CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

05d Ruimtelijke onderbouwing

Gemeenteraad 7 maart 2023, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen ten behoeve van de omgevingsvergunning voor de doorontwikkeling van natuurontwikkelingsproject De Diepeling te Tienray.15.485 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Er is door de beoogde eindsituatie sprake van een versterking van de aanwezige natuur- en landschapswaarden ter plaatse van het besluitgebied. Een ontwikkeling kan pas rekenen op planologische medewerking op het moment dat een passende kwaliteitsverbetering van het buitengebied gegarandeerd is. Van verbetering is pas sprake als deze past binnen de kwaliteitsdoelstellingen van de gemeente en de juiste waarde vertegenwoordigd. Binnen het gebied 'Zandgrondenlandschap-Beekdalen' zijn kwaliteitsverbeterende maatregelen ten behoeve van natuurontwikkeling, de ontwikkeling van recreatieve ontsluiting en het stimuleren van vernatting het meest

omgevingsvergunning De Diepeling, Tienray

33

gewenst. Ook worden het aanleggen van erfbeplantingen, het aanbrengen van lijnvormige beplantingselementen en het ontwikkelen van landschappelijke en cultuurhistorische waarden binnen het gebied als wenselijk gezien.

Gevolg planvoornemen De doorontwikkeling en uitbreiding van 'De Diepeling' vindt plaats binnen het gebiedstype 'Zandgrondenlandschap-Beekdalen'. In onderhavig planvoornemen is in de eindsituatie sprake is van natuurontwikkeling. In dit kader geldt dat de uitbreiding van de ontgrondingslocatie onlosmakelijk is verbonden met de doorontwikkeling van De Diepeling, waarbij natuurlijke, landschappelijke en recreatieve waarden in het gebied worden versterkt. Hiermee wordt aangesloten op de kwaliteitsverbetering die de gemeente zeer wenselijk acht binnen het gebied Beekdalen. De doorontwikkeling en uitbreiding van 'De Diepeling' wordt om deze redenen passend binnen het gemeentelijk beleid geacht.

34

omgevingsvergunning De Diepeling, Tienray

Hoofdstuk 5 5.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Inleiding

Milieuaspecten mogen niet in de weg staan aan de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan. Het is van belang dat onderhavig planvoornemen plaats vindt binnen een goed woon- en leefklimaat en dat de verandering niet leidt tot onevenredige (milieukundige) gevolgen voor bestaande waarden en functies. Dit hoofdstuk gaat hier nader op in.

5.2

M.e.r.-beoordeling

In bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planMER-plichtig, projectMER-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast moet het bevoegd gezag bij activiteiten die voorkomen in één van de opgenomen categorieën, maar niet de omvang hebben van de bijbehorende drempelwaarden, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. De uitbreiding van de ontgrondingslocatie is m.e.r.-beoordelingsplichtig. Deze activiteit is opgenomen in onderdeel D, categorie 16.1 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het betreft de ontginning dan wel wijziging of uitbreiding van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen, met inbegrip van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem. Het gaat daarbij om gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een terreinoppervlakte van 12,5 hectare of meer. In onderhavige situatie betreft het een uitbreiding van de bestaande ontgrondingslocatie van ongeveer 3,0 hectare.

Voor de ruimtelijke onderbouwing is een aanmeldingsnotitie (Sweco, projectnummer 366663, d.d. 28 oktober 2020) ten behoeve van de m.e.r.-beoordeling opgesteld en ingediend bij het bevoegd gezag. Deze voorzag nog in een uitbreiding in een groter gebied van 11,5 hectare. Op basis van de aanmeldingsnotitie heeft het bevoegd gezag (de provincie) gelet op artikel 7.17, lid 1 van de Wet milieubeheer besloten dat bij de voorbereiding van de nader aan te vragen ontgrondingsvergunning geen MER hoeft op te stellen. Het besluit d.d. 17 december 2020 inclusief aanmeldingsnotitie met bijlagen is respectievelijk als Bijlage 4 en Bijlage 5 opgenomen bij deze ruimtelijke onderbouwing. Nu het besluit gebied kleiner is (3,0 hectare) en gelegen binnen de begrenzing van het eerdere besluitgebied van 11,5 hectare is er in deze kleinere omvang ook geen MER-plicht.

omgevingsvergunning De Diepeling, Tienray

35

5.3

Bodem

5.3.1 Verkennend bodemonderzoek Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. In dit kader is door Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV (MAH BV) een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (d.d. 23 oktober 2019, rapportnr. 0034TEU/19, zie Bijlage 6). Het doel van het verkennend bodemonderzoek is aan te tonen dat de grond redelijkerwijs gesproken geen verontreinigingen bevat die schadelijk kunnen zijn voor de volksgezondheid en/of milieu in het algemeen en zodoende enige beperking of belemmering kunnen vormen ten aanzien van de voorgenomen uitbreiding van de ontgrondingslocatie. Het verkennend bodemonderzoek is gebaseerd op de richtlijnen van de NEN-5740 uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut in april 2016. Op basis van de gegevens uit het vooronderzoek is gekozen voor de strategie voor grootschalig onverdachte locaties (GR-ONV-NL). Naar aanleiding van het verkennend bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat in de opgeboorde grond geen bodemvreemde bijmengingen zijn waargenomen. Ook zijn in de opgeboorde grond geen asbestverdachte materialen waargenomen. In de ondergrond is ter plaatse van één plek (analyse nummer MM 3) een licht verhoogd gehalte aan kobalt aangetoond.

