CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

07c Toelichting

Gemeenteraad 10 september 2024, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Rotonde Westsingel.14.625 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Inhoudsopgave

2

Toelichting

3

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging en kadastrale begrenzing 1.3 Vigerend bestemmingsplan

5 5 5 7

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het plangebied 2.1 Algemeen 2.2 Ruimtelijke en functionele structuur plangebied 2.3 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie

13 13 13 14

Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Nationaal niveau 3.2 Provinciaal niveau 3.3 Gemeentelijk niveau

17 17 19 20

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

23

Hoofdstuk 5 Sectorale aspecten 5.1 Milieu 5.2 Waterparagraaf 5.3 Ecologie 5.4 Archeologie en cultuurhistorie 5.5 Kabels en leidingen

25 25 31 41 43 43

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Financieel 6.2 Maatschappelijk

45 45 45

Hoofdstuk 7 Juridische toelichting 7.1 Algemeen 7.2 Planregels

47 47 47

Hoofdstuk 8 Procedure 8.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro 8.2 Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan

51 51 51

Toelichting

3

4

Hoofdstuk 1 Inleiding Voorliggend rapport betreft het bestemmingsplan "Rotonde Westsingel-Van den Bekeromstraat-Schoolstraat Horst" van de gemeente Horst aan de Maas.

1.1 Aanleiding en doel In 2019 is voor het centrum van Horst een Centrumvisie opgesteld, waarin de ontwikkelrichting van een aantal plekken in, en aan de rand van, het centrum van Horst is opgenomen. Voor de 'Weisterbeek locatie' is een zogenaamde duurzame transformatielocatie 'nieuwe stijl' beoogd. Voortbordurend op deze centrumvisie werken onder andere de Gemeente Horst aan de Maas en Dynamiek Scholengroep momenteel aan de nieuwbouwplannen voor de bouw van een Integraal Kindcentrum, IKC Weisterbeek. Dit IKC dient ter vervanging van de huidige gebouwen van de Weisterbeek aan de Jacob Merlostraat en omgeving. Het plangebied voor de beoogde nieuwbouw is opgenomen in onderstaande afbeelding. De ruimtelijke invulling van het plangebied en de vertaling naar het ontwerp van gebouwen, buitenruimte en openbare ruimte is momenteel in uitwerking. Daarnaast zijn er nog enkele recente ontwikkelingen die mogelijk van invloed zijn op een definitieve locatiekeuze voor het IKC Weisterbeek. Desondanks is er behoefte aan een quickscan voor de verkeersstructuur om inzicht te geven in de mogelijke inrichting en eventuele effecten daarvan.

Uit het uitgevoerde verkeerskundig onderzoek (opgenomen in bijlage 1 bij voorliggende toelichting) zijn de volgende conclusies geformuleerd: met de herontwikkeling van de Weisterbeek tot nieuwe locatie voor het IKC ontstaan er kansen voor het verbeteren van de verkeersveiligheid in de directe schoolomgeving en op de belangrijke school-thuisroutes. op basis van een analyse van herkomsten (postcodes van woonadres) van leerlingen is gebleken dat er een belangrijke relatie is gelegen tussen de wijk De Afhang en de Weisterbeek. Veel schoolgaande jeugd te voet en te fiets zal gebruik maken van de Schoolstraat of de Waterstraat. met de ontwikkeling van het IKC Weisterbeek en verdere woningbouwontwikkeling in de Afhang ontstaan er kansen om de Schoolstraat her in te richten, en daarmee het langzaam verkeer een prominente plek te geven in het wegprofiel, bijvoorbeeld door realisatie van een fietsstraat. om een veilige oversteek van de Westsingel voor schoolgaande jeugd te faciliteren, heeft de aanleg van een rotonde grote toegevoegde waarde. Een rotonde heeft met name een positieve invloed op de uitwisseling van verkeer met de Westsingel en voor de oversteekbaarheid van de Westsingel voor langzaam verkeer. Hiermee wordt ook invulling gegeven aan doelstellingen en ambities om het langzaam verkeer te faciliteren en kwetsbare verkeersdeelnemers beter te beschermen.

Ondanks dat een rotonde vanuit oogpunt van verkeersafwikkeling niet strikt noodzakelijk is, is deze vanuit oogpunt van verkeersveiligheid wel aan te bevelen. Dit wordt niet alleen onderbouwd vanuit de ontwikkeling van het IKC, maar dit kruispunt is ook één van de knelpunten die is benoemd in de risicoanalyse die is verricht in het kader van het SPV (Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030). Met de aanleg van een rotonde wordt dit knelpunt volledig opgelost. Indien het IKC Weisterbeek wordt gerealiseerd op één van de in onderzoek zijnde alternatieve locaties in de wijk De Afhang, dan lijkt het nut en de noodzaak voor de aanleg een fietsstraat op een gedeelte van de Schoolstraat minder sterk aanwezig dan bij een herontwikkeling van het IKC op de huidige locatie. De aanleg van een rotonde op de Westsingel is in dat geval echter nog steeds aan te bevelen. De gemeente Horst aan de Maas is voornemens om invulling te geven aan de conclusies uit het onderzoek door de aanleg van een rotonde op het kruispunt Westsingel-Van den Bekeromstraat-Schoolstraat. De rotonde is vanuit functioneel oogpunt op onderdelen strijdig met het huidig vigerend bestemmingsplan. Met voorliggend bestemmingsplan wordt de rotonde planologisch-juridisch mogelijk gemaakt.

1.2 Ligging en kadastrale begrenzing Het plangebied betreft het kruispunt van de Westsingel met de Van den Bekeromstraat en de Schoolstraat, inclusief omliggende groenstroken en watergangen. De onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied weer.

5

AFBEELDING: SCHEMATISCHE LIGGING PLANGEBIED (BRON: GEOKRAGT VIEWER).

6

Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van voorliggend bestemmingsplan ingetekend.

AFBEELDING: KADASTRALE SITUATIE (BRON: GEOKRAGT VIEWER).

Onderstaande tabel bevat de perceelnummers, oppervlakten en eigenaren. perceel oppervlakte eigenaar HOR01-M-593 1.010 m² Gemeente Horst aan de Maas HOR01-N-2540 8.670 m² Gemeente Horst aan de Maas HOR01-N-2665 21.667 m² Gemeente Horst aan de Maas HOR01-N-2671 700 m² Gemeente Horst aan de Maas HOR01-N-2674 565 m² Gemeente Horst aan de Maas HOR01-N-2755 25.143 Gemeente Horst aan de Maas HOR01-M-3501 616 m² Gemeente Horst aan de Maas

1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied vigeren de volgende bestemmingsplannen: 'Peelkernen', onherroepelijk vastgesteld d.d. 10 november 2009; 'de Afhang', onherroepelijk vastgesteld d.d. 19 oktober 2011.

