CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

06e Regels

Gemeenteraad 7 juli 2026, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Bijlagen15.503 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Degene die het aan huis gebonden bedrijf uitoefent, is tevens één van de bewoners van de woning, met dien verstande dat de bedrijfsactiviteiten naast de bewoner door maximaal twee medewerkers mogen worden uitgeoefend; e. Er dient sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat in de (bedrijfs)woning; f. De activiteit mag niet leiden tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing; g. In de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien op eigen terrein, dan wel kan de parkeerbehoefte in de directe omgeving worden opgevangen; h. Buitenopslag ten behoeve van het bedrijf op het perceel is niet toegestaan. Stalling van maximaal twee bedrijfsvoertuig(en)met een maximale lengte van 5 meter is toegestaan; i. Er mag geen sprake zijn van een seksinrichting; j. Detailhandel is niet toegestaan, behoudens ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdend met de activiteiten.

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 3 5

13.4.2 Kleinschalige horeca Het bevoegd gezag kan door middel van een vergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken van het bepaalde in lid 13.1 ten behoeve van het toestaan van kleinschalige horeca, met dien verstande dat: a. de horeca gezien de aard, omvang en intensiteit passend dient te zijn binnen de woonfunctie; b. de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft; c. maximaal 30% van het totale vloeroppervlak van de aanwezige bebouwing mag worden gebruikt ten behoeve van de horeca, met dien verstande dat het aan te wenden vloeroppervlak nimmer meer dan 100 m2 mag bedragen; d. de openingstijden (inclusief terras) van de inrichting tussen 7.00 en 19.00 uur liggen; e. het gebruik de woonfunctie ondersteunt en de horeca door de gebruiker van de woning dient te worden geëxploiteerd; f. een projectplan dient te worden overlegd waaruit naar het oordeel van het bevoegd gezag onderscheidendheid en kwaliteit blijkt; g. het gebruik geen ernstige hinder voor het woonmilieu oplevert; h. het gebruik niet mag leiden tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing; i. gronden buiten het bouwvlak niet mogen worden gebruikt voor deze bedrijfsmatige activiteiten; j. detailhandel niet mag plaatsvinden; k. het gebruik geen nadelige invloed mag hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeerbalans.

13.4.3 Kleinschalig kamperen Het bevoegd gezag kan bij een vergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken van het bepaalde in lid 13.1 ten behoeve van het toelaten van kleinschalig kamperen bij een woning, met dien verstande dat: a. er dient sprake te zijn van een bedrijfsvoering die als geheel onderscheidend en vernieuwend is voor Horst aan de Maas; b. kleinschalig kamperen uitsluitend is toegestaan op gronden op of direct grenzend aan de bestemming 'Wonen'; c. slechts kampeermiddelen zijn toegestaan met een niet-permanent karakter (tenten, toercaravans en dergelijke); d. maximaal 25 kampeermiddelen zijn toegestaan; e. het gebruik mag niet leiden tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing; f. door middel van een inrichtingsplan is aangetoond dat zorg gedragen wordt voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing of landschappelijke compensatie; g. het woon- en leefklimaat op omliggende percelen niet onevenredig wordt aangetast; h. er vooraf schriftelijk advies dient te worden ingewonnen bij de regionale werkgroep Vrijetijdseconomie.

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 3 6

13.4.4 Kleinschalige verblijfsrecreatie Het bevoegd gezag kan door middel van een vergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken van het bepaalde in lid om bij een woning kleinschalige verblijfsrecreatie in de vorm van maximaal 5 recreatiewoningen toe te staan, met dien verstande dat: a. de verblijfsrecreatie gezien de aard, omvang en intensiteit passend moet zijn binnen de woonfunctie; b. de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft. Dat is het geval indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. maximaal mag 1/3 van het totale vloeroppervlak van de aanwezige bebouwing worden gebruikt ten behoeve van recreatiewoningen, met dien verstande dat het aan te wenden vloeroppervlak nimmer meer dan 100 m2 per recreatiewoning mag bedragen; 2. de woning blijft voldoen aan de bepalingen ingevolge of krachtens de Woningwet; dat wil zeggen dat de gebruiker van de woning ook de bedrijfsmatige activiteit ontplooit; 3. het gebruik mag geen ernstige hinder voor het woonmilieu opleveren en mag ook niet leiden tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing. Dit betekent bijvoorbeeld dat het geen activiteit mag zijn waarvoor een milieuvergunning of een melding op grond van de milieuwetgeving verplicht is.

