06c Toelichting Legert 14 vaststelling
Tekst van het document
Noorderhof 16 | 5804 BV Venray | (+31) 077 – 208 6099 contact@bureauleefomgeving.nl | www.bureauleefomgeving.nl
TAM-omgevingsplan
Concept: Ontwerp: Vastgesteld:
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22[b] Legert 14 Swolgen] NL.IMRO.1507.SGLEGERT14-BPV1
28 juni 2024 17 januari 2025 9 september 2025
COLOFON
Projectnaam: Identificatienummer:
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING ...........................................................................................................................................................3 1.1
Aanleiding .......................................................................................................................................................................................................... 3
1.2
Ligging en begrenzing van het plangebied............................................................................................................................................ 3
1.3
Vigerend omgevingsplan ............................................................................................................................................................................. 5
2.
HUIDIGE SITUATIE ..........................................................................................................................................8
3.
BEOOGDE SITUATIE .......................................................................................................................................9
4.
BELEIDSKADER............................................................................................................................................... 11
5.
4.1
Rijksbeleid....................................................................................................................................................................................................... 11
4.2
Provinciaal beleid......................................................................................................................................................................................... 14
4.3
Regionaal beleid ........................................................................................................................................................................................... 18
4.4
Gemeentelijk beleid ................................................................................................................................................................................... 19
FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU .................................................................................................... 21 5.1
m.e.r.-beoordeling ...................................................................................................................................................................................... 21
5.2
Bodem- en grondwaterkwaliteit .......................................................................................................................................................... 21
5.3
Bedrijven en milieuzoneringen.............................................................................................................................................................. 22
5.4
Geluid ............................................................................................................................................................................................................... 23
5.5
Luchtkwaliteit ............................................................................................................................................................................................... 24
5.6
Geur.................................................................................................................................................................................................................. 26
5.7
Externe veiligheid........................................................................................................................................................................................ 27
5.8
Trillingen ......................................................................................................................................................................................................... 29
5.9
Water............................................................................................................................................................................................................... 30
5.10 Kabels en leidingen..................................................................................................................................................................................... 31 5.11 Natuur ............................................................................................................................................................................................................. 31 5.12 Archeologie en cultuurhistorie............................................................................................................................................................. 33 5.13 Verkeer en parkeren................................................................................................................................................................................. 36 5.14 Duurzaamheid .............................................................................................................................................................................................. 36 5.15 Gezondheid ................................................................................................................................................................................................... 37 6.
UITVOERBAARHEID ..................................................................................................................................... 40 6.1
Financieel - economische uitvoerbaarheid ...................................................................................................................................... 40
6.2
Juridische aspecten ..................................................................................................................................................................................... 40
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................................................................... 41
1
7.
PROCEDURE .................................................................................................................................................... 42
Separate bijlagen: Bijlage 1: Vooronderzoek bodem Bijlage 2: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 3: Geuronderzoek Bijlage 4: Flora en fauna onderzoek Bijlage 5: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 6: Omgevingsdialoog
2
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding
In het buitengebied van Swolgen, aan de Legert 14, ligt een voormalige agrarische bedrijfslocatie. De bedrijfsactiviteiten zijn echter al enige jaren geleden beëindigd. Hoewel er al geruime tijd feitelijk geen sprake meer is van agrarische activiteiten is de locatie op basis van het vigerende omgevingsplan nog steeds bestemd voor agrarische doeleinden. Initiatiefnemers zijn inmiddels op leeftijd en willen graag kleiner gaan wonen. De dochter van de initiatiefnemers heeft daarbij aangegeven dat zij graag de locatie van haar ouders wil overnemen om hier samen met haar vriend te gaan wonen. De initiatiefnemers willen de woning dan ook verkopen aan de dochter en haar vriend die hier vervolgens als burgers willen wonen. Conform de vigerende agrarische functie moet de aanwezige woning worden beschouwd als een agrarische bedrijfswoning waardoor bewoning door derden formeel is uitgesloten.
Afbeelding 1. Ligging en omgeving Legert 14 Swolgen (rood omlijnd)
Willen dochter en vriend hier als burgers kunnen wonen dient de agrarische bestemming omgezet te worden naar een woonbestemming. Hiermee worden bedrijfsactiviteiten formeel beëindigd en voor de toekomst uitgesloten. Daarnaast wordt de bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. De gemeente heeft reeds principemedewerking verleend (Z2023-00003201) om de woning om te zetten naar een burgerwoning. Om de beoogde ontwikkeling te kunnen realiseren is een wijziging van het omgevingsplan (van rechtswege) noodzakelijk. Gedurende de overgangsfase zal een wijziging van het omgevingsplan verlopen middels de tijdelijke alternatieve maatregelen, ofwel een TAM-omgevingsplan.
1.2
Ligging en begrenzing van het plangebied
De locatie is gelegen ten noordoosten van de kern Swolgen, aan de Legert. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Meerlo, sectie K en perceelnummer 91. Betreffende perceel heeft een oppervlakte van 5.364 m2 en wordt in onderhavige toelichting aangemerkt als ‘het plangebied’. Het plangebied is in de huidige situatie bebouwd met een bedrijfswoning en twee loodsen welke ten oosten en zuiden van de woning zijn gelegen.
3
Afbeelding 2. Luchtfoto en kadastrale begrenzing Legert 14 Swolgen (plangebied rood omlijnd).
Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de weg de Legert. Aan de overzijde van deze weg liggen drie woonpercelen. Aan de oostzijde wordt de locatie deels begrensd door een landbouwperceel en deels door een woonperceel. Aan de zuidzijde wordt de locatie eveneens begrensd door landbouwgrond en aan de westzijde grenst de locatie aan een ander woonperceel. Percelen 34, 39, 88, 89, 90, 92, 113 en 759 Rondom het plangebied liggen enkele agrarische percelen. Deze percelen maken weliswaar geen onderdeel uit van de ontwikkeling, maar zijn wel van belang voor een goed woon- en leefklimaat. Deze percelen worden meegenomen op de verbeelding daar hier een spuitvrije zone zal opgenomen worden ten behoeve van spuitzonering. Zie voor een nadere motivering hiervan paragraaf 5.15.3. Het betreft de agrarische percelen die binnen 50 meter van het plangebied zijn gelegen te weten percelen 34, 39, 88, 89, 90, 92, 113 en 759.
