CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

06A.h11 Bijlage 11 Programma van eisen archeologie

Gemeenteraad 20 december 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het weigeren van een (ontwerp)verklaring van geen bedenkingen voor de 24-uurs zorgaccommodatie op de locatie Op den Bergen 6 te Sevenum12.347 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ARCHEOLOGISCH PROGRAMMA VAN EISEN OP DEN BERGEN 6 TE SEVENUM GEMEENTE HORST AAN DE MAAS

archeologisch programma van eisen Op den Bergen 6 te Sevenum In de gemeente Horst aan de Maas

Opdrachtgever

Beusmans en Jansen Adviseurs Steeg 12 5975 CE Sevenum

PvE nummer

15680.005

Versienummer

D

Status

Definitief

Datum

1 februari 2022

Vestiging

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl

Opsteller

De heer drs. A.H. Schutte (Senior KNA Archeoloog)

Paraaf

Autorisatie

De heer B.C. Tunker MA (Senior KNA Archeoloog)

Paraaf

© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Econsultancy Programma van Eisen

Programma van Eisen Locatie

Op den Bergen 6

Projectnaam

Op den Bergen 6 Sevenum

Plaats binnen archeologisch proces ●IVO – Proefsleuven (IVO-P) met een doorstart naar een opgraving Opsteller

Naam, adres, telefoon, e-mail

datum

Senior KNA Archeoloog

1-02-2022 Dhr. drs. bc. A.H. Schutte Econsultancy b.v. Vestiging Limburg Rijksweg Noord 39, 6071 KS Swalmen T: 0475 - 504961 E: schutte@econsultancy.nl - Senior KNA-archeoloog (Actorregistratienr.: 43842407; sinds 7 april 2020) - Senior KNA-prospector (Actorregistratienr.: 43842407; sinds 7 april 2020)

Opdrachtgever

Naam, adres, telefoon, e-mail

paraaf

Beusmans en Jansen Adviseurs Steeg 12 5975 CE Sevenum Mevrouw J.C.M.G. Beusmans T: 077-3744817 E: jacqueline@beusmans-jansen.nl Goedkeuring bevoegde overheid

Naam, adres, telefoon, e-mail

● Gemeente

Gemeente Horst aan de Maas Postbus 6005 5960 AA Horst T: 077 – 4779777 E: gemeente@horstaandemaas.nl

o Provincie o Rijk o Overig

datum

paraaf

datum

Paraaf

o RCE1 bij beschermd monument, projectvergunning, als adviseur bij Grote Projecten Adviseur namens de bevoegde Naam, adres, telefoon, e-mail overheid

Drs. C.W. Koot Vestigia Archeologie & cultuurhistorie Spoorstraat 5 3811MN Amersfoort T: 033-2779200 1

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Econsultancy Programma van Eisen

E: c.koot@vestigia.nl Kennisgeving /eigenaar

Depothouder Naam, adres, telefoon, e-mail

datum

Paraaf

Provinciaal Archeologisch Depot voor Bodemvondsten Limburg Bezoekadres: Raadhuisplein 20, 6411 HK Heerlen Contactpersoon: drs. S. (Sjeng) Kusters T: 06-52720731 E: sjj.kusters@prvlimburg.nl

Econsultancy Programma van Eisen

INHOUDSOPGAVE LITERATUUR EN BIJLAGEN ............................................................................................................... 7 1

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ONDERZOEKSGEBIED ...................................................... 1

2

AANLEIDING EN MOTIVERING VAN HET ONDERZOEK........................................................ 2 2.1 2.2 2.3

Aanleiding ......................................................................................................................... 2 Motivering ......................................................................................................................... 2 Besluit ............................................................................................................................... 2

3

EERDER UITGEVOERD ONDERZOEK .................................................................................... 2

4

ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING ...................................................................................... 3 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9

5

DOELSTELLING EN VRAAGSTELLING.................................................................................... 6 5.1 5.2 5.3 5.4

5.5 6

Doelstelling ....................................................................................................................... 6 Relatie met NOaA 2.0 en/of andere onderzoekskaders ................................................... 7 Vraagstelling ..................................................................................................................... 8 Onderzoeksvragen ........................................................................................................... 8 5.4.1 Algemeen ........................................................................................................... 8 5.4.2 Periode en sites .................................................................................................. 9 5.4.3 Landschap en bodem ......................................................................................... 9 5.4.4 Vraagstelling specialistisch onderzoek .............................................................. 9 Aanbeveling ...................................................................................................................... 9

STRATEGIE, METHODEN EN TECHNIEKEN ........................................................................ 10 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8 6.9 6.10 6.11 6.12 6.13

7

Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context ........................................ 3 Aard en ouderdom van de vindplaats(en) ........................................................................ 4 Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) ........................................................... 5 Structuren en sporen ........................................................................................................ 5 Anorganische artefacten ................................................................................................... 5 Organische artefacten ...................................................................................................... 5 Archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten........................ 6 Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen .................................................... 6 Gaafheid en conservering ................................................................................................ 6

Strategie ......................................................................................................................... 10 Methoden en technieken ................................................................................................ 10 Omgang kwetsbare vondsten en monsters .................................................................... 12 Structuren en grondsporen ............................................................................................. 12 Aardwetenschappelijk onderzoek ................................................................................... 13 Anorganische artefacten ................................................................................................. 14 Organische artefacten .................................................................................................... 14 Archeozoölogische en -botanische resten ..................................................................... 14 Overige resten ................................................................................................................ 15 Dateringstechieken ......................................................................................................... 15 Bouwstenen ....................................................................................................................

15 Complexiteit .................................................................................................................... 15 Beperkingen.................................................................................................................... 15

UITWERKING EN CONSERVERING ....................................................................................... 15 15680.005

7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 8

RAPPORTAGE ......................................................................................................................... 18 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5

9

Uitvoeringsperiode uitwerking; opleveringstermijn (concept)eind-/evaluatierapport ...... 18 Procedure toetsing standaardrapport door de bevoegde overheid ................................ 18 Inhoud standaardrapport ................................................................................................ 18 Kwaliteit .......................................................................................................................... 19 Verschijning en oplage standaardrapport en/of specialistisch deelrapport .................... 19

(DE)SELECTIE EN CONSERVERING ..................................................................................... 20 9.1 9.2 9.3

10

Structuren, grondsporen en vondstspreidingen ............................................................. 16 Analyse aardewetenschappelijke gegevens .................................................................. 16 Anorganische artefacten ................................................................................................. 16 Organische artefacten .................................................................................................... 17 Archeozoölogische en -botanische resten ..................................................................... 17 Beeldrapportage (objecttekeningen, foto’s, kaarten e.d.) .............................................. 17

Selectie materiaal voor uitwerking .................................................................................. 20 Selectie materiaal voor deponering en verwijdering....................................................... 20 Selectie materiaal voor conservering ............................................................................. 20

DEPONERING .......................................................................................................................... 20 10.1 Eisen betreffende depot ................................................................................................. 20 10.2 Te leveren product .......................................................................................................... 21 10.3 E-depot ........................................................................................................................... 21

11

RANDVOORWAARDEN EN AANVULLENDE EISEN ............................................................. 21 11.1 11.2 11.3 11.4

12

WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET VASTGESTELDE PVE ........................................ 23 12.1 12.2 12.3 12.4