In de overige mengmonsters van zowel de boven- als de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. De ondergrond ter plaatse van MM 3 voldoet wel aan de maximale waarde voor industrie. De overige mengmonsters van zowel de boven als de ondergrond zijn altijd toepasbaar. De hypothese ‘onverdacht’ ten aanzien van het voorkomen van bodemverontreiniging, met uitzondering van verhoogde gehalten aan zware metalen in de bodem ten gevolge van diffuse bodemverontreiniging, kan worden aanvaard. De resultaten van het verkennend bodemonderzoek vormen milieuhygiënisch gezien geen bezwaar ten aanzien van de voorgenomen uitbreiding van de ontgrondingslocatie. 5.3.2 Aanvullend bodemonderzoek Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV (MAH BV) heeft een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie ‘De Diepeling’ gelegen te Tienray (rapportnr. 140.20.00438/R1, d.d. 18 februari 2021, zie Bijlage 7). Het betreft een uitbreiding van het verkennend bodemonderzoek van MAH BV met kenmerk 0034TEU/19/R, d.d. 23 oktober 2019 en heeft betrekking op de volgende onderdelen: Aanvullend PFAS onderzoek bovengrond (0,0-0,5 m-mv); Omdat uit informatie van de gemeente Horst a/d Maas is gebleken dat de bodemkwaliteitskaart (Nota Bodembeheer Limburg Noord 2020-2029) naar verwachting pas in de loop van 2022 wordt vastgesteld, zijn geen vastgestelde PFAS gegevens beschikbaar.

Doel van het PFAS onderzoek is derhalve te bepalen of de klasse landbouw/natuur (lees klasse altijd toepasbaar) ook voor PFAS wordt bevestigd. Aanvullend onderzoek industriegrond o.b.v. kobalt t.p.v. boringen 25, 29 en 31, bodemlaag van 0,5-2,0 m-mv; Omdat binnen het hele gebied sprake is van grond met de klasse altijd toepasbaar en enkel in MM3 sprake is van de klasse industrie (kobalt), is het doel te bepalen of dit middels aanvullend onderzoek wordt bevestigd of niet. Asfalt-, verkennend bodem- en asbestonderzoek Reijnbroeckerweg (50 meter vanaf brug tot aan hekwerk); Doel van het aanvullend asfalt-, verkennend bodem- en asbestonderzoek ter plaatse van de weg en bermen is het bepalen van de actuele (milieuhygiënische) kwaliteit van het asfalt, de funderingslaag en onderliggende bodem.

36

omgevingsvergunning De Diepeling, Tienray

Op basis van het aanvullend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Aanvullend PFAS onderzoek bovengrond (0,0-0,5 m-mv); In de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) zijn licht verhoogde gehalten aan PFOA, PFOS en/of overige PFAS aangetoond als gevolg van depositie. De aangetoonde gehalten voldoen voor PFAS aan de klasse landbouw / natuur. Aanvullend onderzoek industriegrond o.b.v. kobalt (0,5-2,0 m-mv); In de bodemlaag van 0,5-2,0 m-mv ter plaatse van boring 025, 029 en 031 is geen of plaatselijk enkel een licht verhoogd gehalte met kobalt aangetoond (MM18 t/m MM20). De gemiddelde kwaliteit voldoet aan AW2000. Ook een eerdere indeling in de klasse industrie wordt niet bevestigd. De ondergrond komt in aanmerking voor hergebruik als grond met de klasse altijd toepasbaar. Vermoedelijk is bij eerder onderzoek sprake geweest van een uitschieter. Asfalt; Op basis van de PAK-marker beoordelingen en PAK analyses (ASF01 t/m ASF04) blijkt dat het asfalt volledig als niet teerhoudend te beschouwen is. Verkennend bodemonderzoek Reijnbroeckerweg; In de stol en grindhoudende verhardingslaag in de bermen is plaatselijk een licht verhoogd gehalten met PAK aangetoond (MM21 en MM22). In de zandlagen onder de asfaltverharding van de weg zijn geen verhoogde gehalten aangetoond (MM23 en MM24).

Zowel de boven- als ondergrond komt volgens een indicatieve toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit in aanmerking voor hergebruik als grond met de klasse altijd toepasbaar. Verkennend asbestonderzoek Reijnbroeckerweg; Uit de asbestanalyse van de fijne fractie blijkt dat in mengmonster ASB01 geen sprake is van een overschrijding van de detectielimiet, laat staan de restconcentratienorm van 100 mg/kg.ds. De norm voor nader onderzoek (50 mg/kg.ds) wordt eveneens niet overschreden. Aanvullend verkennend bodemonderzoek zuidzijde besluitgebied; In zowel de boven- als ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond (MM16 en MM17). Zowel de boven- als ondergrond komt volgens een indicatieve toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit in aanmerking voor hergebruik als grond met de klasse altijd toepasbaar. 5.3.3 Conclusie De resultaten van het verkennend en aanvullend bodemonderzoek vormen milieuhygiënisch gezien geen bezwaar ten aanzien van de voorgenomen uitbreiding van de ontgrondingslocatie. Er is enkel zeer plaatselijk sprake van heel licht verhoogde gehalten aan PAK, kobalt en/of PFAS. De grond is aan te merken voor hergebruik als grond met de klasse altijd toepasbaar. Bij graafwerkzaamheden is volgens de CROW400 geen sprake van een veiligheidsklasse. Wel dient de basishygiëne in acht te worden genomen.