4
Afbeelding 3. Percelen m.b.t. spuitvrije zone (rood omlijnd)
1.3
Vigerend omgevingsplan
Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan en de bruidsschat. Op dit moment geldt voor het plangebied het tijdelijke omgevingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ (vastgesteld d.d. 19 december 2017). Op grond van het tijdelijke omgevingsplan is het plangebied voorzien van de functie ‘Agrarisch met waarden’ en voorzien van een bouwvlak van circa 5.100 m2. Daarnaast is de locatie voorzien van de functie ‘Waarde – Archeologie 2’ en van de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone – hydrologische beschermingszone’ en ‘overige zone – kampen’. De voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch bedrijfsmatig en hobbymatig grondgebruik. Gebouwen en bouwwerken mogen uitsluitend binnen het aanwezige bouwvlak worden gerealiseerd en per bouwvlak is één agrarisch bedrijf met bedrijfswoning toegestaan. Het wonen in een bedrijfswoning is uitsluitend toegestaan voor het huishouden van een persoon wiens huisvesting ter plaatse, gelet op de bedrijfsvoering, noodzakelijk is. Burgerbewoning wordt uitgesloten in een bedrijfswoning. Conform de vigerende agrarische bestemming moet de aanwezige woning worden beschouwd als een agrarische bedrijfswoning waardoor bewoning door derden formeel is uitgesloten.
5
In het omgevingsplan is in artikel 3.8.5 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen door het College van Burgemeester en wethouders om de functie ‘Agrarisch met waarden’ te wijzigen in de functie ‘Wonen’. Deze wijzigingsbevoegdheid komt voort uit het voormalige bestemmingsplan. Met de inwerkingtreding van het Omgevingswet is deze wijzigingsbevoegdheid onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Hieronder wordt het initiatief getoetst aan de wijzigingsvoorwaarden.
Afbeelding 4. Uitsnede vigerende omgevingsplan met plangebied rood omlijnd
1.3.1 Toetsing aan wijzigingsvoorwaarden In artikel 3, lid 8, sub 5 van het omgevingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” is een bevoegdheid opgenomen om de functie ‘Agrarisch met waarden’ te wijzigen in de functie ‘Wonen’ mits wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden. In deze paragraaf wordt het initiatief getoetst aan deze voorwaarden. Voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 3.8.5 gelden de volgende voorwaarden: a. deze wijziging niet is toegestaan ter plaatse van de aanduidingen 'Overige zone - ontwikkelingsgebied glastuinbouw' en/of 'overige zone - ontwikkelingsgebied TOV; b. de agrarische bedrijfsuitoefening is beëindigd; c. er sprake is van een bedrijfscomplex dat redelijkerwijs niet (meer) bruikbaar is (gebleken) c.q. kan worden gemaakt voor eigentijdse agrarische bedrijfsvoering, dan wel een locatie waar voortzetting van de agrarische bedrijfsvoering ongewenst is in verband met de belasting van het milieu dan wel de ontwikkeling van nieuwe natuurwaarden; d. de landschappelijke, cultuurhistorische en/of architectonische waarden behouden blijven; e. door middel van een inrichtingsplan is aangetoond dat er sprake is van een kwaliteitsverbetering, waarbij zorg gedragen wordt voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing of landschappelijke compensatie; f.
overige niet tot de woonfunctie behorende gronden worden bestemd als 'Agrarisch met waarden' zonder bouwvlak; g. eventuele aanwezige teeltondersteunende voorzieningen en waterbassins behorende bij het (voormalige) agrarische bedrijf worden verwijderd en de bijbehorende aanduidingen worden verwijderd h. wonen uitsluitend is toegestaan in de bestaande bedrijfswoningen, waarbij het bestaande aantal bedrijfswoningen niet mag worden vergroot: i. in uitzondering op het voorgaande is splitsing van rijks- of gemeentelijke monumenten, van panden zoals opgenomen in Bijlage 7 Karakteristieke panden, dan wel karakteristieke panden die zijn aangewezen in door het bevoegd gezag vastgesteld cultuurhistorisch beleid, in meerdere woningen toegestaan, met dien verstande dat: 1. het aantal woningen na splitsing niet meer bedraagt dan 3; 2. de woningsplitsing noodzakelijk is in verband met het herstel of de verbetering van de te beschermen architectonische of cultuurhistorische waarden; 3. de bestaande inhoud van de woning c.q. het pand niet wordt vergroot en de uiterlijke kenmerken behouden dienen te blijven;
6
4.
j. k. l.
indien het een monumentaal of karakteristiek bebouwingscluster betreft woningsplitsing in het hele cluster is toegestaan, met dien verstande dat de karakteristiek van het cluster behouden blijft; 5. de woningen na splitsing elk een inhoud te hebben van minimaal 350 m3; 6. het bouwperceel per woning maximaal 1.000 m2 bedraagt; 7. de gezamenlijke oppervlakte van de vrijstaande bijgebouwen niet meer bedraagt dan 150 m2; 8. de te realiseren extra woning(en) binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma passen; 9. het bevoegd gezag de aanhef onder i kan wijzigen door het toevoegen of verwijderen van karakteristieke panden indien het gemeentelijk cultuurhistorisch beleid wordt gewijzigd of herzien. de wijziging niet mag leiden tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing; er vooraf schriftelijk advies dient te worden ingewonnen bij het waterschap en de Keur van het waterschap in acht genomen dient te worden; na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels van Artikel 21 van overeenkomstige toepassing zijn.