1.3.1 Peelkernen Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding. De ligging van het plangebied is aangegeven.

7

UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN 'PEELKERNEN'. HET PLANGEBIED IS IN ROOD INGETEKEND.

De volgende bestemmingen zijn relevant voor onderhavig plan: enkelbestemming: 'Groen'; enkelbestemming: 'Verkeer'; enkelbestemming: 'Water-primair/secundair'; dubbelbestemming: 'Zone bescherming watergang'. Groen (art. 9) De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen, bermen en beplanting; b. een muziekkiosk, ter plaatse van de aanduiding (mk); c. paden, speelvoorzieningen, hondentoilet, water en voorzieningen voor de waterhuishouding; alsmede voor: d. het behoud, beheer en herstel van de cultuurhistorische waarden ter plaatse van de aanduiding 'gemeentelijk monument'of 'Rijksmonument'; met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en verhardingen en parkeervoorzieningen en met inachtneming van de keur van het waterschap.

8

Verkeer (art. 17) De voor Verkeer aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen en straten, wandel- en fietspaden met een functie voornamelijk gericht op de afwikkeling van het doorgaande verkeer; b. parkeer-, groen- en speelvoorzieningen, hondentoilet; c. een muziekkiosk, ter plaatse van de aanduiding (mk); d. water en voorzieningen voor de waterhuishouding; met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Water-Primair/Secundair (art. 19) De voor Water-Primair/Secundair aangewezen gronden zijn bestemd voor waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen, met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bruggen, dammen en/of duikers en met inachtneming van de Keur van het Waterschap. Analyse Voorgenomen planvoornemen voorziet ter plaatse in de aanleg van een deel van de rotonde, inclusief de verbreding van de Westsingel en de Schoolstraat ter plaatse van de aansluiting met de rotonde. Deze activiteiten zijn functioneel toegestaan op gronden met de enkelbestemming 'Verkeer'. Binnen de enkelbestemming 'Groen' zijn wegen en verhardingen toegestaan voor zover dit past binnen het hoofdgebruik, zoals beschreven onder a. tot en met d. Gekeken naar het planvoornemen is de aanleg van extra wegverharding, vanwege de aanleg van een rotonde, geen activiteit dat past binnen het hoofdgebruik.

Het planvoornemen is op dit punt strijdig met de enkelbestemming 'Groen'. Het planvoornemen is ook strijdig met de enkelbestemming 'Water-Primair/Secundair' daar gronden met deze enkelbestemming enkel bestemd zijn voor waterlopen en/of waterhuishoudkundige voorzieningen. Conclusie Vanwege de strijdigheid van het planvoornemen ter plaatse van gronden met de enkelbestemmingen 'Groen' en 'Water-Primair/Secundair' dient een nieuw bestemmingsplan te worden vastgesteld.

1.3.2 de Afhang Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding. De ligging van het plangebied is aangegeven.

9

UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN 'DE AFHANG'. HET PLANGEBIED IS IN ROOD INGETEKEND.

De volgende bestemmingen zijn relevant voor onderhavig plan: enkelbestemming: 'Groen'; enkelbestemming: 'Verkeer'; dubbelbestemming: 'Waterstaat-Waterbergingsgebied'; dubbelbestemming: 'Waterstaat-Waterlopen'. Groen (art. 5) De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen, bermen en beplanting; b. paden, speelvoorzieningen, hondentoilet, water en voorzieningen voor de waterhuishouding; c. voorzieningen van algemeen nut; met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en verhardingen en parkeervoorzieningen en met inachtneming van de keur van het Waterschap.

10

Verkeer (art. 7) De voor Verkeer aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen en straten, wandel- en fietspaden met een functie voornamelijk gericht op de afwikkeling van het doorgaande verkeer; b. parkeer-, groen- en speelvoorzieningen, hondentoilet; c. voorzieningen van algemeen nut; d. water en voorzieningen voor de waterhuishouding; met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Analyse Voorgenomen planvoornemen voorziet ter plaatse in de aanleg van een deel van de rotonde, inclusief de verbreding van de Van den Bekeromstraat ter plaatse van de aansluiting met de rotonde. Deze activiteiten zijn functioneel toegestaan op gronden met de enkelbestemming 'Verkeer'. Binnen de enkelbestemming 'Groen' zijn wegen en verhardingen toegestaan voor zover dit past binnen het hoofdgebruik, zoals beschreven onder a. tot en met c. Gekeken naar het planvoornemen is de aanleg van extra wegverharding, vanwege de aanleg van een rotonde, geen activiteit dat past binnen het hoofdgebruik. Het planvoornemen is op dit punt strijdig met de enkelbestemming 'Groen'. Conclusie Vanwege de strijdigheid van het planvoornemen ter plaatse van gronden met de enkelbestemming 'Groen' dient een nieuw bestemmingsplan te worden vastgesteld. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader waarbinnen het planvoornemen mogelijk wordt gemaakt.

11

12

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het plangebied Dit hoofdstuk geeft een ruimtelijk-functionele analyse van het plangebied.

2.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt de ligging van het plangebied op gemeentelijk niveau en de feitelijke situatie van het plangebied beschreven. Ook wordt er ingegaan op de aanwezige ruimtelijk-functionele structuur van het plangebied en omgeving.

2.2 Ruimtelijke en functionele structuur plangebied Het plangebied ligt ter hoogte van het kruispunt Westsingel - Schoolstraat - Van den Bekeromstraat in Horst. De Westsingel is een belangrijke buurtontsluitingsweg van de kern Horst tussen de rotondes Westsingel/Weltersweide - Meterikseweg - Noordsingel en Westsingel - Americaanseweg. Ter plaatse geldt een maximumsnelheid van 50 km/uur. Aan weerszijden van de weg zijn fietsstroken aanwezig. De Schoolstraat is een erftoegangsweg welke begint oostelijk bij het kruispunt Schoolstraat - Jacob Merlostraat Veemarkt - Herstraat in het centrum van Horst en sluit westelijk aan op de Westsingel. Ter plaatse geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur. De Van den Bekeromstraat (voorheen onderdeel van de Grad Roosenstraat) is net als de Schoolstraat een erftoegangsweg. Deze weg ontsluit het westelijk deel van de nieuwe woonwijk De Afhang met de Westsingel. Ter plaatse geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur. Ter hoogte van de kruising van deze wegen is sprake van een voorrangskruispunt waarbij de Westsingel de voorrangsweg is. Ter plaatse van het kruispunt zijn oversteekvoorzieningen voor voetgangers in de vorm van zebrapaden aanwezig. Het openbaar gebied van het plangebied bestaat naast de genoemde wegen uit groene bermen met bomen en watergangen, waaronder een primaire watergang 'Voor America' te nwesten van het kruispunt.

