06A.h11 Bijlage 11 Programma van eisen archeologie
Tekst van het document
7
UITWERKING EN CONSERVERING
Na einde veldwerk wordt er een evaluatierapport opgesteld met de eerste bevindingen. Dit verslag bevat eveneens een voorstel voor de inrichting van de uitwerking en rapportage. Pas na goedkeuring van het evaluatierapport door de bevoegde overheid en/of diens adviseur kan de uitwerking aanvangen. Indien een doorstart naar een opgraving zal plaatsvinden vanwege de aanwezigheid van
PvE 15680.005 versie D
Pagina 15 van 25
crematiegraven, zal in een oplegblad bij dit PvE worden omschreven hoe crematiegraven dienen te worden geanalyseerd, met inbegrip van crematies, en gepubliceerd in het standaardrapport. 7.1
Structuren, grondsporen en vondstspreidingen
• De structuren en grondsporen worden zodanig uitgewerkt dat de vraagstelling kan worden beantwoord. • De analyse van de sporen is gericht op het herkennen van structuren, het toekennen van een betekenis aan de individuele sporen en/of structuren, het vinden van patronen in de materiële cultuur en het dateren van de betreffende sporen. • Beschrijving structuren en grondsporen: - verspreiding en diepteligging t.o.v. NAP; - beschrijving aard, fysieke kwaliteit en ouderdom (zo mogelijk). • De aangetroffen lagen, grondsporen en structuren dienen per periode te worden beschreven. De mate van uitwerking dient te zijn afgestemd op de beantwoording van de vraagstellingen. Tevens dienen de lagen, grondsporen en structuren te worden meegenomen in de interpretatie en in de conclusie(s). • Alle sporen en structuren worden afgebeeld op een allesporenkaart voorzien van het landelijke coördinatengrid en topografie. Daarnaast wordt per periode een overzichtskaart gemaakt van alle sporen en structuren. • De allesporenkaart is leesbaar voorzien van alle uitgedeelde spoor- en laagnummers. 7.2
Analyse aardewetenschappelijke gegevens
De aardwetenschappelijke analyse dient te worden uitgevoerd door de fysisch-geograaf of een Senior KNA-archeoloog met voldoende ter zake doende landschappelijke kennis en worden vermeld in de rapportage. De veldgegevens van het vlak en de profielen moeten uitgewerkt worden in tekeningen en kaarten met een overzichtelijke codering conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). De bodemlagen moeten duidelijk worden aangegeven in de profielen. In het rapport wordt beargumenteerd, indien mogelijk, wanneer is gestart met het opwerpen van het plaggendek en tot wanneer de plaggen zijn opgebracht. 7.3
Anorganische artefacten
• De primaire vondstverwerking bestaat uit het wassen van vondsten, het administreren van de vondsten per vondstnummer en het scheiden in verschillende materiaalcategorieën. • De anorganische artefacten dienen te worden uitgewerkt tot op het niveau dat nodig is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen. • Aardewerk: determinatie per periode, eventueel op type. • Natuursteen: determinaties op gesteentesoort en op werktuig/gebruikstype. • Metaal: op metaalsoort, zo mogelijk op artefacttype en periode. • Vondsten uit de bouwvoor en losse vondsten van de stort of het vlak worden oppervlakkig bekeken en slechts bij bijzondere vondsten en vondsten die indicatief kunnen zijn voor een (verstoorde) vindplaats nader beschreven en geanalyseerd. • Bij bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de bevoegde overheid voordat de verdere uitwerking ter hand genomen wordt. • Vondsten worden beschreven conform het Archeologisch Basis Register (ABR). De vondsten worden per materiaalcategorie beschreven en gewaardeerd. Wanneer een doorstart naar een opgraving heeft plaatsgevonden, behoren vondsten te worden geanalyseerd.