Ook mag de activiteit geen industriële handelingen inhouden, evenmin is een seksinrichting toegestaan; 4. gronden buiten het bouwvlak mogen niet worden gebruikt voor deze bedrijfsmatige activiteiten 5. detailhandel mag niet plaatsvinden tenzij het gaat om detailhandel die direct verband houdt met de kleinschalige verblijfsrecreatie; 6. in de benodigde parkeercapaciteit dient geheel op eigen terrein te worden voldaan; 7. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeerbalans; c. er vooraf schriftelijk advies dient te worden ingewonnen bij de regionale werkgroep Vrijetijdseconomie.

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 3 7

Hoofdstuk 3 Beschermen van waarden Artikel 14 Waarde - Archeologie 14.1

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen.

14.2

Bouwen

14.2.1 Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten in 'Waarde - Archeologie'.

14.2.2 Uitzonderingen In afwijking van artikel 14.2.1 geldt geen vergunningsplicht voor een bouwactiviteit indien de aanvraag betrekking heeft op: d. de vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte op of onder het maaiveld niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; e. een bouwactiviteit die betrekking hebben op een of meer bouwwerken waarvan de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 100 m²; of f. een bouwactiviteit waarvan de graafwerkzaamheden of bodemverstoring niet dieper reiken dan een diepte van 40 cm. g. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd, waarvan de bouwhoogte maximaal 3,00 m mag bedragen. 14.2.3 Toepassingscriteria 1. Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit in 'Waarde – Archeologie 3' wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat: a. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of c. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden. 2.

Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ. 14.2.4 Aanvraagvereisten 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in 'Waarde Archeologie' worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 3 8

aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op: een bureauonderzoek; zo nodig een booronderzoek; en zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; en zo nodig een opgraving; b. funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de bouwactiviteit; c. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving; d. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor het booronderzoek; e. als sprake is van een archeologische (verwachtings)waarde onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details. 2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto's van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of b. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.

14.3

Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

14.3.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden te verrichten: h. het afgraven van gronden; i. het uitvoeren van graafwerkzaamheden; j. het uitvoeren van andere grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; k. het aanleggen en onderhouden van infrastructurele werken, zoals (spoor)wegen, tunnels, viaducten, rioleringen; l. het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; m. het uitvoeren van inrichtingswerkzaamheden; n. het verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; o. het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen; p. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap; q. het baggeren, waaronder begrepen saneren en onderzuigen; r. het uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden;

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 3 9

s. het aanplanten of verwijderen van diepwortelende bomen, hakhout en andere houtopstanden; t. winnen van grondstoffen; u. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem. 14.3.2 Uitzonderingen 1. In afwijking van artikel 14.3.1 geldt geen vergunningsplicht voor werken of werkzaamheden: a. die worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud; b. die worden uitgevoerd binnen de bestaande diepte en oppervlakte van een bestaand cunet van een weg of leiding; of c. die worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek volgens een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen of, in geval van een booronderzoek, plan van aanpak. 2. In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht als: a. de aanvraag betrekking heeft op een of meer werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 500 m2; of b. de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden plaatsvinden op een diepte van niet meer dan 40 cm ten opzichte van het maaiveld. 14.3.3 Toepassingscriteria 1. Omgevingsvergunning voor de werken en werkzaamheden in 'Waarde - Archeologie' wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat: a.

er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of c. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden. 2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ. 14.3.4 Aanvraagvereisten 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een werk, geen bouwwerk zijnde, of bouwwerk in 'Waarde - Archeologie' worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de aard van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheid, met vermelding van: de omvang in vierkante meters; en de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld; b. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit; c. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld; d.

een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 4 0

een bureauonderzoek; zo nodig een booronderzoek; en zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; en zo nodig een opgraving e. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving; en f. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek; en g. als sprake is van een (te verwachten) archeologisch monument onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details. 1. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een bestek of werkomschrijving met bijbehorende tekeningen; b. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto's van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of c. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.