13

Personele randvoorwaarden .......................................................................................... 21 Overlegmomenten .......................................................................................................... 22 Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie ........................................................ 22 Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen ........................................................... 22

Wijzigingen tijdens het veldwerk ..................................................................................... 23 Belangrijke wijzigingen ................................................................................................... 23 Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk ..................................... 23 Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering .......................................... 23

AANVULLENDE EISEN ............................................................................................................ 24 13.1 Uitvoeringsperiode en opleveringstermijn veldwerk ....................................................... 24 13.2 Uitvoeringscondities veldwerk ........................................................................................ 24 13.3 Ontplofbare Oorlogsresten (OO voorheen NGE) en veldgraven ................................... 24

15680.005

LITERATUUR EN BIJLAGEN Literatuur Maas, G., P. van Delft, & h. Heidema, 2017: Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000. (Wageningen Environmental Research). Stiekema, M., 2021: Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Op den Bergen 6 te Sevenum in de gemeente Horst aan de Maas (Econsultancy rapportnr. 15680.002), Swalmen. Vries, F. de, W. de Groot, T. Hoogland & J. Denneboom, 2003: De Bodemkaart van Nederland digitaal; Toelichting bij inhoud, actualiteit en methodiek en korte beschrijving van additionele informatie. Wageningen: Alterra. Bronnen Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, december 2021. https://archis.cultureelerfgoed.nl Beleidsplatform Erfgoed Limburg; internetsite, december 2021. http://www.erfgoedbeleidlimburg.nl/ J.W. van Aalst, www.opentopo.nl; internetsite, december 2021. https://www.opentopo.nl/ Kadaster; internetsite, december 2021. http://www.kadaster.nl Nationale Onderzoeksagenda Archeologie 2.0; internetsite, december 2021. http://archeologieinnederland.nl/bronnen-en-kaarten/nationale-onderzoeksagenda-archeologie-20 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, december 2021. https://pdokviewer.pdok.nl Figuren Figuur 1: Situering van het plangebied binnen Nederland. Figuur 2: Detailkaart van het plangebied.

Figuur 3: Luchtfoto van het plangebied. Figuur 4: Boorpuntenkaart vooronderzoek Figuur 5: Uitsnede geomorfologische kaart Figuur 6: Uitsnede bodemkaart Figuur 7: Uitsnede archeologische gegevenskaart Figuur 8: Proefsleuvenplan

15680.005

Bijlagen Bijlage 1: Tabel met de verwachtte aantallen Bijlage 2: Overzicht te raadplegen specialisten/specialismen

15680.005

1

2 3

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ONDERZOEKSGEBIED

Projectnaam

15680.005

Provincie

Limburg

Gemeente

Horst aan de Maas

Plaats

Sevenum

Toponiem

Op den Bergen 6

Kaartbladnummer

52 D

Centrum x,y–coördinaat

X: 198.300 Y: 378.800

Provinciale verwachtingskaart

Volgens de Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg ligt het onderzoeksgebied niet binnen een Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied.

Archeologische maatregelenkaart Horst aan de Maas

Volgens de archeologische maatregelenkaart ligt het onderzoeksgebied in een zone met een hoge archeologische verwachting.

CMA/AMK-status

n.v.t.

Archis-monumentnummer

n.v.t.

Archis-waarnemingsnummer

n.v.t.

Oppervlakte plangebied2

ca. 5.500 m2

Oppervlakte onderzoeksgebied3

ca. 1.390 m2

Huidig grondgebruik

Siertuin

Voorgenomen bodemingrepen

Nieuwbouw (wooncomplex) waarbij in totaal 29 slaapkamers en een gezamenlijke huiskamer wordt gerealiseerd.

NAP-hoogte maaiveld

Circa 30,5 NAP

Grondwatertrap

VII

Het gebied waarbinnen de realisering van de planvorming het bodemarchief kan bedreigen. Het gebied waarop dit onderzoek betrekking heeft.

PvE 15680.005 versie D

Pagina 1 van 25

2 2.1

AANLEIDING EN MOTIVERING VAN HET ONDERZOEK Aanleiding

Op de planlocatie, aan de Op den Bergen 6 te Sevenum wordt nieuwbouw ontwikkeld (wooncomplex) waarbij in totaal 29 slaapkamers en een gezamenlijke huiskamer wordt gerealiseerd. Hierbij zal een gebied met een oppervlakte van circa 1.390 m2 worden bebouwd.4 Uit een bureauonderzoek dat in mei 2021 door Econsultancy is opgesteld (rapport 15680.002), heeft de adviseur van het bevoegd gezag afgeleid dat er binnen het plangebied een verwachting geldt voor de aanwezigheid van archeologische sporen en vondsten. Om de aard en omvang van deze mogelijke vindplaats vast te stellen is volgens de adviseur van het bevoegd gezag een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek op de locatie van de nieuwbouw noodzakelijk. Hier dienen twee sleuven van 18 x 4 meter te worden aangelegd. 2.2

Motivering

Bij het bureauonderzoek is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Volgens deze verwachting is de kans op het voorkomen van archeologische waarden uit de perioden Laat-Paleolithicum en Mesolithicum laag, middelhoog voor het Neolithicum en hoog voor de Bronstijd tot en met de Nieuwe tijd. Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase, figuur 4) blijkt dat over het algemeen de bodemopbouw bestaat uit uiterst tot matig fijne, zwak tot uiterst siltige zandafzettingen. Bij alle boringen bevindt zich aan het maaiveld een zwak humeus donker grijsbruine antropgeen dek (Aa-horizont) met een dikte van 30-70 cm. Het eerddek is plaatselijk gevlekt. Onder het zwak humeuse antropogene dek is bij alle boringen een duidelijk herkenbaar verstoord pakket aangetroffen. De dikte van het verstoorde pakket varieert sterk. Onder het verstoorde pakket zijn bij alle boringen intacte dekzandafzettingen aangetroffen. Op basis van de waargenomen dekzandafzettingen uit een relatief natte context, de aangetroffen bodemverstoringen en de aanwezigheid van bebouwing op een deel van de nieuwbouwlocatie, is geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. 5 2.3

Besluit

De bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas) heeft niet ingestemd met het advies van Econsultancy. De bevoegde overheid heeft besloten om een proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren voorafgaand aan en ter plaatse van de voorgenomen nieuwbouw. Wanneer behoudenswaardige archeologische resten worden aangetroffen en deze ex situ behouden dienen te blijven zal een archeologische opgraving plaats moeten vinden. Omdat het een relatief klein onderzoeksgebied betreft kan er gekozen worden voor vervolgonderzoek in de vorm van een doorstart naar een opgraving. Er zal dan tijdens het proefsleuvenonderzoek direct een selectiebesluit genomen moeten worden. 3

EERDER UITGEVOERD ONDERZOEK

Soort onderzoek

Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek

Uitvoerder

Econsultancy bv

4 Stiekema, 2021. 5 Stiekema, 2021.

PvE 15680.005 versie D

Pagina 2 van 25

Uitvoeringsperiode

April-Mei 2021

Rapportage

Stiekema, M., 2021: Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Op den Bergen 6 te Sevenum in de gemeente Horst aan de Maas (Econsultancy rapportnr. 15680.002), Swalmen.