Onderstaande afbeelding geeft de situering van de wegen ter plaatse van het plangebied aan.

13

AFBEELDING LUCHTFOTO TER HOOGTE VAN HET KRUISPUNT WESTSINGEL-SCHOOLSTRAAT-VAN DEN BEKEROMSTRAAT.

2.3 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie 2.3.1 Historische ontwikkeling Horst is in de middeleeuwen (ca. 500 tot ca. 1500 n.Chr.) ontstaan op de hogere zandgronden tussen de Peel en de Groote Molenbeek. De oorspronkelijke naam was Berkele. In de 11e eeuw was er in Berkele al een kapel. Rondom deze kapel vestigden zich winkeliers en handelaren. Van de gehuchten Berkele, Hegelsum, Meldersloo, Meterik, Middelijk, Oostenrijk en Schadijk was Berkele door zijn centrale ligging het belangrijkste. Door het ontstaan van het kasteel Huys ter Horst (ca. 1300) neemt de centrale nederzetting Berkele waarschijnlijk de naam Horst aan. Horst en de andere dorpen van de gemeente Horst aan de Maas behoorden tot het Overkwartier van Gelre of Spaans Opper-Gelre. Tijdens de Spaanse Successieoorlog werd het door Staatse troepen bezet, waarna het in 1713 werd overgedragen aan de Pruisische bondgenoot. Zo bleef het als deel van Pruisisch Opper-Gelre ongeveer een eeuw lang Duits (tot 1814). Volgens divers historisch kaartmateriaal (bron: topotijdreis.nl) behoorde het plangebied tot en met 2008 tot het buitengebied van Horst en waren de gronden overwegend onbebouwd en in agrarisch gebruik.

14

AFBEELDING: UITSNEDE TOPOGRAFISCHE KAART VAN HORST OMSTREEKS 2008. HET PLANGEBIED IS IN ROOD OMKADERD AANGEGEVEN (BRON: TOPOTIJDREIS).

Vanaf 2009 is de aanleg van de Westsingel een feit en maakt het plangebied onderdeel uit van de bebouwde kom door uitbreiding van het stedelijk gebied van Horst ten westen van de Westsingel.

2.3.2 Cultuurhistorie Op basis van de digitale erfgoedkaart van de gemeente Horst aan de Maas komen er binnen het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle monumenten voor. Het planvoornemen heeft dan ook geen negatieve invloed op de cultuurhistorische waarden van de twee monumenten. Inzake de eventueel ter plaatse aanwezige archeologische waarden wordt verwezen naar paragraaf 5.4.1 van voorliggende toelichting.

15

16

Hoofdstuk 3 Beleid In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op: nationaal niveau; provinciaal niveau; gemeentelijk niveau.

3.1 Nationaal niveau 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet, heeft de rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. In de NOVI wordt een toekomstbeeld geschetst van een Nederland: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten; dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving.

Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. In totaal zijn er 21 nationale belangen geformuleerd. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeemverantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voorbeelden hiervan zijn het: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. Zorgdragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit). Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. Verbeteren en beschermen van biodiversiteit.

Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Conclusie Bij de voorgenomen ontwikkeling is met name van belang: het waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. Verder geldt dat sprake is van een lokale ontwikkeling, waarbij geen nationale belangen zoals genoemd in het NOVI in het geding zijn. De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de NOVI.

17

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd, met als doel een goede ruimtelijke ordening te bereiken door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Daarnaast ondersteunt het gemeenten en provincies in de vraaggerichte programmering van hun grondgebied. De ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het tweede lid van artikel 3.1.6 luidt als volgt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien." De eerste vraag die zich hierbij aandient is of het planbvoornemen moet worden gezien als 'stedelijke ontwikkeling'. Op basis van jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2015:448) wordt de aanleg van infrastructuur niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het planvoornemen behelst de realisatie van een rotonde en bijkomende werken, zijnde een infratructureel werk. Derhalve is toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. Een nadere toetsing hieraan is niet noodzakelijk.

3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Met uitzondering van enkele onderdelen is het Barro eind december 2011 in werking getreden. Hierna zijn nog enkele aanvullingen/wijzigingen in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. Het gaat om de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen. Project Mainportontwikkeling Rotterdam. Kustfundament. Grote rivieren. Waddenzee en waddengebied. Defensie. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen. Elektriciteitsvoorziening. Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Natuurnetwerk Nederland (NNN). Primaire waterkeringen buiten het kustfundament. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Conclusie Het plangebied heeft geen overlap of invloed op de in het Barro beschermde nationale belangen.

3.1.4 Overig nationaal beleid Het overige nationale beleid is niet specifiek van toepassing op onderhavig plan.

18

3.2 Provinciaal niveau 3.2.1 Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten van de provincie Limburg de Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. De Omgevingsvisie Limburg is per 25 oktober 2021 in werking getreden. Op grond van de kaart 'Limburgse principes' is het oostelijk deel van het plangebied, de omgeving van de Westsingel en de Schoolstraat, aangeduid als 'landelijke kern'. Het westelijk deel van het plangebied, de omgeving van de Van den Bekeromstraat, is thans nog aangeduid als 'buitengebied'. Verondersteld wordt dat gezien dit deel van het plangebied in ontwikkeling is als onderdeel van de uitbreidingswijk De Afhang en derhalve in de nabije toekomst gaat behoren tot de 'landelijke kern'. In de praktijk behoort dit deel reeds tot de bebouwde kom van Horst. Derhalve wordt enkel nader ingegaan op de aspecten met betrekking tot 'landelijke kern'. De leefbaarheid en vitaliteit van de kernen in het landelijk gebied is belangrijk. Een aantal kernen vervult op sommige terreinen een regionale verzorgende functie met onderwijs, zorg, cultuur, winkels en werklocaties. De zorg voor een goede kwaliteit van de leefomgeving en een goede bereikbaarheid zijn hier belangrijke uitgangspunten. Conclusie In het voorliggende geval is sprake van de aanleg van een rotonde op het kruispunt Westsingel - Schoolstraat - Van den Bekeromstraat.

De ontwikkeling levert daarmee een bijdrage aan de leefbaarheid en bereikbaarheid van de kern. De aanleg van de rotonde zorgt ervoor dat de bereikbaarheid van de route tussen De Afhang en het centrum van Horst voor met name het langzaam verkeer toeneemt, hetgeen ook een bijdrage levert aan een verbetering van de leefbaarheid. De ontwikkeling past daarmee binnen de beleidskaders, zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Limburg.

