan kan de verwerking van hemelwater potentieel via grindpalen mogelijk zijn. Een andere optie kan zijn om een vertraagde leegloop aan te sluiten op het gemeentelijk stelsel of op oppervlaktewater in de omgeving.
5.2.3.2
Oppervlaktewater
De ligging van het plangebied is weergegeven in onderstaande afbeelding. Het projectgebied ligt ten noordwesten van het centrum van Horst. Met behulp van de leggerkaart van Waterschap Limburg is nagegaan of er zich in de omgeving van het projectgebied oppervlaktewateren bevinden. Deze zijn ook in onderstaande afbeelding weergegeven. Hierop is te zien dat er een A-watergang door het projectgebied loopt. Deze kan gebruikt kunnen worden voor de eventuele afwikkeling van hemelwater vanuit het projectgebied.
35
AFBEELDING BEGRENZING PLANLOCATIE EN LEGGERKAART
5.2.3.3
Grondwater
Met behulp van Dinoloket is nagegaan waar zich in de omgeving peilbuizen bevinden. Hierbij kwam naar voren dat er één peilbuis in de omgeving van het projectgebied aanwezig is, welke over een langere tijd in het freatische deel van de ondergrond gemeten is (NAP +13,9m – NAP +8,9m). Deze ligt op circa 480 m ten zuidoosten van het projectgebied. De locatie van deze peilbuis is weergegeven in onderstaande afbeelding.
AFBEELDING PEILBUIS IN DE OMGEVING
36
AFBEELDING GRONDWATERSTANDEN
Uit voorgaande afbeelding komt naar voren dat de grondwaterstand tussen de NAP +22,0 en +24,0 m ligt, waarbij het gemiddelde rond de NAP +22,7 m ligt. Uit de grondwaterisohypsen ten tijden van het opstellen van de historische grondwaterkaart van Nederland (zie volgende afbeelding) valt op te maken dat de grondwaterstroming ter plekke van het projectgebied noordoostelijk is gericht richting de Maas. De peilbuis ligt ten zuiden van het projectgebied, waardoor de hierboven beschreven grondwaterstanden hoger zijn dan de grondwaterstand rond het projectgebied. Met behulp van de historische grondwaterkaart van Nederland kan afgeleid worden dat de peilbuis ongeveer 0,2 m hoger ligt waardoor de grondwaterstand rond het projectgebied op circa NAP +22,5 m zou liggen. Dit is ongeveer 1 m hoger dan wat terug te zien is op de Grondwaterkaart van Nederland. Een verklaring hiervoor kan zijn dat de Grondwaterkaart een moment opname is en daardoor wat lager kan uitvallen.
AFBEELDING GRONDWATERKAARTVAN NEDERLAND VOOR HET FREATISCHE PAKKET MET IN DE RODE CIRKEL DE GLOBALE LOCATIE VAN HET PROJECTGEBIED.
Aan de hand van het IBRAHYM-grondwatermodel en de resultaten voor de periode 2003 – 2011 (meest recente gegevens) is de GHG van het freatische pakket bepaald (zie onderstaande afbeelding). Deze bevind zich circa op NAP + 22,8 m. De GHG bevindt zich hierdoor circa tussen de 0,8 – 1,3 m onder het maaiveld.
37
AFBEELDING RESULTATEN GHG GRONDWATERMODEL IBRAHYM VOOR HET FREATISCHE PAKKET
5.2.4 Hemelwater 5.2.4.1
Verhard oppervlak
Aan de hand van luchtfoto's en obliekfoto's is het huidige verhard oppervlak in beeld gebracht (onderstaande afbeelding). In het projectgebied liggen enkel wegen die verhard zijn en deze hebben een oppervlak van circa 3.300 m2 aan verhard oppervlak.
AFBEELDING: HUIDIGE VERHARDOPPERVLAK
Aan de hand van het ontwerp is het toekomstig verhard oppervlak van de ontwikkeling vastgesteld (zie onderstaande afbeelding). In totaal bedraagt het verharde oppervlak in de toekomstige situatie circa 3.950 m2 . Het verhard oppervlak neemt dus toe met ongeveer 650 m2 .