Bewaarplaats vondsten/documentatie

Econsultancy Swalmen

Resultaten specialistisch onderzoek Archeobotanisch

Niet van toepassing.

Archeozoölogisch

Niet van toepassing.

Fysisch-antropologisch

Niet van toepassing.

Fysisch-geografisch

Niet van toepassing.

Geofysisch

Niet van toepassing.

Archeologisch materiaal

Niet van toepassing.

Geraadpleegde bronnen en partijen Overige literatuur

Niet van toepassing.

Amateurarcheologen

Niet van toepassing.

4 4.1

ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context 6

Locatie, recente ingrepen en verstoringen Het onderzoeksgebied (± 1.390 m²) ligt aan de Op den Bergen 6, ongeveer 2 kilometer ten zuidwesten van de kern van Sevenum in de gemeente Horst aan de Maas (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 30,5 m +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als gemeente Sevenum, Sectie V, Perceel 447 (ged.). Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 52 D (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het onderzoeksgebied X: 198.300 Y: 378.800. Het onderzoeksgebied is momenteel in gebruik als siertuin (zie figuur 3). Over het algemeen bestaat de bodemopbouw uit een zwak humeus donker grijsbruine antropgeen dek (Aa-horizont) met een dikte van 30-70 cm. Het eerddek is plaatselijk gevlekt. Onder het zwak humeuse antropogene dek is bij alle boringen een duidelijk herkenbaar verstoord pakket aangetroffen. De dikte van het verstoorde pakket varieert sterk. Onder het verstoorde pakket zijn bij alle boringen intacte dekzandafzettingen aangetroffen. Fysiek-landschappelijke, geologische, geomorfologische en bodemkundige kenmerken Het onderzoeksgebied bevindt zich binnen een gebied waar de afzettingen van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden (Bx6) aan het oppervlak wordt aangetroffen.

De afzettingen van de Formatie van Boxtel zijn afgezet gedurende de laatste ijstijd. Gedurende de laatste ijstijd had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en silt. Over een groot deel van Nederland werd een pakket dekzand

6

Stiekema, 2021.

PvE 15680.005 versie D

Pagina 3 van 25

afgezet. Er ontstonden duidelijke hoogteverschillen, waarbij reliëfverschillen kleiner dan 1,5 meter dekzandplateaus worden genoemd en grotere hoogteverschillen dekzandruggen of dekzandkopjes genoemd worden. Dekzandafzettingen die zijn afgezet tijdens het Laat-Glaciaal zorgden voor nivellering van het landschap door laagtes in het landschap op te vullen. Het dekzand, dat in het plangebied aan het oppervlak wordt aangetroffen, wordt ook wel het Laag-pakket van Wierden genoemd, welke behoort tot de Formatie van Boxtel. Het water van de in het voorjaar smeltende sneeuwmassa´s erodeerde een deel van de dekzandruggen, waarna afzetting plaatsvond in de lagere delen van het landschap als vlaktes van verspoelde dekzanden. De dekzandruggen zijn gevormd in het Laat Glaciaal (12.300-10.200 jaar geleden) doordat koude en minder koude perioden zich afwisselden. Hierdoor vonden er nieuwe zandverstuivingen plaats die voornamelijk in ruggen en duinen werden afgezet. Deze ‘Jonge dekzanden’ zijn herkenbaar als goed gesorteerde, weinig gelaagde afzettingen. Volgens de Geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) ligt het onderzoeksgebied binnen in een uitgestrekt en relatief hooggelegen gebied met dekzandruggen en -welvingen, al dan niet afgedekt met een oud bouwlanddek (zie figuur 5).

Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgrond (zie figuur 6), tijdens het verkennende booronderzoek is deze enkeerdgrond ook aangedtroffen. Regionale archeologische context (zie figuur 7) Volgens de archeologische maatregelenkaart van de gemeente Horst aan de Maas ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting. Binnen een straal van 1000 meter rondom het onderzoeksgebied ligt één AMK-terrein, de historische kern van het gehucht Steeg (Terrein met bewoningssporen uit de Late-Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd). De resultaten van archeologische onderzoeken die rondom het plangebied zijn uitgevoerd laten zien dat het gebied rond het plangebied voornamelijk bestaat uit dekzandruggen, afgedekt door hoge enkeerdgronden. Bij een deel van de onderzoeken zijn verstoorde bodemprofielen aangetroffen, maar plaatselijk is er ook een intacte bodem aangetroffen, waarbij vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven is geadviseerd. Voor zover bekend uit ARCHIS zijn deze aanvullende onderzoeken (nog) niet uitgevoerd. Binnen een straal van 1000 meter rondom het onderzoeksgebied staan zes vondstmeldingen geregistreerd. Op één vuursteenafslag uit het Paleolithicum na betreffen alle vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan bewoningsresten van landbouwers uit de Bronstijd tot en met de Nieuwe tijd.

In de jaren ´60 van de 20e eeuw is direct ten westen, aan de overzijde van de Op den Bergen, een beboste zandduin afgegraven, waarbij vijf urnen uit de IJzertijd zijn aangetroffen. De betreffende zandduin is ook op de historische kaarten waarneembaar. Cultuurlandschappelijke en historisch-geografische kenmerken Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal blijkt dat het onderzoeksgebied vanaf het eerste kwart van de 19e eeuw tot ver in de 20e eeuw continu in agrarisch gebruik is geweest. De Op de Bergen was begin 19e eeuw al aanwezig als onverharde weg. Het onderzoeksgebied lijkt op de Tranchotkaart uit 1803-1813 deels als boomgaard en deels als akker gekarteerd. Uit de overige kaarten uit de 19e eeuw blijkt achter dat de boomgaard ten noorden van het onderzoeksgebied lag: het onderzoeksgebied zelf is tot in de jaren ‘70 van de 20 e eeuw als akker in gebruik geweest. Ten westen van de Op den Bergen zijn op de historische kaarten diverse met bos begroeide stuifduinen te herkennen. Ten oosten van de Op den Bergen lijken deze niet aanwezig te zijn geweest. Het huidige agrarische bedrijf ten westen van het onderzoeksgebied is in de jaren ‘70 van de 20e eeuw opgericht en eind 20e eeuw uitgebreid topt zij huidige omvang. 4.2

Aard en ouderdom van de vindplaats(en)

Aard en ouderdom van de vindplaatsen zijn onbekend. Volgens de gemeente Horst aan de Maas geldt de volgende verwachting:

PvE 15680.005 versie D

Pagina 4 van 25

de kans op de aanwezigheid van sporen en vondsten uit de Bronstijd, Romeinse tijd, en VroegeMiddeleeuwen op middelhoog en laag voor de Nieuwe tijd. Een hoge verwachting geldt voor sporen vondsten uit de Vroege- en Midden-IJzertijd, gezien de directe nabijheid van begravingen (aan de overzijde van de weg). Tevens waren de flanken van dekzandruggen ook aantrekkelijk voor de vestiging van laatmiddeleeuwse bewoning. 4.3

Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en)