Aan deze voorwaarden wordt in dit geval voldaan. Hierna zal een toetsing en nadere motivatie plaatsvinden op de wijzigingsvoorwaarden: Ad.a. De locatie is niet gelegen binnen een glastuinbouwontwikkelingsgebied en is dan ook niet voorzien van een van deze aanduidingen. Ad.b. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn al geruime tijd beëindigd. Ad.c. Gezien de ligging van de locatie nabij diverse burgerwoningen, door de beperkte oppervlakte van het bouwvlak en door het ontbreken van landbouwpercelen is sprake van een complex dat niet meer bruikbaar is voor een agrarische bedrijfsuitoefening. Ad.d. In paragraaf 5.13 wordt het initiatief getoetst aan de landschappelijke, cultuurhistorische en architectonische waarden. In de directe nabijheid zijn geen landschappelijke, cultuurhistorische en architectonische waarden aanwezig die met de functiewijziging van de woning worden aangetast. Ad.e. Voor de locatie is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarmee is gewaarborgd dat de locatie op een passende wijze onderdeel uitmaakt van het omliggende landschap. Ad.f. Initiatiefnemers zijn voornemens om het agrarische bouwvlak van de locatie te verwijderen en een deel van de agrarische bestemming (circa 1.500 m2) te wijzigen in een woonbestemming met een nieuw bouwvlak.
De gronden die buiten de woonbestemming en het bouwvlak vallen blijven bestemd als ‘Agrarisch met waarden’ echter zonder bouwvlak. Ad.g. Op de locatie zijn geen teeltondersteunende voorzieningen of een waterbassin aanwezig. Ad.h. De locatie is reeds bebouwd met een bedrijfswoning waarvan initiatiefnemers de functie willen veranderen. Er is en blijft sprake van één woning. Ad.i. Deze voorwaarde is niet van toepassing doordat er geen sprake is van een woningsplitsing. Ad.j. In paragraaf 5 wordt het initiatief getoetst aan de omgevingsaspecten. Uit de toetsing blijkt dat het initiatief passend is in de omgeving en dat het initiatief niet leidt tot een aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing. Ad.k. Met onderhavig initiatief worden de regels uit de Keur van het waterschap Limburg in acht genomen. Het aspect ‘Water’ is nader toegelicht in paragraaf 5.9. Ad.l. Voor de locatie zijn de regels van de functie “Wonen’ conform artikel 21 van het vigerende omgevingsplan van toepassing verklaard. Op basis van de regels van de functie ‘Wonen’ mogen per woning maximaal 150 m2 aan bijgebouwen worden gerealiseerd met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'oppervlakte', waarvoor geldt dat de maximale oppervlakte per wooneenheid niet meer mag bedragen dan is aangeven.
In verband met de sloop van een deel van de agrarische bedrijfsbebouwing is in dit geval meer dan 150 m2 aan bijgebouwen toegestaan. Om te kunnen voldoen aan de regels van de functie ‘Wonen’ is in dit specifieke geval de aanduiding ‘oppervlakte: 274 m2’ opgenomen waarmee is gewaarborgd dat op deze locatie maximaal 274 m2 aan bijgebouwen is toegestaan.
7
2. HUIDIGE SITUATIE Swolgen lag oorspronkelijk in Opper-Gelre en maakte deel uit van het ambt Kessel, dat de Hertog van Gelre toebehoorde - en vanaf 1543 de Spaanse Koning als diens opvolger. De heerlijkheid zelf vormde vroeger bestuurlijk één geheel met Broekhuizenvorst en had een gezamenlijke schepenbank die onder voorzitterschap stond van de ambtman van Kessel. Bij de totstandkoming van het Koninkrijk der Nederlanden (1814) werd Swolgen hiervan onderdeel. Bij de Belgische onafhankelijkheidsstrijd (1830) koos dit gebied echter voor aansluiting met België en kwam het bij het vredesverdrag van London in 1839 bij de Duitse Bond, waar het in 1866 uit stapte. Sinds die tijd is Swolgen definitief in Nederland gelegen. Als doorgaande weg door Swolgen is de Mgr. Aertsstraat al duidelijk herkenbaar op oude kaarten. Hetzelfde geldt voor het kenmerkende open veld ten noorden van Swolgen “Op het Looijveld”. De zuidelijke grens van het open veld wordt gevormd door de watergang de Schelbergshof, die evenwijdig aan de Mgr. Aertsstraat stroomt. Op de topografische kaart uit 1900 concentreert de bebouwing zich nog uitsluitend bij de buurtschappen van Gun en Legert. Van de totstandkoming van het bebouwingslint aan de Mgr. Aertsstraat, en dus de groei van Swolgen, is pas later sprake. Oorspronkelijk werden aan de Mgr.
Aertsstraat voornamelijk agrarische bedrijven opgericht die landbouw bedreven op de omliggende agrarische gronden. Met de verdere groei van Swolgen is deze agrarische bedrijvigheid aan de Mgr. Aertsstraat steeds meer vervangen door woningen. De agrarische bedrijvigheid werd geconcentreerd aan de rand van het open veld, richting de al bestaande buurtschappen van Gun en Legert.
Afbeelding 5. Impressie buurtschap Legert in 1850
Afbeelding 6. Impressie buurtschap Legert in 1950
De legert betreft een oud buurtschap dat al sinds 1850 wordt bewoond. Het buurtschap heeft van oorsprong een agrarisch karakter. Het buurtschap bestond van oorsprong dan ook uit diverse soorten agrarische bedrijven. In de loop der jaren heeft de agrarische functie echter ruimte gemaakt voor de woonfunctie. De agrarische bedrijven zijn in de loop der jaren beëindigd waarbij de bedrijfswoningen in gebruik zijn genomen als burgerwoningen. Een deel van de voormalige (agrarische) bedrijfsbebouwing is vervolgens behouden als bijgebouw bij de woning. Momenteel heerst in de omgeving van het plangebied dan ook de woonfunctie.