5.4

Geluid

5.4.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient op basis van de Wet geluidhinder onderzocht te worden of sprake is van geluidsoverlast, in het bijzonder in verband met verkeer of bedrijven. Een ontgrondingslocatie vormt op zichzelf geen geluidgevoelig object. Wel kan vanwege de ontgrondingslocatie geluidhinder naar de omgeving ontstaan. Om deze reden is door LBP Sight een geluidonderzoek (zuidelijke uitbreiding) naar de geluidbelasting vanuit de beoogde ontgrondingslocatie op de omgeving uitgevoerd. Het onderzoek (kenmerk R085839ab.226CGGS.rvw, d.d. 14 juli 2022) is als Bijlage 8 bij deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Daarnaast zijn de resultaten en conclusies uit het onderzoek in onderstaande paragrafen overgenomen.

omgevingsvergunning De Diepeling, Tienray

37

5.4.2 Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus Op basis van het geluidonderzoek kan geconcludeerd worden dat tijdens de representatieve bedrijfssituatie (RBS) na het opwerpen van een grondwal ten zuiden van het noordelijke perceel de om de vergunning opgenomen geluidgrenswaarden niet worden overschreden Ook ten tijde van de incidentele bedrijfsituatie (IBS) blijft de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau nog onder de streefwaarde van 40 dB(A) zoals deze geldt voor het landelijk gebied. De incidentele bedrijfssituatie (IBS) is niet getoetst aan de geluidgrenswaarden van de vergunning omdat deze niet meer dan 12 dagen per jaar voorkomt. Het verwijderen van de dekgrond vindt niet plaats in de avond- en nachtperiode. 5.4.3 Maximale geluidniveaus Aan de geluidgrenswaarden zoals gesteld voor de maximale geluidniveaus + 15 DB(A) kan ruimschoots worden voldaan. De grondverzetmachines voor het afgraven van de dekgrond zijn daarbij niet in de avond- en nachtperiode in werking. 5.4.4 Indirecte hinder Ten aanzien de indirecte hinder wordt vastgesteld dat ten gevolge van de zuidelijke uitbreiding ten opzichte van de vergunde situatie het aantal vrachtwagens die naar of van de inrichting rijden er niets veranderd. Daarnaast zijn vrachtwagens in de loop van de tijd iets stiller geworden. De geluidsituatie ten gevolge van het wegverkeer blijft hiermee dan ook onveranderd.

5.4.5 Trillingen Gezien de afstand van meer dan 700 meter tussen de klasseerinstallatie en de omliggende woningen behoeft niet te worden gevreesd voor trillinghinder. De woning Diepeling 5 ligt het dichst bij de klasseerinstallatie. Ook ten aanzien van de grondverzetmachines hoeft niet gevreesd voor trillinghinder omdat deze op meer dan 350 meter van de woning Spoorstraat 77 en 260 meter van de woning Over de Beek 8 in bedrijf zijn. 5.4.6 Conclusie Ten aanzien van de werktijden, de aan- en afvoerroute van vrachtwagens, de bedrijfstijden, de klasseerinstallatie, de in te zetten zuiger en het aantal vrachtwagens verandert er niets, met uitzondering van de locatie waar de ontgronding plaatsvindt. Uit het uitgevoerde geluidsonderzoek blijkt dat tijdens de representatie bedrijfssituatie (RBS) na het opwerpen van een grondwal ten zuiden van het noordelijk perceel de in de vergunning opgenomen geluidgrenswaarden niet worden overschreden. De vergunde geluidgrenswaarden worden zelfs tijdens incidentele bedrijfssituatie (IBS) (minder dan 12 dagen per jaar) niet overschreden. Geconcludeerd wordt dat het aspect 'geluid' geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Er kan ten aanzien voor de beoogde beperkte uitbreiding een omgevingsvergunning worden aangevraagd voor het milieuneutraal veranderen van de inrichting.

38

omgevingsvergunning De Diepeling, Tienray

5.5

Luchtkwaliteit

5.5.1 Inleiding Sinds 15 november 2007 vormt het aspect luchtkwaliteit uit de Wet milieubeheer de basis voor de besluitvorming in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. In de Wet luchtkwaliteit worden de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Op basis van de Wet luchtkwaliteit gelden milieukwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn middels grenswaarden vastgelegd voor de luchtverontreinigingscomponenten stikstofdioxide (NO2), zwevende deeltjes (PM10 of fijn stof), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb), benzeen (C6H6) en koolmonoxide (CO).

De grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. De Wet Luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen projecten die ‘Niet in betekenende mate’ (NIBM) en ‘In betekenende mate’ (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. 5.5.2 Beoordeling luchtkwaliteit De beoogde uitbreiding van de ontgrondingslocatie 'De Diepeling' is door LBP Sight getoetst aan de luchtkwaliteitseisen beschreven in titel 5.2 van de Wet milieubeheer (kenmerk R085839ab.229NCY5.jdb, d.d. 8 juli 2022, zie ook Bijlage 9). Aan de hand van de invoergegevens zoals beschreven in de onderzoeksrapportage, is de ter plaatse te verwachten luchtkwaliteit berekend. Toetsing vindt plaats door middel van toetspunten (verblijfslocaties in de directe omgeving van de inrichting) waarop de verwachte luchtkwaliteit bepaald wordt.