38
AFBEELDING: TOEKOMSTIG VERHARDOPPERVLAK
5.2.4.2
Aanpassingen aan watergangen
In de huidige situatie lopen de A-watergang en de sloot ten westen van de A-watergang onder de Van den Bekeromstraat en onder de Schoolstraat door. De sloot ten oosten van de A-watergang heeft geen duikers. In de nieuwe situatie wordt de A-watergang aangepast doordat de duiker onder de Van den Bekeromstraat verlengd wordt en de duiker onder de Schoolstraat weggehaald wordt omdat deze straat niet meer bestaat in de nieuwe situatie (zie onderstaande afbeelding). In de nieuwe situatie zal de A-watergang dus ongeveer even groot zijn als in de oude situatie.
AFBEELDING: WATERGANGEN DIE AANGEPAST WORDEN
Verder wordt de sloot ten oosten van de A-watergang zowel ten noorden als ten zuiden van de Van den Bekeromstraat deels gedempt, maar komt er ook een stuk sloot bij ter plaatse van de Schoolstraat. Het oppervlak dat gedempt wordt en het oppervlak dat er nieuw bij komt is ongeveer even groot. In het nieuwe ontwerp dient verder rekening gehouden te worden met de 5 m beschermingszone aan beide kanten van de A-watergang. Ook dienen de oevers bereikbaar te blijven voor beheer en onderhoud. Dit dient in een vroeg stadium met het waterschap afgestemd te worden.
39
5.2.4.3
Berging
Door de ontwikkeling is er een toename van verhard oppervlak van circa 650 m2 . Hierom dient er volgens het beleid van Waterschap Limburg (650 * 0,1 =) 65 m3 waterberging aangelegd te worden. Ondergrondse oplossingen zijn in de regel financieel minder aantrekkelijk dan bovengrondse oplossingen. Bovengrondse maatregelen zijn zelfs robuuster (minder foutgevoelig) en beter te onderhouden. Dit zorgt voor lagere kosten waardoor dit financieel aantrekkelijker is. Bovengrondse maatregelen nemen echter wel meer ruimte in op het maaiveld, maar hier is in het ontwerp wel ruimte voor. Een optie is om de watergang/greppel tussen de rijbaan en de A-watergang richting het zuiden toe te verdiepen en te verbreden. Momenteel ligt het maaiveld naast de watergang op een hoogte van circa NAP +24,0 m. Deze watergang/greppel is circa 4 m breedte en de bodem ligt volgens het AHN op circa NAP +23,4 m. Wanneer over een lengte van circa 40 m de bodem verlaagd wordt naar NAP +23,1 (0,3 m verlaging, ruim boven de GHG) en de greppel verbreed wordt tot een breedte van 6 m (2 m verbreding), kan hier, rekening houdend met taluds van 1:3, circa 65 m3 water geborgen worden. Onderstaande afbeelding geeft een indicatie van het ruimtebeslag van deze bovengrondse berging.
AFBEELDING: INDICATIE RUIMTEBESLAG WATERBERGING
Leegloop Er wordt vanuit gegaan dat het water in de infiltratievoorzieningen voornamelijk via de wanden infiltreert. In de loop van de tijd gaat de bodem namelijk dicht zitten door bezinksel en afzettingen in de bodem van de voorziening (de waterbodem). Uit het infiltratieonderzoek komt naar voren dat de horizontale doorlatendheid van de bodem ter plekke van het projectgebied slecht tot matig is. Voor infiltratievoorzieningen dient een minimale doorlatendheid van 0,02 m/d en een maximale doorlatendheid van 0,1 m/d aangehouden te worden. Wanneer dit wordt vermenigvuldigd met het wandoppervlak kan bepaald worden hoeveel water de voorziening minimaal en maximaal per dag kan laten infiltreren. Bij het bepalen van het wandoppervlak van de bovengrondse voorzieningen is rekening gehouden met taluds van 1:3. In onderstaande tabel is dit weergegeven. Type
Inhoud [m3 ]
Omtrek [m]
Wandoppervlak [m2 ]
Minimale afvoer [m3 /d]
Uitbreiding bestaande greppel (huidige inhoud van 53 m3 + uitbreiding van 65 m3 )
118
92
262
5
TABEL: AFVOER BERGINGSVOORZIENINGEN
40
Maximale afvoer [m3 /d] 26