PvE 15680.005 versie D
Pagina 16 van 25
• Bijzondere vondsten worden door een specialist bekeken. • Niet te determineren metaalklompen of klompen van metaaloxide die in een archeologische context worden gevonden, worden geröntgend ten behoeve van de determinatie, selectie (i.v.m. mogelijke conservering) en screening van de inhoud. • De vondsten worden tijdelijk dusdanig opgeslagen dat de kwaliteit van het materiaal niet achteruit gaat. 7.4 •
•
• • • •
7.5 •
• •
• •
7.6
Organische artefacten Organische artefacten worden door specialisten geanalyseerd tot op het niveau dat noodzakelijk is om de vraagstelling uit het PvE te beantwoorden. • Bewerkt hout (artefacten en constructiehout): determinatie op houtsoort, artefacttype, beschrijving van bewerkingssporen, eventueel datering. • Bot: determinatie op diersoort, botelement, artefacttype, eventueel datering. Bij bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid voordat de verdere uitwerking ter hand genomen wordt (voor een verwachting van de gangbare vondsten zie bijlage 1). Vondsten worden beschreven conform het Archeologisch Basis Register (ABR). Vondsten worden beschreven en geanalyseerd. De vondsten worden tijdelijk dusdanig opgeslagen dat de kwaliteit van het materiaal niet achteruit gaat. In geval van het aantreffen van bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de bevoegde overheid voordat de verdere uitwerking ter hand genomen wordt (evaluatierapport). Archeozoölogische en -botanische resten Voor de specifieke eisen die aan de uitwerking archeozoölogische en botanische resten worden gesteld, wordt verwezen naar de KNA versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018).
In aanvulling daarop, wanneer het voor het onderzoek relevant is, worden van dateerbare (grond)sporen met mogelijk goed geconserveerd archeologisch materiaal en van relevante vondstlagen (bijvoorbeeld uit beerputten) monsters genomen voor botanisch, 14C, dendrochronologisch en paleo-ecologisch onderzoek. Van de kwalitatief goede grondmonsters zal een specialist samen met de Senior KNA Archeoloog de monsters scannen op potentie in relatie tot de beantwoording van de vraagstelling. Na afloop van het veldwerk zal in overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid worden vastgesteld welke monsters dienen te worden geanalyseerd. Analyse dient zich primair te richten op het verkrijgen van antwoorden op de boven verwoorde onderzoeksvragen. De materiaalanalyses worden uitgevoerd door specialisten met aantoonbare ervaring op het gebied van botanische resten en/of archeozoölogische resten uit de aangetroffen perioden. Het specialistenrapport dient (integraal) in de standaardrapportage te worden opgenomen en geïntegreerd te worden in beantwoording van onderzoeksvragen en synthese van het onderzoek. Beeldrapportage (objecttekeningen, foto’s, kaarten e.d.)
De beeldrapportage van de uitwerking bestaat (minimaal) uit de volgende afbeeldingen: • Uitsnede topografische kaart met het onderzoeksgebied. • Kaarten met de ligging van het onderzoeksgebied en de belangrijkste structuren en grondsporen. • Allesporenkaart (ASK), weergegeven per periode. • Eventueel structuurtekeningen van hout- of steenbouw
PvE 15680.005 versie D
Pagina 17 van 25
• Eventueel coupe-/profieltekeningen en/of foto’s. • Tekeningen en/of foto’s van de belangrijkste vondsten (na overleg met en goedkeuring van de bevoegde overheid). • Toevoegen indien relevant: Een afbeelding van het onderzoeksgebied met daarop weergegeven de zones die in aanmerking komen voor behoud in situ/vervolgonderzoek en/of vrijgave.