3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 Algemeen Op 12 december 2014 is de 'Omgevingsverordening Limburg 2014' (POL 2014) vastgesteld. Hierin staan de regels die het omgevingsbeleid van de Omgevingsvisie Limburg juridische binding geven. Beschermingsgebieden Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het besluitgebied binnen de boringsvrije zone Venloschol ligt. Ter plaatse is het verboden om een gesloten bodemenergiesysteem te hebben en/of aan te leggen dieper dan 5 meter boven NAP. Voor het aanleggen van een bodemenergiesysteem in de boringsvrije zone Venloschol geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg. De aanleg van een dergelijk systeem is niet voorzien. Verder ligt het plangebied niet binnen een stiltegebied, waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of overige boringsvrije zone. Vanuit dit kader bestaan er dan ook geen belemmeringen. Duurzame verstedelijking In paragraaf 2.2 van de omgevingsverordening zijn regels opgenomen ten behoeve van duurzame verstedelijking. Onderdeel hiervan vormt onder meer de ladder voor duurzame verstedelijking. In paragraaf 3.1.2 is geconcludeerd dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking en derhalve geen nadere toetsing hieraan hoeft plaats te vinden.

Ontgrondingen In de Omgevingsverordening Limburg 2014 is het verbod voor ontgrondingswerkzaamheden zoals vastgelegd in artikel 3, lid 1 van de Ontgrondingenwet nader uitgewerkt. In artikel 6.1.1., lid 2 onder a. geldt een vrijstelling van de vergunningplicht voor onder andere 'het ontgronden op de plaats waar een infrastructureel werk, wordt aangelegd, onderhouden, veranderd of opgeruimd of ten behoeve van dat werk de bodem wordt gesaneerd overeenkomstig de Wet bodembescherming, mits de uitvoering van het werk in overeenstemming is met het geldende ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 2.1.1. Een dergelijk ruimtelijk plan is onder andere een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. In het kader van het voorgenomen planvoornemen, het realiseren van een infrastructureel werk, wordt voorliggend bestemmingsplan opgesteld. Derhalve geldt voor voorgneomen planvoornemen een vrijstelling van de vergunningplicht. Conclusie Het planvoornemen is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Limburg 2014.

19

3.2.3 Ontwerp Wijzigingsverordening Limburg 2014 (regels inzake o.a. wonen en zonne-energie) Op 17 december 2021 hebben Provinciale Staten de Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Deze verordening is gebaseerd op artikel 2.6 van de Omgevingswet. Op het tijdstip van vaststelling van die verordening was de verwachting dat de Omgevingswet op 1 juli 2022 in werking zou treden. Inmiddels is de inwerkingtredingsdatum van de wet verschoven naar 1 januari 2024. De nieuwe omgevingsverordening kan niet eerder in werking treden dan de Omgevingswet. Tot dat tijdstip blijft de Omgevingsverordening Limburg 2014 gelden. Aangezien de Omgevingsverordening Limburg (2021) grotendeels een beleidsneutrale omzetting is van de Omgevingsverordening Limburg 2014, maakt het voor de meeste onderwerpen inhoudelijk weinig verschil of de ene of de andere verordening van kracht is. De Omgevingsverordening Limburg (2021) bevat echter een aantal onderwerpen die nieuw zijn, dan wel aanmerkelijk inhoudelijk gewijzigd, namelijk instructieregels met betrekking tot: Wonen; Huisvesting internationale werknemers; Na-ijlende effecten steenkoolwinning; Zonne-energie. Uitstel van de Omgevingswet maakt het wenselijk dat deze onderwerpen ook al geregeld worden in de Omgevingsverordening Limburg 2014.

Daarom is per 29 maart 2022 de 'Ontwerp Wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014' ter inzage gelegd. Conclusie Het voorliggend planvoornemen heeft , gekeken naar de aard van het plan, geen raakvlakken met de hierboven beschreven onderwerpen.

3.3 Gemeentelijk niveau 3.3.1 Structuurvisie 'Horst aan de Maas' Door de gemeente Horst aan de Maas is op 9 april 2013 de Structuurvisie 'Horst aan de Maas' vastgesteld. De doelstelling die de gemeente heeft met de voorliggende structuurvisie is drieledig: De structuurvisie vormt een integraal beeld van de ontwikkelingen die de gemeente voor ogen heeft voor de langere termijn. De gemeente verschaft hiermee inzicht hoe zij nieuwe initiatieven afweegt en welke randvoorwaarden hier eventueel bij gelden. De structuurvisie biedt kansen optimaal gebruik te maken van mogelijkheden voor het plegen van bovenplans kostenverhaal, zoals die zijn opgenomen in de Wro en de Grex-wet. In deze integrale op uitvoering gerichte structuurvisie heeft de gemeente haar ruimtelijk beleid gebundeld. De gemeente streeft ernaar om de omgevingskwaliteiten te behouden en te ontwikkelen conform nationaal en provinciaal beleid. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente Horst aan de Maas (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners.

Om de speerpunten tot een succes te maken, is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het landschap (de omgevingskwaliteit) gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk versterkt wordt. Bestaande plannen die in het gemeentelijk beleid een belangrijke plaats innemen/krijgen zijn:de ontwikkeling van ecologische verbindings- en bufferzones, landschapspark De Peelbergen en natuurontwikkeling in het kader van de Maascorridor. Daarnaast is en wordt ingespeeld opde dynamiek in de land- en tuinbouw, onder meer in het kader van de reconstructie. Dit wordt gedaan door in te zetten op een nieuw te ontwikkelen eigen kwaliteit, in relatie tot de ruimtelijke eisen van de sector. Dit speelt met name in de landbouwontwikkelings- en glastuinbouwgebieden rondom Horst, Meterik, Hegelsom, Melderslo en Grubbenvorst. Ook zet de gemeente in op de verfraaiing van het boerenlandschap en het vergroten van de beleving van het landschap, het realiseren van particulier groen en het beschermen van beschermingswaardige houtopstanden.

20

Conclusie In de structuurvisie zijn 19 projecten ter verbetering van omgevingskwaliteit benoemd. Geen van deze projecten zijn gelegen in of in de directe omgeving van het plangebied. Nadere toetsing is kortom niet aan de orde.