Begrenzing en oppervlakte van de totale vindplaats (dus ook buiten het onderzoeksgebied) De gemiddelde omvang van bewoningssporen is enkele honderden vierkante meters. Landbouwarealen kunnen enkele duizenden vierkante meters omvatten met daarin sporen van greppels van enkele tientallen tot honderden meters lang. Infrastructuur bestaat uit lijnelementen van onbepaalde lengte en breedte. De omvang van resten van rituele handelingen, begravingen en resten van strijd zijn doorgaans beperkt tot puntvondsten. Begrenzing en oppervlakte van (het deel van) de vindplaats binnen het onderzoeksgebied Idem, met een maximum van 1.390 m2 (totale omvang onderzoeksgebied). 4.4

Structuren en sporen

Op grond van het archeologische vooronderzoek blijkt dat binnen het onderzoeksterrein een kans bestaat op het aantreffen van resten die wijzen op menselijke activiteiten vanaf het Paleolithicum. De verwachting daarbij bestaat uit het aantreffen van bijvoorbeeld: vuursteenstrooiingen, akkerlagen, nederzettingssporen, grafvelden en rituele plaatsen. Restanten die wijzen op bewoning kunnen bestaan uit paalsporen, muurresten, uitbraaksleuven, beer- en/ of waterputten, afvalkuilen en perceelscheidingen. 4.5

Anorganische artefacten

Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen naast aardewerk en natuursteen ook allerhande gebruiksvoorwerpen van ander materiaal (metaal, glas, keramisch bouwmateriaal, leem, etc.) verwacht worden. 4.6

Organische artefacten

Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen ook vergankelijke objecten van organisch materiaal verwacht worden, zoals been, dierlijk en menselijk botmateriaal, hout, textiel en leer. Als algemene vuistregel kan worden gesteld dat in die gebiedsdelen waar in een gedeelte van het jaar de gemiddeld laagste grondwaterspiegel dieper is dan 120 cm -Mv en de bodem sterk ontkalkt is, weinig of geen goed geconserveerde organische artefacten in onverkoolde toestand worden verwacht. In deze gebiedsdelen zijn die enkel bewaard in verkoolde toestand, maar de mate van conservering zal wisselend zijn. In die gebiedsdelen waar de laagste grondwaterspiegel hoger is dan 120 cm -Mv, kunnen organische artefacten daarentegen goed geconserveerd zijn - al dan niet in verkoolde toestand. Verder is de conservering van organisch materiaal in het algemeen beter in diep ingegraven grondsporen, al dan niet in gebiedsdelen met een ontkalkte bodem. Gezien de landschappelijke lig-

PvE 15680.005 versie D

Pagina 5 van 25

ging van het onderzoeksgebied en grondwatertrap VII, is het niet waarschijnlijk dat organisch materiaal buiten diep ingegraven grondsporen goed is geconserveerd. 4.7

Archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten

Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen naast anorganische en organische vondsten ook resten van zaden, pollen of organisch afval worden aangetroffen. Waar het grondwater permanent aanwezig is, zijn archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en -botanische resten in het algemeen redelijk tot goed geconserveerd. Gezien de ligging van het onderzoeksgebied nabij een grafveld uit de Vroege- en Midden-IJzertijd dient er specifiek rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van crematiegraven in het onderzoeksgebied. Gezien de archeologische context worden in het algemeen veel van dergelijke resten verwacht, maar of dit daadwerkelijk het geval is, is afhankelijk van factoren als geomorfologie, textuur van de bodem, ontwatering, aanwezigheid van waterkerende lagen en datering. Gezien de landschappelijke ligging van het onderzoeksgebied is het niet waarschijnlijk dat organisch materiaal onverkoold buiten diep ingegraven grondsporen goed is geconserveerd. 4.8

Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen

Archeologische sporen uit de perioden Paleolithicum tot en met Middeleeuwen worden verwacht onder het eerddek en de geroerde laag, in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen in de geroerde laag en het eerddek. Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. 4.9

Gaafheid en conservering

Structuren, sporen, vondsten, archeozoölogische en botanische resten. Door de lage grondwaterspiegel zal eventueel aanwezig organisch vondstmateriaal - archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten- niet tot slecht geconserveerd zijn en deze resten zullen waarschijnlijk alleen worden aangetroffen in diepe en vochtige sporen. Over de precieze gaafheid en conservering van de mogelijk aanwezige structuren, sporen, vondsten, archeozoölogische en botanische resten kan niet veel worden gezegd. Het verkennend booronderzoek heeft aangetoond dat her en der een restant van de oorspronkelijke podzolbodem bewaard is gebleven, hierdoor bestaat de kans dat sporen aldaar relatief gaaf bewaard zijn gebleven. De bodemopbouw bleek plaatselijk te zijn verstoord. Archeologische resten uit het Paleolithicum en Mesolithicum zullen hier verstoord zijn, evenals een deel van de sporen uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd.Het archeologische onderzoek zal moeten uitwijzen hoe het gesteld is met de precieze gaafheid en conservering.

5 5.1

DOELSTELLING EN VRAAGSTELLING Doelstelling

Het doel van inventariserend veldonderzoek (IVO) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het vooronderzoek. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Het IVO gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Mochten er archeologische

PvE 15680.005 versie D

Pagina 6 van 25

waarden worden aangetroffen in het onderzoeksgebied dan is het de bedoeling dat er direct wordt doorgestart naar een opgraving. Deze opgraving beperkt zich tot de in het proefsleuvenonderzoek vastgestelde gebied van de vindplaats. 5.2

Relatie met NOaA 2.0 en/of andere onderzoekskaders

Het onderzoek valt binnen de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie onder het Brabants zandgebied.7 Bij een doorstart naar een opgraving zijn de volgende bovenregionale onderzoeksvragen van de NOaA 2.0 van toepassing: 2. De dynamiek van het Nederlandse landschap 5. Sociale en economische differentiatie 7. De archeologie van het rituele 9. Dodenbestel en grafmonumenten 13. De verankering van het boerenbestaan 20. De relatie stad – platteland 21. De dynamiek van het landgebruik 22. Mens - materiële cultuurrelaties 23. Netwerken en infrastructuur Uit het Paleolithicum en Mesolithicum kunnen in het onderzoeksgebied sporen van jagersverzamelaars worden aangetroffen. Het gaat hier om tijdelijke kampementen. Het landschap wordt vanaf het Neolithicum door de mens op diverse wijzen ingericht en gebruikt. De nalatenschap van deze inrichting en het gebruik daarvan geeft ons de mogelijkheid inzicht te krijgen in het leef- en denkpatroon van de bewoners gedurende de Late-Prehistorie en de Middeleeuwen. De vraagstellingen bij dit thema beslaan een breed geheel. De aandacht bij het onderzoek naar het natuurlijke landschap is vooral gericht op de niet door de mens beïnvloede omgeving c.q. die aspecten van de natuur die uiteindelijk het menselijk handelen hebben beïnvloed. Bij dit onderzoeksthema staat de ontstaanswijze van het gebied centraal.