8
3. BEOOGDE SITUATIE De locatie Legert 14 is al geruime tijd in eigendom van de initiatiefnemers, die hier voorheen hun agrarische bedrijfsactiviteiten ontplooiden. De initiatiefnemers zijn inmiddels op leeftijd en hebben de agrarische bedrijfsactiviteiten dan ook gestaakt en willen graag kleiner gaan wonen. De dochter van de initiatiefnemers heeft daarbij aangegeven dat zij graag de locatie van haar ouders wil overnemen om hier samen met haar vriend te gaan wonen. Initiatiefnemers zijn in dat kader voornemens om de locatie te verkopen aan de dochter en haar vriend. De locatie gaat dan ook over van ouders op dochter en schoonzoon zodat de woning en de locatie binnen de familie blijft. De initiatiefnemers willen de woning dan ook verkopen aan de dochter en haar vriend die hier vervolgens als burgers willen wonen. Willen dochter en vriend hier als burgers kunnen wonen dient de agrarische functie omgezet te worden naar een woonfunctie. Hiermee worden bedrijfsactiviteiten formeel beëindigd en voor de toekomst uitgesloten. Daarnaast wordt de bedrijfswoning feitelijk omgezet naar een burgerwoning. Initiatiefnemers zijn zodoende voornemens om de agrarische functie te wijzigen in een woonfunctie. In dat kader wordt het agrarische bouwvlak van de locatie verwijderd en hiervoor in de plaats wordt een deel van de locatie (circa 1.500 m2) voorzien van een woonfunctie met bouwvlak.
De rest blijft voorzien van een agrarische functie echter zonder bouwvlak. Het is daardoor niet meer mogelijk om op betreffende locatie nog agrarische bedrijfsactiviteiten te exploiteren.
Afbeelding 7. Impressie Legert 14 met rood het huidige agrarische bouwvlak wat initiatiefnemers willen verwijderen en met geel het beoogde woonperceel aangeduid
Initiatiefnemers zijn daarnaast voornemens om de woning te renoveren c.q. verbouwen en tevens te verduurzamen. De huidige woning heeft een inhoud van circa 850 m3. Initiatiefnemers zijn voornemens om tijdens de renovatie van de woning de woning tevens uit te breiden door aan de achterzijde een leefkeuken te realiseren (zie afbeelding 7 geel gearceerd). De leefkeuken zal uitkijken op het achterliggende erf en zal het woongenot van de initiatiefnemers vergroten. De leefkeuken zal een oppervlakte beslaan van circa 40 m2. Op basis van het vigerende omgevingsplan bedraagt de maximale inhoud van een woning 1.000 m3. Met de realisatie van de leefkeuken wordt de maximale inhoudsnorm niet overschreden.
9
Loods 1
Loods 2
Afbeelding 8. Impressie Legert 14 met beoogde uitbreiding van de woning geel gearceerd, te slopen loods rood gearceerd en te behouden loods groen gearceerd
De agrarische bedrijfslocatie is momenteel bebouwd met twee loodsen welke ten oosten en zuiden van de woning zijn gelegen. De oostelijke loods (hierna te noemen loods 1) beslaat een oppervlakte van 228 m2 en de zuidelijke loods (hierna te noemen loods 2) beslaat een oppervlakte van 293 m2. In totaal is binnen het plangebied 521 m2 aan legale voormalige agrarische bedrijfsgebouwen aanwezig. Op basis van het vigerende omgevingsplan zijn bij een woning maximaal 150 m2 aan bijgebouwen toegestaan. Voor het groter bouwen van woningen en bijgebouwen in het buitengebied is de beleidslijn “Maatwerknotitie bijgebouwen buitengebied” van toepassing. Op grond van dit beleid mag er meer dan 150 m² aan bijgebouwen worden gebouwd als er in de verhouding 1:3 ergens bijgebouwen worden gesloopt. Bij een woning mag maximaal 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken aanwezig zijn. Binnen het plangebied is 521 m2 aan legale voormalige agrarische bedrijfsgebouwen aanwezig. Bij iedere woning is 150 m2 aan bijgebouwen mogelijk. Voor de resterende 371 m2 (521 -150) geldt dat 1/3 (= 124 m 2 + 150 m2 = 274 m2) zonder bijdrage mag blijven staan. Dit wil zeggen dat er in dit specifieke geval maximaal 274 m2 aan bijgebouwen mogen worden gerealiseerd. Dit wordt middels onderhavig plan verankerd in de regels en op de verbeelding door het opnemen van de aanduiding ‘oppervlakte : 274 m2’.
Initiatiefnemers zijn voornemens om loods 1 te behouden en loods 2 te slopen. Op basis van de beleidsregel “Maatwerknotitie bijgebouwen buitengebied” mag op betreffende locatie maximaal 274 m2 aan bijgebouwen worden gerealiseerd. Hierdoor is het mogelijk om loods 1 te behouden en daarnaast hebben initiatiefnemers nog ruimte om een extra bijgebouw van 46 m2 te realiseren. Dit wensen initiatiefnemers op een ander moment terug te bouwen.
10
4. BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden de op het plangebied van toepassing zijnde beleidskaders behandeld. Rijk en provincie geven met het door hen gevoerde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het van toepassing zijnde Rijksbeleid. In de daaropvolgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 3.4 volgt ten slotte het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Horst aan de Maas.
4.1
Rijksbeleid
4.1.1 Nationale Omgevingsvisie Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en water robuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.
Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.
Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
11
1.
2.
3.
Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties.
Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt: ▪ Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; ▪ Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; ▪ Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; ▪ Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Alhoewel de NOVI zich niet specifiek uit laat over dergelijke kleinschalige initiatieven betreft het een initiatief waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en waarbij er geen sprake is van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat met het initiatief wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen. 4.1.2
Instructieregels Rijk (AMvB’s)
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels voor het omgevingsplan. Het grootste deel heeft betrekking op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (afdeling 5.1 Bkl). De instructieregels zijn van toepassing op het stellen van regels in het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de omgevingswet. Aan deze regels mogen geen economische motieven ten grondslag liggen, die leiden tot strijd met de dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl). Het Bkl bevat instructieregels voor de volgende hoofdonderwerpen: ▪ Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2); ▪ Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3); ▪ Beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; ▪ Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; ▪ Het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; ▪ Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart,
fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; ▪ Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en
12
rijkswegen. In enkele bijzondere gevallen kan het college van burgemeester en wethouders de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Instructieregels van afdeling 5.1 Bkl gelden, zoals gezegd, alleen voor de omgevingsplanregels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het grootste deel van de Bkl-instructieregels is dus niet van toepassing op omgevingsplanregels met een ander oogmerk. Over de onderwerpen waarvoor het Bkl geen instructieregels heeft opgenomen (onderwerpen die buiten het toepassingsbereik van de instructieregels vallen) is de gemeente vrij om regels te stellen, mits dat past binnen de andere kaders natuurlijk. Het Rijk hanteert verschillende typen instructieregels, die meer of minder afwegingsruimte bieden: 1. Betrekken bij: de gemeente moet aandacht schenken aan feiten of verwachtingen over feiten, maar heeft daarbij veel keuzeruimte; 2. Rekening houden met: deze formulering stuurt inhoudelijk de belangenafweging; als de gemeente daar goede redenen voor heeft, is afwijken gemotiveerd toegestaan; 3. In acht nemen of een vergelijkbare dwingende formulering: de gemeente moet zich bij de uitoefening van de bevoegdheid aan de achterliggende norm houden.
Een belangrijke verbeterdoelstelling van de Omgevingswet is dat decentrale overheden meer bestuurlijke afwegingsruimte krijgen. Deze afwegingsruimte is in de instructieregels van het Bkl vormgegeven door voor een aantal thema´s (geluid, geur en trillingen) standaardwaarden en grenswaarden op te nemen. Overname van de standaardwaarde kan in beginsel zonder aanvullende motivering. Gebruikmaking van de ruimte tussen standaard- en grenswaarde vergt wel een aanvullende motivering. Samenvattend is de afwegings- of beslisruimte afhankelijk van: 1. het type instructieregel (zie hierboven); 2. de aard van de norm (open of gesloten); en 3. flexibiliteitsopties die binnen de instructieregel worden geboden. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) Als het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor een bepaalde activiteit geen regels stellen, heeft de gemeente in principe de beleidsvrijheid om in het omgevingsplan daar zelf regels over te stellen.
Daarbij gelden uiteraard grenzen: ▪ het moet de fysieke leefomgeving betreffen; ▪ als het al uitputtend geregeld in wetgeving die niet opgaat in de Omgevingswet, kan het niet in het omgevingsplan geregeld worden, tenzij het met een ander oogmerk gebeurt; ▪ de instructieregels van het Bkl kunnen bepalen dat voor een bepaald onderwerp regels moeten worden gesteld in het omgevingsplan en daarbij ook hoe. Als het Bal of Bbl voor bepaalde activiteiten of bouwwerken wel regels stellen, in het mogelijk dat er maatwerkregels worden opgenomen in het omgevingsplan. Maatwerkregels zijn gebiedsgerichte algemene regels in het omgevingsplan waarmee wordt afgeweken van Bal- of Bbl-regels. Bij de regels uit het Bal is generiek maatwerk mogelijk, tenzij er specifieke uitzonderingen worden aangegeven. Bij de regels in het Bbl is dat andersom: maatwerkregels zijn alleen mogelijk als dat specifiek wordt toegestaan. Als maatwerkregels mogelijk zijn, geven Bal en Bbl aan binnen welke grenzen daarmee kan worden afgeweken of nader worden ingevuld ten opzichte van de Bal-/Bbl-regels. De gemeente heeft op grond van het Bal en Bbl vaak ook de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften landen niet in het omgevingsplan, maar zijn afzonderlijke besluiten die gericht zijn tot één initiatiefnemer.
Toch zijn ook verleende maatwerkvoorschriften van belang bij het opstellen van het omgevingsplan. In ieder geval moet de gemeente, bij het beoordelen of maatwerkregels zullen worden gesteld, ook nagaan of over het betreffende onderwerp al eerder maatwerkvoorschriften zijn gesteld. Die maatwerkvoorschriften kunnen mogelijk worden geïntegreerd in de maatwerkregels, en dan (na inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan) worden ingetrokken. Met name als er voor een bepaald onderwerp in het verleden
13
veel maatwerkvoorschriften zijn gesteld, is het aan te raden om te bekijken of maatwerkregels in het omgevingsplan niet tot een evenwichtiger en toekomstbestendiger resultaat kunnen leiden. 4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Conform artikel 5.129g Bkl geldt dat bij een wijziging van het omgevingsplan en buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de ladder van toepassing is, dit om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen. De ladder is uitsluitend van toepassing als een ‘stedelijke ontwikkeling’ wordt gerealiseerd. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 april 2016, zaak nr. ECLI:NL: RVS:2016:1075), is een planologische functiewijziging geen stedelijke ontwikkeling. Hiervan is met onderhavig initiatief sprake. Onderhavig initiatief heeft immers betrekking op een functiewijziging van een bestaande woning. Er hoeft in het kader van dit initiatief dan ook niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden.