8 8.1
RAPPORTAGE Uitvoeringsperiode uitwerking; opleveringstermijn (concept)eind-/evaluatierapport
• Uiterlijk zes weken na einde veldwerk dient een evaluatierapport over de eerste bevindingen ter beoordeling aan de bevoegde overheid te worden aangeleverd. In dit rapport wordt ingegaan op de voorlopige resultaten, de aantallen vondsten en is voorzien van een allesporenkaart. Indien besluiten dienen te worden genomen over de inrichting en omvang de uitwerking van bijvoorbeeld monsters en vondstcategorieën dan dient het evaluatieverslag hiervoor een duidelijk voorstel te omvatten. Er kan niet met de uitwerking worden begonnen zonder goedkeuring van de bevoegde overheid op het evaluatieverslag. • Binnen 12 weken na einde van het veldwerk of de goedkeuring van het evaluatierapport door de bevoegde overheid dient een conceptrapport te worden opgeleverd aan de opdrachtgever en de bevoegde overheid, wanneer het onderzoek beperkt blijft tot een proefsleuvenonderzoek. Van deze planning kan in overleg worden afgeweken, in het bijzonder wanneer analyse van vondstmateriaal meer tijd vraagt of wanneer een doorstart naar een opgraving heeft plaatsgevonden.. 8.2
Procedure toetsing standaardrapport door de bevoegde overheid
Opdrachtgever en de bevoegde overheid ontvangen ieder één exemplaar van het conceptrapport ter keuring. De op- en aanmerkingen van beide partijen dienen te worden verwerkt en leiden tot de definitieve versie van het rapport. 8.3
Inhoud standaardrapport
Het rapport dient minimaal de volgende onderdelen te bevatten. • Een korte samenvatting van de resultaten van het voorgaand onderzoek. • Een paragraaf waarin staat vermeld wat voor soort plan het betreft, welke ontwikkelingen er gaan plaatsvinden en tot welke diepte verstoring gaat plaatsvinden en in welke fase van de planprocedure het plan zich bevindt. • Een overzichtskaart - met landelijke coördinaten - met de begrenzingen van het onderzoeksgebied (minimaal 1:25.000). • Een gedetailleerde (overzichts)kaart - met landelijke coördinaten - met de ligging van de proefsleuven (en de eventuele opgraving), waarop de hoofdstructuren van de archeologische sites herkenbaar staan aangegeven. • Een kaart van het onderzoeksgebied waarop: o het areaal van de archeologische sites staat aangegeven (indien van toepassing) o het areaal van verstoorde bodemprofielen in het onderzoeksgebied staat aangegeven (indien van toepassing) • Een paragraaf met (verantwoording) methode en technieken. • Een paragraaf met de vraagstelling en de doelstelling van het archeologisch onderzoek.
PvE 15680.005 versie D
Pagina 18 van 25
• Een paragraaf over eerder gedane archeologische vondsten in het onderzoeksgebied of in de nabijheid van het onderzoeksgebied. • Een paragraaf over de fysische-geografie van het onderzoeksgebied. • De resultaten van het onderzoek dienen te worden geleverd in de vorm van een standaardrapport inclusief vlaktekeningen (zie hieronder) en indien noodzakelijk profieltekeningen, vondstenlijsten (zie hieronder), sporenlijsten (zie hieronder) en monsterlijsten. • De vlaktekeningen van de proefsleuven - met landelijke coördinaten - waarop de grondsporen (uitgesplitst naar periode) herkenbaar staan afgebeeld inclusief hun nummer. • Relevante coupetekeningen en/of foto’s. • De vondstenlijst waarin per archeologisch artefact (AF) staat aangegeven: 1. het spoor waarin het AF is aangetroffen, 2. de conserveringstoestand van het AF (verbrand, vorst schade, geërodeerd, etc.), 3. de determinatie, 4. de datering van het AF en 5. een beschrijving van het AF (l. x b. x h., baksel/materiaal, versiering, bewerkingssporen, etc.). • De sporenlijst waarin staat aangegeven: 1. het soort spoor, 2. de (conserverings-)toestand van het spoor, 3. de datering van spoor en 4. welke vondstnummers er in aanwezig zijn.
• Een paragraaf van vindplaatsbeschrijvingen met daarin in ieder geval de volgende thema’s: de omvang en ligging, de datering, de vondstomstandigheden, de aard van de vondsten, de conservering en de diepteligging. • Tekeningen en/of foto’s van de belangrijkste vondsten. • De eventuele beperkingen van de toegepaste methode. • Een paragraaf met de antwoorden op de onderzoeksvragen • Een waardering van de nieuwe sites volgens de KNA versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). • Een paragraaf met conclusies en aanbevelingen ten aanzien van mogelijk vervolgonderzoek. 8.4
Kwaliteit
• De auteurs zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van de rapportage. • Het archeologische onderzoek vindt plaats op basis van zorgvuldigheid, betrouwbaarheid, controleerbaarheid en maatschappelijk integer handelen. • Aanbevelingen en waardeoordelen van de auteurs zijn onafhankelijk ten opzichte van alle partijen en niet onderhevig aan goedkeuring van de opdrachtgever en/of de bevoegde overheid. • De opdrachtgever kan geen eisen stellen of beperkingen opleggen aan de inhoud, de conclusies en de aanbevelingen. • De bevoegde overheid kan alleen verbeteringen eisen bij aantoonbare tekortkomingen in de wetenschappelijke kwaliteit van de verslaglegging. Wanneer toetsende overheid en auteur tot verschillende conclusies komen, worden beide met wetenschappelijke argumentatie in het eindrapport weergegeven. 8.5
Verschijning en oplage standaardrapport en/of specialistisch deelrapport
• Het rapport wordt uitgegeven door de uitvoerende instantie en in de huisstijl van deze instantie. • Van het conceptrapport wordt één exemplaar aan de opdrachtgever geleverd en één exemplaar aan de bevoegde overheid. De opdrachtgever wordt in de gelegenheid gesteld commentaar te leveren op de rapportage. De bevoegde overheid zal het rapport toetsen aan het PvE, evaluatierapport en de KNA 4.1 (d.d. 24 mei 2018).