Tabel Berekende concentraties en overschrijdingsmomenten (hoogste van alle toetspunten)

omgevingsvergunning De Diepeling, Tienray

39

5.5.3 Stofhinder Stofverspreiding wordt, als hier aanleiding toe is, tegengegaan door een sproeiwagen. Deze werkwijze is geheel in overeenstemming met de huidige (vergunde) werkwijze. Er wordt geen overlast van stof verwacht. 5.5.4 Conclusie Uit het door LBP Sight verrichte onderzoek blijkt dat de uitbreiding van de ontgrondingslocatie 'De Diepeling' niet leidt tot een overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen uit de Wet milieubeheer. De uitbreiding draagt vanwege de beperkte bijdrage ter hoogte van verblijfslocaties niet in betekenende mate (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit staat niet in de weg voor het beoogde planvoornemen.

5.6

Bedrijven en milieuzonering

5.6.1 Algemeen In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Voorgaande moet op twee manieren getoetst worden. Enerzijds wordt er gekeken of het perceel zelf veroorzaker is van hinder en anderzijds wordt bekeken of het perceel kwetsbaar is voor hinder. Voor de toetsing kan onder meer gebruik worden gemaakt van de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' waarin voor de onderscheiden bedrijfsactiviteiten generieke afstandsnormen zijn opgenomen. Dit betreffen conform jurisprudentie richtafstanden. Bij de toetsing van concrete situaties kan maatwerk nodig zijn. Afwijking van de generieke richtafstanden uit de VNG publicatie is hierbij mogelijk, mits dit goed kan worden gemotiveerd. 5.6.2 Hindergevoelige functie Een ontgrondingslocatie wordt niet aangemerkt als hindergevoelige functie. Milieubelasting uit de omgeving hoeft om deze reden niet te worden beoordeeld. Daarnaast geldt dat de uitbreiding van de ontgrondingslocatie ook niet leidt tot belemmeringen voor omliggende hinderveroorzakende functies. Ook hier geldt dat met de uitbreiding van de ontgrondingslocatie geen sprake is van een hindergevoelige functie en dat er daarom geen beperkingen optreden ten aanzien van de duurzame ontwikkeling van omliggende hinderveroorzakende functies.

5.6.3 Hinderveroorzakende functie Een ontgrondingslocatie vormt wel een milieuhinderlijke bedrijfsactiviteit in termen van milieuzonering. Op basis van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering kan de winning van zand- en grind worden ingeschaald in de milieucategorie 4.1 met bijbehorende grootste richtafstand van 200 meter. Deze grootste richtafstand is gebaseerd op het aspect geluid. Hierbij geldt dat de geluidbelasting vanuit de ontgrondingslocatie voornamelijk wordt veroorzaakt door de verwerkingsinstallatie en de zuiger. De positionering en werking van de verwerkingsinstallatie wijzigt niet ten opzichte van de huidige, vergunde situatie. De zuiger verplaatst zich ter plaatse van de uitbreiding, afhankelijk van de locatie waar zand- en grind gewonnen wordt. In paragraaf 5.4 is reeds onderbouwd dat de uitbreiding van de ontgrondingslocatie niet tot onaanvaardbare geluidoverlast voor gevoelige functies in de omgeving leidt. Verder geldt dat een richtafstand van 100 meter geldt ten aanzien van stofhinder. Hierbij geldt dat stofverspreiding tegen wordt gegaan door een sproeiwagen. Deze werkwijze is geheel in overeenstemming met de huidige (vergunde) werkwijze.

40

omgevingsvergunning De Diepeling, Tienray

5.6.4 Conclusie Een ontgrondingslocatie betreft geen hindergevoelige functie. Milieubelasting uit de omgeving is daarom niet beoordeeld en de uitbreiding van de ontgrondingslocatie leidt niet tot beperkingen in de duurzame ontwikkeling van omliggende hinderveroorzakende bedrijven. Een ontgrondingslocatie wordt wel als hinderveroorzakende functie aangemerkt. In dit kader is gemotiveerd dat de uitbreiding van de ontgrondingslocatie niet tot onaanvaardbare overlast voor gevoelige functies in de omgeving leidt. Geconcludeerd wordt dat het aspect bedrijven en milieuzonering de uitbreiding van de ontgrondingslocatie niet in de weg staat.

5.7

Externe veiligheid

De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van industriële activiteiten met opslag en transport van gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat er te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Burgers mogen voor de veiligheid van hun omgeving rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een risicobron.

BEVI De risiconormen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in het BEVI. In dit besluit zijn milieukwaliteitseisen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Het BEVI verplicht het bevoegd gezag op basis van de Wet milieubeheer om veiligheidsafstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. In het besluit zijn gevoelige objecten gedefinieerd als kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.

Bevt Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Daarmee wordt de opdracht aan het bevoegd gezag voor ruimtelijke besluiten nadrukkelijk vastgelegd om rekening te houden met de risico's van transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. In het basisnet is de omvang voor de verschillende transportmodaliteiten vastgelegd. Nieuwbouw van (beperkt) kwetsbare objecten is niet toegestaan binnen de afstanden van het plaatsgebonden risico.

Conclusie Een ontgrondingslocatie is geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Besluit externe veiligheid transportroutes. Ook betreft een ontgrondingslocatie geen risicovolle inrichting. Daarnaast blijft het aantal personen wat ter plaatse verblijft ongewijzigd ten opzichte van de huidige situatie. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

omgevingsvergunning De Diepeling, Tienray

41

5.8

Ecologie

5.8.1 Algemeen Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Dit wordt geregeld in de Wet natuurbescherming 2017 die op 1 januari 2017 in werking is getreden. 5.8.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, moet een vergunning worden aangevraagd. Gedeputeerde staten van de provincie zijn het bevoegd gezag voor verlening van deze vergunning. Indien eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een activiteit waarvoor tevens een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is vereist, dan haakt de natuurtoets aan bij de omgevingsvergunning. Het besluitgebied is niet aangewezen als Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het gebied 'Maasduinen' met stikstofgevoelige habitatten op een afstand van circa 5,5 km vanaf het besluitgebied.