14.4

Slopen

14.4.1 Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten in 'Waarde - Archeologie'.

14.4.2 Uitzonderingen 1. In afwijking van artikel 14.4.1 geldt geen vergunningplicht voor een sloopactiviteit waarbij de oppervlakte onder maaiveld niet wordt verstoord. 2. In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht op de locatie 'Waarde Archeologie' als: a. de aanvraag betrekking heeft op het slopen van een of meer bouwwerken waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 100 m2; of b. een sloopactiviteit plaatsvind op een diepte van niet meer dan 40 cm ten opzichte van het maaiveld. 14.4.3 Toepassingscriteria 3. Omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in 'Waarde - Archeologie' wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat: a. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of c. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden. 4. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 4 1

14.4.4 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in 'Waarde - Archeologie' worden aanvullend op het bepaalde in artikel 14.4.1 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 1. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waaruit de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate blijkt; en 2. voor zover deze beschikbaar zijn: bestaande funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de sloopactiviteit.

14.5 Voorschriften aan vergunning 1. Het bevoegd gezag kan de volgende voorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van activiteiten, als bedoeld in 14.2, 15.3 en 15.4 in een gebied met 'Waarde - Archeologie' in het belang van de archeologische monumentenzorg, die inhouden een plicht tot: a. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in situ kunnen worden behouden; b. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; c. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; d. indien sub c van toepassing is, een regeling omtrent de gevolgen bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. e. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet; f. het binnen een bepaalde termijn starten van werkzaamheden; g. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden; h. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften; i.

het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en j. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of van een programma van eisen. 2. De voorschriften als bedoeld in het derde lid, onder a, kunnen worden gesteld over de wijze van slopen.

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 4 2

Artikel 15 Waarde - Archeologie 3 15.1

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen.

15.2

Bouwen

15.2.1 Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten in 'Waarde - Archeologie 3'.

15.2.2 Uitzonderingen In afwijking van artikel 15.2.1 geldt geen vergunningsplicht voor een bouwactiviteit indien de aanvraag betrekking heeft op: a. de vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte op of onder het maaiveld niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; b. een bouwactiviteit die betrekking hebben op een of meer bouwwerken waarvan de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 500 m²; of c. een bouwactiviteit waarvan de graafwerkzaamheden of bodemverstoring niet dieper reiken dan een diepte van 40 cm. d. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd, waarvan de bouwhoogte maximaal 3,00 m mag bedragen. 15.2.3 Toepassingscriteria 1. Een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit in 'Waarde – Archeologie 3' wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat: a. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of c. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden. 2.

Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ. 15.2.4 Aanvraagvereisten 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in 'Waarde Archeologie 3' worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 4 3

een bureauonderzoek; zo nodig een booronderzoek; en zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; en zo nodig een opgraving; b. funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de bouwactiviteit; c. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving; d. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor het booronderzoek; e. als sprake is van een archeologische (verwachtings)waarde onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details. 2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto's van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of b. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.

15.3

Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

15.3.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden te verrichten: a. het afgraven van gronden; b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden; c. het uitvoeren van andere grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; d. het aanleggen en onderhouden van infrastructurele werken, zoals (spoor)wegen, tunnels, viaducten, rioleringen; e. het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; f. het uitvoeren van inrichtingswerkzaamheden; g. het verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; h. het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen; i. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap; j. het baggeren, waaronder begrepen saneren en onderzuigen; k. het uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden; l. het aanplanten of verwijderen van diepwortelende bomen, hakhout en andere houtopstanden;