PvE 15680.005 versie D
Pagina 19 van 25
• Na verwerking van eventuele op- of aanmerkingen wordt het definitieve rapport opgeleverd. • De rapportage wordt uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van opmerkingen door de bevoegde overheid definitief opgeleverd. Van deze planning kan in overleg worden afgeweken. • De resultaten van het onderzoek dienen een brede toegankelijkheid te krijgen. Na het verwerken van opmerkingen zal het standaardrapport digitaal worden verstuurd aan de opdrachtgever, de gemeente Horst aan de Maas, de archeologisch adviseur van de gemeente (Vestigia), het Provinciaal Depot Bodemvondsten Limburg, de provincie Limburg, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
9
(DE)SELECTIE EN CONSERVERING
9.1
Selectie materiaal voor uitwerking
De selectie van vondsten en monsters wordt gedaan in het licht van de vraagstelling, onder verantwoording van de Senior KNA Archeoloog. De gemaakte selectie wordt in het evaluatierapport beschreven. 9.2
Selectie materiaal voor deponering en verwijdering
•
Alle organische en anorganische artefacten die hiervoor in aanmerking komen, zoals houten en leren objecten en metalen voorwerpen, dienen te worden geconserveerd. Hiervan kan alleen worden afgeweken met instemming van de eigenaar van de vondsten, de provincie Limburg. De Senior KNA Archeoloog kan een voorstel tot de selectie maken, waarin hij op onderbouwde wijze aangeeft, waarom bepaalde voorwerpen niet hoeven te worden gedeponeerd. Als het depot daarmee instemt kunnen deze voorwerpen verwijderd worden. Voorwerpen die niet gedeponeerd worden hoeven niet geconserveerd te worden. • Tijdelijke opslag van geselecteerde vondsten dient zo te geschieden dat de kwaliteit ervan niet achteruit gaat. • (Eerste) selectie vindt plaats door de uitvoerende instantie (Senior KNA Archeoloog, dan wel materiaalspecialist).
9.3
Selectie materiaal voor conservering
• In overleg met de bevoegde overheid wordt bepaald welke voorwerpen voor conservering in aanmerking komen. • Voor de conservering gelden bovendien de aanleveringseisen van het Archeologisch Depot van de provincie Limburg.
10
DEPONERING
10.1 Eisen betreffende depot •
Alle vondsten zijn vanaf het moment van vinden eigendom van de provincie (Erfgoedwet Artikel 5.7. Eigendom van archeologische vondsten), tenzij zij gedaan zijn in een gemeente met een eigen erkend depot (zie ook Erfgoedwet Artikel 5.7. Eigendom van archeologische vondsten) dan wel van de Staat indien zij buiten het grondgebied van enige gemeente zijn gevonden. In deze gevallen valt het eigendom toe aan respectievelijk gemeente of Staat. De projectleider kan na de
PvE 15680.005 versie D
Pagina 20 van 25
uitwerking het depot voorstellen een deel van de vondsten te selecteren voor definitieve verwijdering uit de collectie, mits wetenschappelijk verantwoord en op advies van een deskundige specialist. De selectie dient representatief te zijn voor het geheel van het verzameld materiaal binnen de aangetroffen materiaalcategorie. Het is wenselijk, in geval van deselectie, om van het materiaal dat wordt verwijderd bepaalde basisinformatie te registreren (zoals aantal, gewicht etc.), alvorens het te deselecteren. Deze representatieve selectie maakt deel uit van het evaluatierapport en dient altijd ter goedkeuring voorgelegd worden aan depothouder (/eigenaar). Het is aan de beheerder van het depot om over de definitieve verwijdering te beslissen. Uitzondering op het bovenstaande vormt de materiaalcategorie ‘bouwmateriaal, onversierd’; dit kan meteen in het veld door de uitvoerend archeologen representatief worden geselecteerd. • De vondsten, monsters en documentatie dienen binnen een periode van 2 jaar na afronding van het veldwerk te worden overgedragen aan het Archeologisch Depot van de Provincie Limburg, conform de deponeringseisen van het depot en de desbetreffende specificaties van de KNA versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018).