Er kan namelijk naast de landschappelijke ligging van de vindplaatsen ook een beeld van de ruimere regio verkregen worden. Beleidsplatform Erfgoed Limburg8 De Provincie Limburg heeft de archeologische kennisstand, kennislacunes en kenniswinst laten onderzoeken op basis van onderzoeksrapporten vervaardigd tussen 2007 en 2013. In 2007 was reeds een kennisstand opgemaakt op basis van onderzoeken uitgevoerd tussen 1995 en 2006. Om de opgedane archeologische kennis te synthetiseren zijn in 2017 drie rapporten gepubliceerd die samen een actueel overzicht geven van de kennis per periode, per thema en per landschap. De syntheserapporten (https://www.limburg.nl/onderwerpen/cultuur/erfgoed/archeologie-0/archeologie/) beslaan de Vroege-Prehistorie, Late-Prehistorie en Romeinse tijd. Het rapport over de Middeleeuwen/Nieuwe tijd volgt op een later moment. De komende jaren wensen Provincie en gemeenten, samenwerkend in het Beleidsplatform Erfgoed Limburg, te werken aan het actueel houden van de opgedane kennis. In dat kader worden de syntheserapporten verbonden aan elk gravend archeologisch onderzoek in de provincie Limburg. In ieder daarvoor bestemd Programma van Eisen (PvE) dient deze relatie gelegd te worden middels onderstaande gearceerde tekst. Deze tekst dient in ieder PvE opgenomen te worden in de paragraaf ‘Relatie NOaA en/of andere onderzoekskaders’.

Gemeenten en Provincie zullen er in hun rol als bevoegde overheid op toezien dat de bedoelde relatie in PvE’s en onderzoeksrapporten wordt gelegd. In een aparte paragraaf in de synthese dienen de volgende vragen beantwoord te worden. 7 http://archeologieinnederland.nl/bronnen-en-kaarten/nationale-onderzoeksagenda-archeologie-20 8 http://www.erfgoedbeleidlimburg.nl/

PvE 15680.005 versie D

Pagina 7 van 25

• •

5.3

Heeft het onderhavige onderzoek een bijdrage geleverd aan de kennisstand archeologie zoals weergegeven in de provinciale synthese uit 2017? Welke nieuwe inzichten heeft het onderzoek in dat opzicht opgeleverd en op welk vlak (periode, gebied, thema)? Vraagstelling

De belangrijkste vraagstelling betreft het toetsen van de archeologische verwachting. Bij het Inventariserend Veldonderzoek Proefsleuven dienen de onderstaande onderzoeksvragen te worden beantwoord. 5.4

Onderzoeksvragen

5.4.1

Algemeen

Bij het proefsleuvenonderzoek dienen de hieronder geformuleerde onderzoeksvragen een rol te spelen. Indien tijdens het proefsleuven onderzoek een behoudenswaardige archeologische vindplaats wordt aangetroffen, zal de bevoegde overheid een besluit nemen tot een doorstart naar een opgraving en het opstellen van nieuwe/andere onderzoeksvragen specifiek gericht op de aard en ouderdom van de aangetroffen vindplaats. Deze onderzoeksvragen dienen te worden vastgelegd in een schriftelijke en door de bevoegde overheid goedgekeurde wijziging van het PvE. 1. Zijn er archeologische resten in de bodem aanwezig? 2. Zo ja, wat is de aard, omvang, ouderdom, herkomst, kwaliteit en locatie van de archeologische resten (horizontaal en verticaal)? 3. Hebben de archeologische waarden een relatie met uit de omgeving bekende archeologische of historische locaties en welke is dat? 4. Welke gegevens over de aangetroffen vindplaatsen kunnen de archeologische kennis van de regio en Horst aan de Maas aanscherpen? 5. Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? 6. In welke mate zijn de onderzoeksgebieden verstoord? 7. Is sprake van (een) behoudenswaardige vindplaats(en)? Zo ja, wat is de aard, omvang en datering daarvan? 8. Hoe dienen deze vindplaatsen bij een eventueel vervolgonderzoek gedocumenteerd te worden? 9.

Wat is het belang van de vindplaats voor de lokale, regionale en nationale geschiedschrijving? 10. Wat kunnen de uitkomsten van het onderzoek zeggen over vergelijkbare terreinen in de omgeving? 11. Is vervolgonderzoek noodzakelijk en welke methoden zouden hierbij kunnen worden ingezet? 12. Op welke manier dient bij eventuele graafwerkzaamheden met archeologische resten te worden omgegaan? 13. Indien er geen archeologische resten worden aangetroffen, wat is de reden voor de afwezigheid van archeologisch resten? De mogelijke aanwezige vindplaatsen worden aan de hand van de gestelde vragen gewaardeerd conform KNA versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018), bijlage IV Waarderen van vindplaatsen. Aanbevolen wordt ook om de methodiek uit de SIKB leidraad Standaard Archeologische Monitoring te volgen voor het bepalen van de fysieke kwaliteit.

PvE 15680.005 versie D

Pagina 8 van 25

5.4.2 Periode en sites Dit aspect van het onderzoek richt zich op de aard, ouderdom, omvang en andere archeologische kenmerken van de vindplaatsen. Hieruit zijn de volgende vragen afgeleid: 14. Welke en hoeveel vindplaatsen zijn in het onderzoeksgebied te herkennen? 15. Wat is per archeologische site in het onderzoeksgebied: o de ligging (inclusief diepteligging) o de geologische en/of bodemkundige eenheid o de omvang (inclusief verticale dimensies) o het type en de functie van de sites of off-site-patronen o de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia) 16. Wat is, indien aanwezig, o de ouderdom van de cultuurlaag? o de vondst- en spoordichtheid o de stratigrafie voor zover aanwezig o de ouderdom, periodisering, typechronologische classificatie 17. wanneer zijn vindplaatsen in onbruik geraakt? 5.4.3 Landschap en bodem Dit aspect van het onderzoek omvat de bestudering van de landschappelijke context van de vindplaatsen in historisch perspectief. Dit leidt tot de volgende vragen: 18. Wat is de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied? 19. Waar bevindt zich binnen het onderzoeksgebied het eerddek? Als eerddek afwezig is, komt dat doordat het er waarschijnlijk niet ontwikkeld is of omdat het in een later stadium weer verwijderd is? 20. Indien er een eerddek wordt aangetroffen. Wat is de dikte en tot wanneer is dit eerddek aangelegd? 21.

Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaatsen (geologie, bodemkunde en geomorfologie)? Zijn er aanwijzingen voor stratigrafische hiaten, d.w.z. erosie of non-depositie, in de geologische profielopbouw ter plekke van de vindplaatsen? 22. Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Liggen in het onderzoeksgebied locaties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden (licht dit toe)? 23. In hoeverre zijn de aangetroffen bodemlagen geschikt voor een palynologische reconstructie van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het terrein? 5.4.4

Vraagstelling specialistisch onderzoek

Tijdens het proefsleuvenonderzoek kunnen sporen en/of lagen worden aangetroffen, die geschikt zijn voor het verzamelen van monsters voor specialistisch onderzoek. Deze monsters kunnen zich lenen voor archeobotanisch, archeozoölogisch, fysisch-antropologisch, fysisch-geografisch, geofysisch en dateringsonderzoek naar de aangetroffen (behoudenswaardige) vindplaats. Afhankelijk van de besluitvorming t.a.v. een doorstart naar een opgraving kan de bevoegde overheid in overleg met de archeologisch uitvoerder bepalen of monsters reeds tijdens de verkennende fase gewaardeerd en geanalyseerd dienen te worden of in het kader van de definitieve opgraving. 5.5