3.3.2 Gemeentelijke Verkeer- en Vervoersplan Het Gemeentelijke Verkeer- en Vervoersplan (GVVP) schetst een visie op het verkeer- en vervoersbeleid van de gemeente Horst aan de Maas voor de jaren 2013-2022. De hoofddoelstelling van het GVVP luidt: 'Zorgdragen voor een betrouwbare bereikbaarheid voor het sociaal, economisch en toeristisch-recreatief functioneren van de gemeente Horst aan de Maas, rekening houdend met de aspecten verkeersveiligheid, verkeersleefbaarheid en duurzaamheid.' In het visiedocument van het GVVP wordt ten aanzien van de bereikbaarheid van fietsers en voetgangers, op grond van het verkeerskundig onderzoek (zoals aangehaald in paragraaf 1.1 en opgenomen in bijlage 1 bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing) blijkt met name voor deze doelgroep de aanleg van voorgenomen rotonde wenselijk te zijn, het volgende aangegeven: 'In 2022 wordt meer gefietst in de gemeente, de fiets wordt vaker als alternatief voor de auto gebruikt. De utilitaire alsook de toeristisch-recreatieve fietser beschikt over een duidelijk bewegwijzerd netwerk van kwalitatief goede fietsvoorzieningen waarbij ook de oversteekpunten veilig zijn. De bereikbaarheid van de sociale, ecomoische en toeristisch-recreatieve bestemmingen zijn per fiets gewaarborgd. Op basis van de criteria veiligheid, comfort en directheid zijn fietsroutes verbeterd.

De openbare ruimte is toegankelijk zodat mensen met een functiebeperking zich zelfstandig kunnen verplaatsen. Belangrijke looproutes zijn voorzien van veilige en comfortabele voorzieningen, rekening houdend met lichamelijk en visueel gehandicapten.' Een en ander is vertaald in de volgende doelstellingen ten aanzien van de bereikbaarheid van fietsers en voetgangers: 1. verbeteren utilitaire en recreatieve fietsroutes; 2. verbeteren verkeersveiligheid schoolomgevingen. De gemeente Horst aan de Maas heeft de ambitie het utilitaire en het recreatieve fietsgebruik te stimuleren. Uitgangspunt is dat de fietsroutes moeten voorzien in directe en veilige verbindingen naar bestemmingen als centrum Horst, Sevenum en Grubbenvorst alsmede scholen, winkels, treinstation, sportparken en bedrijventerreinen. Het fietsnetwerk vloeit voort uit de verbindingen tussen de belangrijkste herkomsten en bestemmingen voor fietsers, en de relatie met de regio (Venray en Venlo). Alle belangrijke bestemmingen binnen een straal van 12 kilometer zijn voor fietsers via het gemeentelijke fietsnetwerk goed te bereiken. Ten aanzien van het fietsnetwerk is onderscheid gemaakt in utilitaire en recreatieve routes. Utilitaire fietsroutes: deze routes vormen de dragers vna de fietsinfrastructuur. Het zijn de drukst bereden routes waarop een bundeling van fietsverkeer (tevens school-thuis) plaatsvindt.

De routes doorkruisen op een snelle en directe manier een gebied. Vanuit een woonkern moet je binnen 400 meter toegang hebben tot een fietsnetwerk. Recreatieve fietsroutes: deze routes hebben een recreatieve (verblijfs)waarde. Ten aanzien van de school-thuisroutes alsook de schoolomgeving zelf is het verbeteren van de verkeersveiligheid een speerpunt. Veel ouders brengen en halen de kinderen steeds meer met de auto. Hoewel dit voor een belangrijk deel een gevolg is van een maatschappelijke ontwikkeling met steeds meer werkende ouders en een centralere plaats voor de auto als basisvervoermiddel, is het dringend gewenst maatregelen te ontwikkelen die dit gebruik ombuigen zodat ouders de kinderen vaker lopend of met de fiets brengen. Hiervoor is aandacht naar de verkeersopvoeding van kinderen maar ook die van de halers en brengers noodzakelijk. Een goed en veilig ingerichte schoolomgeving is een logische vereiste. Uitgangspunten netwerk Ten aanzien van het fietsgebruik zijn er twee soorten fietsers te onderscheiden: utilitaire fietsers en recreatieve fietsers. De doelgroep utilitair fietsverkeer bestaat voornamelijk uit de dagelijkse fietsers. Dit zijn de mensen die elke dag de fiets pakken om naar het treinstation te gaan, naar hun werk te fietsen of naar school te gaan.

Vaak is het ook deze groep die de fiets pakt voor andere verplaatsingen zoals het doen van boodschappen of het fietsen naar een sportvereniging. Juist omdat het om dagelijkse verplaatsingen gaat kan door op deze groep in te spelen veel worden gewonnen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan minder verkeerscongestie, betere gezondheid en minder belasting voor het milieu. Conclusie

21

De aanleg van een rotonde op het kruispunt Westsingel - Schoolstraat - Van den Bekeromstraat draagt bij aan de verkeersveiligheid op een voor het utilitaire fietsverkeer belangrijke route, zoals gebleken uit het verkeerskundig onderzoek (bijlage 1). Daarnaast draagt de keuze voor het toepassen van een rotonde bij aan minder verkeerscongestie voor langzaamverkeer op de route Schoolstraat - Van den Bekeromstraat. Kortom de aanleg van de rotonde past binnen de kaders van het GVVP.

22

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving Zoals in de inleiding van voorliggende toelichting reeds beschreven is de gemeente Horst aan de Maas samen met Dynamiek Scholengroep en Kinderopvang 't Nest voornemens om een Integraal Kindcentrum (IKC) Weisterbeek met een wijkfunctie te realiseren op gronden van een voormalig kassencomplex aan de Almeweg in de wijk De Afhang. De huidige OBS Weisterbeek aan de Schoolstraat 5 nabij het centrum van Horst komt hiermee te vervallen Vanwege de verplaatsing van het IKC Weisterbeek vindt een wijziging van de verplaatsing van de thuis-schoolroutes van leerlingen plaats. Door middel van een verkeerskundig onderzoek is de herkomst van de schoolgaande leerlingen geanalyseerd en de thuis-schoolroutes inzichtelijk gemaakt. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat de Schoolstraat en aansluitend de Van den Bekeromstraat een belangrijke langzaamverkeersroute is en belangrijker gaat worden van en naar de nieuwe locatie van het IKC Weisterbeek school voor de leerlingen woonachtig in het oostelijk deel van Horst. Ook is de Van Bekeromstraat - Schoolstraat een belangrijke verbinding tussen de bewoners van de wijk De Afhang die afhankelijk zijn van de voorzieningen in het centrum van Horst. Op deze langzaamverkeersroute vormt de huidige inrichting van het kruispunt Westsingel - Schoolstraat - Van den Bekeromstraat een barriere.