Negatieve effecten voor licht, geluid en trillingen ten gevolge van de doorontwikkeling en uitbreiding van 'De Diepeling zijn', gezien de ruimte afstand, op deze Natura 2000-gebieden uit te sluiten. Negatieve effecten ten aanzien van stikstof zijn op voorhand niet uit te sluiten. Om deze reden is door LBP Sight (kenmerk R085839ab.226GAYW.jdb, d.d. 7 juli 2022) een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 10. In dit onderzoek is de beoogde situatie vergeleken met de referentiesituatie. Deze vergelijking heeft de volgende resultaten opgeleverd: Binnen de beoogde situatie treden stikstofemissies op ten gevolge van mobiele werktuigen en vanwege verkeersgeneratie. De emissies binnen de beoogde situaties bedraagt circa 185 kg NOx/jaar. De beoogde situatie leidt tot maximale depositie van 0,01 mol/ha/jaar in het Natura 2000- gebied Maasduinen. Binnen de referentiesituatie was de stikstofemissie circa 70 kg NH3/jaar. Het effect van de referentiesituatie op omliggende Natura 2000-gebieden eveneens groter: maximaal 0,03 mol/ha/jaar. Op geen enkele hexagoon vindt binnen de beoogde situatie een grotere depositie plaats dan in de referentiesituatie.

Op basis hiervan wordt met betrekking tot vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming het volgende geconcludeerd: Er is volledig sprake van intern salderen, hetgeen niet vergunningsplichtig is. De beoogde situatie laat geen stijging zien in depositie. De toestemming ten tijde van de aanwijzing van omliggende Natura 2000-gebieden biedt voldoende ruimte om de activiteiten binnen de beoogde situatie uit te voeren. Er is geen sprake van vergunningplicht ingevolge de Wet natuurbescherming. NNN Verder dient ten aanzien van gebiedsbescherming rekening te worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale verordening. De toetsing aan het provinciaal beleid en de provinciale regels is reeds toegelicht in paragrafen 4.2.1 en 4.2.2. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling bijdraagt aan versterking van de natuur-

42

omgevingsvergunning De Diepeling, Tienray

en landschapswaarden en (extensieve) recreatieve functie aan het aangrenzende NNN doordat de samenhang wordt vergroot. Immers agrarische percelen worden op termijn omgezet in natuur.

Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Met het planvoornemen is enkel sprake van het ontgronden van agrarische percelen. Hier is geen sprake van bos dan wel de aanwezigheid van bomen. Alleen aan de weerszijde van de Reijnbroeckerweg staan ter hoogte van het besluitgebied houtsingels met bomen. Deze worden niet gerooid.

Gevolg planvoornemen Negatieve effecten ten gevolge van de doorontwikkeling en uitbreiding van 'De Diepeling' op Natura 2000-gebieden zijn, gezien de aard van het voornemen en de ruime afstand, op voorhand uitgesloten. Ook ten aanzien van stikstof geldt dat middels een Aeriusberekening is aangetoond dat het planvoornemen niet tot een toename van de emissie stikstof op Natura 2000-gebieden leidt (de drempelwaarde met betrekking tot stikstofdepositie wordt niet overschreden). Aangaande houtopstanden en Natuurnetwerk Nederland is er geen sprake van mogelijke overtreding van de Wet natuurbescherming. Ten aanzien van gebiedsbescherming worden geen belemmeringen voor de doorontwikkeling en uitbreiding van 'De Diepeling' verwacht. 5.8.3 Soortbescherming Om in te schatten of er binnen het besluitgebied planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep, is door Kragten een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd (rapportnr. TEU006, d.d. 26 augustus 2020). De conclusies uit het flora- en faunaonderzoek zijn in onderstaande overgenomen. De quickscan is toegevoegd als Bijlage 11 bij deze ruimtelijke onderbouwing.

Conclusie Uit het flora- en faunaonderzoek is gebleken dat zich diverse beschermde soorten binnen het besluitgebied en de directe omgeving bevinden. Op basis van de eerdere onderzoeken, waaronder de quickscan, is begin 2022 geconstateerd dat voor het huidige besluitgebied (ter plaatse van alleen de agrarische percelen) enkel sprake is van een negatief effect op de das (foerageerbiotoop). Overige in de omgeving voorkomende soorten betreffen havik, bosuil en vleermuizen. Echter voor deze soorten hebben de agrarische percelen (maisakkers) geen essentiële functie. Voor vleermuizen zou de situatie juist verbeteren in de toekomst door een hoger voedsel aanbod als gevolg van in eerste instantie een plas (tijdens winwerkzaamheden) en in het later stadium de vochtige en droge schraalgraslanden. Als gevolg van de beoogde uitbreiding van De Diepeling, verdwijnt tijdelijk foerageerbiotoop voor de das. Gezien het intensieve gebruik als maisakker, betreft dit marginaal en dus secundair foerageerbiotoop van de das. De omgeving van de uitbreidingslocatie biedt een ruime hoeveelheid alternatief foerageerbiotoop.