• De (eind)resultaten van het onderzoek worden verwerkt in ARCHIS en de digitale onderzoeksbestanden worden zodanig aangeleverd in het E-depot dat ze digitaal bruikbaar zijn voor andere onderzoekers.. 10.2 Te leveren product Standaard-/conceptrapport is een rapport volgens de vigerende versie van de KNA-specificatie volgens onderstaande bepalingen in dit hoofdstuk van dit PvE. Bij het eindproduct hoort een bewijs (af te geven door de ontvangende instantie) van overdracht van vondsten en documentatie. 10.3 E-depot Conform KNA , versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018) wordt ook een digitale versie van het rapport aangeleverd aan en opgenomen in het zogenaamde E-depot onder vermelding van het onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.).
11
RANDVOORWAARDEN EN AANVULLENDE EISEN
11.1 Personele randvoorwaarden •
Het onderzoek moet worden verricht door een daarvoor gecertificeerd bedrijf conform BRL 4000 en de protocollen 4003 en 4004, onder leiding van een Senior KNA-archeoloog Landbodems • Het team dat het onderzoek uitvoert staat onder leiding van een Senior KNA Archeoloog als projectleider, met ervaring met onderzoeken die ervaring heeft met onderzoek in het Limburgse Maaskant gebied of in vergelijkbare regio’s, en die met name ervaring heeft met onderzoek naar landelijke nederzet-tingen onder plaggendekken. De Senior KNA-archeoloog is aanwezig bij de aanleg van alle vlakken. De metaaldetector dient te worden gehan-teerd door een medewerker met ervaring. • De door de archeologisch uitvoerder in te zetten functionarissen zoals Senior KNA Archeoloog, KNA Archeoloog en specialisten dienen over aantoonbare kennis te beschikken over nederzettingen en vondstmateriaal van de aan te treffen archeologische periode(n). • De graafwerkzaamheden worden uitgevoerd door een kraanmachinist met aantoonbare ervaring met archeologisch onderzoek. Indien deze niet voorhanden is, dient de graafmachinist vooraf grondig geïnstrueerd te worden door de Senior KNA-archeoloog en continu begeleid te worden door de Senior KNA-archeoloog
PvE 15680.005 versie D
Pagina 21 van 25
• De veldploeg dient qua samenstelling te voldoen aan de KNA versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). Dit is minimaal een Senior KNA Archeoloog met een KNA Archeoloog Ma, een KNA Archeoloog Ba of een Senior veldtechnicus. • Een KNA-specialist fysische geografie en/of een Senior KNA-archeoloog met relevante fysischgeografische ervaring wordt ingezet voor de interpretatie van de bodemprofielen. • De materiaalanalyses worden uitgevoerd door specialisten met aantoonbare ervaring op het gebied van materiële cultuur, botanische en archeozoölogische resten uit de te verwachten perioden. • Zowel voor veldwerk als voor de uitwerking, conservering en rapportage is de aanwezigheid van een Senior KNA Archeoloog en een specialist met periode-/materiaal- of gebiedspecifieke kennis en/of ervaring vereist. • Uitwerking en rapportage dienen te geschieden door materiaalspecialisten (zoals fysischantropoloog, aardewerkdeskundige, archeozoöloog, archeobotanicus) en (indien noodzakelijk) en fysisch-geograaf, met aantoonbare ervaring op het gebied van de door hen te onderzoeken materiaalgroep/categorie. 11.2 Overlegmomenten Indien tijdens het veldwerk sporen, structuren of vondsten worden aangetroffen waarvan de aard, omvang of complexiteit niet voorzien was, wordt direct contact opgenomen met de opdrachtgever en de bevoegde overheid.