Aanbeveling

Op basis van de resultaten van het archeologisch proefsleuvenonderzoek dient de bevoegde overheid nog tijdens het veldonderzoek door de archeologisch uitvoerder geïnformeerd en geadviseerd te worden over de aan- of afwezigheid van een vindplaats ter plekke van de zones binnen het plangebied waar in het kader van de planontwikkeling de bodem zal worden verstoord. Afdoende inzicht dient te worden verschaft in de locatie, omvang, aard, datering, gaafheid en conservering van de

PvE 15680.005 versie D

Pagina 9 van 25

vindplaats conform Bijlage IV van de KNA over het waarderen van vindplaatsen. Op basis van deze informatie kan de bevoegde overheid beoordelen of het behoudenswaardige archeologische resten betreft en als gevolg een doorstart naar een definitieve opgraving noodzakelijk is. De archeologisch uitvoerder dient een wijziging van het PvE op te stellen, waarin de ‘strategie, methoden en technieken’ van de definitieve opgraving staan verwoord en nieuwe/andere onderzoeksvragen staan geformuleerd toegespitst op de aangetroffen vindplaats. Nadat de bevoegde overheid de wijziging van het PvE heeft goedgekeurd, kan de definitieve opgraving worden uitgevoerd.

6 6.1

STRATEGIE, METHODEN EN TECHNIEKEN Strategie

In aanvulling op de richtlijnen in de vigerende versie van de KNA: De onderzoeksvragen kunnen worden beantwoord door middel van een karterend/waarderend proefsleuvenonderzoek. Het uitgangspunt is een vindplaatsgerichte benadering. Door middel van het proefsleuvenonderzoek moet inzicht worden verkregen in onder andere de aan- of afwezigheid en gaafheid van grondsporen en vondstconcentraties en de aan- of afwezigheid en conservering van paleo-ecologische resten. Het team dat het proefsleuvenonderzoek uitvoert staat onder leiding van een Senior KNA Archeoloog die ervaring heeft met onderzoek in het Limburgse Maaskant gebied, of in vergelijkbare regio’s, en die met name ervaring heeft met onderzoek naar landelijke nederzettingen onder plaggendekken. In het veld worden de werkzaamheden uitgevoerd door een Senior KNA-archeoloog als dagelijks wetenschappelijk leider die ervaring heeft met onderzoek in het Limburgse Maaskant gebied, of in vergelijkbare regio’s, en die met name ervaring heeft met onderzoek naar landelijke nederzettingen onder plaggendekken. De Senior KNA-archeoloog wordt bijgestaan door minimaal een veldtechnicus/KNAarcheoloog. De aanleg van alle vlakken gebeurt in aanwezigheid van de Senior KNA-archeoloog. In het onderzoeksgebied worden twee proefsleuven aangelegd van 18 x 4 meter (zie figuur 8). Hiermee wordt 144 m2, ongeveer 10 % van het onderzoeksgebied onderzocht.

Met het plaatsen van de proefsleuven is rekening gehouden met de bestaande bebouwing. Mocht er in deze proefsleuven een vindplaats worden aangetroffen dan dient er overleg plaats te vinden met de bevoegde overheid over een doorstart naar een opgraving. Wanneer de vindplaats behoudenswaardig is, dient deze opgegraven te worden. Dit houdt in dat alleen het gedeelte in het onderzoeksgebied waar de vindplaats zich bevindt wordt opgegraven binnen de geplande bodemverstoringen in het kader van de nieuwbouw. Uitzondering hierop zijn inhumatie- en crematiegraven, die behoren volledig te worden opgegraven wanneer blijkt dat een deel hiervan is gelegen buiten de uitgravingen voor de bouw. Dit betekent dat er rekening mee gehouden moet worden dat al tijdens het proefsleuvenonderzoek, bij het aantreffen van een bepaald complex, andere/nieuwe onderzoeksvragen geformuleerd moeten worden specifiek gericht op de aard en ouderdom van de aangetroffen vindplaats. Bij de opgraving dienen alle aangetroffen archeologische sporen (van vóór 1946) volledig onderzocht en gedocumenteerd te worden, behoud ex-situ. 6.2

Methoden en technieken

Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). Voorwerk

PvE 15680.005 versie D

Pagina 10 van 25

• Het schrijven van een Plan van Aanpak (PvA) (KNA-specificatie OS01); dit is een handleiding voor het onderzoek. • Het doen van de onderzoeksmelding bij het centrale systeem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) door het aanvragen van een OM-NR. • Het door de bevoegde overheid en opdrachtgever geaccepteerde en ondertekende PvE wordt door de uitvoerder per email en vóór aanvang van het onderzoek, ter kennisgeving naar de depothouder gestuurd. • De bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas) en diens archeologisch adviseur Vestigia dient minimaal vijf werkdagen van te voren op de hoogte te worden gesteld van de aanvang van het veldonderzoek. Veldwerk • Er wordt uitgegaan van een onderzoek met een standaard complexiteit. Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA-specificaties OS02 t/m OS 09. • Verspreid over het onderzoeksgebied worden twee proefsleuven aangelegd, van 18 x 4 meter. Hiermee wordt circa 10 % van het onderzoeksgebied onderzocht. • Het graafwerk wordt uitgevoerd door een graafmachinist die ervaring heeft met de uitvoering van archeologisch veldonderzoek.

Indien deze niet voorhanden is, dient de graafmachinist vooraf geinstrueerd te worden door de Senior KNA-archeoloog aangaande de specifieke eisen van archeologisch graafwerk en tijdens het laagsgewijs verdiepen van de funderingssleuven continu begeleid te worden door deze Senior KNA-archeoloog. • Er wordt gewerkt met een machine met voldoende capaciteit die is voorzien van een zogenaamde gladde bak. • De proefsleuven wordt laagsgewijs verdiept totdat het niveau is bereikt waarop de verwachte grondsporen zichtbaar worden. • Zodra archeologische sporen worden aangetroffen, zal een leesbaar vlak moeten worden aangelegd. • Er wordt uitgegaan van de aanleg van één vlak. • Mocht het noodzakelijk zijn om een tweede vlak aan te leggen dan dienen de sporen in het eerste vlak afgewerkt te zijn. • Archeologisch relevante structuren mogen nog niet worden verwijderd tijdens de fase van het proefsleuvenonderzoek - variant archeologische begeleiding. Bij een doorstart naar een opgraving mag dit wel binnen de grenzen van de geplande bodemingreep. • Er worden foto’s gemaakt van de algemene situatie, waaronder het terrein en omgeving bij aanvang van het werk, de vlakken, de profielen, de grondsporen in het vlak en de coupes. Tevens worden er van belangwekkende en/of kwetsbare vondsten op de plaats van aantreffen foto’s gemaakt.

Ten behoeve van publicatie of expositie worden ook actie- of illustratieve foto’s gemaakt. • De algemene velddocumentatie bestaat uit de registratie en documentatie van de werkzaamheden in het veld, met name de administratieve zijde daarvan. Dit omvat tevens het digitale gegevensbeheer van de velddocumentatie. De spoorformulieren worden ingevoerd zodat een database ontstaat van de primaire veldgegevens. • Tijdens zowel het proefsleuvenonderzoek als de opgraving wordt al het archeologisch vondstmateriaal verzameld om een uitspraak te kunnen doen over de aard, datering, de eventuele fasering en de conserveringstoestand van sporen en bodemlagen. • Vondsten gedaan bij de aanleg van de proefsleuven worden in vakken van 4 x 4 meter per bodemlaag verzameld. • Vondsten afkomstig van en uit sporen, worden per spoor en vulling geregistreerd. • Stortvondsten worden per proefsleuf onder een vondstnummer verzameld.

