06c Toelichting Legert 14 vaststelling
Tekst van het document
Initiatiefnemers zijn voornemens om de agrarische functie te wijzigen in een woonfunctie en de bedrijfswoning om te zetten naar een burgerwoning. Binnen een woonbestemming zijn maximaal 150 m2 aan bijgebouwen per woning toegestaan. Voor meer m2’s bijgebouwen hoeft voor 1/3 deel geen kwaliteitsafdracht betaald te worden. Dit betekent dat voor 2/3 deel wel kwaliteitsafdracht betaald moet worden. In totaal is binnen het plangebied 521 m2 aan legale voormalige agrarische bedrijfsgebouwen aanwezig. Op basis van de beleidsregel “Maatwerknotitie bijgebouwen buitengebied” mag op betreffende locatie maximaal 274 m2 (((521150)/3)+150) aan bijgebouwen worden gerealiseerd. Initiatiefnemers wensen loods 1, welke is gelegen ten oosten van de woning en een oppervlakte beslaat van 228 m2 te behouden. Als de locatie wordt voorzien van een woonbestemming is met het behouden van de loods zodoende sprake van een overschrijding aan bijgebouwen. Door gebruik te maken van de beleidsregel “Maatwerknotitie bijgebouwen buitengebied” en door het slopen van loods 2, welke ten zuiden van de woning is gelegen, is het mogelijk om loods 1 te behouden. Daarnaast is er nog ruimte voor het realiseren van 46 m2 aan extra bijgebouwen welke initiatiefnemers later willen benutten.
20
5. FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU 5.1
m.e.r.-beoordeling
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project m.e.r.-plichtig of m.e.r.beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Om te bepalen of een m.e.r. noodzakelijk is dient bepaald te worden of de activiteit voor komt in bijlage V Ob. In de eerste kolom van Bijlage V wordt een omschrijving gegeven van de projecten. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor de mer-verplichtingen gelden. Het gaan dan om besluiten waarmee toestemming voor een project wordt verleend. Of voor een besluit een mer-plicht of mer-beoordelingsplicht geldt volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarde uit kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Beoordeling Op grond van categorie J11 geldt een m.e.r-beoordelingsplicht voor een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen. Onder deze categorie vallen tevens o.a. woningbouw, de bouw van kantoren, universiteiten, bioscopen, theaters, woonboulevards, ziekenhuizen en scholen. Ook dergelijke stedelijke projecten in “dorpen” vallen eronder.
Hiertoe moeten alle voorzieningen worden gerekend die noodzakelijk zijn voor dat project voor dat project, zoals de aanleg van infrastructuur. Opgemerkt wordt dat het begrip verschilt van het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’, zoals dat wordt gehanteerd bij de Ladder van duurzame verstedelijking. Conclusie Onderhavige ontwikkeling voorziet niet in het realiseren van nieuwe bebouwing, maar slechts in een functiewijziging van een reeds bestaande woning. Deze activiteit komt niet voor in bijlage V Ob. Aangezien in dit geval sprake is van het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning is er geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht.
5.2
Bodem- en grondwaterkwaliteit
Met het toedelen van functies aan locaties wordt aangegeven welke functies die locaties hebben en op welke wijze en onder welke voorwaarden deze functies ter plaatse kunnen worden uitgeoefend. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem opgenomen in paragraaf 5.1.4.5. Hierin wordt bepaald voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. In het kader van de ontwikkeling zijn weliswaar geen bodemingrepen of dergelijke voorzien maar er dient wel aangetoond te worden de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Derhalve is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd1.
1 HMB, vooronderzoek, Leger 14 Swolgen, 22 mei 2024, kenmerk: 24238001H
21
Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek wordt geconcludeerd dat de onderzoekslocatie als verdacht ten aanzien van bodemverontreiniging te beschouwen is. De reden hiervoor is de aanzienlijke tijdsspanne waarin gebruik is gemaakt van de locatie, de bouw- en sloopwerkzaamheden die op het terrein hebben plaatsgevonden en de aanwezige puinhoudende funderingslaag onder de asfaltverharding. Dit brengt een risico op heterogene verontreinigingen met asbest, zware metalen, minerale olie en PAK met zich mee. Daarom wordt, conform het gemeentelijk beleid, de uitvoering van een bodemonderzoek in verband met de verlening van een omgevingsvergunning noodzakelijk geacht. Omdat nader bodemonderzoek wordt geadviseerd is voor betreffende locatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd2. Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'verdachte locatie' voor het verkennend bodemonderzoek stand houdt. In zowel de grond als het grondwater zijn enkele parameters (licht) verhoogd aangetoond. De verhoogde gehalten zink in de grond zijn waarschijnlijk te relateren aan de baksteen- en/of kolenresten in de grond. Voor de verhoogde gehalten barium, cadmium en zink in het grondwater zijn geen duidelijke oorzaken of bronnen aan het licht gekomen. De oorzaak voor de verhoogde gehalten zware metalen in het grondwater moet waarschijnlijk gezocht worden in regionale omstandigheden.