Er vindt dan op korte termijn een bijeenkomst plaats, waarop de archeologisch uitvoerder, de opdrachtgever en de bevoegde overheid een vervolgstrategie bepalen. Er zal ook overleg in het veld worden ingepland met de opdrachtgever en de bevoegde overheid en diens archeologisch adviseur indien een doorstart naar opgraving aan de orde is. 11.3 Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie • Het onderzoek dient te worden uitgevoerd conform de richtlijnen van de KNA versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018) en dit PvE. In alle gevallen waarin dit PvE niet voorziet, zijn de procesbeschrijvingen en specificaties in de KNA versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018) van toepassing. • Het veldwerk wordt uitgevoerd onder leiding van een Senior KNA Archeoloog. • Ten aanzien van de conditie, kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie geldt dat dit in overleg met de bevoegde overheid zal plaatsvinden. De Senior KNA Archeoloog is het aanspreekpunt voor de bevoegde overheid en neemt het initiatief voor overleg en evaluatie indien dit nodig is. • Indien de resultaten van het veldwerk niet van dien aard zijn dat er reden is voor het opstellen van een evaluatierapport kan dit achterwege blijven. • Bij de evaluatiefase wordt in een evaluatierapport een voorstel gedaan voor de te deponeren en te verwijderen vondsten.
De depothouder van de provincie Limburg wordt het evaluatierapport tijdens de evaluatiefase ter goedkeuring voorgelegd. Pas na goedkeuring van het evaluatierapport door de depothouder kunnen vondsten en monsters op controleerbare wijze worden verwijderd. Indien na 15 werkdagen geen reactie is gekomen van de depotbeheerder kan het werk zonder goedkeuring voortgezet worden. • Na afloop van het veldwerk wordt een kort (telefonisch) overleg gehouden met de opdrachtgever en de bevoegde overheid over de resultaten. 11.4 Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen De externe communicatie rondom het archeologisch onderzoek ligt geheel in handen van de opdrachtgever. Vanuit de archeologische uitvoerder zal alle medewerking worden verwacht voor het verschaffen van inhoudelijke informatie die voor de externe communicatie van belang kan zijn. Indien
PvE 15680.005 versie D
Pagina 22 van 25
het wenselijk wordt geacht dat er een informatiemoment wordt georganiseerd en de inzet vanuit de archeologische uitvoerder hiervoor niet vanuit de verleende opdracht is te realiseren, dan worden hiervoor eerst aanvullende afspraken gemaakt.
12
WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET VASTGESTELDE PVE
12.1 Wijzigingen tijdens het veldwerk • Indien tijdens het veldwerk bijzondere vondsten worden gedaan of (complexe) sporen of structuren worden aangetroffen die niet in het onderzoeksvoorstel zijn voorzien, wordt contact opgenomen met de bevoegde overheid. In overleg zal dan eventueel kunnen worden gekozen voor een andere aanpak. • Indien het gaat om belangrijke wijzigingen, zullen deze te allen tijde aantoonbaar voorgelegd worden aan de opdrachtgever, bevoegde overheid en de depothouder. Belangrijke wijzigingen zijn: o Significante afwijkingen van verwachte vondstmateriaal/vondsten (hoeveelheid, soorten materialen, soorten voorwerpen, type conservering). o Wijzigingen die (de)selectie en conservering vondsten beïnvloeden. o Wanneer er door de bevoegde overheid besloten wordt tot een doorstart naar een opgraving. • Wijzigingen op het PvE worden overlegd met de bevoegde overheid. Ook in geval van minderwerk of het eventueel uitvoeren van meerwerk, wordt eerst overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid. • Mutaties op het PvE behoren schriftelijk te worden bekrachtigd door de bevoegde overheid, evenals afspraken voortvloeiend uit evaluatievergaderingen en andere bijeenkomsten.