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten de Provinciale Omgevingsvisie Limburg, met bijbehorend m.e.r vastgesteld. De Provinciale Omgevingsvisie is per 25 oktober 2021 in werking getreden. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het voormalige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg’ (POL2014). In de Omgevingsvisie wordt de lange termijnvisie (2030-2050) beschreven. Er wordt continue gezocht naar de goede balans tussen beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingsvisie komen vraagstukken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen. Daarnaast komen er ook autonome vraagstukken aan bod die van groot provinciaal belang zijn. Het Rijnlands model, dat staat voor overleg en samenwerking, solidariteit en vakmanschap en dat zich richt op de lange termijn, op waarden als kwaliteit en geluk, is hierbij het uitgangspunt. Het document is dynamisch en flexibel, dit biedt mogelijkheden om het document te actualiseren met het oog op (eventuele) toekomstige veranderingen. In de Provinciale Omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied; Zowel in de stedelijke centra als in de landelijke kernen liggen er diverse uitdagingen.
In stedelijke centra heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid. Limburg is rijk aan volkscultuur en tradities en heeft een rijk verenigingsleven. Hoewel sociale verbanden zoals verenigingen vroeger vanzelfsprekend waren, staan deze nu steeds meer onder druk. Er zijn daarnaast uitdagingen op het gebied van de verbetering en verduurzaming van de woningvoorraad, de toegankelijkheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen en het klimaatbestendig maken van de bebouwde omgeving. Ook kent het bebouwd gebied opgaven met betrekking tot de arbeidsmarkt en ruimte voor bedrijvigheid. b. In landelijk gebied; Limburg kent een uniek landschap en prachtige natuurgebieden. Dit is niet vanzelfsprekend. In het landelijk gebied ligt de nadruk op uitdagingen die te maken hebben met onder meer klimaatadaptatie, de transitie van de landbouw, de inpassing van energie en het zoeken van de balans tussen natuur(behoud), ruimtelijke kwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen. Daarnaast zijn schaalvergroting en leegstand van agrarische bebouwing, toeristisch-recreatief (mede)gebruik, biodiversiteit, stikstof en (grond)waterkwaliteit belangrijke thema’s.
14
2.
3.
Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie; Tot 2020 groeit het aantal banen in Limburg. De welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau nemen toe, maar niet voor iedereen. Hoewel de werkloosheid gelijk is aan het landelijk gemiddelde (peildatum 2019, 3e kwartaal), is de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag. In sectoren als de bouw, horeca en toerisme, zorg en ICT wordt een krapte op de arbeidsmarkt ervaren. Demografische ontwikkelingen maken dat de beroepsbevolking slinkt en het aantal ouderen toeneemt. Een bijzonder punt van zorg is de groeiende maatschappelijke tweedeling die zich ook fysiek uit in de vorm van de ruimtelijke concentratie van kwetsbare groepen. Samen met het verhogen van de arbeidsparticipatiegraad en het aantrekken van internationale werknemers kunnen ontwikkelingen als digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten – onder meer als gevolg van demografische ontwikkelingen – tegengaan. Klimaatadaptieve en energietransitie; Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Dit brengt uitdagingen en veiligheidsoverwegingen, maar ook kansen met zich mee. Bijvoorbeeld het koppelen van thema's.
Deze klimaatontwikkelingen hebben invloed op onze voedselvoorziening, de leefbaarheid, gezondheid en de natuur. Ook verandert de komende jaren de energievoorziening in Nederland fors. Deze energietransitie zal ook een grote impact hebben op de woon- en leefomgeving in Limburg. Energiebesparing in industrie, landbouw, woningen en mobiliteit én het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, zijn hierbij uitdagingen met impact op de omgeving.
De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: ▪ Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; ▪ Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad.
Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Samen met hun partners wil de provincie een voortreffelijk woon- en leefomgeving realiseren; een leefomgeving waar mensen zich prettig voelen. Het is belangrijk dat mensen kunnen wonen in een zelfgekozen woning en woonomgeving (die past bij hun mogelijkheden en levensfase) waar ze zich thuis voelen.
15
Dit doet de provincie door toe te werken naar een toekomstbestendige Limburgse woningmarkt met voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek, die waar mogelijk op het juiste moment beschikbaar én betaalbaar zijn. De provincie faciliteert daarbij flexibiliteit op de woningmarkt én stimuleert flexibele woonvormen waardoor aan de veranderende woonwensen en –behoeften van een diversere groep mensen tegemoetgekomen kan worden, in zowel de bestaande bouw als nieuwbouw. In de POVI geeft de provincie aan dat ze alle woonwensen willen vervullen, waarbij een voortreffelijke woon- en leefomgeving leidend zijn. In de POVI geeft de provincie aan dat ze alle woonwensen willen vervullen, waarbij een voortreffelijke woon- en leefomgeving leidend zijn. Door middel van onderhavig initiatief wordt een agrarisch bedrijf beëindigd wat in het algemeen bijdraagt aan een beter woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de woonwensen van initiatiefnemers ingewilligd, zonder daarbij fysiek een nieuwe woning te realiseren. Het initiatief voldoet daarmee aan de provinciale beleidskaders, zoals gesteld in het POVI. 4.2.2 Omgevingsverordening 2021 Op 17 december 2021 hebben Provinciale Staten de Omgevingsverordening Limburg vastgesteld. In de Omgevingsverordening Limburg staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte.
Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening, die grofweg twee typen regels bevat: ▪ Instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; ▪ Regels voor activiteiten die rechtstreeks voor eenieder gelden of voor specifieke doelgroepen. De volgende regels uit de Omgevingsverordening 2021 zijn in dit geval van toepassing: ▪ Groenblauwe mantel; ▪ Bufferzones grondwaterafhankelijke natuur; ▪ Wonen, werken en recreëren. Groenblauwe mantel In de Omgevingsverordening is opgenomen dat in de Groenblauwe mantel inzichtelijk moet worden gemaakt wat de betekenis van een ontwikkeling in een ‘plangebied’ is voor de natuurwaarden in aangrenzende gebieden van het Natuurnetwerk Limburg. De provincie geeft daarbij aan dat het belangrijk is dat dit niet meer is dan een motiveringsplicht en geen gebodsbepaling. De verwachting is dat deze motiveringsplicht in veel situaties weinig extra inspanning (motivering) vergt omdat verbindings- of bufferfuncties niet geraakt worden. Het plangebied is gelegen in een beekdal en ligt binnen een gebied dat is aangewezen als ‘Groenblauwe mantel’ derhalve is een motiveringsplicht benodigd.