Het aantreffen van zware metalen in het grondwater is namelijk een bekend verschijnsel in de regio Noord-Limburg. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen functiewijziging van een gedeelte van het terrein aan de Legert 14 te Swolgen. Hoewel er volgens de huidige plannen geen grond verplaatst wordt, dient er rekening mee gehouden te worden dat eventueel vrijkomende grond - in eventueel latere trajecten - buiten het onderzoeksperceel mogelijk niet overal toepasbaar is.
5.3
Bedrijven en milieuzoneringen
Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Met ingang van de Omgevingswet worden het ruimtelijke en fysieke spoor verder geïntegreerd. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. In het licht van de Omgevingswet is deze indicatieve bedrijvenlijst niet meer geschikt. De lokale praktijk vraagt om maatwerk en een lokale afweging. Derhalve is in 2022 de uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2022’ (naar verwachting komt er Q1 2024 een geactualiseerde versie van de uitgave). Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden. De Lijst van bedrijfsactiviteiten in bijlage 1 van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering 2009 biedt goede aanknopingspunten voor een indicatie van de inpasbaarheid van activiteiten, aan de hand van de SBI-codes (2008).
Deze lijst is geactualiseerd in de publicatie ten behoeve van het functiemenging en het mogelijk maken van maatwerk. Daarnaast zijn de toetsbare aspecten geur en geluid (gevaar en stof komen te vervallen), deze aspecten zijn beoordeeld op basis van zones (in afwijking tot de voorgaande afstanden). Voor elke zone geldt een bepaalde afstand waarbinnen mogelijk hinder aan de orde is.
2 HMB, verkennend bodemonderzoek (asbest), Leger 14 Swolgen, 28 juni 2024, kenmerk: 24238002A
22
Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Het plangebied is te typeren als ‘rustig buitengebied’. De woonfunctie betreft een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kan de opnieuw te bestemmen woning milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van de omliggende milieubelastende functies. De milieuruimte van de milieubelastende functies in de omgeving is geïnventariseerd aan de hand van de SBI-code en de grootste bijbehorende zone voor geur en geluid. In de directe omgeving (straal van 500 meter) bevinden zich de volgende milieubelastende functies.
*
Soort bedrijf
SBI-2008
Adres
Schapenhouderij
0145
Visvijver* Melkveehouderij Varkenshouderij
931 0141, 0142 0146
Legert 19 Legert 6 Hogeweg 8 Lissevenweg ong. Osterbos 9 Krienestraat 3
Aan te houden Afstand tot afstanden plangebied Geluid Geur 30 50 5 meter 350 meter 470 meter 50 10 125 meter 30 100 430 meter 50 100 490 meter
In de VNG bedrijvenlijst worden recreatievoorzieningen in de vorm van visvijvers niet als zodanig benoemd. Er zijn echter wel een aantal andere recreatieve voorzieningen opgenomen. Er is derhalve gekeken naar een soortgelijke functie namelijk die van een veldsportcomplex (met verlichting).
Het plangebied ligt binnen de richtafstand van geur en geluid afkomstig van de schapenhouderij aan de Legert 19. Aan de Legert 19 worden momenteel geen schapen gehouden echter de locatie beschikt wel over een milieuvergunning voor het houden van schapen. De milieuvergunning ligt op een van de bijgebouwen die achter de woning zijn gelegen. Het bijgebouwen waarop de milieuvergunning ligt is gelegen op ruim 65 meter afstand van de woning Legert 14. Hiermee wordt wel voldaan aan de richtafstand van geluid maar niet van geur. Voor het aspect geur geldt echter de bijzondere regeling in het kader van de Omgevingswet, in paragraaf 5.6 wordt hier verder op in gegaan. Omliggende bedrijven vormen geen belemmering voor de functiewijziging, er is in de woning sprake van een goed woonen leefklimaat, aannemelijk is dat in het kader van de Omgevingswet er ook sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast worden de omliggende bedrijven niet belemmerd door de voorgenomen wijziging omdat de woning reeds een bestaande woning betreft, waarmee omliggende bedrijven reeds rekening moeten houden bij eventuele ontwikkelingen.
5.4
Geluid
Vele functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterrein en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere objecten. Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat geluidsregels die zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied gelden instructieregels. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.
23
Het bevoegd gezag houdt bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied rekening met het belang van het beschermen van gezondheid en milieu. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid op een geluidgevoelig object gelegen binnen het aandachtsgebied van een geluidbronsoort. Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, dan is het geluid in ieder geval aanvaardbaar (hoofdregel Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar toelaten. Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats. Geluid boven de grenswaarde is, behoudens enkele uitzonderingen, niet toegestaan. De eisen uit het Bkl zijn van toepassing op het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Artikel 5.78r van het Bkl stelt dat de eisen niet van toepassing zijn op geluidgevoelige gebouwen voor zover die al rechtmatig op een locatie zijn toegestaan. Geluid door activiteiten Artikel 5.1.4.2 kent een splitsing tussen geluid door activiteiten en geluid door specifieke activiteiten, dit artikel is dan ook van toepassing op alle denkbare activiteiten, met uitzondering van geluid van woonactiviteiten.
Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. Het staat echter de gemeenteraad vrij om hier geluidwaarden aan te stellen. Wegverkeerslawaai De Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG) bevat de geluidsgegevens van heel Nederland. Aan de hand van de CVGG kan worden afgelezen of een bepaalde locatie binnen een geluidsaandachtsgebied is gelegen. Momenteel is de CVGG nog niet volledig en ontbreken er nog gegevens. Op grond van het overgangsrecht (art. 17.5 Or) geldt in dat geval aan weerszijde van de weg een geluidsaandachtsgebied op basis van richtafstanden. Beschrijving Een weg, bestaande uit 1 of 2 rijstroken met een rijsnelheid van ≤ 30 km/u Een weg, bestaande uit 1 of 2 rijstroken met een rijsnelheid > 30 km/u, of; Een spoorweg bestaand uit 1 of 2 sporen Een weg bestaande uit 3 of meer rijstroken, of; Een spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen
Aandachtsgebied 100 meter 200 meter 350 meter
Conclusie In het kader van de voorgenomen ontwikkeling worden er geen nieuwe geluidsgevoelige objecten gerealiseerd, de bestaande woning wordt functioneel gewijzigd van bedrijfswoning naar burgerwoning (artikel 5.78r Bkl). Het aspect geluid vormt derhalve geen belemmering in het kader van de voorgenomen ontwikkeling.
5.5
Luchtkwaliteit
Het gebruik van de fysieke leefomgeving kan ongewenste bijwerkingen met zich meebrengen op het gebied van luchtkwaliteit. De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels zoals opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Hier worden de grenswaarden beschreven voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven.
24
Achtergrondwaarden De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3
Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het toestaan van de activiteit: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 8,7 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 16,0 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 10,7 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende. Het Besluit NIBM Een aantal veelvoorkomende activiteiten dragen niet in betekenende mate (NIBM) aan de concentratie van een bepaalde stof.
Voor deze activiteiten is dan ook geen toetsing noodzakelijk De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (artikel 5.53 en 5.54 Bkl) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Een project is in NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is er geen sprake van een toename aan verkeersbewegingen, het betreft slechts een functiewijziging van reeds bestaande bebouwing waarbij het gebruik in beide situaties wonen betreft. Aannemelijk is dan ook dat het initiatief NIBM-invloed heeft op de luchtkwaliteit. Conclusie luchtkwaliteit Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.51 Bkl.
Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen conform Ow en Bkl en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is.
25
5.6
Geur
Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Rijksregels zouden zorgen voor het relatief vaak moeten vaststellen van maatwerkvoorschriften. Daarom is uitgangspunt dat geurhinder vooral in decentrale instrumenten zoals in het omgevingsplan wordt geborgd. Artikel 5.92 Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Artikel 5.91 geeft aan dat geurgevoelige gebouwen in ieder geval gebouwen met een woon-, onderwijs-, of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang betreffen.
Ondanks dat geur vooral een lokaal aspect is, is het voorkomen of beperken van geurhinder één van de oogmerken van de rijksregels artikel 2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In het Bal zijn regels opgenomen over het verplicht binnen uitvoeren van activiteiten en beperkingen van emissies naar lucht die indirect ook een positief effect hebben op geuremmissies. De regels over geur in paragraaf 5.1.4.6 zijn een voortzetting van het Activiteitenbesluit milieubeheer en voor zover het gaat om de geurregels voor het houden van landbouwhuisdieren zijn deze regels ook een voortzetting van de Wet geurhinder en veehouderij en de Regeling geurhinder en veehouderij. De geurregels beogen eenzelfde beschermingsniveau te bieden en voorzien in een beleidsneutrale omzetting. Gemeenten leggen in het omgevingsplan waarden en/of afstanden vast ten aanzien van geur door een activiteit op een geurgevoelig object. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijke omgevingsplan dan gelden op grond van artikel 22.1 en 22.2 Omgevingswet de geurregels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Wet geurhinder en veehouderij, als onderdeel van de Bruidsschat en maken deze deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege zal ontstaan.
Op 30 juni 2020 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas vastgesteld. Momenteel ligt er een nieuwe geurverordening ter inzage. Deze wordt naar verwachting in oktober 2024 door de gemeenteraad vastgesteld. Het initiatief is dan ook getoetst aan de strengere eisen welke zijn opgenomen in deze nieuwe geurverordening. In de Ontwerp geurverordening is vastgelegd welke normstelling er geldt voor de voorgrondbelasting en bij welke achtergrondbelasting nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de verordening is bepaald dat voor overige bedrijventerreinen en het buitengebied, waarbinnen het projectgebied valt, een maximale waarde geldt voor de geurbelasting van een veehouderij ten aanzien van een geurgevoelig object van 5,0 Ou/m3 (voorgrondbelasting) en 20,0 Ou/m3 (achtergrondbelasting). In de directe omgeving van de woning (250 meter) is uitsluitend een schapenhouderij gelegen. De schapenhouderij is gelegen aan de Legert 19 en beschikt over een milieuvergunning voor het houden van 55 schapen. Bij de schapenhouderij worden dieren met geuremissiefactoren gehouden. Van deze veehouderij is de geurbelasting op het projectgebied berekend middels het programma “V-stacks vergunning” (zie bijlage 2).