12.2 Belangrijke wijzigingen Onderstaande belangrijke wijzigingen worden te allen tijde aantoonbaar voorgelegd aan de opdrachtgever en de bevoegde overheid: • Afwijking van de archeologische verwachting, • Wijzigingen van de gehanteerde onderzoeksmethode, • Wijzigingen van de fysieke en/of technische omstandigheden, • Vastleggen overleg- en evaluatiemomenten. 12.3 Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk Zie 12.4 12.4 Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering •
Na afloop van het veldwerk wordt contact opgenomen met de opdrachtgever en de bevoegde overheid om dit te melden en vindt er indien nodig een voorlopige evaluatie plaats van de behaalde resultaten en de mogelijk aangetroffen archeologische waarden. Tijdens dit overleg bepalen de Senior KNA Archeoloog en de bevoegde overheid samen de verdere strategie bij de uitwerking en stellen ze de noodzaak vast van de analyse van eventuele monsters en van mogelijke laboratoriumdateringen. • Alle vondsten en uitgewerkte monsters moeten geconserveerd worden aangeleverd aan het archeologisch depot, tenzij schriftelijk en op grond van een evaluatierapport voor conservering an-
PvE 15680.005 versie D
Pagina 23 van 25
ders is aangegeven door de desbetreffende depothouder. In een conserveringsrapport dient te worden vastgelegd welke vondsten op welke wijze en met welke middelen zijn geconserveerd. • Ten aanzien van de conditie kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie geldt dat dit in overleg met de bevoegde overheid zal plaatsvinden. De Senior KNA Archeoloog neemt het initiatief voor overleg en evaluatie indien dit nodig is.
13
AANVULLENDE EISEN
13.1 Uitvoeringsperiode en opleveringstermijn veldwerk • De uitvoerdatum en uitvoeringstermijn van het veldwerk wordt in overleg met de opdrachtgever vastgesteld. • De archeologisch uitvoerder dient zorg te dragen voor het aanmelden van het onderzoek bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) uiterlijk 10 dagen voorafgaand aan de start van het veldwerk. • De archeologisch uitvoerder stelt de bevoegde overheid en diens adviseur Vestigia mimimaal vijf werkdagen voor aanvang van het veldonderzoek van de planning op de hoogte. De afronding van het veldonderzoek wordt ook tijdig door de archeologisch uitvoerder gecommuniceerd aan de bevoegde overheid en diens adviseur Vestigia, waarbij de veldresultaten uitputtend en in voldoende detail zowel mondeling als schriftelijk worden overlegd. 13.2 Uitvoeringscondities veldwerk • Toegankelijkheid, vergunningen, betredingstoestemming en bereikbaarheid dienen door de opdrachtgever te worden geregeld. • Additionele deelname van amateurarcheologen aangesloten bij een lokale of regionale/landelijke vereniging op het gebied van de archeologie is welkom, mits onder begeleiding van de archeologische uitvoerder en tijdens reguliere werkuren. Voorwaarde hieraan is dat ze een positieve bijdrage kunnen leveren aan het veldwerk en/of inhoud van het onderzoek. De aanwezigheid van amateurarcheologen wordt vastgelegd in de dag- en weekrapporten.
• Het goedgekeurde PvE dient tijdens het veldwerk op de werklocatie aanwezig te zijn. • De archeologische uitvoerder zorgt dat grote/belangrijke archeologische sporen en resten aan het eind van de dag zijn veilig gesteld voor “schatgravers”. • De opdrachtgever verstrekt indien gewenst kopieën van de milieurapporten. • De archeologische uitvoerder neemt preventieve maatregelen tegen inbraak en vandalisme. • Opgravingdocumentatie en waardevolle vondsten mogen niet onbeheerd in de keten achterblijven. 13.3 Ontplofbare Oorlogsresten (OO voorheen NGE) en veldgraven • Indien er OO worden aangetroffen worden de veldwerkzaamheden direct gestaakt en de noodzakelijke veiligheidsmaatregelen genomen. • Het aangetroffen projectiel dient, indien het niet dezelfde dag geruimd wordt, weer afgedekt te worden met grond. • In een straal van minimaal 100 m rond het aangetroffen projectiel dient het terrein te worden ontruimd. • De politie dient te worden ingelicht. Deze zal een proces verbaal opstellen en de vondst bij de explosieven opruimingsdienst defensie (EOD) melden.