In het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg kaart 4 worden de verschillende landschapstypen ruimtelijk geduid en in hoofdstuk 4 worden de kernkwaliteiten groene karakter (landschapsecologie/natuurlijk), visueel-ruimtelijke karakter, cultuurhistorisch erfgoed en reliëf van de diverse landschapstypen beschreven. Tevens wordt per landschapstype inspiratie gegeven voor een gewenste ontwikkelingsrichting. Bij de beschrijving van de verschillende landschapstypen wordt min of meer uitgegaan van het ideaaltype. In werkelijkheid zullen uitzonderingen voorkomen die met aanvullend (veld)onderzoek uitgewerkt kunnen worden. De kernkwaliteit cultuurhistorisch erfgoed heeft in het Landschapskader vooral betrekking op historische geografie. Daarom zijn voor deze kernkwaliteit een aantal generieke aspecten toegevoegd. Omdat de kernkwaliteit reliëf in het Landschapskader niet altijd specifiek uitgewerkt is, is een aantal generieke aspecten toegevoegd.
16
De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de groenblauwe mantel, bevat een beschrijving van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Blijkens de bij het Landschapskader behorende kaart wordt het landschap ter plaatse van het plangebied aangeduid als ‘beekdal’. Beekdal Binnen de beekdalen bestaat een grote differentiatie van allerlei typen beken (beken met nog een natuurlijke loop, rechtgetrokken beken, aangelegd in moeraszones, in Maasmeanders etc.). Daarnaast kan per beek nog een bovenloop, middenloop en ene benedenloop onderscheiden worden. Belangrijker echter dan al deze verschillen zijn de overeenkomsten tussen de verschillende beken in Noord- en Midden-Limburg. Dit is de bijzondere structurerende werking, met name binnen de dekzandgebieden tussen de Peel en maas. Hier liepen en lopen de belangrijkste watergangen met de bijbehorende afzettingen. Deze watergangen spelen een belangrijke rol bij de waterhuishouding van het gebied. Dit zijn dan ook de uitgelezen plekken om de verdrogingsproblematiek (deels) op te lossen door hier water vast te houden en vertraagd af te voeren. De beekdalen zijn belangrijke structuurdragers van het landschap, met name op de zandgronden.
Als gevolg van latere egaliseringen, ontwateringen en ontginningen zijn de beekdalen echter in veel gevallen nauwelijks herkenbaar. Een typisch beekdal wordt gekenmerkt door een halfopen kleinschalig landschap met afwisselend hooilanden, weilanden, bosjes en kleine landschapselementen. In het beekdal bevindt zich meestal weinig tot geen bebouwing. Daar waar de karakteristieke kleinschaligheid bewaard is gebleven, is het landschap visueel-ruimtelijk nog aantrekkelijk en waardevol. Binnen het beekdal wordt voornamelijk gericht op het ontwikkelen van de beekdalen tot herkenbare, structurerende elementen in het landschap. Er wordt dan voornamelijk ingezet op natuurontwikkeling (in de vorm van ruigten, EikenEssenbos of Elzenbos) en het ontwikkelen van lineaire landschapselementen loodrecht op de beek, beek begeleidende beplanting en de aanleg van poelen en bosjes. Bebouwing is het beekdal is niet wenselijk en moet zo mogelijk worden verwijderd. Doorwerking plangebied Het voornemen bestaat om een agrarische bedrijfslocatie te saneren en de aanwezige bedrijfswoning om te zetten naar een burgerwoning. Daarnaast wordt een deel van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt wat positief bijdraagt aan de onstening van het buitengebied en het beekdal. De beoogde ontwikkeling tast de landschapskarakteristiek van de het beekdal dan ook niet aan.
Bij een ontwikkeling in de groenblauwe mantel moet het landschap er in ieder geval op vooruit gaan. De locatie wordt landschappelijk ingepast en vormt daarmee een mooi geheel met het omliggende landschap. Met het initiatief wordt dan ook geen afbreuk gedaan aan het beekdal en de groenblauwe mantel. Bufferzones grondwaterafhankelijke natuur; Artikel 4.4 Verboden en vergunningplichtige grondwateronttrekkingen 1. De waterschapsverordening bepaalt dat het in de bufferzone grondwaterafhankelijke natuur verboden is zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken. 2. De waterschapsverordening bepaalt dat buiten de bufferzone grondwaterafhankelijke natuur, het verboden is zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken met een capaciteit van meer dan 10 m3 per uur voor andere doeleinden dan beregening en bevloeiing in de landbouw. 3. De waterschapsverordening bepaalt dat in het gebied ten noorden van de Feldbiss en de Eerste Noord-Oost Hoofdbreuk buiten een bufferzone grondwaterafhankelijke natuur verboden is zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken met een capaciteit van meer dan 10 m3per uur voor beregening en bevloeiing in de landbouw. 4. De waterschapsverordening bepaalt dat het in de boringsvrije zone Roerdalslenk beneden de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei verboden is zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken of water te infiltreren.
17
5. 6. 7.