Infiltratie zorgt ervoor dat bij een volledige vulling van de bovengrondse berging maximaal (118/5 =) 23 dagen water in de infiltratievoorzieningen staat. Hierom wordt aangeraden om de leegloop niet te laten verlopen via infiltratie. Een optie kan zijn om een vertraagde leegloop aan te sluiten op de A-watergang ten westen van deze greppel. Overstort-/escapemogelijkheid Voor het geval de bergingsinhoud ter plaatse van de voorzieningen overbelast raakt (om welke reden dan ook) dient een overstortmogelijkheid (escape) te worden voorzien. Op de perceelsgrens moet het water vrijelijk kunnen overstorten naar het openbare gebied zonder daarbij overlast te veroorzaken. Aangeraden wordt om de overstort op de A-watergang ten westen van deze greppel aan te sluiten. Ontwikkeling Schoolstraat Momenteel wordt ook de Schoolstraat (ten oosten van deze projectlocatie) ontwikkeld. Hierbij wordt ook waterberging aangelegd. Mogelijk kan dit gecombineerd worden met de benodigde waterberging in dit project. Overleg waterbeheerder Het bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro en de watertoets ter beoordeling voorgelegd aan Waterschap Limburg. Het waterschap heeft d.d. 28 november 2023 aangegeven dat het bestemmingsplan op hoofdlijnen akkoord is.
Vanwege de functie van de A-watergang 'Voor America' is het van belang dat de doorstroming van oppervlaktewater te allen tijde gewaarborgd blijft. Daarvoor dient in ieder geval de bestaande duiker onder de Van den Berkeromstraat als gevolg van het planvoornemen te worden verlengd. Hierom en vanwege de aanleg met fietspad met voetpad in het profiel van de vrije ruimte en de kernzone (bovne de duiker) is een watervergunning nodig. Ten behoeve van de aanleg van de rotonde wordt te zijner tijd een watervergunning aangevraagd. Daarnaast is met het oog op de aanwezigheid, instandhouding en bescherming van de primaire functie van de 'Voor America' aan dit oppervlaktewaterlichaam de enkelbestemming 'Water' toegekend. In de bestemming is een vergunningenstelsel opgenomen voor het uitvoeren van een werk en/of van werkzaamheden. Daarbij is aangegeven bij de beoordeling van een dergelijke vergunningaanvraag vooraf advies wordt ingewonnen bij de waterbeheerder, Waterschap Limburg. De betrokkenheid van het waterschap is hiermee geborgd.
5.2.5 Conclusie Gelezen het voorgaande worden de voor het planvoornemen relevante waterhuishoudkundige aspecten in voldoende mate gewaarborgd. Te zijner tijd wordt voorafgaand aan de aanleg van de rotonde een watervergunning aangevraagd.
5.3 Ecologie In het kader van de voorliggend planvoornemen is een verkennend flora- en faunaonderzoek uitgevoerd. Dit om in te schatten of er op de onderzoekslocatie plant- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermede status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage (zie bijlage 5).
5.3.1 Bescherming soorten Uit de resultaten van het veldbezoek en het literatuuronderzoek is gebleken dat de komst van een rotonde op de kruising tussen de Schoolstraat en Westsingel te Horst mogelijk effect kan hebben op het voorkomen van algemeen voorkomende broedvogels. Voor alle andere soorten is het plangebied niet geschikt. Voor beschermde en algemeen voorkomende soorten geldt wel de zorgplicht (artikel 1.11, Wnb). De soorten mogen niet gedood of verwond worden door de werkzaamheden. Algemeen voorkomende broedvogels Het rooien van de bomen en andere vegetatie binnen het plangebied leidt mogelijk tot negatieve effecten op broedvogels, zoals het doden of verwonden van vogels (Wnb artikel 3.1.1.) en het vernielen van nesten of eieren (Wnb artikel 3.1.2.). Het is hiernaast tevens mogelijk dat als gevolg van de werkzaamheden vogels verstoord worden (Wnb artikel 3.1.4.). Doordat de staat van instandhouding van de te verwachten vogels binnen het plangebied gunstig is, als gevolg van een grote hoeveelheid geschikt leefgebied in de omgeving, leidt het verstoren van vogels niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming.