Daarbij is alle vergunde geuremissie binnen het betreffende agrarische bouwvlak conform een worst-case scenario gepositioneerd op de ten opzichte van het projectgebied meest nabij gelegen hoek van het agrarische bouwvlak.
26
Nummer Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4
X-coördinaat 206 725 206 783 206 749 206 693
Y-coördinaat 390 586 390 468 390 448 390 532
Legert 19 0,5 0,1 0,2 0,5
De hoogste voorgrondbelasting binnen het projectgebied bedraagt 0,5 OU/m3. Op basis van de gemeentelijke geurverordening is ter plaatse een maximale geurbelasting toegestaan van 5 OU/m3. Dit betekent dat voor het projectgebied ruimschoots wordt voldaan aan de norm. Gesteld kan worden dat de omliggende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het projectgebied voor wat betreft voorgrondbelasting. Middels het programma “V-stacks gebied” is berekend wat de cumulatieve geurbelasting ter plaatse is om te kunnen beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer rond het projectgebied én beschikken over diersoorten waarvoor een geuremissienorm is vastgesteld zijn in de berekening opgenomen. In onderstaande tabel zijn de rekenresultaten van de berekening van de achtergrondbelasting weergegeven. Nummer Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4
X-coördinaat 206 725 206 783 206 749 206 693
Y-coördinaat 390 586 390 468 390 448 390 532
Berekende waarde 7,7 9,1 8,2 7,4
De cumulatieve geurbelasting binnen het projectgebied varieert tussen 7,4 en 9,1 OU/m3 (zie bijlage 2). Op basis van de gemeentelijke geurverordening is ter plaatse een maximale cumulatieve geurbelasting toegestaan van 20,0 OU/m3. Er wordt daarmee aan de norm voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het projectgebied voor wat betreft achtergrondbelasting. Conclusie Uit de geurberekeningen blijkt dat aan de gemeentelijke geurnormen wordt voldaan. In de bestaande woning is zodoende sprake van een aanvaardbaar leefmilieu ten aanzien van geur. Daarnaast geldt dat bestaande geurgevoelige objecten welke in de directe omgeving van de intensieve veehouderijen zijn gelegen, de bepalende objecten zijn voor wat betreft eventuele toekomstige uitbreidingsmogelijkheden van deze veehouderijen. De woning Legert 14, welke verder van de intensieve veehouderijen zijn gepositioneerd dan bestaande woningen, hebben derhalve geen beperkende invloed voor wat betreft de uitbreidingsmogelijkheden van de intensieve veehouderijen.
5.7
Externe veiligheid
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid, ofwel omgevingsveiligheid. Regels omtrent externe veiligheid zijn gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico die op een locatie is toegestaan.
27
In het Bkl (bijlage VII) is een lijst opgenomen met activiteiten die aangewezen zijn als risicobron. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels omtrent het plaatsgebonden risico (PR) en aandachtgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: ▪ Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven; ▪ Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); ▪ Buisleidingen met gevaarlijke stoffen; ▪ Windturbines. Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico (GR) Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl).
Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Inventarisatie risicobronnen Met behulp van de provinciale risicokaart is bepaald of het projectgebied binnen de plaatsgebonden risicocontouren, dan wel invloedsgebieden van risicovolle inrichtingen is gelegen.
28
Afbeelding 9. Uitsnede risicokaart met plangebied rood omlijnd
Op circa 470 meter ten oosten van het projectgebied, aan de Krienestraat 3, staat een opslagtank. Voor de propaantank bedraagt de plaatsgebonden risicocontour 50 meter, het brandaandachtsgebied 60 meter en het explosieaandachtsgebied 160 meter. Bij een propaantank tot 13 m3 is geen sprake van een invloedsgebied in het kader van het groepsrisico. Bij propaantanks met een inhoud tussen de 13 m3 en 50 m3 is het invloedsgebied vastgesteld op 150 meter. Als het projectgebied binnen 150 meter van een propaantank met een inhoud >13 m3 is gelegen dient het groepsrisico verantwoord te worden. In onderhavig initiatief is geen sprake van een propaantank waarvoor een vergunning is verleend waardoor de inhoud van de propaantank minder dan 13 m3 bedraagt. Het projectgebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van de propaantank. In de nabije omgeving van het projectgebied zijn daarnaast geen andere risicovolle inrichtingen gelegen. Transport gevaarlijke stoffen In de omgeving van het projectgebied liggen geen wegen die deel uitmaken van het basisnet weg. Over de wegen in en rond het projectgebied kunnen incidenteel gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Gezien de lage vervoersintensiteit levert dit geen relevante risico’s op. Buisleidingen In de nabije omgeving van het projectgebied zijn geen buisleidingen gelegen.