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 4 4

m. winnen van grondstoffen; n. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem. 15.3.2 Uitzonderingen 1. In afwijking van artikel 15.3.1 geldt geen vergunningsplicht voor werken of werkzaamheden: a. die worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud; b. die worden uitgevoerd binnen de bestaande diepte en oppervlakte van een bestaand cunet van een weg of leiding; of c. die worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek volgens een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen of, in geval van een booronderzoek, plan van aanpak. 2. In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht als: a. de aanvraag betrekking heeft op een of meer werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 500 m2; of b. de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden plaatsvinden op een diepte van niet meer dan 40 cm ten opzichte van het maaiveld. 15.3.3 Toepassingscriteria 1. Omgevingsvergunning voor de werken en werkzaamheden in 'Waarde - Archeologie 3' wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat: a. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn; b.

de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of c. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden. 2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ. 15.3.4 Aanvraagvereisten 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een werk, geen bouwwerk zijnde, of bouwwerk in 'Waarde - Archeologie 3' worden, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de aard van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheid, met vermelding van: de omvang in vierkante meters; en de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld; b. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit; c. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld; d.

een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op een bureauonderzoek; zo nodig een booronderzoek; en

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 4 5

zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; en zo nodig een opgraving e. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving; en f. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek; en g. als sprake is van een (te verwachten) archeologisch monument onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details. 1. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een bestek of werkomschrijving met bijbehorende tekeningen; b. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto's van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of c. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.

15.4

Slopen

15.4.1 Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten in 'Waarde - Archeologie 3'.

15.4.2 Uitzonderingen 1. In afwijking van artikel 15.4.1 geldt geen vergunningplicht voor een sloopactiviteit waarbij de oppervlakte onder maaiveld niet wordt verstoord. 2. In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht op de locatie 'Waarde Archeologie 3' als: 3. de aanvraag betrekking heeft op het slopen van een of meer bouwwerken waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 500 m2; of 4. een sloopactiviteit plaatsvind op een diepte van niet meer dan 40 cm ten opzichte van het maaiveld. 15.4.3 Toepassingscriteria 1. Omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in 'Waarde - Archeologie 3' wordt uitsluitend verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat: a. er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of c. de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden. 2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 4 6

15.4.4 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in 'Waarde - Archeologie 3' worden aanvullend op het bepaalde in artikel 15.4.1 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 1. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waaruit de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate blijkt; en 2. voor zover deze beschikbaar zijn: bestaande funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de sloopactiviteit.

15.5 Voorschriften aan vergunning 1. Het bevoegd gezag kan de volgende voorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van activiteiten, als bedoeld in 15.2, 15.3 en 15.4 in een gebied met 'Waarde - Archeologie 3' in het belang van de archeologische monumentenzorg, die inhouden een plicht tot: a. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in situ kunnen worden behouden; b. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; c. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; d. indien sub c van toepassing is, een regeling omtrent de gevolgen bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. e. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet; f. het binnen een bepaalde termijn starten van werkzaamheden; g. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden; h. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften; i.

het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en j. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of van een programma van eisen. 2. De voorschriften als bedoeld in het derde lid, onder a, kunnen worden gesteld over de wijze van slopen.

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 4 7

Hoofdstuk 4 Algemene regels Artikel 16 Algemene gebruiksregels 16.1

Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik met de bestemmingen wordt in ieder geval verstaan het (laten) gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor en/of als: a. het (bedrijfsmatig) vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten en mest; b. het plaatsen van kampeermiddelen; c. verblijfsrecreatie; d. het gebruik van gronden als volkstuin; e. het beoefenen van lawaaisporten; f. opslag voor de voorgevelrooilijn; g. detailhandel; h. verkooppunt voor motorbrandstoffen, al dan niet inclusief lpg, i. het gebruik van de gronden gronden en opstallen voor een seksinrichting; j. intensief militair gebruik; k. opslag en/of stalling van aan het gebruik onttrokken voer- en vaartuigen en kampeermiddelen, anders dan in het kader van een normaal gebruik overeenkomstig het bestaand gebruik; l. permanente bewoning van bijbehorende bouwwerken; m. permanente bewoning van recreatiewoningen/verblijfsrecreatieve voorzieningen; n. huisvesting van arbeidsmigranten; o. een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf; p. geurgevoelig object binnen de aanduiding 'Milieuzone - geurzone'; een en ander, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer of gebruik van de gronden en behoudens indien het gebruik blijkens de regels is toegestaan.