PvE 15680.005 versie D

Pagina 11 van 25

• Bijzondere vondsten, zoals metalen voorwerpen, fragmenten vuursteen en vondstconcentraties, dienen apart te worden ingemeten en onder een afzonderlijk vondstnummer te worden geregistreerd. • Ook bijzondere deposities binnen sporen worden afzonderlijk geregistreerd door middel van fotografie en tekening. Het materiaal zelf wordt individueel (X-, Y- en Z-waarde) en gescheiden van het overige vondstmateriaal in het spoor verzameld. • Tijdens de ontgravingswerkzaamheden wordt per haal van de graafmachine het dan voorliggende vlak met een metaaldetector gecontroleerd op de aanwezigheid van metalen voorwerpen. Het discriminatieniveau van de metaaldetector dient zo laag mogelijk gehouden te worden. • De metaaldetector dient te worden gehanteerd door een hierin ervaren medewerker. • Metaalvondsten in het vlak en in sporen worden als puntvondst ingemeten en onder een afzonderlijk vondstnummer geregistreerd. • Daarnaast dient de stort met een metaaldetector te worden onderzocht. • Bij het waterpassen van het vlak om de 5 m, wordt telkens ook het maaiveld direct buiten de proefsleuven meegenomen. • De verschillende vondstcategorieën worden zodanig verpakt, dat de conditie van het materiaal zo goed mogelijk blijft. Registratie vindt plaats op een vondstenlijst. Registratie en inventarisatie van het vondstmateriaal gebeurt direct na afronding van het veldwerk.

• Alle aanpassingen van het proefsleuvenonderzoek gebeuren te allen tijde in overleg met de voor het project verantwoordelijke Senior KNA Archeoloog en de bevoegde overheid. • Er wordt vooralsnog niet uitgegaan van specialistisch onderzoek in het veld. Indien dit noodzakelijk blijkt, dan alleen na overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid. • Bij het aantreffen van meer dan drie stuks bewerkt vuursteen in situ in een vak van 4 x 4 meter, dient er rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van een vuursteenconcentratie. In een dergelijk geval wordt overgegaan op het handmatig schavend verdiepen vanaf de hoogte dat lithisch vondstmateriaal aanwezig is, wat waarschijnlijk al vanaf de basis van de verstoorde laag is. Tot die hoogte kan overigens schavenderwijs machinaal worden afgegraven. Het handmatig schavend verdiepen houdt aan 4 m voorbij de laatste vondst van vuur-/natuursteen of neolithisch aardewerk, dan kan weer worden overgegaan op volledig machinaal aanleggen van het archeologisch vlak. 6.3

Omgang kwetsbare vondsten en monsters

Kwetsbare vondsten en monsters dienen behandeld te worden conform OS11/OS11wb en de KNALeidraad “Eerste hulp bij kwetsbaar vondstmateriaal.” In gevallen van kwetsbaar materiaal waarbij direct ernstig informatieverlies kan optreden, dient een specialist betrokken te worden. Wat betreft de opslag van vondstmateriaal levert een koele en donkere ruimte de meeste stabiliteit op. Voor kwetsbare materiaalgroepen is doorgaans meer nodig om de stabiliteit zo veel mogelijk te garanderen. Voor het behandelen en verpakken van vondsten en monsters ten behoeve van de tijdelijke opslag dienen per kwetsbare materiaalgroep de betreffende subspecificaties binnen OS11 gehanteerd te worden; ook de KNA-leidraad Veldhandleiding archeologie en de KNA-leidraad Eerste Hulp bij Kwetsbaar Vondstmateriaal dienen tijdens het veldwerk en de opslag gehanteerd te worden. Tevens geldt voor alle materiaalcategorieën het advies van de specialist. 6.4 • •

Structuren en grondsporen Er dient te worden gewerkt conform KNA-specificatie OS03 t/m OS09 (opgraven). De sporen worden getekend; de vlakken op schaal 1:50 en de eventuele coupetekeningen en profielen op schaal 1:20, graven op schaal 1:10. Verder worden de sporen gefotografeerd en

PvE 15680.005 versie D

Pagina 12 van 25

•

•

• •

•

•

• •

•

• •

• • • •

6.5

wordt de hoogte ten opzichte van NAP bepaald. De vlakken mogen ook met een GPS of Total Station getekend worden. Sporen in het vlak worden gedocumenteerd; de geïdentificeerde sporen worden beschreven en vastgelegd in dag- en weekrapporten en op daartoe geëigende formulieren, conform KNA versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). Van de aangetroffen sporen wordt een aantal gecoupeerd met als doel de kwaliteit vast te stellen. De sporen worden vooralsnog niet afgewerkt. Bij een doorstart naar een opgraving dienen alle sporen te worden gecoupeerd, afgewerkt en uitgewerkt tot het niveau der beantwoording van de onderzoeksvragen. Greppels en geïsoleerde sporen worden gecoupeerd en gedocumenteerd. Grondsporen die deel uit maken van een (gebouw)structuur of grote concentraties grondsporen dienen daarentegen in eerste instantie alleen (selectief) te worden gecoupeerd en niet te worden afgewerkt. Dit heeft als doel de datering en de conservering zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen, waarbij de archeologische resten zoveel mogelijk intact gehouden worden. Dit ter beantwoording van de onderzoeksvragen. Bij een doorstart naar een opgraving dienen alle sporen te worden gecoupeerd, afgewerkt en uitgewerkt tot het niveau der beantwoording van de onderzoeksvragen. Aangetroffen graven (inhumaties/crematies) worden gedocumenteerd conform KNA versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018).

Eventuele crematiegraven in de proefsleuven worden ingemeten en dan afgedekt, voordat zij worden opgegraven dienen beide proefsleuven te zijn gegraven om te bepalen wat de opgravingsstrategie zal zijn. Crematiegraven behoren te worden opgegraven volgens de ‘methode Hiddink’. Aangetroffen funderingen, vloeren en water- of beerputten dienen aanvankelijk behouden te blijven. Bij een doorstart naar een opgraving dienen deze sporen wel in zijn geheel opgegraven te worden. De coupes dienen individueel gewaterpast te worden. Splitsingen en oversnijdingen van sporen dienen op een dusdanige manier vastgelegd en onderzocht te worden, dat een eventuele fasering vastgesteld kan worden. Vondsten afkomstig uit dergelijke sporen worden per spoor en eventueel daarin te onderscheiden vullingen verzameld. De gevonden lagen, grondsporen en structuren dienen zo mogelijk per periode te worden beschreven. De mate van uitwerking dient te zijn afgestemd op de vraagstellingen. Tevens dienen ze te worden meegenomen in de interpretatie en conclusie(s). De vulling van sporen uit de Steentijd dient te worden gezeefd over een maaswijdte van 3 mm. Muurwerk moet worden ingemeten, gefotografeerd en onderzocht op constructieve aard, omvang en ouderdom conform KNA versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). Baksteengrootte, metselverband en tienlaagsmaat dient genoteerd te worden, indien aanwezig.