Ter plaatse is sprake van een voorrangskruispunt waar de Westsingel, een belangrijke buurtontsluitingsweg waar een maximum snelheid geldt van 50 km/uur, voorrang heeft op de aansluitende wegen Schoolstraat en Van den Bekeromstraat. Vanwege de steeds belangrijker wordende verbinding tussen de woonwijk De Afhang (met inbegrip van de nieuwe vestiging van het IKC Weisterbeek in deze woonwijk) met het centrum van Horst en de oostelijk van de Westsingel gesitueerde woonwijken is uit het verkeerskundig onderzoek de aanleg van een veilige kruispuntvorm in de vorm van een rotonde op het kruispunt Westsingel - Schoolstraat - Van den Bekeromstraat geadviseerd (zie onderstaande afbeelding van het ontwerp van de rotonde).

AFBEELDING: ONTWERP VAN DE ROTONDE OP HET KRUISPUNT WESTSINGEL-SCHOOLSTRAAT-VAN DEN BEKEROMSTRAAT.

Bij het ontwerp is uitgegaan van een enkelstrooksrotonde met daaromheen een vrijliggend fietspad. Omdat de rotonde binnen de bebouwde kom is gelegen hebben fietsers voorrang op het gemotoriseerd verkeeer. Daarnaast is

23

ook voorzien in oversteekvoorzieningen voor voetgangers in de vorm van zebrapaden.

24

Hoofdstuk 5 Sectorale aspecten In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsaspecten beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde: 1. milieu; 2. waarden; 3. waterhuishouding.

5.1 Milieu Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een toetsing plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkelingen aan de relevante milieuaspecten, teneinde het toekomstige gebruik af te stemmen op de omgeving. In deze paragraaf worden de milieuaspecten afzonderlijk beschreven.

5.1.1 Bodemkwaliteit 5.1.1.1

Inleiding

Bij een wijziging van een bestemming dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening aandacht te worden besteed aan de kwaliteit van bodem en grondwater. In beschouwing dient te worden genomen of er sprake is van gebruik dat gevoeliger is voor eventueel aanwezige bodemverontreinigingen dan het gebruik dat ingevolge de vigerende bestemmingsregelingen is toegestaan. In verband met voorliggende planvoornemen is een milieutechnisch onderzoek uitgevoerd conform de NEN 5740 (grond, NEN5707/NEN5897 (asbest) en CROW 210 (asfalt). Onderstaand wordt kort ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport welk is te raadplegen in bijlage 2.

5.1.1.2

Analyse

Asfalt Op basis van de resultaten met de PAK-detector en de uitgevoerde analyses is vastgesteld dat het asfalt binnen de Schoolstraat en Westsingel geheel teervrij is. In onderstaande tabel is aangegeven welke hoeveelheden teerhoudend asfalt vrijkomen.

Asbest Op het maaiveld van de onderzoekslocatie zijn geen asbest verdachte (plaat)materialen aangetroffen. Bij de uitvoering van de proefgaten zijn eveneens geen asbestverdachte (plaat)materialen in het opgeboorde materiaal (grove fractie, > 20 mm) aangetroffen. De analyses van de puinmengmonsters tonen aan dat er geen sprake is van een asbestverontreiniging (asbestgehalten liggen onder de interventiewaarde, maximale samenstellingswaarde en grenswaarde voor asbest). De onderzoekslocatie kan als onverdacht worden beschouwd. Funderingslaag In de volledig puingranulaat houdende funderingslagen, met uitzondering van het funderingsmateriaal uit proefgat 9, met betrekking tot de organische parameters, geen overschrijdingen van de maximale samenstellingswaarden aangetoond. Uit de resultaten van de uitloogtesten blijkt eveneens dat voor geen van de onderzochte parameters de maximale emissiewaarden worden overschreden. Op basis van deze resultaten voldoen de volledig puingranulaat houdende funderingslagen indicatief aan de eisen voor een Niet-vormgegeven bouwstof en zijn deze geschikt voor hergebruik. Voor de volledig puingranulaat houdende laag uit proefgat 09 is verontreinigd met PAK. De dikte van de

25

verontreinigde funderingslaag bedraagt 19 cm. Het volume aan verontreinigd funderingsmateriaal bedraagt hiermee ca. 150m² en 28,5m³. Op basis van de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek en het voormalig/huidig gebruik (geasfalteerde weg onbekend fundatie-materiaal) van de onderzoekslocatie, wordt deze als “verdacht” beschouwd op de aanwezigheid van verontreinigingen. Deze verontreinigde bouwstof is niet geschikt voor hergebruik en dient separaat te worden ontgraven en afgevoerd naar een erkend acceptant. Bodem Rijbaan In de bovengrond met zwak asfalt van boring 09 (analysemonster 01) zijn lichte verontreinigingen met kobalt, nikkel, molybdeen, cadmium, PAK en sterke verontreinigingen met koper, zink en lood aangetoond. Volgens het Besluit activiteiten leefomgeving is er in de bovengrond van boring 09 sprake van een overschrijding van de interventiewaarde voor koper, zink en lood (gehalte >IW). Het nader onderzoek heeft aangetoond dat de verontreiniging enkel aanwezig binnen boring 09. De omvang van de sterk verontreiniging met zware metalen is voor vak 1 geraamd op circa 8,7m³ met een oppervlakte van 58m². In de visueel schone bovengrond van mengmonsters 02 en 03 is een lichte verontreiniging met PAK aangetoond. Volgens de Regeling bodemkwaliteit is indicatief sprake van klasse Landbouw/Natuur.

In de ondergrond van analysemonster 04 (boring 04) is een lichte verontreiniging met minerale olie, kobalt, nikkel, koper, zink, molybdeen en een matige verontreiniging met PAK aangetoond. Vanwege de overschrijding van minerale olie ten opzichte van de maximale waarde industrie (>IND) voor de parameter minerale olie wordt deze bovengrond als Niet Toepasbaar beoordeeld. Trottoirs In de visueel schone boven- en ondergrond zijn geen of een lichte verontreiniging met kwik aangetoond. Indicatief getoetst aan de Regeling bodemkwaliteit voldoet deze boven- en ondergrond aan klasse Landbouw/Natuur. Groen In de visueel schone boven- en ondergrond zijn geen of een lichte verontreiniging met PCB en cadmium aangetoond. Indicatief getoetst aan de Regeling bodemkwaliteit voldoet deze boven- en ondergrond aan klasse Landbouw/Natuur. Watervoerende sloten In de zandlaag van de watervoerende sloot van mengmonster 17 en 18 is enkel in mengmonster 18 een lichte verontreinigingen met minerale olie aangetoond. Indicatief getoetst aan de Regeling bodemkwaliteit voldoet de zandlaag van mengmonster 17 aan klasse Landbouw/Natuur en van mengmonster 18 aan klasse Industrie. PFAS-onderzoek In de verontreinigde grond met zware metalen zijn geen verhoogde gehalten aan PFOA, PFOS en overige PFAS ten opzichte van de toepassingsnormwaarden voor de bodemfunctieklasse Landbouw/natuur aangetoond.