Door de afwezigheid van buisleidingen kan gesteld worden dat dit geen belemmeringen oplevert voor het voorgenomen initiatief. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.
5.8
Trillingen
Trillingen kunnen optreden als gevolg van met name spoorwegverkeer. In sommige gevallen kunnen trillingen leiden tot hinder of schade aan gebouwen. Om trillinghinder en schade te voorkomen dient dit aspect onderzocht te worden bij ontwikkelingen binnen 200 meter van een spoorweg.
29
Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl is op hoofdlijnen van toepassing op het toelaten op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan. En op het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Onder andere binnen gebouwen toegelaten woonruimten zijn trillinggevoelig. Conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen een gebied waarbij trillingen aan de orde zijn. Derhalve vormt het aspect trillingen geen belemmeringen in het kader van de voorgenomen ontwikkeling.
5.9
Water
Bij het realiseren van nieuwe bebouwing en/of het toestaan van nieuwe activiteiten kan er sprake zijn van wijzigingen in de waterhuishoudkundige situatie binnen het plangebied. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Daarnaast zijn instructieregels opgenomen in het Bkl. Artikel 5.37 Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Deze paragraaf geeft verder specifieke instructieregels over onderdelen van watersystemen in het omgevingsplan, waaronder primaire waterkeringen, grote rivieren en het IJsselmeergebied, waarbij onder andere het rivierbed en reserveringsgebieden worden aangewezen. 5.9.1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap, de Omgevingsvisie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden.
De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in de provinciale omgevingsvisie sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ Herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ Herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijke natuur; ▪ Schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ Duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ Een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. Conform de Provinciale Omgevingsvisie Limburg gelden er voor de projectlocatie geen waterkundige waarden.
5.9.2 Huidige situatie Bodemgesteldheid en grondwater Op de Bodemkaart van Nederland worden de gronden van het plangebied deels aangeduid als poldervaaggronden bestaande uit zwarte zavel en deels als hoge bruine enkeerdgronden bestaande uit lemig fijn zand.
30
Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt de omgeving van het plangebied een goede bodemdoorlatendheid te hebben van 1,5-10 m/dag. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied geen oppervlaktewater ligt. Ten oosten van het plangebied, op een afstand van 520 meter, stroomt de ‘Schelbergshof’. Dit betreft een primaire watergang van het waterschap. De Keur van het waterschap is op deze watergangen van toepassing. Er vinden geen werkzaamheden plaats ter plaatse van en nabij de watergang in het kader van de voorgenomen ontwikkeling. Afvalwater/ riolering De locatie is reeds aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel. Dit wordt niet gewijzigd in het kader van de voorgenomen ontwikkeling. 5.9.3 Water in relatie tot ontwikkeling Het initiatief heeft betrekking de functiewijziging van de bestaande bedrijfswoning naar burgerwoning. Het initiatief heeft dan ook betrekking op een bestaande woning en is daarmee waterhuishoudkundig gezien niet relevant. Concluderend kan gesteld worden dat met het initiatief geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding.
5.10 Kabels en leidingen Grotere kabels en leidingen worden middels een planologische beschermingszone vastgelegd. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Conclusie Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.
5.11 Natuur De Europese natuurwetgeving was in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. De Wnb gaat in het kader van de Omgevingswet op in het Aanvullingsbesluit natuur en Aanvullingsregeling Natuur. Deze overgang is beleidsneutraal, de thans geldende normenkaders, instrumenten en bevoegdheidsverdeling blijven dan ook ongewijzigd. 5.11.1 Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna in het plangebied aan te tonen en het effect van de sloop van de loods en het oprichten van de nieuwe leefkeuken hierop te onderzoeken is een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd3. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Omgevingswet zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde andere soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud.
3 Faunaconsult, Flora- en fauna-inspectie locatie Legert 14 te Swolgen, 30 mei 2024
31
Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen (deze zijn opgenomen in Bijlage X van de Omgevingsverordening Limburg; Provinciale Staten van Limburg, 2023). Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 11.27 Bal); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Algemene vogels In de vegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Omgevingswet begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van opgaande vegetatie toch leiden tot overtreding van de Omgevingswet.
Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield. Spreeuw In de loods in het plangebied is één spreeuwennest aangetroffen. Spreeuwen, hun eieren en hun jongen zijn beschermd, maar spreeuwennesten hebben in Limburg geen strenger beschermde status. Vernietiging van een toekomstig spreeuwenbroedsel kan worden voorkomen door de loods af te breken buiten de periode 15 april – 1 juli (het broedseizoen van de spreeuw). Een andere oplossing is om het nest met metalen gaas ontoegankelijk maken buiten de periode (15 april – 1 juli). Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Omgevingswet begaan. Conclusie Initiatiefnemers zijn voornemens om de loods buiten het broedseizoen te slopen en om het spreeuwennest ontoegankelijk te maken door middel van gaas. Ook het ontoegankelijk maken van het spreeuwennest zal buiten het broedseizoen worden gedaan. Ook het uitdunnen van de boomopstand zal plaats vinden buiten het vogelbroedseizoen. Het initiatief heeft zodoende geen negatieve effecten op de aanwezige flora en fauna. 5.11.2 Natura2000 Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied Maasduinen, ligt op circa 2,6 km van het projectgebied.
In de Wet natuurbescherming (Wnb) is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura2000- gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 2,6 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het projectgebied op Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000- gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Met onderhavig initiatief wordt een agrarische bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Er is daardoor geen wijziging in de verkeersstroom van en naar de woning. Zodoende is er geen sprake van een toename van de uitstoot van stikstof en is een stikstofberekening niet benodigd. 5.11.3 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter)nationaal belang. Het doel van het NNN-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit.
32
Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt op basis van het Rijksbeleid de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Het Natuurnetwerk Nederland is veelal weer opgedeeld in provinciale natuurgebieden.
Afbeelding 10. Uitsnede kaart NatuurNetwerk Limburg met plangebied rood omlijnd
Conclusie Ten noorden van het plangebied is het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Limburg gelegen. Het onderdeel van het NatuurNetwerk Limburg is gelegen op 180 meter afstand. Het plangebied maakt zelf geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Limburg, dus ook niet van het Natuurnetwerk Nederland. Aangezien de ontwikkeling niet plaats vindt binnen het Natuur Netwerk kan gesteld worden dat het initiatief geen belemmering vormt voor de aanleg of instandhouding hiervan.
5.12 Archeologie en cultuurhistorie De wet- en regelgeving rondom cultureel erfgoed en archeologie is vastgelegd in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het fundament voor de bescherming van rijksmonumenten, oftewel het culture erfgoed. In de Erfgoedwet staan de regels met betrekking op het roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten en in de Omgevingswet staan de regels met betrekking tot het aanwijzen van ruimtelijke cultureel erfgoed, zoals stads- en dorpsgezichten en de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. Paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl geeft aan dat in het omgevingsplan rekening dient te worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed worden in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening moet worden gehouden met de in artikel 5.130 Bkl genoemde beginselen.
33
5.12.1 Archeologie De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. Dit kan de gemeente doen om archeologische monumenten in de bodem te beschermen of ze deskundig te laten opgraven. Gedurende de overgangsfase zijn de regels omtrent het aspect archeologie nog niet opgenomen in het Omgevingsplan. Deze zijn opgenomen in het gemeentelijke archeologiebeleid, op termijn worden deze regels opgenomen in het Omgevingsplan. Ook zijn er in de bruidsschat enkele bepalingen opgenomen over de aanvraagvereisten bij het slopen van bouwwerken in een gemeentelijke of rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht. Conform de gemeentelijke archeologische beleidskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge archeologische waarden. Dit betekent dat bij een bodemingreep waarbij de bodem dieper dan 30 cm geroerd dient van tevoren onderzocht te worden op archeologische waarden indien het te verstoren oppervlakte meer dan 100 m² bedraagt. Conclusie Op de locatie vinden geen (bouw-)werkzaamheden plaats die een invloed kunnen hebben op eventuele aanwezige archeologische waarden. Het initiatief betreft uitsluitend een functionele wijziging. Derhalve is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. 5.12.2 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie.
De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen omtrent het beschermen en behouden van cultureel erfgoed. Deze gaan over: ▪ Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; ▪ Verplaatsing van beschermde monumenten; ▪ Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; ▪ Aantasting van de omgeving van een beschermd document; ▪ Aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; ▪ Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. De provincie Limburg heeft de cultuurhistorisch waardevolle objecten opgenomen in de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’. Het is van belang dat ruimtelijke ontwikkelingen geen negatieve invloed hebben op omliggende of nabijgelegen cultuurhistorisch waardevolle objecten. Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ ligt er in de nabijheid van het plangebied het Mariakappelletje. Het Mariakapelletje ligt ten oosten van de Legert 16 en op circa 100 meter van het plangebied. Afweging Onderhavig initiatief heeft betrekking op de sanering van een agrarisch bedrijf, de omzetting van een bestaande bedrijfswoning naar burgerwoning en voorziet tevens in de sloop van een van de voormalige bedrijfsgebouwen.