Bodemlagen moeten ten opzichte van eventueel muurwerk afzonderlijk worden beoordeeld. Bij putten dient het onderscheid gemaakt te worden tussen water-, afval- en beerputten. Indien de vulling een vondstcomplex bevat, wordt materiaal met diagnostische kenmerken verzameld. Kansrijke sporen worden bemonsterd, maar ten alle tijden worden alle vullingen van water- en beerputten bemonsterd. Bij het aantreffen van bijzondere structuren en sporen dient eerst te worden overlegd met (de opdrachtgever en) de bevoegde overheid over eventuele aanpassingen in de veldstrategie voordat met de afwerking wordt begonnen. Aardwetenschappelijk onderzoek

Het aardwetenschappelijk onderzoek dient te worden uitgevoerd door een KNA-specialist fysische geografie of een Senior KNA-archeoloog met aantoonbare ervaring op de hier verwachte bodem en geologie. Van de proefsleuven dient een lengte profiel te worden onderzocht op mogelijke

PvE 15680.005 versie D

Pagina 13 van 25

verstoringen, het bewoningsniveau en de mate waarin de eventuele vindplaats is opgenomen in de geroerde laag/enkeerdgrond/de bouwvoor. Van het lengteprofiel wordt aan het begin en einde van iedere sleuf een profielkolom van een 1 m breed tot 30 cm in de schone C aangelegd en gedocumenteerd. Mochten er tussen de kolommen grote verschillen zitten dan dient het tussenliggende deel aangelegd en gedocumenteerd te worden om overgangen vast te leggen. 6.6

Anorganische artefacten

• Archeologisch relevante artefacten die worden aangetroffen worden verzameld. Indien mogelijk worden verschillende lagen van elkaar gescheiden. Spoorvondsten worden per spoor verzameld. Stortvondsten worden onder één nummer per proefsleuf verzameld. • Archeologisch relevante vondsten en/of vondststrooiingen en/of clusters artefacten worden ter plaatse ingemeten en voorzien van een X-, Y-, en Z-waarden. • Kwetsbare vondsten moeten door middel van speciale zorg en behandeling behouden (c.q. geconserveerd) worden conform KNA versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). • Bij de vondst van bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid voordat de uitwerking ter hand genomen wordt. Dit gebeurt nadat het evaluatierapport is opgesteld. • De materiaalcategorie ‘bouwmateriaal, onversierd’ kan meteen in het veld door de uitvoerende archeologen representatief worden geselecteerd. Deze selectie geldt alleen voor bouwmateriaal van architectonische sporen. In de spoorbeschrijving dient echter wel vermeld te worden hoeveel stenen in het veld zijn achtergelaten. 6.7 •

• • •

6.8 •

• • • •

Organische artefacten Archeologisch relevante artefacten die worden aangetroffen, worden verzameld. Indien mogelijk worden vondsten uit verschillende lagen van elkaar gescheiden. Spoorvondsten worden per spoor verzameld. Stortvondsten worden onder één nummer per proefsleuf verzameld. Kwetsbare vondsten moeten door middel van speciale zorg en behandeling behouden (c.q. geconserveerd) worden conform KNA versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). De organische artefacten dienen in het veld op zodanige wijze te worden verzameld zodat ze na determinatie en uitwerking een antwoord geven op de gestelde onderzoeksvragen. Bij de vondst van bijzondere organische artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid voordat de uitwerking en conservering ter hand genomen wordt. Dit gebeurt na het opstellen van het evaluatierapport. Archeozoölogische en -botanische resten Uit relevante, kansrijke contexten (bijvoorbeeld sporen of vondststrooingen met veel verkoold materiaal en andere paleo-ecologische resten) dienen monsters genomen te worden ten behoeve van analyse door specialisten (archeobotanisch onderzoek). Het plaggendek wordt bemonsterd met behulp van brede pollenbakken.

Monstername ten behoeve van absolute dateringsmethoden gebeurt uitsluitend indien de aangetroffen archeologische sporen en materialen niet op andere wijze te dateren zijn. De monsters worden nog niet gezeefd. In overleg met de bevoegde overheid en de opdrachtgever zal worden bepaald of analyse van de monsters noodzakelijk is. Analyse dient zich primair te richten op het verkrijgen van antwoorden op de onderzoeksvragen zoals verwoord in dit PvE en in een mogelijke wijziging van het PvE in het kader van een mogelijke doorstart naar een opgraving.

PvE 15680.005 versie D

Pagina 14 van 25

6.9

Overige resten

Ter beantwoording van de onderzoeksvragen dienen relevante monsters genomen te worden voor onder meer micromorfologisch, botanisch, diatomeeën, mijten, insecten onderzoek, pollen en nonpalynomorfe pollen (NPP) analyse en geochemisch, onderzoek. Deze monsternames dienen te geschieden op basis van interpretatie door de Senior KNA archeoloog indien noodzakelijk in samenspraak met de daartoe ter zakekundige specialist. 6.10 Dateringstechieken Belangrijke sporen, die niet met behulp van vondsten kunnen worden gedateerd, kunnen, indien zij organisch materiaal bevatten, met behulp van een 14C-datering worden gedateerd. Daartoe dienen monsters van kansrijke lagen of materialen te worden genomen. 6.11 Bouwstenen Een bouwsteen is gedefinieerd als een logische of logistieke informatie-eenheid van de documentatie van een gravend onderzoek. Deze bouwstenen definiëren de wijze van documenteren van de basisgegevens van een specifiek (waarnemings)proces of een specifieke activiteit binnen een archeologisch onderzoek, te weten administratieve (bijvoorbeeld: project en OM-nr) en ruimtelijk-geografische (de positie en ruimtelijke begrenzing). Een bouwsteen, of een combinatie van bouwstenen, kan bijvoorbeeld de vorm hebben van een analoge (papieren) lijst of veldtekening, maar ook van een digitale databasetabel of een kaartlaag in een CAD- of GIS-toepassing.

Van de werkzaamheden in het veld dienen dag- en weekrapporten te worden bijgehouden. Tevens dienen sporen op spoorformulieren, vondsten op vondstformulieren, monsters op monsterformulieren, tekeningen op tekeningformulieren en foto’ s op fotoformulieren te worden geregistreerd. 6.12 Complexiteit De complexiteit van het archeologisch onderzoek is standaard. De mogelijkheid van het voorkomen van meerdere perioden is het enige dat het onderzoek gecompliceerd kan maken. 6.13 Beperkingen Vanwege het inventariserende karakter van het proefsleuvenonderzoek mogen grotere structuren (bijvoorbeeld beschoeiingen, muurresten en putten) niet verwijderd worden, tenzij een doorstart naar een opgraving plaatsvindt. Door deze beperking kan mogelijk niet op alle onderzoeksvragen een duidelijk antwoord gegeven worden. Het nader uitwerken van materiaalgroepen en het conserveren van artefacten gebeurt nadat er een selectie- en waarderingsrapport is geschreven waarin de voorgenomen uitwerkingen worden verwoord en beargumenteerd. Uiteindelijke uitwerking en conservering wordt in overleg met en na goedkeuring van de opdrachtgever en de bevoegde overheid gedaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12135070/1