Met deze resultaten kan de verontreinigde grond en de Niet Toepasbare grond worden afgevoerd naar een erkend acceptant (BRL 7500). Civieltechnisch onderzoek De (vrijkomende) ondergrond onder de weg zijn civieltechnisch beoordeeld op herbruikbaarheid. Aan de hand van de toetsing aan de eisen conform de RAW, bepaling 2010 artikel 22.06.01/03, wordt geconcludeerd dat de onderzochte ondergrond geschikt is voor de RAW-toepassing zand in aanvulling of ophoging. Grondwater In de peilbuis Pb 31 is de grondwaterstand is aangetroffen op 0,90 m-mv, waardoor bemaling ten behoeve van de graafwerkzaamheden nodig zal zijn. Het grondwater uit peilbuis 31 licht verontreinigd met barium en xylenen (som). Ten aanzien van de lozingsparameters is in het grondwater uit peilbuis 31 zijn geen verhoogde gehalten ijzer totaal en onopgeloste bestanddelen ten opzichte van de lozingseisen uit het Besluit lozen buiten inrichtingen aangetoond. Vanwege de plaatselijk geringe grondwaterstand wordt geadviseerd een bemalingsadvies op te stellen waarin wordt opgenomen hoe er moet worden omgegaan met het te bemalen grondwater.

26

5.1.1.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen planologische belemmering voor het plan. Alvorens met de werkzaamheden wordt gestart dient een melding te worden gedaan voor een milieubelastende activiteit ("graven boven de interventiewaarde") bij het bevoegd gezag.

5.1.2 Akoestiek 5.1.2.1

Inleiding

Voor fysieke wijzigingen aan een weg in de nabijheid van geluidgevoelige objecten moet onderzocht worden of dit consequenties heeft ten aanzien van geluidshinder. In het kader van voorliggend planvoornemen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd overeenkomstig de Wet geluidhinder. Deze is te raadplegen in bijlage 3 bij voorliggende toelichting. Onderstaand wordt kort ingegaan op de resulaten van het onderzoek.

5.1.2.2

Analyse

Ten gevolge van de aanleg van de rotonde (gewijzigde verkeerssituatie in combinatie met de gewijzigde c.q. toename van de verkeersintensiteit) nemen de geluidbelastingen op de nabijgelegen woningen vanwege verkeer op de Westsingel toe met maximaal 1,33 dB. Maatgevend is de toename ter plaatse van de voorgevel (noordgevel) van de woning Schoolstraat 47b. Aangezien geen sprake is van een toename van de geluidbelasting van 2 dB of meer, is er geen sprake van reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder.

5.1.2.3

Conclusie

Op basis van het onderzoek wordt het planvoornemen inpasbaar geacht.

5.1.3 Luchtkwaliteit 5.1.3.1

Inleiding

Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit') bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2 ) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: a. een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit; b. ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven; c. een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de betreffende stoffen in de buitenlucht; d. een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).

5.1.3.2

Analyse

Het Besluit NIBM Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip 'niet in betekenende mate' is vastgelegd in het 'Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)'. Een plan draagt niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging wanneer aannemelijk is (door berekening of motivering) dat de "3% grens" niet wordt overschreden. Deze grens is 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1.2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. De Regeling NIBM geeft voor een aantal categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen een invulling aan de NIBM grens. Indien er binnen de getalsmatige begrenzing van de Regeling wordt gebleven, is er geen nader onderzoek nodig. Bij de ruimtelijke ontwikkeling is er dan automatisch sprake van een niet in betekende mate bijdrage aan de luchtkwaliteit. In voorliggende situatie vervangt de te realiseren rotonde een bestaand kruispunt. De rotonde heeft geen verkeersaantrekkende werking. De verkeersgeneratie neemt door de aanleg van een rotonde niet toe. Hoogstens is sprake van een toename van langzaam verkeer op dit kruispunt vanwege de verbeterde verkeersveiligheid ter plaatse alsmede de vestiging van het IKC Weisterbeek.

Dit langzaam verkeer (met name fietsers en voetgangers) draagt niet bij aan de luchtverontreiniging. Er is kortom sprake van een ontwikkeling die niet bijdraagt aan de concentraties van de betreffende stoffen in de buitenlucht.

27

5.1.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.4 Bedrijven en milieuzonering 5.1.4.1

Inleiding

Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of: de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op omliggende milieugevoelige objecten (woningen etc.) en of de voorgenomen ontwikkeling een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende inrichtingen; bestaande milieubelastende inrichtingen (bedrijven) van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009).

5.1.4.2

Analyse

In de VNG-publicatie worden richtafstanden voor hinderaspecten weergegeven. Dit kunnen zijn geur, stof, geluid en gevaar, waarbij geldt dat de grootste afstand maatgevend is. In specifieke wet- en regelgeving kunnen andere afstanden worden voorgeschreven. Deze gaan dan voor de richtafstanden uit de VNG-publicatie. De afstanden worden gemeten vanaf de grens van de bestemming die milieubelastende functies toelaat tot aan de dichtstbij gelegen gevel van de gevoelige functie. Met betrekking tot de aanleg van de rotonde is geen sprake van de realisatie van een bedrijf of een milieugevoelig object. Wel is sprake van een gedeeltelijke wijziging van de locatie van de wegen Westsingel, Schoolstraat en Van den Bekeromstraat dat gevolgen kan hebben voor de woningen in de directe omgeving van het plangebied ten aanzien van het aspect geluid. Derhalve moet dit aspect nader worden beschouwd. Zie hiervoor paragraaf 5.1.2.

5.1.4.3

Conclusie

De rotonde wordt gerealiseerd ter hoogte van het kruispunt Westsingel-Schoolstraat-Van den Bekeromstraat. De wijziging van het kruispunt betreft geen realisatie van een bedrijf of milieugevoelig object. Mogelijk is de rotonde voor het aspect geluid wel een milieubelastende functie. Hiervoor is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Zie paragraaf 5.1.2. Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er kortom geen planologische belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

5.1.5 Externe veiligheid 5.1.5.1

Inleiding

Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit. Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= T). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in

28

dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag(veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb)

Weg, Spoorweg of binnenwater (Bevt)

Wanneer groepsrisicoverantwoording Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager isdan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verant-woordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.