Echter, gezien de ligging nabij de hoofdburcht en ook enkele oude bijburchten, welke over het jaar gemakkelijk weer (tijdelijk) in gebruik door de das genomen kunnen worden, kan niet uitgesloten worden dat de dassenfamilie effecten ondervindt van deze tijdelijke afname aan foerageerbiotoop. Dit betreft in dat geval een overtreding

omgevingsvergunning De Diepeling, Tienray

43

van het verbodsartikel 3.10.b van de Wnb: Het is verboden om de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dassen opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Het foerageerbiotoop van soorten is onlosmakelijk verbonden met de vaste rust- en verblijfplaatsen van soorten in verband met voldoende voedselvoorziening voor het behoud van deze plaatsen. In dat kader is er een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd op basis van een uitgewerkt activiteitenplan (Kragten, projectnr. TEU006, d.d. 2 augustus 2022). Dit activiteitenplan is tevens toegevoegd als Bijlage 11 bij deze ruimtelijke onderbouwing. In dit activiteitenplan wordt gesteld dat na afloop van de winning nieuw natuurbiotoop wordt gerealiseerd. Het betreffen natte en droge schraalgraslanden. Deze schraalgraslanden zijn minder voedselrijk voor dassen dan bijvoorbeeld bemeste graslanden, maar vormen vergeleken met de huidige situatie een verbetering van de percelen als foerageerbiotoop voor de das. Een extensiever beheer leidt tot minder verstoring van de percelen en bovendien leiden verstoringen in de bodem, bijvoorbeeld als gevolg van het bewerken van de akkers, niet meer tot aantasting van de aanwezige regenwormenstand. Bovendien wordt aan de randen van het omliggende bosgebied een geleidelijke structuurrijke overgang gerealiseerd van het bos naar de schraalgraslanden.

Er is derhalve enkel sprake van een tijdelijk negatief effect op de das als gevolg van de tijdelijke afname aan beschikbaar foerageerbiotoop. Op de lange termijn, na afronding van de werkzaamheden en inrichting van het gebied is er juist sprake van een verbetering van het aanwezige dassenbiotoop. 5.8.4 Ontheffing Wet natuurbescherming Ten behoeve van de in de omgeving aanwezige beschermde soort (de Das) is in een recente ontheffingsaanvraag (activiteitenplan d.d. 2 augustus 2022, Bijlage 12) ingegaan op de optredende effecten hierop. Hiervoor is een ontheffingsaanvraag gedaan. De Provincie Limburg heeft beoordeeld dat er in dit geval geen sprake is van een overtreding van de Wet natuurbescherming en heeft daarom en heeft daarom de aanvraag positief afgewezen. Deze beoordeling heeft de provincie opgenomen in een bestuurlijk rechtsoordeel (d.d. 24 november 2022). De in het activiteitenplan opgenomen maatregelen voorkomen dat er sprake is van permanente negatieve effecten op de das. De werkzaamheden leiden niet tot het verloren gaan of verstoren van een bestaande burcht voor de das. Middels compenserende maatregelen wordt ook voorzien in voldoende alternatief foerageerbiotoop tijdens de uitvoering van de winwerkzaamheden en dit foerageerbiotoop wordt na afloop van de werkzaamheden alleen maar groter.

Derhalve wordt geconcludeerd dat de activiteit niet leidt tot een afbreuk aan de huidige staat van instandhouding van de das. Op de langere termijn, na afloop van de winning, is zelfs sprake van een verbetering van het gebied voor de das.

5.9

Water

5.9.1 Algemeen Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ontwikkelingen op onder meer het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen. Belangrijke thema’s zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de toelichting c.q. ruimtelijke onderbouwing aan te geven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Deze paragraaf kan als waterparagraaf worden beschouwd.

44

omgevingsvergunning De Diepeling, Tienray

5.9.2 Nationaal Waterprogramma 2022 - 2027 Het Nationaal Waterprgramma 2022-2027 (NWP) is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021. Het NWP beschrijf de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie. Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee, die als wetelijke bijlagen zijn opgenomen. Nederland heef de komende tijd te maken met grote wateropgaven die bovendien in de toekomst steeds groter en complexer worden. Dit komt door een aantal samenhangende uitdagingen: klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, biodiversiteitsverlies en ruimtedruk. In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om verouderde infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand te houden en waar nodig te vervangen of te renoveren. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP: Een veilige en klimaatbestendige delta. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.

De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Het bodem- en watersysteem stelt randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen. Om deze randvoorwaarden ook juridisch te laten doorwerken zijn inhoudelijke kaders nodig voor de inrichting en gebruik van wateren alsook voor ruimtelijke inrichting, landgebruik en de wijze van bouwen. In Nederland komen veel opgaven voor de leefomgeving bij elkaar op een klein oppervlak. Niet alles kan, soms moeten keuzes worden gemaakt. Daarvoor zijn in het NWP een aantal afwegingsprincipes voor het waterbeleid en -beheer opgenomen. De 3 hoofdambities voor het waterbeleid zijn in het NWP uitgewerkt voor verschillende thema’s – Klimaatadaptatie, Waterveiligheid, Zoetwaterverdeling en droogte, Waterkwaliteit, Grondwater, Scheepvaart – en voor de bijbehorende beheer- en uitvoeringstaken van Rijkswaterstaat. Ook de samenhang van het waterbeleid met andere onderwerpen komt in het NWP aan bod: natuur, landbouw, bodem en ondergrond, landschap, verstedelijking, energietransitie en industrie. 5.9.3 Beleid Waterschap Limburg Het besluitgebied valt onder het beheer van Waterschap Limburg.