16.2

Warmte-koudeopslag

Open en gesloten systemen die door middel van het isolerend vermogen van de ondiepe bodem energie opwekken, niet zijnde aardwarmte, zijn toegestaan, met dien verstande dat gesloten systemen binnen gronden met de aanduiding 'Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol' uitsluitend zijn toegestaan tot een diepte van 5 m boven NAP.

16.3

Parkeren

16.3.1 Algemene parkeerregels Het is verboden te bouwen dan wel het gebruik van gronden en/of bouwwerken te wijzigen indien er niet wordt voldaan aan de op grond van dit artikel gestelde parkeernormen.

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 4 8

16.3.2 Specifieke parkeerregels bij bouwplannen Een bouwplan dient te voorzien in voldoende parkeermogelijkheden. De parkeerbehoefte wordt bepaald op de wijze zoals beschreven in de nota parkeernormen. Indien deze nota gedurende de planperiode wijzigt of wordt vervangen, geldt de gewijzigde c.q. de vervangende nota.

16.3.3 Specifieke parkeerregels bij gebruikswijzigingen Indien het wijzigen van het gebruik van gronden en/of bouwwerken daartoe aanleiding geeft, moet voor wat betreft de toename in de parkeerbehoefte worden voorzien in voldoende parkeermogelijkheden. De parkeerbehoefte wordt bepaald op de wijze zoals beschreven in de Nota parkeernormen. Indien deze nota gedurende de planperiode wijzigt of wordt vervangen, geldt de gewijzigde c.q. de vervangende nota.

16.3.4 Specifieke gebruiksregels Ruimte(n) voor het parkeren van voertuigen, voor zover de aanwezigheid van deze ruimte(n) krachtens deze parkeerregels is geëist, dient te allen tijde voor dit doel beschikbaar te blijven. Ander gebruik wordt aangemerkt als strijdig gebruik.

16.4

Hemelwaterinfiltratie

16.4.1 Infiltratieplicht Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuw gebouw, de uitbreiding van een bestaand gebouw of de verbouw van een bestaand gebouw, wordt uitsluitend verleend indien voor de aanwezige functie op eigen terrein wordt voorzien in infiltratie van hemelwater.

16.4.2 Afwijking Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 16.4.1 voor zover op andere wijze in de nodige infiltratievoorziening wordt voorzien.

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 4 9

Artikel 17 Algemene aanduidingsregels 17.1

Cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden

Ter plaatse van de aanduidingen in de navolgende tabel zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de desbetreffende cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden welke zijn opgenomen in de navolgende tabel: Aanduiding

Landschaps- en natuurwaarden

overige zone - heideontginning

- Open landschap met onderverdeling van de openheid door bomenlanen. - Overwegend patroon van rechte wegen. - Overwegend rechthoekige tot blokvormige verkaveling. - Kunstmatig lage grondwaterstanden. - Bebouwingslinten met wisselende onderlinge afstanden tussen de erven. - Huidige natuurwaarde is beperkt. - Plaatselijk van belang voor vogels (Hooge Heide, Brommer) en amfibieën. - Van nature natte, laag gelegen zandgronden in de natte heide ontginningsgebieden. - Natuurwaarde is gering in de natte heide ontginningsgebieden, met uitzondering van de weilanden die van waarde zijn voor (weide)vogels. - Openheid en landbouwkarakteristiek van het landschap in de natte heideontginningsgebieden behouden en agrarische bebouwing goed verdichten met groen (stevige, strakke erfbelasting).

overige zone - beekdal

- Beekdalen zijn belangrijke structuurdragers van het landschap met (al dan niet rechtlijnige) beeklopen. - Doorgaans natte structuur, waardoor de beekdalen functioneren als ecologische verbindingszones. - Hoge natuurwaarde voor: Reulsberg en 't Ham; omgeving Kasteelpark Ter Horst (flora, amfibieën en vogels), en zone Groote Molenbeek. - Specifieke functie voor (strategische) waterberging.

17.2

Milieuzone - geurzone

Gebouwen welke aan te merken zijn als geurgevoelige objecten, zoals omschreven in artikel 5.91 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving, mogen niet worden gebouwd of in gebruik genomen ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone - geurzone'.