5.1.5.2

Analyse

In de omgeving van het planvoornemen zijn geen inrichtingen, buisleidingen en/of weg-, spoorweg of binnenwater aanwezig. De rotonde zelf behoort niet tot de categorie gevoelige functies in het kader van externe veiligheid. Door de aanleg van de rotonde is sprake van een wijziging van de rijstroken richting de nabijgelegen gevoelige functies, de woningen in de directe omgeving van het plangebied. Op basis van de interactieve kaart Veilige omgeving van de Atlas Leefomgeving blijkt dat de Westsingel, Schoolstraat en Van de Bekeromstraat niet is aangewezen als transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Derhalve behoeft deze wijziging ook geen nadere beschouwing op het aspect externe veiligheid.

5.1.5.3

Conclusie

Vanuit het aspect externe veiligheid bestaan er kortom geen planologische belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

29

5.1.6 Milieueffectrapportage 5.1.6.1

Inleiding

Om het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven, dient in een vroeg stadium te worden beoordeeld of de toekomstige activiteiten mogelijk significante effecten hebben op milieu, natuur of landschap. Een eerste stap in dit proces is een beoordeling of het planvoornemen voldoet aan de drempelwaarden uit het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. zijn in de onderdelen C en D van de bijlagen beoordelingsdrempels opgenomen, op grond waarvan bepaald kan worden of voor een bepaalde ontwikkeling een m.e.r.-beoordelingsprocedure of een m.e.r.-procedure uitgevoerd dient te worden. Deze drempels zijn indicatief. Dit houdt in dat het niet vanzelfsprekend is dat wanneer een ontwikkeling beneden deze drempelwaarden blijft, er geen m.e.r.-beoordeling of m.e.r. noodzakelijk is. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst, maar welke beneden de drempelwaarden blijft, dient een toets uitgevoerd te worden of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze toets wordt de vormvrije m.e.r.-beoordeling genoemd. Uit deze toets zijn twee conclusies mogelijk: Er is geen m.e.r.(-beoordeling) nodig, want belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Er is een m.e.r.-beoordeling dan wel direct een m.e.r.

noodzakelijk, aangezien belangrijke negatieve milieugevolgen niet vallen uit te sluiten. In bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten' zijn de selectiecriteria beschreven die bepalen of er mogelijk sprake is van aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu. Hierbij moet worden gedacht aan de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en natuurlijk de mate van verontreiniging of hinder. Ten tweede is de locatie van de projecten natuurlijk van belang. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen of een project in de nabijheid van een gevoelig gebied is gelegen. Voorbeelden van gebieden die extra aandacht vragen zijn wetlands, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurgebieden en bij wet beschermde gebieden. Bij de samenhangende beoordeling van bovenstaande kenmerken van een project en de potentiële aanzienlijke milieugevolgen dient het volgende te allen tijde te worden meegewogen: het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking); het grens overschrijdende karakter van het effect; de waarschijnlijkheid van het effect; de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.

5.1.6.2

Analyse

Voor de vraag of sprake is van een m.e.r.-plicht, moet allereerst worden beoordeeld of sprake is van een activiteit in kolom 1 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Voor auto(snel)wegen en de m.e.r.-plicht zijn de categorieën C1.2 en C1.3 relevant: "de aanleg van een autosnelweg of autoweg" en "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een weg bestaande uit vier of meer rijstroken, of verlegging of verbreding van bestaande wegen van twee rijstroken of minder tot wegen met vier of meer rijstroken niet zijnde een autosnelweg of autoweg". Op basis van voorgaande beschrijving kan worden geconstateerd dat de aanleg van de rotonde op het kruispunt Westsingel-Schoolstraat-Van den Bekeromstraat hier niet aan voldoet. Derhalve is een plan- of besluit m.e.r.-plicht niet van toepassing. De betreffende wegen behoren niet tot de categorie autosnelweg of autoweg. Ook wordt met voorgenomen plan geen rijstroken toegevoegd. Daarnaast worden geen borden autoweg of autosnelweg geplaatst. Bovendien is ook categorie D.1.2 nog relevant: "De wijziging of uitbreiding van een weg bestaande uit vier of meer rijstroken, of verlegging of verbreding van bestaande wegen van twee rijstroken of minder tot wegen met vier of meer rijstroken niet zijnde een, autosnelweg of autoweg)." Met voorgenomen plan is geen sprake van een weg met vier rijstroken.

Dit betekent dat ook op grond van deze categorie geen plan- of besluit m.e.r.-plicht geldt. Naast de directe m.e.r.-plicht bestaat ook de verplichting tot het opstellen van een planMER, als het plan een activiteit mogelijk maakt waarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt. Dit is het geval als het plan afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Zoals nader beschreven in paragraaf 5.3 volgt uit de onderzoeken dat significante gevolgen kunnen word uitgesloten en daarmee geen aanleiding is voor het opstellen van een PlanMER.

30

5.1.6.3

Conclusie

Gelezen het voorgaande is het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk.

5.2 Waterparagraaf 5.2.1 Beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van Waterschap Limburg, de Provinciale Omgevingsvisie 2021, het Provinciaal Waterplan van Provincie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. De meest relevante beleidsstukken zijn hieronder verder toegelicht. Provinciaal Waterplan 2016 - 2021 Het provinciaal waterbeleid is nader geconcretiseerd in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 op grond van de vereisten van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). In Nederland zijn vijf instanties betrokken bij het waterbeheer en de watervoorziening. Op grond van de Waterwet (2009) en het Bestuursakkoord Water (2011) is de verantwoordelijkheid als volgt verdeeld: 1.

Het Rijk is verantwoordelijk voor beleid en wetgeving op nationaal niveau en voor het beheer van het hoofdwatersysteem: de zee en de grote rivieren, meren en kanalen. 2. De provincies zijn verantwoordelijk voor het beleid en regelgeving voor de regionale gronden oppervlaktewatersystemen, en de vergunningverlening voor grondwateronttrekkingen ten behoeve van openbare watervoorziening, de grotere industriële onttrekkingen en die voor energieopslagsystemen. 3. De waterschappen zijn verantwoordelijk voor het beheer van de regionale grond- en oppervlaktewatersystemen, de zuivering van afvalwater en de zorg voor waterkeringen ten behoeve van de veiligheid langs de Maas. De waterschappen concretiseren de provinciale beleidskaders uit het POL en het provinciaal waterplan in een waterbeheerplan dat het karakter krijgt van een uitvoeringsprogramma. 4. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor rioleringbeheer en hebben de zorgplicht voor overtollig hemelwater, afvalwater en grondwater in de bebouwde omgeving. 5. Het drinkwaterbedrijf is wettelijk verantwoordelijk voor de productie en distributie van drinkwater. Voldoende en schoon water is een economische factor van betekenis en onmisbaar voor mens en natuur. De burger stelt steeds hogere eisen aan de waterveiligheid, het gebruik en de beleving van water.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14433591/1