De waterschapsverordening bepaalt dat het in de boringsvrije zone Venloschol dieper dan vijf meter boven NAP verboden is zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken of water te infiltreren. Ten aanzien van de grondwateronttrekkingen bedoeld in het tweede en derde lid, mag de waterschapsverordening in plaats van een omgevingsvergunning bepalen dat algemene regels in acht moet worden genomen. Als in de waterschapsverordening het zesde lid wordt toegepast bevat de waterschapsverordening een bepaling dat ten aanzien van de betreffende grondwateronttrekkingen het dagelijks bestuur van het waterschap maatwerkvoorschriften kan stellen.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van bodemingrepen en/of het onttrekken van grondwater. Het initiatief betreft slechts het functioneel wijzigen van een bestaande woning. Het initiatief voldoet daarmee aan de regels voor bufferzones grondwaterafhankelijke natuur. Wonen, werken en recreëren In de Omgevingsverordening is opgenomen dat de motivering bij een plan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat: a. Rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. Sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk behoefteonderzoek; c. Over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d. Het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in Afdeling 14.5; e. Realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen.
Onderhavig initiatief voorziet niet in de realisatie van één of meerdere woningen maar in de omzetting van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Onderhavig initiatief is hierboven getoetst aan het rijksbeleid en het provinciaal beleid en wordt hieronder getoetst aan het regionale en gemeentelijk beleid. Uit de toetsing blijkt dat het omzetten van een bedrijfswoning naar burgerwoning op deze locatie passend is. Conclusie Het initiatief is passend binnen de Omgevingsverordening 2021.
4.3
Regionaal beleid
4.3.1 Regionale structuurvisie wonen Noord-Limburg De gemeente Horst aan de Maas heeft samen met de andere gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Bergen, Gennep, Mook en Middelaar, Peel en Maas, Venray en Venlo en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt. In 2016 resulteerde dit in de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’. Ondertussen is op 22 september 2020 de geactualiseerde ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ vastgesteld. Hierbij dienen de huishoudprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten: ▪ Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; ▪ Gekeken dient te worden naar koppelkansen; ▪ Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot; ▪ Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte;
18
▪ ▪
De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen.
Aanvullend is daarnaast in de Regionale Woonvisie tevens opgenomen dat: ▪ Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. ▪ Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. ▪ Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. ▪ Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen. Middels onderhavig initiatief wordt een bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. De behoefte aan de woning is niet direct af te leiden uit de Regionale Woonvisie, maar blijkt wel uit het feit dat de dochter van de initiatiefnemers samen met haar vriend de woning wil gaan bewonen.
De woning wordt niet specifiek ingericht voor starters of ouderen maar voorziet in de woningbehoefte van de initiatiefnemers, die in dat kader kleiner kunnen gaan wonen en in de woningbehoefte van hun dochter en haar vriend die graag in een ruime woning welke is gelegen in het rustige buitengebied van Swolgen willen gaan wonen. Het initiatief vervult dan ook de woonwensen van de initiatiefnemers en hun dochter en schoonzoon zonder daarbij fysiek een woning te realiseren.
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1 Structuurvisie Horst aan de Maas In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn gemeenten verplicht om, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, een structuurvisie vast te stellen voor het gehele grondgebied van de gemeente. Onder de Omgevingswet is het vast stellen van een omgevingsvisie verplicht. De (ontwerp)Omgevingsvisie Horst aan de Maas zal naar verwachting in 2024 ter inzage gaan. Tot die tijd geldt de structuurvisie. Een structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van een gebied, evenals de hoofdlijnen van het door de gemeente te voeren beleid. De gemeente Horst aan de Maas heeft haar regie op de uitvoering van het ruimtelijk beleid vormgegeven in de Structuurvisie Horst aan de Maas. De structuurvisie biedt het kader voor de gemeente om uitspraken te doen over de wenselijkheid van (ruimtelijke) ontwikkelingen. Het gemeentelijke grondgebied is om die reden ingedeeld in diverse deelgebieden. Het plangebied is gelegen in deelgebied 5A ‘Agrarisch gebied rondom Meerlo’. De structuurvisie ziet niet toe op het omzetten van bedrijfswoningen naar burgerwoningen. Daarbij wordt tevens aangegeven dat een kwaliteitsbijdrage niet aan de orde is voor het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Met onderhavig initiatief is sprake van het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning.
De locatie is geschikt voor de functiewijziging van de woning omdat er geen negatieve consequenties zijn voor omliggende (bedrijfs) functies en aan alle eisen uit milieukundig oogpunt wordt voldaan. Daar het aantal woningen ter plaatse niet wijzigt en het bouwvlak aanzienlijk wordt verkleind, worden de bouwmogelijkheden ter plaatse ingeperkt. Het initiatief is daarmee passend in de Structuurvisie Horst aan de Maas.
19
4.4.2 Maatwerknotitie bijgebouwen buitengebied Voor het groter bouwen van woningen en bijgebouwen in het buitengebied is de beleidslijn “Maatwerknotitie bijgebouwen buitengebied” van toepassing. De gemeenteraad heeft dit beleid op 7 februari 2012 vastgesteld. Op dit moment geldt voor woonbestemmingen in het buitengebied dat woningen niet groter mogen zijn dan 1.000 m³ (hoofdgebouw) met een bijgebouw van maximaal 150 m². Op grond van dit beleid mag er meer dan 150 m² aan bijgebouwen worden gebouwd als er in de verhouding 1:3 ergens bijgebouwen worden gesloopt (de te slopen bijgebouwen dienen wel legaal te zijn). De volgende regels zijn puntsgewijs van toepassing: ▪ Het is altijd toegestaan om bijgebouwen op te richten tot 150 m2; ▪ Bijgebouwen mogen in het buitengebied behouden blijven (of teruggebouwd worden) tot een maximaal oppervlak van 600 m2; ▪ Sloop uit het verleden (tot maximaal 5 jaar geleden) mag meetellen voor het mogen terugbouwen van bijgebouwen tot een maximum van 600 m2; ▪ De hoofdregel is dat 2/3 gesloopt moet worden. ▪ Sloop elders telt niet mee voor het bouwen van extra bijgebouwen. De locatie is in de huidige situatie bebouwd met een woning en de volgende agrarische bedrijfsbebouwing: ▪ Een loods met een oppervlakte van 228 m2; ▪ Een loods met een oppervlakte van 293 m2.