41
In gebruik zijnde nesten zijn streng beschermd en mogen daarom niet worden vernield ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van vogels vernield worden bij de werkzaamheden binnen het plangebied. Er dient derhalve gerooid te worden buiten het broedseizoen. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli, afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort. Indien niet mogelijk is om te werken buiten het broedseizoen, kan middels een broedvogelschouw onderzocht worden of in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn in de aanwezige vegetatie. Indien nesten afwezig zijn, kunnen de bomen en/of terreinen vrijgegeven worden voor de kap/graafwerkzaamheden. Algemeen voorkomende zoogdieren en amfibieën Het plangebied is in potentie geschikt als leefgebied voor algemeen voorkomende zoogdiersoorten en als landhabitat voor zwervende, algemeen voorkomende amfibieën. De omgeving van het plangebied biedt ruim voldoende alternatief leefgebied voor een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. Permanente negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden worden daarom niet verwacht. De werkzaamheden zelf hebben mogelijk wel een negatief effect op individuen van voorkomende soorten.
Kleine zoogdiersoorten en amfibieën worden mogelijk gedood of vaste rust- en verblijfplaatsen worden mogelijk vernield (Wnb artikel 3.10.1). De mogelijk voorkomende zoogdier- en amfibiesoorten zijn in de provinciale verordening van de provincie Limburg vrijgesteld van ontheffing voor het vernielen van vaste rust- en verblijfplaatsen (zie ook bijlage). Het doden van individuen van deze soorten blijft verboden, maar het vangen met als doel deze weer elders uit te zetten daarentegen is wel vrijgesteld van ontheffing. Door middel van zorgvuldig handelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kan daarom een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen worden. Dit houdt in dat aangetroffen individuen van de soort verjaagd dienen te worden of gevangen en vrijgelaten dienen te worden in het aanliggend gebied, buiten invloed van de werkzaamheden.
5.3.2 Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden Het plangebied bevindt zich niet binnen of aangrenzend aan een Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied betreft de 'Deurnse & Mariapeel', welke op 9,1 kilometer afstand is gelegen. Vanwege de afstand tussen het plangebied en het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, zijn directe effecten, zoals oppervlakteaantasting, niet aan de orde. Gezien de kleinschaligheid van de ingreep alsmede de afstand tot het plangebied, zijn ook indirecte negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, zoals veranderingen in waterstanden, licht en geluid niet aan de orde. Wel dient middels een stikstofdepositieberekening de effecten vanwege stikstofdepositie op de omliggende N2000-gebieden inzichtelijk gemaakt te worden. Stikstofdepositie Ten behoeve van voorgenomen bestemmingsplan is een stikstofonderzoek (zie bijlage 6) uitgevoerd. Uit deze berekening is gebleken dat er geen toename in stikstofdepositie zal plaatsvinden door de werkzaamheden. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Provinciale gebiedsbescherming Het plangebied bevindt zich niet binnen of aangrenzend aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN), in de provincie Limburg aangeduid als Natuurnetwerk Limburg (NNL).
Het meest nabij gelegen NNL-gebied betreft de Kasteelse Bossen en bevindt zich op 1,4 kilometer afstand ten oosten van het plangebied . Het aanleggen van de rotonde leidt niet tot effecten op in de omgeving gelegen NNN-gebieden. Het plangebied bevindt zich ook niet binnen de grenzen van de groenblauwe mantel. Deze zone bestaat uit gebieden die niet binnen de grenzen van het NNN vallen maar wel van belang zijn voor de natuur in Limburg. Het dichtstbijzijnde gebied ligt op ongeveer 325 meter afstand van het plangebied. Ook hierop is op voorhand geen effect te verwachten gezien de afstand tot deze gebieden. Houtopstanden Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Horst. De houtopstanden in het plangebied zijn daarom niet beschermd onder de Wet natuurbescherming. In de gemeente Horst aan de Maas zijn gemeentelijke bomen kapvergunningsvrij. Bomen die in eigendom zijn van de gemeente mogen, met instemming van de gemeente, gekapt worden. Er is dus geen kapvergunning nodig om bomen te kappen voor de voorgenomen plannen.