Het beleid van het waterschap is nog steeds gericht op het zo lang mogelijk vasthouden van gebiedseigen water, gecombineerd met het zoveel mogelijk scheiden van schoon en verontreinigd water. Het beleid van het waterschap is opgenomen in het Waterbeheerplan 2022-2027 en nader geconcretiseerd in de zogenoemde Keur van het waterschap. De Speerpunten van het Waterschap Limburg met betrekking tot het waterbeheer zijn onder andere: 1. 2. 3. 4.

Hoogwaterbescherming Maasvallei: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas. Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden. Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zin natuurlik ingericht. Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken.

5.9.4 Gevolg ontwikkeling Bij de uitbreiding van de ontgrondingslocatie 'De Diepeling' aan de zuid-oostzijde richting de Groote Molenbeek, wordt het landschappelijke karakter gehandhaafd van een laaggelegen dal van de Groote Molenbeek met hogere gelegen gronden aan de noord-westzijde van de beek. De bestaande bosschages (onderdeel van het NNN) blijven hierbij gehandhaafd.

omgevingsvergunning De Diepeling, Tienray

45

De (hydrologische) haalbaarheid en maakbaarheid van de voorgenomen uitbreiding richting de beek is door Antea Group in beeld gebracht (memonr. 220708 476245, d.d. 8 juli 2022). Verder zijn de hydrologische consequenties van deze inrichting voor het dal van de Groote Molenbeek en de verdere omgeving door Antea Group nader in beeld gebracht. De mogelijke effecten van klimaat (WH2050) op omgeving, plas en beek worden ook benoemd. Antea Group heeft een onderzoeksrapportage opgesteld waarin zij ten aanzien van de geplande uitbreiding van de ontgrondingslocatie De Diepeling een drietal hydrologische deelvragen beantwoordt, namelijk: 1.

De invloed van de uitbreiding op de bodemkundige relatie met de Groote Molenbeek. Met name gaat het daarbij om de stabiliteit van het grondlichaam tussen de plassen en de Groote Molenbeek. 2. De invloed van de uitbreiding van 'De Diepeling' op de grondwaterstanden in de omgeving en daarmee op de landbouw, de bebouwing en de natuur. Tevens wordt daarbij de invloed op het plaspeil vastgesteld. 3. Welke mogelijkheden zijn er tot hydrologische optimalisatie van het plan, met name in verband met het ontwikkelen van natuurwaarden in het gebied? In onderstaande zijn de conclusies en bevindingen uit de onderzoeksrapportage overgenomen. Tevens is de onderzoeksrapportage als Bijlage 13 bij deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Er zijn geen noemenswaardige negatieve effecten van de herziening van het plan voor de omgeving, zowel in de tijdelijke situatie van de realisatie van het plan als in de eindsituatie. In de tijdelijke situatie kunnen de peilen in de zandwinplassen wanneer nodig worden gereguleerd middels de aanvoer van water uit de bestaande plas van 'De Diepeling' of afvoer naar de Groote Molenbeek. De effecten van het plan in de eindsituatie zijn positief te noemen. De ontstane plassen aan weerszijden van de Reijnbroeckerweg worden aangevuld met grond tot een maaiveldhoogte die (deels) beneden het peil in de bestaande plas ligt.

Door de hoge grondwaterstanden worden potenties voor de ontwikkeling van grondwaterafhankelijke natuurwaarden gerealiseerd, waarbij noordoostelijk van de Reijnbroeckerweg gebruik kan worden gemaakt van de aanvoer van overtollig water uit de bestaande plas Diepeling om (kwel)stromen te ontwikkelen. Conclusie Op basis van vorenstaande wordt geconcludeerd dat de doorontwikkeling en uitbreiding van 'De Diepeling' geen negatieve effecten heeft op de stabiliteit van het grondlichaam tussen de ontgrondingsplas en de Groote Molenbeek. Ook zijn er geen negatieve effecten op de grondwaterstanden in de omgeving en daarmee op de landbouw, bebouwing en de natuur te verwachten. Ten aanzien van de natuurwaarden kan worden opgemerkt de uitbreiding eerder een positief dan een negatief effect heeft. Geconcludeerd wordt dat het aspect 'water' geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

5.10

Archeologie en cultuurhistorie

5.10.1 Archeologie Als wettelijk toetsingskader in Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta uit 1992. De belangrijkste artikelen uit de Wamz (vergunningverlening en integratie in de planvorming) vallen nu nog onder het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Straks zijn deze opgenomen in de Omgevingswet. In de Wamz is vastgelegd dat Rijk, provincies en

46

omgevingsvergunning De Diepeling, Tienray

gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen.

Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Horst aan de Maas

Het besluitgebied kent verschillende archeologische waarden. Op het meest westelijke gelegen besluitgebied ligt een AMK-terrein. AMK-terrein nr.8275, een terrein van archeologische waarde met mogelijk sporen uit de IJzertijd en/of het Neolithicum. Het meer oostelijk gelegen besluitgebied bevat aan de zuidkant gronden met een lage archeologische verwachting en de rest van dit besluitgebied bestaat uit gronden met een hoge archeologische verwachting. Voor een groter gebied rondom de twee nu opgenomen besluitgebieden is reeds archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het betreft een bureauonderzoek (Hazenberg Archeologie, 2019, zie Bijlage 14), een verkennend booronderzoek (Econsultancy, 2019, zie Bijlage 15) en een karterend booronderzoek met proefputjes (Vestigia, 2020, zie Bijlage 16) uitgevoerd. Door Hazenberg Archeologie is een analyse van de uitgevoerde onderzoeken gemaakt en een voorstel voor een verdere plan van aanpak gedaan. De analyse en het plan van aanpak (d.d. 17 december 2020) zijn als Bijlage 17 bij de ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Op basis van deze voorgaande onderzoeken is aanvullend nog een archeologisch proefsleuvenonderzoek (Vestigia, rapportnummer V2146, d.d. 25 mei 2012) uitgevoerd. Dit proefsleuvenonderzoek is als Bijlage 18 bij de ruimtelijke onderbouwing toegevoegd.