PvE 15680.005 versie D
Pagina 24 van 25
• Op basis van aangeven van de politie/EOD kunnen mogelijk in delen van het terrein de werkzaamheden hervat worden. • Bij het aantreffen van veldgraven zal het bergings- en identificatieteam van de landmacht worden ingeschakeld. Zij nemen het bergen van het veldgraf over. o Telefoonnummer (tijdens kantooruren): (033) 466 24 41 o Telefoonnummer (buiten kantooruren): 06-53 41 52 07 o email: bidkl@mindef.nl o https://www.defensie.nl/onderwerpen/berging-en-identificatieoorlogsslachtoffers/de-bergings--en-identificatiedienst • Uw eigen veiligheid gaat boven alles.
PvE 15680.005 versie D
Pagina 25 van 25
Figuur 1: Situering van het plangebied en onderzoeksgebied binnen Nederland.
PVE 15680.005 VERSIE D
Figuur 2: Detailkaart van het onderzoeksgebied.
PVE 15680.005 VERSIE D
Figuur 3: Luchtfoto van het onderzoeksgebied.
PVE 15680.005 VERSIE D
Figuur 4: Boorpuntenkaart vooronderzoek 9
9 Stiekema, 2021.
PVE 15680.005 VERSIE D
Figuur 5: Uitsnede geomorfologische kaart
PVE 15680.005 VERSIE D
Figuur 6: Uitsnede bodemkaart
PVE 15680.005 VERSIE D
Figuur 7: Uitsnede archeologische gegevenskaart
PVE 15680.005 VERSIE D
PVE 15680.005 VERSIE D
Figuur 8: Proefsleuvenplan
PVE 15680.005 VERSIE D
Bijlage 1: Tabel met de verwachtte aantallen10 Onderzoek
Verwachting
Op den Bergen 6 te Sevenum, gemeente Horst aan de Maas
Paleolithicum-Nieuwe tijd
Omvang
Verwachte aantal m2
1.390 m2
144 m2
Vondstcategorie
Verwachte aantallen (N)
Aardewerk Bouwmateriaal Metaal (ferro) Metaal (non-ferro) Slakmateriaal Vuursteen Overig natuursteen Glas Menselijk botmateriaal onverbrand Menselijk botmateriaal verbrand Dierlijk botmateriaal onverbrand Dierlijk botmateriaal verbrand Visresten (handverzameld) Schelpen Hout Houtskool(monsters) Textiel Leer Submoderne materialen
stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk
Monstername
Verwachte aantallen (N)
Algemeen biologisch monster (ABM) Algemeen zeefmonster (AZM) Pollen, diatomeeën en andere microfossielen Monsters voor anorganisch chemisch onderzoek Monsters voor micromorfologisch onderzoek Monsters voor luminescentiedatering (OSL) Monsters voor koolstofdatering (14C) DNA Dendrochronologisch monster
stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk
25 5 5 2 0 5 5 2 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 5 2 0 2 0 0 0 2 0 0
10 Aan deze aantallen kunnen geen rechten worden ontleend. Dit is een verwachting voor het proefsleuvenonderzoek. Bij een
eventuele doorstart naar een opgraving zal deze bijlage worden geactualiseerd in het oplegblad van dit PvE.
PVE 15680.005 VERSIE D
Bijlage 2: Overzicht te raadplegen specialisten/specialismen
Vondstcategorie Aardewerk Bouwmateriaal Metaal (ferro) Metaal (non-ferro) Slakmateriaal Vuursteen Overig natuursteen Glas Menselijk botmateriaal onverbrand Menselijk botmateriaal verbrand Dierlijk botmateriaal onverbrand Dierlijk botmateriaal verbrand Visresten Schelpen Hout Houtskool(monsters) Textiel Leer Submoderne materialen
In PvE voorschrijven “Raadplegen bij PvA”
In PvE voorschrijven “Raadplegen bij veldwerk”
In PvE voorschrijven “Raadplegen bij uitwerking”
Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee
nee nee nee nee nee nee nee nee ja nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee
ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja
nee nee nee nee nee nee nee nee nee
nee nee nee nee nee nee nee nee nee
ja ja ja ja ja ja ja ja ja
Monstername Algemeen biologisch monster (ABM) Algemeen zeefmonster (AZM) Pollen, diatomeeën en andere microfossielen Monsters voor anorganisch chemisch onderzoek Monsters voor micromorfologisch onderzoek Monsters voor luminescentiedatering (OSL) Monsters voor koolstofdatering (14C) DNA Dendrochronologisch monster
PVE 15680.005 VERSIE D