42
5.3.3 Conclusie Op basis van het onderzoek wordt het planvoornemen inpasbaar geacht.
5.4 Archeologie en cultuurhistorie 5.4.1 Archeologie 5.4.1.1
Inleiding
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.
5.4.1.2
Analyse
Het plangebied ligt in een zone met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Er geldt een vrijstelling voor onderzoek bij bodemingrepen tot 50 cm onder maaiveld over een oppervlakte van minder dan 500 m². In het kader van voorliggend planvoornemen wordt een deel van de bestaande wegverharding vervangen. Bij de vervangingswerkzaamheden wordt uitgegaan dat gebruik kan worden gemaakt van de wijze waarop de huidige wegen zijn ingericht en dat hiervoor dan ook geen diepere ontgravingswerkzaamheden noodzakelijk zijn. Naast het vervangen van wegverharding neemt als gevolg van de aanleg van de rotonde het wegoppervlak toe met ca. 650 m². Ten aanzien van de aan te leggen weg wordt ook in dit kader uitgegaan dat bodemingrepen dieper dan 50 cm onder maaiveld niet noodzakelijk is. Hiermee worden de grenzen van deze dubbelbestemming niet overschreden. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is nu niet noodzakelijk. Ondanks een zorgvuldig onderzoek of een zorgvuldige afweging kan nooit volledig worden uitgesloten dat er tijdens werkzaamheden archeologische sporen of resten worden aangetroffen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister.
5.4.1.3
Conclusie
Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.4.2 Cultuurhistorie 5.4.2.1
Inleiding
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.
5.4.2.2
Analyse
Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Het plan tast geen waardevolle elementen aan.
5.4.2.3
Conclusie
Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.5 Kabels en leidingen Binnen het plangebied komen geen leidingen of kabels met een dusdanige planologisch- juridische beschermingszone voor dat deze gevolgen hebben voor dit bestemmingsplan. Vanuit dit aspect zijn er dan ook geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling.
43
44
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond. Een bestemmingsplan moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht uitvoerbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.
6.1 Financieel Kostenverhaal Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro). In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren niet tot de in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Het vaststellen van een exploitatieplan is derhalve niet verplicht.
6.2 Maatschappelijk Het ontwerpbestemmingsplan ‘Rotonde Westsingel-Van den Bekeromstraat-Schoolstraat Horst’ wordt conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening in vooroverleg gezonden naar de betreffende personen en instanties. Daarnaast doorloopt het plan de procedure van artikel 3.8 en verder van de Wet ruimtelijke ordening. De resultaten van deze procedures zullen te zijner tijd in deze toelichting worden vermeld.
45
46
Hoofdstuk 7 Juridische toelichting 7.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend. Het bestemmingsplan bestaat uit: de toelichting; de planregels; de verbeelding. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen. De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voldoet aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.
7.2 Planregels De indeling van de planregels is als volgt. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 4 Overgangsregels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Begrippen (artikel 1) In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Wijze van meten (artikel 2) In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Groen (artikel 3) De gronden met de bestemming ‘Groen’ zijn bestemd voor groenvoorzieningen, wandel- en fietspaden, speelvoorzieningen, bermen en beplanting, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, kunst en kunstwerken ten behoeve van de wegbebouw. Binnen deze bestemming mogen de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd. Verkeer (artikel 4) De gronden met de bestemming ‘Verkeer’ zijn bestemd voor wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verkeersfunctie, voet- en rijwielpaden, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en parkeervoorzieningen, waarbij wordt gestreefd naar een inrichting hoofdzakelijk gericht op de afwikkeling van het doorgaande verkeer.