Op basis van de resultaten van het onderzoek, waarbij er ter hoogte van het AMK-terrein behoudenswaardige archeologische resten zijn aangetroffen en er sprake is van een vindplaats met een aanzienlijke ouderdom, wordt geadviseerd om dit deel van het plangebied niet vrij te geven voor de geplande ontwikkelingen. Er wordt geadviseerd om door middel van een waarderend proefsleuvenonderzoek ter hoogte van het AMK-terrein de vindplaats beter te begrenzen en te dateren. Voor het overig deel van het plangebied geldt dat het ontbreken van archeologische sporen en vondsten een indicatie is dat de kans op de aanwezigheid van een vindplaats klein is binnen de niet onderzochte delen van het plangebied. Eventueel aanwezige resten die door aanwezige wortels nu al sterk zijn verstoord, zullen bovendien bij het verwijderen van de bomen en stobben zodanig worden geroerd dat archeologisch onderzoek onmogelijk zal blijken. Op grond hiervan wordt geadviseerd om dit deel van het plangebied vrij te geven voor de geplande ontwikkelingen.

omgevingsvergunning De Diepeling, Tienray

47

Het is aan het bevoegd gezag om op basis van het hierboven geformuleerde advies en de voorgenomen ingrepen een besluit te nemen. In overleg met het bevoegd gezag wordt bezien waar en in welke omvang nog nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Alvorens gestart kan worden met de daadwerkelijke ontgrondingswerkzaamheden ontgrondingsgebied door het bevoegd gezag archeologisch te worden vrijgegeven.

48

omgevingsvergunning De Diepeling, Tienray

dient

het

Hoofdstuk 6

Haalbaarheid

Naast het toetsen van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan aan diverse milieu- en veiligheidsaspecten, dient de aanvraag van de omgevingsvergunning ook getoetst te worden aan de uitvoerbaarheid van het project. Hierbij wordt gekeken naar de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Deze ontwikkeling ziet toe op de uitbreiding van een ontgrondingslocatie als onderdeel van de doorontwikkeling van De Diepeling, waarbij aanvullende bijdragen ten aanzien van natuur, landschap en (extensieve) recreatie worden gerealiseerd. Er is een meerwaardenotitie opgesteld (Bijlage 19) waarin de kansen om de kwaliteit in het gebied verder te vergroten en nieuwe kansen te benutten zijn beschreven. Door het 'koppelen en combineren' ontstaat er een maatschappelijke meerwaarde door: De natuurontwikkeling en versterking van groene structuur als aantrekkelijk uitloopgebied; Een extra kwaliteitsimpuls door koppeling met de Groote Molenbeek en Lollebeek; De toeristisch/recreatieve ontwikkeling; Het creëren van een fysieke en aangesloten natuurlijke verbinding tussen Tienray en 'De Diepeling' (onder de spoorlijn door); De continuering van levering van bouwgrondstoffen voor de regionale bouwopgave; Het behoud en zo mogelijk uitbreiding van de werkgelegenheid; Het uitvoering geven aan integrale visie 'De Maasgaard' (2013); Mocht iemand bedenkingen hebben ten aanzien van het project dan kan ten aanzien van het ontwerp-besluit ook een zienswijze kenbaar worden gemaakt en na verlening van de omgevingsvergunning eventueel beroep worden ingesteld.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

Ingevolge het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient inzicht te worden gegeven over de uitvoerbaarheid van het plan. Hiermee wordt mede de financiële uitvoerbaarheid bedoeld. Het exploitatieplan biedt de grondslag voor het publiekrechtelijk kostenverhaal. In artikel 6.12, eerste en tweede lid, Wro is bepaald in welke situatie een exploitatieplan gemaakt moet worden. In artikel 6.2.1 Bro worden de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Een exploitatieplan wordt gelijktijdig vastgesteld met het ruimtelijk plan of besluit waarop het betrekking heeft. In welke gevallen kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan is eveneens vastgelegd in de Wro c.q. het Bro. Het planvoornemen wordt voor rekening en risico van de initiatiefnemer uitgevoerd. Aangezien het een natuurontwikkelingsplan betreft voorziet dit planvoornemen niet in een bouwplan en is er geen exploitatieplan noodzakelijk.

omgevingsvergunning De Diepeling, Tienray

49

50

omgevingsvergunning De Diepeling, Tienray

Hoofdstuk 7 7.1

Procedure

De te volgen procedure

Deze ruimtelijke onderbouwing is opgesteld als onderdeel van de aanvraag van de noodzakelijke omgevingsvergunning voor de uitbreiding van de ontgrondingslocatie als onderdeel van de doorontwikkeling van 'De Diepeling'. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevat twee procedures voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning, te weten de reguliere en de uitgebreide procedure. In het onderhavige geval, waarbij afgeweken wordt van het geldende bestemmingsplan, dient de uitgebreide procedure te worden gevolgd.

7.2

Ontwerp

De omgevingsvergunning (ontwerpbesluit) wordt, inclusief deze ruimtelijke onderbouwing, conform de uitgebreide procedure gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan een ieder reageren op ontwerpbesluit en zijn of haar zienswijzen indienen.

omgevingsvergunning De Diepeling, Tienray

51

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12390268/1