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 5 0

17.3

Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol

17.3.1 Omschrijving Ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de winning van (drink)water.

17.3.2 Beoordelingsregels Binnen het grondwaterbeschermingsgebied mag worden gebouwd voor zover dat op grond van de onderliggende bestemming is toegestaan met inachtneming van de voorwaarden, zoals die door de Omgevingsverordening Limburg worden gesteld.

17.4

milieuzone – spuitvrije zone

17.4.1 Omschrijving De gronden ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone – spuitvrije zone' zijn mede aangewezen als spuitvrije zone vanwege de bescherming van de gezondheid als gevolg van het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen.

17.4.2 Gebruiksregel Op de gronden is het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan.

17.5

Vrijwaringszone - weg

17.5.1 Omschrijving Ter plaatse van de aanduiding 'Vrijwaringszone - weg' zijn de gronden mede bestemd voor mogelijke toekomstige reconstructies en/of uitbreidingen van de Rijksweg A73, alsmede voor het creëren van een optimale infrastructurele omgeving.

17.5.2 Beoordelingsregels Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - weg' mag, in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 2, niet worden gebouwd.

17.5.3 Afwijken van de beoordelingsregels In de zone tussen de 50 en 100 meter, gemeten uit de as van de dichtstbij gelegen rijbaan, waartoe ook toe- en afritten behoren kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van het wegverkeer, met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in 17.5.2, voor de bouw van bouwwerken die zijn toegelaten krachtens de onderliggende bestemming nadat de wegbeheerder terzake is gehoord.

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 5 1

17.5.4 Bestaande bebouwing De in 17.5.3 bedoelde afwijking wordt geacht te zijn verleend ten aanzien van bouwwerken, of een complex van bouwwerken die bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel mogen worden opgericht krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 5 2

Artikel 18 Algemene afwijkingsregels 18.1

Algemeen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het plan ten behoeve van het vergroten van: a. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages, met uitzondering van oppervlakte- en inhoudmaten, tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages, voor zover hiervoor niet reeds op een andere wijze afwijking is verleend; b. de bestemmingsregels en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of verkeersintensiteit daartoe aanleiding geven; c. de bestemmingsregels teneinde de op de verbeelding ingetekende begrenzingen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, met maximaal 10 m te verschuiven; d. de bestemmingsregels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; e. de bestemmingsregels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en toestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot niet meer dan 40 m; f.

de bestemmingsregels voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwtjes van openbaar nut, zoals wachthuisjes, gasreduceerstations en schakelstations, mits de inhoud niet meer dan 50 m3 de goothoogte niet meer dan 3 m bedraagt, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan: 1. het straat-, bebouwings- en landschapsbeeld; 2. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing; 3. de verkeersveiligheid; 4. de sociale veiligheid;

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 5 3

Artikel 19 Overige regels 19.1

Wettelijke regelingen

Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, dienen deze regelingen te worden gelezen, zoals deze luidden op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan.

19.2

Voorrangsregels

In het geval van strijdigheid van de regels voor functies en activiteiten uit hoofdstuk 2 van deze regels met de regels voor de (waarde)functies uit hoofdstuk 3 van deze regels, gaan de regels van de (waarde)functies uit hoofdstuk 3 van deze regels voor.

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 5 4

Hoofdstuk 5 Overgangsregels Artikel 20 Overgangsrecht 20.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a. een omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a. met maximaal 10%. c. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan, en op bouwwerken ter plaatse van de bestemmingen 'Bedrijf' en 'Natuur' .

20.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. Het overgangsrecht voor het gebruik van de bedrijfslocatie aan de Hamweg 6 eindigt uiterlijk 2 jaar na het onherroepelijk worden van: 1. onderhavige wijziging van het omgevingsplan, én; 2. de voor de realisatie en het integrale gebruik van het deelgebied 'Horsterweg' noodzakelijke omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten, én; 3. de voor de realisatie en het integrale gebruik van het deelgebied 'Horsterweg' noodzakelijke omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten. b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan één jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d.

Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen op gronden ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone – spuitvrije zone' en het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17078359/1