Binnen deze bestemming mogen uitsluiten gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd. Water (artikel 5) De gronden met de bestemming 'Water' zijn bestemd voor de bescherming, beheer en onderhoud van de
47
betreffende watergang of beek, de ontvangst, berging en/of afvoer van water, extensief recreatief medegebruik, met de daarbij behorende water- en waterhuishoudkundige voorzieningen, voorzieningen, zoals groenvoorzieningen, geluidswerende voorzieningen en verkeers- en verkeersregulerende voorzieningen; bermen en wegbeplantingen, voorzieningen van openbaar nut. In de bouwregels is opgenomen welke bouwmogelijkheden binnen de bestemming bestaan ten aanzien van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Het bouwen van gebouwen is in de regel niet toegestaan. Voor een aantal werken en werkzaamheden is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden vereist, die door burgemeenster en wethouders wordt afgegeven. Op het genoemde verbod is wel een aantal uitzonderingen van toepassing, waarbij evens geldt dat door de genoemde werken en werkzaamheden geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de watersystemen en/of waterbergingsgebieden en er vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen. Waarde - Archeologie 3 (artikel 6) De gronden met dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ zijn, naast de andere voor die gronden geldende bestemmingen, tevens bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden. Er mag slechts onder voorwaarden worden gebouwd.
Daarnaast is voor diverse werken en werkzaamheden een omgevingsvergunning benodigd. In de bestemming is zijn ondergrenzen opgenomen: werkzaamheden die minder diep zijn dan 0,5 meter of minder groot dan de in de bestemming aangegeven ondergrens (500 m²) zijn vrijgesteld van vergunningplicht en de archeologische onderzoeksverplichting. Waterstaat - Waterbergingsgebied (artikel 7) De gronden met dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterbergingsgebied' zijn, naast de andere voor die gronden geldende bestemmingen, tevens bestemd voor watersystemen als fysiek systeem van waterlopen en andere met de waterhuishouding samenhangende voorzieningen en waterbergingsgebieden. Binnen deze bestemming geldt een voorrangsregeling waarbij de bestemming Waterstaat - Waterbergingsgebied voorrang heeft op andere bestemmingen. In de bouwregels is opgenomen welke bouwmogelijkheden binnen de bestemming bestaan ten aanzien van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Het bouwen van gebouwen is in de regel niet toegestaan. Burgemeester en wethouders kunnen wel een omgevingsvergunning verlenen voor een afwijking ten behoeve van het oprichten van gebouwen voor waterberging. Voor een aantal werken en werkzaamheden is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden vereist, die door burgemeenster en wethouders wordt afgegeven.
Op het genoemde verbod is wel een aantal uitzonderingen van toepassing, waarbij evens geldt dat door de genoemde werken en werkzaamheden geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de watersystemen en/of waterbergingsgebieden en er vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen. Hoofdstuk 3 Algemene regels Anti-dubbeltelregel (artikel 8) In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Algemene bouwregels (artikel 9) Dit artikel bevat regels ten aanzien van afwijkende bestaande bebouwing en ondergeschikte bouwdelen. Dit artikel bevat tevens de verplichting tot het voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij een verwijzing is opgenomen naar het relevante beleidsdocument. Algemene gebruiksregels (artikel 10) In dit artikel is nader omschreven welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig met het bestemmingsplan worden aangemerkt, waaronder het gebruik van bouwwerken en Algemene wijzigingsregels (artikel 11) In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Deze wijzigingen hebben betrekking op het verschuiven van bestemmingsgrenzen tot maximaal 2,00 meter.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht (artikel 12) Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Dit artikel bevat tevens een overgangsregel ten aanzien van het voortzetten van bestaand gebruik dat in strijd met het bestemmingsplan is. Slotregel (artikel 13) Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
48
49
50
Hoofdstuk 8 Procedure Het bestemmingsplan doorloopt de gebruikelijke procedure. De voorziene procedurestappen zijn: 1. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro 2. Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan 3. Vaststelling door gemeenteraad 4. Terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan
8.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de betrokken instanties. De betrokken instanties hebben geen opmerkingen op het planvoornemen.
8.2 Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 15 december 2023 tot en met 26 januari 2024 voor een ieder ter inzage gelegen in het gemeente huis van de gemeente Horst aan de Maas, Wilhelminaplein 6 te Horst. Het ontwerpbestemmingsplan is tevens vanaf 15 december 2023 te raadplegen op de gemeentelijke website www.horstaandemaas.nl, op www.ruimtelijkeplannen.nl en via de digitale Staatscourant. Gedurende deze periode van zes weken konden ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan mondeling of schriftelijk gemotiveerde zienswijzen worden ingediend bij het college van burgemeesteren wethouders. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
51