Gezien de kleinschaligheid van het initiatief en de grote afstand tot het Mariakappelletje heeft het initiatief geen nadelige gevolgen op de (belevings-) waarde van deze panden. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
34
5.12.3 Welstand Welstand heeft betrekking op de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de gemeentelijke welstandsnota. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking repressief welstand, oftewel de excessenregeling en de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Conform artikel 22.29 lid 1 onder b is bepaald dat een omgevingsvergunning met betrekking tot bouwactiviteiten en het instand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets. In het kader van onderhavig initiatief is geen sprake van bouwwerkzaamheden, het betreft slechts een functiewijziging van reeds bestaande bebouwing. Het aspect welstand vormt derhalve geen belemmering in het kader van de voorgenomen ontwikkeling. 5.12.4 Landschap Om het projectgebied op een juiste manier in het landschap in te passen is voor de locatie een landschappelijk inpassingsplan opgesteld4.
De visie van het landschapsplan is om met het bestaande decor en enkele verbeterpunten het te vervolmaken tot nog meer een groene woon-fruit en biodiversiteitspark-oase met fijne geborgenheid en mooi doorzicht. Onderstaand de visie vanuit de verschillende invalshoeken. De visie heeft geresulteerd in het definitieve plan. Met een juist beheer ontstaat er ook tevens een meerwaarde voor de ecologische waarden. Het landschapsplan voorziet in de aanleg van de volgende elementen: A. Bestaande gemengde haag; B. Bestaande fruitbomen; C. Historisch paadje met eikenbomen; D. Uit te dunnen boomopstand; E. Aan te planten twee erfbomen; F. Singelrand aan te vullen met struiken; G. Aanplant enkele hoogstamfruitbomen; H. Aan te planten bomen op steilrand; I. Kruidenrijk bloemgrasvegetatie;
4 Ron Janssen erf- en landschapsverfraaiing, landschapsplan inpassing locatie Legert 14 Swolgen tbv bestemmingswijziging agrarische functie naar woonfunctie
35
Afbeelding 11.Impressie landschappelijk inpassingsplan
Het landschapsplan voorziet in het behouden van een deel van de bestaande beplanting en in het aanvullen van deze beplanting om de gehele locatie mooier te maken, beter in te passen en een bijdrage te leveren aan de biodiversiteit.
5.13 Verkeer en parkeren De functiewijziging heeft geen verkeerskundige consequenties. De huidige woning is gelegen aan en bereikbaar vanaf de Legert. Dit blijft zoals in de huidige situatie in stand. Via de huidige oprit is de woning goed toegankelijk. Ook hier wijzigt niets aan. Op eigen terrein is ruimschoots voldoende ruimte aanwezig voor het parkeren van voertuigen. Op basis van de parkeernorm uit de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas dient er bij een woning (buiten de bebouwde kom) 2,0 parkeerplaatsen aanwezig te zijn. Op het eigen terrein zijn reeds 2 parkeerplaatsen aanwezig. Er wordt daarmee voldaan aan de parkeernorm.
5.14 Duurzaamheid Conform artikel 1.3 sub a Ow is het bereiken en in stand houden van een veilige en fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Het gaat daarbij om het beschermen van de gezondheid maar ook het bevorderen van de gezondheid (sport, beweging, positieve gezondheid). In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen."
36
Artikel 1.3 en 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord: "Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en; b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften." Artikel 2.1 Ow geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld. Artikel 1.3 Ow geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd. Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen. In het kader van onderhavig initiatief is geen sprake van bouwwerkzaamheden, het betreft slechts een functiewijziging van reeds bestaande bebouwing.
Het aspect duurzaamheid vormt derhalve geen belemmering in het kader van de voorgenomen ontwikkeling.
5.15 Gezondheid Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1:3 Ow). In artikel 2.1 lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. De GGD kan hierbij adviseren. Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds gemotiveerd. 5.15.1 Endotoxinen Het RIVM doet onderzoeken naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid van omwonenden, veehouders, de gezinnen van veehouders en mensen die op de veehouderij werken. Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ziek van kunnen worden zoals Q-koorts of Salmonella. Daarnaast kunnen fijnstof en endotoxinen (celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën) gezondheidsproblemen veroorzaken.
Ook kan het voorkomen dat mensen hinder ondervinden van de stank die afkomstig is van de mest uit de veehouderijen. In 2016 zijn de resultaten gepubliceerd van het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO). In dit onderzoek is gekeken naar de gezondheidseffecten bij omwonenden van ziekteverwekkers en luchtverontreiniging afkomstig van veehouderijen. In 2017 is er een tweede rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden – aanvullende studies’ gepubliceerd. Daarin zijn nieuwe analyses gedaan om de eerdere resultaten nog eens extra bevestigd te krijgen. Uit onderzoeken is aangetoond dat omwonenden rondom veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie afkomstig van veehouderijen. Aan de hand van het ‘Endotoxinen toetsingskader 1.0’ kan een afstandscontour worden berekend rondom veehouderijen, waarbinnen sprake is van een overschrijding van de norm van de Gezondheidsraad (30 EU/m3) en dus sprake kan zijn van verhoogde gezondheidsrisico’s.
37
De meeste gevonden gezondheidseffecten kunnen niet aan één specifieke diersoort worden gerelateerd. Het gaat vaak om een opeenstapeling van bedrijven met pluimvee, varkens, rundvee, geiten, nertsen, schapen en paarden. In de directe nabijheid van het plangebied is uitsluitend sprake van een schapenhouderij. Op deze locatie worden 55 schapen gehouden. De andere veehouderij liggen op ruime afstand (430 meter). Er is zodoende geen sprake van een opeenstapeling van bedrijven met pluimvee, varkens, rundvee, geiten, nertsen, schapen en paarden. Er is derhalve geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. 5.15.2 Geitenhouderij Uit het rapport Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) komt naar voren dat omwonenden van intensieve veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen. Zo lopen omwonenden van voornamelijk pluimveehouderijen en geitenhouderijen meer risico op het krijgen van longontstekingen. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat binnen een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogd aantal gevallen longontsteking voordoet. Binnen een afstand van 2 km van het plangebied is geen sprake van de aanwezigheid van geitenhouderijen.
Er is derhalve geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. 5.15.3 Spuitzones Hoewel er voor het gebruik en de introductie van gewasbeschermingsmiddelen diverse wetten, besluiten en regels van toepassing zijn, zijn er geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstandentussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt en nabijgelegen gevoelige functies, waaronder woningen. In de praktijk is een vuistregel ontstaan die aangeeft dat er ten minste een afstand van 50 meter tussen een (fruit)boomkwekerij en een gevoelig object in acht moet worden genomen. In dit geval zijn er 50 meter rondom het plangebied de volgende locaties aanwezig waar eventueel gewerkt kan worden met gewasbeschermingsmiddelen: ▪ Percelen 34 (ged.), 39 (ged.) en 759 (ged.) ten noorden van het plangebied, zijn niet aangeduid als landbouwareaal conform de basisregistratie gewaspercelen, maar planologisch wel voorzien van een agrarische bestemming. Derhalve bestaat de mogelijkheid om de percelen in gebruik te nemen ten behoeve van het telen van gewassen en daarmee het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het is echter gezien het gegeven dat al deze percelen direct naast de woning van de eigenaren als ook woningen van derden zijn gelegen, en dusdanig klein van oppervlakte zijn, niet aannemelijk dat deze in gebruik genomen worden voor bedrijfsmatige teelt.
De eigenaren van betreffende percelen zijn akkoord met het uitsluiten van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op het belemmerende deel van hun perceel. Op deze gronden is de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’ opgenomen. Hiermee is het (bedrijfsmatige) gebruik van gewasbeschermingsmiddelen uitgesloten. ▪ Perceel 88 ten oosten van het plangebied is aangeduid als landbouwareaal conform de basisregistratie gewaspercelen en is daarin aangewezen als blijvend grasland. Derhalve bestaat de mogelijkheid om dit perceel in gebruik te nemen ten behoeve van het telen van gewassen en daarmee het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dit perceel is echter in eigendom van initiatiefnemers en zij zijn niet voornemens om betreffende perceel in gebruik te nemen voor de teelt van gewassen. De initiatiefnemers zijn akkoord met het uitsluiten van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op het belemmerende deel van hun perceel. Op deze gronden is de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’ opgenomen. Hiermee is het (bedrijfsmatige) gebruik van gewasbeschermingsmiddelen uitgesloten. ▪ Percelen 89, 90 en 113 ten oosten van het plangebied zijn niet aangeduid als landbouwareaal conform de basisregistratie gewaspercelen, maar planologisch wel voorzien van een agrarische bestemming.
Derhalve bestaat de mogelijkheid om de percelen in gebruik te nemen ten behoeve van het telen van gewassen en daarmee het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het is echter gezien het gegeven dat al deze percelen direct naast de woning van de eigenaren als ook woningen van derden zijn gelegen, en dusdanig klein van oppervlakte zijn, niet aannemelijk dat
38
▪
deze in gebruik genomen worden voor bedrijfsmatige teelt. De eigenaren van betreffende percelen zijn akkoord met het uitsluiten van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op het belemmerende deel van hun perceel. Op deze gronden is de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’ opgenomen. Hiermee is het (bedrijfsmatige) gebruik van gewasbeschermingsmiddelen uitgesloten. Perceel 92 ten westen van de woning is niet aangeduid als landbouwareaal conform de basisregistratie gewaspercelen, maar planologisch wel voorzien van een agrarische bestemming. Derhalve bestaat de mogelijkheid om dit perceel in gebruik te nemen ten behoeve van het telen van gewassen en daarmee het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het is echter gezien het gegeven dat dit perceel direct naast de woning van de eigenaren als ook woningen van derden zijn gelegen, en dusdanig klein van oppervlakte zijn, niet aannemelijk dat deze in gebruik genomen worden voor bedrijfsmatige teelt. De eigenaren van betreffende perceel zijn akkoord met het uitsluiten van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op het belemmerende deel van hun perceel. Op deze gronden is de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’ opgenomen. Hiermee is het (bedrijfsmatige) gebruik van gewasbeschermingsmiddelen uitgesloten.